CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 vaststelling TAM-Omgevingsplan H22G Dorpshart Zwartewaal

Raadsvergadering 4 juni 2026, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) IMRO Dorpshart Zwartewaal23.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema kwaliteit van de buitenlucht. 5.4.2 Beoordeling en conclusie De planlocatie bevindt zich niet in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Nader onderzoek is niet noodzakelijk en met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl.

35/89

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is. Maatgevend is het toetspunt aan Hollemarestraat . Uit de kaart blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023; 12,9 µg/m³ voor NO2, 15,0 µg/m³ voor PM10 en 7,3 µg/m³ voor PM2,5. De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar en daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nader onderzoek is niet nodig. Er is geen noodzaak om regels op te nemen met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

5.5

Geluid door activiteiten

5.5.1 Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2 instructieregels voor geluid door activiteiten. Op basis van artikel 5.59 Bkl dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.1 en tabel 5.2. Tabel 5.1: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

Tabel 5.2: Grenswaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

Op grond van artikel 5.66, eerste lid, Bkl kan van de standaardwaarden worden afgeweken. Het toelaatbaar geluid op de gevel wordt begrensd door de grenswaarde van de binnenwaarde. Omgevingsverordening De provinciale omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema geluid door activiteiten.

36/89

5.5.2 Toetsing Het voorliggende plan is grotendeels consoliderend van aard. In het kader van het bestemmingsplan Dorpshart Zwartewaal is de inpasbaarheid van woningen en voorzieningen beoordeeld. In dat kader is specifiek akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de school binnen het gebied (inmiddels gerealiseerd). Op basis van de resultaten is in het plan een afschermende voorziening vastgelegd aan de zuidwestzijde van het schoolplein. Hiermee zijn de geluidbelastingen door het stemgeluid van de spelende kinderen aanvaardbaar. Dit stemgeluid wordt bij de toetsing aan de geluidnormen uit de bruidsschat en het Bkl buiten beschouwing gelaten. Met de wijziging van het omgevingsplan wordt een aantal kleine aanpassingen van de bouwgrenzen mogelijk gemaakt ten opzichte van de bouwgrenzen zoals vastgelegd in het bestemmingsplan Dorpshart Zwartewaal (tijdelijk deel omgevingsplan). Deze aanpassingen zijn er op gericht om de oriëntatie van een deel van de rijwoningen (voorzijde/achterzijde) aan te passen en hebben geen akoestisch gevolgen. Uit het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan blijkt dat ter plaatse van de rijwoningen wordt voldaan aan de richtwaarde voor geluid (stemgeluid). Verder vinden er in de directe omgeving van de betreffende rijwoningen geen bedrijfsmatige activiteiten plaats met een relevante geluidbelasting.

In het blok aan het nieuwe dorpsplein, worden door de ontwikkelaar geen commerciële functies meer voorzien. De planologische mogelijkheid voor 1.100 m2 BVO aan diverse, commerciële functies wordt met dit TAM-omgevingsplan ingetrokken en in plaats daarvan worden 5 extra woningen mogelijk gemaakt. In dit blok waren reeds 11 woningen mogelijk. Uit het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan blijkt dat ter plaatse van dit bouwblok wordt voldaan aan de richtwaarde voor geluid. Verder vinden er in de directe omgeving geen bedrijfsmatige activiteiten plaats met een relevante geluidbelasting. Het toestaan van 5 extra woningen heeft geen akoestisch relevante gevolgen. 5.5.3 Conclusie Ter plaatse van de planlocatie is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt de geluidsruimte van omliggende bedrijvigheid niet beperkt door het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels en is er sprake een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.6.1 Algemeen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Op basis van artikel 5.78l Bkl dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden. Een overschrijding hiervan is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 5.3.

37/89

Tabel 5.3: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort

In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; bij een niet-geluidgevoelige gevel. Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. Bij overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan.

Het Regionaal Afsprakenkader Geluid en Ruimtelijke Ontwikkeling (RAK) is een overeenkomst tussen diverse partijen in de regio Zuid-Holland, waaronder de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam, het Havenbedrijf Rotterdam N.V., Deltalinqs (vertegenwoordiger van het havenbedrijfsleven), en de DCMR Milieudienst Rijnmond. Het RAK is oorspronkelijk in 2015 vastgesteld en is sindsdien geactualiseerd om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en beleidswijzigingen. 5.6.2 Toetsing Industrielawaai Het plangebied is gelegen binnen de wettelijk geluidzone van het industrieterrein Botlek-Pernis. In het kader van het in 2022 vastgestelde bestemmingsplan Dorpshart Zwartewaal is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 3). Uit de geluidcontouren behorende bij het RAK blijkt dat de geluidbelasting in het gebied hoger is dan de maximale ontheffingswaarde uit de (toen geldende) Wet geluidhinder. Om die reden is gelijktijdig met het

38/89

bestemmingsplan Dorpshart Zwartewaal een Stap 3-besluit (op grond van de Interimwet stad-en-milieubenadering) vastgesteld waarmee de hogere waarden voor het industrieterrein Botlek-Pernis zijn vastgelegd (bijlage 4). Met de wijziging van het omgevingsplan wordt een aantal kleine aanpassingen aan de bouwvlakken mogelijk gemaakt. Deze aanpassingen in de verkaveling zijn dermate beperkt, dat deze niet van invloed zijn op de eerder met het Stap 3-besluit vastgestelde hogere waarden (zie notitie in bijlage 3). Dat geldt niet voor de 5 extra woningen die met de wijziging van het omgevingsplan worden mogelijk gemaakt in één van de bouwblokken aan het nieuwe dorpsplein. Hier werd in het bestemmingsplan uitgegaan van een commerciële plint met daarboven maximaal 11 woningen. Op basis van de huidige inzichten wordt gedacht aan een invulling met beneden-boven woningen (in totaal 16 woningen). Er is nog geen concreet uitgewerkt ontwerp beschikbaar. Waar het gaat om de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is van belang dat er nog geen omzetting naar GPP's heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat onder het overgangsrecht wordt getoetst op basis van de regels zoals golden onder de Wet geluidhinder. Op grond van de geluidcontouren bij het RAK bedraagt de geluidbelasting door het industrieterrein Botlek-Pernis ter plaatse van dit blok 56 – 59 dB(A).

Figuur 5.6.1 laat het bouwblok zien zoals getoetst in het akoestisch onderzoek in het kader van het bestemmingsplan. De 57 dB(A)-contour en 58 dB(A)-contour doorsnijden het bouwblok. Figuur 5.6.1 heeft ook als basis gediend voor de met het Stap 3-besluit vastgestelde hogere waarden. Voor 3 woningen binnen dit blok is afgestemd op de contouren uitgegaan van een hogere waarde van 59 dB(A), voor 6 woningen 58 dB(A) en voor 2 woningen 57 dB(A). Uit het akoestisch onderzoek voor het bestemmingsplan Dorpshart Zwartewaal blijkt dat de berekende geluidbelasting, zeker op de begane grond, aanzienlijk lager ligt (zie uitsnede figuur 5.6.1). Het verschil met de geluidbelasting op basis van de geluidcontouren wordt veroorzaakt door de afschermende bebouwing, waaronder de kerk ten noordoosten van het bouwblok en de school (onderdeel van de ontwikkeling van het dorpshart).

In het RAK (artikel 22) wordt de mogelijkheid geboden om in afwijking van de geluidcontouren een lagere hogere waarde vast te stellen, wanneer: uit onderzoek blijkt dat de berekende geluidwaarde lager is dan waarvan is uitgegaan bij het vastleggen van de RAK-contouren uit bijlage 2 en 3; óf uit onderzoek blijkt dat aan die hogere waarde door afscherming kan worden voldaan; afdoende maatregelen ter borging van die afscherming zijn getroffen; de betrokken gemeente voorafgaand aan het vaststellen van de hogere waarde met DCMR overleg heeft gepleegd. De kerk direct ten noorden van het bouwblok waar de 5 extra woningen worden mogelijk gemaakt, heeft in het bestemmingsplan Dorpshart Zwartewaal de waarde 'cultuurhistorie' gekregen met daaraan gekoppeld sloopverbod. Daarmee is de akoestische afscherming geborgd. Daarnaast is ook de nieuwe school binnen het besluitgebied inmiddels gerealiseerd. De gemeente kiest er daarom voor om voor de 5 extra woningen in de plint in afwijking van de RAK-contouren een hogere waarde van 55 dB(A) vast te stellen (de maximale ontheffingswaarde) zodat geen Stap 3-besluit nodig is. Dit hogere waardenbesluit voor de 5 extra woningen is opgenomen als bijlage 5 bij deze motivering. Aan dit hogere waarden besluit zijn dezelfde voorwaarden gekoppeld als aan het reeds vastgestelde Stap 3-besluit voor de bovengelegen woningen.

Deze voorwaarden hebben betrekking op het binnenniveau (en de daarmee samenhangende eisen voor de geluidwering van de gevels), lucht- en contactgeluidisolatie tussen de

39/89

woningen, de situering van de slaapkamers en de eventuele maatregelen ter plaatse van slaapkamers bij het ontbreken van een geluidluwe gevel. In combinatie met het eerder vastgestelde Stap 3-besluit (11 woningen) en de in het kader van deze wijziging van het omgevingsplan vast te stellen hogere waarde (5 woningen) wordt de geluidruimte van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein Botlek-Pernis gerespecteerd.'

Figuur 5.6.1 Geluidbelasting Botlek-Pernis ter plaatse van het bouwblok met 5 extra woningen (in blauw de RAK-contouren) Wegverkeerslawaai In het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan Dorpshart Zwartewaal is ook de geluidbelasting door het wegverkeer in beeld gebracht. Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van de systematiek en normering onder de Wet geluidhinder. Onder de Omgevingswet wordt voor de gemeentelijke weg niet langer per weg getoetst, maar alle wegen samen (standaardwaarde 53 dB, grenswaarde 70 dB). Daarnaast zijn er ook wijzigingen in de onderliggende rekensystematiek die van invloed kunnen zijn op de rekenresultaten. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden 5 extra woningen mogelijk gemaakt binnen het bouwblok aan het nieuwe dorpsplein. In het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan is ter plaatse van dit bouwblok een maximale geluidbelasting van 42 dB berekend (cumulatieve geluidbelasting wegverkeer, exclusief aftrek artikel 110 Wgh). Gezien de maximaal berekende geluidbelasting kan ook zonder actualisatie van het akoestisch onderzoek worden uitgesloten dat ter plaatse van de extra woningen sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde uit het Bkl.

Nestgeluid Binnen het plangebied dient rekening te worden gehouden met een mogelijke bijdrage van het nestgeluid aan de geluidbelasting ter plaatse. In het akoestisch onderzoek in het kader van het bestemmingsplan Dorpshart Zwartewaal zijn modelberekeningen uitgevoerd. Inmiddels is door de provincie Zuid-Holland een

40/89

Interim-werkwijze nestgeluid vastgesteld, die uitgaat van contouren. Figuur 5.6.2 laat de contouren zien ter hoogte van de kern Zwartewaal. Binnen het plangebied bedraagt de geluidbelasting door het nestgeluid 53/54 dB. Deze geluidbelasting wordt betrokken bij het bepalen van de cumulatieve geluidbelasting en het gezamenlijk geluid.

Figuur 5.6.2 Geluidcontouren nestgeluid (Interim-werkwijze) Gezamenlijk geluid In artikel 5.78ad van het Bkl is vastgelegd in welke situaties het gezamenlijk geluid moet worden bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan. Deze instructieregel geldt alleen voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen (niet voor geluidgevoelige gebouwen die reeds mogelijk zijn op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan). Zoals hiervoor toegelicht is ter plaatse van de 5 extra woningen die het TAM-omgevingsplan toestaat de geluidbelasting door het wegverkeer niet hoger dan de standaardwaarde en dient voor het industrielawaai vooralnog onder het overgangsrecht te worden getoetst op grond van de systematiek onder de voorheen geldende Wet geluidhinder. In het overgangsrecht is ook vastgelegd dat bij de technische bouwactiviteit op basis van de vastgestelde hogere waarde het gezamenlijk geluid wordt bepaald (artikel 4.103c, tweede lid, Bbl). Er is daarom geen aanleiding om het gezamenlijk geluid vast te leggen in het omgevingsplan. 5.6.3 Conclusie Het omgevingsplan voldoet aan de geldende instructieregels.

Met inachtneming van het reeds geldende Stap3-besluit, het daarop aanvullende hogere waardenbesluit voor de 5 extra woningen die met dit TAM-omgevingsplan mogelijk worden gemaakt en de in dat verband te treffen maatregelen bij de uitwerking van de bouwplannen, is voor de beoogde ontwikkeling sprake van een aanvaardbaar geluidniveau en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

41/89

5.7

Bodemkwaliteit

5.7.1 Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt een technische of ruimtelijke bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toegelaten. De nieuw te bouwen woning en bijbehorende bouwwerken (de laatste voor zover groter dan 50 m2), kwalificeren als een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89g Bkl). Op deze activiteit zijn de instructieregels van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl van toepassing. Deze instructieregels verplichten tot de volgende zaken: In het omgevingsplan opnemen van waarden voor de toelaatbare kwaliteit (artikel 5.89i Bkl); Het omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl); Als in het omgevingsplan is bepaald dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig is, worden in het omgevingsplan regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Tevens wordt in het omgevingsplan bepaald dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning resultaten van bodemonderzoek en gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen (artikel 5.89ka Bkl); Voor zover het bouwen van een bodemgevoelig gebouw niet vergunningplichtig is, bepaalt het omgevingsplan dat het verboden is een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden (artikel 5.89l Bkl); Een omgevingsplan bepaalt dat bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel 5.89k, zijn getroffen (artikel 5.89m Bkl). Met § 22.2.7.2 van de bruidsschat wordt voor een belangrijk deel invulling gegeven aan de instructieregels van het Bkl. Op grond van deze paragraaf bestaat een binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.26) met beoordelingsregels voor onder meer het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 22.29, eerste lid, onder c en artikel 22.30).

Tevens voorziet artikel 22.31 een informatieplicht als bedoeld in artikel 5.89m Bkl; deze is echter gekoppeld aan de omgevingsvergunning. Echter, de bruidsschatregels voldoen op de volgende punten niet (helemaal) aan de instructieregels van het Bkl: De vergunningplicht in de bruidsschat heeft geen betrekking op een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding hiervan, als bedoeld in artikel 22.27, onder a. Voor zover een bijbehoren bouwwerk > 50 m2 kwalificeert als een bodemgevoelig gebouw, zal de bouw ervan vergunning- of meldingsplichtig moeten zijn;

42/89

De informatieplicht als bedoeld in artikel 5.89m Bkl vloeit niet direct voort uit 22.31 van de bruidsschat maar via een nog aan een omgevingsvergunning te verbinden voorschrift. Omgevingsverordening In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.5.1 specifieke instructieregels met betrekking tot het thema grondwaterkwaliteit. Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de ontwikkeling voorziet in de realisatie van een grondwatergevoelig gebouw, als bedoeld in artikel 7.27 van de omgevingsverordening. § 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek) 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten. 2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. b.

het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. 5.7.2 Toetsing Gelet op artikel 5.89g van het Bkl zijn woningen bodemgevoelige gebouwen. Op grond van paragraaf 7.3.5.1 van omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn woningen gedefinieerd als grondwatergevoelige gebouwen. Volgens artikel 5.89i van het Bkl bevat een omgevingsplan waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Conform artikel 22.30 van de bruidsschat is de toelaatbare kwaliteit van de bodem gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. De bodemfunctieklasse van de gemeente Voorne aan Zee kent de functieklasse 'wonen' toe aan de planlocatie en de directe omgeving. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met deze classificatie en maakt aanpassing hiervan niet noodzakelijk. Bodemonderzoek In het kader van het bestemmingsplan “Dorpshart Zwartewaal” is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Dit onderzoek wordt in het kader van het voorliggende omgevingsplan nog steeds als voldoende relevant en actueel beschouwd. Sinds de uitvoering van het onderzoek hebben zich geen relevante wijzigingen voorgedaan in het gebruik of de aard van de locatie die aanleiding geven tot het vermoeden van gewijzigde

43/89

bodemomstandigheden. Gelet hierop wordt aangenomen dat het eerder uitgevoerde bodemonderzoek kan worden gebruikt ter motivering omtrent het aspect bodem. Om te beoordelen of de bodemkwaliteit geschikt is, is reeds bij het oorspronkelijke bestemmingsplan (2022) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het huidige of toekomstige gebruik. Uit het bodemonderzoek blijkt dat in delen van de locatie lichte verontreinigingen zijn aangetroffen, onder andere met bestrijdingsmiddelen, zware metalen, PAK’s, minerale olie en PCB’s. In een beperkt deel is sprake van zandige opvulling (dempingsmateriaal) met een lichte verontreiniging. De kleiige ondergrond blijkt overwegend schoon. Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties van enkele stoffen. PFAS is aangetroffen in gehalten die overwegend voldoen aan de normen voor de klasse “Wonen”, met één meting boven de hergebruikswaarde voor de klasse “Industrie”. Bij het asbestonderzoek is geen asbest aangetoond. Het onderzoek concludeert dat de hypothese ‘verdachte locatie’ voor asbest verworpen dient te worden, aangezien geen verontreinigingen met asbest zijn vastgesteld.

Op basis van de onderzoeksresultaten is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ voor overige verontreinigingen (strikt genomen) bevestigd vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en/of in het grondwater. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige functie. 5.7.3 Conclusie Gelet op de onderzoeksresultaten blijkt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering voor het beoogde gebruik van de locatie. De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor bodemkwaliteit. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. De ontwikkeling draagt voor het aspect bodem bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Geur

5.8.1 Algemeen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.6 instructieregels voor geur. Op basis van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De gemeente moet dus overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.

44/89

Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. 5.8.2 Toetsing en conclusie Met de ontwikkeling worden geen geurveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt. Er wordt met de ontwikkeling wel een geurgevoelige gebouw toegestaan. Onderzocht is of er sprake is van geur door activiteiten op de beoogde geurgevoelige gebouwen. Dit is niet aan de orde. Er zijn geen veehouderijen in de buurt van de planlocatie. Met uitzondering van het havengebied bevinden zich geen bedrijven in de omgeving van de planlocatie die geurhinder tot gevolg hebben. Zodoende is geen geurhinder op een geurgevoelig gebouw. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met de instructieregel in artikel 5.92 van het Bkl in de paragraaf over geur. De realisatie van de woningen op de planlocatie is gelet op het aspect geur aanvaardbaar. Op de website van DCMR wordt op basis van de vergunde activiteiten in het Rijnmond gebied inzicht gegeven in de cumulatieve geurbelasting. Uit deze informatie (zie onderstaande uitsnede) blijkt dat binnen de kern Zwartewaal de geurbelasting tussen de 0,5 en 1,0 odour units is gelegen. Onder de 0,5 odour units is geen sprake van geurhinder en boven de 5,0 odour units is sprake van ernstige geurhinder.

Binnen de planlocatie kan afhankelijk van windrichtingen sprake zijn van kans op geurwaarneming door industriële activiteiten en is enige hinder niet volledig uitgesloten. Gezien de geurbelasting tussen de 0,5 en 1,0 odour units is echter geen sprake van een onaanvaardbare geurhindersituatie die een belemmering oplevert voor de beoogde herontwikkeling.

Figuur 5.4.1. Geurbelasting ter hoogte van Zwartewaal (bron: www.dcmr.nl) Conclusie Voor het aspect geur vormt geen belemmering in kader van de uitvoering van het plan. De ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels voor het aspect geur, er zijn geen aanvullende regels noodzakelijk. Voorgaand toont aan dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

45/89

5.9 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 5.9.1 Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Op basis van artikel 5.130 lid 1 van het Bkl moet met een ontwikkeling rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Daarnaast worden met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 5.130 lid 2 subleden (a-e) opgenomen beginselen. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.

Omgevingsverordening De omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.7 specifieke instructieregels opgenomen ter bescherming van de landschappelijke waarden en ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A. 3. Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k,

46/89

7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat. Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. 3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

Verordening Fysieke Leefomgeving & Restverordening Erfgoedverordening Het archeologiebeleid van de gemeente Voorne aan Zee is vastgelegd in zowel de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) als de restverordening Erfgoedverordening. Alle regels met betrekking tot erfgoed die raken aan de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de VFL. De regels die niet raken aan de fysieke leefomgeving (zoals subsidieregelingen en andere ambtelijke zaken) zijn opgenomen in de restverordeningen.

5.9.2 Cultureel erfgoed Huidige situatie Op de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland zijn in de kern van Zwartewaal meerdere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. In hoofdopzet gaat het dan om de historische dorpskern rondom de Haven, met de karakteristiek structuur van een Havenkade, Dorpsstraat en Achterstraat. Een tweede waardevol element is het historisch lint in de vorm van Noordeinde – Havenkade – Kadeplein – Bernissedijk, wat tevens de voormalige zeewering is. Wat overigens opvalt aan de begrenzing van de historische dorpskern, is dat ook achter het Noordeinde nog een flink gebied als zodanig is aangewezen, zoals blijkt uit onderstaand figuur.

47/89

Figuur 5.9.1. Uitsnede cultuurhistorische atlas provincie Zuid Holland Achter de bebouwing aan het Noordeinde is echter alleen de Martinuskerk nog als cultuurhistorisch object aanwezig, deze is aangewezen als Rijksmonument en als zodanig ook op figuur 4.1. af te lezen. Over de Martinuskerk is de volgende beschrijving te vinden: 'De Martinuskerk vindt zijn oorsprong op een terp in de 12de eeuw. In zijn eerste vorm was het een houten kapel. Rond 1330 begon men aan de stenen kerk, die pas in 1400 gereed kwam. Vanaf 1461 hoorde deze katholieke kerk tot het Bisdom Utrecht. Na de reformatie werd het een Hervormde kerk. Het valt op, dat de kerk op een vreemde plaats achter de huizen staat. In de late Middeleeuwen stonden er boerderijen ten westen van de kerk, aan de Brielse Maas, die nog in open verbinding met de zee stond, alleen gescheiden door de Maasdijk. Door de vele dijkdoorbraken concentreerde de bewoning zich later op een veiliger plek, langs de oevers van de ‘Hollemare’, een kreek die in de huidige haven uitmondt.' Planvoornemen Het beoogde plan leidt niet tot aantasting van de beschreven waarden. Om te beginnen ligt het plangebied buiten de historische dorpskern. Daarnaast geldt dat het plan op niveau van het huidige maaiveld wordt gerealiseerd, waardoor het hoogteverschil met het Noordeinde en de bebouwing daarlangs goed zichtbaar blijft.

De Martinuskerk zelf is weliswaar in het omgevingsplan opgenomen, maar blijft als Rijksmonument ongewijzigd. Bij de vormgeving van de plannen is met de waarde van de kerk rekening gehouden. Door de realisatie van een plein rondom de kerk blijft de kerk als zelfstandig object herkenbaar en blijft nieuwe bebouwing op gepaste afstand. Ook de zichtlijnen op de kerk vanaf de Maasdijk blijven behouden door het veld ten oosten van het plangebied vrij te houden van bebouwing. Regeling In bestemmingsplan 'Dorpshart Zwartewaal' zijn de cultuurhistorische waarden beschermd door middel van de

48/89

dubbelbestemmingen 'Waarde - Cultuurhistorie'. Deze regeling is overgenomen in dit TAM-omgevingsplan in artikel 13. Doordat deze regeling is overgenomen, zijn de cultuurhistorische waarden binnen de plangrenzen beschermd en wordt er voldaan aan artikel 5.1.5.5 van het Bkl. Verder zijn de mogelijkheden voor de beoogde nieuwbouw gedetailleerd vastgelegd, waarmee nieuwbouw op gepaste afstand en met passende maatvoering wordt toegestaan. 5.9.3 Archeologie De gemeente Voorne aan Zee heeft eigen archeologiebeleid dat ter plaatse nog gebaseerd is op het archeologiebeleid van de voormalige gemeente Brielle. Bij de beleidsnota hoort ook een archeologische waarden en verwachtingenkaart. Daarin zijn op basis van literatuurstudies en eerdere vondsten verschillende zones met uiteenlopende archeologische verwachtingswaarden vastgelegd. Per zone is bepaald of en wanneer er archeologisch onderzoek nodig is voordat bouwen andere grondwerkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Een uitsnede van deze archeologische beleidskaart is opgenomen in onderstaand figuur.

Figuur 5.9.3. Uitsnede archeologische beleidskaart Uit deze uitsnede blijkt dat het plangebied grotendeels binnen de zone met een lage verwachting valt waar op basis van het archeologiebeleid geen onderzoek nodig is. In de uiterste oostkant van het plangebied, achter de Schoolstraat 1, valt een smal strookje van het plangebied nog net binnen de zone Waarde Archeologie 3, die is toegekend aan het historische bebouwingslint. Deze strook is door middel van een regeling 'waarde - archeolgie- 3' in dit omgevingsplan beschermd. De aanduiding regelt dat bij bouw- en grondwerkzaamheden die de genoemde drempelwaarden van 100 m2 en 30 cm te boven gaan, archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden De regeling uit het vigerende plan is overgenomen in dit TAM-omgevingsplan, waarmee voldaan wordt aan artikel 5.130 van het Bkl en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

49/89

5.9.4 Landschap en stedenbouw In het oorspronkelijke bestemmingsplan is beschreven hoe het stedenbouwkundig plan tot stand is gekomen en hoe daarmee uitgedacht en hoe daarbij rekening is gehouden met de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing in de omgeving. Daarin is beschreven dat het plangebied aan de rand van de historische dorpskern van Zwartewaal ligt. Het dorp ligt binnen een open polderlandschap met kenmerkende dijkstructuren en zichtlijnen. De ontwikkeling van het project Dorpshart Zwartewaal sluit aan op de bestaande dorpsstructuur en tast het omliggende landschap niet aan. Met het oog op de provinciale instructieregels ten aanzien van kwaliteit, wordt opgemerkt dat specifieke beschermingsregels met voorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen, hoofdzakelijk gericht zijn op de verschillende landschapstypen, structuren en elementen buiten de stads- en dorpskernen. Dergelijke beschermingsregels zijn binnen het werkingsgebied van dit TAM-omgevingsplan niet aan de orde. Wel geldt het algemene principe op basis van artikel 7.43a van de Omgevingsverordening, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toegestaan is als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

De richtpunten voor de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit zoals opgenomen in bijlage IX van de Omgevingsverordening, luiden voor dorpen als volgt: Elk dorp bouwt voort op de eigen identiteit en op de karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Ruimtelijke ontwikkelingen dragen bij aan de groen- en waterstructuren en recreatieve uitloopmogelijkheden in en rond het dorp. Ontwikkelingen dragen bij aan de leefbaarheid en vitaliteit van het dorp. De ruimtelijke mogelijkheden die met dit TAM-omgevingsplan nieuw mogelijk worden gemaakt, zoals beschreven in paragraaf 2.2.2, zijn van dusdanig, beperkte omvang dat het stedenbouwkundige idee achter Dorpshart Zwartewaal en de wijze waarop dit past binnen de dorpsstructuur, niet noemenswwaardig wijzigt. De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met het kwaliteitsbeleid van de provincie Zuid-Holland. 5.9.5 Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen.

In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (artikel 22.7, Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee), ofwel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29, Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee). Toetsing Voor de ontwikkeling van het Dorpshart Zwartewaal is aandacht gegeven aan een passende ruimtelijke en architectonische inpassing binnen de bestaande dorpsstructuur. De historische kern van Zwartewaal wordt gekenmerkt door kleinschalige bebouwing met een informele rooilijn, een afwisseling van geveltypes en een traditioneel materiaalgebruik, zoals baksteen, houten kozijnen en hellende daken met pannen. Deze kenmerken

50/89

vormen de basis voor de beeldkwaliteit van het nieuwe plan. Het plangebied ligt buiten de cultuurhistorisch begrensde dorpskern, maar sluit qua ruimtelijke karakter en maatvoering aan op de bestaande bebouwing langs het Noordeinde en de omgeving van de Martinuskerk. De zichtlijnen richting de Martinuskerk blijven behouden door het veld ten oosten van het plangebied vrij te houden van bebouwing en een plein rondom de kerk aan te leggen. De architectonische uitwerking van de bebouwing zal aansluiten bij de dorpse korrel en traditionele bouwstijl van Zwartewaal, met aandacht voor een gevarieerd gevelbeeld, gebruik van duurzame materialen en kleinschalige detaillering. De stedenbouwkundige opzet bevordert een heldere oriëntatie, een prettige verblijfskwaliteit en behoud van de herkenbare structuur van het dorpshart. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de uitgangspunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals opgenomen in het gemeentelijke beleid en sluit aan bij de principes van een zorgvuldige omgevingskwaliteit zoals beoogd onder de Omgevingswet. 5.9.6 Conclusie Gelet op bovenstaande subparagrafen, wordt voldaan aan de relevante instructieregels en draagt de ontwikkeling vanuit het oogpunt van de behandelde ontwerpen bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bedoeld in de Omgevingswet.

5.10 Mobiliteit en parkeren 5.10.1 Algemeen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De omgevingsverordening kent wel twee instructieregels met betrekking tot verkeer en parkeren. Op basis van artikel 7.45c dient de bereikbaarheid van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen beschouwd te worden. Op basis van artikel 7.45f schrijft de provincie bovendien een maximale parkeernorm voor nieuwe, sociale huurwoningen voor. Daarvoor geldt overigens een uitzondering voor situaties waarin de parkeernorm gebaseerd wordt op lokale regels of beleid ten aanzien van parkeren. In het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, dient bovendien te worden onderbouwd dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid van het omliggende wegennet. 5.10.2 Beoordeling en conclusie Parkeren De parkeerbehoefte is eerder berekend in het bestemmingsplan (2022) waarmee het oorspronkelijke plan van 85 woningen in combinatie met de maatschappelijke voorzieningen en een commerciële plint mogelijk werd gemaakt.

Met dat programma was oorspronkelijk sprake van een parkeerbehoefte van 221 parkeerplaatsen (normatief) en van 161 parkeerplaatsen op het maatgevende moment wanneer rekening wordt gehouden met dubbelgebruik. Nu de commerciële plint aan het nieuwe dorpsplein met dit TAM-omgevingsplan komt te vervallen en in plaats daarvan 5 extra woningen in het sociale huursegment aan het plan worden toegevoegd, is er aanleiding om de parkeerbehoefte opnieuw te berekenen.

51/89

Deze parkeerbehoefte is in deze paragraaf bepaald op basis van de 'Nota parkeernormen gemeente Voorne aan Zee, 2023'. De gemeentelijke parkeernormen van de gemeente Voorne aan Zee zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers uit CROW-publicatie 381. Met de toepassing van deze lokale beleidslijn, is de provinciale instructieregel over de maximale parkeernorm bij sociale huur, overigens niet langer aan de orde. Conform de gemeentelijke gebiedsindeling wordt voor de kern Zwartewaal uitgegaan van de kencijfers voor de rest bebouwde kom van een niet stedelijk gebied. Per kencijfer wordt het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. Voor de functie 'dorpshuis' zijn geen parkeernormen opgenomen in CROW-381. Daarom wordt aangesloten bij parkeerkencijfers uit CROW-publicatie 182 voor een 'cultureel centrum/wijkgebouw'. Tabel 5.10.1 Normatieve parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling Functie Aantal Parkeernorm Koop huis, 16 woningen 1,9 per woning twee-onder-één-kap (bewoners) Koop huis, vrijstaand 3 woningen 2 per woning (bewoners) Koop huis, tussen/hoek 21 woningen 1,7 per woning (bewoners) Huur huis, vrije sector 10 woningen 1,7 per woning (bewoners) Huur appartement, 16 woningen 1,1 per woning midden/goedkoop (incl.

sociale huur), <90m² (bewoners) Aanleunwoning/serviceflat 24 woningen 0,9 per woning (bewoners) Subtotaal woningen 90 woningen bewoners Subtotaal woningen 90 woningen 0,3 per woning bezoekers Dorpshuis 660 m² bvo 3,5 per 100 m² bvo Sportzaal 585 m² bvo 2,85 per 100 m² bvo Basisonderwijs 8 leslokalen 0,75 per leslokaal Subtotaal voorzieningen Totaal

Parkeerbehoefte (pp) 30,4

6 35,7 17 17,6

21,6 128,3 27 23,1 16,7 6 45,8 201,1

De normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt afgerond 198 parkeerplaatsen. Gezien de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is opgebouwd uit meerdere doelgroepen waarvan de parkeerbehoefte verschilt per weekmoment, kan bij het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen rekening worden gehouden met het toepassen van dubbelgebruik. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte per weekmoment is gebruik gemaakt van aanwezigheidspercentages afkomstig uit het gemeentelijke

52/89

parkeernormenbeleid. Binnen het gemeentelijke parkeerbeleid zijn geen aanwezigheidspercentages opgenomen voor een dorpshuis. Daarom wordt voor het dorpshuis gebruik gemaakt van aanwezigheidspercentages uit CROW-182 voor de doelgroep 'sociaal cultureel'. Tabel 5.10.2 Parkeerbehoefte per weekmoment na toepassing dubbelgebruik Doelgroep

Woningen bewoners Woningen bezoekers Dorpshuis Sportfuncties binnen Dagonderwijs Totaal

Werkdag ochtend

Werkdag middag

Werkdag avond

Werkdag nacht

Koopavond

50%

50%

90%

100%

80%

Zater-da Zater-da Zong mid- g avond dag dag middag 60% 80% 70%

pp 64,15 % 10%

64,15 20%

115,47 80%

128,3 0%

102,64 70%

76,98 60%

102,64 100%

89,81 70%

pp % pp %

2,7 10% 2,31 50%

5,4 40% 9,24 50%

21,6 100% 23,1 100%

0,0 0% 0,0 0%

18,9 100% 23,1 100%

16,2 60% 13,86 100%

27,0 90% 20,79 100%

18,9 25% 5,78 75%

pp 8,34 % 100%

8,34 100%

16,67 0%

0,0 0%

16,67 0%

16,67 0%

16,67 0%

12,5 0%

pp 6,0 83,50

6,0 93,13

0,0 176,84

0,0 128,3

0,0 161,31

0,0 123,71

0,0 167,1

0,0 126,99

%

Het maatgevende moment voor de beoogde ontwikkeling is de werkdag avond. Gedurende deze periode heeft de beoogde ontwikkeling een parkeerbehoefte van 177 parkeerplaatsen. Binnen de planontwikkeling wordt op basis van het stedenbouwkundig plan rekening gehouden met de realisatie van 223 parkeerplaatsen. Hiermee is na opvangen van de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling sprake van een restcapaciteit van (223 – 177 =) 46 parkeerplaatsen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Verkeer In het oorspronkelijke bestemmingsplan 'Dorpshart Zwartewaal' uit 2022 is de verkeersgeneratie van het destijds beoogde programma berekend op basis van kencijfers uit de destijds meest recente CROW-publicatie 381 'toekomstbestendig parkeren'. Het TAM-plan voorziet op onderdelen in een wijziging van dat programma. Ten opzichte van het voorgaande programma wordt er nu rekening gehouden met de realisatie van 5 extra woningen en komen de destijds beoogde commerciële voorzieningen te vervallen. Daarom is de verkeersgeneratie van de beoogde situatie opnieuw berekend. Hierbij zijn de gehanteerde uitgangspunten en kencijfers bijgesteld op punten daar waar sprake is van nieuwe relevante beleidsregels, zoals de 'Nota Parkeernormen Voorne aan Zee'.

Daarnaast zijn de CROW-kencijfers sinds de publicatie van het bestemmingsplan geactualiseerd in CROW-744 'Parkeerkencijfers 2024'.

53/89

Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt conform het gemeentelijke parkeerbeleid voor de kern Zwartewaal uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van 'niet stedelijk' en een ligging in 'rest bebouwde kom'. Verder wordt per kencijfer uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte. Niet voor alle beoogde functies zijn er verkeerskencijfers beschikbaar vanuit het CROW. Zo zijn er geen verkeerskencijfers beschikbaar voor een dorpshuis met een sociaal-culturele functie. Daarom is de verkeersgeneratie van het dorpshuis bepaald op basis van de berekende parkeerbehoefte. Hierbij wordt uitgegaan dat de parkeerplaatsen voor het dorpshuis op een maatgevende dag 5 maal per dag worden gebruikt rekening houdende met een maximale bezetting (worst case). Rekening houdende met aankomst en vertrek leidt dit tot een verkeersgeneratie van 10 mvt/etmaal per parkeerplaats. Ook voor basisscholen zijn er geen verkeerskencijfers beschikbaar vanuit het CROW. De basisschool bestaat uit 8 leslokalen. Op basis van de grootte van de kern wordt uitgegaan van gemiddeld 25 leerlingen per lokaal. Op basis van de centrale ligging wordt aangehouden dat maximaal 40% van de ouders de kinderen met de auto brengt. Rekening houdende met aankomst en vertrek zowel bij het wegbrengen en ophalen van de kinderen wordt gerekend met 4 mvt/etmaal per ouder.

In totaal komt dit neer op (25 x 0,4 x 4 =) 40 mvt/etmaal per leslokaal. In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekent. Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag is voor woongebieden conform CROW-744 een omrekenfactor van 1,11 toegepast. Tabel 5.10.3 Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling Functie Aantal Kencijfer Woonmilieutype Landelijk – Centrum-dorps (V) Dorpshuis Sportzaal School Totaal

Weekdag (mvt/etmaal) 567

Werkdag* (mvt/etmaal) 629,37

90 woningen

6,3 per woning

660 m² bvo (23,1 parkeerplaatsen) 585 m² bvo 8 lokalen

10 per parkeerplaats 231

231

13,15 per 100 m² bvo 76,93 40 per lokaal 320 1.194,93

76,93 320 1.257,3

Op basis van het gewijzigde programma waar dit TAM-omgevingsplan in voorziet, zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeersgeneratie van 1.257 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. In het oorspronkelijke bestemmingsplan is op basis van het destijds geldende programma rekening gehouden met een verkeerstoename van 1.371 mvt/etmaal. Met het gewijzigde programma uit dit TAM-omgevingsplan valt de verkeersgeneratie dus (1.371 – 1.257=) 114 mvt/etmaal lager uit. In het oorspronkelijke bestemmingsplan kwam uit de beoordeling van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid naar voren dat de planbijdrage niet leidt tot knelpunten op het omliggende wegennet. Nu de wijzigingen uit dit TAM-omgevingsplan leiden tot een lagere verkeersgeneratie dan waar oorspronkelijk vanuit werd gegaan, en aangezien er in de tussentijd geen relevante wijzigingen zijn opgetreden in de verkeerssituatie in de omgeving, concluderen we dat de wijzigingen uit dit TAM-omgevingsplan evenmin leiden tot knelpunten

54/89

in de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid. 5.10.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft een maatgevende parkeerbehoefte van 177 parkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de realisatie 223 parkeerplaatsen. Hiermee wordt ruimschoots voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd voor het opvangen van de volledige parkeerbehoefte binnen de projectlocatie. Op basis van het meest actuele programma zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 1.257 mvt/etmaal. Deze toename is lager dan gehanteerd in het oorspronkelijke bestemmingsplan (2022). Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot knelpunten op het omliggende wegennet op het gebied van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.11 Ecologie: soortenbescherming 5.11.1 Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen. Hieronder worden de bevindingen van de quickscan beschreven. 5.11.2 Toetsing In het kader van het bestemmingsplan Dorpshart Zwartewaal (vastgesteld op 16 november 2022) is voor het gehele plangebied een quickscan soortenonderzoek uitgevoerd. Op basis van deze quickscan kon de aanwezigheid van vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied) niet worden uitgesloten. Dit heeft geleid tot een aanvullend vleermuizenonderzoek. Deze onderzoeken zijn opgenomen als bijlagen 7 en 8. Beide onderzoeken dateren uit 2020. Volgens gangbare praktijk dienen ecologische onderzoeken na circa drie jaar te worden geactualiseerd, vanwege mogelijk veranderde omstandigheden in het plangebied.

Gezien de aard en beperkte ruimtelijke omvang van de beoogde ontwikkelingen wordt echter redelijkerwijs aangenomen dat de uitkomsten van de eerdere onderzoeken nog steeds representatief zijn. Er zijn geen aanwijzingen dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat dit tot een andere ecologische beoordeling zou leiden. Quickscan en vervolgonderzoek Onderstaand betreft een samenvatting van de conclusies en aanbevelingen vanuit de ecologische onderzoek. Het de quickscan blijkt dat in verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels het noodzakelijk is om de start van de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of op een manier te werken dat de vogels

55/89

niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Omgevingswet worden overtreden. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland. Het voorkomen van vogels met vaste rust en verblijfplaatsen, beschermde planten, beschermde vissen, beschermde reptielen en beschermde ongewervelden kan worden uitgesloten. Verder kan op basis van de quickscan de aanwezigheid van vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied) niet worden uitgesloten, wat ertoe heeft geleid dat een aanvullend vleermuizenonderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen effect verwacht wordt als gevolg van het plan op de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Een ontheffing of vergunning in het kader een flora en fauna activiteit is om die reden niet aan de orde. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten.

Voor en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden. 5.11.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat mogelijk sprake is van effecten op verblijvende vleermuizen. Om die reden is vervolgonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen. Uit dit aanvullende onderzoek blijkt dat het plan uitvoerbaar is en dat geen sprake is van belemmeringen in het kader van soortenbescherming. Er is dan ook geen vervolgonderzoek, vrijstelling of omgevingsvergunning vereist voor flora- en fauna-activiteiten. Ten aanzien van overige beschermde soorten geldt dat met mitigerende maatregelen en het uitvoeren van werkzaamheden buiten de broedperiode overtreding van de verbodsbepalingen kan worden voorkomen. Aanvullende handelingen of ontheffingen zijn in dat kader niet noodzakelijk. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, vanuit het oogpunt van soortenbescherming, bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bedoeld in de Omgevingswet. Er kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van het aspect ecologie in het kader van dit wijzigingsbesluit geen sprake is van een evident onuitvoerbaar plan.

5.12 Ecologie: gebiedsbescherming 5.12.1 Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

56/89

5.12.2 Toetsing Het plangebied is geen onderdeel van een natuur of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 gebied Voornes Duin ligt op circa 8,9 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 550 meter (figuur 5.12.1).

Figuur 5.12.1 Ligging plangebied (rood gemarkeerd) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid-Holland) Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze berekening ziet zowel op de aanlegfase als de gebruiksfase. In bijlage 9 zijn de begeleidende notitie en de achterliggende stikstofberekeningen opgenomen, waaruit blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. 5.12.3 Conclusie Aangetoond is dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet aantast en daarmee voldoet aan artikel 10.24 Bkl.

57/89

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: a. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en; b. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De ontwikkelende partij realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De ontwikkelende partij heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan het eerste vereiste voldaan. Kostenverhaal Met de wijziging van het omgevingsplan wordt een kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk gemaakt, namelijk: de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie. In dit geval bestaat het plangebied (inmiddels) volledig uit gemeentelijk grondeigendom, waardoor het kostenverhaal van gemeentelijke kosten geborgd is via de gemeentelijke gronduitgifte. Er is zodoende geen aanleiding om kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen.

Conclusie Uit het bovenstaande volgt dat de ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

58/89

Hoofdstuk 7

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of er is sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het relevante beleidskader en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In hoofdstuk 4 en 5 zijn de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven. Hieruit volgt of de ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Samengevat: Op basis van de beleidstoets, de onderbouwing van het beoordelingskader en de daaruit voortvloeiende belangenafweging, moeten voor de volgende aspecten de daarbij genoemde (aanvullende) bepalingen worden opgenomen, eventuele maatregelen worden genomen of worden voldaan aan gestelde voorwaarden om te voldoen aan het beleid en de instructieregels. Op voor het aspect water aan de compensatie-eis van het Waterschap te voldoen, dient deze (verder) te worden aangelegd conform de daarvoor reeds verleende watervergunning; Om voor het aspect geluid te voldoen aan de instructieregels en een aanvaardbaar geluidniveau te bereiken, dient bij de realisatie van woningen voldaan te worden aan de voorwaarden zoals gesteld in het Stap3-besluit (d.d. 16-11-2022) en het (in samenhang met dit TAM-omgevingsplan genomen) hogere waarden besluit.

Om voor het aspect bodem overeen te stemmen met de instructieregels van het Bkl is een aanvullende bepaling opgenomen in de regels: het bouwen van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2, voor zover in de bruidsschat als vergunningvrij bouwwerk aangewezen, is een vergunningplichtige activiteit. Voor de bouw van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2 wordt door een aanvulling op de bruidsschat een vergunningplicht opgenomen. Conclusie Uit de integrale beoordeling van het beleid en instructieregels volgt dat er een balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die de locatie binnen het gebied kan vervullen. De ontwikkeling kan in dit wijzigingsbesluit mogelijk worden gemaakt want er wordt voldaan aan de instructieregels en de ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

59/89

Regels Preambule Dit plan beoogt diverse nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het project Dorpshart Zwartewaal mogelijk maken binnen het werkingsgebied van dit TAM-omgevingsplan, wat correspondeert met het plangebied van het oorspronkelijk bestemmingsplan Dorpshart Zwartewaal uit 2022. Juridisch is dit plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22g van het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22g' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22g' gelezen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16860395/2