(bijlage 12) Bijlage 10 - Effecten op vogels en vleermuizen - Beoordeling Wnb (1)
Tekst van het document
50
6.13
Grote stern Herkomst van grote stern in het plangebied De grote stern broedt verspreid over het Deltagebied in slechts enkele grote kolonies die geregeld van plaats wisselen. Om die reden is voor de grote stern dan ook een regiodoel opgesteld: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 4.000 paren. Het aantal broedparen van de grote stern in het Deltagebied fluctueert in recente jaren rond de 5.500 paren na een toename in de tweede helft van de jaren negentig. In het noordelijk Deltagebied wordt sinds 2017, in tegenstelling tot voorgaande jaren, niet meer op het eiland Markenje in het Grevelingenmeer gebroed, maar op de Scheelhoekeilanden in het Haringvliet (2.583 paren in 2018, 2.864 paren in 2019 en 995 paren in 2020) en op de Slijkplaat (1.925 paren in 2020) (Lilipaly et al. 2020). Aan de hand van vliegtuigtellingen en onderzoek aan gezenderde grote sterns is vastgesteld dat de vogels tot ver buiten de kolonies foerageren (Fijn et al. 2017). Foerageerlocaties van gezenderde grote sterns van de kolonie op de Scheelhoek zijn in de Voordelta o.a.: De Verklikkerplaat, Bollen van de Ooster, het zeegebied ten noorden van Ouddorp en het gebied rond de Hinderplaat in de monding van het Haringvliet. De sterns foerageren ook buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied Voordelta, o.a.
ver op zee en (ver) ten noorden van de Tweede Maasvlakte (Figuur 6.32).
Figuur 6.32
Meerjarig cumulatief beeld van foerageergebieden grote stern gebaseerd op dichtheid GPS- punten van in totaal 154 foerageervluchten door 21 gezenderde grote sterns uit de broedkolonies in het Haringvliet op Scheelhoekeilanden (zwarte stip) en Slijkplaat (zwart kruis). Gegevens zijn afkomstig van grote sterns gezenderd op de Scheelhoekeilanden in 2012 2013 en 2015 en op Slijkplaat in 2014 (Bron: Fijn et a . 2017).
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
53
Uit onderzoek aan gezenderde grote sterns uit de kolonies op de Scheelhoekeilanden (en op het eiland de Slijkplaat in het Haringvliet in 2014) is gebleken dat broedende grote sterns van deze kolonies dagelijks in grote aantallen de Haringvlietdam passeren. Het merendeel van de foerageervluchten (91% van de vogels gezenderd op de Scheelhoekeilanden) vindt plaats over het zuidelijke deel van de Haringvlietdam, maar er vliegen ook grote sterns uit deze kolonie (9%) over het plangebied (Figuur 6.33).
Figuur 6.33
Cumulatief beeld van vliegroutes (tracks) van gezenderde grote sterns van en naar broedkolonies op Scheelhoekeilanden (oranje) en Slijkplaat (blauw). Op de Scheelhoekeilanden zijn grote sterns gezenderd in 2012 (n= 7) 2013 (n= 5) 2015 (n= 5) 2017 (n= 8) en 2020 (n= 27). Op de Slijkplaat alleen in 2014 (n= 8) (Bron: Bureau Waardenburg).
Vliegbewegingen Grote sterns zijn door BEC vrijwel uitsluitend tijdens het broedseizoen gezien met slechts twee waarnemingen buiten de periode april – augustus, namelijk op 6 september 2018 (één exemplaar) en 2 september 2020 (179 exemplaren tijdens één uur waarnemen, vrijwel allen op zeer lage hoogte het plangebied passerend). Onderstaande bespreking beperkt Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
54
zich tot het broedseizoen, zodat voornoemde waarnemingen in september 2018 en 2020 buiten beschouwing zijn gelaten. Tijdens veldwerk door BEC in het broedseizoen 2018 en 2020 zijn van 10.247 respectievelijk 1.093 grote sterns passages vastgelegd. Figuur 6.34 laat de procentuele verdeling zien. Maar liefst 90% van alle door BEC in het broedseizoen waargenomen vliegbewegingen van grote sterns passeerde het zuidelijke deel van de Haringvlietdam. Slechts 6% passeerde de directe omgeving van de geplande windturbines. Dit komt, zoals hiervoor beschreven, zeer goed overeen met het patroon dat de gezenderde grote sterns lieten zien (Figuur 6.33).
Figuur 6.34
Procentuele verdeling (gebaseerd op aantal vogels) van de vliegbewegingen van grote stern in het broedseizoen 2018 en 2020 (n= 11.340 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.
Vlieghoogte tijdens het broedseizoen Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 5). Ongeveer de helft van de grote sterns (46%) passeerden het plangebied op rotorhoogte (50 – 200 m). Over het zuidelijke deel van de Haringvlietdam vlogen de sterns daarentegen voornamelijk op (zeer) lage hoogte (72% onder de 50 m, Figuur 6.35), soms rakelings over het wegverkeer (Buijs 2019).
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
55
6.15
Selectie van overige vogelsoorten In aanvulling op de soorten die hiervoor zijn besproken, worden in dit deel tenslotte nog een aantal vogelsoort(groep)en kort besproken die van betekenis kunnen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming (zie ook hoofdstuk 3 en 4). Deze soorten zijn mogelijk relevant omdat ze vanuit nabijgelegen Natura 2000-gebieden het plangebied kunnen bezoeken en/of in relatief grote aantallen over het plangebied vliegen (bijvoorbeeld zangvogels op seizoenstrek). Tijdens het onderzoek door BEC in 2018 en 2020 zijn echter weinig vliegbewegingen van deze soorten over het plangebied waargenomen.
6.15.1
Reigers Kleine zilverreiger De Natura 2000-gebieden Voornes Duin en Haringvliet zijn o.a. aangewezen voor kleine zilverreiger als broedvogel respectievelijk niet-broedvogel. De soort broedde voorheen in het Quackjeswater met maximaal 75 nesten in 2008. Nadien zijn de aantallen sterk achteruitgegaan, met slechts twee broedparen in 2017 en 2018 en geen broedparen sinds 2019 (Boele et al. 2021, Sovon.nl). De soort foerageert nabij het plangebied vooral op het Quackgors aan de noordzijde van het Haringvliet en in het intergetijdengebied van de Kwade Hoek (NDFF 2021). Gezien de geringe aantallen zullen weinig kleine zilverreigers het plangebied passeren. Tijdens het onderzoek door BEC in 2018 en 2020 zijn geen vliegbewegingen van deze soort over het plangebied waargenomen. Blauwe reiger Tijdens het onderzoek door BEC in 2018 zijn in totaal 16 passages van blauwe reiger waargenomen (de gegevens van 2020 zijn voor voorliggend rapport niet op deze soort onderzocht). Het betrof vooral vogels die het Haringvliet overstaken, meer dan de helft vloog op rotorhoogte.
6.15.2
Fuut Het Natura 2000-gebied Haringvliet is o.a. aangewezen voor fuut als niet-broedvogel. Tijdens maandelijkse watervogeltellingen in het aan het plangebied grenzende deel van het Haringvliet worden gemiddeld enkele of hooguit een tiental futen geteld (NDFF 2021). Futen worden zelden vliegend op grotere hoogte gezien. Desondanks zijn door BEC tijdens het veldonderzoek in totaal elf vliegende futen gezien, waarvan vijf exemplaren op rotorhoogte over het plangebied.
6.15.3
Roofvogels Zeearend De zeearend leeft in Nederland in structuurrijke, waterrijke gebieden en foerageert op vis, watervogels en aas. De directe omgeving van het plangebied bestaat vrijwel geheel uit open water of agrarisch gebied met relatief kleine aantallen watervogels en is daarom weinig aantrekkelijk voor de zeearend. De structuur- en watervogelrijke natuurgebieden op ruime afstand van het plangebied, zoals (van west naar oost) de platen in de monding van
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
58
het Haringvliet, de Kwade Hoek, de Scheelhoek, de buitendijkse gorzen langs het Haringvliet, zoals het Quackgors, de Korendijkse Slikken en het eiland Slijkplaat in het Haringvliet hebben voor de zeearend veel meer voedsel te bieden. Dit wordt weerspiegeld door het aantal waarnemingen van zeearenden in deze gebieden (Figuur 6.38).
Figuur 6.38
Waarnemingen (n= 829) van zeearend in de jaren 2016 t/m 2020 in de ruime omgeving van de Haringvlietdam. Zonder gedetailleerde analyse is lastig in te schatten om hoeveel individuele vogels het gaat ongetwijfeld bevat dit figuur een groot aantal dubbeltellingen het geeft echter een goed beeld van de meest gebruikte gebieden door zeearend in de omgeving van de Haringvlietdam (Bron: NDFF 2021). NB: het buitendijkse natuurgebied de Korendijkse Slikken (zie tekst) ligt buiten deze kaart circa 4 km naar het oosten aan de noordrand van het Haringvliet.
In 2020 broedden drie paren zeearend in de Delta: op de Hellegatsplaten, Slikken van Heen (Krammer-Volkerak) en Markiezaat. Daarnaast wordt de noordelijke Delta in het broedseizoen, naast enkele subadulte vogels die in de Delta overzomeren, ook regelmatig bezocht door de twee broedparen uit de Brabantse Biesbosch en Dordtse Biesbosch. Na het eerste geslaagde broedpaar in Nederland in 2006 nam de soort vooral vanaf 2014 snel toe, inmiddels (situatie 2020) broeden 20 broedparen verspreid over de grote Nederlandse waterrijke natuurgebieden (van Rijn et al. 2021). Deze broedparen hebben in de afgelopen veertien jaar meer dan 100 jongen grootgebracht, verdere uitbreiding van het broedareaal en de populatie ligt daarom in het verschiet. Begin 2021 heeft een paar een nest gebouwd in het wilgenbos op de Korendijkse Slikken, buitendijks langs de noordrand van het Haringvliet op circa 13 km ten oosten van het plangebied. In mei werd bekend dat het nest twee jongen bevatte. Het is niet ondenkbaar dat op korte termijn, naast de broedparen op de Korendijkse Slikken en Hellegatsplaten, nog meer zeearenden zich vestigen in (de omgeving van) het Haringvliet en het aantal waarnemingen in de omgeving van het plangebied zal toenemen.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
59
Incidenteel zal een zeearend vanuit of op weg naar eerdergenoemde watervogelrijke gebieden over het plangebied kunnen vliegen, maar er zijn tot nu toe geen aanwijzingen dat dit meer dan sporadisch gebeurt. De zeearend is een spectaculaire verschijning die bij de meeste vogelaars een bijzonder gevoel oproept. Het is daarom waarschijnlijk dat het merendeel van de veldwaarnemingen van deze soort wordt doorgegeven aan landelijke databases van vogelwaarnemingen. In Figuur 6.38 zijn 829 waarnemingen van een onbekend aantal individuele zeearenden weergegeven uit de jaren 2016 t/m 2020 (NDFF 2021). Dit geeft een actueel beeld van de jaarrond aanwezigheid en verspreiding van de soort in de ruime omgeving van het plangebied. Uit deze gegevens blijkt dat de zeearend zelden wordt waargenomen in de directe omgeving van het plangebied. Het gaat slechts om een paar waarnemingen in de afgelopen vijf jaar. Deels betreft dit een waarnemerseffect, het patroon laat namelijk ook zien waar veel vogelaars actief zijn (in dezelfde vogelrijke gebieden die ook door zeearend worden geprefereerd). Echter, ook tijdens meer dan 60 uur intensief waarnemen van vliegbewegingen van vogels over de Haringvlietdam in 2018 en 2020 is door BEC geen enkele zeearend waargenomen. Het plangebied ligt tenslotte op meer dan 13 km van het dichtstbijzijnde nest (op de Korendjikse Slikken).
Dit is ruim buiten de afstand van 6 km waarbinnen veelal de bulk van de activiteit van de oudervogels in het broedseizoen plaatsvindt (Grünkorn & Nehls 2017). Ook zijn er geen aanwijzingen dat het plangebied in een corridor ligt tussen de twee hiervoor beschreven nestlocaties in het Haringvliet en watervogelrijke voedselgebieden buiten het Haringvliet, zoals de Kwade Hoek. Regelmatige voedselvluchten over het plangebied in het broedseizoen van dit broedpaar zijn daarom uitgesloten. In 2019 is een meerjarig onderzoeksprogramma gestart waarin o.a. het vlieggedrag in windparken door gezenderde zeearenden wordt onderzocht. Een eerste analyse van de data van acht jonge vogels heeft laten zien dat deze 22% van de tijd dat ze in de lucht zijn op rotorhoogte vliegen (Werkgroep Zeearend Nederland 2021). Het is echter (nog) niet bekend hoeveel procent van die tijd ze ook daadwerkelijk in een windpark vlogen en daarmee een risico op aanvaring hadden. Omdat het aantal risicovolle vliegbewegingen van de zeearend in de huidige situatie over het noordelijk deel van de Haringvlietdam zeer beperkt is en de directe omgeving van het plangebied geen betekenis heeft voor de zeearend, zijn effecten op deze soort als gevolg van het risico op aanvaringen met de twee geplande windturbines vooralsnog nihil.
Dit kan in de toekomst veranderen, mocht de toenemende landelijke trend zich de komende jaren voortzetten en/of een broedpaar zeearend zich in de directe omgeving (< 6 km) van het plangebied vestigen. Bruine kiekendief Het Natura 2000-gebied Haringvliet is o.a. aangewezen voor bruine kiekendief als broedvogel. De soort broedt in het westelijk deel van het Haringvliet in lage dichtheden (13 broedparen per 5*5 km2, Sovon 2018), o.a. op het Quackgors en op de Scheelhoek. Oudervogels foerageren in de broedtijd met name binnendijks in het agrarisch gebied. Gezien de geringe aantallen in de omgeving van het plangebied zullen bruine kiekendieven slechts sporadisch het plangebied passeren. Tijdens het onderzoek door BEC in 2018 en 2020 is slechts één passage van een bruine kiekendief waargenomen; in juli 2018 stak een exemplaar het Haringvliet over op circa 100 m hoogte.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
60
Slechtvalk Het Natura 2000-gebied Haringvliet is o.a. aangewezen voor slechtvalk als niet-broedvogel. Net als de zeearend jaagt de slechtvalk vooral in watervogelrijke gebieden en kent de soort dus een vergelijkbare verspreiding met de meeste waarnemingen op de Kwade Hoek, de polders ten zuiden van Ouddorp en het buitendijkse gebied rondom het eiland Markenje in de Grevelingen en op de Korendijkse Slikken (NDFF 2021). Gezien de geringe aantallen in de omgeving van het plangebied zullen slechtvalken slechts sporadisch het plangebied passeren. Tijdens het onderzoek door BEC in 2018 en 2020 zijn in totaal zes slechtvalken waargenomen, waarvan de helft op rotorhoogte vloog.
6.15.4
Meeuwen en sterns Naast de meeuwen- en sternsoorten die reeds hiervoor zijn beschreven, is het Natura 2000-gebied Haringvliet ook aangewezen voor zwartkopmeeuw en dwergstern als broedvogel. In 2019 broedden in totaal 806 paren zwartkopmeeuw in het Haringvliet (Lilipaly et al. 2020) met kolonies op de Ventjagersplaten (443 paren), Slijkplaat (279 paren) en op de Scheelhoekeilanden (87 paren). Anders dan de andere voornoemde meeuwensoorten, foerageert de zwartkopmeeuw in het broedseizoen voornamelijk in het binnendijkse agrarisch gebied, zodat weinig passages over de Haringvlietdam richting Voordelta zijn te verwachten. De NDFF bevat van afgelopen vijf jaren geen waarnemingen in of nabij het plangebied. Tijdens het onderzoek door BEC in 2018 en 2020 zijn in totaal 18 zwartkopmeeuwen waargenomen. Hiervan vlogen tien vogels over het plangebied, de helft daarvan op rotorhoogte. De dwergstern broedt in het Haringvliet slechts in lage aantallen; in 2019 met 3 paren op Slijkplaat en 23 paren op de Scheelhoekeilanden (Lilipaly et al. 2020). In de Grevelingen is de soort talrijker, met in 2019 grotere kolonies op Markenje (135 paren) en de Slikken van Flakkee (93 paren). Door BEC zijn in mei en juli 2018 telkens twee exemplaren gezien die beneden rotorhoogte over het plangebied vlogen.
6.15.5
Seizoenstrek Inleiding Veel vogelsoorten trekken jaarlijks van broed- naar overwinteringsgebied en vice versa. Deze trek vindt vooral plaats in het voor- en najaar en wordt daarom geclassificeerd als seizoenstrek (Lensink et al. 2002). Overdag vindt langs de Noordzeekust veel stuwing van vogels op seizoenstrek plaats. Stuwing wordt omschreven als de reactie van trekkende vogels op het onderliggende landschap waarbij ‘soortvreemde’ landschappen die in de hoofdtrekrichting liggen worden gemeden (Alerstam 1990). De Haringvlietdam vormt bijvoorbeeld voor veel zangvogels een geleidend landschapselement, dat ze zo lang mogelijk volgen bij de oversteek van het Haringvliet en daarbij ook gebruik maken van de luwte aan de binnenzijde van de dam bij tegenwind (Buijs 2019). In de nacht is er minder stuwing, waarbij de trekstroom parallel aan de kustlijn enkele kilometers breed is (Spaans & Van den Bergh 2001). In het voorjaar is de vogeltrek langs de Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
61
Zuid-Hollandse kust een stuk minder intensief en zowel overdag als ’s nachts is dan duidelijk minder sprake van gestuwde trek dan in het najaar. Vogels die in het voorjaar over Nederland naar het noord(oost)en trekken zijn minder geneigd de kustzone te volgen, maar vliegen in een breed front over het binnenland (Lensink et al. 2002). In het algemeen vindt seizoenstrek in het binnenland plaats op hoogten boven de 150 m, maar bij tegenwind en ook langs de kust kan de vlieghoogte van vogels op trek afnemen tot (ruim) beneden de 100 m. In een recente radarstudie op de Tweede Maasvlakte in najaar 2019 (Kleyheeg-Hartman & Potiek 2020a) vond een groot deel van de nachtelijke trek van zangvogels op rotorhoogte plaats (50 – 200 m). Ditzelfde bleek eerder ook al uit radarmetingen in het najaar van 2018 in de Eemshaven (Kleyheeg-Hartman & Potiek 2020b) en uit radarmetingen in de Wieringermeer in 2008 (Krijgsveld et al. 2009). Tijdens goede treknachten kunnen weliswaar veel vogels op grote hoogte buiten het bereik van windturbines overtrekken, maar dat neemt niet weg dat zeker in het najaar een belangrijk deel van de trek op dit soort kustlocaties op risicohoogte passeert.
Deels kan dit worden verklaard door aankomst van trekvogels na een lange tocht over zee waarbij vogels lager gaan vliegen wanneer land in zicht komt (Eemshaven) of, in het geval van de Tweede Maasvlakte, wegtrek vanaf land in de eerste helft van de nacht waarbij vogels nog relatief laag vliegen. Seizoenstrek omgeving plangebied Seizoenstrek wordt in Nederland overdag op tal van telposten door vrijwilligers visueel gemonitord. Dit geeft uiteraard alleen een beeld van de vogeltrek op lage hoogte, omdat kleine zangvogels boven honderd meter hoogte nauwelijks meer met het blote oog te detecteren zijn. In najaar 2020 is regelmatig geteld vanaf een duintop in het Voornes Duin en zijn in 50 uur tellen in totaal meer dan 205.000 vogels op seizoenstrek geteld. Eenzelfde orde van grootte is vastgesteld op een telpost gesitueerd aan de zuidwestrand van Goeree aan de noordzijde van de Brouwersdam. In de najaren van 2018 en 2019 zijn op deze telpost Springertduin bij Ouddorp 289.000 respectievelijk 257.000 vogels geteld. De bulk bestond in alle gevallen uit een paar soorten: spreeuw, de lijstersoorten kramsvogel koperwiek en zanglijster en de kleine zangvogelsoorten graspieper en vink. Al deze soorten zijn met vele 10.000-den tot meer dan 100.000 exemplaren waargenomen tijdens deze steekproefsgewijze ‘bemonstering’ van de massale seizoenstrek in de kuststrook.
Voor een volledig overzicht van soorten en aantallen wordt verwezen naar de website www.trektellen.nl. Door BEC is in het najaar van 2018 en 2020 tijdens enkele uren ook steekproefsgewijs naar seizoenstrek over het plangebied gekeken. Ondanks het sterk anekdotische karakter van deze tellingen, komt ook daar het beeld naar voren van soms relatief sterke doortrek van voornoemde soorten over het plangebied, overigens vaak op (zeer) lage hoogten, waarschijnlijk omdat vooral bij tegenwind is waargenomen. Omdat hier niet stelselmatig onder verschillende weersomstandigheden is waargenomen en niet tijdens de vroege ochtenduren, waarin de trek meestal het sterkst is, zijn deze waarnemingen niet verder uitgewerkt.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
62
7 Vleermuizen in en nabij het plangebied 7.1
Verblijfplaatsen Potentieel geschikte verblijfplaatsen zoals bomen met holtes of gebouwen ontbreken in het plangebied. De eerste vleermuizen werden ’s avonds op 45 minuten tot een uur na zonsondergang waargenomen (figuur 4.2 in Halters 2021). Dit duidt erop dat de verblijfplaatsen van deze vleermuizen op grote afstand van het plangebied liggen. Verblijfplaatsen van rosse vleermuis en watervleermuis zijn bijvoorbeeld bekend van landgoed Mildenburg en Olaertsduin op Voorne (Mostert 2012). Ten oosten van het plangebied in het Voornes Duin is tijdens het veldonderzoek door BEC regelmatig een baltsende ruige dwergvleermuis waargenomen. Hier is waarschijnlijk een paarplaats van de soort aanwezig (Buijs & Halters 2019).
7.2
Foerageergebieden en vliegroutes Tijdens het onderzoek in 2018 zijn in totaal meer dan duizend waarnemingen van vleermuizen verzameld tijdens de vijf veldbezoeken. Het ging hierbij met name om gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen en rosse vleermuizen. Daarnaast zijn enkele laatvliegers en watervleermuizen en één meervleermuis of watervleermuis (Myotis ongedetermineerd) waargenomen. De meeste dieren foerageerden langs de oever van het Haringvliet en binnendijks ten oosten van het plangebied in het Voornes Duin. Er zijn geen regelmatig gebruikte vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Er is sprake van diffuse migratie van ruige dwergvleermuis. Massale migratie van ruige dwergvleermuizen, zoals bijvoorbeeld bekend van de Afsluitdijk, is niet vastgesteld (Buijs & Halters 2019). Zo kan het totaal aantal waargenomen ruige dwergvleermuizen op de Haringvlietdam (264 opnames gedurende vijf bezoeken), op de Afsluitdijk tijdens de trek in de nazomer vrij gemakkelijk binnen een uur worden waargenomen.
7.3
Vleermuizen op hoogte Vanuit één van de zes bestaande windturbines op de Haringvlietdam zijn tussen 31 mei en 1 december 2020 in totaal bijna 10.000 opnames van vleermuizen verzameld. Dit is uitzonderlijk veel voor een meting binnen het rotorbereik van een windturbine. Omdat de opnames handmatig zijn gecontroleerd is het grote aantal niet veroorzaakt door stoorgeluid dat door software ten onrechte als vleermuisgeluid is toegewezen. De activiteit van vleermuizen neemt af met toenemende hoogte. De beperkte hoogte van de nacelle (44 m) vormt een belangrijke verklaring voor het grote aantal opnames. Het grootste deel van de waarnemingen had betrekking op de rosse vleermuis (n= 5.029). Er zijn daarnaast 2.837 waarnemingen verricht van laatvlieger, tweekleurige vleermuis of rosse vleermuis die niet met zekerheid gedetermineerd kon worden (verzamelnaam Nyctaloide spec.). In Tabel 7.1 zijn deze waarnemingen naar rato verdeeld over de drie
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
63
DEEL 3 EFFECTEN BEOORDEELD
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
65
8 Effectbepaling Natura 2000-gebieden 8.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt, in het kader van de Wnb (onderdeel gebiedenbescherming) en op basis van beschikbare kennis over gebiedsgebruik en vlieggedrag van vogels in het plangebied, een overzicht gegeven van het aantal aanvaringsslachtoffers in het huidige Windpark Haringvlietdam en bij de twee geplande windturbines. Dit wordt gedaan voor een selectie van vogelsoorten die kwalificeren voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De aantallen zijn zoveel mogelijk gekwantificeerd. Bij deze kwantificering moet echter in aanmerking worden genomen dat, hoewel ze gebaseerd zijn op het meest recente onderzoek, de nodige aannames gedaan zijn en dat ruime marges realistisch zijn rondom de gepresenteerde aantallen. Dat betekent dat de aantallen in absolute zin niet 100% nauwkeurig zijn, maar goed bruikbaar om een ordegrootte van effecten te geven. De aannames in de berekeningen zijn op zo’n manier gedaan dat in alle gevallen met zekerheid het worst case-scenario is getoetst. Visdief De visdief is voor Natura 2000-gebied Voordelta aangewezen als niet-broedvogel. De instandhoudingsdoelstelling ziet op 'behoud omvang en kwaliteit leefgebied en behoud populatie’ voor de broedvogels in nabijgelegen Natura 2000-gebieden en Deltawateren.
In de toelichting op de instandhoudingsdoelstelling is gesteld dat als voorwaarde voor de aanleg en aanwezigheid van Tweede Maasvlakte voor de visdief compenserende maatregelen in het beheerplan zijn uitgewerkt. De instandhoudingsdoelstelling voor visdief is opgenomen om het foerageergebied (waar compenserende maatregelen zijn genomen) in kwaliteit en kwantiteit te behouden. In het Beheerplan Voordelta (2015-2021) (Min. v. I&M 2016) zijn een aantal maatregelen binnen de Natura 2000-begrenzing (instellen rustgebieden) opgenomen. De aanname in voorliggende analyse is dat sterfte onder visdief als gevolg van aanvaringsslachtoffers in het broedseizoen een (indirect) effect zou kunnen hebben op de kwaliteit en kwantiteit van het foerageergebied in de Voordelta. Aanvaringsslachtoffers onder broedende visdieven (afkomstig van de broedkolonies in het Haringvliet en die voornamelijk foerageren in de Voordelta), zijn daarom berekend en beoordeeld in het kader van gebiedenbescherming. Ondanks dat de IHD’s voor de Voordelta zien op nietbroedvogels (de Voordelta kent geen IHD’s voor broedvogels) wordt de compensatieopgave in richting tot visdief algemeen geïnterpreteerd te gelden voor broedvogels in de Delta (buiten het broedseizoen is de visdief maar beperkt aanwezig en dan vooral als doortrekker, in het winterhalfjaar verblijft de visdief vooral in de kustwateren van Afrika).
8.2
Aanvaringsslachtoffers vogels
8.2.1
Soortenselectie In hoofdstuk 4 is een eerste selectie gemaakt van vogelsoorten, waarvoor Natura 2000gebieden in de ruime omgeving van het plangebied zijn aangewezen, die in theorie een
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
66
relatie met het plangebied kunnen hebben (zie rood gemarkeerde soorten in Tabel 4.1 en 4.2). Op basis van de analyse van gebiedsgebruik en vliegbewegingen van vogels in het plangebied in hoofdstuk 6, heeft het plangebied voor een groot aantal van deze vogelsoorten slechts een geringe betekenis en passeren deze soorten vanuit de betrokken Natura 2000-gebieden het plangebied hooguit incidenteel. Hieronder wordt de selectie van soorten toegelicht waarvoor berekeningen van het aantal aanvaringsslachtoffers is gemaakt. Broedvogels De kwalificerende broedvogelsoorten kleine zilverreiger, lepelaar, bruine kiekendief, kluut, bontbekplevier, strandplevier, zwartkopmeeuw, noordse stern en dwergstern passeren het plangebied niet of slechts in lage aantallen (hoofdstuk 6). Dit in combinatie met de waargenomen (veelal lage) vlieghoogte van die exemplaren die het plangebied wel passeerden en het feit dat deze soorten niet of in uiterst lage aantallen als aanvaringsslachtoffer in Nederland en NW-Europese windparken zijn vastgesteld (zie referenties in paragraaf 5.3.1), leidt tot de conclusie dat voor deze soorten hooguit sprake is van uiterst incidentele sterfte in zowel het huidige als in het toekomstige windpark (ruim minder dan één slachtoffer op jaarbasis in het gehele windpark). Voor deze soorten zijn daarom geen berekeningen van het aantal aanvaringsslachtoffers uitgevoerd.
Kwalificerende broedvogelsoorten uit Natura 2000-gebieden die wel met enige regelmaat het plangebied op rotorhoogte passeren zijn aalscholver, grote stern en visdief. Een toename van de sterfte als gevolg van realisatie van de twee geplande windturbines kan in theorie een negatief effect hebben op de grootte van de populaties in de betrokken Natura 2000-gebieden. Om dit te kunnen beoordelen is voor deze drie Natura 2000-soorten een soortspecifieke berekening gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers in het huidige en in het toekomstige windpark. Niet-broedvogels Het merendeel van de in Tabel 4.2 rood gemarkeerde kwalificerende soorten niet-broedvogels (reigers, lepelaars, zwanen, ganzen, eenden, roofvogels, steltlopers en sterns) vertonen buiten het broedseizoen geen vliegbewegingen over het plangebied of slechts in (zeer) lage aantallen, omdat ze geen binding hebben met de omgeving van het plangebied of uitsluitend buitendijks in de Voordelta of op het Haringvliet voorkomen, bijvoorbeeld steltlopersoorten die voornamelijk op de Kwade Hoek foerageren en overtijen (zie hoofdstuk 6).
Voor deze soorten is in voorliggende effectbepaling geen berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers uitgevoerd, omdat dit effect op basis van de verspreiding en het gedrag van de soort in zowel het huidige als in het toekomstige windpark nihil zal zijn (ruim minder dan één slachtoffer op jaarbasis in het gehele windpark). Kwalificerende niet-broedvogelsoorten uit Natura 2000-gebieden die wel met enige regelmaat het plangebied passeren zijn aalscholver en scholekster. Een toename van de sterfte als gevolg van realisatie van de twee geplande windturbines kan in theorie een negatief effect hebben op de grootte van de populaties in de betrokken Natura 2000gebieden. Om dit te kunnen beoordelen is voor deze twee Natura 2000-soorten een soort-
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
67
specifieke berekening gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers in het huidige en in het toekomstige windpark.
8.2.2
Uitgangspunten en invoer in de berekeningen De berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers is deels gebaseerd op aannames omdat op sommige punten gedetailleerde en locatiespecifieke informatie van betrokken soorten niet voorhanden is. Deze aannames zijn altijd op zo’n manier gedaan dat in alle gevallen met zekerheid het worst case-scenario is getoetst. Dit geldt bijvoorbeeld voor het aantal vogels dat bij het windpark rondvliegt, het aandeel vogels dat op rotorhoogte vliegt en het aandeel vogels dat uitwijkt voor het windpark. De getoetste windturbineafmetingen staan beschreven in hoofdstuk 2. Voor aalscholver is geen aanvaringskans uit eerder onderzoek beschikbaar en kan geen berekening met het Flux-Collision Model worden gedaan. In voorliggende rapportage is daarom een berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers uitgevoerd met een ander rekenmodel dat veel voor offshore windparken wordt gebruikt, het zogenoemde SOSS Band model (Band 2012). Als input in het Band model is gebruik gemaakt van informatie over: 1) aantallen vliegbewegingen van aalscholver over het plangebied (flux), 2) het vlieggedrag en enkele biometrische gegevens van aalscholver, 3) vlieghoogte en 4) de afmetingen en configuratie van het geplande windpark. In bijlage IV wordt de methode toegelicht en zijn de aannames en inputgegevens beschreven. De resultaten worden in paragraaf 8.2.3 gepresenteerd.
Voor de soorten scholekster, grote stern en visdief zijn de slachtofferberekeningen uitgevoerd met het Flux-Collision Model. Hieronder worden de aannames en uitgangspunten van de berekeningen beschreven, waarna de resultaten worden gepresenteerd. Aanvaringskans Voor scholekster wordt een aanvaringskans van 0,02% gehanteerd, zoals vastgesteld voor steltlopers in Windpark Oosterbierum (Winkelman 1992). Het onderzoek in de Sepproefwindcentrale in Oosterbierum is tot nu toe het enige onderzoek waarin aanvaringskansen voor steltlopers zijn bepaald. Winkelman (1992) heeft de aanvaringskans op verschillende manieren berekend, uitgaande van uiteenlopende fluxen en verschillende, al dan niet gecorrigeerde, aantallen aanvaringsslachtoffers. De gehanteerde aanvaringskans van 0,02% is door Winkelman (1992) berekend op basis van het maximale werkelijke (oftewel gecorrigeerde) aantal aanvaringsslachtoffers. Dit is berekend op basis van de zekere, zeer waarschijnlijke en mogelijke slachtoffers. De flux die Winkelman (1992) heeft gebruikt voor de berekening van deze aanvaringskans, betreft het minimale aantal geschatte vliegbewegingen door (of net over) het windpark in de namiddag/avond, nacht en ochtend.
Dit betreft waarschijnlijk een onderschatting van de werkelijke flux, omdat de fluxen in het onderzoek van Winkelman (1992) veelal visueel/auditief zijn gemeten, waardoor mogelijk vogels zijn gemist. De belangrijkste redenen voor het hanteren van specifiek deze aanvaringskans zijn: 1) Omdat de aanvaringskans berekend is op basis van het maximale werkelijke aantal slachtoffers, waarin ook de mogelijke aanvaringsslachtoffers zijn meegenomen, betreft de aanvaringskans met zekerheid een worst-case Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
68
scenario, 2) De flux waarop de aanvaringskans is gebaseerd (vliegbewegingen in de avond, nacht en ochtend) komt het best overeen met de manier waarop de flux over het algemeen in de slachtofferberekeningen voor de te beoordelen windparken wordt bepaald. Voor sterns, zoals de grote stern en visdief, zijn aanvaringskansen beschikbaar uit twee verschillende windparken, namelijk Windpark Slufterdam (Gyimesi et al. 2013) en Windpark Zeebrugge (Everaert & Stienen 2007). Voor Windpark Haringvlietdam is het aantal slachtoffers met het Flux-Collision Model berekend met de beschikbare aanvaringskansen uit beide voornoemde windparken. Het in dit rapport gepresenteerde aantal aanvaringsslachtoffers betreft het gemiddelde van de uitkomsten berekend met de aanvaringskansen uit deze twee referentiewindparken. Voor Windpark Zeebrugge zijn vier aanvaringskansen beschikbaar, namelijk voor de jaren 2004 en 2005 en voor de soorten visdief en grote stern (Tabel 8.1). De berekening met het Flux-Collision Model is voor alle vier de aanvaringskansen uit dit onderzoek uitgevoerd. De vier uitkomsten zijn eerst met elkaar gemiddeld voordat ze in het totale gemiddelde zijn opgenomen. Zodoende tellen de twee windparken even zwaar mee.
Bepaling soortspecifieke flux De totale soortspecifieke flux door het huidige en het toekomstige windpark (zie Tabel 8.1) is bepaald aan de hand van de resultaten van het veldwerk in 2018 en 2020, waarbij per soort een selectie is gemaakt van de vliegbewegingen over het plangebied (zie hoofdstuk 6). In alle gevallen is bij de berekening van de totale flux rekening gehouden met het aantal uur dat er op een dag vliegactiviteit van de betreffende soort zal zijn. Dit laatste verschilt tussen de maanden aangezien sprake is van een uitgesproken verschil in daglengte. Voor grote stern en visdief is gebruik gemaakt van de flux in het broedseizoen (april t/m augustus). Voor scholekster is de flux gemeten in maanden april t/m november geëxtrapoleerd naar de wintermaanden waarin weinig (in december tot en met februari) of geen (in maart) veldonderzoek heeft plaatsgevonden. Voor deze extrapolatie is gebruik gemaakt van het landelijke seizoenspatroon van de scholekster. Uitwijking De scholekster, grote stern en visdief passeren het plangebied met name tijdens foerageervluchten overdag. In de regel wijken vogels uit voor een windpark (bijlage II). Voor de scholekster is er voorzichtigheidshalve rekening mee gehouden dat slechts 20% van de berekende dagelijkse flux over het plangebied in de toekomst zal uitwijken voor de windturbines en om of over de turbines heen vliegt.
De meeste scholeksters die zijn waargenomen tijdens het veldonderzoek in 2018 en 2020 kwamen in het plangebied foerageren tijdens hoogwater. Voor de grote stern is aangenomen dat 28% van de berekende dagelijkse flux over het plangebied in de toekomst zal uitwijken voor de twee windturbines, gebaseerd op de studie in Offshore Windpark Egmond aan Zee (OWEZ; Krijgsveld et al. 2011). Voor de visdief is uit de literatuur geen uitwijkingspercentage beschikbaar. Voor deze soort is daarom ook 28% uitwijking aangehouden, gelijk aan de vergelijkbare vogelsoort grote stern in het windpark OWEZ.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
69
10 Effecten op vogels (soortenbescherming) In dit hoofdstuk wordt, in het kader van de Wnb (onderdeel soortenbescherming) en op basis van beschikbare kennis over gebiedsgebruik en vlieggedrag van vogels in het plangebied, een overzicht gegeven van het aantal aanvaringsslachtoffers in het huidige Windpark Haringvlietdam en bij de twee geplande windturbines. De aantallen zijn zoveel mogelijk gekwantificeerd. Bij deze kwantificering moet echter in aanmerking worden genomen dat, hoewel ze gebaseerd zijn op het meest recente onderzoek, de nodige aannames gedaan zijn en dat ruime marges realistisch zijn rondom de gepresenteerde aantallen. Dat betekent dat de aantallen in absolute zin niet 100% nauwkeurig zijn, maar goed bruikbaar om een ordegrootte van effecten te geven. De aannames in de berekeningen zijn op zo’n manier gedaan dat in alle gevallen met zekerheid het worst casescenario is getoetst.
10.1
Globaal overzicht van het aantal aanvaringsslachtoffers Op basis van resultaten van slachtofferonderzoeken in bestaande windparken (zie hoofdstuk 5) is voor de bestaande zes en twee geplande windturbines op de Haringvlietdam een inschatting te maken van de totale jaarlijkse vogelsterfte als gevolg van aanvaringen met de windturbines. Gemiddeld vallen in Nederland en België in een windpark ongeveer 20 vogelslachtoffers per turbine per jaar. Afhankelijk van onder andere het aanbod aan vogels en de intensiteit van vliegbewegingen in de omgeving van het windpark, de configuratie van het windpark en de afmetingen van de windturbines, varieert dit aantal van minimaal een enkel tot maximaal enkele tientallen slachtoffers per turbine per jaar. Het rotoroppervlak van de twee geplande windturbines is ruim anderhalf tot ruim tweemaal groter dan de grootste turbines waarvan in Nederland en België tot nu toe resultaten van slachtofferonderzoek beschikbaar zijn. Een duidelijk verband tussen het aanvaringsrisico en turbinekarakteristieken ontbreekt. Het aantal slachtoffers wordt vooral bepaald door factoren in de omgeving van de windturbine (Hötker et al. 2006, Everaert 2014, Grünkorn et al. 2016). Bij de nu geplande turbines is onder de rotorbladen minimaal 35 meter ruimte, afhankelijk van de gekozen afmetingen (zie Tabel 2.1).
Daardoor zal een aanzienlijk deel van lokale vliegbewegingen onder het rotorvlak plaatsvinden en dus buiten de ‘risicozone’. Daarnaast is de ruimte tussen grotere turbines ook groter (ca. 670 m), waardoor vogels makkelijker tussen de turbines door kunnen vliegen dan eertijds tussen de kleinere turbines van bijvoorbeeld 0,5 MW en zodoende een passage van het rotorvlak kunnen vermijden. Op basis van deskundigenoordeel wordt echter voor zowel de huidige zes als de twee toekomstige windturbines op de Haringvlietdam een vergelijkbaar aantal slachtoffers per windturbine per jaar voorspeld als gemiddeld bij voornoemde slachtofferonderzoeken in referentieparken is gevonden. Net als de meeste windparken die als referentie dienen, staan de windturbines op de Haringvlietdam in een vogelrijk kustgebied met relatief veel lokale vliegbewegingen en ook sterke seizoenstrek (zie hoofdstuk 6). Het is daarom waarschijnlijk dat het aantal slachtoffers bij de windturbines op de Haringvlietdam in Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
77
ordegrootte 20 slachtoffers per windturbine per jaar bedragen (deskundigenoordeel). Voor het huidige windpark bedraagt de jaarlijkse voorspelde sterfte 120 vogels en voor beide geplande windturbines samen bedraagt de jaarlijkse voorspelde sterfte 40 vogels. Bovenstaande schatting van ordegrootte aantal aanvaringsslachtoffers voorziet niet in een verdeling van het aantal slachtoffers over verschillende soortgroepen. Wel kan op basis van de aanwezigheid van soorten in het plangebied, het gebiedsgebruik door deze soorten en beschikbare kennis over aanvaringskansen van verschillende soortgroepen, een inschatting gemaakt worden van de soorten die naar verwachting relatief vaak of juist minder vaak slachtoffer zullen worden van een aanvaring met windturbines in het plangebied. Tijdens eerder slachtofferonderzoek in vergelijkbare habitats in Nederland zijn vooral eenden, meeuwen en zangvogels als aanvaringsslachtoffer gevonden (o.a. Krijgsveld & Beuker 2009, Krijgsveld et al. 2009, Beuker & Lensink 2010, Brenninkmeijer & van der Weyde 2011, Verbeek et al. 2012, Klop & Brenninkmeijer 2014).
Op basis van deze onderzoeken, recent slachtofferonderzoek in Windpark Noordoostpolder (Klop 2021) en de kennis over de vogelsoorten in en nabij het plangebied, is het te verwachten dat bij de windturbines op de Haringvlietdam vooral aalscholver, meeuwen, sterns en zangvogels slachtoffer zullen worden van een aanvaring met de windturbines. Aalscholver, meeuwen en sterns vooral in het broedseizoen en zangvogels tijdens seizoenstrek in voor- en najaar. Hieronder worden per soortgroep de risico’s beschreven.
10.2
Aanvaringsslachtoffers onder lokale vogels
10.2.1
Soortenselectie Voor de aalscholver, scholekster, grote stern en visdief is de slachtofferberekening reeds in hoofdstuk 8 beschreven. Voor grote stern en visdief ging het hierbij om slachtoffers in het broedseizoen (april t/m augustus) uit broedkolonies in nabijgelegen Natura 2000gebieden. Buiten het broedseizoen zijn met name in september nog belangrijke aantallen passages van beide soorten over het plangebied waargenomen. In dit hoofdstuk wordt daarom in het kader van de Wnb (onderdeel soortenbescherming) voor grote stern en visdief ook het aantal slachtoffers buiten het broedseizoen berekend. Voor uitgangspunten voor beide soorten in de berekeningen zie hoofdstuk 8. Andere lokale vogelsoorten die relatief veel in de omgeving van de bestaande en toekomstige windturbines op de Haringvlietdam rondvliegen zijn (zie hoofdstuk 6): kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw en kokmeeuw in het broedseizoen (april t/m augustus) en grote mantelmeeuw, zilvermeeuw en kokmeeuw buiten het broedseizoen (september t/m maart). Voor deze soorten is per relevant seizoen een slachtofferberekening met het Flux-Collision Model gemaakt. De uitgangspunten voor deze berekening worden in de volgende paragraaf toegelicht.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
78
Alle andere lokale vogelsoorten (o.a. ganzen, eenden, roofvogels en steltlopers) vertonen geen of weinig vliegbewegingen over het plangebied, omdat ze geen binding hebben met de directe omgeving van het plangebied of uitsluitend buitendijks in de Voordelta of op het Haringvliet voorkomen, bijvoorbeeld steltlopersoorten die voornamelijk op de Kwade Hoek foerageren en daar overtijen (zie hoofdstuk 6). Voor deze soorten is in voorliggende effectbepaling geen berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers uitgevoerd, omdat dit effect op basis van de verspreiding en het vlieggedrag van de soort in zowel het huidige als in het toekomstige windpark op jaarbasis nihil zal zijn (ruim minder dan één slachtoffer op jaarbasis in het gehele windpark). In bijlage V wordt een opsomming gegeven van de lokale vogelsoorten waarvoor (incidentele) slachtoffers gedurende de gehele exploitatiefase van het windpark voorzienbaar zijn.
10.2.2
Uitgangspunten en invoer in de berekeningen De berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers met het Flux-Collision Model is deels gebaseerd op aannames, omdat op sommige punten gedetailleerde en locatiespecifieke informatie van betrokken soorten niet voorhanden is. Deze aannames zijn altijd op zo’n manier gedaan dat in alle gevallen met zekerheid het worst case-scenario is getoetst. Dit geldt bijvoorbeeld voor het aantal vogels dat bij het windpark rondvliegt, het aandeel vogels dat op rotorhoogte vliegt en het aandeel vogels dat uitwijkt voor het windpark. De getoetste windturbineafmetingen staan beschreven in hoofdstuk 2. Aanvaringskans Voor de kleine mantelmeeuw zijn soortspecifieke aanvaringskansen beschikbaar uit Windpark Slufterdam en Windpark Distridam (Gyimesi et al. 2013). Beide aanvaringskansen zijn gebruikt voor de berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers van de kleine mantelmeeuw in de scenario’s voor windturbines op de Haringvlietdam (Tabel 10.1). Naast deze twee soortspecifieke aanvaringskansen is ook gebruik gemaakt van de generieke aanvaringskans die in Windpark Sabinapolder voor meeuwen is bepaald (Verbeek et al. 2012). Het in dit rapport gepresenteerde aantal aanvaringsslachtoffers betreft het gemiddelde van de drie uitkomsten berekend met de aanvaringskansen uit deze drie referentiewindparken.
De afzonderlijke windparken tellen even zwaar mee in de berekening van het gemiddelde. Voor de zilvermeeuw is de soortspecifieke aanvaringskans gebruikt vastgesteld tijdens onderzoek in Windpark Slufterdam (Gyimesi et al. 2013). Naast deze soortspecifieke aanvaringskans uit Windpark Slufterdam is ook gebruik gemaakt van de generieke aanvaringskans die in Windpark Sabinapolder voor meeuwen is bepaald (Verbeek et al. 2012) en van de aanvaringskansen die in de Belgische windparken Kleine Pathoekeweg en Boudewijnkanaal voor grote meeuwen zijn bepaald (Everaert 2008). Het in dit rapport gepresenteerde aantal aanvaringsslachtoffers betreft het gemiddelde van de vier uitkomsten berekend met de aanvaringskansen uit voornoemde vier geselecteerde referentiewindparken (Tabel 10.1). De afzonderlijke windparken tellen even zwaar mee in de berekening van het gemiddelde. Voor de grote mantelmeeuw is dezelfde aanvaringskans gehanteerd (qua grootte, vlieggedrag en seizoenspatroon sluit deze soort beter aan op zilvermeeuw dan op kleine mantelmeeuw). Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
79
augustus. Voor de flux buiten het broedseizoen is gebruik gemaakt van de flux in de maanden september tot en met maart, waarbij is gecorrigeerd (middels extrapolatie) voor de maanden waarin weinig (in december tot en met februari) of geen (in maart) veldonderzoek heeft plaatsgevonden. Voor deze extrapolatie is gebruik gemaakt van het landelijke seizoenspatroon van de betrokken soorten. Uitwijking Voor alle meeuwensoorten is een geringe uitwijking aangehouden; zowel in windparken op zee (Krijgsveld et al. 2011) als in windparken op de Eerste Maasvlakte (Gyimesi et al. 2013) vertoonden grote en kleine meeuwen nauwelijks uitwijking en vlogen ze veelal door het windpark heen. In voorliggende rapportage is de 18% overgenomen die empirisch door Krijgsveld et al. (2011) voor meeuwen in een uitgebreide meerjarige studie naar het effect van de windturbines op zee op (o.a.) vogels is vastgesteld (Tabel 10.1). Aandeel vogels op rotorhoogte In een berekening met het Flux-Collision Model wordt gecorrigeerd voor een mogelijk verschil in het aandeel van de flux op rotorhoogte tussen het referentiewindpark en het te toetsen windpark (Kleyheeg-Hartman et al. 2018). Voor alle soorten is het aandeel vogels op rotorhoogte afgeleid van metingen aan vlieghoogtes gedurende de veldonderzoeken door BEC (zie hoofdstuk 6).
Per beschouwde windturbineafmeting (twee scenario’s nieuwe turbines en bestaand windpark) is berekend welk aandeel van deze in het veld gemeten vlieghoogtes voor deze soorten in het plangebied op rotorhoogte plaats zou vinden (Tabel 10.1).
10.2.3
Resultaten In Tabel 10.2 zijn voor de hiervoor genoemde lokale soorten broedvogels en nietbroedvogels de berekende aantallen slachtoffers per jaar bij de bestaande zes windturbines en de twee geplande windturbines op de Haringvlietdam weergegeven. Dit is aanvullend op de slachtofferberekeningen die in hoofdstuk 8 (Tabel 8.2) zijn gepresenteerd. Voor de zilvermeeuw en kokmeeuw, die jaarrond in relatief grote aantallen over de planlocaties vliegen (zie hoofdstuk 6), wordt (afgerond) in het worst case-scenario bij beide turbines samen voor iedere soort twee respectievelijk vijf slachtoffers per jaar berekend (Tabel 10.2). Voor de kokmeeuw ligt dit aantal buiten het broedseizoen duidelijk lager, omdat deze soort dan ook minder talrijk over het plangebied vliegt. In scenario 2 met een kleiner rotoroppervlak op grotere hoogte zijn de berekende aantallen slachtoffers voor beide soorten de helft of meer lager dan in het worst case-scenario. Voor de kleine mantelmeeuw (broedvogel) en niet-broedvogels grote mantelmeeuw, grote stern en visdief worden in de nieuwe situatie in beide scenario’s hooguit incidenteel slachtoffers voorzien (ruim minder dan één slachtoffer per jaar bij beide geplande turbines samen) (Tabel 10.2). In alle gevallen is de sterfte in het toekomstige windpark (veel) kleiner dan in het huidige windpark.
De berekende sterfte wordt in hoofdstuk 11 beoordeeld in het licht van de staat van instandhouding van de betrokken regionale of landelijke populaties. Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
81
11 Effectbeoordeling vogels soortenbescherming In Hoofdstuk 3 van de Wnb is de bescherming van soorten geregeld. De in Nederland (in het wild) voorkomende vogelsoorten vallen allemaal onder het ‘beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn’. Hiervoor geldt o.a. de verbodsbepaling die in Artikel 3.1 lid 1 is vastgelegd: “Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.” In dit hoofdstuk wordt beoordeeld in hoeverre als gevolg van het gebruik van de twee geplande windturbines op de Haringvlietdam de verbodsbepaling in relatie tot het doden en/of verwonden van vogels overtreden wordt. Wanneer dit het geval is kan een Wnbontheffing voor het gebruik van de twee windturbines nodig zijn. Ter onderbouwing van een Wnb-ontheffingsaanvraag dient dan beoordeeld te worden in hoeverre de overtreding kan leiden tot een effect op de Staat van Instandhouding (hierna: SvI) van de betrokken populatie(s). Wanneer een effect op de GSI niet met zekerheid uitgesloten kan worden, dienen mitigerende of compenserende maatregelen genomen te worden om een Wnbontheffing te kunnen verkrijgen.
11.1
Beoordeling van sterfte door aanvaringen in gebruiksfase Sterfte van vogels als gevolg van aanvaringen met windturbines wordt gezien als het opzettelijk doden van vogels en dus als een overtreding van de verbodsbepaling genoemd in Artikel 3.1 lid 1 van de Wnb (zie hiervoor). Omdat in ieder windpark (hoe klein ook) sprake is van aanvaringsslachtoffers onder vogels dient voor ieder nieuw te bouwen windpark ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van deze verbodsbepaling. Voor de twee geplande windturbines op de Haringvlietdam wordt naast sterfte onder vogelsoorten met IHD’s in Natura 2000-gebieden (aalscholver, scholekster, grote stern en visdief, zie hoofdstuk 8), onder lokale vogels ook meer dan incidentele sterfte voorzien onder een aantal meeuwensoorten (zie hoofdstuk 10 en bijlage V). Tenslotte worden onder vogelsoorten die in zeer grote aantallen passeren tijdens de seizoenstrek (o.a. lijsters, roodborst en spreeuw) gedurende de looptijd van beide windturbines per soort enkele slachtoffers voorzien (zie bijlage V). Voor schaarse soorten, die in kleine aantallen het plangebied op trek passeren, zoals ransuil of kwartel, gaat het om uiterste incidenten. Zodoende zijn voor deze laatstgenoemde soorten op voorhand geen effecten op populatieniveau te verwachten.
De landelijke populaties van alle voornoemde vogelsoorten bestaan uit duizenden tot honderdduizenden individuen of meer, waardoor de SvI niet snel in het geding kan komen. Voor alle betrokken soorten gaat het deze studie om minder dan 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte van de relevantie populatie. Dit is voor alle soorten nader uitgewerkt in bijlage V. Dit betekent dat voor alle soorten geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door de twee windturbines gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
83
een negatief effect op de SvI van de desbetreffende populatie. De beschouwde windturbineafmetingen zijn niet onderscheidend voor dit aspect. Saldering De zes bestaande windturbines veroorzaken naar schatting ongeveer 120 vogelslachtoffers per jaar (alle soorten samen). Dit is ruim meer dan het aantal van 40 slachtoffers per jaar voor de twee toekomstige windturbines. Het verwijderen van de zes oude windturbines vormt onderdeel van het initiatief en er is geen sprake is van een dubbeldraaiperiode. Per soort is dus per saldo met zekerheid geen sprake van een toename van sterfte als gevolg van het initiatief, maar is in de meeste gevallen juist sprake van een duidelijke afname van de sterfte. Effecten op de SvI van vogelpopulaties zijn daarom met zekerheid uit te sluiten. Sterfte in breder perspectief/cumulatie Zoals in voorgaande paragraaf is weergegeven, zorgt het initiatief - waarin het verwijderen van zes oude windturbines is opgenomen - voor een vermindering van het totaal aantal vogelslachtoffers. Het is daarom niet zinvol om in breder perspectief naar de sterfte te kijken om te bepalen hoe de sterfte van vogels bij de twee nieuwe windturbines in samenhang met geplande windparken in de omgeving zich verhouden tot de 1%-mortaliteitsnorm. Het is namelijk uit te sluiten dat de geplande windturbines na saldering een bijdrage leveren aan een (negatief) cumulatief effect.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
84
12 Effecten op vleermuizen De volgende effecten op vleermuizen kunnen in theorie optreden: - Aantasting van verblijfplaatsen in gebouwen of bomen in de aanlegfase (inclusief doorsnijding van vliegroutes en vernietiging essentieel foerageergebied); - Verstoring van verblijfplaatsen in de aanlegfase; - Sterfte in de gebruiksfase. In een separate natuurtoets wordt door idverde Advies nader beschreven of sprake is van effecten op vleermuizen tijdens de bouw van het windpark, zoals hiervoor genoemde verstoring van verblijfplaatsen, en worden deze effecten beoordeeld. Voorliggend hoofdstuk beperkt zich tot sterfte in de gebruiksfase.
12.1
Sterfte door aanvaringen
12.1.1
Risicosoorten De aanwezigheid van windturbines op plaatsen waar vleermuizen aanwezig zijn kan leiden tot het doden van vleermuizen als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen. Niet alle vleermuissoorten lopen hierbij evenveel risico. Van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis en laatvlieger is het voorkomen van aanvaringsslachtoffers in windparken bekend (Limpens et al. 2013, UNEP/EUROBATS IWG 2019). Omdat deze soorten in het plangebied zijn waargenomen, is het optreden van aanvaringsslachtoffers bij de geplande windturbines niet op voorhand uit te sluiten. De twee geplande windturbines op de Haringvlietdam komen op korte afstand te staan van de oever van het Haringvliet. Voor dergelijke locaties in de kustzone van Nederland geldt een verhoogd risico op vleermuisslachtoffers. Migrerende vleermuizen komen met name in de kustzone van Nederland voor en volgen daarbij oevers van grote wateren, dijken en dammen. De aantallen geregistreerde vleermuizen in 2020 bevestigen dit beeld ten dele. Er is sprake van een zeer hoge vleermuisactiviteit (op hoogte), maar het zwaartepunt hiervan ligt niet in de migratieperiode maar vooral in de maanden daarvoor. Er zijn weinig slachtofferonderzoeken uitgevoerd op vergelijkbare locaties.
In Windpark Sabinapolder naast het Krammer-Volkerak zijn iets meer dan 10 slachtoffers per turbine per jaar aangetroffen (Boonman et al. 2011). In Windpark Noordoostpolder, met grote moderne windturbines in en direct naast het IJsselmeer, zijn in de periode 2015 - 2020 jaarlijks 4 - 7 slachtoffers per turbine per jaar gevonden (Klop 2021). Een worst case schatting van het aantal slachtoffers voor de twee geplande windturbines op de Haringvlietdam is 15 slachtoffers per turbine per jaar, gebaseerd op de grote hoeveelheid vleermuisactiviteit. De veronderstelling hierbij is dat (op basis van Buijs & Halters 2019 en Halters 2021) wel migratie van vleermuizen plaatsvindt, maar niet in grote mate zoals langs de dijken van de Noordoostpolder of bijvoorbeeld langs de Afsluitdijk. Voor de twee geplande windturbines wordt uitgegaan van maximaal 30 slachtoffers per jaar.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
85
voorkomt. Daarnaast zal de draaisnelheid van de toekomstige turbines lager zijn, hetgeen de kans op slachtoffers verlaagd. De verwachting is daarom (en op basis van eerdergenoemde aannames) dat het aantal slachtoffers wellicht iets hoger zal zijn dan in Windpark Sabinapolder maar niet veel hoger. Dit wordt ondersteund door Hötker et al. (2006), die slechts een zeer zwak effect van repowering op het aantal vleermuisslachtoffers vond, alsook de resultaten van recent meerjarig slachtofferonderzoek in Windpark Noordoostpolder (Klop 2021), waar onder moderne grote windturbines na correctie voor vindkans en predatie 4 - 7 slachtoffers per turbine per jaar werden gevonden. De zes bestaande windturbines op de Haringvlietdam zijn iets kleiner dan de windturbines van Windpark Sabinapolder (rotordiameter 44 m tegenover 52 m in Sabinapolder) terwijl de rotor van beide typen volledig de luchtlaag bestrijkt waar vleermuisactiviteit het meest plaatsvindt. Vanwege dit iets kleinere rotoroppervlak is het deskundigenoordeel dat het aantal slachtoffers onder vleermuizen bij de bestaande zes windturbines per turbine iets kleiner zal zijn dan in Windpark Sabinapolder. Uitgaande van ongeveer acht slachtoffers per windturbine per jaar, worden ongeveer 50 vleermuizen (alle soorten samen) jaarlijks slachtoffer bij de zes bestaande windturbines.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
87
13 Effectbeoordeling vleermuizen In Hoofdstuk 3 van de Wnb is de bescherming van soorten geregeld. De in Nederland (in het wild) voorkomende vleermuissoorten vallen allemaal onder het ‘beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn’ dat is beschreven in § 3.2 van de Wnb. Hiervoor geldt o.a. de verbodsbepaling die in Artikel 3.5 lid 1 is vastgelegd: “Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.” In dit hoofdstuk wordt beoordeeld in hoeverre als gevolg van het gebruik van de twee geplande windturbines op de Haringvlietdam bovenstaande verbodsbepaling in relatie tot vleermuizen overtreden wordt. Wanneer dit het geval is kan een Wnb-ontheffing voor het gebruik van de twee windturbines nodig zijn. Ter onderbouwing van een Wnb-ontheffingsaanvraag dient dan beoordeeld te worden in hoeverre de overtreding kan leiden tot een effect op de Staat van Instandhouding (SvI) van de betrokken populatie(s). Wanneer een effect op de SvI niet met zekerheid uitgesloten kan worden, dienen mitigerende of compenserende maatregelen genomen te worden om een Wnb-ontheffing te kunnen verkrijgen.
13.1
Beoordeling van sterfte door aanvaringen in gebruiksfase Effecten op vleermuizen beperken zich tot aanvaringsslachtoffers in de gebruiksfase (zie hoofdstuk 12). Sterfte zonder saldering De geplande windturbines leiden in gebruiksfase tot een verwachte sterfte van maximaal 30 vleermuizen per jaar in het gehele windpark. Het gaat om circa 20 rosse vleermuizen, zeven gewone dwergvleermuizen en drie ruige dwergvleermuizen. Het effect van sterfte van tweekleurige vleermuis en laatvlieger is in deze paragraaf niet meegenomen omdat dit niet jaarlijks optreedt maar slechts incidenteel binnen de gehele exploitatieperiode. Gewone dwergvleermuis Tabel 13.1 laat zien dat de additionele maximale sterfte van zeven exemplaren per jaar voor beide geplande windturbines op de Haringvlietdam onder de 1%-mortaliteitsnorm blijft. Een effect van het windpark op de SvI van de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis is uitgesloten. Effecten op regionale en landelijke populatie zijn daarmee ook uitgesloten.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
88
Tabel 13.1
Beoordeling van de bijdrage van extra sterfte van het Windpark Haringvlietdam aan de totale sterfte van de gewone dwergvleermuis in een catchment area met straal van 30 km en een gemiddelde dichtheid van 12 vleermuizen / km2 (zie bijlage III). Bij de berekening van de catchment area zijn grote oppervlaktewateren (Haringvliet Noordzee) binnen de straal van 30 km buiten beschouwing gelaten.
Catchment area (km2)
961
Aanta gewone dwergv eermu zen
11.537
Jaar jkse sterfte 20%
2.307
1% morta te tsnorm
23
Max ma e sterfte n w ndpark
7
Ruige dwergvleermuis Tabel 13.2 laat zien dat de additionele maximale sterfte van vier exemplaren per jaar voor beide geplande windturbines op de Haringvlietdam onder de 1%-mortaliteitsnorm blijft. Een effect van het windpark op de SvI van de lokale populatie van de ruige dwergvleermuis is uitgesloten. Effecten op regionale en landelijke populatie zijn daarmee ook uitgesloten. Tabel 13.2