CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

(bijlage 12) Bijlage 10 - Effecten op vogels en vleermuizen - Beoordeling Wnb (1)

Raadsvergadering 22 juni 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam24.343 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Effecten op vogels en vleermuizen van Windpark Haringvlietdam Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming

Status uitgave: Eindrapport, versie 8 september 2022 Rapportnummer:

21 097

Projectnummer:

21 0114

Datum u tgave:

8 september 2022

Project e der: Tweede ezer: Naam en adres opdrachtgever:

dverde Adv es B.V. W emsp e n 2 4 5211AK 's Hertogenbosch

Referent e opdrachtgever:

Projectnummer 722210131, ondertekende overeenkomst d.d. 24 maart 2021

Akkoord voor u tgave: Team e der Voge eco og e Paraaf:

Graag c teren a s: , 2022. Effecten op voge s en v eermu zen van W ndpark Har ngv etdam. Beoorde ng n het kader van de Wet natuurbescherm ng. Rapport 21.097. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Trefwoorden: aanvar ngss achtoffers, v eermu zen, Natura 2000 geb eden, w ndpark, Wet natuurbescherm ng Bureau Waardenburg bv s n et aansprake jk voor gevo gschade, a smede voor schade we ke voortv oe t u t toepass ngen van de resu taten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Waardenburg bv. Opdrachtgever h erboven aangegeven vr jwaart Bureau Waardenburg bv voor aanspraken van derden n verband met deze toepass ng. © Bureau Waardenburg bv / dVerde Adv es bv D t rapport s vervaard gd op verzoek van opdrachtgever en s z jn e gendom. N ets u t d t rapport mag worden vervee voud gd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokop e, d g ta e kop e of op we ke andere w jze dan ook, zonder voorafgaande schr fte jke toestemm ng van de opdrachtgever h erboven aangegeven en Bureau Waardenburg bv, noch mag het zonder een derge jke toestemm ng worden gebru kt voor en g ander werk dan waarvoor het s vervaard gd. L d van de brancheveren g ng Netwerk Groene Bureaus. Het kwa te tsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg bv s gecert f ceerd door EIK Cert f cer ng overeenkomst g ISO 9001:2015.

Bureau Waardenburg bv hanteert a s a gemene voorwaarden de DNR 2011, tenz j schr fte jk anders wordt overeengekomen.

Bureau Waardenburg, Varkensmarkt 9 4101 CK Cu emborg, 0345 51 27 10, nfo@buwa.n , www.buwa.n

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

2

Voorwoord idverde Advies bv onderzoekt in opdracht van E-Connection de mogelijkheid voor het opschalen van het bestaande Windpark Haringvlietdam waarbij de bestaande zes windturbines worden vervangen door twee moderne windturbines. In het kader van de natuuronderzoeken heeft idverde Advies aan Bureau Waardenburg de opdracht verleend het aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen in het huidige en toekomstige windpark te berekenen en beoordelen in het kader van de natuurwetgeving. Vanuit Bureau Waardenburg is het project uitgevoerd door: Slachtofferberekeningen met FCM, rapportage Digitaliseren gegevens, berekeningen met Band Model Beoordeling effecten op vleermuizen GIS bewerkingen en kaartmateriaal Projectleiding en rapportage Kwaliteitsborging Genoemde personen zijn door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hen uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Bureau Waardenburg. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg is ISO gecertificeerd. Vanuit idverde Advies werd het project begeleid door danken hem voor de prettige samenwerking.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

. Wij

3

Inhoud 1

Voorwoord

3

Inleiding

6

1.1

Aanleiding en doel

6

1.2

Leeswijzer

6

DEEL 1 AFBAKENING VAN HET ONDERZOEK

7

2

Inrichting windpark en plangebied

8

2.1

Inrichting windpark

8

2.2

Plangebied en onderzoeksgebied

9

2.3

Huidige situatie

10

3

4

5

Aanpak toetsing in het kader van natuurwetgeving

11

3.1

Natura 2000-gebieden

11

3.2

Soortenbescherming

12

Beschermde gebieden en afbakening onderzoek

13

4.1

Inleiding

13

4.2

Dagelijkse foerageerafstanden van vogelsoorten

13

Materiaal en methoden

18

5.1

Brongegevens vogels

18

5.2

Brongegevens vleermuizen

20

5.3

Effectbepaling en –beoordeling vogels

21

5.4

Effectbepaling en –beoordeling vleermuizen

23

AANWEZIGE NATUURWAARDEN

25

DEEL 2 6

Vogels in en nabij het plangebied

26

6.1

Aalscholver

26

6.2

Lepelaar

30

6.3

Ganzen

32

6.4

Bergeend

34

6.5

Middelste zaagbek

36

6.6

Overige eenden

37

6.7

Scholekster

39

6.8

Grote mantelmeeuw

41

6.9

Kleine mantelmeeuw

42

6.10 Zilvermeeuw

44

6.11 Stormmeeuw

48

6.12 Kokmeeuw

49

6.13 Grote stern

53

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

4

7

6.14 Visdief

56

6.15 Selectie van overige vogelsoorten

58

Vleermuizen in en nabij het plangebied

63

7.1

Verblijfplaatsen

63

7.2

Foerageergebieden en vliegroutes

63

7.3

Vleermuizen op hoogte

63

DEEL 3 EFFECTEN BEOORDEELD

65

8

Effectbepaling Natura 2000-gebieden

66

8.1

Inleiding

66

8.2

Aanvaringsslachtoffers vogels

66

Effectbeoordeling Natura 2000-gebieden

72

9.1

Beoordeling van sterfte broedvogels

72

9.2

Beoordeling van sterfte niet-broedvogels

74

9.3

Cumulatieve effecten

75

9

10 Effecten op vogels (soortenbescherming)

77

10.1 Globaal overzicht van het aantal aanvaringsslachtoffers

77

10.2 Aanvaringsslachtoffers onder lokale vogels

78

10.3 Aanvaringsslachtoffers onder seizoenstrekkers

82

11 Effectbeoordeling vogels soortenbescherming 11.1 Beoordeling van sterfte door aanvaringen in gebruiksfase 12 Effecten op vleermuizen

83 83 85

12.1 Sterfte door aanvaringen

85

12.2 Effect van verwijderen zes bestaande windturbines

86

13 Effectbeoordeling vleermuizen

88

13.1 Beoordeling van sterfte door aanvaringen in gebruiksfase

88

13.2 Stilstandvoorziening

90

13.3 Slotoverweging

91

14 Conclusies

92

14.1 Natura 2000-gebieden (Wnb Hoofdstuk 2)

92

14.2 Beschermde soorten (Wnb Hoofdstuk 3)

92

Literatuur

93

Bijlage I

Vogeltellingen door BEC

98

Bijlage II

Windturbines en vogels

99

Bijlage III

Windturbines en vleermuizen

106

Bijlage IV

Band model for cormorant

115

Bijlage V

Onderbouwing Wnb-ontheffing vogels

118

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

5

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel idverde Advies B.V. onderzoekt in opdracht van E-Connection de mogelijkheid voor het opschalen van het bestaande Windpark Haringvlietdam waarbij de bestaande zes windturbines (aan de noordwestzijde van de dam) worden vervangen door twee moderne windturbines (aan de noordoostzijde van de dam) (Figuur 2.1). idverde Advies bereidt een natuurtoets voor en een aanvraag van een vergunning en ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). In het kader van de onderbouwing van de Wnb-vergunning en -ontheffing, heeft idverde Advies aan Bureau Waardenburg de opdracht verleend het aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen in het huidige en toekomstige windpark te berekenen en beoordelen. In dit rapport wordt verslag gedaan van bronnenonderzoek, bepaling en beoordeling van de effecten op Natura 2000-gebieden (beperkt tot aanvaringsslachtoffers onder vogels) en beschermde soorten vogels en vleermuizen en, indien nodig, mogelijkheden voor mitigatie van deze effecten. Het doel is te bepalen of de geplande windturbines kunnen leiden tot overtredingen van de wetten en regels die zien op bescherming van de natuur. Als dat het geval is, wordt bepaald onder welke voorwaarden vergunning (Hoofdstuk 2 van de Wnb) en/of ontheffing (Hoofdstuk 3 van de Wnb) kan worden verkregen en of mitigatie of compensatie nodig is.

In het kader van Hoofdstuk 2 Natura 2000-gebieden van de Wnb, is dit rapport te beschouwen als onderdeel van een oriëntatiefase (voortoets).

1.2

Leeswijzer Deel 1 (hoofdstukken 2 t/m 5) omschrijft het project, het plangebied, de aanpak van de bepaling en beoordeling van effecten van het windpark in het kader van de natuurwetgeving, de beschermde gebieden in (de omgeving van) het plangebied en de toegepaste methoden en gebruikte bronnen. Vervolgens wordt in deel 2 (hoofdstukken 6 en 7) het gebiedsgebruik en de verspreiding van vogels en vleermuizen in en nabij het plangebied beschreven. In deel 3 worden de effecten van het project op vogels en vleermuizen bepaald en beoordeeld. In hoofdstukken 8 en 9 wordt dit gedaan voor Natura 2000-gebieden, in hoofdstukken 10 t/m 13 voor beschermde soorten. De overkoepelende conclusies zijn tenslotte beschreven in hoofdstuk 14. Dit hoofdstuk is ook te lezen als de samenvatting van dit rapport.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

6

DEEL 1 AFBAKENING VAN HET ONDERZOEK

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

7

2 Inrichting windpark en plangebied 2.1

Inrichting windpark Het initiatief betreft het verwijderen van de zes bestaande windturbines aan de noordzijde van de N57 op de Haringvlietdam in de gemeente Hellevoetsluis en het plaatsen en in gebruik nemen van twee nieuwe windturbines aan de zuidzijde van de N57 (Figuur 2.1). De nieuwe windturbines hebben een ashoogte in de range van 115 - 130 m en rotordiameter in de range van 145 - 165 m. De zes bestaande windturbines hebben een ashoogte van 44 m en een rotordiameter van 48 m (Tabel 2.1).

Figuur 2.1

Voorziene posities van twee windturbines aan de noordoostzijde van de Haringvlietdam (Bron: Windpark Haringvlietdam). Op de foto zijn ook de zes bestaande windturbines zichtbaar aan de overkant van de weg op het buitentalud van de dam.

Er zijn voor het nieuwe windpark in deze effectbeoordeling twee windturbineafmetingen doorgerekend (de posities zijn in beide varianten identiek): een ecologisch worst casescenario met een tiplaagte van 32,5 m en een scenario met windturbines met een tiplaagte van 57,5 m (Tabel 2.1). Ook is het aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen van de bestaande zes windturbines doorgerekend.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

8

3 Aanpak toetsing in het kader van natuurwetgeving 3.1

Natura 2000-gebieden Gebiedsbescherming is in de Wnb beschreven in ‘Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden’. De twee windturbines zijn in de omgeving van meerdere Natura 2000-gebieden gepland, waaronder de Natura 2000-gebieden Voornes Duin, Haringvliet en Voordelta. Als de bouw of het gebruik van de windturbines negatieve effecten heeft op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen (kortweg: IHD’s) van deze Natura 2000-gebieden, is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (kortweg: Wnb) vereist. Ook kunnen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen, te verminderen of te compenseren nodig zijn. In voorliggend rapport zijn de resultaten beschreven van een onderzoek naar de effecten op het behalen van de IHD’s van Natura 2000-gebieden. Het onderzoek beperkt zich tot het effect van aanvaringsslachtoffers onder vogels. Er zijn in de nabijheid geen gebieden aangewezen voor vleermuizen en andere effecten op Natura 2000-gebieden worden door idverde Advies in een separate natuurtoets uitgewerkt.

De centrale vraag van deze toetsing is: bestaat er een reële kans op significant negatieve effecten op het behalen van de IHD’s (voor vogels) van beschermde natuurgebieden of kan het optreden van significant negatieve effecten met zekerheid worden uitgesloten? Meer in detail geeft deze rapportage antwoord op de volgende vragen: • Welke beschermde natuurgebieden liggen binnen de invloedssfeer van de twee windturbines? Wat zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor deze natuurgebieden (beperkt tot vogels)? • Wat is de positie van de turbinelocaties ten opzichte van de leefgebieden van vogelsoorten waarvoor de betreffende natuurgebieden zijn aangewezen? Welke functies hebben de turbinelocaties en zijn invloedssfeer voor deze beschermde vogelsoorten? • Tot welke aantallen aanvaringsslachtoffers onder vogelsoorten uit beschermde natuurgebieden leidt het gebruik van de twee geplande windturbines? • Hoe groot zijn deze effecten in samenhang met andere activiteiten en plannen, met andere woorden, wat zijn de cumulatieve effecten? • Kunnen significante effecten (inclusief cumulatieve effecten) met zekerheid worden uitgesloten? De effecten van de ingreep worden getoetst aan de IHD’s die voor vogels voor de Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van het windpark (zullen) gelden. Deze zijn ontleend aan de (concept) aanwijzingsbesluiten, gepubliceerd op de website www.natura2000.nl.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

11

3.2

Soortenbescherming De bescherming van soorten is in de Wnb beschreven in ‘Hoofdstuk 3. Soorten’. Bij de realisatie van de twee windturbines moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van beschermde soorten planten en dieren in het plangebied. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, zal moeten worden nagegaan of een vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden verkregen. In voorliggend rapport wordt het aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen in de gebruiksfase van de twee windturbines in beeld gebracht en getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wnb. Andere effecten op beschermde soorten tijdens de bouw en het gebruik van de twee windturbines worden door idverde Advies in een separate natuurtoets beschreven en beoordeeld.

In voorliggend rapport wordt ingegaan op de volgende vragen: • Welke beschermde soorten vogels en vleermuizen komen mogelijk of zeker voor binnen de invloedssfeer van de windturbines? • Tot welke aantallen aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen leidt het gebruik van de twee geplande windturbines? • Welke verbodsbepalingen worden hiermee overtreden en is hiervoor een ontheffing nodig? • Is er mogelijk sprake van een effect op de Staat van Instandhouding (SvI) van de betrokken soorten? • Welke maatregelen voor mitigatie en compensatie van schade aan beschermde soorten zijn noodzakelijk?

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

12

4 Beschermde gebieden en afbakening onderzoek 4.1

Inleiding Nederland kent ruim 160 Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn IHD’s opgesteld voor de in dat gebied beschermde habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en/of niet-broedvogels. Vogels zijn zeer mobiel en kunnen daarom ook vanuit Natura 2000-gebieden buiten het plangebied binnen de invloedssfeer van het windpark terechtkomen en dan nadelige effecten van de draaiende rotoren ondervinden. Daarom zullen alle IHD’s van vogels die uit Natura 2000-gebieden het plangebied kunnen bereiken (volgend uit de afbakening in § 4.2) in dit rapport nader worden besproken. In dit hoofdstuk wordt dus beschreven welke Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van de twee windturbines liggen en van welke IHD’s van deze gebieden (hier beperkt tot vogels, er zijn in de nabijheid geen gebieden aangewezen voor vleermuizen) het doelbereik mogelijk in gevaar kan komen. Aan het einde van dit hoofdstuk is weergegeven op welke Natura 2000-gebieden en bijbehorende IHD’s voor vogels effecten als gevolg van aanvaringen met de twee geplande windturbines niet op voorhand uitgesloten kunnen worden (Tabellen 4.1 en 4.2; Figuur 4.1).

In het vervolg van het rapport worden alle andere Natura 2000-gebieden en bijbehorende IHD’s ten aanzien van vogels buiten beschouwing gelaten indien effecten op voorhand zijn uitgesloten.

4.2

Dagelijkse foerageerafstanden van vogelsoorten Wanneer vogels uit Natura 2000-gebieden gebruik maken van het plangebied of hier frequent overheen vliegen, kunnen zij negatieve effecten ondervinden van de twee geplande windturbines. Dit kan leiden tot effecten op het doelbereik van de IHD’s die voor deze soorten in Natura 2000-gebieden gelden. Aan de hand van de maximale foerageerafstanden van de betrokken vogelsoorten, gebaseerd op informatie uit o.a. Van der Vliet et al. (2011), is bepaald welke Natura 2000-gebieden en bijbehorende IHD’s in deze zin binnen de invloedssfeer van het windpark liggen. De soort met de grootste maximale foerageerafstand is de aalscholver in het broedseizoen (70 km). Binnen 70 km van het plangebied liggen (op volgorde van afstand tot het plangebied) de volgende Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en waarvan één of meer van de kwalificerende soorten een maximale foerageerafstand heeft die groter is dan minimale afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied: - Haringvliet aangrenzend ten zuidoosten van het plangebied; - Voornes Duin aangrenzend ten noordwesten van het plangebied; - Voordelta aangrenzend ten westen van het plangebied; - Duinen Goeree & Kwade Hoek ca. 1,5 km ten zuidwesten van het plangebied;

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

13

-

Grevelingen ca. 5 km ten zuiden van het plangebied; Krammer-Volkerak ca. 18 km ten zuidoosten van het plangebied; Oosterschelde ca. 18 km ten zuiden van het plangebied; Hollands Diep ca. 26,5 km ten oosten van het plangebied; Oude Land van Strijen op ca. 29 km ten noordoosten van het plangebied; Veerse Meer ca. 35 km ten zuidwesten van het plangebied; Biesbosch ca. 40 km ten oosten van het plangebied; Westerschelde & Saeftinghe ca. 42 km ten zuiden van het plangebied.

Voornoemde Natura 2000-gebieden zijn samen aangewezen voor 20 soorten broedvogels en voor 55 soorten niet-broedvogels (Tabel 4.1 en Tabel 4.2). Op basis van de maximale foerageerafstand van deze soorten in het broedseizoen, respectievelijk buiten het broedseizoen, en de minimale afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied van de twee windturbines op de Haringvlietdam kan een eerste schifting gemaakt worden of vogelsoorten uit deze Natura 2000-gebieden een relatie met het plangebied van de twee windturbines kunnen hebben. In onderstaande tabellen zijn de soorten waarvan de maximale foerageerafstand groter is dan de minimale afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied, rood gekleurd. Ook de soorten waarvoor geen kwantitatieve foerageerafstand bekend is, zijn in onderstaande tabel rood gekleurd. Voor deze soorten wordt verder in dit rapport op basis van ecologische argumenten onderbouwd of ze een relatie kunnen hebben met het plangebied. Voor alle zwart gekleurde soorten is de maximale foerageerafstand kleiner dan de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied en kan een relatie met het plangebied en dus ook het optreden van (significante) effecten van de twee windturbines op voorhand met zekerheid uitgesloten worden. Deze soorten komen in relatie tot gebiedenbescherming daarom verder niet meer aan bod in dit rapport.

De ligging van Natura 2000-gebieden die later in dit rapport aan bod komen is weergegeven in Figuur 4.1. Voor Natura 2000-gebieden die niet in bovenstaande opsomming staan kunnen effecten als gevolg van aanvaringen met de twee windturbines op de vogelsoorten waarvoor deze gebieden zijn aangewezen op voorhand met zekerheid uitgesloten worden. Vogels uit deze gebieden maken gezien de grote afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden met zekerheid geen gebruik van het plangebied van de twee windturbines.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

14

geoorde fuut aalscholver roerdomp kleine zilverreiger lepelaar bruine kiekendief porseleinhoen kluut bontbekplevier strandplevier zwartkopmeeuw kleine mantelmeeuw grote stern visdief noordse stern dwergstern ijsvogel blauwborst snor rietzanger

1 2 3

Krammer-Volkerak

Oosterschelde

Hollands Diep

Veerse Meer

Biesbosch

Westerschelde & Saeftinghe

0

0

1,5

5

18

18

26,5

35

40

42

x x

x

x x x

x

x x x x

x x x

x

x x x x x x

x

x

x x x x

x x

x x x

x x x x x

x x x

x x

x

x

x

x

x x x x

x x

x x x x x x x

x

Maximale foerageerafstand (km)

Grevelingen

Minimale afstand tot plangebied (km)

Duinen Goeree & Kwade Hoek

Soort

Voornes Duin

Overzicht van de soorten broedvogels waarvoor Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving van de twee windturbines op de Haringvlietdam zijn aangewezen. Voor iedere soort is in de laatste kolom de maximale foerageerafstand weergegeven voor het broedseizoen. Een kruisje geeft aan dat het Natura 2000-gebied voor de desbetreffende soort als broedvogel is aangewezen. Een oranje gekleurd hokje geeft aan dat de minimale afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied kleiner is dan de maximale foerageerafstand. De roodgekleurde soorten komen later in dit rapport nog verder aan bod.

Haringvliet

Tabel 4.1

0 - gebiedsgebonden 70 0,4 10 40 13 0 - gebiedsgebonden 5 3 3 30 30 54 30 30 11 0 - gebiedsgebonden 0 - gebiedsgebonden 0 - gebiedsgebonden 0 - gebiedsgebonden

Bron 1 1 1 1 1 2 1 1 1 1 1 1 3 3 3 3 1 1 1 1

Van der V et et al 2011 B j sma 1996 Thaxter et al 2012 (ge dt voor voge s d e op zee foerageren)

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

15

roodkeelduiker dodaars fuut kuifduiker geoorde fuut aalscholver kleine zilverreiger grote zilverreiger lepelaar kleine zwaan kolgans dwerggans grauwe gans brandgans rotgans bergeend smient krakeend wintertaling wilde eend pijlstaart slobeend tafeleend kuifeend topper eider zwarte zee-eend brilduiker nonnetje middelste zaagbek grote zaagbek zeearend visarend slechtvalk meerkoet scholekster kluut bontbekplevier strandplevier goudplevier zilverplevier kievit kanoet drieteenstrandloper bonte strandloper grutto rosse grutto wulp zwarte ruiter tureluur groenpootruiter steenloper dwergmeeuw grote stern visdief

Grevelingen

Krammer-Volkerak

Oosterschelde

Hollands Diep

Oudeland van Strijen

Biesbosch

Westerschelde & Saeftinghe

0

0

1.5

5

18

18

26,5

29

40

42

x x

x x

x

x x

x

x

x x x x x x

x

x x x x x x x

x x x x

x

x x

x x

x x

x

x

x x

x

x x x x x x

x x

x x x

x

x x x

x x

x x x x x x x x x x

x x x x x x x

x

x x x x

x x x x

x x x x

x x x x x x x x x x

x x

x x x

x

x x x x

x

x

x

x

x

x

x

x

x x x

x

x x x x x x

x x x x x x x x

x x x

x x x x x x x

x

x x x x

x x x

x x x

x

x

x x x x x x x x

x x

x x

x

x x

x x

x x

x

x

x

x

x x x x x

x

x x

x x x x x x x x x x x x

x

x x x x

x

x

x x x x

x x

x x x x x x x x x x x x

x 1 x x x x

x x x x x x

Maximale foerageerafstand (km)

Duinen Goeree & Kwade Hoek

Minimale afstand tot plangebied (km)

Voordelta

Soort

Overzicht van de soorten niet-broedvogels waarvoor Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving van de twee windturbines op de Haringvlietdam zijn aangewezen. Voor iedere soort is in de laatste kolom de maximale foerageerafstand weergegeven buiten het broedseizoen. Een kruisje geeft aan dat het Natura 2000gebied voor de desbetreffende soort als niet-broedvogel is aangewezen. Een oranje gekleurd hokje geeft aan dat de minimale afstand tussen het Natura 2000gebied en het plangebied kleiner is dan de maximale foerageerafstand. De roodgekleurde soorten komen later in dit rapport nog verder aan bod.

Haringvliet

Tabel 4.2

0 - gebiedsgebonden 0 - gebiedsgebonden 0 - gebiedsgebonden 0 - gebiedsgebonden 0 - gebiedsgebonden 20 15 15 15 12 30 30 30 30 2 3 11 5 9 26 2 1 15 15 15 0 - gebiedsgebonden 0 - gebiedsgebonden 5 5 5 5 70 11 70 0 - gebiedsgebonden 15 10 8 7 15 10 15 20 1 12 70 15 24 8 2 8 2 0 - gebiedsgebonden 70 70

1

Van der V et et a . 2011

1*

verge jkbare soort u t deze fde fam e n Van der V et et a . 2011

2

Gerr tsen 2017

Bron 1 1 1 1 1 1 1* 1 1 1 1 1* 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1* 1 1* NA 1 NA 1 1 1 1 1 1 1 1* 1 1 1 NA 1 2 1 1 1 1 1 NA NA

NA onbekend, 70 km a s max aangehouden

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

16

Figuur 4.1

Ligging van Natura 2000-gebieden in de (ruime) omgeving van de windturbinelocaties op de Haringvlietdam. Zie Tabel 4.1 en 4.2 voor de Natura 2000-gebieden waarvan het doelbereik van minimaal één IHD mogelijk effect kan ondervinden van de realisatie van de twee turbines. Biesbosch en Westerschelde & Seaftinghe liggen niet in het kaartbereik maar respectievelijk verder ten oosten en ten zuiden van de windturbinelocaties.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

17

5 Materiaal en methoden 5.1

Brongegevens vogels Voor het berekenen van aantallen aanvaringsslachtoffers in een windpark is informatie nodig over o.a. het aanbod vogels per soort (flux) en de ruimtelijke en temporele verdeling van dit aanbod (waar bevinden zich belangrijke vliegroutes, wat is de hoogteverdeling en hoe verandert dit gedurende de dag?). Deze informatie is niet of slechts ten dele te herleiden uit bestaande vogeltelgegevens. In 2018 en 2020 zijn door Buijs Eco Consult (kortweg: BEC) tweewekelijks of maandelijks gegevens verzameld van vliegbewegingen van vogels over het plangebied en de Haringvlietdam. Deze gegevens zijn voor 2018 gepresenteerd in een rapport (Buijs 2019), de gegevens van 2020/2021 zijn in voorliggend rapport ook verwerkt (zie hieronder). De waarnemingen bevatten informatie over vliegroutes en vlieghoogte van een groot aantal vogelsoorten. Alle informatie is door Bureau Waardenburg gedigitaliseerd en in een database omgezet en wordt voor een selectie van vogelsoorten (zie hieronder) in voorliggend rapport gepresenteerd. Digitaliseren veldkaarten Door BEC is het plangebied twee keer per maand bezocht in de periode april 2018 t/m november 2018 en ongeveer maandelijks in de periode eind april 2020 t/m begin februari 2021 (Bijlage 1).

Tijdens de bezoeken zijn door een ervaren vogelteller gedurende circa twee à drie uur alle zichtbare vliegbewegingen van vogels over het plangebied en over de Haringvlietdam1 per half uur periode gesommeerd op een kaart ingetekend, waarbij visueel tevens informatie over de vlieghoogte is verzameld. Er is op wisselende momenten gedurende de dag geteld waarbij tijdens een achttal tellingen ook slaaptrek van vogels is meegenomen (Bijlage 1). Bureau Waardenburg heeft alle veldkaarten gedigitaliseerd en omgezet in een database waarin: - De vliegroutes zijn omgezet in lijnen: hiertoe is het plangebied en de gehele Haringvlietdam/sluizen ingedeeld in sectoren van 200 - 250 m en is per sector een lijn loodrecht op de Haringvlietdam getrokken (Figuur 5.1). Tevens zijn enkele lijnen toegevoegd die veelvoorkomende vliegroutes parallel aan of schuin over de dam/sluizen beschrijven, zoals deze door BEC zijn waargenomen; - Voor een selectie van soorten is per vliegbeweging de datum en tijd (interval in halve uren), het aantal exemplaren en de vlieghoogte in de database gekoppeld aan een lijn.

De selectie van soorten wordt hieronder toegelicht; - Alle in het veld op kaart vastgelegde vliegroutes van voornoemde selectie van soorten zijn toegekend aan een lijn die de vliegroute het best beschrijft; - In de database is vervolgens een onderscheid gemaakt in passages gedurende het broedseizoen en buiten het broedseizoen, waarbij broedseizoen kortheidshalve voor de gehele selectie van soorten op april t/m augustus is gezet (in maart,

1

De waarnemer stond h erb j n het p angeb ed. D t betekent dat passages over het zu de jke dee van de Har ngv etdam moge jk z jn onderschat a s gevo g van detect ever es op derge jke afstand (>1,5 km).

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

18

-

-

wanneer aalscholver al nesten heeft, zijn door BEC geen waarnemingen verzameld); In de database is tevens een onderscheid gemaakt naar vliegroutes (lees: lijnen) over het plangebied (lijnen 1 t/m 8 en lijnen 17, 19 t/m 21 en 23) en buiten het plangebied (alle overige lijnen) (zie Figuur 5.1); In de gegevens van BEC is geen vliegrichting aangegeven. Voor de berekening van het aantal slachtoffers in de vervolgstap met zogenoemde ‘Collision Rate Models’ is deze informatie ook niet nodig.

Figuur 5.1

Gehanteerde indeling met lijnen om de vliegroutes over het plangebied van Windpark Haringvlietdam en/of de Haringvlietsluizen te beschrijven. Naast een indeling van dertien lijnen om routes loodrecht over de dam/sluizen te beschrijven zijn ook tien lijnen gebruikt om veelvoorkomende vliegroutes parallel aan of schuin over de dam/ sluizen te beschrijven.

Soortenselectie Door BEC zijn van een groot aantal soorten vliegbewegingen genoteerd, inclusief soorten die tijdens de veldbezoeken in 2018 en 2020 slechts sporadisch over het plangebied of de Haringvlietsluizen vlogen, zoals vogels op seizoenstrek of toevallige passages van vogels die geen sterke binding hebben met het gebied in Figuur 5.1. Vanwege het geringe aantal

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

19

waargenomen vliegbewegingen is meer dan uiterst incidentele sterfte (ruim minder dan één slachtoffer per jaar in het gehele windpark) in het huidige en toekomstige windpark op voorhand uit te sluiten. Omdat het ook om landelijk algemene soorten (bijvoorbeeld zwarte kraai, spreeuw en lijsters) gaat, zijn effecten op de staat van instandhouding op voorhand uit te sluiten. Dergelijke soorten zijn niet opgenomen in de database en worden in voorliggende rapportage niet of hooguit kort besproken. Tenslotte is het voor de vervolganalyse van belang om onderscheid te maken tussen broedvogels en niet-broedvogels, omdat de additionele sterfte in het windpark aan verschillende (deel)populaties dient te worden getoetst (bijvoorbeeld broedpopulatie in Natura 2000-gebied Voornes Duin, regionale/landelijke broedpopulatie en/of niet-broedpopulatie buiten Natura 2000-gebieden). Overige gegevensbronnen Naast de informatie van BEC uit 2018 en 2020 is ook de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd voor vogelgegevens alsmede bestaande publicaties (zie referenties in de hoofdtekst) om de aanwezigheid en aantallen van vogels in de omgeving van het plangebied te beschrijven. De detailgegevens uit de NDFF zijn met toestemming van BIJ12 in dit rapport opgenomen. Het gebruik ervan voor andere toepassingen dan deze studie is niet toegestaan.

Tenslotte is ook gebruik gemaakt van gegevens van een groot aantal gezenderde grote sterns die door Bureau Waardenburg in het kader van andere projecten zijn verzameld.

5.2

Brongegevens vleermuizen Gebiedsgebruik vleermuizen Onderzoek naar het gebiedsgebruik door vleermuizen is uitgevoerd tijdens vijf veldbezoeken in 2018 (Buijs & Halters 2019). Potentieel geschikte verblijfplaatsen, zoals bomen met holtes of gebouwen, ontbreken in het plangebied. Daarom lag de nadruk tijdens het veldonderzoek op het vaststellen van de functie van het gebied als foerageergebied en vlieg- of migratieroute voor vleermuizen. Voor een gedetailleerde beschrijving van de gebruikte apparatuur en weersomstandigheden tijdens de veldbezoeken wordt verwezen naar Buijs & Halters (2019). Activiteit van vleermuizen op grotere hoogte Aanvullend op het hiervoor beschreven veldonderzoek, zijn tussen 31 maart 2020 en 1 december 2020 de geluiden van vleermuizen automatisch opgenomen vanuit één van de zes bestaande windturbines aan de noordwestkant van de Haringvlietdam. Hiervoor is gebruik gemaakt van een batcorder (EcoObs) met het windturbine extensie pakket (Halters 2021). De batcorder is op een hoogte van 44 m geplaatst met een vertikaal gerichte microfoon. Voor een nadere beschrijving van de geluidsanalyse wordt verwezen naar Halters (2021).

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

20

5.3

Effectbepaling en –beoordeling vogels De bouw en het gebruik van de twee windturbines kan effect hebben op vogels die gedurende enige fase van hun levenscyclus in (de omgeving van) het plangebied verblijven. Voorliggend rapport beperkt zich tot sterfte als gevolg van aanvaringen met de windturbines. Andere effecten van beide windturbines op vogels, zoals verstoring (zie bijlage II voor een algemeen overzicht van de effecten van windturbines op vogels), worden in een separate natuurtoets door idverde Advies uitgewerkt. De aantallen slachtoffers zijn zo veel mogelijk (en voor zover relevant) per soort en per scenario gekwantificeerd. Bij deze kwantificering moet echter in aanmerking worden genomen dat, hoewel ze gebaseerd zijn op het meest recente onderzoek, de nodige aannames gedaan zijn en dat ruime marges realistisch zijn rondom de gepresenteerde aantallen. Dat betekent dat de aantallen in absolute zin niet 100% nauwkeurig zijn, maar goed bruikbaar om een ordegrootte van effecten in te schatten. De aannames in de berekeningen zijn op zo’n manier gedaan dat in alle gevallen met zekerheid het worst casescenario is getoetst.

5.3.1

Bepaling of berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers Totaal aantal vogelslachtoffers – alle soorten samen Voor de bepaling van het aantal aanvaringsslachtoffers is gebruik gemaakt van bestaande kennis over slachtofferaantallen bij windparken in Nederland, België, Duitsland en andere (West-)Europese landen (Winkelman 1989, 1992, Musters et al. 1996, Baptist 2005, Everaert 2008, Schaut et al. 2008, Krijgsveld & Beuker 2009, Krijgsveld et al. 2009, Beuker & Lensink 2010, Brenninkmeijer & van der Weyde 2011, Verbeek et al. 2012, Klop & Brenninkmeijer 2014, 2020, Klop 2021, Langgemach & Dürr 2021). In deze studies is gecorrigeerd voor factoren zoals zoekefficiëntie, verdwijnen van lijken door aaseters, het aantal zoekdagen en type zoekgebied. Op basis van deze kennis, gecombineerd met kennis van de vliegactiviteit van soorten in het plangebied, is op basis van deskundigenoordeel het huidige en het toekomstige aantal vogelslachtoffers (alle soorten samen) voor de zes bestaande windturbines respectievelijk de twee geplande windturbines bepaald. Soortspecifieke aantallen slachtoffers Voor sommige soort(groep)en is uit onderzoek in bestaande windparken een aanvaringskans beschikbaar. Voor deze soorten kan het aantal aanvaringsslachtoffers berekend worden met behulp van het Flux-Collision Model (Kleyheeg-Hartman et al. 2018).

De aanvaringskansen (kans dat een langs vliegende vogel botst met een windturbine) zijn gebaseerd op studies in o.a. de Wieringermeer, de Sabinapolder, de Maasvlakte en in België (o.a. Everaert 2008, Fijn et al. 2012, Gyimesi et al. 2013; data uit Verbeek et al. 2012). De aantallen slachtoffers uit deze studies zijn te vertalen naar andere windparken, indien rekening gehouden wordt met de windturbineomvang (ashoogte, rotordiameter), windturbineconfiguratie, locatie (landschapstype), vogelaanbod (flux) en betrokken soorten. Deze factoren zijn geformaliseerd in een berekeningswijze die soort(groep)specifiek is en waarvoor kennis over het vogelaanbod (flux) noodzakelijk is (Flux-Collision Model; Kleyheeg-Hartman et al. 2018). De uitkomst van de berekeningen wordt bepaald

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

21

door de combinatie van de dimensies van het windpark en de eigenschappen en het gedrag van de desbetreffende vogelsoort. In hoofdstuk 8 en 10 is beschreven voor welke soorten slachtofferberekeningen met het Flux-Collision Model zijn uitgevoerd en welke gegevens en aannames daarbij zijn gehanteerd. Voor andere soort(groep)en waarvoor geen aanvaringskans beschikbaar is, kunnen geen modelberekeningen met het Flux-Collision Model worden uitgevoerd. Voorbeelden van soortgroepen waarvoor dit geldt zijn reigerachtigen en roofvogels. Voor soorten uit deze soortgroepen is een inschatting van het aantal aanvaringsslachtoffers voor de windturbines gemaakt, op basis van informatie over 1) aantallen vliegbewegingen over het plangebied, 2) vlieggedrag en 3) aantallen slachtoffers gevonden in slachtofferonderzoeken in Europa. Ook voor aalscholver is geen aanvaringskans uit eerder onderzoek beschikbaar en kan geen berekening met het Flux-Collision Model worden gedaan. Dit is echter een soort waarvoor al wel regelmatig berekeningen met een ander model in offshore windparken zijn verricht, het zogenoemde SOSS Band model (Band 2012). Voor een vergelijking van beide modellen wordt kortheidshalve verwezen naar Kleyheeg-Hartman et al. (2018).

Als input in het Band model is gebruik gemaakt van informatie over: 1) aantallen vliegbewegingen van aalscholver over het plangebied (flux), 2) het vlieggedrag en enkele biometrische gegevens van aalscholver, 3) vlieghoogte en 4) de afmetingen en configuratie van het geplande windpark. In bijlage IV is de methode verder uitgeschreven.

5.3.2

Effectbeoordeling in relatie tot sterfte door aanvaringen In het kader van de Wnb (Hoofdstuk 2 en 3) moet beoordeeld worden of de realisatie van de twee geplande windturbines op zichzelf of in samenhang met andere plannen en projecten in de omgeving, (significant) negatieve effecten kan hebben op het behalen van de IHD’s van Natura 2000-gebieden of op de Staat van Instandhouding (SvI) van populaties van beschermde soorten. De basis hiervoor wordt gevormd door het 1%-criterium (verder 1%-mortaliteitsnorm) van het Ornis Comité. Volgens dit criterium kan iedere tol van minder dan 1% van de totale jaarlijkse sterfte van de betrokken populatie (gemiddelde waarde) als kleine hoeveelheid worden beschouwd (zie kader hieronder). Wanneer de voorspelde sterfte onder deze 1%mortaliteitsnorm blijft kan een effect op het behalen van de IHD’s in Natura 2000-gebieden of op de SvI van de betrokken populaties met zekerheid uitgesloten worden. Bij de beoordeling is ook rekening gehouden met de huidige staat van instandhouding van deze populaties. Notabene: deze 1%-mortaliteitsnorm wordt niet gebruikt om het begrip ‘significantie’ uit te leggen. Het wordt gebruikt om een ordegrootte van effecten aan te geven waarbij zeker geen significante effecten op zullen treden, omdat de sterfte procentueel zeer laag is ten opzichte van de jaarlijkse sterfte; een veilige ‘eerste zeef’ dus.

De Afdeling Bestuurs-

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

22

rechtspraak van de Raad van State achtte dit een acceptabele werkwijze2. Een grotere sterfte dan 1% (in cumulatie met andere projecten) noodzaakt een aanvullende toetsing om te bepalen of de IHD en/of de SvI voor de desbetreffende soort in gevaar kan komen. Een dergelijke toetsing kan bijvoorbeeld bestaan uit het doorrekenen van de effecten (additionele sterfte) op de betrokken populatie met behulp van een populatiemodel, zoals uitgevoerd voor effecten van offshore windparken op kleine mantelmeeuwen (Lensink & van Horssen 2012) en recent voor 13 zeevogelsoorten op de Noordzee (Potiek et al. 2019).

Bereken ng 1%-morta te tsnorm De 1%-morta te tsnorm s het aanta voge s dat 1% van de jaar jkse sterfte van de te toetsen popu at e representeert. Deze norm s soortspec f ek aangez en de popu at egrootte en de morta te t (de twee var abe en d e de 1%-morta te tsnorm bepa en) voor a e soorten anders z jn. De norm wordt a s vo gt berekend: 1%-morta te tsnorm (# voge s) = (jaar jkse sterfte * grootte van de te toetsen popu at e) * 0,01 In de bereken ngen s de jaar jkse sterfte van adu te voge s gebru kt, omdat h er meer over bekend s en omdat deze sterfte ager s dan d e van juven e e voge s. H erdoor va t de 1%morta te tsnorm ager u t (worst case-benader ng). A s popu at egrootte z jn recente te gegevens gebru kt, waarb j voor n et-broedvoge s het aanta exemp aren wordt gebru kt en voor broedvoge s het aanta paren maa twee.

5.4

Effectbepaling en –beoordeling vleermuizen De toetsing van de mogelijke effecten van Windpark Haringvlietdam op beschermde soorten vleermuizen betreft een effectbepaling op basis van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten vleermuizen in het plangebied en directe omgeving, de functie van het plangebied en de directe omgeving voor deze soorten en de voorgenomen ingreep. De toetsing is opgesteld op basis van: - onderzoek naar gebiedsgebruik op maaiveldhoogte in 2018 (Buijs & Halters 2019); - activiteitsmeting op hoogte in 2020 (Halters 2021); - huidige ter beschikking staande kennis en informatie (bronnenonderzoek); - deskundigenoordeel Bureau Waardenburg. De berekening van het aantal vleermuisslachtoffers is gebaseerd op het hierboven genoemde vleermuisonderzoek en slachtofferonderzoek in bestaande windparken in vergelijkbaar landschap (zie bijlage III). Effect op de staat van instandhouding Het verwachte aantal slachtoffers in de gebruiksfase wordt getoetst aan de staat van instandhouding van de relevante vleermuissoorten. De staat van instandhouding van een populatie wordt volgens de Habitatrichtlijn als gunstig beschouwd als:

2

Z e u tspraak ABRS van 1 apr 2009 n zaaknr. 200801465/1/R2, u tspraak ABRS van 29 december 2010 n zaaknr. 200908100/1/R1 en de u tspraak ABRS van 8 februar 2012 n zaaknr. 201100875/1/R2.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

23

-

uit populatie-dynamische gegevens blijkt dat de soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op langere termijn zal blijven, en; - het natuurlijk verspreidingsgebied van de soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en; - er een voldoende groot habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populatie van de soort op lange termijn in stand te houden. Voor de landelijke staat van instandhouding zijn de schattingen voor de Nederlandse populaties gebruikt als gegeven in European Topic Centre on Biological Diversity (2020). Deze schattingen zijn te beschouwen als de minimale populatieomvang van een soort op basis van beschikbare gegevens en deskundigenoordeel. De lokale instandhouding is in voorliggende rapportage berekend met deze data (bijlage III). Om een eerste indicatie te krijgen van de effecten van sterfte op populaties wordt vaak de 1%-mortaliteitsnorm gebruikt (zie kader). In de voorliggende rapportage zijn de berekende/ geschatte aantallen slachtoffers gerelateerd aan de ‘lokale populatie’ en vergeleken met 1% van de natuurlijke sterfte van de lokale populatie.

Voor de bereken ng van de 1%-morta te tsnorm wordt eenze fde methode gebru kt a s voor de 1%-morta te tsnorm voor voge s (u tge egd b j effectbepa ng voor voge s, z e vor ge kader). De 1%-morta te tsnorm s ook off c ee toegepast met betrekk ng tot v eermu zen. Z e h ervoor de u tspraak van de ABRS n zaaknr. 201107460/1/R1.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

24

DEEL 2 AANWEZIGE NATUURWAARDEN

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

25

6 Vogels in en nabij het plangebied 6.1

Aalscholver

6.1.1

Aalscholver in het broedseizoen Herkomst van aalscholvers in het plangebied De meeste aalscholvers die tijdens het broedseizoen bij de Haringvlietdam worden gezien, zullen afkomstig zijn uit één van de twee kolonies in het aangrenzende Natura 2000-gebied Voornes Duin. Hier broedt de aalscholver in het Breede Water en in het Quackjeswater. Andere kolonies in de Delta liggen op grotere afstand, o.a. aan de noordzijde van de Brouwersdam (Boele et al. 2021, Sovon 2018). De kolonie aalscholvers in het Breede Water vestigde zich in 1984. Het aantal paren nam snel toe tot een maximum in 1998 van 1.510 broedparen. Sindsdien is het aantal paren in Voornes Duin afgenomen en nu ligt het aantal paren net boven de 1.000 (Tabel 6.1). Tabel 6.1

Overzicht van het aantal broedparen van de aalscholver in Natura 2000-gebied Voornes Duin 2014-2018 (Bron: Netwerk Ecologische Monitoring (SOVON RWS CBS provincies); www.sovon.nl).

Vogelsoort

2014

2015

2016

2017

2018

aa scho ver

1.199

1.131

1.417

1.217

1.144

Aalscholvers foerageren in het broedseizoen tot op 70 kilometer afstand van de kolonie (Van der Vliet et al. 2011). De aalscholvers van het Voornes Duin foerageren zowel in de Natura 2000-gebieden Voordelta en Haringvliet als in andere wateren in de omgeving (Dirksen et al. 1989). Onderzoek door Fijn et al. (2014, 2021) aan gezenderde aalscholvers uit de kolonie in het Breede Water laat zien dat deze aalscholvers voornamelijk gebruik maken van foerageergebieden in de Voordelta ten westen van de kolonie en ten noorden van de Tweede Maasvlakte, o.a. in de monding van de Nieuwe-Waterweg. In de dataset uit 2012 van 11 gezenderde aalscholvers komt slechts één track in de nabijheid van het plangebied (Figuur 6.1). Tijdens het veldonderzoek door BEC in 2018 en 2020 zijn daarentegen een groot aantal passages van aalscholvers over en in de omgeving van het plangebied vastgesteld. Dit betrof waarschijnlijk vooral aalscholvers uit de kolonie in het Quackjeswater op minder dan een kilometer van het plangebied.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

26

Figuur 6.1

Kaart met 264 foerageertochten van 11 gezenderde aalscholvers uit het Breede Water in 2012. Links worden de tochten weergegeven rechts in welke gebieden de meeste GPS-punten liggen (Fijn et al. 2021).

Vliegbewegingen in het broedseizoen Tijdens veldwerk door BEC in het broedseizoen 2018 en 2020 zijn van 651 respectievelijk 596 aalscholvers (totaal 1.247) passages vastgelegd. De meeste vogels vlogen langs de noordzijde van de Haringvlietdam (62%) of langs de noordelijke oever van het Haringvliet (12%) en nauwelijks over de directe omgeving van de twee planlocaties (circa 5%) (Figuur 6.2). Vlieghoogte tijdens het broedseizoen Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 5). De meeste aalscholvers vlogen in het broedseizoen laag over het water of over de dam, meestal op een hoogte van minder dan 40 m (Figuur 6.3). In beide jaren vonden weinig passages (circa 7%) op rotorhoogte (50 – 200 m) plaats.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

27

6.1.2

Aalscholver buiten het broedseizoen Herkomst van aalscholvers in het plangebied Ook buiten het broedseizoen vormt de monding van het Haringvliet een regionaal belangrijk doortrek- en overwinteringsgebied voor aalscholvers. In de periode 2013-2015 verbleven hier gemiddeld 250-500 vogels (Sovon 2018). Een belangrijke slaapplaats, met een maximum van circa 2.250 exemplaren in de afgelopen vijf jaar, bevindt zich in het Quackjeswater in Voornes Duin. In dezelfde periode bevonden zich kleinere slaapplaatsen met enkele honderden exemplaren langs de zuidrand van Goeree-Overflakkee (Sovon.nl). Vliegbewegingen buiten het broedseizoen Tijdens veldwerk door BEC in 2018 en 2020 zijn in totaal van 1.405 aalscholvers buiten het broedseizoen passages vastgelegd. Figuur 6.4 laat de procentuele verdeling zien. Net als in het broedseizoen volgden de meeste vogels routes langs de noordzijde van de Haringvlietdam (74%) of langs de noordelijke oever van het Haringvliet (12%) en nauwelijks over de directe omgeving van de twee planlocaties (circa 3%).

Figuur 6.4

Procentuele verdeling (gebaseerd op aantal vogels) van de vliegbewegingen van aalscholver buiten het broedseizoen 2018 en 2020 (n= 1.405 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte buiten het broedseizoen De meeste aalscholvers vlogen ook buiten het broedseizoen laag over het water of over de dam, meestal op een hoogte van minder dan 40 m (Figuur 6.5). In beide jaren vonden weinig passages (circa 4%) op rotorhoogte (50 – 200 m) plaats.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

29

Vliegbewegingen Tijdens veldwerk door BEC in het broedseizoen 2018 en 2020 zijn van 108 respectievelijk 63 lepelaars (totaal 171) passages vastgelegd. Figuur 6.6 laat de procentuele verdeling zien. De helft (50%) van de vliegbewegingen van lepelaars passeerde langs de noordoever van het Haringvliet, op honderden meters afstand van de twee geplande windturbines. Dit betreft o.a. vogels die foerageren op het Quackgors bij Hellevoetsluis en op de Slijkplaat in het Haringvliet (NDFF 2021). Een andere relatief veel gebruikte route (22% van de vliegbewegingen), vooral van vogels die foerageren op de Kwade Hoek of in de polders nabij Ouddorp op Goeree-Overflakkee, passeerde aan de noordkant van de dam over het water. Tenslotte zijn ook regelmatig passages (18% van de vliegbewegingen) over het zuidelijke deel van de Haringvlietdam gezien; mogelijk betrof dit vogels die uitwisselen tussen foerageergebieden op de Kwade Hoek en op de zuidelijke oever van het Haringvliet of vogels die tussen laatstgenoemde gebied en de kolonie pendelden. Over de directe omgeving van de twee planlocaties van de nieuwe windturbines zijn tijdens het veldonderzoek slechts drie vliegbewegingen (<2%) genoteerd, allen over of nabij de meest oostelijk geplande turbinelocatie (Figuur 6.6).

Figuur 6.6

Procentuele verdeling (gebaseerd op aantal vogels) van de vliegbewegingen van lepelaar in 2018 en 2020 (n= 171 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

31

waarnemingen van brandganzen (n= 202 exemplaren), achttien waarnemingen van grauwe ganzen (n= 174) en éénmaal een passage van een groep van 72 kolganzen. Vliegbewegingen Tijdens veldwerk door BEC in 2018 en 2020 zijn in totaal 23 passages van bij elkaar 448 ganzen vastgelegd. Figuur 6.8 laat de procentuele verdeling zien. In totaal 70% van de vliegbewegingen passeerde de directe omgeving van de twee planlocaties, het resterende deel betrof vooral passages over het zuidelijke deel van de Haringvlietdam.

Figuur 6.8

Procentuele verdeling (gebaseerd op aantal vogels) van de vliegbewegingen van ganzen in 2018 en 2020 (n= 448 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is alleen gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 5). Ongeveer de helft van deze ganzen (53%) passeerden het plangebied op rotorhoogte (50 – 200 m, zie Figuur 6.9). De ganzen vlogen relatief hoog in vergelijking tot de meeste van de hier beschreven andere soorten. Ook buiten het plangebied (boven het Haringvliet) was dit patroon zichtbaar, oftewel boven water werd niet veel lager gevlogen. Mogelijk duidt dit op uitwisseling tussen verder uit elkaar gelegen gebieden.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

33

6.5

Middelste zaagbek Herkomst van middelste zaagbek in het plangebied De omgeving van het plangebied is van geringe betekenis voor middelste zaagbek. Tijdens maandelijkse watervogeltellingen in het aangrenzende deel van het Haringvliet wordt de soort gemiddeld met hooguit enkele of een tiental exemplaren vastgesteld (NDFF 2021). De belangrijkste concentraties middelste zaagbekken in de noordelijke Delta bevinden zich in het Grevelingenmeer (Sovon 2018). Dichter bij het plangebied is de monding van het Haringvliet (inclusief de buitenhaven van Stellendam) van betekenis voor de soort. Hier kunnen in het winterhalfjaar enkele honderden middelste zaagbekken verblijven (Hoekstein et al. 2020). Middelste zaagbekken hebben een voorkeur voor getijdenwateren en zoute of brakke meren, in recente jaren is echter een toename zichtbaar in het zoete Haringvliet (Sovon 2018). Vliegbewegingen buiten het broedseizoen Door BEC zijn in 2018 en 2020 met name in het voorjaar en zomer middelste zaagbekken waargenomen. Mogelijk betrof dit in de maanden juni tot en met augustus exemplaren van de kleine broedpopulatie in het Haringvliet en/of overzomeraars. In totaal zijn van 44 middelste zaagbekken passages over de Haringvlietdam vastgelegd. Figuur 6.12 laat de procentuele verdeling zien (hierin zijn alle waarnemingen opgenomen).

Er zijn slechts vijf passages over het plangebied waargenomen, in groepjes van tussen twee en vijf exemplaren (gesommeerd in half uur perioden). Dit betreft 34% van de waargenomen vliegbewegingen van de middelste zaagbek over de Haringvlietdam.

Figuur 6.12

Procentuele verdeling (gebaseerd op aantal vogels) van de vliegbewegingen van middelste zaagbek in 2018 en 2020 (n= 44 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

36

6.7

Scholekster Herkomst van scholekster in het plangebied In de monding van het Haringvliet verblijven in de nazomer, najaar en winter gemiddeld enkele duizenden tot vele duizenden scholeksters (Hoekstein et al. 2020). In het algemeen foerageert de soort hier in het intergetijdengebied in de monding van het Haringvliet, zoals op de Hinderplaat en Kwade Hoek en verblijft bij hoogwater vooral op hoogwatervluchtplaatsen op o.a. de Kwade Hoek, het werkeiland van de Haringvlietsluizen bij Stellendam of de Westplaat bij Oostvoorne. De omgeving van het plangebied is van relatief geringe betekenis voor de scholekster. Door BEC is wel enkele keren vastgesteld dat tijdens hoog water grotere groepen scholeksters (tot 300 exemplaren) in het plangebied zelf foerageren. Dit was uitsluitend tijdens of net na perioden met regenval, wanneer regenwormen beter beschikbaar zijn (Buijs 2019). Tijdens maandelijkse watervogeltellingen in het aangrenzende deel van het Haringvliet zijn gemiddeld hooguit enkele tientallen exemplaren vastgesteld op de noordoever van het Haringvliet (NDFF 2021). De waarnemingen van passages over de Haringvlietdam door BEC omvat vooral waarnemingen in het late voorjaar en zomer van kleine aantallen, mogelijk broedvogels uit de omgeving. In de winter 2020/2021 zijn wel enkele keren passages gezien van groepen scholeksters (maximaal 29 exemplaren in februari 2021).

Vliegbewegingen In totaal zijn van 180 scholeksters passages over de Haringvlietdam vastgelegd, waarvan 116 over het plangebied (65%, zie Figuur 6.16). Meer dan de helft hiervan betrof (gesommeerd over een half uur) 29, 10 en 29 exemplaren op 6 februari 2021. Alle andere waarnemingen betroffen individuen of kleine groepjes tot vijf exemplaren. Vlieghoogte Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van alle waargenomen vliegbewegingen van scholekster. De soort passeert de Haringvlietdam voornamelijk op lage hoogte; slechts 16% vloog hierbij op rotorhoogte (50 – 200 m, zie Figuur 6.17).

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

39

6.8

Grote mantelmeeuw Herkomst van grote mantelmeeuw in het plangebied De grote mantelmeeuw is een zeer schaarse broedvogel in Nederland (60-70 broedparen, Sovon 2018), waarvan het merendeel in de Delta broedt. Ondanks waarnemingen in het broedseizoen, zal het merendeel van de waarnemingen om niet-broedvogels gaan. In de nazomer en winterhalfjaar verblijven vele tientallen tot enkele honderden grote mantelmeeuwen in de monding van het Haringvliet (Sovon 2018). In het zoete deel van de Delta, inclusief het Haringvliet, is de soort veel schaarser. Vliegbewegingen In totaal zijn door BEC in 2018 en 2020 van 168 grote mantelmeeuwen passages over de Haringvlietdam vastgelegd. Het merendeel betrof losse individuen of kleine groepjes tot zes exemplaren. Figuur 6.18 laat de procentuele verdeling zien. Tweemaal is gesommeerd over een half uur een groter aantal waargenomen; 21 exemplaren in september 2018 respectievelijk 15 exemplaren in november 2018. Net als veel andere grote meeuwen (zie hieronder bij kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw) vlogen deze vogels allen op relatief lage hoogte en parallel aan de noordzijde van de Haringvlietdam, mogelijk gebruikmakend van lokale stuwing van wind om zo zonder veel energieverlies de oversteek over het Haringvliet te maken en/of te foerageren bij de sluizen.

In totaal passeerde circa 40% van de vliegbewegingen de directe omgeving van de twee planlocaties.

Figuur 6.18

Procentuele verdeling (gebaseerd op aantal vogels) van de vliegbewegingen van grote mantelmeeuw in 2018 en 2020 (n= 168 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

41

Het ging in alle gevallen om losse individuen of kleine groepjes tot maximaal elf exemplaren (gesommeerd over een half uur). Net als hiervoor beschreven bij grote mantelmeeuw vlogen veel kleine mantelmeeuwen parallel aan de Haringvlietdam (meer aan de noordzijde dan aan de zuidzijde) op relatief lage hoogte. In totaal circa 25% van alle vliegbewegingen passeerde de directe omgeving van de twee planlocaties.

Figuur 6.20

Procentuele verdeling (gebaseerd op aantal vogels) van de vliegbewegingen van kleine mantelmeeuw in het broedseizoen 2018 en 2020 (n= 234 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte tijdens het broedseizoen Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 5). Meer dan de helft van deze kleine mantelmeeuwen vloog in het broedseizoen laag over het water of over de dam, meestal op een hoogte van minder dan 40 m (Figuur 6.21). In totaal 40% passeerde het plangebied op rotorhoogte (50 – 200 m).

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

43

Net als hiervoor beschreven bij de twee soorten mantelmeeuwen vlogen de meeste zilvermeeuwen parallel aan de Haringvlietdam (meer aan de noordzijde dan aan de zuidzijde) op relatief lage hoogte. Ongeveer 26% van alle vliegbewegingen passeerde de directe omgeving van de twee planlocaties.

Figuur 6.22

Procentuele verdeling (gebaseerd op aantal vogels) van de vliegbewegingen van zilvermeeuw in het broedseizoen 2018 en 2020 (n= 778 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte tijdens het broedseizoen Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 5). Het merendeel van de zilvermeeuwen vloog in het broedseizoen laag over het water of over de dam, meestal op een hoogte van minder dan 40 m (Figuur 6.23). In totaal 21% passeerde het plangebied op rotorhoogte (50 – 200 m).

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

45

6.11

Stormmeeuw Herkomst van stormmeeuw in het plangebied In de broedtijd zijn door BEC lage aantallen stormmeeuwen waargenomen, in totaal slechts 11 exemplaren in juli en augustus 2018, tegenover 52 exemplaren in het najaar en in de winter van 2018 en 2020. De dichtstbijzijnde broedkolonies liggen op de Hompelvoet en de Slikken van Flakkee-Zuid in het Grevelingenmeer (96 respectievelijk 86 paren in 2019) en op de Maasvlakte (61 paar in 2019) (Lilipaly et al. 2020). In het voorjaar en zomer foerageren enkele honderden stormmeeuwen in de monding van de Haringvliet, vooral in de omgeving van de Hinderplaat en Westplaat. Later in het najaar nemen deze aantallen toe tot enkele duizenden in de winter en wordt ook meer op de Kwade Hoek en op de stranden bij de Kop van Goeree gefoerageerd. Bij de Haringvlietdam verblijven daarentegen in de gehele periode veel lagere aantallen stormmeeuwen, slechts enkele tientallen (Hoekstein et al. 2020). Vliegbewegingen Tijdens veldwerk door BEC in 2018 en 2020 zijn van 63 stormmeeuwen passages over de Haringvlietdam vastgelegd. Figuur 6.26 laat de procentuele verdeling zien, uitgesplitst naar broedseizoen en buiten broedseizoen. In het broedseizoen betrof het in alle gevallen losse individuen die vooral op lage hoogte de Haringvlietdam volgden en daarbij nauwelijks de planlocaties passeerden.

Buiten het broedseizoen, toen stormmeeuwen regelmatig in kleine groepjes samen vlogen (maximale half uur som betrof 7 exemplaren), laten de vliegbewegingen een heel ander patroon zien, dat niet overeenkomt met de vliegpatronen van de andere hiervoor beschreven meeuwensoorten. Het gaat om uitwisseling tussen het Haringvliet en de monding van het Haringvliet met passages loodrecht op de Haringvlietdam, waarbij relatief veel stormmeeuwen (77% van alle vliegbewegingen) het plangebied passeerden. Een belangrijk deel hiervan betrof slaaptrek van of naar slaapplaatsen in of oostelijk van het Haringvliet.

Figuur 6.26

Procentuele verdeling (gebaseerd op aantal vogels) van de vliegbewegingen van stormmeeuw in 2018 en 2020. Links broedseizoen (n= 11 exemplaren) rechts buiten broedseizoen (n= 52 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

48

de Haringvlietdam gaan en slechts een beperkt aandeel (14%) over het noordelijke deel, inclusief het plangebied.

Figuur 6.28

Procentuele verdeling (gebaseerd op aantal vogels) van de vliegbewegingen van kokmeeuw in het broedseizoen 2018 en 2020 (n= 11.555 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte tijdens het broedseizoen Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 5). Iets minder dan de helft (circa 42%) van de kokmeeuwen vloog in het broedseizoen op rotorhoogte (50 – 200 m) over het plangebied (Figuur 6.29).

Beoorde ng effecten op voge s en v eermu zen W ndpark Har ngv etdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12843173/2