06 (bijlage 15) Bijlage 13 - Verslechteringstoets Wnb met AERIUS-berekening
Tekst van het document
Het belangrijkste intergetijdengebied in de Voordelta is de Slikken van Voorne. Dit intergetijdengebied is van bijzondere betekenis voor trekvogels die hier een belangrijke tussenstop hebben om te foerageren tijdens hun trektocht. Het Natura 2000-gebied Voordelta bestrijkt de hele Noordzeekust van Zeeland (tot aan de deltawerken) en het zuidelijke gedeelte van Zuid-Holland. Het gebied is aangewezen voor 10 habitattypen, 7 habitatsoorten en voor 30 niet-broedvogelsoorten. Het projectgebied waar de werkzaamheden aan de bestaande en nieuwe windturbines plaatsvinden ligt buiten de begrenzing van dit Natura 2000-gebied. Door het Kierbesluit is het wel mogelijk voor kwalificerende vissoorten en zeezoogdieren om via de Haringvlietsluizen het Haringvliet te bereiken. De habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten die binnen de invloedsfeer van de windturbines en werkzaamheden voorkomen worden hierna beschreven.
23
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
Afbeelding 4.3 Begrenzing van het Natura 2000-gebied ‘Voordelta’ (Bron: Beheerplan Deltawateren 2016-2022).
4.2 Aanwezigheid kwalificerende natuurwaarden 4.2.1
Habitattypen
Het projectgebied valt niet binnen de begrenzing van de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zal daardoor geen effect zijn op de gekwalificeerde habitattypen doormiddel van areaal verlies. Aan de zijde van de Voordelta maakt al het open water deel uit van het kwalificerende habitattype Permanent overstroomde zandbanken (Noordzee kustzone; H1110B). Aan de zijde van het Haringvliet is ter hoogte van het projectgebied geen kwalificerend habitattype aanwezig. Ter hoogte van de Haringvlietdam liggen in het Voornes Duin meerdere kwalificerende habitattypen, waaronder H2120 Witte duinen, H2130A Grijze duinen (kalkrijk), H2160 Duindoornstruwelen, H2180x Duinbossen (meerdere subtypen) en H2190x Vochtige duinvalleien (meerdere subtypen), zie afbeelding 4.4.
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
24
Afbeelding 4.4: ligging habitattypen in het Voornes Duin, ter hoogte van de Haringvlietdam en het projectgebied (Beheerplan Voornes Duin, 2016).
4.2.2
Habitatrichtlijnsoorten
Bever, nauwe korfslak, noordse woelmuis en groenknolorchis. Het Natura 2000-gebied Voornes Duin is aangewezen voor de Habitatrichtlijnsoorten; nauwe korfslak, noordse woelmuis en groenknolorchis. Het Haringvliet is aangewezen voor de Habitatrichtlijnsoorten; bever en noordse woelmuis. Voor deze vier kwalificerende soorten is binnen het projectgebied, of langs de oever (bever), geen geschikt leefgebied aanwezig. Van de soorten zijn ook geen waarnemingen binnen het projectgebied bekend. De noordse woelmuis en groenknolorchis komen in het duingebied van De Punt en rond Quackjeswater of in de nabijheid van de Haringvlietdam niet voor. De bever komt voor in het Haringvliet en waarnemingen zijn bekend op circa 1,5 km van het projectgebied. Van de nauwe korfslak zijn waarnemingen bekend in de duinen van het Voornes Duin ter hoogte van Quackjewater. Directe effecten zoals ruimtebeslag en verstoring als gevolg van het project op deze kwalificerende soorten treden niet op omdat hun leefgebied/groeiplaats (ver) buiten het projectgebied ligt. Vissen Het Haringvliet is aangewezen voor de vissoorten; zeeprik, rivierprik, fint, zalm, elft en rivierdonderpad. De Voordelta is aangewezen voor de vissoorten; zeeprik, rivierprik, fint en elft. De zeeprik, rivierprik, fint, zalm en elft zijn allemaal trekvissen die leven in het open water (op de Noordzee) en in het rivierengebied paaien.
Aangezien geen open verbinding is tussen de Haringvliet en de Rijn/Maas of Schelde is geen sprake van gerichte trek. Het voorkomen van deze vissen rond de Haringvlietdam zal ongeveer gelijk zijn aan andere willekeurige plekken langs de Noordzeekust. In het Haringvliet worden deze soorten maar in bepekte mate gevangen. De rivierdonderpad komt voor in het Haringvliet, maar er zijn geen aantallen of trend bekend in het Haringvliet. Voor de kwalificerende vissoorten heeft het water rondom de Haringvlietdam geen specifiek belang ten opzichte van de rest van het Haringvliet of de Noordzeekust. Effecten van verstoring door impulsgeluid van heiwerkzaamheden onder water kunnen desondanks een effect hebben op voorkomende vissoorten. Voor deze vissoorten worden negatieve effecten als gevolg van heiwerkzaamheden nader beoordeeld. Zeezoogdieren De Voordelta is aangewezen voor de gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis en is een belangrijk leefgebied voor deze soorten. Uit meldingen in de NDFF blijkt dat gewone zeehond en grijze zeehond met regelmaat waargenomen worden in de buurt van de Haringvlietdam. Sinds de Haringvlietsluizen op een kier staan worden beide soorten ook, het zij een enkele keer, waargenomen in het Haringvliet. Van de Bruinvis zijn in de NDFF een paar waarnemingen
25
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
bekend in de Voordelta ter hoogte van de Haringvlietdam. Bruinvissen zijn jaarrond aanwezig in de Voordelta. Van de Bruinvis zijn in het Haringvliet geen waarnemingen bekend. De zwemmende zeehonden worden waargenomen langs de gehele Haringvlietdam, maar belangrijke rustplaatsen liggen in de Voordelta op de Hinderplaat op meer dan 4 km van het projectgebied. De zeehonden gebruiken het water bij het projectgebied om te foerageren. Negatieve effecten van de werkzaamheden (zoals heien) als gevolg van externe werking op zeezoogdieren die in het water van de Voordelta en Haringvliet voorkomen kunnen niet worden uitgesloten en worden nader beoordeeld.
4.2.3
Vogelrichtlijnsoorten
Broedvogels De Natura 2000-gebieden Voornes Duin en Haringvliet zijn aangewezen voor specifieke broedvogels, namelijk watervogels, moerasvogels en kustbroedvogels. Binnen het projectgebied zijn deze kwalificerende broedvogels niet waargenomen. Ook in de kuststrook van het projectgebied langs het Haringvliet is geen geschikt broedgebied voor kwalificerende kustbroedvogels of moerasvogels aanwezig. Effecten op kwalificerende broedvogels als gevolg van ruimtebeslag of visuele verstoring door de werkzaamheden tijdens de aanlegfase zijn daarmee uitgesloten. Verstoring door geluid veroorzaakt door de werkzaamheden kan op voorhand niet worden uitgesloten omdat het impulsgeluid van de voorgenomen heiwerkzaamheden verder reikt (over land en over water) dan het projectgebied. Nabij het projectgebied is bij Quackjeswater een belangrijk broedgebied voor o.a. aalscholver, kleine zilverreiger en lepelaar aanwezig. In het Haringvliet liggen op grotere afstand van het projectgebied enkele belangrijke broedgebieden, zoals op de Slijkplaat. De mogelijke effecten van geluidsverstoring (o.a. door heien) op broedgebieden van kwalificerende broedvogels wordt nader onderzocht. Door Buijs (2019a) zijn van een groot aantal soorten vliegbewegingen genoteerd, ook tijdens het broedseizoen. Hieruit blijkt dat kwalificerende broedvogelsoorten die elders broeden over of langs het projectgebied vliegen o.a.
om bij foerageergebieden elders te komen. Deze broedvogels kunnen door aanvaring slachtoffer worden van de windturbines. De broedvogelsoorten die dit betreft zijn door Bureau Waardenburg beschreven in hun rapportage (Prinsen et al. 2022). Dit aspect wordt nader beoordeeld. Niet-broedvogels De Natura 2000-gebieden Voordelta en Haringvliet zijn aangewezen voor specifieke niet-broedvogels, voornamelijk steltlopers, eenden, ganzen en meeuwen. Belangrijke gebieden voor vogels zijn de slaapplaatsen en hoogwatervluchtplaatsen (HVP) waar zich bij hoogwater grote aantallen vogels verzamelen. De vogels, met name steltlopers, wachten hier tot de volgende laagwaterperiode, waarbij de vogels weer kunnen foerageren op droogvallende slikken. Voor de kust van het projectgebied liggen geen belangrijke foerageergebieden in de vorm van droogvallende slikken. Uit tellingen in het kader van het Biologisch Monitoringprogramma van de zoute Rijkswateren waarbij watervogels geteld worden in opdracht van Rijkswaterstaat, blijkt dat de aantallen watervogels in de Voordelta ter hoogte van het projectgebied beperkt zijn. Het water en de oever bij het huidige windpark is geen HVP voor kwalificerende niet-broedvogels. Ook aan de zijde van het Haringvliet blijkt het projectgebied geen belangrijk (HVP) gebied te zijn voor kwalificerende niet-broedvogels, zie afbeelding 4.5.
Een enkele keer zijn grotere groepen steltlopers vastgesteld die met hoogwater op regenwormen komen foerageren in het projectgebied. Effecten op kwalificerende niet-broedvogels als gevolg van ruimtebeslag of visuele verstoring door de werkzaamheden tijdens de aanlegfase zijn daarmee uitgesloten. Het impulsgeluid veroorzaakt door heiwerkzaamheden reikt (over land en over water) verder dan het projectgebied en een effect op niet-broedvogels kan op voorhand niet worden uitgesloten. De mogelijke effecten van geluidsverstoring op (belangrijke gebieden van) kwalificerende broedvogels wordt nader onderzocht. Niet-broedvogels kunnen ook slachtoffer worden van aanvaringen met de rotorbladen van de windturbines. In 2018 en 2020 zijn door Buijs Eco Consult tweewekelijks of maandelijks gegevens verzameld van vliegbewegingen van vogels over het projectgebied en de Haringvlietdam. Aan de hand van deze gegevens zijn door Bureau Waardenburg de soorten die aanvaringsslachtoffer kunnen worden onder niet-broedvogels in beeld gebracht en getoetst aan de IHD van de relevante Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op kwalificerende niet-broedvogels kunnen door verstoring en aanvaringsslachtoffers niet worden uitgesloten. Deze beide effecten worden nader beoordeeld.
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
26
Afbeelding 4.5: Kwetsbare gebieden voor niet-broedvogels in het Haringvliet.
27
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
5. Toetsing gebiedsbescherming In dit hoofdstuk worden de resultaten van de 3 Natura 2000-gebieden getoetst doormiddel van een effectenanalyse. Als effecten optreden buiten deze gebieden worden ook die in beeld gebracht. Er wordt gekeken of de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect kunnen hebben op de beschermde natuurwaarden. Wanneer dit het geval is wordt getoetst of hierdoor mogelijk de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen en een effect dus significant is. De toetsing is niet per gebied uitgevoerd, maar opgesplitst in habitattypen, habitatsoorten en broedvogels & nietbroedvogels. 5.1 Habitattypen, ruimtebeslag of verstoring Binnen het projectgebied komen geen kwalificerende habitattypen voor. Er vinden geen werkzaamheden of transportbewegingen plaats nabij habitattypen in het Voornes Duin, anders dan over bestaande wegen. Effecten van ruimtebeslag en verstoring zijn uitgesloten. De twee nieuwe windturbines staan dicht bij de grens met het Haringvliet waardoor er sprake is van beperkte overdraai in dit Natura 2000-gebied. Langs de kustlijn met het Haringvliet liggen geen kwalificerende habitattypen waardoor er van permanent kwaliteitsverlies op kwalificerende habitattypen geen sprake is.
5.2 Habitattypen, stikstofdepositie Stikstofdepositie door het gebruik van machines is een effect dat op grote afstand invloed kan hebben instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen. Dit effect kan daarom mogelijk optreden voor habitattypen binnen Voornes Duin, de Voordelta of het Haringvliet. Een Aerius berekening is uitgevoerd om na te gaan of er stikstofdepositie plaatsvindt binnen stikstofgevoelige habitattypen. Indien dit het geval blijkt dan kunnen significante effecten in een aantal gevallen alsnog op voorhand worden uitgesloten. Voor de bouw van de twee windturbines is berekend of de uitstoot van stikstof binnen het projectgebied effect heeft op de stikstofgevoelige habitattypen in naastgelegen gebieden. De resultaten van de Aeriusberekening zijn weergegeven in bijlage 2.
5.2.1
Toetsingskader stikstofdepositie
Niet overbelaste hexagonen Voor ieder habitattype is een Kritische Depositiewaarde (KDW) vastgesteld. Dit is het aantal mol N/ha/jaar waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Beneden deze grens treden geen significant schadelijke effecten op (Van Dobben et al. 2012). Ook is in heel Nederland voor iedere hectare de achtergronddepositie bekend. Dit is de stikstofdepositie die jaarlijks al plaatsvindt door alle andere bronnen van stikstof. Indien de achtergronddepositie lager is dan de KDW van een habitattype, dan is het habitattype momenteel nog niet overbelast. Dit betekent dat het habitattype in de huidige situatie nog geen negatieve effecten ondervindt door een teveel aan stikstofdepositie. Indien de toename van stikstofdepositie door een project gering is dan zal deze er niet voor zorgen dat habitattypen wel overbelast raken. Ook niet als rekening wordt gehouden met een cumulatief effect van andere projecten en de uitstoot bijvoorbeeld x100 wordt gedaan. Hierbij is wel rekening gehouden met bijna overbelaste hexagonen waarbij de achtergronddepositie <70 mol lager is dan de KDW. Hierbij zijn negatieve effecten niet zomaar op voorhand uit te sluiten.
Geringe uitstoot binnen overbelaste hexagonen Indien uitstoot wel plaatsvindt binnen overbelaste hexagonen kunnen significante effecten bij geringe uitstoot in bepaalde gevallen nog steeds worden uitgesloten. Uit jurisprudentie blijkt dat het in bepaalde omstandigheden mogelijk kan worden volstaan met een voortoets. In ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1125, wordt in r.o. 32.4, onder meer het volgende overwogen:
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
28
“(…) De Afdeling overweegt verder dat, anders dan (…) en anderen stellen, niet elke overschrijding van de kritische depositiewaarden een significant negatief effect heeft of anderszins niet toelaatbaar moet worden geacht. Als een project leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt”. Daarnaast heeft het RIVM (2019) aangetoond dat kleine depositiewaarde (<0,05 mol/ha/jaar) een zeer grote ruimtelijke verspreiding hebben. Iedere bron stoot deze kleine hoeveelheden namelijk aan de buitenste rand van zijn depositie uit. Het RIVM heeft aangetoond dat bijdragen van kleiner dan 0,05 mol/ha/jaar weinig gevoelig zijn voor de exacte locatie van de bron waarvandaan de bijdrage afkomstig is (RIVM, 2019). Dit betekent dat een bijdrage van kleiner dan 0,05 mol N/ha/jaar nauwelijks effect heeft op de ruimtelijke verdeling van de depositie en niet betekenisvol tot een project zijn te herleiden. Dit effect wordt groter naarmate de afstand tot het project groter wordt.
De specifieke habitattype die op deze afstanden worden aangegeven door de AERIUS-Calculator zijn dus een inschatting en geven niet specifiek aan dat de uitstoot daadwerkelijk in deze habitattypen terecht komt. Tijdelijke uitstoot van maximaal 0,05 mol/ha/jr In februari 2021 is door BIJ12 de ‘Handreiking Voortoets Stikstof’ opgesteld in opdracht van het Ministerie van LNV (BIJ12, 2021). In de handreiking wordt beschreven wanneer je significant negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie nog kan uitsluiten met een Voortoets, en wanneer er een formele Passende Beoordeling en vergunningprocedure noodzakelijk is. De handreiking dient als “…hulpmiddel bij het voorkomen van onnodige vergunningprocedures en bij een goede toetsing van de effecten van maatschappelijke ontwikkelingen op kwetsbare natuur”. Voor tijdelijke toenames van stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase bij een bouwproject wordt in de handreiking het uitgangspunt gehanteerd: “Bij een bouwproject wordt in de aanlegfase tijdelijk materieel ingezet. Het hangt van de locatie van het project af of en in welke mate depositie plaatsvindt op welke hexagonen binnen Natura 2000-gebied. Maar dit materieel betreft geen nieuw fenomeen.
Ze wordt al sinds de inwerkingtreding van de gebiedsbescherming (de Europese referentiedatum) gebruikt en steeds op een wisselende plek, afhankelijk van waar het project is. Er is daardoor in beginsel geen sprake van een structurele toename van de belasting op een specifieke locatie. Dit leidt ertoe dat het geheel aan deze activiteiten, in combinatie met het verspreidingseffect van NOx, per jaar tot een bepaalde stikstofemissie en -depositie leidt die onderdeel is van de landelijke achtergronddepositie die altijd al aanwezig was.” In de Handreiking wordt om deze reden de volgende vuistregel gehanteerd: De analyse kan worden beschreven in de Voortoets indien het gaat om tijdelijke depositie - op een (naderend) overbelast stikstofgevoelig habitat - ten gevolge van de inzet van materieel ten behoeve van de aanlegfase, van ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar, gedurende maximaal 2 jaar, of een equivalent hiervan. Dat betekent dat de totale stikstofvracht als gevolg van het project nooit meer dan 0,1 mol stikstof per hectare kan bedragen gedurende de looptijd van het project. Met ‘equivalent’ wordt bedoeld dat het project ook bijvoorbeeld 0,03 mol/ha/j gedurende 3 jaar of 0,1 mol/ha/j gedurende 1 jaar mag veroorzaken. Voor zover de aanlegfase binnen de reikwijdte van de redeneerlijn valt, kunnen (significante) negatieve gevolgen op voorhand worden uitgesloten.
Dit geldt alleen voor de tijdelijke aanlegfase en staat los van de beoordeling van permanente deposities als gevolg van de (eventuele) gebruiksfase. In het geval dat uit de AERIUS berekening blijkt dat de aanlegfase bijna overal onder de hierboven genoemde grens zit en op enkele gebieden niet, dan zal voor die gebieden waar de depositiebijdrage hoger is alsnog een passende beoordeling moeten worden gemaakt.
5.2.2
Invoer materieel stikstofberekeningen
Voor dit project is voor de aanlegfase een AERIUS berekening gemaakt voor de bouw van een fundering en het oprichten van de twee nieuwe windturbines. De exacte wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd is nog niet bekend. Op basis van ervaringen bij de bouw van andere windparken, waaronder de bouw van Windpark Oosterscheldekering in 2020, is een zo gedetailleerd mogelijke inschatting gemaakt van de inzet van het benodigde materieel en het aantal draaiuren. In tabel 5.1 is een overzicht gegeven voor de bouw van de twee nieuwe turbines. Het materieel zoals in deze tabel weergegeven is ingevoerd in AERIUS Calculator.
29
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
binnen stikstofgevoelige habitattypen. Significant negatieve effecten op habitattypen en leefgebieden binnen de Natura 2000-gebieden Haringvliet en Voordelta zijn daarmee uitgesloten. In afbeelding 5.1 zijn de hexagonen weergegeven waar sprake is van een tijdelijke depositietoename binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van het Voornes Duin en Duinen Goeree & Kwade Hoek. De deposities hoger dan 0,05 mol/ha/jr komen voor direct bij het begin van de Haringvlietdam. Verder weg van de Haringvlietdam neemt de depositietoename steeds verder af.
Afbeelding 5.1: Overzicht ligging projectgebied binnen Natura 2000-gebied Voornes Duin en Duinen Goeree & Kwade Hoek. Resultaten van de AERIUS-berekening van de aanlegfase waarbij de paarse hexagonen geven de toename van stikstofdepositie weer. Buiten de weergegeven hexagonen is tijdens de aanlegfase geen sprake van een depositietoename. In tabel 5.3 zijn de resultaten van de AERIUS-berekening voor de aanlegfase verder uitgewerkt. Hierbij is per habitattype en leefgebied waarbinnen stikstofdepositie plaatsvindt bepaalt of en hoe hoog de stikstofdepositie toeneemt binnen (bijna) overbelaste delen van het desbetreffende habitattype. In de tabel is de hoogste depositiebijdrage weergegeven binnen hexagonen die (bijna) overbelast zijn. Voor overbelaste habitattypen is de hoogste depositiebijdrage weergegeven van het hexagoon waar de kritische depositiewaarde (KDW) van het habitattype (bijna) wordt overschreden door de achtergronddepositie. Dit kan verschillen met de hoogste bijdrage die uit de AERIUS-berekening naar voren komt als deze hoogste bijdrage plaatsvind binnen een hexagoon waar de KDW niet (bijna) wordt overschreden door de achtergronddepositiewaarde (ADW). Voor een paar habitattypen blijkt dat de KDW niet (bijna) wordt overschreden door de ADW inclusief de tijdelijke toename van het project.
In tabel 5.3 is te zien welke habitattypen binnen het Natura 2000-gebied nog niet (bijna) overbelast zijn en daarom nog geen negatieve effecten ondervind van stikstofdepositie. Voor de habitattypen ‘H2160 Duindoornstruwelen’, ‘H2190Ae Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen’, ‘H2170 Kruipwilgstruwelen’ en ‘H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks)’ is er geen sprake van een overbelaste situatie tijdens de tijdelijke toename van stikstofdepositie in de aanlegfase. Significant negatieve effecten op deze habitattypen als gevolg van de aanlegwerkzaamheden zijn uitgesloten. Voor de habitattypen waarbij de tijdelijk stikstoftoename niet boven de 0,1 mol N/ha/jaar uitkomt wordt (nog) geen nadere toetsing uitgevoerd. Zoals beschreven in paragraaf 5.2.1. kunnen (significant) negatieve effecten bij deze toename van stikstofdepositie al op voorhand worden uitgesloten. Het gaat hierbij om de habitattypen en leefgebieden waarbinnen de maximale stikstofdepositie binnen een (bijna) overbelast hexagoon lager of gelijk is aan 0,1 mol N/ha tijdens de aanlegfase van 1 jaar. Hierbij kan geconcludeerd worden dat er binnen het Natura 2000WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
32
het behoud van kwaliteit en areaal. Door maatregelen waarbij onder andere een nieuwe duinenrij is aangelegd is plaatselijk gezorgd voor een toename van areaal en verbetering van de kwaliteit. Daarnaast wordt elke 20 jaar de buitenste duinenrij vernieuwd om de voor het habitattype gunstige dynamische processen in de zeereep te behouden. Geconcludeerd kan worden dat tijdelijke stikstofdepositie door de aanleg van het windpark geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van witte duinen en daarom geen (significant) negatief effect hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelen. De tijdelijke depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-) maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden. H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen en H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Voor vochtige duinvalleien (H2190A, B en C) geldt dat de landelijke trend over het algemeen gunstig is. De eenmalige stikstofdepositie tussen de 0,01 en 0,30 mol/ha is maximaal 0,02% van de huidige achtergronddepositie (1.496 mol/ha/jr) binnen Voornes Duin (PAS-gebiedsanalyse, 2017). Binnen dit Natura 2000-gebied geldt voor het subsubhabitattype ‘H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen’ een behoudsopgave voor het oppervlak en de kwaliteit.
Voor H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) geldt een instandhoudingsdoel voor uitbreiding van het areaal en verbetering van de kwaliteit. Voor veruit het overgrote deel van het habitattype H2190A Vochtige duinvalleien (open water) en H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) waar sprake is van een toename als gevolg van het project, is er geen sprake van een stikstofprobleem. Matige overbelasting vindt alleen nog plaats in de kleinere duinplassen van het subsubtype (H2190Aom) en de oevers waar H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) voorkomst. Deze kleinere duinplassen beslaan samen een beperkt oppervlak. In de vochtige duinvalleien treedt een ophoping van organisch materiaal op de bodem van de plassen op en treedt er op sommige plekken verruiging op (opslag van bomen en struiken) door stikstofdepositie. Over het algemeen is de kwaliteit van beide habitattypen goed in Voornes duin. Plaatselijk worden in de kleinere duinplassen wel maatregelen genomen zoals het baggeren en schonen van plassen ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen van H2190Aom en H2190B. De tijdelijke depositietoename als gevolg van het project treedt op binnen een dicht bij de Haringvlietdam gelegen duinplas in de Van Baarsenvallei (deelgebied Quackjeswater en omliggend duingebied). De KDW van dit subsubtype wordt in deze vallei overschreden door de ADW.
De vochtige duinvalleien en kleinere duinplassen kennen een (intensief) beheer wat leidt tot een goede kwaliteit van dit habitattype, ondanks de te hoge stikstofdeposities. Door schonen kan de verhoogde eutrofiering en successie worden beperkt. Knelpunten als gevolg van de hoge stikstofdepositie wordt dus met het huidige beheer al opgelost en de kwaliteit wordt verbeterd. De maximale toename van stikstofdepositie uit het project komt neer op 0,025% van de KDW van het habitattype H2190Aom. De maximale toename komt voor het habitattype H2190B neer op 0,017% van de KDW. Als er 10 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden per jaar (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,25% van de KDW zijn. Deze toename vindt plaats binnen de hexagonen direct grenzend aan het projectgebied. Verder van het projectgebied nemen de toenames snel af en binnen 1200m van het projectgebied zijn de toenames minder dan 0,05 mol/ha/jr. De maatregelen die momenteel worden genomen om eutrofiering en successie tegen te gaan hebben een positief effect op een veel groter areaal van het habitattype. De depositietoename vanuit het project is tijdelijk, dermate gering en vindt plaats op een beperkt areaal waardoor deze geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit subsubtype en habitattype.
De depositietoename tijdens de aanlegfase van het project vormt geen risico voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van ‘H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen’ of voor H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) en heeft geen (significant) negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen. De tijdelijke depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-) maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden. H2130A Grijze duinen (kalkrijk) Voor Grijze duinen (H2130) geldt dat de landelijke trend voor deze habitattypen binnen Nederland matig tot zeer ongunstig zijn. Daarom geldt er voor de Grijze Duinen ook een uitbreiding en verbetering van het habitattype. Voor de grijze duinen geldt momenteel dat 100% matig overbelast is met stikstof (PAS-gebiedsanalyse, 2017). Voor dit habitattypen worden dan ook maatregelen genomen zoals het verwijderen van struweel en het toepassen van begrazing. Doordat het habitattype momenteel al overbelast is, kan worden gesteld dat elke toename, hoe gering ook, al een significant negatief effect zou kunnen hebben. De toename door de aanleg van het windpark Haringvliet is tussen de 0,01 en 0,25 mol/ha echter beperkt en ook eenmalig.
Dit komt neer op maximaal 0,017% van de huidige achtergronddepositie (1.496 mol/ha/jr) binnen Voornes Duin (PAS-gebiedsanalyse, 2017). Als er 100 dergelijke
35
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
activiteiten zouden plaatsvinden in 1 jaar (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 1,7% van de jaarlijkse achtergronddepositie zijn. Deze toename vindt plaats binnen de hexagonen direct grenzend aan het projectgebied. Verder van het projectgebied nemen de toenames snel af en binnen 1200m van het projectgebied zijn de toenames minder dan 0,05 mol/ha/jr. Op circa 3 km van het projectgebied is er geen sprake meer van een depositietoename op dit habitattype als gevolg van de aanlegfase. De maatregelen die momenteel worden genomen om eutrofiering en successie tegen te gaan hebben een positief effect op een veel groter areaal van het habitattype en deze effecten worden niet verkleind door de eenmalige zeer beperkte stikstofuitstoot voor de aanleg van het windpark. Geconcludeerd kan worden dat stikstofdepositie door de aanleg van het windpark geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van de grijze duinen en daarom geen (significant) negatief effect hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelen. De tijdelijke depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-) maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden.
H2180Ao Duinbossen (droog), H2180B Duinbossen (vochtig) overig en H2180C Duinbossen (binnenduinrand) Voor de habitattypen duinbossen (H2180A, B en C) geldt dat de landelijke trend over het algemeen gunstig tot matig gunstig is. De eenmalige stikstofdepositie tussen de 0,01 en 0,20 mol/ha is maximaal 0,01% van de huidige achtergronddepositie (1.429 mol/ha/jr als laagste ADW voor H2180Ao) binnen Voornes Duin (PAS-gebiedsanalyse, 2017). Binnen dit Natura 2000-gebied geldt voor het subhabitattype ‘H2180Ao Duinbossen (droog)’ een behoudsopgave voor het oppervlak en verbeteropgave voor de kwaliteit. Voor ‘H2180B Duinbossen (vochtig) overig’ en ‘H2180C Duinbossen (binnenduinrand)’ geldt een behoudsdoel voor oppervlakte en kwaliteit. Voor het subhabitattype ‘H2180Ao Duinbossen (droog)’ geldt dat circa 75% van het areaal op dit moment matig overbelast is. Voor het habitattype ‘H2180B Duinbossen (vochtig) overig’ is dit het geval bij circa 35% van het areaal. Voor het habitattype ‘H2180C Duinbossen (binnenduinrand)’ geldt dat op slechts een klein areaal van dit habitattype (ca 1%) sprake is van een overbelasting van de KDW. De belangrijkste aspecten voor behoud en verbetering van het areaal en de kwaliteit de Duinbossen (2180A, B en C) zijn de beperkte ouderdom, het beperkt aantal open plekken en de geringe lengte bosrand.
Lokaal speelt ook de aanwezigheid van gebiedsvreemde soorten exoten en naaldhout een belangrijke rol. Deze drukfactoren staan waarschijnlijk los van de stikstofdepositie (PAS-gebiedsanalyse, 2017). Veroudering leidt op langere termijn tot kwaliteitsverbetering voor de droge duinbossen. Specifieke maatregelen (op korte termijn) zijn het creëren van een natuurlijk soortensamenstelling, leeftijdsopbouw en structuur door selectieve kap van lokaal niet inheemse soorten en het creëren van goed gestructureerde open plekken en bosranden. Geconcludeerd kan worden dat stikstofdepositie door de aanleg van het windpark geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Duinbossen (2180A, B en C) en daarom geen (significant) negatief effect hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelen. De tijdelijke depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-) maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden. Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen Het leefgebied ‘Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen’ is sterk verwant met het habitattype Duindoornstruwelen (H2160) en in Voornes duin komen deze gebieden veelal naast elkaar voor. Voor het leefgebied ‘Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen’ geldt dat circa 25% van het areaal op dit moment matig overbelast is.
Het is als leefgebied aangewezen voor de stikstofgevoelige habitatrichtlijnsoort ‘H1014 Nauwe korfslak’. De landelijke staat van instandhouding van deze soort is matig ongunstig. Voor de nauwe korfslak is een behoudsdoel geformuleerd voor de omvang en kwaliteit van het leefgebied. Van de soort is bekend dat deze in het gebied rond het Quackjeswater voorkomt. In het Voornes Duin is ruim voldoende leefgebied van voldoende kwaliteit voor deze soort aanwezig. De kerngebieden met geschikt biotoop, waar de nauwe korfslak ook is aangetroffen, liggen vooral in het buitenduin, waar beperkte overschrijding van de KDW van Lg12 plaatsvindt. De geschiktheid van het biotoop voor de nauwe korfslak wordt voor een belangrijk deel bepaald door de aanwezigheid van relatief kalkrijk strooisel, dat afkomstig is van relatief kalkrijk dood blad van de betreffende soorten bomen en struiken. Omdat stikstofdepositie geen invloed heeft op de diepere ondergrond waar deze bomen en struiken wortelen is ook geen invloed te verwachten op de kalkrijkdom van het door bladval ontstane strooisel. Om deze reden is ook in het leefgebied van de nauwe korfslak (‘Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen’) in Voornes Duin geen effect van stikstofdepositie te verwachten.
Geconcludeerd kan worden dat stikstofdepositie door de aanleg van het windpark geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van het leefgebied ‘Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen’ en daarom geen (significant) negatief effect hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelen van de Habitatrichtlijnsoort H1014 Nauwe korfslak. De tijdelijke depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-) maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden.
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
36
5.2.7
Conclusie
Binnen aangrenzende Natura 2000-gebieden Haringvliet en Voordelta is geen sprake van een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen. Negatieve effecten op de gebieden Haringvliet en Voordelta kunnen daarmee worden uitgesloten. Hoewel de maximale depositietoename voor de habitattypen niet overal gering te noemen zijn, blijkt uit de toetsing dat voor een deel van de habitattypen stikstof niet het grootste knelpunt vormt en, belangrijker nog, dat de depositietoename van stikstof maar in een klein deel van het habitattype plaatsvindt. De toename van >0,05 mol/ha/jr vinden plaats binnen een straal van 1200m rondom het projectgebied. De tijdelijke depositietoename blijft voor de werkperiode van maximaal 1 jaar beneden de 0,1 mol/ha/jr voor één habitattype in gebied Voornes Duin en drie habitattypen en een leefgebied in gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek. Conform de Handreiking van BIJ12 kan een (significant) negatief effect op deze habitattypen en leefgebieden binnen beide Natura 2000-gebieden om die reden worden uitgesloten. De tijdelijke bijdrage vanuit het project zorgt er eveneens niet voor dat stikstofdepositie een knelpunt wordt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.
Alleen voor de habitattypen ‘H2120 Witte duinen', H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen’, ‘H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)’, ‘H2130A Grijze duinen (kalkrijk)’, ‘H2180Ao Duinbossen (droog), overig’, ‘H2180C Duinbossen (binnenduinrand)’, ‘H2180B Duinbossen (vochtig)’ en het leefgebied ‘Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen’ in Natura 2000-gebied Voornes Duin is de tijdelijke depositietoename vanuit het project maximaal 0,25 mol/ha/jr en moet, conform de Handreiking van BIJ12 rekening worden gehouden met een (significant) negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen. Aansluitend is met een passende beoordeling bepaald of dit ook daadwerkelijk het geval is. Voor zover in het Natura 2000-gebied Voornes Duin de kwaliteit van deze zeven habitattypen en het leefgebied, (mede) als gevolg van de veel te hoge aanvoer van stikstof, op dit moment slecht is, worden (en zijn reeds) maatregelen genomen zoals opgenomen in het beheerplan (provincie Zuid-Holland, 2016) om de kwaliteit van het habitattype te herstellen. Dit kunnen zowel systeemgerichte maatregelen zijn (bijvoorbeeld herstel van de waterhuishouding) als maatregelen die de geaccumuleerde stikstof uit het gebied verwijderen. Door de tijdelijke en geringe depositietoename zal de situatie in dit Natura 2000-gebied voor deze habitattypen niet wijzigen.
De depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-)maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden. In geval van habitattypes met een overbelasting geldt dat tijdelijke kleine deposities op grond van voorgaande nooit de oorzaak zijn, die tot gevolg heeft dat een habitattype niet meer aan het instandhoudingsdoel voldoet of dat het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald. De tijdelijke depositietoename als gevolg van de aanlegfase van het voorgenomen windturbines is voor stikstofgevoelige habitattypen H2120, H2190Aom, H2190B, H2130A, H2180Ao, H2180C, H2180B en het leefgebied Lg12 dermate klein dat op zichzelf een negatief effect is uitgesloten, op grond van het gegeven dat de depositie dermate klein is dat deze ecologisch geen effect sorteert. Voor een aantal habitattypen en het leefgebied is stikstofdepositie daarbij geen factor van belang voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling. De extra belasting voor de andere habitattypen is ook ten opzichte van een op zichzelf overbelaste situatie dermate klein dat deze tijdelijke depositie met zekerheid niet tot een significant negatief effect leidt op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor beide stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000-gebied Voornes Duin.
Momenteel bestaat er geen vastgesteld beleid ten aanzien van stikstofdeposities als gevolg van ruimtelijke ingrepen waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen. Omdat er uit deze ecologische toets blijkt dat sigificant negatieve effecten zijn uitgesloten kan, volgend de beslisboom van de Rijksoverheid, geconcludeerd worden dat er voor dit project een vergunningplicht geldt en dat deze vergunning verleend kan worden.
5.3 Habitatrichtlijnsoorten De reikwijdte van effecten tijdens de aanlegfase en gebruiksfase, de aanwezigheid van kwalificerende soorten en het belang van de omgeving voor aanwezige soorten bepaald of negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van het project. Voor een aantal soorten kunnen effecten op voorhand worden uitgesloten. Door de afstand tussen het projectgebied en het huidige leefgebied van noordse woelmuis, nauwe korfslak en bever en huidige groeiplaatsen van groenknolorchis kunnen negatieve effecten op deze soorten op voorhand worden uitgesloten.
37
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
Als gevolg van heiwerkzaamheden bij de aanleg van de twee nieuwe turbines kunnen effecten op zeezoogdieren (zeehonden en bruinvis) en vissoorten (zeeprik, rivierprik, elft, zalm, fint en rivierdonderpad) niet op voorhand worden uitgesloten. Verstoring van zeehonden en vissen als gevolg van de werkzaamheden wordt nader beoordeeld.
5.3.1
Vissen
Over de effecten van onderwatergeluid op (trek)vissen is zeer weinig bekend (Popper & Hastings, 2009). Er is een zeer grote variëteit tussen soorten in gevoeligheid voor geluid, waarbij effecten kunnen variëren van niet aanwezig tot ernstige schade in de vorm van gedragsveranderingen, tijdelijke of permanente gehoorbeschadiging, orgaanschade en zwemblaasschade. Echter door de grote variëteit kan er niet geëxtrapoleerd worden tussen verschillende soorten en situaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is een effect juist in te schatten (Popper & Hastings, 2009). Vissen met een zwemblaas of luchtgevulde holte blijken door de drukgolven van dit type geluidsbronnen eerder beschadigd te raken dan vissen zonder zwemblaas of luchtgevulde holte (Andringa et al, 2007). Gedetailleerde gegevens met betrekking tot de afstand waarover het geluid van heiwerkzaamheden vissen kan beschadigen of beïnvloeden ontbreken tot dusver. Uit onderzoek is gebleken dat op korte afstand van de heiwerkzaamheden (25-50 m) acute sterfte kan optreden van vissen. Het is waarschijnlijk dat de zone waarin verwondingen kunnen optreden nog ruimer is (circa 150 m). Verstoring kan zelfs op nog veel grotere afstand plaatsvinden, tot wel 3.500 meter in sommige studies (Arcadis, 2015).
Omdat de werkzaamheden buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden Haringvliet en Voordelta plaatsvinden vindt geen direct effect (verwonding of sterfte) plaats binnen deze gebieden op de kwalificerende vissoorten. Fint, elft en zalm hebben een zwemblaas en zijn daarom gevoelig voor onderwatergeluid afkomstig van heiwerkzaamheden. Van de geluidsintensiteit in het water van het Haringvliet en Voordelta als gevolg van het heien wordt een groot deel van de geluidenergie geabsorbeerd in de bodem (oever). Voor de fint, elft en zalm heeft het water rondom de Haringvlietdam geen specifiek belang, maar in oeverzones zijn deze wel te verwachten. Daarop kan een verstorend effect als gevolg van onderwatergeluid niet worden uitgesloten. Echter, vissen kunnen eenvoudig vluchten in het open water van het Haringvliet en Voordelta naar delen waar geen schade of hinder worden ondervonden. Het lokale en tijdelijke karakter van de heiwerkzaamheden is hierdoor met zekerheid niet significant negatief voor het behalen van de IHD van de fint, elft en zalm. De rivierdonderpad, zeeprik en rivierprik hebben geen zwemblaas, zodat ze weinig gevoelig zijn voor onderwatergeluid (Heinis, 2009). De heiwerkzaamheden leiden daarom niet tot een negatieve effecten voor de rivierdonderpad, zeeprik en rivierprik.
Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van gehoorbeschadiging geen sprake zijn, dieren zullen tijdig de omgeving van de heilocatie vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragen inpulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op vissen uitgesloten.
5.3.2
Zeezoogdieren
Onderwatergeluid De sloop- en bouwwerkzaamheden (met name het heien) voor het windpark kunnen leiden tot tijdelijke verstoring van zeezoogdieren (in dit geval gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis) en daarmee tijdelijk verlies aan niet primair leefgebied. Bij plotselinge harde geluiden onder water, bijvoorbeeld bij heiwerkzaamheden, is er kans op mogelijke fysieke of fysiologische effecten, bestaande uit tijdelijke- (TTS) of permanente gehoordrempelverschuiving (PTS) en in het ergste geval verwondingen. Over de afstanden waarbinnen deze effecten kunnen optreden is beperkt informatie voorhanden. Deze is afhankelijk van de gebruikte heistelling en hei-energie, type heipaal en locatie (op land of water). Voor heiwerkzaamheden t.b.v. de aanleg van een steiger in de Rotterdamse haven heeft RHDHV (2017) berekeningen uitgevoerd naar de afstand waarbinnen TTS kan optreden (o.b.v. 178 dB, single strike). Hieruit komt naar voren dat voor bruinvis deze effecten kunnen optreden binnen een afstand van 2955m. Voor zeehonden is deze afstand bepaald op 1145m (RHDHV, 2017). Deze heiwerkzaamheden vonden plaats langs de kade in het water. De heiwerkzaamheden voor het windpark worden uitgevoerd op land, waardoor een groot deel van de geluidenergie wordt geabsorbeerd in de bodem (oever).
De verstoringsafstanden van de effecten van onderwatergeluid op bruinvis en zeehonden zullen hierdoor kleiner zijn. Er zijn waarnemingen bekend van zeehonden en bruinvis in de voordelta ter hoogte van de Haringvlietdam. Gewone en grijze zeehonden worden in beperkte mate ook waargenomen in het Haringvliet. Mogelijk foerageren enkele individuen hier op vis. De omgeving van de Haringvlietdam is echter geen primair leefgebied van deze zeehonden en bruinvis. Voor zeehonden is dat de kustzone nabij hun rustgebieden op zandbanken. Voor bruinvis is dat het open
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
38
water van de gehele Nederlandse kustzone en Noordzeegebied. De zeezoogdieren die door de werkzaamheden verstoord worden kunnen uitwijken naar elders in het Haringvliet en langs de kustzone. Ten opzichte van de populatie bruinvis, gewone zeehond en grijze zeehond zijn de aantallen mogelijk verstoorde individuen minimaal. Er zijn voor zeezoogdieren geen trekroutes tussen de Voordelta en het Haringvliet. De zeehonden en bruinvissen die tussen de Delta en Waddenzee langs de kust trekken ondervinden geen hinder van de werkzaamheden die zich tot het projectgebied van het windpark beperken. Effecten van de verstoring op de populaties van gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis zijn uitgesloten. Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van gehoorbeschadiging geen sprake zijn, dieren zullen tijdig de omgeving van de heilocatie vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragende impulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op zeezoogdieren uitgesloten. Bovenwatergeluid In de directe omgeving kunnen tijdens de uitvoering van werkzaamheden foeragerende zeehonden en bruinvissen aanwezig zijn.
Tijdens het verblijf in het water is bovenwater geluid minder van belang voor zeehonden en bruinvis dan onderwatergeluid. Deze zeezoogdieren foerageren immers een groot deel van hun tijd in het water en hoeven alleen bovenwater te komen om adem te halen. Voor bruinvissen is bovenwater geluid om die reden niet van negatieve invloed. Voor zeehonden is bovenwater-verstoring vooral van belang als zij gebruik maken van zeehondenrustplaatsen. De verstoringsafstand boven water bedraagt 1.200 meter (Brasseur & Reijnders, 1994, richtlijn Rijkswaterstaat). De wateren nabij het projectgebied hebben geen specifieke functie als rustgebied voor zeehonden. Verstoring van ligplaatsen in de Voordelta is gezien de afstand (>4 km) uitgesloten. Negatieve effecten op de gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis als gevolg van bovenwatergeluid door de aanlegwerkzaamheden zijn uitgesloten.
5.4 Vogelrichtlijnsoorten 5.4.1
Aanlegfase
Voor kwalificerende broedvogels en niet-broedvogels is het projectgebied niet van groot belang, waarschijnlijk door intensieve recreatieve gebruik van het projectgebied en de omgeving. Ruimtebeslag op leefgebied van vogels of visuele verstoring en beperkte geluidsverstoring door de aanwezigheid van mens en materieel is daarmee uitgesloten. Verstoring door geluid dat ver draagt (over land en water) kan wel voor verstoring zorgen van broed-, rust,- en foerageergebieden (verder) buiten het projectgebied. Maatgevend voor deze verstoring zijn de mogelijke heiwerkzaamheden (worst case) ten behoeve van de twee nieuwe turbines. Deze effecten worden hierna verder onderzocht en beoordeeld. De gevoeligheid van vogels voor piekgeluiden zoals van heiwerkzaamheden is beperkt onderzocht en kennis is summier. Bij veel effectstudies wordt het effect op vogels bepaald aan de hand van een 45 of 47 dB(A)-contour. Deze contour wordt als drempelwaarde voor verstoring van vogels van open landschappen gehanteerd (Reijnen et al. 1992) en is derhalve van toepassing op alle kwalificerende vogelsoorten van de Natura 2000-gebieden die grenzen aan het projectgebied voor het windpark. In recenter onderzoek van Foppen & Roodbergen (2020) wordt voor ongelijkmatig/piekgeluid (zoals bij heiwerkzaamheden) aangegeven dat er, volgens Cutts et al.
(2009) geen of geringe effecten optreden onder de 70 dB(A) als maximumwaarde. Deze is echter alleen bepaald voor niet-broedende kustvogels (watervogels, steltlopers en meeuwen/sterns) en is dus alleen voor deze soortgroepen bruikbaar. De daadwerkelijke ligging van een geluidscontour en daarmee de verstoringsafstand voor vogels is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder; de gebruikte heistelling en hei-energie, type heipaal, locatie (op land of water), ruwheid van het terrein en windrichting. De verstoringsafstand die uit verschillende studies naar voren komt varieert van 400m voor niet-broedvogels (Cutts et al. 2009, Foppen & Roodbergen, 2020) tot 1.089m of zelfs 2.500m voor broedvogels en niet-broedvogels (van der Aa, 2019, Arcadis, 2015). Voor het in beeld brengen van de effecten in de aanlegfase zijn geluidscontouren van de heiwerkzaamheden bepaald. Voor de twee windturbinelocaties zijn geluidscontouren berekend voor 2 varianten, namelijk bij het gebruik van
39
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
betonnen en stalen heipalen3. Voor de berekeningen is het maximum piekgeluidniveau van 70 dB(LA max) gehanteerd, als drempelwaarde waaronder geen of geringe effecten optreden bij niet-broedende kustbroedvogels (Cutts et al, 2009). De geluidscontouren zijn per windturbine (HVD1 en HVD2) weergegeven in afbeeldingen 5.1 en 5.2. De verstoringsafstand van de heiwerkzaamheden voor het windpark wordt voor een deel bepaald door het landschap rondom het projectgebied. Aan de noord- en zuidzijde ligt het open water van de Voordelta en het Haringvliet waar het heigeluid relatief ver reikt, aan de noordzijde bevindt zich de Haringvlietdam en aan de oostzijde het duingebied welke beide als buffer fungeren voor het geluid.
Afbeelding 5.1: Geluidscontouren voor het heien van funderingspalen van beton (links) en staal (rechts) voor windturbine (HVD1).
Afbeelding 5.2: Geluidscontouren voor het heien van funderingspalen van beton (links) en staal (rechts) voor windturbine (HVD2). Broedvogels Haringvliet Belangrijke broedgebieden in het Haringvliet liggen op grotere afstand (zoals Quackgors op ca 3km, Slijkplaat op ca 6,5km en andere broedgebieden nog verder weg) en buiten de maximale verstoringsafstanden (zoals bepaald door Van der Aa, 2019 en Arcadis, 2015). De zeven kustbroedvogels waarvoor de Haringvliet is aangewezen (zwartkopmeeuw, bontbekplevier, dwergstern, kluut, strandplevier, visdief en grote stern) hebben zich vooral
3 Voor het heien met stalen buispalen is uitgegaan van een maximaal bronvermogen van 143 dB(A). Voor het heien met betonnen
buispalen is uitgegaan van een maximaal bronvermogen van 139 dB(A). Op basis van de geluidbronvermogen is voor beide windturbinelocaties de 70 dB (LA max) contour berekend. De geluidcontouren zijn berekend op een beoordelingshoogte van +1m.
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
40
gevestigd op deze kale of schaars begroeide gebieden. Verstoring van broedlocaties van kustbroedvogels door heiwerkzaamheden is vanwege de afstand tot het projectgebied niet aan de orde. De Haringvliet is ook aangewezen voor drie soorten moerasbroedvogels (blauwborst, bruine kiekendief, rietzanger) welke vooral broeden in rietlanden en -ruigtes, waaronder Scheelhoek, Quackgors en Beninger Slikken. Het dichtstbijzijnde gebied met rietlanden en rietruigtes is Quackgors, de overige gebieden liggen op meerdere kilometers van het projectgebied. Verstoring van broedlocaties van kwalificerende moerasbroedvogels door heiwerkzaamheden is vanwege de afstand tot het projectgebied niet aan de orde. Broedvogels Voornes duin Het Voornes duin is aangewezen voor de broedvogelsoorten geoorde fuut, kleine zilverreiger, lepelaar en aalscholver. Het belangrijkste broedgebied voor kwalificerende broedvogels in het Voornes Duin nabij het projectgebied is Quackjeswater. Deze broedlocatie ligt op ca 1 km van het projectgebied. Tussen dit broedgebied en het projectgebied ligt de Haringvlietdam met de N57 en het duingebied. De geluidscontouren laten zien dat beide een bufferende werking hebben waardoor het maximum piekgeluidniveau van 70 dB(LA max) zodanig wordt gedempt (met name voor heiwerkzaamheden bij HDV2), dat de toename van geluidsverstoring beperkt is.
Hierdoor lijkt het dat dit geen extra verstoring van kwalificerende broedvogels bij Quackjeswater tot gevolg heeft. Het maximum piekgeluidniveau van 70 dB(LA max) is echter alleen bruikbaar voor niet-broedende kustvogels en kan slechts als indicatie gebruikt worden voor effecten op broedvogels. Effecten op broedvogels bij Quackjeswater kunnen op basis hiervan niet worden uitgesloten. De heiwerkzaamheden tijdens de aanlegperiode dienen daarom buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) te worden uitgevoerd. Niet-broedvogels Het huidige en nieuwe windpark en de directe omgeving zijn niet van groot belang als rustgebied (HVP), slaapplaats of foerageergebied voor kwalificerende niet-broedvogels, behalve het Quackjeswater, dat onder andere een belangrijke slaapplaats is voor aalscholvers. Andere belangrijke gebieden voor niet-broedvogels (watervogels, steltlopers en meeuwen/sterns) liggen op grotere afstand van het nieuw windpark, waaronder Kwade hoek, Scheelhoek, Quackgors en Slijkplaat. Door Prinsen et al. (2022) is voor de kwalificerende soorten die bij het projectgebied zijn waargenomen het belang van deze gebieden nader toegelicht. Verstoring door geluid dat ver draagt (over land en water) kan ook voor verstoring zorgen van deze rust-, en slaapplaatsen en foerageergebieden (verder) buiten het projectgebied.
Maatgevend voor deze verstoring zijn de heiwerkzaamheden ten behoeve van de twee nieuwe turbines. Voor het bepalen van effecten van ongelijkmatig/piekgeluid (zoals bij heiwerkzaamheden) op kwalificerende niet-broedende kustvogels is de drempelwaarde van 70 dB (LA max) gehanteerd. Volgens Cutts et al. (2009) treden er geen of geringe effecten op onder de 70 dB(A) als maximumwaarde. Uit de geluidscontouren weergegeven in afbeeldingen 5.1 en 5.2 blijkt dat de 70 dB(A)-geluidscontour niet reikt tot aan een van de genoemde rust- en slaapplaatsen en foerageergebieden. Effecten op niet-broedvogels als gevolg van het ongelijkmatig/piekgeluid van de (tijdelijke) heiwerkzaamheden treden niet op. De tijdelijke verstoring door piekgeluid van heiwerkzaamheden in beide Natura 2000-gebieden leidt niet tot (significant) negatieve effecten op kwalificerende niet-broedvogels. Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van negatieve effecten geen sprake zijn, kwalificerende niet-broedvogels binnen de verstoringszone van de heilocatie zullen deze tijdig vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen.
In dat geval is er geen sprake van verdragende impulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op kwalificerende niet-broedvogels ook uitgesloten.
5.4.2
Gebruiksfase, aanvaringsslachtoffers
Wanneer vogels uit Natura 2000-gebieden gebruik maken van het projectgebied of hier frequent overheen vliegen, kunnen zij negatieve effecten ondervinden van de twee geplande windturbines. Dit kan leiden tot effecten op het doelbereik van de IHD’s die voor deze soorten in Natura 2000-gebieden gelden. Aan de hand van de maximale foerageerafstanden van de betrokken vogelsoorten (binnen en buiten broedseizoen) is door Bureau Waardenburg (Prinsen et al. 2022) bepaald welke Natura 2000-gebieden en bijbehorende IHD’s in deze zin binnen de invloedssfeer van het windpark liggen. Vervolgens zijn de kwalificerende vogelsoorten bepaald waarvan de maximale foerageerafstand groter is dan de minimale afstand tussen het Natura 2000-gebied en het projectgebied. Deze vogelsoorten uit omliggende Natura 2000-gebieden kunnen een relatie met het projectgebied van de twee windturbines hebben en daardoor mogelijk aanvaringslachtoffer worden. Op basis van de analyse van gebiedsgebruik en vliegbewegingen van vogels in het projectgebied, heeft het projectgebied voor een groot aantal van de voorkomende vogelsoorten slechts een geringe betekenis en passeren
41
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV
deze soorten vanuit de betrokken Natura 2000-gebieden het projectgebied hooguit incidenteel. Van een beperkt aantal soorten blijkt dat deze, tijdens het broedseizoen en/of daarbuiten, met enige regelmaat het projectgebied op rotorhoogte passeren waarbij een toename van slachtoffers in theorie een negatief effect kan hebben op de grootte van de populaties in de betrokken Natura 2000-gebieden. Voor deze soorten is het aantal potentiële aanvaringsslachtoffers berekend met behulp van het Flux-Collision Model (Kleyheeg-Hartman et al. 2018), voor zover van de soorten de aanvaringskans (kans dat een langs vliegende vogel botst met een windturbine) bekend is. Voor soort(groep)en waarvoor geen aanvaringskans beschikbaar is (zoals reigerachtigen en roofvogels) is door Bureau Waardenburg een inschatting van het aantal aanvaringsslachtoffers voor de windturbines gemaakt. Om de worst-case situatie in beeld te brengen is bij de berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers in eerste instantie geen rekening gehouden met het vogelsignaleringssysteem dat bij de bouw van de twee windturbines wordt geïnstalleerd. Broedvogels De kwalificerende broedvogelsoorten kleine zilverreiger, lepelaar, bruine kiekendief, kluut, bontbekplevier, strandplevier, zwartkopmeeuw, noordse stern en dwergstern passeren het projectgebied niet of slechts in lage aantallen.
Voor deze soorten is geconcludeerd dat er hooguit sprake is van uiterst incidentele sterfte in zowel het huidige als in het toekomstige windpark (ruim minder dan één slachtoffer op jaarbasis in het gehele windpark). Voor deze soorten zijn daarom geen berekeningen van het aantal aanvaringsslachtoffers uitgevoerd. Kwalificerende broedvogelsoorten uit Natura 2000-gebieden die wel met enige regelmaat het projectgebied op rotorhoogte passeren zijn aalscholver, grote stern en visdief. De aalscholvers broeden in het Voornes Duin en de grote sterns broeden in Natura 2000-gebieden Haringvliet en Grevelingen. De visdief broedt in het noordelijke deel van de Delta en wordt beoordeeld in het kader van de gebiedenbescherming voor Natura 2000-gebied Voordelta. Een toename van de sterfte als gevolg van realisatie van de twee geplande windturbines kan in theorie een negatief effect hebben op de grootte van de populaties in de betrokken Natura 2000-gebieden. Om dit te kunnen beoordelen is voor deze drie Natura 2000-soorten een soortspecifieke berekening gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers in het huidige en in het toekomstige windpark.
Voor de berekening van de soortspecifieke flux, aanvaringskans en aanvaringsslachtoffers van de bestaande zes windturbines en de twee nieuwe turbines wordt kortheidshalve verwezen naar hoofdstuk 8, en voor de effectbeoordeling naar hoofdstuk 9 van het rapport van Bureau Waardenburg (2022). Voor de drie genoemde kwalificerende broedvogelsoorten wordt onderstaande conclusie getrokken. Voor de aalscholver bedraagt het berekende aantal aanvaringsslachtoffers in het broedseizoen bij beide windturbines samen circa één aalscholver per jaar in het worst case-scenario. Deze jaarlijkse sterfte van de aalscholver in het broedseizoen in de gebruiksfase van beide windturbines ligt onder de 1%-mortaliteitsnorm van de betrokken populatie in Natura 2000-gebied Voornes Duin. De additionele sterfte is derhalve te beschouwen als ‘een verwaarloosbaar kleine kans’ op effect op populatieniveau als gevolg van het project en een negatief effect op de IHD is uitgesloten. Voor de grote stern bedraagt het berekende aantal aanvaringsslachtoffers in het broedseizoen ruim twee exemplaren per jaar in het gehele windpark in het worst case-scenario. Deze jaarlijkse sterfte van de grote stern in het broedseizoen in de gebruiksfase van beide windturbines ligt onder de 1%-mortaliteitsnorm van de betrokken populatie van de gehele Delta.
Een dergelijk aantal aanvaringsslachtoffers is een kleine hoeveelheid en niet van invloed op behoud van de omvang van deze populatie en een negatief effect op de IHD van deze soort in de betrokken Natura 2000-gebieden is uitgesloten. Voor de visdief bedraagt het berekende aantal aanvaringsslachtoffers in het broedseizoen in het worst case-scenario <1 exemplaar per jaar. De jaarlijkse sterfte van de visdief in de gebruiksfase van beide windturbines ligt ruim onder de 1%-mortaliteitsnorm van de betrokken populatie die gebruik kan maken van het noordelijke deel van de Voordelta en een negatief effect op de IHD van deze soort in het Natura 2000-gebied Voordelta is uitgesloten. Niet-broedvogels Het merendeel van de kwalificerende soorten niet-broedvogels (reigers, lepelaars, zwanen, ganzen, eenden, roofvogels, steltlopers en sterns) vertonen buiten het broedseizoen geen vliegbewegingen over het projectgebied of slechts in (zeer) lage aantallen, omdat ze geen binding hebben met de omgeving van het projectgebied of uitsluitend buitendijks in de Voordelta of op het Haringvliet voorkomen.