(bijlage 1) bp oude goote
Tekst van het document
Het plangebied ligt binnen een dorps/suburbaan woonmilieu en sluit daarom aan bij de behoefte vanuit de regio. In de Woonvisie Voorne-Putten is er voor gekozen om de focus bij nieuwbouw te leggen op het aanbod dat ontbreekt. Daarnaast blijft het van belang om in de nieuwbouw een gevarieerd aanbod te bieden. Op basis van de huidige woningvoorraad en woonmilieus en de toekomstige vraag is er vooral behoefte aan dorpse en landelijke woonmilieus. Het woningaanbod binnen het plangebied beslaat in totaal 800 woningen met bijbehorende (infrastructurele) voorzieningen. Er is sprake in het plangebied van een gedifferentieerd woningbouwbouwprogramma, bedoeld voor uiteenlopende doelgroepen, waaronder (door)starters, gezinnen en senioren. Voor wat betreft de woningtypen gaat het om vrijstaande woningen, twee-onder-één-kap woningen, rijenwoningen en gestapelde woningen. Wanneer het programma wordt vergeleken met de behoefte, wordt gesteld dat er sprake is van een kwalitatieve behoefte. Ligt de stedelijke ontwikkeling in bestaand stads- en dorpsgebied Het plangebied ligt net buiten het bestaande stedelijk gebied van Brielle, maar zal hier in de toekomst (mede als gevolg van voorliggende ontwikkelingen) wel toe gaan behoren. Binnen het bestaande stedelijk gebied van Brielle zijn geen geschikte locaties meer aanwezig om de woningaantallen zoals vervat in voorliggend plan te kunnen opvangen.
Ook zijn er geen gronden in de kern van Brielle meer beschikbaar die door herstructurering of transformatie als zodanig geschikt te maken zijn. Alle gronden binnen en nabij de kern worden in de huidige situatie benut ten behoeve van een bepaalde functie en het is niet te verwachten dat op korte termijn een functie wordt beëindigd waardoor voldoende ruimte beschikbaar komt voor de gewenste woningbouw. Daarnaast is meervoudig ruimtegebruik, gezien de functie, geen optie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp Voldoende aannemelijk is gemaakt dat binnen het bestaand stedelijk gebied redelijkerwijs geen locaties aanwezig zijn of geschikt te maken zijn voor de ontwikkeling van 800 woningen. Het uitbreiden van de bestaande kern is dan ook noodzakelijk, teneinde te kunnen voorzien in de lokale behoefte. Het plangebied grenst aan bestaande woonwijken, die tevens recent in ontwikkeling zijn gebracht, en vormt hierdoor een logische uitbreidingslocatie. Conclusie toetsing aan de ladder Gebaseerd op het bovenstaande, de prognoses en het woningbouwprogramma kan worden gesteld dat er sprake is van een kwantitatieve en een kwalitatieve behoefte aan onderhavig plan. 4.1.3
Conclusie toetsing aan het rijksbeleid
Geconcludeerd kan worden dat het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
4.2.1.1 Algemeen Het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie is op 7 augustus 2021 geactualiseerd vastgesteld door de provincie Zuid-Holland en is opgesteld in kader van de Omgevingswet die in 2022 in werking treedt. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De provincie stelt in het document 'inleiding' dat onderdeel is van de Omgevingsvisie, de visie, ambities en opgaven voor de provincie. Het omvat 6 richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: • • • • • •
Naar een klimaatbestendige delta; Naar een nieuwe economie: the next level; Naar een levendige meerkernige metropool; Energievernieuwing; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Naast de 6 ambities benoemt de provincie 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' in de Omgevingsvisie die vanuit provinciaal belang zijn ontwikkeld. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners. De 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' zijn als volgt: • • • • • • • • • • • •
Landschap en cultuurhistorie; Gezondheid en veiligheid; Natuur en recreatie; Ruimte en verstedelijking; Wonen; Bodem en ondergrond; Cultuurparticipatie en bibliotheken; Klimaatadaptie; Zoetwater en drinkwater; Bereikbaarheid; Regionale economie; Energievoorziening.
Naast de inleiding zijn het 'Programma Ruimte' en de 'Kwaliteitskaart' onderdeel van de Omgevingsvisie. Het 'Programma Ruimte' bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het dan om locatie specifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. De kwaliteitskaart is weergeven in de 'bijlage ruimtelijke kwaliteit' waarin vier kaartlagen afzonderlijk zijn opgenomen en toegelicht. De kwaliteitskaart bevat de volgende lagen: 1. 2. 3. 4.
Laag van de ondergrond. Dit gaat over de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen; Laag van de cultuur-en natuurlandschappen. Dit gaat over de laag van het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut; Laag van de stedelijke occupatie. Deze gaat over de steden en dorpen en hun onderlinge netwerken; Laag van de beleving. Dit gaat over identiteit en (recreatieve) beleving.
Deze lagen hebben een relatie met elkaar. De lagen bevatten richtpunten die de bestaande kenmerken en waarden beschrijven. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten deze kenmerken en waarden een rol spelen bij de overweging, de plaatsing en de vormgeving van het initiatief. 4.2.1.2 Doorwerking van het initiatief in de Omgevingsvisie Zuid-Holland Voorliggende ontwikkeling wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Zuid-Holland aan de hand van de regelgeving waarin de rode draden van het beleid zijn uitgewerkt. Ook in het stedenbouwkundig plan en in de laddertoetsing is uitgebreid ingegaan op het provinciale beleid en hoe dit is vertaald in het plan. Kortheidshalve wordt ook hiernaar verwezen. A. de ladder voor duurzame verstedelijking De rijksladder is getoetst in paragraaf 4.1.2. De aanvullingen zoals opgenomen in de provinciale ladder zijn getoetst in paragraaf 4.2.2. Voor de toetsing aan de ladder wordt naar deze paragrafen verwezen. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Ladder voor duurzame verstedelijking. B. de integrale kwaliteitskaart De integrale kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. De kwaliteitskaart is uitgewerkt in een aantal specifieke richtpunten per laag.
Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. Laag van de ondergrond Deze laag gaat over de grondslag van de provincie en natuurlijke (landschapsvormende) processen. De laag bestaat uit de bodem, de geomorfologische kenmerken en het water. Binnen Zuid-Holland is daarbij grofweg een driedeling te maken tussen het complex van de kust (strand, duinen, strandwallen en strandvlakten), de natte veengronden en plassen ten oosten hiervan en de kleicomplexen en wateren van de delta. Op basis van deze laag is het plangebied gelegen in het rivierendeltacomplex in het jonge zeeklei. ‘Rivierdeltacomplex – Jonge zeeklei’ Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen.
Richtpunt: • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp Toetsing van het initiatief aan de laag van de ondergrond De oorspronkelijke kenmerken van deze laag zijn ter plaatse van het plangebied nauwelijks nog waarneembaar. Dit heeft met name te maken met het feit dat het gebied in cultuur is gebracht ten behoeve van de landbouw en teelt. Bij de hoofdopzet van het stedenbouwkundig plan is aansluiting gezocht bij de daar voorkomende landschapsstructuren en de stedenbouwkundige opzet van Brielle, waarbij gekeken is naar een adequate inpassing van het plan in relatie tot de natuurlijke kenmerken en de geschiedenis van het gebied. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Geconcludeerd wordt dat voldoende rekening is gehouden met de gebiedskenmerken ten aanzien van de ‘Laag van de ondergrond’. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De laag van de cultuurlandschappen is de laag van het zichtbare landschap en het (grondgebonden) nut. Het agrarisch landschap is beeldbepalend in het buitengebied van Zuid-Holland. Dicht bij de stad vinden we een veelheid aan verschillende cultuurlandschappen. Het plangebied is gelegen in het zeekleipolderlandschap.
‘Zeekleipolderlandschap’ Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf. Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken. Richtpunten: • Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. • Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren.
• Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. • Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. • Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur. Toetsing van het initiatief aan de laag van de cultuur- en natuurlandschappen Zoals ook bij de toetsing aan de ‘Laag van de ondergrond’ is beschreven, is de hoofdopzet gebaseerd op de bestaande landschapsstructuur en de reeds gerealiseerde nieuwbouwwijken ten noorden en westen. Het nieuwe woongebied is passend binnen de ruimtelijke- en functionele structuur van de omgeving. De buurt wordt op een adequate wijze landschappelijk ingepast. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Laag van de stedelijke occupatie Deze laag bestaat uit het bebouwde gebied (steden en dorpen) en de doorlopende netwerken van wegen, vaarwegen, spoor en groen. Zuid-Holland is een dynamisch gebied met een veelheid aan steden en dorpen.
Steden en dorpen kennen elke hun eigen karakteristiek, ontstaan door ligging in het landschap of bijvoorbeeld verschil in economisch accent. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads en dorpsgebied. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Het plangebied is gelegen aan de rand van de bestaande dorpskern van BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp Brielle. De ontwikkeling betreft de transformatie van grotendeels ongebruikte gronden naar een woningbouwlocatie in de voormalige gemeente Brielle (thans Voorne aan Zee) en past daarmee binnen de opgave ‘Ruimte en Verstedelijking en Wonen’ van de 'Opgaven Omgevingskwaliteit' van de provincie. Hiermee is tevens aangetoond dat het plan passend is binnen de kwaliteitskaart van de provincie. Het plan zorgt voor een intensief en compact ruimtegebruik in Brielle, die vanwege de bestaande woningbehoefte onder druk staat. Het plan voorziet zowel in de noodzakelijk woningen als een correcte belangenafweging voor de realisatie van woningen buiten bestaand stedelijk gebied. Na realisatie zullen de woongebieden onderdeel uitmaken van de dorpsstructuur. Laag van de beleving De vierde laag bestaat uit de beleving van Zuid-Holland. Deze laag gaat over zorgvuldig omgaan met wat van waarde is in combinatie met het vergroten van de recreatieve gebruikswaarde van de provincie. Het betreft bijzonder plekken van cultuurhistorische waarde, maar gaat ook over het zorgdragen voor een recreatief toegankelijke provincie met een heldere groenstructuur als basis. Voorliggende ontwikkeling vormt geen belemmering voor de beleving van hetgeen waardevol is in de omgeving.
Op basis van de kaart van de ‘Laag van de beleving’ bevat het plangebied namelijk geen specifieke kenmerken. C. het categoriseren van alle gebieden naar kwaliteiten gekoppeld met de aard en schaal van ontwikkelingen Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: •
• •
•
De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Voorliggende ontwikkeling kan worden aangemerkt als ‘transformatie’. Transformatie Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied, een nieuwe gebiedsidentiteit, gebaseerd op nieuwe kwaliteiten, structuren en kenmerken. De impact van deze plannen op een gebied is enorm. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is de rol van de provincie groot omdat bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding is. De betrokkenheid van de provincie zal gericht zijn op een actieve behartiging van die doelen en op een kwalitatief zo goed mogelijk resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp 4.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Zuid-Holland Zoals in de Omgevingsvisie Zuid-Holland is aangegeven, is het van belang dat er een nieuw integraal ontwerp ontstaat waarbij ruimtelijke kwaliteit centraal staat. Het plan zorgt voor een intensief en compact ruimtegebruik in Brielle, die vanwege de bestaande woningbehoefte onder druk staat. Het plan voorziet zowel in de noodzakelijk woningen als een correcte belangenafweging voor de realisatie van woningen buiten bestaand stedelijk gebied. De woningbouwopgave wordt benaderd vanuit het concept landschappelijk wonen, waarbij woonwijk en landschap (met kenmerkende landschapselementen) als het ware verweven worden. De integrale uitbreiding biedt kansen om de zuidrand van het dorp verder ‘af’ te maken binnen de landschappelijke structuur van het landschap. De bestaande landschappelijke kwaliteiten worden benut als kwaliteitsimpuls en overgangskwaliteiten van de dorpsrand worden hersteld en versterkt. De nieuwe indeling van het uitbreidingsgebied volgt de landschappelijke structuur, die hiervoor in de landschapsstructuurkaart is geanalyseerd. De rand met het buitengebied in de nieuwe positie krijgt een groene, zachte invulling om zo de overgangskwaliteit contact (overlap) te herstellen.
De bestaande landschapsvingers worden versterkt en lopen als groene vingers door in de woonwijk. Aan deze groene vingers worden in beperkte mate gebruiksfuncties toegekend om bestaande landschappelijke kwaliteiten te benutten en beleefbaar te maken (zie hiervoor ook een uitgebreidere beschrijving in paragraaf 5.6). 4.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
De Omgevingsverordening Zuid-Holland is op 7 augustus 2021 geactualiseerd vastgesteld door de Provinciale Staten van Zuid-Holland. De omgevingsverordening vormt het juridische fundament van de Omgevingsvisie. De inhoud van de Omgevingsvisie is daarbij voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. Onderstaand wordt op de van belang zijnde artikelen nader ingegaan. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1.
2.
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruikt gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
Toetsing van het initiatief aan artikel 6.10 De provincie Zuid-Holland beschikt over een eigen ladder. Er is besloten om de provinciale ladder grotendeels los te laten. Bestemmingsplannen zullen daarom door de provincie worden beoordeeld op de wijze van toepassing van de rijksladder. Op een aantal punten is de rijksladder echter wel toegespitst op de ZuidHollandse situatie. Zo wordt gebruik gemaakt van het begrip ‘bestaand stads- en dorpsgebied’. Daarnaast is in de provinciale ladder als voorwaarde opgenomen dat stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied zijn opgenomen op de zogenaamde 3 hectare kaart in het programma ruimte. Voor een nadere toetsing wordt verwezen naar paragraaf 4.1.2 waar wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Gezien de motivering wordt gesteld dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening. Artikel 6.9 (Ruimtelijke Kwaliteit) •
Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp a.
b.
c.
bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid
Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn: a.
de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van) ▪ duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; ▪ wegnemen van verharding ▪ toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; ▪ andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert.
Toetsing van het initiatief aan artikel 6.9 Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van woningbouw buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De beoogde ontwikkeling past wel binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar voorziet in wijzigingen op structuurniveau. De ontwikkeling wordt geschaard onder Ad. c ‘transformeren’, aangezien de ontwikkeling een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang betreft, dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat (zie ook paragraaf 4.2.1.3). Voor de ontwikkeling is een integraal ontwerp opgesteld, waarbij de kenmerken en kwaliteiten van het landschap en de stedenbouwkundige structuur in acht worden genomen. Het voornemen past qua fasering in ruimte en tijd in het provinciale en regionale programma. Het plangebied is gelegen in een gebied aangeduid met ‘beschermingscategorie 1’, dit betreft de kaart 14 van de omgevingsverordening, betreffende het NNN. Daarom worden er, gezien de omvang van het voornemen en het respect voor de natuur, aanvullende ruimtelijke maatregelen genomen in de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt een ecologische verbinding behorend tot het NNN door het plangebied aangelegd, maar deze wordt ten opzichte van de kaart 14 verlegd en nu juist feitelijk en daadwerkelijk ingericht.
Op basis hiervan kan dan ook worden geconcludeerd dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze NNN niet worden aangetast. Dit wordt verder ook bereikt door het realiseren van een groen opgezet woongebied met veel ruimte voor water en worden gronden bestemd tot de bestemming ‘Natuur’ (zie hiervoor ook uitgebreider paragraaf 5.6), zie hiervoor de plankaart en de regels van dit bestemmingsplan. 4.2.3
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp
4.3
Regionaal beleid
4.3.1 Regionale Woonvisie Regio Rotterdam 2021 – 2040 4.3.1.1 Algemeen Samenwerken aan een aantrekkelijke woningmarkt en een prettig woon- en leefklimaat met een plaats voor iedereen en de juiste woning op de juiste plaats. Dat beogen de veertien gemeenten in het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam met vaststelling van de Regionale Woonvisie Regio Rotterdam. De regionale woonvisie is een overkoepelende leidraad voor de gemeentelijke woonvisies. Belangrijke onderwerpen in de kwalitatieve woonvisie zijn het bouwen van de juiste woning op de juiste plaats en een kwalitatieve goede woningvoorraad in een hoogwaardig woonmilieu voor alle inwoners. Dit betekent ook inzet op trends in nieuwe woonvormen. Kwaliteit betekent niet alleen aandacht voor de aard, inhoud en vormgeving van de nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad, maar nadrukkelijk wordt ook ingezoomd op de aspecten duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie. 4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Regionale woonvisie De regionale woonvisie is vastgesteld om de kwalitatieve ambities van de woningbouwopgave richting te geven. De voormalige gemeente Brielle, thans Voorne aan Zee, wordt (als onderdeel van de regio VoornePutten) aangeduid als gemeente met uitgesproken landelijke woonmilieus en kwalitatief hoogwaardige woonomgevingen.
De regio als geheel kent een grote woningbouwopgave, voorliggend bestemmingsplan voorziet voor een deel in deze behoefte, zie hierbij ook de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het plangebied leent zich voor de realisatie van een hoogwaardige woonomgeving, kwaliteit en duurzaamheid zijn hierbij belangrijke doelstellingen. Naast de kwaliteit staat ook de betaalbaarheid en bereikbaarheid van woningen in de regio onder druk, voorliggend plan voorziet in de realisatie van betaalbare/bereikbare en ook sociale huurwoningen. Het bestemmingsplan draagt daarmee bij aan het bevorderen van de woningbouwdifferentiatie binnen de voormalige gemeente Brielle, thans gemeente Voorne aan Zee. Geconcludeerd wordt dat het voorliggend bestemmingsplan en het onderliggende bouwplan passend is binnen de regionale woonvisie regio Rotterdam.
4.4.
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Structuurvisie Brielle
4.4.1.1 Algemeen Op 8 december 2009 is door de gemeenteraad van Brielle de structuurvisie Brielle vastgesteld. In de structuurvisie zijn de ruimtelijke ontwikkelingen en het ruimtelijk beleid verankerd. Doelstelling van de structuurvisie is het bieden van een kader voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een ruimtelijke structuur die bijdraagt aan: • • •
goed kunnen wonen en leven in de gemeente; de cultuurhistorische identiteit van Brielle; een bij het karakter van de gemeente passende economische ontwikkeling.
De inhoud van de structuurvisie wordt vormgegeven aan de hand van 9 ambities. Van deze ambities is het onderwerp 'woningbouw' van belang voor de onderhavige ontwikkeling. Naast duurzame invulling van het woningbouwprogramma, zet de gemeente eveneens in op een gedifferentieerde en vraaggerichte woningbouw.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp 4.4.1.2 Vertrekpunt ontwikkelingen Het vertrekpunt van alle ontwikkelingen is drieledig: versterken van (ruimtelijke) kwaliteit, duurzaamheid en onderlinge samenhang. Om te voorzien in de woningbehoefte zijn binnen de gemeente enkele woningbouwlocaties aangegeven. Het plangebied van dit bestemmingsplan is aangeduid als één van deze woningbouwlocaties op termijn. Zie afbeelding 4.1. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode cirkel.
Afbeelding 4.1
Uitsnede Structuurvisie voormalige gemeente Brielle woningbouwlocaties (Bron: Structuurvisie Brielle)
Ontwikkelingen mogen niet ten kosten gaan van de ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het landschap en de bebouwing, maar dienen bij te dragen aan behoud of versterking ervan. Vanuit goed rentmeesterschap zijn ontwikkelingen duurzaam en toekomstbestendig, waarbij duurzaamheid wordt gezien als het zorgvuldige, integrale samenspel tussen energie, ruimtelijke inrichting, gezondheid, gebruiks- en toekomstwaarde. Hierbij is bijzondere aandacht voor klimaatadaptie, ofwel voor het nemen van maatregelen tegen effecten van klimaatverandering en het verzilveren van kansen daarin in combinatie met (de beleving van) water. Eveneens dienen ontwikkelingen onderling met elkaar in verband te worden gebracht. 4.4.1.3 Visie wonen De grootste opgave ten aanzien van een onderscheidende woningvoorraad is het aanpassen van de bestaande (woning-)voorraad (zowel particulier als huur) richting levensloopbestendige, verduurzaamde woonmilieus in combinatie met (gelimiteerd) bouwen van nieuwe woningen. Naast de reeds ingezette uitbreidingslocaties ligt de focus op revitalisering, herstructurering en inbreiding van (de oudere delen van) de kernen. De voormalige gemeente Brielle, thans Voorne aan Zee, zet in op behoud en versterking van het voorzieningenniveau, zowel kwantitatief als kwalitatief.
4.4.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Structuurvisie Onderhavig plan heeft betrekking op een uitbreidingslocatie die voor een gedeelte concreet is genoemd in de structuurvisie. De zuidelijke strook maakte nog geen onderdeel uit van Oude Goote in de Structuurvisie Brielle en valt onder de Omgevingsvisie Landelijk gebied uit 2016. Van belang is bij voorliggend plan dat BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp ontwikkelingen niet ten koste gaan van de ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het landschap en de bebouwing, maar dienen bij te dragen aan behoud of versterking ervan. In dit geval is hier sprake van. Het woongebied wordt gebouwd met respect voor het landschap, zie hiervoor hoofdstuk 3 en het stedenbouwkundig plan. Tevens heeft het aspect water een belangrijke rol in het ontwerp. Tevens wordt opgemerkt dat de structuurvisie stamt uit 2009, de doelstelling in dit beleidsdocument zijn niet meer actueel. De maatschappelijke ontwikkelingen hebben enkele uitgangspunten inmiddels achterhaald. De hedendaagse woningbehoefte is wezenlijk anders dan in 2009 sprake was. Gezien de hedendaagse grote woningbouwbehoefte (maatschappelijke doelstelling) maakt dat het noodzakelijk is om te zoeken naar aanvullende woningbouwlocaties. Het uitbreiden van woningbouwlocatie ‘Oude Goote’ met voorgenoemde zuidelijke strook is hiermee, in overleg met stedenbouwkundigen en de provincie, als meest logische en passende locatie beschouwd waar tevens een stedenbouwkundig logische overgang van het plangebied naar het poldergebied gevormd kan worden. Het plan voorziet in de gemeentelijke ambitie om voldoende duurzame woningen te bouwen. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Structuurvisie. 4.4.2
Woonvisie Brielle 2017 - 2022 en Uitvoeringsagenda
4.4.2.1 Algemeen Brielle geeft invulling aan de centrale missie, zoals die geformuleerd is in de Structuurvisie, door in te zetten op een leefbare en duurzame woon- en leefomgeving. De Woonvisie 2017 - 2022, vastgesteld op 4 oktober 2017, geeft richting aan de verdere invulling van een leefbare en duurzame woon- en leefomgeving. Duurzame ontwikkeling van Brielle moet bijdragen aan een prettige leefomgeving waar mensen graag wonen, werken en recreëren. Er is de afgelopen jaren immers het nodige veranderd op de woningmarkt, mede onder invloed van de herziene Woningwet. Bij het opstellen van de Woonvisie is de Uitvoeringsagenda, die uitgaat van de toevoeging van ca. 520 woningen in de planperiode 2020-2025, het uitgangspunt geweest. De Woonvisie geeft dan ook vooral aan voor wie en wat er gebouwd moet gaan worden de komende jaren. Om tegemoet te komen aan de verhuis- en woonwensen van de huidige inwoners moet er in de wijken en kernen aandacht zijn voor woningdifferentiatie. 4.4.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie en Uitvoeringsagenda De realisatie van 800 woningen in een prettige woonomgeving met aantrekkelijke groenstructuren past binnen de speerpunten van de Woonvisie van de voormalige gemeente Brielle (thans Voorne aan Zee). Naast het aantal woningen is binnen de woonvisie met name aandacht voor het type woning.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een dorpswoonmilieu, zoals reeds in hoofdstuk 2 en 3 is toegelicht. Het plan voorziet in verschillende woningtypen zowel in huur- als koopwoningen en zowel sociaal/betaalbaar als vrije sector/midden- en hoger segment. Het woningbouwprogramma sluit daarmee aan op alle doelgroepen, daarmee ontstaat een gevarieerde woonwijk met veel verschillende lagen van de samenleving. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan past binnen de doelstelling van de gemeentelijke woonvisie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van geluidsgevoelige objecten (woningen). Hierna wordt achtereenvolgend ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van de Voorweg, Veckdijk, Hossenbosdijk, de Vlaardingerhilseweg en de in het plangebied gelegen ontsluitingswegen. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het aspect wegverkeerslawaai. Op de belangrijkste resultaten wordt hierna nader ingegaan. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Nieuwe woningen Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat vanwege de Hossenbosdijk de voorkeursgrenswaarde voor de eerstelijnsbebouwing aan de noordzijde van het plan wordt overschreden. De hoogste waarde van de geluidsbelasting vanwege de Hossenbosdijk bedraagt 54 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh indien uitgegaan wordt van de huidige wegdekverhardingen. Indien de wegdekverharding Hossenbosdijk ter hoogte van het plangebied wordt vervangen door ‘Gelders mengsel’, bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 52 dB. Er is dan voor minder woningen een hogere waarde nodig. Vanwege wegverkeer op de Veckdijk wordt op de eerstelijns bebouwing aan de oostzijde van het plangebied de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden.
De hoogste waarde van de geluidsbelasting vanwege de Veckdijk bedraagt 53 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh. De maximale grenswaarde van 63 dB wordt nergens overschreden. Voor de overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarden dient een hogere waarden te worden aangevraagd. Een hogere waarde procedure zal separaat hiervoor worden doorlopen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp Bestaande woningen, in de nabijheid van het plangebied Als gevolg van de realisatie van het plan neemt het verkeer op de Hossenbosdijk en De Nolle toe. Naar aanleiding van het voorontwerpbestemmingsplan en de enkele ingekomen inspraakreacties is daarom de invloed van de verkeersstromen op de bestaande woningen gelegen aan deze wegen ook onderzocht. Voorliggend plan leidt tot een toename van 2 tot 3 dB bij de woningen gelegen aan deze wegen ten opzichte van de autonome situatie. Indien de wegverharding van de Hossenbosdijk ter hoogte van het plangebied en op de Nolle, inclusief de rotonde, vervangen wordt door ‘Gelders mengsel’ bedraagt de toename van wegverkeerslawaai ten hoogste 1 dB. Dit is een toename die niet merkbaar is en daarmee toelaatbaar. Bij een groot deel van de woningen blijft in dit geval de geluidsbelasting gelijk of neemt tot maximaal 1 dB af ten opzichte van de autonome situatie. Toetsing aan het gemeentelijk geluidsbeleid Geluidsluwe gevels en buitenruimten De woningen waarvoor sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai beschikken over een of meerdere zijden met een geluidsbelasting lager dan de voorkeursgrenswaarde, mits de Hossenbosdijk ter plaatse van het plangebied voorzien wordt van ‘Gelders mengsel’ en de toegangswegen van ‘stille elementenverharding’.
Hiermee wordt voldaan aan de in het gemeentelijk geluidsbeleid gestelde voorwaarde van een geluidsluwe zijde en buitenruimte. Aandachtspunt is het appartementengebouw aan de noordoostzijde van het plan. Als in het complex eenzijdig georiënteerde appartementen gerealiseerd gaan worden, beschikken de appartementen aan de noord-, oost en westzijde niet overal over een geluidsluwe gevel. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gelegen. Het aspect railverkeerslawaai vormt dan ook geen belemmeringen in het kader van voorliggende ontwikkeling. 5.1.2.3 Industrielawaai Het noordelijke gedeelte van het plangebied ligt binnen de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte/Europoort Rotterdam. De ligging van het plangebied en de zone van het gezoneerde industrieterrein zijn weergegeven in afbeelding 5.1.
Afbeelding 5.1
Ligging zone industrieterrein (Bron: Alcedo)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp Vanwege industrielawaai van het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte-Europoort Rotterdam bedraagt de geluidsbelasting op het plangebied maximaal 50 dB (A). Hiermee wordt aan de voorkeurswaarde voldaan. De geluidsbelasting vanwege industrieterrein Maasvlakte/Europoort Rotterdam is geen belemmering voor woningbouwontwikkeling binnen het plangebied. Het aspect industrielawaai als bedoeld in de Wgh vormt dan ook geen belemmering voor de in het bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Op de invloed van individuele bedrijvigheid op de ontwikkeling wordt in paragraaf 5.5 nader ingegaan. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt, met inachtneming van de uitkomsten van het akoestische onderzoek en de verleende Hogere Waarde (zoals is opgenomen in bijlage 12) geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.2
Bodem
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.1
Situatie plangebied
In april 2021 is ter plaatse van het plangebied een asfaltonderzoek en verkennend bodem- en waterbodem asbestonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de conclusies zoals opgenomen in het rapport. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Het doel van het de onderzoeken is het vaststellen van de kwaliteit van het asfalt (teerhoudendheid), vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en indicatieve milieuhygiënische hergebruikskwaliteit van de grond (inclusief OCB en asbest), waterbodem en funderingslagen. Asfalt Op basis van de GCMS-analyses (PAK < 75 mg/kg.ds) en de PAK-marker zijn de asfaltverhardingen teervrij. Grond Zeer plaatselijk worden bijmengingen baksteen en puin waargenomen (deellocatie G: voormalig glastuinbouwbedrijf/ boerderij). In de boringen (raaien) ten behoeve van het onderzoek naar de gedempte sloten is geen dempingsmateriaal en/of voormalige waterbodem waargenomen. Ter plaatse van de inritten/dammen worden in de bodem bijmengingen met betongranulaat, baksteen en plaatselijk hoogovenslakken en/of lavalith waargenomen. Ter plaatse van de inritten en dammen worden in de hoogovenslak houdende en/of betongranulaat en baksteenhoudende bovengrond licht verhoogde gehalten PAK of molybdeen gemeten.
Ter plaatse van het voormalig glastuinbouwbedrijf/ boerderij worden in de bovengrond over het algemeen licht verhoogde gehalten (> Achtergrondwaarden) lood, PCB en OCB aangetoond. In de puinhoudende (baksteen) bodemlaag (0 - 0,5 m-mv) worden licht verhoogde gehalten zware metalen (cadmium, koper, lood en zink) en PAK aangetoond. In de ondergrond worden licht verhoogde gehalten kobalt, lood, nikkel en PAK aangetoond. Ter plaatse van het overige gebied worden in de ondergrond plaatselijk licht verhoogde gehalten zware metalen (kobalt, molybdeen en nikkel) aangetoond. In de bovengrond worden in het overige gebied geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarden gemeten. Grondwater In het grondwater ter plaatse van het voormalig glastuinbouwbedrijf wordt een licht verhoogde concentratie (> streefwaarde) barium aangetoond. In het grondwater van het overige gebied worden zeer plaatselijk licht verhoogde concentraties naftaleen en/of minerale olie aangetoond.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp Waterbodem De gehele waterbodem binnen het plangebied is altijd toepasbaar op/in landbodem, in oppervlakte-water, toepasbaar in grootschalige bodemtoepassing (landbodem en oppervlaktewaterlichaam) en verspreidbaar op aangrenzend perceel. Asbest In de bodem ter plaatse van de inrit/ dam naar het voormalig glastuinbouwbedrijf/ boerderij is zintuiglijk geen asbest waargenomen, in de fijne fractie is een asbestgehalte van 17 mg/kg ds gemeten (MMasb08). Het gehalte ligt ruim onder de bepalingsgrens voor het uitvoeren van een nader onderzoek. In de overige mengmonsters is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. De inritten/ dammen kunnen als asbestvrij worden beschouwd. Veiligheidsklasse Conform de CROW400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’ is voor de werkzaamheden in grond en met betrekking tot grondwater (indicatief) geen veiligheidsklasse van toepassing. Dit betekent dat voor eventuele werkzaamheden in de bodem de basishygiëne geldt. 5.2.3
Conclusie
De resultaten van de onderzoeken vormen geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling van het gebied met als functie wonen. De bodemkwaliteit is geschikt voor het beoogde gebruik, namelijk wonen met tuin.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Het project voorziet in de realisatie van 800 wooneenheden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarom gekeken naar de bestaande luchtkwaliteit binnen het plangebied. De NSL - monitoringstool geeft inzicht in de bestaande luchtkwaliteit binnen Nederland. Afbeelding 5.2 geeft een uitsnede van de NSL monitoringstool weer, het plangebied is hierin rood omkaderd weergegeven. In de huidige situatie is er sprake van een goede luchtkwaliteit, dat zal met de beoogde ontwikkeling niet negatief worden beïnvloed, dit gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1. Daarom kan worden gesteld dat voorliggende ontwikkeling ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen zijn er in de directe omgeving geen rijks- of provinciale wegen aanwezig.
Afbeelding 5.2
5.3.3
Uitsnede NSL - monitoringstool luchtkwaliteit d.d. december 2021 ( bron: NSL-monitoringstool)
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.3 is dit weergegeven. Het plangebied is met de blauwe contour aangegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp
Afbeelding 5.3
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
In dit geval worden kwetsbare objecten gerealiseerd, te weten een woongebied met 800 woningen, op korte afstand van buisleidingen van de Nederlandse Gasunie B.V., zie de rode stippellijnen ten noorden en ten zuiden van het plangebied in afbeelding 5.3. Op basis van kengetallen gaat het om de toevoeging van circa 1.920 personen (gemiddeld 2,4 personen per woning/huishouden). Met behulp van het programma CAROLA is bepaald of voldaan wordt aan de risiconormen voor de Externe Veiligheid, zoals die zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Deze CAROLA-berekening is uitgevoerd en opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Bij de berekening is, zoals aangegeven, uitgegaan van een maximale toename van 1.920 personen binnen het plangebied. Voor de bestaande, omliggende functies is een inventarisatie gemaakt van de verschillende functies in de nabijheid van het plangebied. Voor deze verschillende functies is de bevolkingsdichtheid (personen/ha) gehanteerd zoals geïnventariseerd door de populatieservice. Het gaat hierbij voornamelijk om woon- en werklocaties in de kern Brielle. Het groepsrisico is na invulling van het plan voor de betreffende gasleidingen lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Met andere woorden: de uitvoering van het project is op basis het CAROLA-onderzoek in het kader van het groepsrisico aanvaardbaar.
Geconcludeerd wordt dat met betrekking tot het aspect ‘externe veiligheid’ ten aanzien van buisleidingen uitvoering van het plan in overeenstemming is met een ‘goede ruimtelijke ordening’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat voorliggende ontwikkeling vanuit oogpunt van externe veiligheid verantwoord is.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven.
Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Brielle. In de omgeving van het plangebied komen woningen, ontsluitingswegen, infrastructuur en bedrijvigheid voor. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’.
De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt. Milieucategorie 1 2 3.1
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
5.5.3
Situatie plangebied
50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Als gevolg van de realisatie van de woningen is er geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Ten noordoosten is een maatschappelijke bestemming, bedoeld voor onderwijslocaties, gesitueerd (Hossenbosdijk 14-16, Brielle). Eveneens is ten noordoosten een horecafunctie (Hossenbosdijk 1, Vierpolders) aanwezig. Aan de oostzijde (langs de Veckdijk) bevinden zich met name kwekerijen/kassencomplexen (aan zowel de Veckdijk als aan de Vlaardingerhilseweg).
Ten zuiden zijn op grotere afstand ook kwekerijen en kassen aanwezig (aan de Prinsenweg, Middelweg en de Oude Dijk) alsook een kleinschalig agrarisch bedrijf (Voorweg 2, Vierpolders).
Maatschappelijke bestemming, bedoeld voor onderwijslocaties, gesitueerd (Hossenbosdijk 14-16, Brielle). Aan de noordzijde van het plangebied is een maatschappelijke bestemming gelegen, bedoeld voor onderwijslocaties. Ter plaatse zijn middelbare scholen gevestigd. Op basis van de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’ kan deze functie het beste worden vergeleken met de volgende functies: “Scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs”, met een millieucategorie van 2 en met een grootste richtafstand van 10 meter (omgevingstypegemengd gebied) voor het aspect ‘geluid’. De woonbestemmingen binnen het plangebied worden op grotere afstand dan deze richtafstand gesitueerd, te weten circa 35 meter tot aan het bestemmingsvlak van de maatschappelijke bestemming. Aan de richtafstand wordt daarmee ruimschoots voldaan. Horecafunctie (Hossenbosdijk 1, Vierpolders) Aan de noordoostzijde van het plangebied is een horecafunctie gelegen. Ter plaatse is een café en een snackbar gevestigd. Op basis van de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’ kunnen deze functies het beste worden vergeleken met de volgende functies “Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.”, met een milieucategorie van 1 en met een grootste richtafstand van 10 meter
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp normaliter. Omdat het plangebied is gesitueerd in ‘gemengd gebied’ mag deze richtafstand met een trede verlaagd worden, tot 0 meter. De woonbestemmingen binnen het plangebied worden op grotere afstand dan deze richtafstand gesitueerd, te weten circa 12 meter tot aan de horecafuncties. Aan de richtafstand wordt daarmee ruimschoots voldaan. Diverse kwekerijen/kassencomplexen, en overige functies Aan de oostzijde en op grotere afstand aan de zuidzijde zijn diverse kwekerijen en kassencomplexen (glastuinbouw) gesitueerd. Eveneens is er rondom deze kassen een caravanstallingsbedrijf en een houthandelsbedrijf- en zagerij gelegen. Kwekerij Op basis van de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’ kunnen deze functies het beste worden vergeleken met de volgende functie “Glastuinbouw, - kassen met gasverwarming”, met een milieucategorie van 2 en met een grootste richtafstand van 30 meter normaliter. Omdat het plangebied is gesitueerd in ‘gemengd gebied’ mag deze richtafstand met een trede verlaagd worden, tot 10 meter. Caravanstallingsbedrijf Op basis van de VNG-uitgave kan de functie van een caravanstallingsbedrijf het beste worden vergeleken met de volgende functie “Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)”, met een milieucategorie van 2 en met een grootste richtafstand van 30 meter normaliter.