(bijlage 1) bp oude goote
Tekst van het document
Omdat het plangebied is gesitueerd in ‘gemengd gebied’ mag deze richtafstand met een trede verlaagd worden, tot 10 meter. Houthandel en houtzagerij Op basis van de VNG-uitgave kan de functie van een houthandel en houtzagerij het beste worden vergeleken met de volgende functie “Houtzagerijen”, met een milieucategorie van 3.2 en met een grootste richtafstand van 100 meter normaliter. Omdat het plangebied is gesitueerd in ‘gemengd gebied’ mag deze richtafstand met een trede verlaagd worden, tot 50 meter. Agrarisch bedrijf Tenslotte is er een kleinschalig agrarisch bedrijf aan de Voorweg 2, Vierpolders gesitueerd. Op basis van de VNG-uitgave kan deze functie het beste worden vergeleken met de volgende functie “Akker-en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren (niet intensief)”, met een milieucategorie van 3.2 en met een grootste richtafstand van 100 meter voor het aspect geur normaliter. Feitelijk is er echter geen sprake meer van een agrarisch bedrijf, het bedrijf is enkele jaren geleden verplaatst naar Goeree Overflakkee, en momenteel zijn alleen hobbymatig nog wat schapen op de boerderij aanwezig. Er zijn verder ook geen plannen voor (uitbreiding van) activiteiten op de Voorweg 2, daar het perceel is en wordt ingericht voor woondoeleinden.
Omdat het plangebied is gesitueerd in ‘gemengd gebied’ mag de voorgenoemde richtafstand met een trede verlaagd worden, tot 50 meter. De daadwerkelijke afstand tussen het bouwvlak van het bedrijf en de afstand tot het bouwvlak van de dichtstbijzijnde te situeren woningen bedraagt ruim 65 meter. Aan de richtafstand wordt daarmee in gemengd gebied voldaan, eveneens zal gezien de tussenliggende afstand en het feit dat schapen een lage geur-odour-emissie hebben, zal worden voldaan aan de geurnormen. Omdat aan de vastgestelde afstand wordt voldaan kan dus uit worden gegaan van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat en dat het bedrijf niet beperkt wordt in zijn bedrijfsvoering. Tot slot wordt opgemerkt dat de gemeente Voorne aan Zee voornemens is om een Veegplan 2 voor het Omgevingsplan Buitengebied Brielle als ontwerpbestemmingsplan ter inzage leggen, dit nog voor het einde van dit jaar. De Voorweg 2 valt in dit plangebied. In dit plan is zij voornemens de locatie Voorweg 2 mee te nemen en ter plaatse een bestemmingswijziging door te voeren. Gedacht wordt aan de wijziging naar ‘Wonen’ of wellicht naar de bestemming ‘voormalig agrarische bedrijfswoning’ om nog wat nevenactiviteiten naast de woonbestemming toe te staan (voormalig W* uit het oude bestemmingsplan Landelijk gebied).
Conclusie Aan de bovenstaande functies zoals hierboven beschreven kan met tussenliggende afstanden van meer dan de vereiste richtafstand voldaan worden. Gezien vorenstaande kan worden verwacht dat er ter plaatse van het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp woongebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het overige zijn in het plangebied en in de nabijheid van het plangebied geen milieubelastende functies aanwezig. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. De locatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied of in de directe omgeving daarvan. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op circa 5,5 kilometer en betreft het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Voornes Duin’. Er is een onderzoek naar het aspect stikstof (Aeriusberekening) in zowel de aanleg- als in de gebruiksfase uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 6. In de aanleg- en gebruiksfase is inzicht gegeven in de te verwachten NOx en NH3 emissie. Voor de aanlegfase zijn de activiteiten verkeersgeneratie, mobiele werktuigen en laden en lossen in de AERIUS-calculator ingevoerd. Voor de gebruiksfase zijn dit de activiteiten: verkeersgeneratie en laden en lossen. Uit zowel de rekenresultaten van de gebruiksfase alsook de aanlegfase blijkt dat er in de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Om deze reden is intern salderen toegepast met 5 landbouwpercelen gelegen in het plangebied.
Uit de rekenresultaten van beide berekeningen blijkt dat er in de salderingsberekening geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Uit de rekenresultaten blijkt daarmee dat er uiteindelijk in de aanlegfase en gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden is daarmee uitgesloten. Het voornemen is daarom in het kader van Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig. 5.6.1.2 Natuur Netwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’principe.
In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de zowel het Natura 2000-gebied als de NNN weergegeven. Een deel van het plangebied (midden) bestaat uit gronden die thans tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp
Afbeelding 5.4
Ligging plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebied en de NNN (Bron: Provincie Zuid-Holland)
Omdat een deel van het plangebied thans bestaat uit gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren, moet het initiatief getoetst worden aan het provinciaal beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Overeenkomstig de regels, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland, dient het NNN op een passende wijze worden bestemd. Het plangebied is opgedeeld in meerdere woongebieden, met in het midden, zuiden en oosten een aaneengesloten groenbestemming, de zogenoemde groene corridor, met daarbinnen in opgenomen de ecologische verbindingszone welke is voorzien van een natuurbestemming, ter verankering van de doeleinden van deze zone. Deze nieuwe ecologische zone maakt daarmee dan weer onderdeel uit de feitelijke ingerichte ecologische verbindingen in de provincie Zuid-Holland. Locatie, functie en karakter In de Herziene nota ecologische verbindingen in de provincie Zuid-Holland (uit 2017) van de provincie ZuidHolland is het volgende te lezen over deze ecologische verbindingszone die door het plangebied loopt: “Deze verbindingszone is een onderdeel van de verbindingszone tussen het Brielse Meer en de Strypse Wetering en is door de provincie aangewezen als een prioritaire verbindingszone (prioriteit 1).
Het betreft een moeras- en bosverbinding met een beoogde breedte van 25-50 meter.” Als streefbeeld voor de verbindingszone beschrijft het rapport “brede natuurvriendelijke oevers (minimaal 10 meter breed) en moerassige zones met goed ontwikkelde, kruidenrijke moerasvegetaties afgewisseld met rietland. Daarnaast kunnen plaatselijk ruigere omstandigheden met struweel aanwezig zijn. De belangrijkste doelsoorten voor deze ecologische verbindingszone zijn de Noordse woelmuis en dwergmuis met daarnaast hermelijn en bunzing, diverse soorten libellen, (grasland)vlinders en vissen. Daarnaast kunnen moeras-, water- en struweelvogels de verbindingszone als broedgelegenheid gebruiken.” De provincie heeft hiermee dus randvoorwaarden voor de ontwikkeling van het plangebied opgesteld, met name een ecologische zone. Deze zone loopt vanaf het Spui langs de zuid- en oostrand van het plangebied naar de rotonde aan de Hossenbosdijk en Veckdijk. De groene corridor is onderdeel van de ecologische hoofdzone. Deze zone is minimaal 25 meter breed en plaatselijk verbredend tot 50 meter, soms zelfs tot 70 meter. Het karakter van de ecologische zone is gebaseerd op kreken. De zone bestaat uit een smalle doorgaande open watergang, waarlangs moeraszones liggen met een combinatie van jong en oud riet en andere soorten oeverplanten.
Zo ontstaat in feite een dichte massa waar men niet direct door- en overheen kan kijken. Verspreid groeiende bomen en struiken, maar zo dat het gebied zich niet tot bos kan ontwikkelen. De ecologische zone is hiermee niet alleen een interessant stukje natuur, dat bijdraagt aan de biodiversiteit en de ecologische verbinding, maar kan ook een belangrijke rol spelen in de beleving van de toekomstige bewoners van de wijk. Mensen zijn op gepaste wijze te gast, aangezien de groene corridor primair het domein is van flora en fauna. De ecologische zone wordt eenmaal overbrugd; het is immers een verbinding van de wijk naar de Voorweg. Hierbij is het waarschijnlijk beter om een iets verhoogde brug te kiezen waaronder de oevers doorlopen. Dieren hoeven dan niet het fietspad over te steken maar kunnen de oevers volgen. Parallel
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp aan de zone loopt een wandelpad in het aangrenzende groengebied als ommetje vanuit de wijk. Doordat het pad buiten de ecologische zone ligt en slechts aan een zijde, blijft er voldoende rust voor de beoogde fauna. Naast de ecologische kwaliteit van de zone en de beleving van de natuur, kan het gebied hemelwater bergen en piekbuien op vangen. Vormgeving De vormgeving van de ecologische zone bestaat uit een slingerende watergang met wisselende breedte. Het gedeelte met permanent open water varieert ook in breedte, maar is minimaal 6 meter breed (zodat onderhoud met een boot kan plaatsvinden). Aan weerszijden van deze watergang bevinden zich de plasdraszones met riet en bijbehorende oeverplanten. Ter plekke van de groene wiggen in de wijk verbreedt de ecologische zone, zodat hier extra grote stukken met oud riet in plas-draszones ontstaan. De oevertaluds tegen deze plas-draszones en aan de noord- en westzijde worden zo flauw en natuurlijk mogelijk ingericht ten behoeve van de ecologie. De oevertaluds aan de zuid- en oostzijde worden zo ingericht dat het bevoegd gezag deze gemakkelijk kan beheren. Dat betekent dat de maaimachine deze taluds (van ca. 1:5) vanaf een schouwpad, parallel aan de watergang moet kunnen bereiken.
De watergang splitst zich op enkele plekken waardoor er een aantal eilandjes ontstaan die omringd zijn met riet en flauwe oevers met oeverbeplantingen. Hiermee worden geïsoleerde en rustige plekken voor de natuur gemaakt. Noordse woelmuis De inrichting van de ecologische zone is gericht op een verscheidenheid aan diersoorten, waarbij de kwetsbare Noordse woelmuis de aanleiding is voor specifieke onderdelen. Het functioneel leefgebied voor de Noordse woelmuis is grotendeels nat en bij voorkeur begroeid met oud riet. Door het gebied zo nat mogelijk en dicht begroeid te houden hebben roofdieren, zoals vossen en roofvogels, minder kans op de woelmuis te jagen. Daarbij worden andere concurrerende muissoorten, zoals de veld- en aardmuis, ook zoveel mogelijk tegengehouden; deze soorten houden niet van te natte situaties. Met behulp van specifieke natuurvriendelijke oevers, (flauw aflopend met plas-draszones en stukken oude riet en eilandjes) wordt de juiste habitat voor de Noordse woelmuis gemaakt. De eilanden vormen rustpunten in de zone en zijn niet openbaar en niet voor mensen toegankelijk. Overige diersoorten In de omtrek zijn diverse andere diersoorten aanwezig die goed in de ontwikkeling kunnen worden ingepast. Vooral voor aan watergebonden vogels die nu het Spui bevolken is de toekomstige kreek aantrekkelijk.
Denk daarbij aan diverse eenden, zwaluwen, en soorten die zich ophouden in rietkragen. De verbinding met het open landschap biedt voor de ecologische kwaliteit bijzondere mogelijkheden. De natuurlijke rijkdom is straks goed te ervaren. Juist de natuurbeleving dicht bij huis draagt bij aan de duurzame ontwikkeling. Met de gebiedsspecifieke inrichting van de ecologische zone voor de Noordse woelmuis worden ook andere bijzondere diersoorten aangetrokken. Soorten die profiteren van grote stukken water, oud riet, natte oevervegetaties en geïsoleerde eilandjes. Bijzondere zang- en watervogels, zoals baardman, rietzanger, roerdomp en waterral kunnen de ecologische zone hun thuis maken. Voor kikkers en salamanders zijn de oeverranden, de rietkragen en de plas-draszones aantrekkelijk. Diverse soorten vleermuizen horen ook bij de ecologische zone en zullen op het insectenleven op en rond het water afkomen. Voor libellen, zweefvliegen en vlinders bieden de afwisselende vegetaties gunstige condities. Maatregelen De ecologische zone komt volledig tot zijn recht als de fauna zo min mogelijk wordt gestoord. Om verstoring van de ecologische verbindingszone zoveel mogelijk te voorkomen, komen er geen paden door de natte gedeelten van de verbindingszone. Dat betekent dat de ecologische zone niet door mensen kan of mag worden betreden, en ook zeker niet door honden.
In de aangrenzende groen- en woongebieden geldt dan ook een aanlijnverplichting. Bij elk pad langs de ecologische zone geeft een informatiebord een educatieve toelichting het functioneren van de ecologische zone en waarom het aanlijnen van honden daarom van belang is. Samenvattend Onderhavig bestemmingsplan is gericht op deze beoogde woonwijkontwikkeling en de realisatie van de beoogde woningen in combinatie met de realisatie van de ecologische verbindingszone. Gelet op de aard en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp omvang van de ontwikkeling en de ruime aandacht voor natuurontwikkeling, is van significant negatieve effecten op de NNN geen sprake. Een nadere toetsing wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden 5.6.2.2 Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Onderstaand wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting. Het plangebied is op 28 mei 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting van het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.
Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels in het plangebied. Vleermuizen bezetten er geen vaste rust-of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten af.
Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties samengevat: • Geen beschermde dieren (opzettelijk) doden; • Plangebied bouwrijp maken buiten de voortplantingsperiode; Gebleken is dat de voorgenomen werkzaamheden, ter voorbereiding op de feitelijke ontwikkeling van het plangebied, niet leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, mits bij de uitvoering rekening gehouden wordt met de broedtijd van vogels. Bij uitvoering van werkzaamheden geldt altijd de zorgplicht (art. 1.11 van de Wet natuurbescherming). 5.6.3
Conclusie
De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Het aspect ecologie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Binnen het plangebied, welke momenteel in gebruik is als landbouwgrond, is uit vooronderzoek gebleken dat er mogelijk archeologische waarden zich in de bodem bevinden. Mogelijk worden deze waarden door de toekomstige ontwikkelingen bedreigd, het gaat om waarden uit de periodes ijzertijd tot en met Late Middeleeuwen. Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart geldt in het gebied een ‘lage verwachtingswaarde’ en deels de ‘waarde -archeologie 4’. Hierbij geldt voor deze laatste waarde dat voor ingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 50 cm archeologisch onderzoek vereist is. Daartoe is er een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. De volledige rapportages zijn opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting.
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is de kans groot dat het plangebied archeologische sporen bevat. Daartoe wordt, gebaseerd op de eerdere onderzoeken, een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Dit aanvullende onderzoek dient te worden uitgevoerd door middel van een proefsleuvenonderzoek op basis van het KNA-protocol 4003 IVO-P om een eventuele vindplaats op te sporen en in kaart te brengen. Proefsleuvenonderzoek In het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek (opgenomen in bijlage 15 bij deze toelichting) zijn in de proefsleuven drie vindplaatsen aangetroffen. Vindplaats A bestaat uit een greppelsysteem met cultuurlaag uit de Romeinse tijd. Vindplaats B bestaat uit een greppelsysteem, veenwinningssporen en een mogelijke nederzetting uit de Middeleeuwen. Vindplaats C bestaat uit een weg en een verkavelingssysteem bestaande uit sloten uit de Nieuwe tijd. In het gehele onderzoeksgebied is vondstmateriaal uit voornamelijk de Romeinse tijd en Late-Middeleeuwen aangetroffen met een klein component materiaal uit de Nieuwe tijd. Een deel van de aangetroffen resten is behoudenswaardig (vier zones). Er wordt geadviseerd om de vindplaats A en B in situ te behouden. Indien behoud in situ niet mogelijk is, wordt aanbevolen om de vindplaats op te graven (behoud ex situ).
Naar aanleiding van dit nadere onderzoek wordt in voorliggend bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming (de bestemming Waarde – Archeologie) opgenomen ter plaatse van de zones waar archeologische waardes mogelijk te verwachten zijn. Het betreft een maatwerk-dubbelbestemming, welke is opgesteld in samenspraak met de gemeente, The Missing Link en de planopsteller van dit bestemmingsplan, recht doende aan de archeologische verwachtingswaardes in het plangebied gebaseerd op de uitgevoerde onderzoeken. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied In het plangebied zelf zijn geen bouwkundige monumenten of cultuurhistorische elementen aanwezig. Wel zijn er een aantal landschapselementen aanwezig die van wezenlijk cultuurhistorisch belang zijn. In het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met de cultuurhistorische aspecten in het plangebied. Het ontwerp gaat uit van wonen binnen een landschappelijk raamwerk van groen- en waterstructuren. Het landschap is in de wijk dan ook een constant aanwezige factor, waarop het ontwerp is gebaseerd. Gesteld wordt dat op zorgvuldige mate rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. 5.7.3
Conclusie
Met het opnemen van een archeologische dubbelbestemming ter bescherming van de te verwachten waardes vormt het aspect ‘archeologie’ geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Verder wordt gesteld dat ‘cultuurhistorie’ ook niet belemmerd wordt aangezien op zorgvuldige mate rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp 5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied bevindt zich op circa 5,5 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied ‘Voornes Duin’. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied zal, gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling dan ook geen sprake zijn. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. 5.8.2.2 Wettelijk kader stikstof Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is, zoals genoemd in paragraaf 5.6, gelegen op circa 5,5 kilometer afstand van het plangebied. Om na te gaan of uitvoering van het bestemmingsplan mogelijk tot significant negatieve effecten kan leiden op instandhoudingsdoelstellingen is met het rekenprogramma AERIUS Calculator de stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied in beeld gebracht. Voor de resultaten wordt verwezen naar subparagraaf 5.6.1. Hier wordt gesteld dat van significant negatieve effecten op de betreffende Natura 2000gebieden geen sprake is en er geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd is. 5.8.2.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r.
en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden (een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen) kan worden geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Het plangebied betreft wel een aaneengesloten gebied, echter met meerdere woonvelden (eigen woonbestemmingen) en voorziet slechts in 800 woningen. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe dient de vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden gehanteerd. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieuen omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. Daarom kan geconcludeerd worden dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Dit wordt bevestigd in het m.e.r.-beoordelingsbesluit van de voormalige gemeente Brielle (thans Voorne aan Zee), welke als bijlage 11 bij deze toelichting is bijgevoegd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp 5.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het planvoornemen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook is via de Invoeringswet Waterwet de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming overgebracht naar de Waterwet. Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie.
Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem. 6.1.3
Provinciaal beleid
Het waterbeleid voor de periode 2016 tot 2021 van de provincie Zuid-Holland bestaat uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland, het Regionaal Waterplan 2016 – 2021 en de relatie met andere Besluiten, Verordeningen, Agenda’s etc. Dit betreft een herziening en geen nieuw beleid, actualisatie zal in samenwerking met betrokken partijen/overheden worden opgepakt. De ambities uit bovenstaande stukken zijn onder andere: het aangrijpen van de zandige versterking van de Noordzeekust om de regio, ruimtelijk en economisch, te versterken en extra aandacht besteden aan de economische kant van water. Daarnaast gaat het om betaalbaar waterbeheer waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit en duurzaamheid. Tevens dient er aandacht te zijn voor het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van Nederland. In het beleid zijn maatregelen en kosten opgenomen, waaronder tevens maatregelen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. 6.1.4
Beleid waterschap Hollandse Delta
Het waterbeheerprogramma (WBP) bevat het meerjarige beleid en de doelen van waterschap Hollandse Delta. In het WBP van waterschap Hollandse Delta zijn de doelen tijdens de planperiode 2022-2027 vastgelegd. Het WBP bevat doelen voor de primaire taken van het waterschap, namelijk de waterveiligheid, watersysteem en waterketen. De doelen voor deze specifieke planperiode zijn afgeleid van lange termijn ambities (2050). Deze BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp ambities worden beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waarbij met name de klimaatverandering en de gevolgen hiervan centraal staan. Naast de ambities voor de lange termijn en de doelen t/m 2027 bevat het WBP ook de strategische aanpak om de doelen te bereken. De doelen voor 2027 en de strategie vormen de basis voor de concreet uit te voeren maatregelen. Het WBP geeft inzicht in de werkwijze van het waterschap en op welke manier samenwerking met ketenpartners (zowel overheden als marktpartijen, maar ook particulieren) zou moeten plaatsvinden.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Waterschap Hollandse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. De uitgangspuntennotitie behorende bij de ‘normale procedure’ is in bijlage 9 opgenomen. De relevante randvoorwaarden voor dit plan zijn gerangschikt onder acht streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema’s ‘Veiligheid’, ‘Voldoende Water’, ‘Schoon Water' en het thema ‘Wegen’. 6.2.3
Reactie Waterschap
De uitgangspuntennotitie voor de normale procedure van de watertoets, zoals hiervoor opgenomen, moet worden gevolgd. Het concept-voorontwerpbestemmingsplan zal verder voor advies worden toegezonden naar het Waterschap Hollandse Delta. 6.2.4
Toekomstige situatie binnen plangebied
Algemeen Het plan betreft de realisatie van 800 woningen, verdeeld over de twee deelgebieden. Het gaat om verschillende type woningen; rijwoningen, vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en gestapelde woningen. De woningen worden gerealiseerd met bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en parkeerplaatsen. Waterkwantiteit Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m², dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water te worden gerealiseerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp In onderhavig geval is sprake van een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m². Het gaat niet om één aaneengesloten totale verharding van het plangebied, maar om losstaand verhard oppervlak zoals gebruikelijk in woonwijken. In de toekomstige situatie zorgen de bouwwerken en terreinverhardingen in beide deelgebieden voor een toename aan verhard oppervlak. Hiertoe is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, welke is opgenomen in bijlage 14 bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies uit dit rapport ingegaan, voor de complete weergave wordt verwezen naar de bijlage zelf. Langs de zuid- en oostrand van de wijk komt een ecologische verbindingszone met veel ruimte voor groen en water. Hierin komen plasdraszones ten behoeve van de biodiversiteit. De bestaande watergangen aan de randen van het plangebied blijven gehandhaafd. De bestaande (secundaire) watergangen binnen het plangebied worden gedempt. Het waterpeil in het plangebied wordt verhoogd van 2,25 m-NAP naar 1,75 mNAP, aansluitend bij het waterpeil van de primaire watergangen langs de Hossenbosdijk en de Veckdijk en de woonwijk Nieuwland. Ook het waterpeil van de primaire watergang aan de westzijde van het plangebied, langs de regionale waterkering, wordt verhoogd naar 1,75 m-NAP.
Ten behoeve van sturing van water door de wijk komen in deze watergang een nieuwe inlaatconstructie en een stuw. Het waterpeil van de bestaande primaire en secundaire watergangen langs de Voorweg blijft gehandhaafd op 2,25 m-NAP, zodat de ontwikkeling van de wijk geohydrologisch gezien weinig effect heeft op de woningen aan de Voorweg. Het maaiveld komt op een hoogte van 0,25 m-NAP. Dit sluit goed aan bij het peil van de wijk Nieuwland ten noorden van de Hossenbosdijk, waar het peil 0,20 m-NAP is. De drooglegging ten opzichte van het vaste waterpeil van 1,75 m-NAP bedraagt daarbij 1,50 meter, waarmee ruimschoots voldaan wordt aan de eis van 1,00 m. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het verhard oppervlak toe met 14,91 ha en het wateroppervlak met 1,57 ha. Hiermee wordt voldaan aan de basisregel van 10% compensatie. Rekening houdend met waterberging op de flauwe taluds bij peilstijging wordt een compensatie van 12,1% gerealiseerd. Hiermee voldoet het plan ook al aan het voorgenomen nieuwe beleid van het Waterschap. De voormalige gemeente Brielle (thans Voorne aan Zee) heeft de wens zoveel mogelijk naar het PvE van het convenant klimaatadaptief bouwen van Zuid-Holland te handelen. Hieruit komt onder andere een streefwaarde van aanvullende waterberging van 40 mm over privaat terrein, wat neerkomt op 2.895 m³.
In de groenzones door de wijk komen enkele wadi’s ten behoeve van aanvullende waterberging. Deze wadi’s zullen worden ingezet als onderdeel van de invulling van de wens en streefwaarde waterberging over privaat terrein. Dit betekent dat (een deel van) deze waterberging niet op privaat terrein, maar op openbaar terrein wordt ingevuld. De wadi’s en eventuele toepassing van een DT-stelsel voor afvoer van (overtollig) grond- en hemelwater dragen ook bij aan infiltratie van hemelwater om droogte tegen te gaan. De huidige mogelijkheden voor infiltratie zijn beperkt door de aanwezigheid van een veenlaag op circa 2,0 m-NAP. Ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied zal er echter ook op grote schaal voorbelasting en grondverbetering plaatsvinden, waardoor de mogelijkheid voor infiltratie naar verwachting toeneemt. Verhard oppervlak dat direct grenst aan wadi’s en/of oppervlaktewater wordt zo aangelegd dat het hemelwater oppervlakkig afstroomt naar de wadi en/of het oppervlaktewater. Hemelwater van aangrenzend particulier terrein stroomt op die wijze ook oppervlakkig af, doordat alle hemelwater van particulier terrein bovengronds aangeboden wordt op de erfgrens. Overig verhard oppervlak inclusief daarop afwaterend particulier verhard oppervlak wordt aangesloten op een hemelwaterriool.
Het afvalwater zal ingezameld worden door middel van een vuilwaterriool en vervolgens met een rioolgemaal en persleiding afgevoerd worden naar de bestaande riolering van de voormalige gemeente Brielle (thans Voorne aan Zee) of aangesloten worden op de bestaande persleiding van het waterschap die in de Voorweg ten zuiden van het plan ligt. Het afval- en hemelwatersysteem en het drainagestelsel wordt in de DO-fase nader uitgewerkt. Hittestress Het uitgangspunt van zowel de gemeente als betrokken ontwikkelaars bij het realiseren van voorliggend plan is een zogenaamde ‘koele wijk’. Het ontwerp voor Oude Goote is zo opgezet en uitgewerkt dat hittestress zoveel mogelijk voorkomen wordt. Allereerst heeft de wijk een ontsluitingsstructuur die er op gericht is om zo weinig mogelijk te verharden. De wijk is zo groen mogelijk ingetekend. Veel woningen liggen aan rijkelijk met bomen beplante groene wiggen met alleen voetpaden als verharding, zie hiervoor de kaarten in bijlage 1 van deze toelichting.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp De wijk kent doorgaande oost-west georiënteerde groenstructuren, dit betreft de ecologische zone die bovendien een brede watergang heeft en de groene wiggen. Op de heetste momenten in de zomer is er vooral oosten wind die door deze groenstructuren kan waaien en voor verkoeling zorgt. Het grote aantal bomen in de wijk biedt daarbij schaduw. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is gekozen voor duurzame, niet-uitloogbare materialen , zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. hemelwater vasthouden voor benutting; 2. (in)filtratie van afstromend hemelwater; 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; 4. afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'.
Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Het aspect water leidt niet tot mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen, onder meer vanwege het feit dat het plangebied van voldoende omvang is om hemelwater te kunnen opvangen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling, etc.); Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan zijn; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp •
Afwijken van de bouw- en gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag worden afgeweken van de aangegeven bouw- of gebruiksmogelijkheden;
In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemming is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 12) Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 13) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de bouwregels af te wijken inzake bouwgrenzen, goot- en bouwhoogten.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 14) In dit artikel wordt het strijdig gebruik beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 15) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
•
Algemene wijzigingsregels (Artikel 16) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op onderdelen het bestemmingsplan te wijzigen, bijvoorbeeld ten aanzien van het in beperkte mate overschrijden van bestemmingsgrenzen.
•
Overige regels (Artikel 17) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van parkeren en de APV opgenomen.
•
Algemene aanduidingsregels (Artikel 18) In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels inzake de opgenomen geluidszone beschreven.
7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp ‘Groen - 1’ (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de diverse groenstroken en groengebieden, de zogenoemde ‘groene vingers’, hoofdzakelijk gelegen rondom de gronden van Woongebied – 1. Binnen deze bestemming zijn groen- water, speelvoorzieningen en wegen, straten en paden toegestaan. Tevens zijn (nuts)voorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. ‘Groen - 2’ (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de diverse groenstroken en groengebieden, de zogenoemde ‘groene vingers’, hoofdzakelijk gelegen rondom de gronden van Woongebied – 2. Binnen deze bestemming zijn groen- water, speelvoorzieningen en wegen, straten en paden toegestaan. Er zijn (nuts)voorzieningen toegestaan maar er zijn géén parkeervoorzieningen toegestaan. Dit is een verschil met de bestemming ‘Groen1’. Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes.
‘Groen - 3’ (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen rondom de woonscherven van Woongebied-2, deze gronden waren in het ontwerpbestemmingsplan voorzien van een woonbestemming zonder bouwvlak, maar zijn in het vastgestelde bestemmingsplan voorzien van deze groenbestemming. Binnen deze bestemming zijn groen- water, speelvoorzieningen en wegen, straten en paden toegestaan. Tevens zijn (nuts)voorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes, met dien verstande dat de gronden welke zijn gelegen binnen 5 meter vanaf de bestemming 'Woongebied - 2' mogen worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan. ‘Natuur’ (Artikel 6) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de te realiseren ecologische verbindingszone, door het plangebied heen. De gronden met de bestemming 'Natuur' zijn uitsluitend bedoeld voor de aanleg en het behoud van de landschappelijke, ecologische en natuurwaarden, zoals is beschreven in deze toelichting (beschrijving toekomstige situatie en toetsing aan provinciale beleid en beschrijving in paragraaf 5.6).
Aantasting van het gebied wordt op deze wijze tegen gegaan en verboden. Hiermee is niet alleen de toekomstige functie in overeenstemming gebracht met de toekomstige feitelijke inrichting, maar zijn de gronden tevens beschermd tegen ingrepen die de natuurwaarden aan kunnen tasten. ‘Verkeer‘ (Artikel 7) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de hoofdinfrastructuur en de ontsluitingen van het plangebied op omliggende infrastructuur. Het gaat om de wegen die voor doorgaand verkeer geschikt zijn. Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. ‘Water’ (Artikel 8) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de te behouden en de te realiseren watergangen. Deze gronden zijn bedoeld voor water en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals duikers en bruggen. Eveneens zijn deze gronden bedoeld voor kruisingen en overbruggingen ten behoeve van de ontsluiting van aangrenzende bouwpercelen en verkeer. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. ‘Woongebied – 1’ (Artikel 9) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het noordelijke woongebied binnen het plangebied.
Hier zijn diverse woningtypen toegestaan, te weten vrijstaande, aaneengebouwde en twee-onder-één kap woningen alsook gestapelde woningen. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, daaronder begrepen aan-huisgebonden-beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten of internetverkoop aan huis. Tevens zijn bij
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
63
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in: • • •
Hoofdgebouwen; Bijbehorende bouwwerken; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
In de bouwregels (middels een specifieke aanduiding) voor hoofdgebouwen is bepaald dat het toegestane aantal woningen binnen dit gebied 735 bedraagt. Hoofdgebouwen mogen vrijstaand, gestapeld danwel aaneengebouwd worden gebouwd. De maximale bouwlagen van de nieuwe bebouwing is middels een maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal bouwlagen’ op de verbeelding aangegeven. Ter plaatse van het beoogde hoogteaccent in het noordoostelijke deel van het gebied is zowel de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal bouwlagen’ als ook de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ opgenomen. Hoofdgebouwen zullen op ten minste 0 meter en ten hoogste 4 meter uit de voorste perceelsgrens worden gebouwd. De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij vrijstaande woningen minimaal 3 meter aan beide zijden. Bij aaneengebouwde woningen bedraagt deze afstand vanaf het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens aan de niet bebouwde zijde minimaal 3 meter. Voor wat betreft de bijbehorende bouwwerken geldt dat deze op minimaal 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van de betreffende woning dienen te worden gebouwd. De goothoogte van bijgebouwen bedraagt 3 meter. Tevens zijn er regels ten aanzien van afstanden tot de zijdelingse perceelgrenzen en het hoofdgebouw opgenomen. Tot slot zijn er regels ten aanzien van het oppervlakte van bijbehorende bouwwerken opgenomen.
Voor wat betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is bepaald dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel 1 meter bedraagt. Achter de voorgevel bedraagt dit 2 meter. Tot slot bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een bouwhoogte van 3 meter. Van de bouwregels kan op ondergeschikte punten worden afgeweken. Specifieke gebruiksregels en afwijkingen De specifieke gebruiksregels geven specifieke regels ten aanzien van beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten en internetverkoop aan huis. Deze functies zijn onder voorwaarden toegestaan. ‘Woongebied – 2’ (Artikel 10) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de ‘woonvelden’ in het zuidelijke gedeelte van het plangebied, zoals deze zijn gelegen binnen de groene zones (welke zijn bestemd als groen en natuur). In dit zuidelijk plandeel zijn de woonvelden met een bijzondere vorm/contour opgenomen. Deze speciale vorm verwijst naar oude samengestelde woonerven van vroeger, de woningen krijgen dan ook in de toekomst een bijzondere architectuur. De bebouwing die in dit zuidelijk gebied van het plangebied afzwakt (ten opzichte van het noordelijk gelegen Woongebied-1, draagt bij aan de landschappelijke beleving van de woonscherven. Daarbij wordt een ‘kleinschalig erf-gevoel’ gecreëerd doordat elke woonscherf anders van vorm is.
Deze woongronden zijn bestemd voor wonen, daaronder begrepen aan-huis-gebonden-beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten of internetverkoop aan huis. Tevens zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in: • • •
Hoofdgebouwen; Bijbehorende bouwwerken; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Voor dit woongebied is ten aanzien van de hoofdgebouwen bepaald dat de woningen zowel 'vrijstaand', 'twee aaneen' als 'aaneengebouwd' (uitsluitend toegestaan indien dit niet is uitgesloten middels een aanduiding en/of in de regels) mogen worden gebouwd. De woningen dienen binnen het bouwvlak van het woonveld te worden gebouwd. Wat betreft de totale woningaantallen binnen deze bestemming wordt opgemerkt dat in de regels een maximum aantal woningen van 65 is vastgelegd. Naar aanleiding van het voorontwerpbestemmingsplan en de ingediende zorgen omtrent massiviteit, is tevens per woonveld ook een BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
64
Bestemmingsplan “Oude Goote” Ontwerp zogeheten ‘bandbreedte’ opgenomen, bestaande uit een maximum aantal woningen (maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’). Op deze manier wordt geborgd dat niet alle 65 woningen in één woonveld worden gerealiseerd. Opgemerkt wordt dat het totaal aantal woningen van 65 binnen deze bestemming vigerend is, de opgenomen bandbreedte is opgenomen in het kader van flexibiliteit voor de nadere planuitwerkingen. Dit betekent dus dat het opgenomen maximale aantal niet bij elkaar kan worden opgeteld, om zo tot een hoger aantal woningen te komen. Het is een bandbreedte van aantal toegestane woningen per woonveld, het totaal van 65 woningen binnen de bestemming blijft te allen tijde vigerend. Voor wat betreft de bouw- en goothoogtes van de woningen geldt dat deze passend dienen te zijn in het landschap, dit is verankerd op de plankaart en in de regels middels maatvoeringsvereisten. De afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt bij aaneengebouwde woningen aan de niet aangebouwde zijde minimaal 3 meter, bij vrijstaande woningen bedraagt dit aan beide zijdes 3 meter. Voor wat betreft de bijbehorende bouwwerken is bepaald dat bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan, uitsluitend binnen het bouwvlak.