Bijlage 2: Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne Veegplan 3 vast te stellen
Tekst van het document
Het is dan niet duidelijk voor initiatiefnemers dat voor het realiseren van een paardenbak (of welk ander initiatief dan ook) ook getoetst dient te worden aan de regels voor stikstof (artikel 149). Daarom wordt in de artikelen 73.5 en 138 t/m 142 duidelijker verwoord dat er aan stikstof getoetst dient te worden. Het begrip 'paardenbak' is gedefinieerd in de begripsbepaling: 168.64.
Rho adviseurs voor leefruimte
20210301
39
Aardwarmteproject Konneweg 4b Aan de Konneweg 4b is in 2020 een vergunning verleend ten behoeve van het bouwen van een aardwarmteproductiegebouw en bijbehorende installaties en het in gebruik nemen van deze aardwarmteproductie installatie ten behoeve van de winning van aardwarmte. De vergunning is nog niet verwerkt in het Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne. In figuur 1.10 is het plangebied van deze ontwikkeling weergegeven. De bebouwing van het project vindt plaats binnen de kadastrale percelen van de gemeente Westvoorne, sectie C, percelen 2027 en 2028. Ook is er een ontsluitingsweg aangelegd vanaf de Konneweg naar de bebouwing.
Figuur 1.10 - Plangebied Konneweg 4b in bestemmingsplan 'Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte' Planologische wijzigingen Het aardwarmteproject valt binnen de bestemming Glastuinbouw. Hier is het toegestaan om collectieve voorzieningen gericht op de glastuinbouw, ten behoeve van meerdere glastuinbouwbedrijven binnen datzelfde glastuinbouwgebied te realiseren. Voor het aardwarmteproject bestaan nog geen bouwregels in het bestemmingsplan Buitengebied Westvoorne. De bouwregels zijn daarom aangemaakt als nieuw Artikel 134 Bouwregels aardwarmteproductie. Ruimtelijke onderbouwing en onderzoeken De ruimtelijke onderbouwing met bijbehorende onderzoeken van de Konneweg 4b is opgenomen in Bijlage 12. Collectieve voorzieningen Naar aanleiding van het toevoegen van het aardwarmteproject in de regeling is tevens duidelijk gemaakt wat onder collectieve voorzieningen wordt verstaan door dit begrip toe te voegen in de begripsbepaling onder 168.24. Artikel 16 t/m 21 - Wonen In artikel 16 t/m 21 bestaat onduidelijkheid over of het grondoppervlak á 100 m² voor aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten alleen in gebouwen mag plaatsvinden of ook daarbuiten. Verduidelijkt is nu dat de activiteiten in een hoofd- of bijgebouw plaats dienen te vinden en dat het bieden van parkeergelegenheid ten behoeve van deze activiteiten niet binnen de 100 m² valt.
Dezelfde toevoeging is gedaan in Artikel 54 Wonen in bedrijfswoning(en).
Rho adviseurs voor leefruimte
20210301
40
In de begrippen aan-huis-gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is toegevoegd dat de activiteit ook in het bijgebouw mag plaatsvinden. Webwinkels aan huis In artikel 16 Wonen t/m 21 Wonen - Colinslandsedijk 4 en artikel 54 Wonen in bedrijfswoning(en) is toegevoegd onder welke voorwaarden een webwinkel aan huis is toegestaan. De volgende voorwaarden zijn toegevoegd: De activiteit mag geen ruimtelijke uitstraling hebben; Ten behoeve van de activiteit mag geen winkelruimte, etalage of showroom worden gerealiseerd en/of reclame-uitingen op het perceel worden aangebracht; Er mogen geen klanten aan huis worden ontvangen voor het afhalen of retourneren van producten. Tevens is de definitie van 'webwinkel' toegevoegd aan het Omgevingsplan. Definitie bebouwing In de begripsbepaling is het begrip 'bebouwing' weer toegevoegd, zijnde: een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Definitie huishouden In de begripsbepaling is het begrip 'huishouden' toegevoegd. Verbodsbepaling In het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Westvoorne' zat een bijzondere gebruiksverbodsbepaling waarin het verboden is onbebouwde gronden te gebruiken voor bepaalde zaken als opslag van bepaalde goederen, mest, onderkomens etc. De verbodsbepaling geeft de gemeente handvaten om handhavend op te treden in bepaalde gevallen.
Om die reden is de bepaling wederom opgenomen in het 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne' in artikel 163 Algemene regels. Artikel 113 Bouwregels horeca Momenteel is bebouwing voor de voorgevel toegestaan. Dit wordt niet langer toegestaan. In artikel 113 Bouwregels horeca is toegevoegd dat 'bebouwing' ten minste 1 meter achter (in het verlengde) de voorgevel van het hoofdgebouw moet worden gebouwd. Verkoop aan huis bij agrarisch gebruik De verkoop van agrarische producten aan huis is in de artikelen 7 Nevenfuncties Zanderijen t/m 11 Nevenfuncties Noordrand de verkoop van agrarische producten aan huis toegevoegd met een oppervlakte tot 100 m², waarbij het uitsluitend mag gaan om een niet zelfstandige functie. Ook dienen er uitsluitend producten van eigen bedrijf verkocht te worden. In artikel 168.79 is ter verduidelijking een begripsbepaling voor de verkoop van agrarische producten toegevoegd. Ondergeschikte horeca bij sportfuncties In voorgaande bestemmingsplannen was binnen deze bestemmingen ondergeschikte horeca toegestaan. Dit is nu wegbestemd in het Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne. Kortom, nieuwe vergunning voor horeca (kantine) kunnen momenteel niet verleend worden.
Daarom is aan de artikelen 13 Manege, 41 Maatschappelijke voorzieningen, 42 Maatschappelijke voorzieningen en woonvormen, 52 Jachthaven en 53 Sport en dagrecreatie een gebruiksbepaling toegevoegd waarin ondergeschikte horeca, uit ten hoogste categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten, wordt toegestaan binnen deze bestemmingen. Regionaal afsprakenkader (RAK) In het Omgevingsplan worden het regionaal afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling (RAK) aangehaald. Hieraan is toegevoegd dat 'diens opvolger' ook van kracht is. De aanpassing is doorgevoerd in artikel 143 Geluidzone industrie.
Rho adviseurs voor leefruimte
20210301
41
Agrarisch bedrijfscomplex bij glastuinbouwbedrijf In de huidige bestemmingsomschrijving voor een glastuinbouwbedrijf ontbreekt de verwijzing naar een agrarisch bedrijfscomplex waardoor het niet mogelijk zou zijn gebruik te maken van de algemene gebruiksactiviteiten behorend bij een agrarisch bedrijf. Dit is hersteld in Artikel 1 Glastuinbouwbedrijf. Hoofdbouwmassa In Artikel 75 is in lid j het woordje hoofdgebouw verruild voor 'hoofdbouwmassa, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen'. Lid j is daarmee in lijn gebracht met de rest van het artikel. Toevoeging definitie siergewas De definitie van siergewas is opgenomen in de begripsbepalingen onder 168.70. Siergewassen kunnen behoorlijk hoog zijn en worden regelmatig bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Spuitzones rondom siergewassen zijn dan ook ruimer, het risico op drift is immers groter, dan de spuitzones voor bijvoorbeeld aardappelplanten. Hobbymatige productiegrond In Artikel 56 Algemeen grondgebruik is onder sub b toegevoegd dat deze gronden ook als hobbymatige productiegrond mogen worden gebruikt, bijvoorbeeld voor een moestuintje. De gronden dienen echter wel primair gebruikt te worden voor het eigen gebruik. De afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens De definitie van de wijze van meten, 169.2 de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens, is aangescherpt.
Gemeten wordt de kortste afstand, inclusief overstekken. Overstekken en inhoud-/oppervlaktemaat meten Aan de wijze van meten van de inhoud- en oppervlaktemaat van een bouwwerk is toegevoegd dat, indien een gebouw is voorzien van een niet geheel door wanden omsloten overkapping, wordt het gedeelte onder deze overkapping mede als oppervlakte berekend, met dien verstande dat dakoverstekken en luifels met een diepte van ten hoogste 50 centimeter bij deze berekening buiten beschouwing blijven. Nieuw Rockanjesedijk 1 Perceel 1748 en 180 behoren bij elkaar, maar zijn nu 'los' van elkaar op de verbeelding opgenomen. Op perceel 1748 staat een bijgebouw, maar heeft helemaal geen bouwmogelijkheden in het huidige plan. Door perceel 1748 en 180 te koppelen wordt het mogelijk ook bijgebouwen te realiseren op perceel 1748. Er wordt geen woning mogelijk gemaakt op perceel 1748. Er wordt een relatieteken tussen het icoon op perceel 180 en de woonbestemming op perceel 1748 opgenomen op de verbeelding. Ook wordt de bouwregel Artikel 75 op de woonbestemming van perceel 1748 gelegd. Het verbod op het bouwen (Artikel 86) van een woning op perceel 1748 blijft gehandhaafd.
Rho adviseurs voor leefruimte
20210301
42
Figuur 1.11 - Percelen 1748 en 180 Nieuw Rockanjesedijk 1 Gewijzigde methodiek - bouwregels nieuwbouwwoning Artikel 85 Bouwregels nieuwbouwwoning is een nieuw artikel dat is toegevoegd voor nieuwbouwwoningen vanaf Veegplan 3. Dit betekent dat artikel 85 niet komt te gelden voor locaties waar al een nieuwbouwwoning is toegekend in eerdere veegplannen. Artikel 87 Bouwvlak woning werd gebruikt in combinatie met Artikel 75 Bouwregels woning om te regelen waar een woning kan worden gebouwd. De bouwregels voor een woning in artikel 75 zijn gericht op vervangende nieuwbouw en niet op complete nieuwbouw. In het geval van artikel 75 dient een woning altijd te worden teruggebouwd op de bestaande fundering (vervangende nieuwbouw) en anders moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd wanneer hiervan wordt afgeweken. Deze eis is ook bedoeld voor complete nieuwbouw, maar sub k van artikel 75 voorziet niet in bouwregels voor complete nieuwbouw. Feitelijk is het daarmee niet mogelijk binnenplans een nieuwbouwwoning te realiseren via de artikelen voor kwalitatieve toetsing (138 – 142). Hierdoor is een nieuw artikel 85 – bouwregels nieuwbouwwoning toegevoegd waarin wel regels voor nieuwbouwwoningen zitten. Met artikel 85 – Bouwregels nieuwbouwwoning wordt zowel een bouwvlak aangeduid als een toetsmoment ingebouwd. Voorheen werkten wij hier met de artikelen 75 (toetsmoment) en 87 (bouwvlak).
Artikel 85 – bouwregels nieuwbouwwoning en artikel 75 – bouwregels woning verschillen alleen in sub k. Voor artikel 85 is daar het woordje vervangende tussen haakjes gezet om aan te geven dat deze sub ook geldt voor niet vervangende nieuwbouw. Voor de huidige nieuwbouwsituaties (t/m veegplan 1 en 2) laten wij deze situatie bestaan. Voor nieuwe situaties werken wij vanaf dit bestemmingsplan (veegplan 3) met artikel 85.
Rho adviseurs voor leefruimte
20210301
43
1.4
Uitvoerbaarheid
1.4.1 Milieutechnische uitvoerbaarheid De 12 ruimtelijke ontwikkelingen die onderdeel uitmaken van deze herziening, zijn getoetst aan de relevante wet- en regelgeving voor de verschillende milieuaspecten. In een aantal gevallen zijn er onderzoeken uitgevoerd om aan te tonen dat hieraan wordt voldaan, bijvoorbeeld verkennend bodemonderzoek of archeologisch onderzoek. De ruimtelijke onderbouwingen, die als bijlagen bij de toelichting zijn gevoegd, bevatten onderbouwingen en zo nodig de onderzoeksrapportages voor de relevante milieuaspecten. Voor enkele initiatieven is bij de toetsing aan het aspect geluid gebleken dat er een hogere waarden besluit nodig is om de woning(en) te kunnen realiseren. Het ontwerpbesluit is bijgevoegd in Bijlage 13 en is nodig bij de volgende initiatieven: 1. Initiatief 7: Quacksedijk 2/2a, Middelweg tussen 36 en 38, Vleerdamsedijk tegenover 23 en Boomweg naast 20, Rockanje; 2. Initiatief 8: Nieuw Rockanjesedijk 1b, Rockanje en 3. Initiatief 9: Achterweg/Strypsedijk 1a, Rockanje. Voor de ambtshalve wijzigingen in deze herziening is beoordeeld of deze getoetst dienen te worden aan de relevante wet- en regelgeving voor de verschillende milieuaspecten. Daaruit blijkt dat er geen toetsing noodzakelijk is. Per wijziging is in paragraaf 1.3 toegelicht wat er wijzigt.
1.4.2 Economische uitvoerbaarheid Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan, een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd en het opnemen van aanvullende regels en eisen niet nodig is, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente Westvoorne (tegenwoordig: Voorne aan Zee) heeft een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemers van de 12 ruimtelijke initiatieven, waarin het kostenverhaal is geregeld. Om die reden wordt afgezien van een exploitatieplan. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Voor de ambtshalve wijzigingen geldt dat er geen exploitatieplan noodzakelijk is. Doordat er met de ambtshalve wijzigingen geen fysieke uitvoering benodigd is zijn er ook geen middelen benodigd voor de uitvoering. Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar. 1.4.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan en de bijbehorende ontwikkelingen 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 3' zijn het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening aan diverse instanties toegezonden.
Verder is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in artikel 3.8 bepaald dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit met de daarop betrekking hebbende stukken, die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, voor een termijn van 6 weken ter inzage worden gelegd. Het ontwerp bestemmingsplan Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne Veegplan 3 heeft van 7 juli 2022 tot en met 17 augustus 2022 ter inzage gelegen. Het ontwerp bestemmingsplan kon in deze periode in het gemeentehuis, via de gemeentelijke website en via de website ROOnline (www.ruimtelijkeplannen.nl) worden bekeken. Eenieder is daarmee in de gelegenheid gesteld, schriftelijk en/of mondeling zijn zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan naar voren te brengen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20210301
44
Er zijn in totaal 8 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn binnen de gestelde termijn ingediend en om die reden ontvankelijk verklaard. De zienswijzen zijn in deze Nota van Zienswijzen (de Nota) samengevat en van beantwoording voorzien. De Nota is bijgevoegd in Bijlage 1 bij de toelichting. Per zienswijze is in de conclusie opgenomen of en zo ja, wat er wijzigt aan het bestemmingsplan. Verder is de ontwikkeling aan de Walinxweg verwijderd uit het plan waardoor we van 13 naar 12 ruimtelijke initiatieven zijn gegaan. Verder zijn in hoofdstuk 3 van de Nota ook enkele ambtshalve wijzigingen opgenomen in het bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20210301
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Nota beantwoording zienswijzen Veegplan 3
Rho adviseurs voor leefruimte
20210301
RAADSBESLUIT
Onderwerp: Zaaknummer:
omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 3 93336-2023
De raad van de gemeente Voorne aan Zee besluit: gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 augustus 2023 gelet op het bijbehorende raadsvoorstel; gelet op de bij het bestemmingsplan “omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 3’ behorende toelichting; gelet op het ter zake bepaalde in onder andere de artikelen 3.1, 3.8 en 6.12 in de Wet ruimtelijke ordening en de bijbehorende artikelen uit het Besluit ruimtelijk ordening;
Besluit: Met inachtneming van de in het voorstel van burgemeester en wethouders weergegeven overwegingen, welke geacht worden deel van dit besluit uit te maken: I.
geen exploitatieplan vast te stellen;
II.
de nota zienswijzen omgevingsplan Buitengebied Westvoorne vast te stellen, tevens als bijlage bij dit besluit gevoegd.
III.
de zienswijzen van reclamanten genoemd onder 1 tot en met 8 in behandeling te nemen, zoals samengevat in hoofdstuk 2 van de bijlage bij dit besluit;
a. de zienswijze van reclamanten genoemd onder 1 tegemoet te komen; b. de zienswijzen van reclamanten onder 2, 6 en 8 deels tegemoet, deels niet tegemoet te komen; c. aan de zienswijzen van reclamanten 3, 4, 5 en 7 niet tegemoet te komen. de wijzigingen zijn toegelicht in hoofdstuk 2 en 3 van de bijlage bij dit besluit; IV. de ambtshalve voorgestelde wijzigingen, opgenomen en toegelicht in hoofdstuk 3 van de bijlage bij dit besluit, vast te stellen;
V.
het bestemmingsplan “omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 3 gewijzigd vast te stellen in overeenstemming met de als zodanig gewaarmerkte geometrisch bepaalde planobjecten zoals opgenomen in het GML bestand NL.IMRO.1992.OPWestvoorneHer03-0100 met bijbehorende bestanden en de als zodanig gewaarmerkte analoge verbeelding, met dien verstande dat ten opzichte van het ontwerp zoals dat ter inzage heeft gelegen, wijzigingen hebben
plaatsgevonden, zoals opgenomen in de hoofdstukken 2 en 3 van de bijlage bij dit besluit.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Voorne aan Zee van ……
de griffier, drs. A. (Ariette) Goslings
de voorzitter, dr. J.P. (Peter) Rehwinkel
2
BIJLAGE 1
Nota beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne Veegplan 3
3
Hoofdstuk 1 Inleiding Het ontwerp bestemmingsplan Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne Veegplan 3 heeft van 7 juli 2022 tot en met 17 augustus 2022 ter inzage gelegen. Het ontwerp bestemmingsplan kon in deze periode in het gemeentehuis, via de gemeentelijke website en via de website ROOnline (www.ruimtelijkeplannen.nl) worden bekeken. Tijdens deze periode van zes weken konden inwoners en andere belanghebbenden in de gemeente een reactie geven op het ontwerp bestemmingsplan. De start van de zienswijzeprocedure is bekend gemaakt op 6 juli 2022 in het Weekblad Westvoorne, de Staats Courant, de Gemeentepagina en op de gemeentelijke website. Doordat de wettelijke vooroverlegpartners abusievelijk het bestemmingsplan niet eerder hadden ontvangen hebben zij de gelegenheid gekregen na de ter inzagelegging nog te reageren op het ontwerp. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en provincie Zuid-Holland hebben hiervan gebruik gemaakt. Er zijn in totaal 8 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn binnen de gestelde termijn ingediend en om die reden ontvankelijk verklaard. De zienswijzen zijn in deze Nota van Zienswijzen (de Nota) samengevat en van beantwoording voorzien. Daarbij is aangegeven hoe de zienswijzen zijn betrokken bij de uitwerking van het bestemmingsplan zoals dat ter vaststelling aan de gemeenteraad is voorgelegd.
De Nota is door de gemeenteraad vastgesteld bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt aan de reclamanten van een zienswijze toegestuurd. Hiermee zijn de zienswijzen van een beantwoording voorzien en kan door de reclamanten ook worden bekeken op welke manier de gemeenteraad de zienswijzen in de besluitvorming heeft betrokken. Anonimisering De Nota wordt bij de ter inzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan elektronisch beschikbaar gesteld. Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is het niet toegestaan om persoonsgegevens (zogenaamde NAW-gegevens: naam, adres en woonplaats) van natuurlijke personen te verwerken zonder bijvoorbeeld een wettelijke grondslag, dringende noodzaak of toestemming van de betreffende personen. Er is geen wettelijke grondslag of dringende noodzaak om de NAW-gegevens van natuurlijke personen te vermelden. Voor de inhoudelijke beoordeling van de zienswijzen en de beantwoording is dit ook niet noodzakelijk. In de Nota wordt hieraan voldaan door geen namen van personen te noemen. Ook wordt de zienswijze zelf niet aan de Nota gehecht en niet in papieren vorm ter inzage gelegd.
4
Hoofdstuk 2 Samenvatting en beantwoording zienswijzen In dit hoofdstuk zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord. Reclamant 1, zienswijze ontvangen op 8 juli 2022 Onderwerp: Nieuw Rockanjesedijk 1b Zienswijze Reclamant merkt op dat in het ontwerpbestemmingsplan wordt aangegeven dat voor de locatie Nieuw Rockanjesedijk 1a het bestemmingsplan gewijzigd wordt van ‘manege’ naar ‘wonen’. Reclamant geeft aan dat hij op dit adres woont en geen manege in eigendom heeft. Reclamant verzoekt de gemeente het adres aan te passen. Beantwoording Per abuis is in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen dat voor de locatie Nieuw Rockanjesedijk 1a de bestemming ‘manege’ gewijzigd wordt in ‘wonen’. Het betreft echter niet de locatie Nieuw Rockanjesedijk 1a maar Nieuw Rockanjesedijk 1b. Dit zal met de vaststelling van het bestemmingsplan worden gewijzigd. Conclusie Gelet op de beantwoording van de zienswijze leidt de zienswijze tot wijziging van het bestemmingsplan: - Het adres Nieuw Rockanjesedijk 1a wordt in alle stukken gewijzigd naar Nieuw Rockanjesedijk 1b.
Reclamant 2, zienswijze ontvangen op 16 augustus 2022 Onderwerp: woningbouw/RO Quacksedijk en ontwikkelingen Boomweg, Vleerdamsedijk en Middelweg Zienswijze a. Reclamant stelt dat de motivering van de bouw van 4 nieuwbouwwoningen onvoldoende is. Zo geeft reclamant aan dat niet wordt gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van strijdigheid met het provinciaal beleid. b. Reclamant merkt op dat er in de nieuwe situatie dicht langs de plangrens kan worden gebouwd, waardoor er een bebouwingsbeeld zal ontstaan dat onrustiger is qua beeld en wellicht hoger is dan de veehouderij. Reclamant snapt dan ook niet wat bedoeld wordt met het aansluiten qua aard en omvang bij de karakteristiek en eigenschappen van het gebied of het lint waarin de woning is gelegen. Dit verdient een nadere motivering. c. Reclamant stelt dat de realisatie van een tweetal woningen aan de Boomweg zorgt voor een verstoring van het open landschap. d. Reclamant vraagt zich af waarom 3 woningen niet zouden volstaan. De motivering voor 4 woningen ontbreekt. e. Reclamant merkt op dat kennelijk overeen is gekomen dat de betreffende locatie als veehouderij volledig wordt gesaneerd en gebruik wordt gemaakt van de Ruimte voor Ruimte regeling om de twee bedrijfswoningen om te zetten naar burgerwoning en om twee extra woningen als compensatie te realiseren.
Reclamant is van mening dat onduidelijk is hoe die overeenkomst tot stand is gekomen en of aan de voorwaarden is voldaan.
5
Beantwoording a. De zienswijze is deels gegrond. In hoofdstuk 3 van de ruimtelijke onderbouwing wordt uitgelegd dat de woningen worden gerealiseerd op basis van de provinciale ruimte voor ruimte regeling. Dat houdt in dat er ergens bebouwing wordt gesloopt om elders of op dezelfde plek nieuwe woningen te realiseren. Wij zijn het met reclamant eens dat op basis van de huidige onderbouwing onvoldoende naar voren komt waarom er 4 woningen mogen worden gebouwd. Hoofdstuk 3 van de toelichting zal worden aangevuld met onderstaande onderbouwing waarom er vier woningen mogen worden gerealiseerd. Dat zijn overigens twee ruimte-voor-ruimte woningen en twee omgezette bedrijfswoningen. Er wordt een berekening toegevoegd aan de ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat er voldoende wordt gesloopt om twee compensatiewoningen mogelijk te maken. Ook zal verder worden verduidelijkt waarom de gekozen locaties passend zijn, oftewel waarom de woningen goed inpasbaar zijn in de omgeving. Met de realisatie van deze ontwikkeling wordt een volwaardige varkenshouderij beëindigd en wordt alle bebouwing gesaneerd en vervallen alle bouwrechten behorende tot het bedrijf. Ook worden alle milieurechten ingetrokken. Deze varkenshouderij kan nooit meer terugkeren. Varkenshouderijen veroorzaken veel geuroverlast, stoten stikstof uit en hebben nadelige effecten op de gezondheid van omwonenden.
Het stoppen van een varkenshouderij biedt veel voordelen. Om deze reden willen wij graag meewerken aan de sanering van varkenshouderijen in onze gemeente. Veehouders ontvangen een compensatie voor het beëindigen van hun veehouderij in Nederland. Nu we hebben uitgelegd waarom wij graag meewerken aan de sanering, leggen wij hieronder uit hoe wij de veehouder compenseren voor de sanering. De veehouderij heeft twee bedrijfswoningen, een flink aantal schuren en andere bedrijfsbebouwing, verharding en er mag op het bouwvlak 6.000 m2 aan bebouwing gerealiseerd worden. Met de beoogde ontwikkeling worden twee bedrijfswoningen omgezet naar twee burgerwoningen. Dat is mogelijk doordat er in de huidige planologische regeling al twee bedrijfswoningen zijn toegestaan. Daarnaast worden twee compensatiewoningen gerealiseerd op basis van het ruimte-voor-ruimte principe dat de provincie kent. Op basis van de voormalige ruimte-voor-ruimte regeling is het mogelijk om voor iedere 1.000 m2 aan bedrijfsbebouwing een ruimte-voor-ruimte woning te realiseren. De ruimte-voor-ruimte regeling is tegenwoordig niet meer het uitgangspunt, maar meer een indicatief kader. Het uitgangspunt nu is dat een verbetering van de leefomgeving wordt bereikt.
Er is in totaal 1.855 m2 aan bedrijfsbebouwing en 1.348 m2 aan verharding aanwezig en daarnaast mag op basis van het huidige bestemmingsplan maximaal 6.000 m2 aan bebouwing gerealiseerd worden binnen het bouwvlak. Voor het geheel saneren van de bedrijfsbebouwing, verharding en het beëindigen van de veehouderij wordt genoeg verbetering van de leefomgeving bereikt om twee compensatiewoningen mogelijk te maken, naast de twee om te zetten bedrijfswoningen. De sanering wordt vastgelegd in een voorwaardelijke bepaling waarin de sloop van de bebouwing en verharding binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan plaats vindt, zie figuur 1.
6
Figuur 1 - overzicht te saneren bebouwing en verharding Quacksedijk Doordat het perceel aan de Quacksedijk vanwege de ligging aan de N57 niet erg geschikt is voor woningbouw en er andere locaties voor handen zijn, is besloten geen woonbestemming aan deze locatie toe te kennen. De locaties Vleerdamsedijk, Boomweg en Middelweg zijn locaties die ter beschikking staan van de initiatiefnemer om de woningen wel mogelijk te maken. Wij sluiten aan bij de mening van reclamant dat de onderbouwing voor het aantal woningen in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is. In de ruimtelijke onderbouwing wordt toegevoegd hoe wij tot de omzetting van de bedrijfswoningen zijn gekomen en hoe op basis van een berekening van de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en het ruimte-voor-ruimte principe tot twee extra woningen is gekomen. Daarnaast geeft reclamant aan dat de toetsing van de ruimtelijke kwaliteit aan het provinciaal beleid wel een strijdigheid met dit beleid kent. In de ruimtelijke onderbouwing zelf is aangegeven dat er geen strijdigheid met het provinciaal beleid is op dit punt. In de provinciale verordening wordt in artikel 6.9 weergeven onder welke voorwaarden een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling plaats kan vinden. De provincie eist hierbij dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
Om die kwaliteit te waarborgen wordt er rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. De relevante richtpunten worden benoemd op de provinciale kwaliteitskaart/in de provinciale verordening. Onderzocht dient te worden of er sprake is van inpassing, aanpassen of transformeren. Met het verplaatsen van twee bedrijfswoningen en realiseren van twee compensatiewoningen in het polderlint van de Boomweg (2 woningen) en het polderlint van de Middelweg (1 woning) en aan de Vleerdamsedijk (1 woning) kan gesteld 7
worden dat er sprake is van inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Wat betreft de richtpunten uit de kwaliteitskaart zijn onderstaande richtpunten uit de laag cultuur en natuurlandschappen van enige relevantie. • Lint: Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. • Lint: Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. • Lint: Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. • Zeekleipolders: Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. Daarnaast is relevant dat de locaties zijn gelegen in het buitengebied.
Hierover geeft de provincie in de verordening het volgende aan: een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: • de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; • de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; • het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; • de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Het is belangrijk om in het achterhoofd te houden dat met de realisatie van deze ontwikkeling een varkenshouderij beëindigd wordt. De bebouwing van deze veehouderij wordt gesaneerd en de milieurechten ingetrokken. De locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied is als volgt te motiveren: door de sanering van dit bedrijf en de realisatie van de woningen in het buitengebied wordt een veehouderij blijvend gesaneerd in ruil voor twee extra woningen. Het is logisch daar waar je bebouwing weghaalt uit het buitengebied, hiervoor ook te compenseren in het buitengebied.
De provinciale kwaliteitskaart maakt direct duidelijk dat de Middelweg en Boomweg linten zijn. De Vleerdamsedijk is niet per se zichtbaar als lint, maar de provincie geeft ook aan dat niet alle linten zijn weergegeven op de kwaliteitskaart. In het handboek kwaliteitsverbetering dat wij als gemeente hebben vastgesteld hebben wij aangegeven welke locaties wij als lint zien. De genoemde locaties (Middelweg, Vleerdamsedijk, Boomweg) liggen in het gebiedstype Zanderijen. Binnen dit gebiedstype zijn drie typen lint benoemd: dijklint, duinlint en zandlint. De Vleerdamsedijk is hierbij weergegeven als dijklint en de Middelweg en Boomweg als zandlint. Wij onderschrijven de onderbouwing van reclamant dan ook niet dat de locatie Middelweg een duinlint is. Met de toevoeging van twee woningen in het lint van de Boomweg, een woning in het lint van de Middelweg en een woning in het lint van de Vleerdamsedijk wordt geen afbreuk gedaan aan de richtpunten uit de provinciale kwaliteitskaart. Het toevoegen van enkele woningen in deze linten past binnen de karakteristieken van deze linten. Ook mag van 8
het hele bouwvlak slechts een beperkt deel bebouwd worden. Zo mag de oppervlakte aan gebouwen en overkappingen maximaal 300 m2 bedragen en is daarnaast nog maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bouwwerken mogelijk. Er blijft voldoende ruimte over op de percelen waardoor de nieuwbouw past binnen de schaal en korrelgrootte van het lint. De Vleerdamsedijk is gelegen in het dijklint. De bebouwing dient aan te sluiten bij de plaatsingsrichting/oriëntatie van bestaande bebouwing en dient compact en geconcentreerd aan het dijklint gerealiseerd te worden. Dit is weergegeven in onderstaande landschappelijke inpassing. Deze inpassing wordt als voorwaardelijke bepaling toegevoegd waarbij de realisatie en instandhouding ervan geborgd is. Tevens dienen open doorzichten behouden te blijven. De woning wordt gerealiseerd op een open terrein en daarbij zal een deel van het doorzicht verloren gaan, ondanks dat de bebouwing compact en geconcentreerd wordt gerealiseerd en er ook enkele doorzichten behouden blijven. Van het hele bouwvlak mag daarnaast een beperkt deel bebouwd worden. Zo mag de oppervlakte aan gebouwen en overkappingen maximaal 300 m2 bedragen en is daarnaast nog maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bouwwerken mogelijk. Tegelijkertijd blijven er ook nog voldoende doorzichten over aan de Vleerdamsedijk.
Ook moet niet vergeten worden dat aan de Quacksedijk een varkenshouderij gesaneerd wordt. Op deze locatie wordt weer openheid toegevoegd aan het Westvoornse landschap. Als laatste blijft het karakteristieke profiel van het dijklichaam herkenbaar in het landschap. Tussen de dijk en het perceel blijft een watergang intact. Hierdoor blijft de dijk(voet) onaangetast.
Figuur 2 - landschappelijke inpassing Vleerdamsedijk
9
De Middelweg en Boomweg zijn gelegen in het zandlint. Karakteristiek aan deze linten zijn de lange rechte wegen met daarlangs overwegend vrijstaande, landelijke bebouwing in verschillende dichtheden, omgeven door grote groene tuinen. Er gelden een aantal voorwaarden voor deze linten: zorg voor een compact en groen landelijk erf, koppel het erf aan het lint en niet van de weg af en sluit aan bij de plaatsingsrichting/oriëntatie van bestaande bebouwing. Dit zijn allen eisen waar bij de uitwerking van de percelen aan voldaan kan worden. Verder vraagt het handboek om doorzichten te bewaren in het lint door niet alles vol te bouwen. Zoals eerder gezegd kennen deze linten verschillende dichtheden. Het lint mag op het ene punt wat voller gebouwd worden, zolang er elders in het lint maar open doorzichten behouden blijven. Voor de Boomweg geldt dat er in de nabije omgeving voldoende doorzichten overblijven. De Middelweg kent op dit punt in de eerste 250 meter rondom het perceel geen doorzicht naar de Noorddijk. Op dit punt is het lint ook al voller dan elders. Enerzijds pleit dat ervoor dat verdere verdichting geen punt is, maar anderzijds wil je dit doorzicht wel behouden. Om dat te verwezenlijken zal bij de stedenbouwkundige invulling van het perceel een deel van 20 meter onbebouwd blijven, zodat een doorzicht behouden blijft.
Dit doorzicht ligt tussen nummer 36 en de nieuw te realiseren woning in, zoals weergegeven in de landschappelijke inpassing Middelweg. Beide landschappelijke inpassingen worden als voorwaardelijke bepaling opgenomen in het bestemmingsplan, zodat de realisatie en instandhouding ervan geborgd wordt.
Figuur 3 - landschappelijke inpassing Middelweg 10
Figuur 4 - landschappelijke inpassing Boomweg
b.
c. d.
e.
Kortom, de beoogde ontwikkeling is niet strijdig met het provinciaal beleid. In de ruimtelijke onderbouwing wordt bovenstaande motivering toegevoegd. Zie de beantwoording onder a. Er wordt een aanvulling gedaan waarom de woningen goed inpasbaar zijn in de omgeving op basis van de provinciale kwaliteitskaart/ruimtelijke kwaliteit. Zie de beantwoording onder a. Zie de beantwoording onder a. Het betreft de omzetting van twee bedrijfswoningen naar twee burgerwoningen en de toevoeging van twee extra woningen op basis van de hoeveelheid bebouwing die wordt gesloopt. Zie de beantwoording onder a.
Conclusie De zienswijze wordt deels gegrond verklaard. Gelet op de beantwoording van de zienswijze leidt de zienswijze tot wijziging van het bestemmingsplan: - In hoofdstuk 3 van de toelichting van de Ruimtelijke Onderbouwing Quacksedijk (bijlage 6 van het bestemmingsplan) wordt de aanvulling, zoals voorgesteld in de beantwoording onder a, toegevoegd om realisatie van de woningen uitgebreider te onderbouwen én te onderbouwen waarom dit ruimtelijk aanvaardbaar is. - Het bestemmings- en bouwvlak van de locatie aan de Middelweg wordt met 20 meter versmald aan de zijde van Middelweg 36, zodat een doorzicht richting de duinrand behouden blijft. - In artikel 66.2 wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin de gronden alleen gebruikt en bebouwd mogen worden ten behoeve van de functie Wonen indien de volledige sanering van de bebouwing en verharding aan de Quacksedijk 2/2a binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan plaats vindt, zoals weergegeven in figuur 1. Figuur 1 wordt aan deze bepaling toegevoegd.
11
-
In artikel 66.2 wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin de gronden alleen gebruikt en bebouwd mogen worden ten behoeve van de functie Wonen indien de landschappelijke inpassing zoals weergegeven in figuur 2, 3 en 4 van de gronden aan de Middelweg, Boomweg en Vleerdamsedijk binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en onverminderd in stand wordt gehouden. Figuur 2, 3 en 4 worden aan deze bepaling toegevoegd.
12
Reclamant 3, proforma zienswijze ontvangen op 16 augustus 2022, aangevuld op 30 augustus 2022 Onderwerp: Walinxweg 3 Zienswijze a. Reclamant vraagt zich af waarom artikel 87 niet wordt toegepast op de 5 woningen aan de Walinxweg 3. Voor een aantal percelen in het plangebied is namelijk een bouwvlak toegekend aan het perceel. Indien op voorliggende locatie geen bouwvlak wordt opgenomen, dan zouden de woningen op grond van dat plan binnen het gehele functievlak worden gebouwd. b. Daarnaast stelt reclamant dat, door de huidige wijze van bestemmen, er tot op (of 1 meter van) de plangrens vergunningsvrij kan worden gebouwd tot 5 meter hoog. En tot op 3 meter van deze grens kan een woning komen van 10 meter hoog. Reclamant is van mening dat de wijze van bestemmen anders zou moeten, door bijvoorbeeld een groene buffer zonder bouwmogelijkheden. Zonder een dergelijke zone kan er geen sprake zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing. c. Reclamant geeft aan dat er geen toegangsweg gerealiseerd kan worden nu Artikel 56 geen mogelijkheid geeft tot toegang tot de woningen die niet aan de Walinxweg zijn gelegen. Er is namelijk geen sprake van bestaande wegen. d. In artikel 85 lid 1 staat dat per icoon 1 woning is toegestaan. Is dat dan de plek waar de woning ook daadwerkelijk dient te komen, nu er geen bouwvlak is toegekend. e.
Niet is inzichtelijk gemaakt hoeveel oppervlakte aan op het perceel aanwezige opstallen precies wordt gesaneerd. Er is dan wel een berekening, maar deze berekening biedt volgens reclamant geen inzicht in hoe deze getallen tot stand zijn gekomen. Zo zijn tijdens de tweede meting van 10-7-2020 meer gebouwen geconstateerd dan de eerste meting. Cliënt vraagt zich af in hoeverre een groot deel van deze bebouwing een relatie heeft met het kasbedrijf en derhalve dienen te worden meegenomen bij de gemeten bedrijfsoppervlakte. f. Tevens is volgens reclamant de financiële afwikkeling nog te onduidelijk. g. Reclamant merkt op dat niet is onderzocht of de plannen leiden tot onaanvaardbare afname van zonlicht op de percelen van omwonenden. Nu is niet bekend of na realisatie van de woningen geen onevenredige gevolgen voor omwonenden optreden. h. Het plangebied is naar de mening van reclamant slecht landschappelijk ingepast. Er kan aan de lange zijde van het perceel intensief worden gebouwd tot dicht op de plangrens zonder enige afscherming. Reclamant vreest dan ook voor visuele en geluidsoverlast alsmede een vermindering van de privacy. Dat kan volgens reclamant worden voorkomen door een betere landschappelijke inpassing, waarbij er een groene buffer wordt aangehouden. i.
Reclamant kan niet begrijpen hoe tot de conclusie is gekomen dat de nieuwe woningen aansluiten in een bestaand bebouwingslint. j. Reclamant vraagt zich af of de toetsing aan artikel 6.9a van de provinciale Omgevingsverordening daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. k. Reclamant is van mening dat enige uitleg voor de te realiseren 5 woningen ontbreekt. Er wordt volgens reclamant te veel gewicht toegekend aan de economische haalbaarheid. l. Volgens reclamant voldoet het plan niet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Structuurvisie Glasherstructurering gemeente Westvoorne. Reclamant stelt dat op grond van de visie is toegestaan om aan de bestaande bebouwingslinten te bouwen als daar voldoende onderlinge afstand wordt bewaard. Daarnaast wordt een cluster van woningen gerealiseerd en daarover wordt binnen de visie specifiek gesteld dat clusters nabij de kernen zullen moeten komen. Daar is volgens reclamant in dit geval geen sprake van omdat het plan in het buitengebied is gelegen. 13
m. Reclamant stelt dat de afstand tussen de minicamping en de nieuw te realiseren woningen niet relevant is, omdat het niet mogelijk zou zijn een mini-camping te realiseren op het voorste terrein. Tevens is het niet relevant omdat er reeds een woning op veel kleinere afstand van de camping is gelegen. Reclamant acht dit van belang omdat in dit geval het bouwvlak direct naast hun woonperceel veel verder naar voren kan komen richting de Walinxweg. Die woning zou dan goed in het lint komen te staan, hetgeen een positief effect zal hebben op de woon- en leefsituatie van reclamant. n. Reclamant betoogt dat de gemeenteraad het plan niet in redelijkheid kan vaststellen. Reclamant voert aan dat het aannemelijk is dat in de toekomst gewasbeschermingsmiddelen op de percelen achter hen zullen worden gebruikt. Reclamant stelt dat wanneer een kortere afstand dan 50 meter wordt gehanteerd in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, hier een deugdelijke motivering aan ten grondslag moet liggen. De uitkomst van het onderzoek is niet deugdelijk en onduidelijk. Het is reclamant niet duidelijk dat er maar 3 meter mag worden aangehouden en reclamant vraag zich af waarom dit niet geldt voor alle grenzen van alle percelen. o. Reclamant merkt op dat een schouwstrook in het plangebied ontbreekt.
Beantwoording Met betrekking tot bovenstaande zienswijze wordt meegeven dat de locatie Walinxweg 3 geen onderdeel uitmaakt van het ‘Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 3’ dat aangeboden zal worden aan de gemeenteraad ter vaststelling. Derhalve is de zienswijze niet beantwoord. Er is op de locatie spuitzone-onderzoek uitgevoerd en de conclusie uit dit rapport houdt vanwege een uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2022:3023) op een andere zaak niet langer stand. Dat betekent dat er voor de locatie Walinxweg momenteel geen onderzoek is waaruit blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op het aspect spuitzones. Het initiatief komt derhalve stil te liggen en wordt later mogelijk weer opgepakt in het geval uit voortschrijdend inzicht blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot de spuitzones. Conclusie Doordat de locatie Walinxweg niet langer wordt meegenomen in dit Veegplan worden eventuele wijzigingen naar aanleiding van de zienswijze ook niet doorgevoerd in het bestemmingsplan. Deze eventuele wijzigingen zullen op een later moment, wanneer de locatie Walinxweg wordt verwerkt in een bestemmingsplan, wel worden verwerkt.
14
Reclamant 4, proforma zienswijze ontvangen op 16 augustus 2022, aangevuld op 29 augustus 2022 Onderwerp: Walinxweg 3 Zienswijze a. Reclamant stelt dat de planregels onvoldoende duidelijkheid bieden omtrent de positie van de te realiseren woningen en wegen aan de Walinxweg 3. b. Reclamant merkt op dat de omvang van de aanwezige bebouwing die op grond van de saneringsregeling plaats maakt voor de woningen nog steeds onduidelijk is. Hiertoe voert reclamant aan dat er twee metingen zijn gedaan, waarvan de meest recente meting op 10 juli 2020. Tijdens deze tweede meting zijn meer gebouwen geconstateerd dan de eerste meting. c. Tevens is de financiële afwikkeling nog te onduidelijk. d. Waar reclamant vanuit zijn woning en tuin altijd heeft uitgekeken op agrarische grond met lage bebouwing, zal reclamant na doorzetten van dit plan in de toekomst uitzicht op hoge woningen krijgen. Het bouwen van vier extra woningen op dermate korte afstand van de woning van reclamant zal volgens hem leiden tot een onevenredig verlies van uitzicht, hetgeen in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. e. Daarnaast blijkt uit het ontwerpplan volgens reclamant dat de maximale bouwhoogte bij de nieuwe woonbestemming 10 meter zal bedragen en zodoende leidt tot o.a. een fors verlies aan uitzicht vanaf het erf en de woning van reclamant.
In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is hier naar mening van reclamant onvoldoende aandacht aan besteed. Zonder nadere toelichting wordt het verdubbelen van de bouwhoogte (van 5 naar 10 meter) aanvaardbaar geacht. f. Volgens reclamant is verzuimd om te onderzoeken of de plannen leiden tot onaanvaardbare afname van zonlicht op de percelen van omwonenden. Zo had het op de weg van de planwetgever gelegen om door middel van een deskundigenonderzoeken te overwegen of na realisatie van de woningen geen onevenredige gevolgen voor omwonenden optreden. g. Reclamant acht het ontwerpplan in strijd met artikel 3.2 en artikel 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). h. De nieuwe woningen die door onderhavig ontwerpplan zijn toegestaan zijn onvoldoende stedenbouwkundig inpasbaar. Reclamant betwist — in tegenstelling tot hetgeen is gesteld in de ruimtelijke onderbouwing — dat de ontwikkeling passend is binnen het bestaande bebouwingslint. i. Ten aanzien van de voorziene woningen stelt reclamant zich op het standpunt dat een goed woon- en leefklimaat niet is gegarandeerd nu (aangrenzend) ten oosten van het plangebied cliënt gronden heeft die intensief worden gebruikt voor de landbouw, waaronder het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tussen het agrarische perceel en de woningen is naast een sloot geen andere afscherming aanwezig.
Er is derhalve geen reden om de ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen als gevolg van zijn bedrijfsactiviteiten voor een spuitvrije zone aan te houden vuistregel van 50 meter te verlaten. Ten onrechte wordt slechts een afstand van 3 meter ten opzichte van de agrarische percelen aanvaardbaar geacht. In het onderzoek (van Adromi Groep) naar de spuitzone wordt uitgegaan van een onjuiste maximale planologische situatie. j. Reclamant merkt op dat te weinig aandacht is besteed aan de geluidsoverlast die de toekomstige woningen van het agrarische perceel kunnen verwachten.
15
k. Reclamant is van mening dat het plangebied in casu zich niet bevindt in een bebouwingslint. Tevens bevindt het plangebied zich niet in een bestaand stads- of dorpsgebied. Het betreft het buitengebied. Uit de provinciale Omgevingsvisie volgt dat stedelijke ontwikkelingen enkel in landelijk gebied kunnen plaatsvinden indien dit in aansluiting is op bestaande stads- en dorpsgebieden of in bebouwingslinten. Dit is ook als zodanig gemotiveerd in de stedenbouwkundige onderbouwing van het ontwerpplan. l. Naast het voorgaande stelt reclamant zich op het standpunt dat het ontwerpplan in strijd is met artikel 6.9a van de provinciale Omgevingsverordening. Beantwoording Met betrekking tot bovenstaande zienswijze wordt meegeven dat de locatie Walinxweg 3 geen onderdeel uitmaakt van het ‘Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 3’ dat aangeboden zal worden aan de gemeenteraad ter vaststelling. Derhalve is de zienswijze niet beantwoord. Er is op de locatie spuitzone-onderzoek uitgevoerd en de conclusie uit dit rapport houdt vanwege een uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2022:3023) op een andere zaak niet langer stand. Dat betekent dat er voor de locatie Walinxweg momenteel geen onderzoek is waaruit blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op het aspect spuitzones.
Het initiatief komt derhalve stil te liggen en wordt later mogelijk weer opgepakt in het geval uit voortschrijdend inzicht blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot de spuitzones. Conclusie Doordat de locatie Walinxweg niet langer wordt meegenomen in dit Veegplan worden eventuele wijzigingen naar aanleiding van deze zienswijze ook niet doorgevoerd in het bestemmingsplan. Deze eventuele wijzigingen zullen op een later moment, wanneer de locatie Walinxweg wordt verwerkt in een bestemmingsplan, wel worden verwerkt.
16
Reclamant 5, zienswijze ontvangen op 17 augustus 2022 Onderwerp: Walinxweg 3 Zienswijze a. Reclamant is van mening dat de realisatie van woningen afbreuk zal doen aan hun bedrijf. Reclamant biedt verblijf aan in een open landelijk omgeving. Het realiseren van een bungalowwijkje op een steenworp afstand van hun bedrijf, doet grote afbreuk aan deze belevingswaarde en reclamant vreest dat het bedrijf daardoor minder aantrekkelijk wordt voor huidige en potentiële nieuwe gasten. b. Reclamant stelt problemen te hebben met de voorgestelde situatie van de ontsluitingsweg voor de woningen. Uit het ontwerpbestemmingsplan wordt niet duidelijk op welke locatie deze uitrit zal worden aangelegd. c. Door het "opschuiven" van de uitrit richting het perceel van reclamant wordt reclamant geconfronteerd met de extra verkeersbewegingen die bij de 5 woningen horen. Reclamant wijst erop dat het perceel nabij de geplande nieuwe locatie(s) van de uitrit hun eigendom is. Reclamant wensen niet het risico te lopen dat hij als gevolg van deze nieuwe ontwikkeling nu of in de toekomst op zijn perceel (meer) last gaan krijgen van de geplande woningbouwontwikkeling en het bijbehorende verkeer.
Beantwoording Met betrekking tot bovenstaande zienswijze wordt meegeven dat de locatie Walinxweg 3 geen onderdeel uitmaakt van het ‘Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 3’ dat aangeboden zal worden aan de gemeenteraad ter vaststelling. Derhalve is de zienswijze niet beantwoord. Er is op de locatie spuitzone-onderzoek uitgevoerd en de conclusie uit dit rapport houdt vanwege een uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2022:3023) op een andere zaak niet langer stand. Dat betekent dat er voor de locatie Walinxweg momenteel geen onderzoek is waaruit blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op het aspect spuitzones. Het initiatief komt derhalve stil te liggen en wordt later mogelijk weer opgepakt in het geval uit voortschrijdend inzicht blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot de spuitzones. Conclusie Doordat de locatie Walinxweg niet langer wordt meegenomen in dit Veegplan worden eventuele wijzigingen naar aanleiding van deze zienswijze ook niet doorgevoerd in het bestemmingsplan. Deze eventuele wijzigingen zullen op een later moment, wanneer de locatie Walinxweg wordt verwerkt in een bestemmingsplan, wel worden verwerkt.
17
Reclamant 6, zienswijze ontvangen op 17 augustus 2022 Onderwerp: woningbouw/RO Quacksedijk en ontwikkelingen Boomweg, Vleerdamsedijk en Middelweg Zienswijze a. Reclamant geeft aan dat de toetsing van de woning aan de Middelweg aan het provinciaal beleid onvoldoende is. In de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven dat de woningen 'qua aard en omvang aansluiten bij de karakteristiek en eigenschappen van het gebied of het lint waarin het gelegen is' en dat met de omvang van de ontwikkeling er geen sprake van strijdigheid is met het provinciaal beleid. Reclamant stelt dat deze strijdigheid er wel is. Reclamant stelt verder dat door de realisatie van de woning het karakteristieke element van de Zanderijen verloren gaat en dat de openheid van het duinlint in het geding is. Het duinlint kenmerkt zich door verspreide kleinschalige bebouwing met doorzichten. Daarnaast stelt reclamant dat de locatie gelegen is aan een polderweg en dat niet is getoetst aan de ambitie het vrijhouden van doorgaande beplanting is en het behouden van het zicht op het polderlandschap. b. Het is reclamant onduidelijk of de ruimtelijke onderbouwing bij de provincie is aangeboden ter advisering. c. Er zijn voor de ruimtelijke onderbouwingen QuickScans uitgevoerd in het kader van ecologie. Reclamant merkt op dat deze niet als bijlage zijn toegevoegd bij de ruimtelijke onderbouwing.
Verder merkt reclamant op dat de conclusie in paragraaf 4.2 ontbreekt. d. Reclamant geeft verder aan dat het plangebied meer dan ‘minimaal’ geschikt is, zoals wordt gesteld in tabel 4.1. De bosrand van het perceel ernaast wordt gebruikt als ecologische verbindingszone door de gewone dwergvleermuis, zo blijkt uit gegevens van de NDFF. Tabel 4.1 en de NDFF zijn niet in overeenstemming. e. Er is geen toetsing opgesteld voor de effecten van het gebruik van de woning en tuin in de gebruikssituatie op vleermuizen, terwijl vaak nachtenlang tuinverlichting aanstaan bij vele mensen. Dit gaat ten koste van het foerageergebied van deze soort. Reclamant stelt dat paragraaf 4.2 aandacht moet besteden aan deze effecten uit de gebruikssituatie en eventuele te nemen mitigerende maatregelen. f. Reclamant stelt dat het perceel in gebruik is als foerageergebied voor onder andere de ree, haas en voor vogels als de kerkuil, bosuil, huiszwaluw en boerenzwaluw. Ook is het gebied in gebruik als ecologische verbindingszone door de ree en haas tussen het aangrenzende Natura 2000 gebied Voornes Duin en de percelen die liggen tussen de Middelweg en de Torenweg, alsmede het meer oostelijk hierachter liggend natuurgebied de Strypse Wetering.
Het verlenen van toestemming van bebouwing op het perceel betekent dat foerageergebied, gebied voor het werpen- en opvoeden van jongeren en als Ecologische verbindingszone voor deze dieren vernietigd wordt. Ook zorgt de toenemende bebouwing voor verdere versnippering van het leefgebied. Door het perceel onbebouwd te laten wordt de versnippering tegengegaan. g. Reclamant stelt dat het een gemis is dat in de ecologische afweging niet is meegenomen dat het bebouwing van dit perceel desastreus is voor alle aanwezige (rode lijst) diersoorten. h. Het rapport bodemkwaliteit is uit 2016 en maximaal 5 jaar geldig. Desondanks is aangegeven dat het rapport bruikbaar is doordat er geen activiteiten hebben plaatsgevonden die zorgen voor een verontreinigde bodem. Reclamant plaats hier een kanttekening bij doordat er regelmatig materiaal op het perceel wordt opgeslagen, bijvoorbeeld oude tractoren met kans op lekkages. Er bestaat volgens reclamant dus een reële kans op bodemverontreiniging.
18
i.
In paragraaf 4.3 is aangegeven dat "Ook de omliggende sloten zijn daarbij onderhouden volgens het beleid van het waterschap". Echter is recent geconstateerd dat er in het broedseizoen is gemaaid. De sloot is eigendom van het waterschap. Onduidelijk is wie hiervoor opdracht heeft gegeven en welke schade dit heeft veroorzaakt. Navraag leert dat het waterschap dit niet heeft gedaan. j. Reclamant merkt op dat de opdrachtgever en -begeleider van het rapport Ruimtelijke Onderbouwing dezelfde persoon is als de projectontwikkelaar en initiatiefnemer van de drie genoemde locaties. Hiermee ontstaat naar inzien van reclamant een ‘slager keurt zijn eigen vlees’ principe. De onderzoeken dienen onafhankelijk te worden opgesteld. Reclamant stelt dat de ruimtelijke onderbouwing hierdoor te eenzijdig in elkaar steekt. k. Het is reclamant niet duidelijk waarom er geen woning kan worden ontwikkeld op het perceel aan de Quacksedijk, of er andere/geschiktere locaties voor handen zijn en waarom het perceel aan de Middelweg één van de drie meest geschikte locaties zou zijn. l. Het is reclamant niet duidelijk op welke wijze het gemeentelijke perceel aan de Quacksedijk wordt gecompenseerd met de overige drie percelen van private partijen en of die compensatie in verhouding is.
Reclamant stelt dat in de ruimtelijke onderbouwing de aanleiding ontbreekt en dat onduidelijk is wat de wederzijdse financiële belangen zijn. m. Het college heeft beleidsregels opgesteld omtrent de dialoog met de omgeving. Reclamant geeft aan dat er nog geen dialoog met de omgeving is gevoerd, terwijl in de beleidsregel staat geschreven dat de dialoog is vereist om een omgevingsvergunning te kunnen krijgen voor realisatie. Na contact tussen reclamant en een ambtelijk medewerker is ook benoemd dat er geen dialoog noodzakelijk is bij wijziging van het bestemmingsplan. Reclamant ziet niet in waarom dit niet het geval is. Doordat de dialoog ontbreekt en de aanvraag omgevingsvergunning dus zal worden afgewezen is volgens reclamant de wijziging van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. Beantwoording a. Zie de beantwoording onder zienswijze 2, sub a. Hierin wordt uitgebreid ingegaan op hoe wij tot twee extra woningen zijn gekomen en hoe op de verschillende locaties aan het provinciaal beleid is voldaan. Ook de locatie Middelweg is hierin specifiek behandeld en het bouwvlak op deze locatie wordt versmald, zodat niet over de gehele breedte gebouwd kan worden. Daarnaast is het goed te beseffen dat de gezamenlijke bebouwing van de nieuwe woningen/gebouwen en overkappingen per locatie niet meer dan 300 vierkante meter mag bedragen.
De nieuwe woning aan de Middelweg dient qua afmeting aansluiting te vinden bij de kleinschaligheid van de huidige korrel van de Middelweg, waardoor kleinschalige bebouwing inpasbaar is en aansluit bij het provinciale beleid. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel transparantie en respect voor de historische gaafheid van een lint richtinggevend. Op de nieuwbouwlocatie aan de Middelweg zal met de bouwmogelijkheden aansluiting worden gezocht bij de huidige bebouwingsmogelijkheden van het lint. Slechts een klein deel van het gehele perceel zal bebouwd (kunnen) worden. Reclamant stelt verder dat de Middelweg een polderweg is. Zoals in zienswijze 2, sub a, omschreven is het een zandlint en geen polderweg. Hoewel ook voor het zandlint de ambitie geldt van het bewaren van doorzichten naar het achterliggende landschap is dit al geborgd door het versmallen van het bouwvlak aan de Middelweg naar 30 meter. De door reclamant gesuggereerde ambitie voor het vrijhouden van doorgaande beplanting komt niet voor in ons beleid en hier is derhalve dan ook niet aan getoetst. 19
b. De ruimtelijke onderbouwing is niet voorafgaand aan het bestemmingsplan ter advisering voorgelegd aan de provincie. De provincie is in het kader van het wettelijk vooroverleg gelijktijdig met de ter inzagelegging geïnformeerd over dit ontwerpbestemmingsplan en haar ontwikkelingen. De zienswijze van de provincie is terug te vinden in deze nota onder zienswijze 8. c. De quickscans ontbreken helaas in de bijlage. Er zijn twee quickscans opgesteld. Een voor de Quacksedijk en een voor de Boomweg/Middelweg/Vleerdamsedijk. Beide quickscans worden toegevoegd als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing. Het aanvullend ecologisch onderzoek naar de Quacksedijk is inmiddels ook afgerond en wordt ook verwerkt in de stukken. De paragraaf ecologie bevatte nog geen conclusie. Dit is hersteld nu alle stukken compleet zijn. d. Het klopt dat er geschikt leefgebied voor vleermuizen aanwezig is in het gebied. Zo kan het gebied, zoals genoemd, functioneren als foerageergebied en als vliegroute van vleermuizen. Volgens de NDFF zijn er waarnemingen van de laatvlieger en de rosse vleermuis gedaan in het gebied. Hier staat echter niet specifiek bij vermeld dat er sprake is van een vliegroute langs de bosrand. Deze functies zijn daarnaast pas beschermd wanneer het wegnemen van de functies mogelijk zal resulteren in het verlies van de functionaliteit van verblijfplaatsen in de omgeving.
Het wegnemen van een foerageergebied of een vliegroute is in beginsel niet ontheffingsplichtig. De laatvlieger en de rosse vleermuis, die zijn waargenomen in het plangebied, zijn geen lichtgevoelige soorten. Deze soorten foerageren zelfs in de verlichting van lantarenpalen op insecten. Omdat er in de omgeving van het plangebied alternatief leefgebied en alternatieve lijnvormige elementen die kunnen dienen als vliegroute aanwezig zijn, is beoordeeld dat er geen sprake is van een essentieel (dat wil zeggen: dat verblijfplaatsen in de omgeving hun functie niet zullen verliezen) foerageergebied of vliegroute. Hierdoor volstaan de in tabel I van de Quickscan voor de Middelweg, Boomweg en Vleerdamsedijk genoemde mitigerende maatregelen. e. Zoals uitgelegd onder de beantwoording bij sub d, hierboven, is verdere toetsing van de effecten van bijvoorbeeld tuinverlichting, in het kader van de Wet natuurbescherming, niet noodzakelijk. De laatvlieger en rosse vleermuis zijn geen lichtgevoelige soorten. In tabel I is een overzicht van de geadviseerde mitigerende maatregelen opgenomen, maar de aanwezige soorten hebben geen last van lichthinder. Toetsing van effecten op soorten heeft daarmee daadwerkelijk plaats gevonden en hier zijn geen (negatieve) effecten bij waargenomen. f.
Uit de QuickScan en het aanvullend ecologisch onderzoek blijkt dat er geen sprake is van de vernietiging van foerageergebied van de genoemde soorten. Sterker nog: de QuickScan onderbouwt waarom het mogelijk is op deze locatie toestemming te verlenen voor bebouwing zonder negatieve effecten op beschermde soorten en/of significante vernietiging/versnippering van leefgebied van deze soorten. g. De toetsing van effecten op rode lijstsoorten is niet opgenomen in de QuickScan Wet natuurbescherming. Rode lijst soorten vallen niet onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Hier hoeft niet aan getoetst te worden in het kader van een bestemmingsplanprocedure. Zoals aangegeven bij de beantwoording onder sub a wordt een strook van 20 meter behouden als doorzicht. Deze strook, waarin niet gebouwd mag worden, zal de effecten van de nieuwbouw op onder andere de rode lijstsoorten beperken. Er blijft immers een gebied bestaan dat zijn huidige functie behoudt.