CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 vaststelling TAM-Omgevingsplan H22G Dorpshart Zwartewaal

Raadsvergadering 4 juni 2026, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) IMRO Dorpshart Zwartewaal23.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

60/89

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Inleidende regels

Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen: 1.1 toepassing omgevingsplan artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken 1.2 plan het TAM-Omgevingsplan H22g Dorpshart Zwartewaal met identificatienummer NL.IMRO.1992.OPDorpshrtZWL-0130 van de gemeente Voorne aan Zee.

1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.5 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.6 beroep of bedrijf aan huis beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend. 1.7 (bestaande) legale bouwwerken bouwwerken die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bij omgevingsvergunning tot stand zijn gekomen of nog kunnen komen. 1.8 bevoegd gezag het bevoegd gezag zoals bedoeld in het Omgevingsbesluit. 1.9 bouwwerkperceel perceel dat als uitgangspunt dient bij het toetsen van een bouwwerk aan de regels van dit besluit.

61/89

1.10 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.11 dakkapel een constructie ter vergroting van een gebouw die zich tussen de dakvoet en de daknok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de daknok is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.12 dakopbouw een constructie ter vergroting van een gebouw die zich boven de dakvoet bevindt waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke daknok uitkomt en de onderzijden van de constructie in een of beide dakvlakken is zijn geplaatst. 1.13 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop het verkopen en of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.14 gebouw bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.15 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwwerkperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.16 huishouden één of meer personen die een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.

1.17 kamerverhuur de (gedeeltelijke) verhuur van een woning via kameruitgifte, waarbij kamers geen zelfstandige woonruimte vormen door het ontbreken van wezenlijke voorzieningen zoals een eigen kook- en/of wasgelegenheid en/of toilet. 1.18 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten het in een woning door een bewoner, al dan niet in samenwerking met anderen, op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, zoals een kapsalon, een nagelstudio of een hoefsmid, waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past en de aard en omvang van de activiteiten zodanig zijn dat deze geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving.

62/89

1.19 mantelzorgwoning een woning, op het perceel van een woning van iemand die zorg nodig heeft. De mantelzorgwoning is bedoeld voor de zorgverlener (vriend, familielid). Het is ook mogelijk dat de persoon die zorg nodig heeft in de mantelzorgwoning woont. In dat geval woont de zorgverlener in het hoofdgebouw. 1.20 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie 1.21 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak 1.22 paardenbak een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining. 1.23 platte afdekking een horizontaal vlak, ter afdekking van een gebouw, dat meer dan tweederde van de grondoppervlakte van het gebouw beslaat. 1.24 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar de aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen: a.

een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon; b. een seksbioscoop of sekstheater; c. een seksautomatenhal; d. een seksclub of parenclub; al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met een sekswinkel. 1.25 straatpeil a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. 1.26 voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.27 voorgevelrooilijn de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.

63/89

1.28 wonen het gebruik van een woning voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. 1.29 woning Een complex van besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden. 1.30 woningsplitsing Het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer woningen. 1.31 zelfstandige woonruimte Onder zelfstandige bewoning wordt verstaan de woning welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning.

64/89

Artikel 2

Toepassingsbereik

a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Dorpshart Zwartewaal, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1992.OPDorpshrtZWL-0130.

65/89

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: 3.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn. 3.2 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 3.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 3.4 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 3.5

inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de beganegrondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 3.6 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

66/89

Artikel 4

Algemeen gebruiksverbod

Niet genoemde activiteiten en activiteiten die in strijd zijn met dit plan zijn niet toegestaan.

67/89

Hoofdstuk 2 Artikel 5

Regels voor functies en activiteiten

Groen

5.1 Functieomschrijving In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.

groenvoorzieningen; bermen en beplanting; paden; voorzieningen van algemeen nut; kunstwerken; waterlopen en waterpartijen; speelvoorzieningen; afvalcontainers; voorzieningen van beeldende kunst; ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein': tevens het parkeren; de daarbij behorende voorzieningen.

5.2 Beoordelingsregels bouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels: 5.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie 'Groen' uitsluitend worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 15 m² 5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de bouwhoogte en oppervlakte (indien bovengronds) van afvalcontainers mag niet meer bedragen dan 2 meter respectievelijk 4 m²; de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 12 meter; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van beeldende kunst, mag niet meer bedragen dan 3 meter.

68/89

Artikel 6

Maatschappelijk - 1

6.1 Functieomschrijving In het voor 'Maatschappelijk - 1' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening; met de daarbij behorende: b. wegen en paden; c. groenvoorzieningen; d. parkeervoorzieningen. 6.2 Beoordelingsregels bouwen 6.2.1 Algemeen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding 6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1 meter; b. de bouwhoogte van tuinmeubilair mag niet meer bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat de hoogte van tuinmeubilair buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 2 meter; c. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d.

de bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag niet meer bedragen dan 5 meter; e. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 12 meter; f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1 meter.

69/89

Artikel 7

Maatschappelijk - 2

functieomschrijving In het voor 'Maatschappelijk - 2' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. een dorpshuis met dien verstande dat het bruto-vloeroppervlak van het dorpshuis ten hoogste 660 m2 bedraagt; b. een sportzaal, daaronder begrepen ook sportverenigingen en behandelruimten met dien verstande dat het bruto-vloeroppervlak van de sportzaal, inclusief sportverenigingen en behandelruimten, ten hoogste 585 m2 bedraagt; c. ter plaatse van de aanduiding 'onderwijs': tevens een basisschool; met de daarbij behorende: d. wegen en paden; e. groenvoorzieningen; f. parkeervoorzieningen. 7.1 Beoordelingsregels bouwen 7.1.1 Algemeen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen : a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding. 7.1.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter; b.

de bouwhoogte van tuinmeubilair mag niet meer bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat de hoogte van tuinmeubilair buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 2 meter; c. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag niet meer bedragen dan 5 meter; e. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 12 meter; f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1 meter.

70/89

Artikel 8

Verkeer

8.1 Functieomschrijving In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: het aanleggen, in gebruik nemen en in standhouden van: a. wegen, straten en paden; b. voet- en rijwielpaden; c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting; e. straatmeubilair; f. afvalcontainers; g. geluidwerende voorzieningen; h. speelvoorzieningen; i. voorzieningen van algemeen nut; j. kunstwerken; k. voorzieningen van beeldende kunst; l. waterlopen, waterbergingen en waterpartijen; m. de daarbij behorende voorzieningen. 8.2

Beoordelingsregels bouwen

8.2.1 Algemeen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd; b. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen; c. de oppervlakte mag niet meer dan 15 m² bedragen. 8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a. de bouwhoogte van lichtmasten, bewegwijzering en verkeersregulering mag niet meer bedragen dan 12 meter; b. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 3 meter; c. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte en oppervlakte (indien bovengronds) van afvalcontainers mag niet meer bedragen dan 2 meter respectievelijk 4 m²; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1 meter.

71/89

Artikel 9

Verkeer - Verblijfsgebied

9.1 Functieomschrijving In het voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: het aanleggen, in gebruik nemen en in standhouden van: a. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen, daaronder ook begrepen terrassen; b. voet- en rijwielpaden; c. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting; d. straatmeubilair; e. afvalcontainers; f. geluidwerende voorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. voorzieningen van algemeen nut; i. kunstwerken; j. voorzieningen van beeldende kunst; k. waterlopen, waterbergingen en waterpartijen; l. de daarbij behorende voorzieningen. 9.2 Beoordelingsregels bouwen 9.2.1 Gebouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd; b. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen; c. de oppervlakte mag niet meer dan 15 m² bedragen. 9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a. de bouwhoogte van lichtmasten, bewegwijzering en verkeersregulering mag niet meer bedragen dan 12 meter; b.

de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 3 meter; c. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte en oppervlakte (indien bovengronds) van afvalcontainers mag niet meer bedragen dan 2 meter respectievelijk 4 m²; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1 meter.

72/89

Artikel 10 Water In het voor 'Water' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: het aanleggen, in gebruik nemen en in standhouden van: a. b. c. d. e. f.

waterberging; waterhuishouding; waterlopen en waterpartijen; groenvoorzieningen; infiltratievoorzieningen; kruisingen en overbruggingen ten behoeve van de ontsluiting van aangrenzende bouwpercelen en langzaam verkeer; g. kunstwerken; h. de daarbij behorende voorzieningen. 10.1 Beoordelingsregels bouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels: 9.2.1 Gebouwen In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bouwwerken: a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.

73/89

Artikel 11 Wonen 11.1 Functieomschrijving In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 60 m²; met de daarbij behorende: b. tuinen en erven; c. parkeervoorzieningen 11.2 Beperking vergunningvrij artikel 22.27 Artikel 22.27 , aanhef en onder a, van dit omgevingsplan, wordt als volgt aangevuld: 7° en, voor zover het bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan kwalificeert als een bodemgevoelig gebouw, de oppervlakte ervan niet meer bedraagt dan 50 m2. 11.3

Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden ook de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van woningen: a. woningen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; indien binnen een bouwvlak de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouw' is opgenomen, mogen woningen binnen dat bouwvlak uitsluitend binnen het betreffende aanduidingsvlak gebouwd worden; b. de voorgevel van een woning dient gebouwd te worden in de voorste bouwvlakgrens, of ten hoogste 2 m daarachter met dien verstande dat de voorgevel in dat geval naar de voorste bouwvlakgrens gericht moet zijn; c. woningen zijn toegestaan in de vorm van : 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand': vrijstaand; 2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen': twee-aaneen gebouwd of geschakeld; 3. ter plaatse van de aanduiding 'aangebouwd': aaneengebouwd; 4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld': gestapeld; d. 'het maximum aantal woningen bedraagt het aantal zoals ter plaatse aangeduid met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. e. de minimale afstand tussen woningen en de achterste perceelsgrens bedraagt 5 meter; f. de goot- en bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan is aangegeven met de aanduiding 'maximum goothoogte, maximum bouwhoogte'; g. de dakhelling van woningen bedraagt minimaal 30° en maximaal 60°.

11.3.1 Bijbehorende bouwwerken bouwen In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken:

74/89

a. bijbehorende bouwwerken dienen te worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. in afwijking van het bepaalde onder a, mag de voorste bouwvlakgrens overschreden worden door erkers, met dien verstande dat de diepte daarvan maximaal 1,2 m vanuit de gevel van de woning bedraagt en de erker niet verder reikt dan de helft van de afstand tussen de voorste bouwvlakgrens en de bestemmingsgrens aan diezelfde zijde; c. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m; d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 4,5 m e. de minimale afstand tot de voorgevellijn van de woning bedraagt 1 meter; f. in afwijking van het bepaalde in sub a, c en d geldt dat: 1. de voorgevellijn uitsluitend overschreden mag worden voor erkers, mits de diepte niet meer bedraagt dan 50% van de afstand tussen de bouwgrens en de weg of openbaar groen, met een maximum van 1,2 meter; g. de maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per woning bedraagt maximaal 50 m2, met dien verstande dat per bouwperceel de gronden binnen het bouwvlak exclusief de grond onder de woning, maximaal 50% bebouwd mag zijn met bijbehorende bouwwerken. 11.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwen In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 meter; b. de bouwhoogte van tuinmeubilair mag niet meer bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat de hoogte van tuinmeubilair vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 2 meter; c. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag niet meer bedragen dan 5 meter; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw en geen overkapping zijnde, mag niet meer bedragen dan 1 meter.

11.4 Vergunningplicht voor afwijken van de bouwregels 11.4.1 Afwijken bouwactiviteit Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met lid 11.3 onder g voor: a. de bouw van hoofdgebouwen met een kap met een afwijkende dakhelling. 11.4.2 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.4.1 wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige aantasting plaatsvindt van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit. 11.5 Specifieke functieregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. de functie wonen als bedoeld in lid 11.1 onder a, is uitsluitend toegestaan als is aangetoond dat wordt voldaan aan: 1. de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder;

75/89

2. de hogere waarden (en bijbehorende voorwaarden) uit het Stap 3-besluit op grond van de Interimwet stad-en-milieubenadering d.d. 16-11-2022; 3. of de hogere waarden (en bijbehorende voorwaarden) uit het hogere waardebesluit d.d. 04-06-2026; b. permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft, bewoning als afhankelijke woonruimte en kamerbewoning is niet toegestaan; c. woningsplitsing is niet toegestaan; d. kamerverhuur is niet toegestaan. 11.6

Voorwaardelijke verplichting geluidwerende voorziening

a. Het in gebruik nemen van woningen als bedoeld in lid 11.1 onder a, is binnen bouwvlakken waar tevens de aanduiding 'overige zone - geluidwerende voorziening' (gedeeltelijk) van toepassing is uitsluitend toegestaan voor zover: 1. binnen het aanduidingsvlak 'overige zone - geluidwerende voorziening' is voorzien in een geluidwerende voorziening; 2. de geluidwerende voorziening als bedoeld onder 1 een afscherming vormt over de volledige breedte van de naar de betreffende woningen toe gekeerde zijde van de bestemming Maatschappelijk - 1; 3. de bouwhoogte van de geluidwerende voorziening ten minste 2 m bedraagt; 4. voor zover de geluidwerende voorziening wordt vormgegeven als erfafscheiding van de woningen, is in afwijking van het bepaalde onder 2 en 3 per woning ten hoogste één afsluitbare opening toegestaan in de geluidwerende voorziening voor het betreden van het erf van de woning; 5. de afschermende voorziening mag zijn opgebouwd uit meerdere bouwwerken, waaronder bijbehorende bouwwerken, voor zover voldaan wordt aan een gewicht van ten minste 10 kg/m2 en uitgevoerd zonder naden, kieren of andere openingen, anders dan bedoeld onder 4. 11.7

Vergunningplicht voor afwijken van de gebruiksregels

11.7.1 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten Met een omgevingsvergunning kan een gebruiksactiviteit worden toegelaten die in strijd is met lid 11.1 voor het gebruik van de woningen en aan- en uitbouwen ten behoeve van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, met dien verstande dat: a. de woonfunctie als primaire functie wordt gehandhaafd; b. geen afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de omgeving; c. bij de beoordeling van het verzoek om vrijstelling de verkeersaantrekkende werking mede in beschouwing wordt genomen; d. het vloeroppervlak in gebruik voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten, ten hoogste 60 m² mag bedragen; e. geen detailhandel mag plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop voortvloeiende uit en ondergeschikt aan de uitoefening van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

76/89

Artikel 12 Waarde - Archeologie - 3 12.1 Functieomschrijving Het voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 12.2 Beoordelingsregels bouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels: a. bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen waarbij het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 100 m² en de bodemingreep dieper is dan 0,30 meter dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3.

de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 1. Het is verboden ter plaatse van het voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gebied zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, aan te leggen of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 meter bedraagt; f.

het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,3 meter; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,3 meter; h. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem

77/89

verstoren op een grotere diepte dan 0,3 meter; i. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,3 meter; j. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,3 meter, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt. 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 is geen omgevingsvergunning vereist, indien de werken en werkzaamheden: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 12.4 Beoordelingsregels bouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels: a. de omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in 12.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal; b.

voor zover de in 12.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, 3. de verplichting de uit te voeren werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. c. de omgevingsvergunning wordt niet eerder verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

78/89

Artikel 13 Waarde - Cultuurhistorie 13.1 Functieomschrijving Het voor Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functies mede bedoeld voor: a. de bescherming en de veiligstelling van de cultuurhistorische waarden welke samenhangen met het historisch kerngebied van het beschermde stadsgezicht. 13.2 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding ‘Waarde - Cultuurhistorie’ een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen, te verbouwen en/of uit te breiden. 13.2.1 Hardheidsclausule Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met lid 13.2 voor het verbouwen en/of uitbreiden bouwwerken indien strikte toepassing zou leiden tot een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van de gronden en bouwwerken onder de voorwaarde dat de verbouw en/of uitbreiding geen onevenredige beschadiging van het bouwwerk en/of wezenlijke aantasting van de cultuurhistorische waarde van het bouwwerk of de samenhang van gebouwen tot gevolg hebben, tenzij het herstel van de oorspronkelijke waarde betreft. Onder onevenredige beschadiging wordt in ieder geval verstaan: a. het geheel slopen van het bouwwerk; b. het substantieel wijzigen van de bouwmassa; c. het aanbrengen van substantiële wijzigingen aan de gevel en/of dakvorm.

79/89

Artikel 14 Waterstaat - Waterkering 14.1 Functieomschrijving Het voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functies mede bedoeld voor de waterkering. 14.2 Beoordelingsregels bouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels: a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 14.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m; c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van (bestaande) legale bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 14.3 Vergunningplicht bouwactiviteit Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met lid 14.2 onder c, indien de bij de betrokken functie behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Hiertoe wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.

80/89

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 15 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

81/89

Artikel 16 Algemene bouwregels 16.1 Algemene bepaling m.b.t. ondergronds bouwen 16.1.1 Ondergrondse werken Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 16.1.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²; c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter onder peil; d. bij het berekenen van de blijkens de digitale verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen. 16.1.3 Vergunningplicht voor ondergrondse bouwwerken Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met artikel 16.1.2 sub c voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.

16.1.4 Beoordelingsregel bouwen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. 16.2 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten 16.2.1 Maximale maatvoering Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van (bestaande) legale bouwwerken, die gebouwd zijn op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan meer bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

82/89

16.2.2 Minimale maatvoering In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van (bestaande) legale bouwwerken, die gebouwd zijn op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. 16.2.3 Heroprichting In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 16.2.2 en 16.2.3 uitsluitend van toepassing indien herbouw geschiedt op dezelfde plaats.

83/89

Artikel 17 Algemene gebruiksregels a. Het is verboden de in hoofdstuk 2 bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de functieomschrijving.

84/89

Artikel 18 Algemene aanduidingsregels 18.1 geluidzone - industrie 18.1.1 Geen geluidsgevoelige objecten Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn geen geluidsgevoelige objecten toegestaan, anders dan geluidsgevoelige objecten die reeds op grond van hoofdstuk 2 zijn toegestaan. 18.1.2 Afwijking Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 18.1.1 indien: a. uit akoestisch onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder niet wordt overschreden; b. of er ten behoeve van de geluidsgevoelige objecten hogere waarden zijn vastgesteld en aan die hogere waarden (en de daaraan verbonden voorwaarden) wordt voldaan.

85/89

Artikel 19 Overschrijding maatvoering en bouwgrenzen 19.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning: a. de in hoofdstuk 2 voorgeschreven maatvoeringen te overschrijden; b. de in hoofdstuk 2 voorgeschreven bouwgrenzen te overschrijden; c. de in hoofdstuk 2 voorgeschreven bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te overschrijden. 19.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1. De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 19.1 onder a kan worden verleend indien: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de gebruiksactiviteiten gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken b. de in de regels uit Hoofdstuk 2 voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10% wordt overschreden. 2. De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 19.1 onder b kan worden verleend indien: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de gebruiksactiviteiten gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. de regels uit Hoofdstuk 2 ten aanzien van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft; c. de regels uit Hoofdstuk 2 ten aanzien van bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft. 3.

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 19.1 onder c kan worden verleend indien: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de gebruiksactiviteiten gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. de regels uit Hoofdstuk 2 ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde wordt vergroot tot maximaal 10 meter.

86/89

Artikel 20 Overige regels 20.1 Parkeren a. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein, zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan. b. De onder a. genoemde parkeergelegenheid moet in stand worden gehouden. c. Met een maatwerk- of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde onder a als: 1. op andere wijze in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien; 2. het voldoen aan het bepaalde onder a door bijzondere omstandigheden op onevenredige bezwaren stuit.

87/89

Artikel 21 Aanvraagvereisten De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan.

88/89

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16860395/2