(bijlage 12) Bijlage 10 - Effecten op vogels en vleermuizen - Beoordeling Wnb (1)
Tekst van het document
Beoordeling van de bijdrage van extra sterfte van het Windpark Haringvlietdam aan de totale sterfte van de ruige dwergvleermuis in een catchment area met straal van 30 km en een gemiddelde dichtheid van drie vleermuizen / km2 (zie bijlage III). Bij de berekening van de catchment area zijn grote oppervlaktewateren (Haringvliet Noordzee) binnen de straal van 30 km buiten beschouwing gelaten.
Catchment area (km2) Aanta ru ge dwergv eermu zen
961 2.884
Jaar jkse sterfte 33%
952
1% morta te tsnorm
10
Max ma e sterfte n w ndpark
3
Rosse vleermuis Tabel 13.3 laat zien dat de additionele maximale sterfte van 20 exemplaren per jaar voor beide geplande windturbines op de Haringvlietdam ver boven de 1%-mortaliteitsnorm ligt. Niet alle slachtoffers kunnen worden toegeschreven aan de lokale populatie. Volgens Lehnert et al. (2014) is 28% van de slachtoffers afkomstig uit Oost-Europa. Dit percentage zal voor de Haringvlietdam niet hoger zijn, omdat het zwaartepunt van de activiteit niet gedurende de migratieperiode plaatsvond. Wanneer we hiermee rekening houden dan is de sterfte (n= 14) die is toe te schrijven aan de lokale populatie nog altijd ver boven de 1% norm. Een effect van het windpark op de SvI van de lokale populatie van de rosse vleermuis is daarom niet op voorhand uit te sluiten.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
89
Tabel 13.3
Beoordeling van de bijdrage van extra sterfte van het Windpark Haringvlietdam aan de totale sterfte van de rosse vleermuis in een catchment area met straal van 30 km en een gemiddelde dichtheid van 0 12 vleermuizen / km2 (zie bijlage III). Bij de berekening van de catchment area zijn grote oppervlaktewateren (Haringvliet Noordzee) binnen de straal van 30 km buiten beschouwing gelaten.
Catchment area (km2)
961
Aanta rosse v eermu zen
115
Jaar jkse sterfte 44%
51
1% morta te tsnorm
1
Max ma e sterfte n w ndpark
20
Sterfte met saldering De zes bestaande windturbines veroorzaken naar verwachting ongeveer 50 vleermuisslachtoffers per jaar. Dit is meer dan het maximale aantal slachtoffers voor de twee toekomstige windturbines (n= 30). Aangezien het verwijderen van de zes oude windturbines onderdeel vormt van het initiatief en geen sprake is van een dubbeldraaiperiode, zijn effecten op vleermuispopulaties uit te sluiten. Sterfte in breder perspectief/cumulatie Zoals in voorgaande paragraaf is weergegeven, zorgt het initiatief - waarin het verwijderen van zes oude windturbines is opgenomen - voor een vermindering van het totaal aantal vleermuisslachtoffers. Het is daarom niet zinvol om in breder perspectief naar de sterfte te kijken om te bepalen hoe de sterfte van vleermuizen van het geplande windpark in samenhang met geplande windparken in de omgeving zich verhouden tot de 1%-mortaliteitsnorm. Het is namelijk uit te sluiten dat het geplande windpark een bijdrage kan leveren aan een (negatief) cumulatief effect.
13.2
Stilstandvoorziening Als men het wenselijk acht het aantal vleermuisslachtoffers te reduceren dan vormen de resultaten van Buijs (2021) daarvoor de beste aanknopingspunten. Vleermuisactiviteit op de Haringvlietdam is op hoogte aanwezig: - Tussen zonsondergang en zonsopkomst; - Tussen 1 mei en 1 oktober; - Bij temperaturen boven de 10 graden Celsius; - Bij windsnelheden beneden de 6 m/s. Alleen als al deze omstandigheden zich voordoen dient de draaisnelheid van de rotor beperkt te worden tot maximaal 1 rpm. Met een dergelijke stilstandsvoorziening zijn de aantallen slachtoffers met circa 80% te reduceren (zie bijlage III). Wanneer de windturbines gebouwd zijn, kunnen metingen van de vleermuisactiviteit uitgevoerd worden in het rotorbereik. Aan de hand van die akoestische metingen kan de stilstandvoorziening verder verbeterd worden. Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
90
13.3
Slotoverweging Het (opzettelijk) doden van vleermuizen is verboden, met inbegrip van voorwaardelijke opzet. Het per ongeluk doden van vleermuizen (bijvoorbeeld door windturbines) wordt beschouwd als een overtreding waarvoor ontheffing vereist is. Bij het hanteren van deze maat kan in onderhavige studie sprake zijn van overtreding van Wnb ten aanzien van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis waarvoor een ontheffing nodig is. Hierbij is uitgesloten dat de SvI van de lokale populaties in het geding komt wanneer het verwijderen van de zes bestaande windturbines wordt meegerekend (saldering). Zonder saldering is de maximale sterfte bij de rosse vleermuis (lokale populatie) aanmerkelijk hoger dan de 1%-mortaliteitsnorm. De sterfte zou met ongeveer 93% verlaagd moeten worden om onder de norm te komen. Een stilstandvoorziening zou een groot deel van het actieve seizoen tot relatief hoge windsnelheid operationeel moeten zijn om zo’n hoog percentage te kunnen realiseren. De soort kwam overigens vroeger niet voor op Voorne en heeft zich tenminste tien jaar geleden gevestigd (Mostert 2012). Er heeft zich dus een populatie ontwikkeld ondanks de aanwezigheid van tal van windturbines binnen de actieradius van de soort op de Maasvlakte, in het Rotterdamse havengebied en de bestaande windturbines op de Haringvlietdam.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
91
14 Conclusies 14.1
Natura 2000-gebieden (Wnb Hoofdstuk 2) (Significant) negatieve effecten als gevolg van sterfte door aanvaringen op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (IHD’s) van alle broedvogel- en niet-broedvogelsoorten van Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn uitgesloten (zie hoofdstuk 9). De beschouwde windturbineafmetingen zijn niet onderscheidend voor dit aspect.
14.2
Beschermde soorten (Wnb Hoofdstuk 3)
14.2.1
Sterfte van vogels Het gebruik van de twee geplande windturbines op de Haringvlietdam kan leiden tot een voorzienbare sterfte van 15 lokale vogelsoorten die binding hebben met het plangebied en 123 vogelsoorten op seizoenstrek (zie bijlage V). In totaal gaat het naar schatting op jaarbasis om maximaal 40 aanvaringsslachtoffers bij beide windturbines samen (ter vergelijking; bij de zes bestaande windturbines op de Haringvlietdam gaat het op jaarbasis naar schatting om 120 slachtoffers). De beschouwde windturbineafmetingen zijn niet onderscheidend voor dit aspect. In bijlage V is een overzicht gegeven van de lijst van de betrokken vogelsoorten waarvoor sterfte bij beide windturbines gedurende de looptijd voorzienbaar is en wordt beschreven hoe deze lijst tot stand is gekomen. In bijlage V wordt tevens onderbouwd dat de voorzienbare sterfte voor geen van de betrokken soorten een effect kan hebben op de staat van instandhouding, temeer omdat het effect van het verwijderen van de zes bestaande windturbines ruimschoots compenseert voor het effect van de twee nieuwe turbines (saldering) en geen sprake is van een dubbeldraaiperiode.
14.2.2
Sterfte van vleermuizen De zes bestaande windturbines veroorzaken jaarlijks ongeveer 50 vleermuisslachtoffers. De geplande twee nieuwe windturbines leiden in de gebruiksfase tot een lagere verwachte sterfte van maximaal 30 vleermuizen per jaar bij beide turbines samen. Het gaat op jaarbasis om ongeveer 20 rosse vleermuizen, acht gewone dwergvleermuizen en drie ruige dwergvleermuizen en incidenteel om tweekleurige vleermuis en laatvlieger (hooguit enkele exemplaren per soort gedurende de looptijd van het windpark). De beschouwde windturbineafmetingen zijn niet onderscheidend voor dit aspect. Het is uitgesloten dat de staat van instandhouding van de lokale populaties in het geding komt, omdat het effect van het verwijderen van de zes bestaande windturbines ruimschoots compenseert voor het effect van de twee nieuwe turbines (saldering) en geen sprake is van een dubbeldraaiperiode.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
92
Literatuur A erstam, T., 1990. B rd m grat on. Cambr dge Un vers ty Press, Londen. Arts, F.A., M.S.J. Hoekste n, S.J. L pa y, K.D. van Straa en, M. S u jter, P. A. Wo f, 2019a. Kustbroedvoge s n het De tageb ed n 2018. R jkswaterstaat, Centra e nformat evoorz en ng Rapport BM 19.07. De tam eu Projecten Rapportnr. 2019-05, V ss ngen. Arts, F.A., S.J. L pa y, M.S.J. Hoekste n, K.D. van Straa en, M. S u jter & P. A. Wo f, 2019b. Watervoge s en zeezoogd eren n de Zoute De ta 2017/2018. R jkswaterstaat, Centra e nformat evoorz en ng Rapport BM 19.08. De tam eu Projecten Rapportnr. 2019-04. De tam eu Projecten, V ss ngen. Arts, F.A., S.J. L pa y, M.S.J. Hoekste n, K.D. van Straa en, M. S u jter, P. A. Wo f, 2018. Watervoge s en zeezoogd eren n de Zoute De ta n 2016/2017. RWS, Centra e nformat evoorz en ng BM 18.13. De ta ProjectManagement Rapportnr. 18-003. DPM, V ss ngen. Arts, F.A., S. L pa y & R.C.W. Strucker, 2016. Watervoge s en zeezoogd eren n de Zoute De ta 2014/2015. RWS Centra e nformat evoorz en ng BM 16.09. De ta Project Management, Cu emborg / V ss ngen. Arts, F.A., S. L pa y & R.C.W. Strucker, 2015. Watervoge s en zeezoogd eren n de Zoute De ta 2013/2014. RWS Centra e nformat evoorz en ng BM 15.08. De ta Project Management, Cu emborg / V ss ngen. Arts, F.A., S. L pa y & R.C.W. Strucker, 2014. Watervoge s en zeezoogd eren n de Zoute De ta 2012/2013.
RWS Centra e nformat evoorz en ng BM 14.11. De ta Project Management, Cu emborg / V ss ngen. Band, W., 2012. Us ng a co s on r sk mode to assess b rd co s on r sks for offshore w ndfarms. SOSS, The Crown Estate, London, UK. www.bto.org/sc ence/wet and-andmar ne/soss/pro ects. Bapt st, H., 2005. Voge s achtofferonderzoek Roggenp aat, rapportage 2004-2005. Rapport 2005/3. Eco og sch Adv esbureau Henk Bapt st, Kru s and. Barataud, M., 2015. Acoust c eco ogy of European bats. Spec es Ident f cat on and Stud es of The r Hab tats and Forag ng Behav our. B otope Ed t ons, Mèze; Nat ona Museum of Natura H story, Par s (co ect on Inventa res et b od vers té), 340 p. Beuker, D. & R. Lens nk, 2010. Mon tor ng w ndpark w ndturb nes Echte d. Onderzoek naar aanvar ngss achtoffers onder oka e en trekkende voge s. Rapport 10-033. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Boe e, A., J. van Bruggen, F. Hust ngs, A. van K eunen, K. Koff jberg, J.W. Vergeer & T. van der Me j, 2021. Broedvoge s n Neder and n 2019. Sovon-rapport 2021/02. Sovon voge onderzoek Neder and, N jmegen. Boonman, M., D. Beuker, M. Jap nk, K.D. van Straa en, M. Van der Va k & R.G. Verbeek, 2011. V eermu zen b j w ndpark Sab napo der n 2010. Rapport 10-247, Bureau Waardenburg, Cu emborg. Brenn nkme jer, A. & C. van der Weyde, 2011. Mon tor ng voge aanvar ngen W ndpark De fz j -Zu d 2006-2011. A&W-rapport 1656.
A tenburg & Wymenga eco og sch onderzoek, Feanwâ den. B j sma, R., 1996. Eco og sche At as van de Neder andse Roofvoge s. V erde, verbeterde druk. Schuyt & Co, Haar em. Bu js, R.J., 2019. Rapportage voge te ngen w ndenerg ezoekgeb ed Har ngv etdam. Rapport b j projectnummer 190930. Bu js Eco Consu t bv, Hoogerhe de.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
93
Bu js, R.J. & S.M.J.P Ha ters, 2019. Rapportage v eermu sonderzoek w ndenerg ezoekgeb ed Har ngv etdam. Rapport b j projectnummer 190927. Bu js Eco Consu t bv, Hoogerhe de. D rksen, S., A.L. Spaans & J. Van der W nden, 2007. Co s on r sks for d v ng ducks at sem -offshore w nd farms n freshwater akes: A case study. In: M. de Lucas,G.F.E. Janss &M. Ferrer (eds). B rds and w nd farms. R sk Assessment and M t gat on. B z. 275. Quercus. Madr d, Spa n. D rksen, S., T.J. Boudew jn & L.K. S ager, 1989. Voedse keus van aa scho vers n zeven Neder andse broedko on es n 1987/1988. Eco and-rapport 89-9. Bureau Eco and, Utrecht. Drachmann, J., S. Waagner, & H. Haan ng N e sen, 2020. K m V ndmø epark - Mon ter ng af fug eko s oner år 1 og år 3 (2016/2017 og 2018/2019). https://group.vattenfa .com/pressand-med a/newsroom/2020/b rds-are-good-at-avo d ng-w nd-turb ne-b ades. Everaert, J., 2014. Co s on r sk and m cro-avo dance rates of b rds w th w nd turb nes n F anders. B rd Study 61(2): 220-230. Everaert, J., 2008. Effecten van w ndturb nes op de fauna n V aanderen. Onderzoeksresu taten, d scuss e en aanbeve ngen. Rapport INBO.R.2008.44. Inst tuut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brusse . Fern ey, J., S. Lowther & P. Wh tf e d, 2006. A rev ew of goose co s ons at operat ng w nd farms and est mat on of the goose avo dance rate. Report, Natura Research L m., West Coast Energy, Hyder Consu t ng.
F jn, R.C., J.W. de Jong, J. Adema, P.W. van Horssen, M.J.M. Poot, S. van R jn, M.R. van Eerden & T.J. Boudew jn, 2021. GPS-track ng of Great Cormorants Phalacrocorax carbo sinensis revea s sex- spec f c d fferences n forag ng behav our and harder work for fema es at sea than n and. Geaccepteerd voor pub cat e, Ardea. F jn, R.C., J. de Jong, W. Courtens, H. Verstraete, E.W.M. St enen & M.J.M. Poot, 2017. GPStrack ng and co ony observat ons revea var at on n offshore hab tat use and forag ng eco ogy of breed ng Sandw ch Terns. Journa of Sea Research 127:203-211. F jn, R.C., S.H.M. van R jn, M.J.M. Poot, M.R. van Eerden, P.W. Van Horssen & T.J. Boudew jn, 2014. Verspre d ng & aanta en, broedeco og e, foerageer-eco og e en geb edsgebru k van aa scho vers u t het Breede Water. Onderzoek op bas s van te ngen, braakba ana yse en het gebru k van GPS- oggers. Rapport 13-254. Bureau Waardenburg, Cu emborg. F jn, R.C., K.L. Kr jgsve d, W. T jsen, H.A.M. Pr nsen & S. D rksen, 2012. Hab tat use, d sturbance and co s on r sks for Bew ck s Swans Cygnus columbianus w nter ng near a w nd farm n the Nether ands. W dfow 62: 97-116. F jn, R.C., K.L. Kr jgsve d, H.A.M. Pr nsen, W. T jsen & S. D rksen, 2007. Effecten op zwanen en ganzen van het ECN w ndturb nes testpark n de W er ngermeer. Aanvar ngsr s co s en verstor ng van foeragerende voge s. Rapport 07-094. Bureau Waardenburg, Cu emborg.
Gy mes , A., J.C. Hartman, D. Beuker, L.S.A. Anema & H.A.M. Pr nsen, 2013. V egbeweg ngen van ko on evoge s b j (toekomst ge) w ndparken op de Eerste en Tweede Maasv akte. Ve donderzoek naar f ux, v eghoogtes en aanvar ngss achtoffers. Rapport 12-194. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Gerr tsen, G.J., 2017. De beteken s van Over jsse voor overw nterende wu pen. Voge s n Over jsse : 33-43. Grünkorn, T. & G. Neh s, 2017. D stances between breed ng s tes and Wh te-ta ed Sea Eag es found dead near w nd turb nes n Sch esw g-Ho ste n. In: Hötker et a . 2017. B rds of prey and w nd farms: ana ys s of prob ems and poss b e so ut ons. Spr nger Internat ona Pub sh ng AG, Cham, Sw tzer and. Grünkorn, T., J. B ew, T. Coppack & O. Krüger, G. Neh s, A. Pot ek, M. Re chenbach, J. von Rönn, H. T mmermann & S. We tekamp, 2016. Erm tt ung der Ko s onsraten von (Gre f-)Vöge n und Schaffung p anungsbezogener Grund agen für d e Prognose und Bewertung des Ko -
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
94
s onsr s kos durch W ndenerg ean agen (PROGRESS). Energ eforschungsprogrammes der Bundesreg erung geförderten Verbundvorhaben PROGRESS. Ha ters, S.M.J.P., 2021. Rapportage v eermu sonderzoek op rotorhoogte Har ngv etdam. Rapport b j projectnummer 210222. Bu js Eco Consu t bv, Hoogerhe de. He j gers, W., 2014. Voortoets, cumu at etoets en passende beoorde ng. Een weg vo va ku en. Toets 14(1): 6-10. Hoekste n, M.S.J., Arts, F.A., S.J. L pa y, K.D. van Straa en, M. S u jter & P. A. Wo f, 2020. Watervoge s en zeezoogd eren n de Zoute De ta 2018/2019. R jkswaterstaat, Centra e nformat evoorz en ng Rapport BM 20.03. De tam eu Projecten Rapportnr. 2020-03. De tam eu Projecten, V ss ngen. Hötker, H., K.-M. Thomsen & H. Köster, 2006. Impacts on b od vers ty of exp o tat on of renewab e energy sources: the examp e of b rds and bats. Facts, gaps n know edge, demands for further research, and orn tho og ca gu de nes for the deve opment of renewab e energy exp o tat on. M chae -Otto-Inst tut m NABU, Bergenhusen. K eyheeg-Hartman, J.C. & A. Pot ek, 2020a. Se zoenstrek van voge s over de bu tencontour van de Tweede Maasv akte. Radaronderzoek n najaar 2019. Rapport 20-059. Bureau Waardenburg, Cu emborg. K eyheeg-Hartman, J.C. & A. Pot ek, 2020b. Ana yse nachte jke voge trek met behu p van 3Dvoge radar: Showcase Eemshaven. Resu taten najaar 2018 en voorjaar 2019. Rapport 19176.
Bureau Waardenburg, Cu emborg. K eyheeg-Hartman, J.C., K.L. Kr jgsve d, M.P. Co er, M.J.M. Poot, A.R. Boon, T.A. Troost & S. D rksen, 2018. Pred ct ng b rd co s ons w th w nd turb nes: Compar son of the new emp r ca F ux Co s on Mode w th the SOSS Band mode . Eco og ca Mode ng 387: 144-153. K op, E., 2021. Eco og sche mon tor ng W ndpark Noordoostpo der. E ndrapportage 2015-2020. A&W-rapport 2343-21, A tenburg & Wymenga eco og sch onderzoek. Feanwâ den. K op, E. & A. Brenn nkme jer, 2020. Aanvar ngss achtoffers W ndpark Eemshaven najaar 2018 & voorjaar 2019. A&W-rapport 3189. A tenburg & Wymenga eco og sch onderzoek, Feanwâ den. K op, E. & A. Brenn nkme jer, 2014. Mon tor ng aanvar ngss achtoffers W ndpark Eemshaven 20092014. E ndrapportage v jf jaar mon tor ng. A&W-rapport 1975. A tenburg & Wymenga eco og sch onderzoek, Feanwâ den. Kr jgsve d, K.L. & D. Beuker, 2009. Voge s achtoffers b j w ndpark Anna Vosd jk op Tho en. Onderzoek naar aanvar ngen onder trekkende ste t opers en overw nterende sm enten. Rapport 09-072. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Kr jgsve d, K.L., R.C. F jn, M. Jap nk, P.W. van Horssen, C. Heunks, M.P. Co er, M.J.M. Poot, D. Beuker & S. D rksen, 2011. Effect Stud es Offshore W nd Farm Egmond aan Zee. F na report on f uxes, f ght a t tudes and behav our of f y ng b rds. Rapport 10-219. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Kr jgsve d, K.L., K. Akershoek, F.
Schenk, F. D jk, H. Schekkerman & S. D rksen, 2009. Co s on r sk of b rds w th modern arge w nd turb nes: reduced r sk compared to sma er turb nes. Ardea 97(3): 357-366. Langgemach, T. & T. Dürr, 2021. Informat onen über E nf üsse der W ndenerg enutzung auf Vöge , Stand 10. Ma 2021. https:// fu.brandenburg.de/s xcms/med a.php/9/Dokumentat on-Voege W ndkraft.pdf Lehnert, L.S., S. Kramer-Schadt, S. Schönborn, O. L ndecke, I. N ermann & C.C. Vo gt, 2014. W nd farm fac t es n Germany k Noctu e Bats from near and far. PLoS One 9(8): e103106.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
95
Lens nk, R. & P.W. van Horssen, 2012. Een matr xmode om effecten op een popu at e te voorspe en van s achtoffers door w ndturb nes. Rapport 11-198. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Lens nk, R., H. van Gasteren, F. Hust ngs, L.S. Buurma, G. van Du n, L. L nnartz, F. Voge zang & C. W tkamp, 2002. Voge trek over Neder and 1976-1993. Schuyt & Co, Haar em. L pa y S.J., F.A. Arts, M.S.J. Hoekste n, K.D. van Straa en, M. S u jter, P. A. Wo f, 2020. Kustbroedvoge s n het De tageb ed n 2019. R jkswaterstaat, Centra e nformat evoorz en ng Rapport BM 20.04. De tam eu Projecten Rapportnr. 2020-04, V ss ngen. L mpens, H.J.G.A., M. Boonman, F. Korner-N everge t, E.A. Jansen, M. van der Va k, M.J.J. La Haye, S. D rksen & S.J. Vreugdenh , 2013. W nd turb nes and bats n the Nether ands - Measur ng and pred ct ng. Rapport 2013.12, Zoogd erveren g ng & Bureau Waardenburg. M n ster e van Infrastructuur & M eu, 2016. Beheerp an Natura 2000 Voorde ta 2015-2021 M n ster e van Infrastructuur & M eu, Den Haag. Mostert, K., 2012. N euwe vest g ng van rosse v eermu zen op Voorne. https://www.zoogd erveren g ng.n /n euws/2012/n euwe-vest g ng-van-rosse-v eermu zen-opvoorne Musters, C.J.M., M.A.W. Noorderv et & W.J.T. Keurs, 1996. B rd casua t es caused by a w nd energy project n an estuary. B rd Study 43: 124-126. P onczk er, P. & I.C. S mms, 2012.
Radar mon tor ng of m grat ng p nk-footed geese: behav oura responses to offshore w nd farm deve opment. Journa of App ed Eco ogy 49: 1187–1194. Poot, M.J.M., I. Tu p, L.M.J. van den Bergh, H. Schekkerman & J. Van der W nden, 2001. Effect van m st-s tuat es op voge v eggedrag b j het w ndpark Eemmeerd jk. Z jn er aanw jz ngen voor verhoogde aanvar ngsr s co's? Rapport 01-072. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Pot ek, A., M.P. Co er, H. Schekkerman & R.C. F jn, 2019. Effects of turb ne co s on morta ty on popu at on dynam cs of 13 b rd spec es. Rapport 18-342. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Prov nc e Zu d-Ho and & M n ster e van Infrastructuur & M eu, 2016. Beheerp an b jzondere natuurwaarden Voornes Du n. Prov nc e Zu d-Ho and, Den Haag/M n ster e van Infrastructuur & M eu, Den Haag. Radstake, Y.N., R.E. van der V et & H.A.M. Pr nsen, 2017. Natuurtoets W ndpark Kron ngsw nd. Toets ng n het kader van de Wet natuurbescherm ng en Natuurnetwerk Neder and. Rapport 17-128. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Roemer C., T. D sca, A. Cou on & Y. Bas, 2017. Bat f ght he ght mon tored from w nd masts pred cts morta ty r sk at w nd farms. B o . Conserv. 215: 116-122. Van R jn, S., A. van den Berg, P. de Boer. J. Dekker, S. Deuzeman, R. K eefstra & D. van Straa en, 2021. Broedende Zeearenden n Neder and n 2020. Takke ng 29: 54-60. Schaut, C., K. Aper & C. Derde, 2008.
Aanvar ng van voge s met MW-w ndturb nes n de haven van Antwerpen. Rapport 2008-CS1. Fortech Stud e bvba, Vrasene. Sovon Voge onderzoek Neder and, 2018. Voge at as van Neder and. Broedvoge s, w ntervoge s en 40 jaar verander ngen. Kosmos U tgevers, Utrecht/Antwerpen. Spaans, A.L. & L.M.J. van den Bergh, 2001. De moge jke h nder van een w ndparkopste ng angs de S ufterdam, D str dam en S ag Dobbe steen op de Maasv akte, gemeente Rotterdam, voor voge s, met toets ng van de effecten aan de bescherm ngsmaatrege en van de EGhab tatr cht jn. A terra, afde ng eco og e en m eu, Wagen ngen. Thaxter, C.B., B. Lasce es, K. Sugar, A.S.C.P. Cook, S. Roos, M. Bo ton, R.H.W. Langston & N.H.K. Burton, 2012. Seab rd forag ng ranges as a pre m nary too for dent fy ng cand date Mar ne Protected Areas. B o og ca Conservat on 156: 53-61
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
96
Tu p, I., H. Schekkerman, J.K. Larsen, J. Van der W nden, R.J.W. van de Haterd, P.W. van Horssen, S. D rksen & A.L. Spaans, 1999. Nocturna f ght act v ty of sea ducks near the w nd park Tunø Knob n the Kattegat. Rapport 99.64. Bureau Waardenburg, Cu emborg. UNEP/EUROBATS IWG on w nd turb nes and bat popu at ons. Report of the IWG to the 24th Meet ng of the Adv sory Comm ttee, Skopje, North Macedon a, 1−3 Apr .; EUROBATS: Skopje, 2019; p 38. Verbeek, R.G., D. Beuker, J.C. Hartman & K.L. Kr jgsve d, 2012. Mon tor ng voge s W ndpark Sab napo der. Onderzoek naar aanvar ngss achtoffers. Rapport 11-189. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Van der V et, R., W. He j gers & J. T borghs, 2011. Max ma e foerageerafstanden: op een r j gezet voor 97 beschermde voge soorten. Toets 2011/4. Werkgroep Zeearend Neder and, 2021. Terre ngebru k, d spers e en sterfte van jonge Zeearenden u t Neder and. Voortgangsrapport 2020. W nke man, J.E., 1989. Voge s en het w ndpark nab j Urk (NOP): aanvar ngss achtoffers en verstor ng van p e sterende eenden ganzen en zwanen. RIN-rapport 89/15. RIN, Arnhem. W nke man, J.E., 1992. De nv oed van de Sep-proefw ndcentra e te Oosterb erum (Fr.) op voge s. 1. Aanvar ngss achtoffers. RIN-rapport 92/2. IBN-DLO, Arnhem.
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
97
Bijlage II Windturbines en vogels Onderzoek naar effecten van windturbines op vogels heeft drie verschillende typen effecten laten zien, namelijk aanvaringen van vliegende vogels, habitatverlies of verstoring van broedende, foeragerende of rustende vogels en barrièrewerking voor vliegende vogels. Aanvaringen Vogels kunnen door aanvaringen met de rotorbladen en mast of door lucht-wervelingen in het zog achter de windturbine gewond raken of sterven. Het aantal aanvaringen is afhankelijk van de intensiteit van vliegbewegingen en het aanvaringsrisico. Vliegintensiteit Het aantal slachtoffers wordt in belangrijke mate bepaald door de vliegintensiteit van vogels op rotorhoogte (Desholm et al. 2006). Variatie in deze vliegintensiteit wordt veroorzaakt door het aantal vogels dat in het gebied voorkomt of doorkruist, de soortensamenstelling van deze vogels, hun vlieggedrag en vlieghoogte en mate van uitwijking (Hötker et al. 2006; Gove et al. 2013; Grünkorn et al. 2016). Het aantal slachtoffers varieert daarmee sterk per locatie. Zo vallen in en nabij vogelrijke gebieden, zoals wetlands en nabij broedkolonies, significant meer slachtoffers dan in en nabij minder vogelrijke gebieden (Hötker et al. 2006; Everaert 2014; Grünkorn et al. 2016).
Een deel van het aantal aanvaringsslachtoffers wordt gevormd door vogels op de jaarlijkse seizoenstrek in voorjaar en najaar, doordat dan sprake is van de verplaatsing van tientallen miljoenen individuen en dus een hoge vliegintensiteit (Erickson et al. 2014). Afhankelijk van de weersomstandigheden, zullen de meeste vogels op seizoenstrek een windpark op grote hoogte passeren, maar tijdens tegenwind vliegt een deel hiervan ook op rotorhoogte. Hierdoor kan het percentage ‘s nachts trekkende zangvogels onder aanvaringsslachtoffers variëren van nihil (Grünkorn et al. 2016), tot 9% op een Duits eiland in de Oostzee (Welcker et al. 2016), 13% in de Eemshaven (Klop & Brenninkmeijer 2014) en 29% in de Wieringermeer (Krijgsveld et al. 2009). Deze onderzoeken suggereren dat ’s nachts langstrekkende vogelsoorten niet per sé een groter aanvaringsrisico hebben dan overdag actieve vogelsoorten. Een groot deel van de lokale vogels vliegt laag, vaak zelfs onder rotorhoogte, maar bepaalde soortgroepen, zoals roofvogels, meeuwen, duiven en zwaluwen vliegen regelmatig op rotorhoogte en worden ook vaker slachtoffer (Grünkorn et al. 2016).
Kiekendieven vormen een uitzondering onder de roofvogels omdat ze maar een beperkt deel van de tijd op rotorhoogte vliegen en daarom van alle soorten roofvogels het minst vaak aanvaringsslachtoffer van windturbines worden (Whitfield & Madders 2006; Hötker et al. 2013; Oliver 2013). Het verschil in het aantal aanvaringsslachtoffers tussen soorten wordt voor een groot deel ook bepaald door de mate van uitwijking voor windturbines. Ganzen en kraanvogels mijden zowel het hele windpark (macro-uitwijking) als individuele turbines (micro-uitwijking: Fijn et al. 2012; Grünkorn et al. 2016). Ook steltlopers, waaronder de soorten kievit en wulp, worden relatief weinig als aanvarings-slachtoffer gevonden, waarschijnlijk vanwege hun sterke uitwijkgedrag (Hötker et al. 2006; Winkelman et al. 2008). Daarentegen houden
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
99
bijvoorbeeld roofvogels en meeuwen, en soorten zoals wilde eend, houtduif, veldleeuwerik en spreeuw, zich meer op in en nabij windparken dan andere soorten en worden daardoor ook vaker slachtoffer van een aanvaring met een windturbine (Everaert 2014; Morinha et al. 2014; Grünkorn et al. 2016). Aanvaringsrisico Het aanvaringsrisico is de kans op aanvaring met een windturbine voor een vogel die door een windpark vliegt. Dit aspect is minder goed onderzocht dan het aantal slachtoffers zelf. In het algemeen wordt aangenomen dat het aanvaringsrisico het hoogst is tijdens de nacht en onder slechte zichtomstandigheden (mist, regen). Winkelman (1992) berekende een gemiddeld aanvaringsrisico van 0,02% voor alle vogels (niet soortspecifiek) die overdag en ‘s nachts het windpark passeerden. Voor de soorten die alleen ’s nachts passeerden bedroeg dit gemiddeld 0,17%. Krijgsveld et al. (2009) vonden voor drie windparken in Nederland een gemiddeld aanvaringsrisico voor nachtactieve soorten van 0,14% (niet soort-specifiek). Voor sommige dagactieve soorten, zoals meeuwen-, stern- en enkele roofvogelsoorten, zijn echter ook relatief hoge aanvaringsrisico’s vastgesteld (Everaert et al. 2002; Krijgsveld et al. 2009; Langgemach & Dürr 2015).
Dit komt mogelijk doordat deze soorten overdag al vliegend op zoek gaan naar voedsel, en dan meer op de grond onder hen gefocust zijn dan op de omgeving die voor hen ligt (Martin 2011). Aantal aanvaringen Het aantal aanvaringsslachtoffers per turbine per jaar vertoont veel variatie, zowel binnen een windpark als tussen windparken onderling. In België varieerde het aantal slachtoffers in acht windparken bijvoorbeeld tussen 0 en de 45 vogelslachtoffers per turbine per jaar, met een maximum van 125 en een overall gemiddelde van 21 slachtoffers per turbine per jaar (Everaert 2014). De grote variatie in het aantal slachtoffers per turbine wordt ook geïllustreerd door een recent onderzoek in de Eemshaven, een ‘hot spot’ voor vogels op seizoenstrek en lokale vogels die dagelijks heen en weer vliegen van en naar de Waddenzee. Op deze locatie met 66 onderzochte windturbines varieerden de aantallen slachtoffers per windturbine tussen de 1 en 213 vogels per jaar (Klop & Brenninkmeijer 2014). Voornoemde voorbeelden betroffen windparken in veelal vogelrijke gebieden in de kuststreek met veel vliegbewegingen van watervogels, koloniebroedende vogelsoorten en/of vogelsoorten op seizoenstrek.
In windparken met lagere aantallen vliegbewegingen van vogels, zoals in het binnenland, liggen de gemiddelde aantallen slachtoffers beduidend lager, beneden de 10 vogelslachtoffers per turbine per jaar (Zimmerling et al. 2013; De Lucas & Perrow 2017). Onderzoek bij windparken met windturbines van ≥1,5 MW heeft aangetoond dat de slachtofferaantallen per windturbine vergelijkbaar of kleiner zijn met de aantallen bij kleinere windturbines (Krijgsveld et al. 2009; Smallwood & Karas 2009). Het aantal aanvaringen per windturbine neemt dus niet lineair met het rotoroppervlak toe. Dit impliceert een vermindering van het aantal aanvaringsslachtoffers met een toename van de omvang van windturbines (Smallwood 2013; Everaert 2014). Daarnaast is er geen lineair verband tussen turbinehoogte en het aantal aanvaringen (Barclay et al. 2007; Erickson et al. 2014). Grotere windturbines staan verder uit elkaar en de rotoren draaien op grotere hoogte boven
Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam
100