CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

06 (bijlage 15) Bijlage 13 - Verslechteringstoets Wnb met AERIUS-berekening

Commissie Ruimte 8 juni 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam.20.695 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Windturbines Haringvlietdam Verslechteringstoets Wet Natuurbescherming

COLOFON Windturbines Verslechteringstoets OPDRACHTNEMER

Haringvlietdam

idverde Advies Willemsplein 2-4 5211 AK ‘s-Hertogenbosch T 073 205 11 00 E advies@idverde.nl

OPGESTELD DOOR VRIJGEGEVEN DOOR OPDRACHTGEVER

E-Connection Project B.V. Regulierenring 12f 3980 CC Bunnik

PROJECTNUMMER

722210150

STATUS VERSIE DATUM

DEFINITIEF 1.5 29-11-2022

In deze rapportage is gebruik gemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op deze gegevens rusten auteursrechten. Het schriftelijk of digitaal delen of publiceren van (een deel van) de gegevens uit de NDFF is niet toegestaan zonder toestemming van BIJ12, uitgezonderd aan bevoegd gezag in het kader van een vrijstellings- of ontheffingsprocedure of voor intern gebruik van de opdrachtgever voor de duur van het betreffende project. Idverde Advies bv is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van idverde Advies bv. De opdrachtgever vrijwaart idverde Advies bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Idverde Advies bv is lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij goed op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij daarnaast onze onderzoekskwaliteit. Omdat ecologisch (veld)onderzoek een momentopname is, kan aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig.

Idverde Advies bv is niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

2

Voorwoord E-Connection Project B.V. onderzoekt de mogelijkheid voor het opschalen van de bestaande Windturbines op de Haringvlietdam waarbij de bestaande zes windturbines aan de westzijde van de dam worden vervangen door twee moderne windturbines aan de oostzijde. E-Connection Project B.V. heeft idverde Advies gevraagd om een toetsing uit te voeren gericht op het gebieden- en soortbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming voor de aanleg- en gebruiksfase. Voor u ligt de Verslechteringstoets in het kader van het onderdeel gebiedsbescherming. Separaat is er een soortenbeschermingstoets opgesteld waarin de toetsing van het soortbeschermingsdeel is beschreven. Idverde Advies heeft Bureau Waardenburg gevraagd om de benodigde berekeningen voor het bepalen van aanvaringsslachtoffers uit te voeren. Bureau Waardenburg heeft ruime ervaring met slachtofferberekeningen onder vogels en cumulatiestudies. De projectleiding en rapportage vanuit Bureau Waardenburg was in handen van Hein Prinsen, die wij hierbij willen bedanken voor de prettige samenwerking. Voorafgaand aan deze studie is er sinds 2018 door en van het advies en onderzoeksbureau Buis Eco Consult veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vogels en vleermuizen binnen en in de omgeving van het projectgebied. Zowel willen wij bedanken voor hun bijdrage bij de totstandkoming van dit rapport. Vanuit E-Connection Project B.V.

werd de opdracht begeleid door de zeer prettige samenwerking.

3

en

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

Wij danken ook hen voor

INHOUDSOPGAVE COLOFON

2

VOORWOORD

3

1.

6

ALGEMENE TOELICHTING 1.1 Aanleiding 1.2 Huidige situatie binnen het projectgebied 1.3 Locatie projectgebied t.o.v. Natura 2000-gebieden 1.4 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden 1.4.1 Inzet materieel 1.4.2 Bouwwijze en fasering 1.4.3 Type windturbines 1.4.4 Inzet vogeldetectiesysteem 1.5 Wettelijk kader 1.5.1 Wet natuurbescherming 1.5.2 Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming 1.5.3 Beleid 1.5.4 Bevoegd gezag

2.

AFBAKENING VAN EFFECTEN 2.1 Uitgangspunten 2.2 Effecten tijdens aanlegfase (sloop- en bouwfase) 2.2.1 Sterfte 2.2.2 Ruimtebeslag 2.2.3 Verstoring 2.2.4 Vermesting en verzuring 2.3 Effecten tijdens de gebruiksfase 2.3.1 Aanvaringsslachtoffers 2.3.2 Ruimtebeslag 2.3.3 Verstoring 2.3.4 Barrièrewerking 2.3.5 Vermesting en verzuring 2.4 Conclusie maatgevende effecten

3.

4.

5.

METHODE

6 6 8 8 8 9 10 10 10 10 11 12 12

13 13 13 13 13 14 15 15 15 16 16 17 17 18

19

3.1 Bronnenonderzoek 3.2 Veldonderzoek 3.3 Effectenanalyse en toetsing gebiedsbescherming 3.4 Beoordeling aanvaringsslachtoffers

19 19 19 20

EFFECTEN GEBIEDSBESCHERMING

21

4.1 Gebiedsomschrijvingen 4.1.1 Voornes duin 4.1.2 Haringvliet 4.1.3 Voordelta 4.2 Aanwezigheid kwalificerende natuurwaarden 4.2.1 Habitattypen 4.2.2 Habitatrichtlijnsoorten 4.2.3 Vogelrichtlijnsoorten

21 21 22 23 24 24 25 26

TOETSING GEBIEDSBESCHERMING

28

5.1 Habitattypen, ruimtebeslag of verstoring 5.2 Habitattypen, stikstofdepositie 5.2.1 Toetsingskader stikstofdepositie 5.2.2 Invoer materieel stikstofberekeningen 5.2.3 Uitwerking resultaten stikstofberekeningen

28 28 28 29 30

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

4

5.2.4 Overzicht resultaten AERIUS berekeningen aanlegfase 5.2.5 Toetsing stikstofdepositie aanlegfase 5.2.6 Passende beoordeling stikstofdepositie aanlegfase 5.2.7 Conclusie 5.3 Habitatrichtlijnsoorten 5.3.1 Vissen 5.3.2 Zeezoogdieren 5.4 Vogelrichtlijnsoorten 5.4.1 Aanlegfase 5.4.2 Gebruiksfase, aanvaringsslachtoffers 5.5 Cumulatieve effecten 5.6 Mitigatie 5.7 Vergunning

6.

BRONNEN

46

7.

BIJLAGEN

48

7.1 Bijlage 1: Rapport aanvaringsslachtoffers Windturbines Haringvlietdam 7.2 Bijlage 2: Rapportage Aeriusberekening Windpark Haringvliet

5

31 31 34 37 37 38 38 39 39 41 44 44 45

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

49 50

1. Algemene toelichting 1.1 Aanleiding In het noordelijk deel van de Haringvlietdam staan 6 windturbines. E-Connection Project BV is voornemens om deze 6 windturbines aan de zeezijde (noordwestzijde) van de Haringvlietdam (totaal opgesteld vermogen 3,6 MW) te vervangen door 2 nieuwe windturbines, om daarmee de bestaande opwekcapaciteit te vergroten (naar 10-12 MW). Omdat het niet is toegestaan nieuwe windturbines aan de zeezijde te plaatsen, worden de twee nieuwe turbines aan de binnenzijde van de Haringvlietdam geplaatst, de kant van het Haringvliet. Ruimtelijke ingrepen, zoals het slopen, bouwen en in bedrijf hebben van windturbines, kunnen (negatieve) effecten hebben op beschermde flora, fauna en natuurgebieden. De bescherming van deze soorten en (Natura 2000-) gebieden is vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (hierna: Wnb). Het uitvoeren van handelingen die negatieve effecten veroorzaken op soorten en natuurgebieden kan in strijd zijn met deze wetgeving. E-Connection Project BV heeft idverde Advies gevraagd om de voorgenomen werkzaamheden te toetsen aan de vigerende natuurwetgeving. Het voorliggende rapport vormt een toetsing van het voorgenomen initiatief aan het wettelijk kader van de Wnb voor het aspect gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2 van de Wnb).

Het vervangen van 6 windturbines door 2 nieuwe kan in de sloop-, aanleg- en gebruiksfase gevolgen hebben voor beschermde soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden. Op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis zijn de effecten van het initiatief op de Natura 2000-gebieden in beeld gebracht en beoordeeld. Dit is gedaan op basis van de huidige aanwezigheid van kwalificerende soorten planten, dieren en habitattypen in het projectgebied en de functie van het projectgebied en de directe omgeving voor deze natuurwaarden. Deze beoordeling vormt de onderbouwing voor de benodigde vergunning in het kader van de Wnb.

1.2 Huidige situatie binnen het projectgebied Bestaande windpark Het huidige windpark ligt aan de zeezijde van de Haringvlietdam en bestaat uit 6 windturbines met een ashoogte van 44 meter (t.o.v. maaiveld) en een rotordiameter van 48 meter. De huidige windturbines staan op de buitenkering van de Haringvlietdam welke is bekleed met beton, asfalt en breuksteen (zie afbeelding 1.1). Deze windturbines zorgen momenteel al voor een zekere mate van verstoring van aanwezige natuurwaarden en voor aanvaringsslachtoffers bij vogels en vleermuizen. De sloop van de 6 windturbines valt binnen de scope van het onderzoek.

Afbeelding 1.1: Ligging van de twee nieuwe windturbines (HVD1 en HVD2) aan de binnenzijde van de Haringvlietdam. De gele puntjes (met schaduw) zijn de bestaande 6 turbines aan de buitenzijde van de dam. Nieuwe windturbines

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

6

De twee nieuwe windturbines komen aan de zijde van het Haringvliet te staan. Op de locatie waar de twee nieuwe turbines geplaatst worden (afbeelding 1.2 en 1.3) bestaat de ondergroei voornamelijk uit gras dat periodiek gemaaid wordt. De locatie van windturbine HVD1 bevindt zich naast een parkeerplaats. Windturbine HVD2 komt te staan ter hoogte van struweel o.a. bestaande uit duindoorn. Omdat het projectgebied goed ontsloten is wordt de parkeerplaats en het gras (met name in de zomermaanden) gebruikt door recreanten.

Afbeelding 1.2: Omgeving van de nieuwe windturbines (HVD1) aan de binnenzijde van de Haringvlietdam. De pijl geeft globaal de locatie aan van de windturbine.

Afbeelding 1.3: Omgeving van de nieuwe windturbines (HVD2) aan de binnenzijde van de Haringvlietdam. De pijl geeft globaal de locatie aan van de windturbine.

7

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

1.3 Locatie projectgebied t.o.v. Natura 2000-gebieden In de nabijheid van het projectgebied liggen vier Natura 2000-gebieden. Het projectgebied grenst aan drie van deze Natura 2000-gebieden, namelijk; Voornes Duin, Haringvliet en Voordelta. Ten zuidwesten van het projectgebied ligt op enige afstand het Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek (afbeelding 1.4). Het projectgebied met de huidige 6 windturbines aan de westzijde van de Haringvlietdam en de beoogde locaties van de twee nieuwe windturbines aan de oostzijde van de Haringvlietdam liggen buiten de begrenzing van deze Natura 2000-gebieden.

Afbeelding 1.4: Ligging van het projectgebied aan de noordzijde van de Haringvlietdam, ten opzichte van de begrenzing van de Natura 2000-gebieden Voornes Duin, Haringvliet, Voordelta en Duinen Goeree & Kwade Hoek (Provincie Zuid-Holland, https://pzh.maps.arcgis.com/).

1.4 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden Voor dit project worden twee nieuwe turbines gebouwd en zes bestaande turbines gesloopt. De nieuwbouw van windturbines bestaat hoofdzakelijk uit: het aanleggen van kraanopstelplaatsen (indien nog niet aanwezig), bouw fundering en oprichten van de nieuwe windturbine. Voor het ontmantelen van de bestaande turbines worden de turbines in onderdelen uit elkaar gehaald en afgevoerd. Ook wordt de bestaande fundering verwijderd. Per onderdeel worden de werkzaamheden en inzet van materieel nader beschreven.

1.4.1

Inzet materieel

De exacte wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd is nog niet bekend. Op basis van ervaringen bij de bouw van andere windparken, waaronder de bouw van Windparken langs de Oosterscheldekering (vanaf 2017), is een zo gedetailleerd mogelijke inschatting gemaakt van de inzet van het benodigde materieel. Het aantal draaiuren van materieel dat wordt ingezet is bij de nieuwbouwwerkzaamheden anders dan bij de sloopwerkzaamheden. Ontmantelen bestaande turbines Voor het ontmantelen van een windturbine zijn er hijskranen nodig. Een hoofdkraan voor het hijsen van de turbine onderdelen en een hulpkraan voor het opbouwen van de hoofdkraan. Het transport van de hoofdkraan en de afvoer van turbine onderdelen vindt plaats met vrachtwagens geschikt voor groot en zwaar transport (bijv. diepladers). Afvoer materiaal De windturbinefundaties worden verwijderd, met uitzondering van de fundatiepalen. De palen worden afgekort maar verder niet verwijderd omdat het trekken risico’s voor de waterkering zou kunnen opleveren. Het puin van de fundatie wordt met vrachtwagens afgevoerd. Hiervoor zijn circa 10 vrachtwagens per windturbinefundatie nodig. Voor de sloop van de fundatie wordt ook een graafmachine ingezet. Vervolgens wordt er een nieuwe steenbekleding op de dijk aangebracht. Afwerking van de dijk zal in overleg met RWS plaatsvinden.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

8

Bouw nieuwe fundering en windturbine Voor de bouw van de fundering worden per turbine 25 tot 40 nieuwe fundatiepalen geplaatst. Vanwege een steenlaag in de ondergrond kan niet worden uitgesloten dat hiervoor een heimachine wordt ingezet. Op de fundatiepalen wordt een betonnen fundering gestort met een diameter van 20 tot 25m. Hiervoor zijn circa 75 betonwagens nodig en circa 6 vrachtwagens met betonstaal per windturbinefundatie. Voor de bouw van een windturbine zijn er hijskranen nodig. Een hoofdkraan voor het hijsen van de turbine onderdelen en een hulpkraan voor het opbouwen van de hoofdkraan. Het transport van de hoofdkraan en de aanvoer van turbine onderdelen vindt plaats met vrachtwagens geschikt voor groot en zwaar transport (bijv. diepladers). Voor de aanvoer van de turbine onderdelen betreft dit circa 10 vrachtwagens. Voor transport van (de onderdelen van) de hoofdkraan en hulpkraan betreft dit circa 25 vrachtwagens. Voor de bouw van de fundatie en de turbine wordt ook een graafmachine en verreiker ingezet. Realisatie kraanopstelplaatsen en bouwdepots Bij de nieuwe windturbinelocaties wordt een kraanopstelplaats aangelegd waarop de kranen gepositioneerd worden en kunnen afstempelen. De kraanopstelplaatsen bestaan uit een permanent verharde ondergrond (asfalt/beton). De aanvoer van asfalt/beton vindt met vrachtwagens plaats.

Tevens wordt een asfaltafwerkinstallatie, wals en graafmachine ingezet. Overige Voor het aanleggen van elektriciteitskabels wordt met een graafmachine een sleuf gegraven.

1.4.2

Bouwwijze en fasering

Stormseizoen en recreatieseizoen Met planning van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met het stormseizoen en het recreatieseizoen. Gedurende het stormseizoen (1 oktober – 15 april) is het verboden grondroerende activiteiten uit te voeren in de kern- en beschermingszone van de Haringvlietdam. Grondroerende activiteiten zijn bijvoorbeeld het verwijderen van de huidige fundaties en het aanbrengen van de nieuwe fundaties (waaronder heiwerkzaamheden) en de ondergrondse bekabeling. In het gebied ter hoogte van de twee nieuwe windturbines en op het nabijgelegen strand vindt het gehele jaar door recreatie plaats, met een piek in het recreatieseizoen. Bij de werkzaamheden wordt rekening gehouden met het recreatieseizoen om verstoring van recreanten zoveel mogelijk te beperken. Netaansluiting De windturbines worden via ondergrondse parkbekabeling aangesloten op een koppelstation gelegen binnen de overdraai van de noordoostelijke nieuwe windturbine. Vanaf hier wordt een netaansluiting gerealiseerd. Op het graven van de kabels tussen de windturbines tot het koppelstation en de bouw van het koppelstation maken onderdeel uit van dit project. De aanleg van een nieuwe aansluiting op het landelijke hoogspanningsnetwerk maakt geen deel uit van dit project.

Tezamen met het aanleggen van de kabels voor de aansluitingen van de nieuwe windturbines wordt een datakabel aangelegd tussen de windturbines en het koppelstation, waardoor monitoring en besturing van de windturbines op afstand mogelijk is. Kraanopstelplaatsen en (tijdelijke) bouwwegen Om veilig te kunnen hijsen worden er voor de hijskranen kraanopstelplaatsen aangelegd bij de windturbinelocaties waarop de kranen gepositioneerd worden en kunnen afstempelen. Gedurende de bouw en gehele exploitatieperiode zijn de kraanopstelplaatsen beschikbaar voor gebruik door het windpark. De kraanopstelplaatsen hebben niet alleen de functie voor het positioneren en afstempelen van de kranen. De volgende functies behoren ook tot die van de kraanopstelplaatsen; ▪ Opbouw hoofdkraan, waarbij de lengte van de giek grotendeels maatgevend is voor de benodigde ruimte; ▪ Eventuele voor-montage van de windturbine onderdelen; ▪ Tijdelijke opslag van bouwmaterialen (incl. containers) en windturbine onderdelen alvorens deze gehesen en gemonteerd worden. Naast of aansluitend aan de kraanopstelplaatsen worden ook (tijdelijke) bouwdepots en (tijdelijke) bouwwegen ingericht. Het transport van de voor-gemonteerde windturbine onderdelen naar de windturbine locaties zal via speciaal transport plaatsvinden. Het onderliggend wegennet is geschikt voor het benodigde type speciaal transport.

Toch zal het nodig zijn om ter plaatse van een windturbine aanpassingen in de bestaande infrastructuur te doen, zoals het aanleggen van een (tijdelijke) bouwweg. In alle andere gevallen moet het bouwverkeer op de bestaande verharde wegen blijven.

9

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (§ 3.2 in de Wnb): Dit zijn Europees beschermde soorten. Hierin staat beschreven dat het verboden is om opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende planten en dieren als beschreven in de Habitatrichtlijn (Bijlage IV), Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn te vernielen, doden, verstoren of vangen in hun natuurlijke leefgebied. Beschermingsregime andere soorten (§ 3.3 in de Wnb): Deze soorten zijn nationaal beschermd. In de wet staat beschreven dat het verboden is om flora en fauna beschreven in bijlage onderdeel A en B van Wet natuurbescherming opzettelijk te doden of vangen. Naast het beschermen van de soorten worden ook de voortplantings- en rustplaatsen beschermd, het is verboden om deze opzettelijk te beschadigen of vernielen. Ook de betreffende planten mogen niet worden geplukt/vernield.

1.5.2

Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming

De bescherming vanuit de Wnb richt zich onder andere op de Natura 2000-gebieden. In het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied is opgenomen welke instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied gelden. Dit kunnen doelstellingen zijn voor habitattypen en/of plant- of diersoorten. Hierbij kan sprake zijn van een behoudsdoelstelling of van een verbeter- of uitbreidingsdoelstelling voor een habitattype of (leefgebied van) een soort. Activiteiten die schade toebrengen aan de beschermde natuur in deze gebieden zijn verboden. Als een gebied is aangewezen als Natura 2000-gebied, dan geldt het beschermingsregime op grond van hoofdstuk 2 uit de Wnb. Dit houdt onder andere in dat voor een nieuw plan, project en handeling in, of in de nabijheid van, een dergelijk gebied, moet worden beoordeeld of dit doorgang kan vinden gezien de instandhoudingsdoelstellingen die voor het Natura 2000-gebied gelden. Het is op grond van het tweede lid van artikel 2.7 Wnb namelijk verboden om zonder vergunning een project te realiseren, of andere handeling te verrichten, die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000gebied kunnen verslechteren, dan wel een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten, waarvoor het gebied is aangewezen.

Om te beoordelen of (significant) negatieve effecten aan de orde kunnen zijn, is het noodzakelijk om een zogenaamde Voortoets uit te voeren. Op basis van de uitkomst van de Voortoets kan het bevoegd gezag beoordelen of (significant) negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. Wanneer het project afzonderlijk of in cumulatie negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt vergunning pas verleend nadat uit de Verslechteringstoets is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Is er kans op significant negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied, dan wordt vergunning pas verleend nadat uit een Passende beoordeling blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied niet in gevaar komen. Omdat in ieder windpark (hoe klein ook) sprake is van aanvaringsslachtoffers onder vogels is voor dit windpark nabij vogelrijke Natura 2000-gebieden Voordelta en Haringvliet beoordeeld dat negatieve effecten op voorhand niet kunnen worden uitgesloten. De stap waarbij eerst een Voortoets wordt opgesteld is om deze reden overgeslagen, bij onderhavig rapport geldt de Verslechteringstoets als onderbouwing bij de voorziene vergunningverlening.

Wanneer met een Verslechteringstoets niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat de voor een Natura 2000gebied de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar komen, kan een vergunning alleen verleend worden op basis van een Passende beoordeling. De Verslechteringstoets wordt in dat geval aangepast tot een Passende beoordeling waarin de significantie van negatieve effecten wordt beoordeeld tegen het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van aanwezige kwalificerende habitattypen en soorten. Wanneer de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast met een passende beoordeling niet is verkregen, kan het project uitsluitend plaatsvinden na het doorlopen van een zogenaamde ADCtoets. Het project kan dan uitsluitend doorgang vinden wanneer is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;  het plan, onderscheidenlijk het project, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

11

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

1.5.3

Beleid

Door grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen zijn in Nederland veel natuurgebieden en verbindingen tussen deze gebieden verloren gegaan. Om deze reden is het Natuurwetwerk Nederland (NNN) in werking gesteld om enerzijds bestaande verbindingen te beschermen en anderzijds om nieuwe verbindingen te creëren. Op deze manier wordt een goed functionerend netwerk tussen natuurgebieden gerealiseerd. In deze gebieden zijn geen nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen toegestaan die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden.

1.5.4

Bevoegd gezag

In de Wnb geldt dat de provincies overwegend het bevoegd gezag vormen ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Voor de afgifte van de bovengenoemde Wnb-vergunning en -ontheffing zijn Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op basis van artikel 1 van het Besluit natuurbescherming het bevoegd gezag: ▪ Het project is geheel gelegen binnen de grenzen van de provincie Zuid-Holland; ▪ Het project is gelegen op een primaire waterkering (de Haringvlietdam), maar valt niet onder de uitzonderingen waarvoor het Rijk is aangewezen als bevoegd gezag volgens de artikelen 1.3 tot en met 1.7 van het Besluit natuurbescherming, zoals aanleg, gebruik, beheer en onderhoud van hoofdwegen, landelijke spoorwegen, hoofdvaarwegen en primaire waterkeringen, voor zover in beheer bij het Rijk. Dit betreft projecten van nationaal belang; in andere gevallen is de provincie bevoegd gezag. In de Verordening Ruimte van de Provincie Zuid-Holland zijn aanvullende voorwaarden opgenomen, waarin onder andere de vrijstelling van soorten voor bepaalde activiteiten is geregeld.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

12

2. Afbakening van effecten In dit hoofdstuk vindt de afbakening van effecten plaats. In dit hoofdstuk wordt niet specifiek ingegaan op beschermde natuurwaarden en bijbehorend effecten. In grote lijn wordt uiteengezet welke effecten mogelijk optreden en wat de reikwijdte van deze effecten is. Aan het einde van het hoofdstuk is bekend welke effecten relevant zijn voor de toetsing. 2.1 Uitgangspunten Voor deze toetsing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Uit literatuur blijkt dat bij de realisatie van windparken de volgende effecten mogelijk zijn: in de aanlegfase zijn verstoring door bijvoorbeeld geluid, verlichting, menselijke activiteiten en aantasting van het leefgebied de relevante effecten. Effecten in de aanlegfase zijn vaak lokaal en/of tijdelijk van aard en afhankelijk van de werkzaamheden en de precieze opstelling van de turbines. De meest relevante potentiële ecologische effecten van windturbines in de gebruiksfase zijn verstoring, sterfte en/of barrièrewerking van/voor vogels 1. Het verstorende effect wordt zowel bepaald door het ronddraaien van de rotoren, de fysieke aanwezigheid, de verlichting en de geluidsuitstraling. Het werkelijke effect hiervan verschilt per soort(groep).  Bij de nieuwe windturbines komt de tiplaagte van de rotorbladen niet beneden de 32,5 meter boven maaiveld.

 Bij de aanleg van de windturbines of de aanleg van aanrijroutes worden geen bomen gekapt, maar alleen struweel verwijderd. Ook wordt geen bebouwing gesloopt, anders dan dat de bestaande windturbines worden ontmanteld.  Werkzaamheden kunnen overdag en ’s avonds worden uitgevoerd.

2.2 Effecten tijdens aanlegfase (sloop- en bouwfase) 2.2.1

Sterfte

Aard van het effect Wanneer beschermde plant- en diersoorten aanwezig zijn als de (bouw- of sloop-)werkzaamheden aanvangen, is het mogelijk dat deze verwond of gedood worden. Reikwijdte Sterfte beperkt zich tot die soorten in het projectgebied die aanwezig zijn én bij aanvang de werkzaamheden niet ontvluchten. Dit zijn mogelijk kwalificerende soorten waarvoor één van de Natura 2000-gebieden is aangewezen. Dit effect op aanwezige kwalificerende soorten wordt nader onderzocht.

2.2.2

Ruimtebeslag

Aard van het effect Ruimtebeslag kan leiden tot verkleining en/of versnippering van habitattypen en leefgebieden van beschermde soorten. Als leefgebieden te klein worden, worden populaties kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld vermindering van voedselbeschikbaarheid en rust, predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Het is belangrijk dat functionele gebiedseenheden voor soorten intact blijven, zodat de gebieden alle functies voor soorten in voldoende mate kunnen faciliteren. Reikwijdte De reikwijdte van ruimtebeslag beperkt zich tot de locatie waar nieuwe windturbines gebouwd worden inclusief bijbehorende faciliteiten. De beide windturbines worden buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden Haringvliet, Voornes Duin en Voordelta gebouwd, waardoor ruimtebeslag op deze gebieden is uitgesloten. Afhankelijk van het gekozen turbinetype draaien de rotoren van de turbines in meer of mindere mate boven (het water van) het

1 Effecten van windturbines in de gebruiksfase op vleermuizen worden beoordeeld in de, voor dit project apart opgestelde,

soortenbeschermingstoets. 13

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

areaal van Natura 2000-gebied Haringvliet. Deze zogenaamde overdraai heeft geen verlies van areaal van kwalificerende habitattypen of leefgebied van kwalificerende vogels tot gevolg, maar zorgt mogelijk voor lokaal kwaliteitsverlies. Dit aspect wordt nader beoordeeld.

2.2.3

Verstoring

Aard van het effect Geluid, licht en visuele prikkels (aanwezigheid van mensen) kunnen diersoorten verstoren. Deze verstoringen kunnen leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuele dieren, wat vervolgens ertoe kan leiden dat dieren het leefgebied voor kortere of langere tijd verlaten, dat de reproductie te ver achterblijft om een goede populatie in stand te houden of dat er een toename van sterfte plaatsvindt. Er kan ook gewenning aan verstoring optreden, in het bijzonder bij continue verstoring van bijvoorbeeld geluid. In het studiegebied en directe omgeving is het gehele jaar door al sprake van een zekere mate van verstoring als gevolg van recreatie. Tijdens de aanlegfase kan echter aanvullende verstoring optreden, met name door geluid als gevolg van de werkzaamheden (materieel, sloop- en bouwwerkzaamheden, heien, etc.), door verlichting bij werkzaamheden ’s avonds en ’s nachts en visuele prikkels van aanwezig personeel en materieel (kranen, vrachtwagens, etc.). In open gebieden zoals het studiegebied is het soms moeilijk te onderscheiden of de verstoring wordt veroorzaakt door optische verstoring, geluid en/of licht omdat de verstorende factoren over het algemeen tegelijkertijd worden aangeboden.

De veroorzaakte verstoring is dan ook vaak een combinatie van geluid, licht en optische verstoring, waarbij de meest verreikende of ernstigste factor als maatgevend wordt gehanteerd. Voor het bepalen van deze effecten op de verstoringsgevoelige soorten is in deze Verslechteringstoets daarom gebruik gemaakt van verstoringsafstanden. Naast gebruik van verstoringsafstanden zijn ook andere aspecten zoals de aard van de verstoring, de verstoringsduur, de verstoringsfrequentie, de periode en de locatie van belang in de bepaling van effecten. Hoewel het niet zeker is dat er geheid gaat worden, kan dit niet worden uitgesloten en wordt daarom als worst-case situatie beoordeeld. Omdat de heiwerkzaamheden langs de kust van het Haringvliet plaatsvinden is er, naast verstoring van geluid boven land, ook sprake van mogelijke verstoring boven water. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in verstoring in het water (onder water) en boven water. Tijdens onderzoek van TNO in de Eemshaven (Blacquière et al. 2008) is vastgesteld dat heiwerkzaamheden op korte afstand (<3.500m) van open water tot een toename van onderwatergeluid kunnen leiden. Het gaat hierbij om het impulsgeluid van de heiwerkzaamheden. Heiwerkzaamheden op land zullen echter tot minder geluid onder water leiden, dan wanneer dit direct wordt opgewekt in het water.

Verstoring boven het water is het gevolg van een toename van geluid, licht en beweging. Reikwijdte Broedvogels en Niet-broedvogels De reikwijdte van verstoring is afhankelijk van de aanwezige beschermde soorten, de optredende effecten en zelfs op het moment dat de effecten optreden (op de dag, maar ook wanneer in het jaar). Per relevante soort wordt ingegaan op het specifieke effect van verstoring tijdens de aanlegfase. Maatgevend voor verstoring boven land en boven water zijn de heiwerkzaamheden ten behoeve van de twee nieuwe windturbines. Op land is in de omgeving van het projectgebied verstoring mogelijk van broedgebieden en rust-, slaapplekken en foerageergebieden van kwalificerende vogelsoorten. Boven water is verstoring mogelijk van rustende vogels op het water. Hoewel duikeenden en zeevogels tijdens het duiken op vis vermoedelijk onderwatergeluid kunnen waarnemen zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat onderwatergeluid een belangrijk storend effect heeft op (deze) vogelsoorten (Foppen & Roodbergen, 2020). Verstoring door onderwatergeluid blijft in het vervolg van deze Verslechteringstoets dan ook buiten beschouwing. Zeezoogdieren en vissen Voor de aanleg van nieuwe funderingen worden heiwerkzaamheden uitgevoerd.

Onderwatergeluid door activiteiten in water of langs oevers (heien, intrillen damwanden e.d.) heeft een verstorend effect op zeezoogdieren en vissoorten met een zwemblaas (Heinis 2009). Impuls geluid door heiwerkzaamheden kan leiden tot verstoring in de vorm van stress en/of vluchtgedrag en tijdelijke (TTS - Temporary Threshold Shift) of permanente (PTS - Permanent Threshold Shift) gehoorbeschadiging, afhankelijk van de geluidssterkte. Met name vissen en zeezoogdieren zijn gevoelig voor een toename van onderwatergeluid. De verstoring is van tijdelijke aard. De effecten op zeezoogdieren en vissen worden nader in beeld gebracht en beoordeeld.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

14

2.2.4

Vermesting en verzuring

Aard van het effect De werkzaamheden veroorzaken emissie van verzurende en vermestende stoffen (vooral NOx). Deze verzurende en vermestende stoffen slaan via de atmosfeer neer op land en water (stikstofdepositie) en kunnen negatieve effecten op gevoelige vegetaties veroorzaken, zoals vergrassing of verruiging. Ook beschermde soorten planten en dieren die afhankelijk zijn van een bepaald habitattype kunnen hierdoor nadelig beïnvloed worden, bijvoorbeeld door verandering van de samenstelling van de structuur van de vegetatie of een verandering van voedselaanbod. Reikwijdte Door de werkzaamheden tijdens de aanlegfase is er sprake van extra stikstofdepositie door de uitstoot van het materieel dat wordt gebruikt. In de Natura 2000-gebieden rondom het projectgebied (paragraaf 1.3) komen stikstof gevoelige habitattypen voor. De afstand tussen het projectgebied en de gevoelige habitattypen is niet zo groot (<3 km) en effecten kunnen niet worden uitgesloten. Tot voor kort was de 'Wet stikstofreductie en natuurverbetering' (Wsn) van kracht. Op grond van deze wet gold er een partiële vrijstelling voor de bouwsector als het gaat om stikstof. Feitelijk betekende deze vrijstelling dat de bouw/aanlegfase van projecten niet meer beschouwd hoefde te worden in het stikstofonderzoek.

In een uitspraak van 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3159) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat deze bouwvrijstelling in strijd is met het Europese recht en daarmee is de Wsn komen te vervallen. Onduidelijk is hoe de wetgeving omtrent het dossier stikstof zich op korte en lange termijn gaat ontwikkelen. Voor de initiatiefnemer E-Connection Project B.V. reden om voor dit project allereerst de stikstofdepositie te beoordelen van de bouw van de beide nieuwe windturbines. De sloop van de huidige 6 windturbines wordt uitgesteld tot een later moment, maar zal zeker niet in hetzelfde jaar plaatsvinden als de bouw van de twee nieuwe turbines. Initiatiefnemer is positief over de huidige marktontwikkelingen van beschikbaar elektrisch aangedreven bouwmaterieel. Voor de sloop van de huidige turbines neemt initiatiefnemer als uitgangspunt dat dit pas wordt uitgevoerd als aangepaste wetgeving omtrent stikstof dit mogelijk maakt, of wanneer de sloop kan worden uitgevoerd met een toereikend aantal geëlektrificeerd materieel. Voor de bouw van de twee windturbines is berekend of de uitstoot van stikstof binnen het projectgebied effect heeft op de stikstofgevoelige habitattypen in naastgelegen gebieden. De berekening is uitgevoerd met Aerius Calculator (versie 2021.2).

Voor de werkzaamheden op de bouwlocatie is per machine het aantal draaiuren bepaald per windturbine. Voor de vervoerbewegingen (aantal ritten) is op basis van het aantal km (heen en terug) de te verwachten uitstoot berekend. De resultaten van de Aeriusberekening zijn weergegeven in bijlage 2.

2.3 Effecten tijdens de gebruiksfase 2.3.1

Aanvaringsslachtoffers

Aard van het effect Door aanvaring van kwalificerende vogels met de rotorbladen van windturbines neemt de sterfte binnen populaties toe. Bij aanleg van windturbineparken ontstaat een vergroot risico op aanvaring en daarmee op een verhoogde mortaliteit. Wanneer er grote aantallen slachtoffers vallen, dan heeft dit mogelijk een effect op de populatie. Effecten als gevolg van aanvaringsslachtoffers bij windturbines zijn maatgevend in dit project en worden nader beoordeeld. Reikwijdte In het kader van de Wnb (Hoofdstuk 2; gebiedsbescherming) moet beoordeeld worden of het project op zichzelf of in samenhang met andere plannen en projecten in de omgeving, (significant) negatieve effecten kan hebben op het behalen van de IHD’s van Natura 2000-gebieden of op de Staat van Instandhouding (SvI) van populaties van beschermde soorten. De drempelwaarde voor dit effect wordt bepaald door de 1%-mortaliteitsnorm van het Ornis Comité. Wanneer sterfte als gevolg van aanvaring met windturbines hoger is dan 1% van de natuurlijke sterfte binnen de populatie (gemiddelde waarde), dan zijn effecten op de populatie niet zonder meer uit te sluiten. Bij de beoordeling wordt tevens rekening gehouden met de huidige staat van instandhouding van deze populaties en de slachtofferaantallen van de bestaande turbines. Zie voor een meer uitgebreide uitleg van de 1%-mortaliteitsnorm het tekstkader hieronder.

15

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

De 1%-mortaliteitsnorm De 1%-mortaliteitsnorm is het aantal vogels dat 1% van de jaarlijkse sterfte van de te toetsen populatie representeert. Deze norm is soortspecifiek aangezien de populatiegrootte en de mortaliteit (de twee variabelen die de 1%-mortaliteitsnorm bepalen) voor alle soorten anders zijn. De norm wordt als volgt berekend: 1%-mortaliteitsnorm (# vogels) = (jaarlijkse sterfte * grootte van de te toetsen populatie) * 0,01 In de berekeningen is de jaarlijkse sterfte van adulte vogels gebruikt, omdat hier meer over bekend is en omdat deze sterfte lager is dan die van juveniele vogels. Hierdoor valt de 1%-mortaliteitsnorm lager uit (worst casebenadering). Als populatiegrootte zijn recente telgegevens gebruikt, waarbij voor niet-broedvogels het aantal exemplaren wordt gebruikt en voor broedvogels het aantal paren maal twee.

Notabene: deze 1%-mortaliteitsnorm wordt niet gebruikt om het begrip ‘significantie’ uit te leggen. Het wordt gebruikt om een ordegrootte van effecten aan te geven waarbij zeker geen significante effecten op zullen treden, omdat de sterfte procentueel zeer laag is ten opzichte van de jaarlijkse sterfte; een veilige ‘eerste zeef’ dus. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State achtte dit een acceptabele werkwijze . Een grotere sterfte dan 1% (in cumulatie met andere projecten) noodzaakt een aanvullende toetsing om te bepalen of de IHD en/of de SvI voor de desbetreffende soort in gevaar kan komen. Een dergelijke toetsing kan bijvoorbeeld bestaan uit het doorrekenen van de effecten (additionele sterfte) op de betrokken populatie met behulp van een populatie-model, zoals uitgevoerd voor effecten van offshore windparken op kleine mantelmeeuwen (Lensink & van Horssen 2012) en recent voor 13 zeevogelsoorten op de Noordzee (Potiek et al. 2019).

2.3.2

Ruimtebeslag

Ruimtebeslag is een permanent effect dat reeds optreedt in de aanlegfase. Dit effect is niet meer separaat behandeld voor de gebruiksfase.

2.3.3

Verstoring

Aard van het effect Het geluid en de trillingen die draaiende windturbines veroorzaken, alsook silhouetwerking en de luchtvaartverlichting op turbines kunnen in de directe omgeving, naast reeds bestaande storingsfactoren zoals recreatie, zorgen voor extra verstoring van vogels. De verstoringen als gevolg van draaiende windturbines kunnen leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuele dieren, wat vervolgens ertoe kan leiden dat dieren het leefgebied voor kortere of langere tijd verlaten, dat de reproductie te ver achterblijft om een goede populatie in stand te houden of dat er een toename van sterfte plaatsvindt. Er kan ook gewenning aan verstoring optreden, in het bijzonder bij continue verstoring van bijvoorbeeld geluid. Pas bij herhaaldelijke verstoring zullen negatieve effecten te verwachten zijn. Dit kan het geval zijn voor broed- en niet-broedvogels die voorkomen op de Haringvlietdam. Echter zal verstoring op trekvogels, die 2 keer per jaar passeren, geen negatieve effecten hebben. De reikwijdte van verstoring door draaiende windturbines (geluid, trilling, silhouetwerking) wordt hierna voor vogels bepaald. De mogelijke effecten van luchtvaartverlichting is apart beschreven. Reikwijdte vogels Afhankelijk van soort en gedrag van de soort geldt een bepaalde afstand waarbinnen windturbines een verstorend effect kunnen hebben.

Buiten deze afstand kunnen effecten worden uitgesloten. 

Voor broedvogels is een verstoringsradius van 100 tot 200 meter een goede maat. Verschillende studies hebben laten zien dat het aantal broedvogels tot op 200 meter kon afnemen (Steinborn et al. 2011, Everaert 2008, Winkelman et al. 2008, Hötker et al. 2006). Kwalificerende broedvogels zijn niet in of in de directe nabijheid van het projectgebied broedend aangetroffen. Voor broedende zangvogels is de gemiddelde verstoringsafstand vaak lager dan bij andere soorten (Winkelman et al. 2008, Everaert 2008, Hötker et al. 2006). Onderzoekers denken dat broedvogels redelijk onverstoord worden door windturbines omdat ze zeer trouw zijn aan hun broedgebied. Voor rustende en foeragerende vogels is een verstoringsradius van 150-450 meter een goede maat. Het verschilt sterk per soort hoe gevoelig ze zijn voor verstoring door windturbines. Soorten als fuut, blauwe reiger, meerkoet, scholekster, kok- en stormmeeuw worden op kortere afstand al niet meer verstoord. Bij zwanen, ganzen, eenden, kraanvogels en sommige steltlopers treedt de verstorende werking op grotere afstand al op (Klop et al. 2014, Winkelman et al. 2008, Everaert 2008, Hötker et al. 2006). Onderzoekers denken dat het grote verschil tussen broed- en niet-broedvogels is, dat niet-broedvogels minder aan een bepaald gebied gebonden zijn.

Grotere, hogere turbines zijn mogelijk meer verstorend omdat ze vanaf grotere afstand zichtbaar zijn en daardoor de visuele verstoring mogelijk groter is. Daarentegen draaien grotere turbines ook langzamer waardoor

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

16

ze juist weer minder verstorend zouden kunnen werken. In recente onderzoeken zijn echter geen verschillen in verstoringsafstand tussen kleinere en grotere turbines gevonden (Kruckenberg & Jaene 1999, Bergen 2001, Winkelman et al. 2008). Omdat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor verschil in verstoring door turbine grootte, wordt dit in de verdere toetsing buiten beschouwing gelaten. Luchtvaartverlichting Omdat bij tiphoogtes vanaf 150 meter luchtvaartverlichting moet worden toegepast, zullen de nieuwe windturbines op de Haringvlietdam op de top van de as uitgerust worden met luchtvaartverlichting, bestaand uit witte flitsende lampen voor de daglichtperiode en rode flitsende lampen voor de nachtlichtperiode. Voor de nachtlichtperiode is tevens halverwege de mast een vastbrandend rood obstakellicht voorzien. Lensink & van der Valk (2013) schrijven in een notitie ten behoeve van de opschaling van Windpark Wagendorp het volgende over het effect van dit type verlichting op windturbines: ‘Voor vogels geldt dat de sterkte van de verlichting op de masten vele malen zwakker is dan die van een vuurtoren of een platform op zee. Een risico zoals voorheen voor vuurtorens of platforms gold (aantrekking met sterfte als gevolg) is derhalve niet aan de orde.

De turbinemasten zullen door de relatief zwakke verlichting niet als een heldere ster functioneren die op tientallen kilometers afstand zichtbaar is in een verder donkere omgeving. Daarnaast zijn in de omgeving van de turbines nog vele verlichtingsbronnen langs wegen en enkele bewoningskernen aanwezig waardoor de focus op de masten wegvalt. De verlichting wordt aangebracht op een hoogte waarop ook uit de Verenigde Staten geen gevallen van massale incidenten met vogelslachtoffers bekend zijn. De kans op desoriëntatie van trekkende vogels door de verlichting aan de turbines, waardoor de vogels slachtoffer worden van een aanvaring met de draaiende rotors, wordt minimaal geacht. De luchtvaartverlichting heeft derhalve geen effect op vogels. Uit de beschikbare onderzoeken en kennis komt naar voren dat luchtvaartverlichting op windturbines niet leidt tot extra risico’s voor vleermuizen’. Bij het project Windturbines Haringvlietdam wordt bovendien de mogelijkheid onderzocht van een transpondersysteem, waardoor tijdens de avond en nacht lichten veelal uit zullen zijn. Negatieve effecten van luchtvaartverlichting op vogels en vleermuizen zijn minimaal en worden verder buiten beschouwing gelaten.

2.3.4

Barrièrewerking

Aard van effect Barrièrewerking treedt op wanneer de migratie voor plant- of diersoorten wordt belemmerd. Hierbij gaat het om migratie in de breedste zin, het kan gaan om bijvoorbeeld voorjaarstrek, maar ook om de dagelijkse bewegingen tussen rust- en foerageergebieden. Barrièrewerking hangt samen met andere effecten: soorten kunnen niet passeren vanwege de ruimtelijke wijziging of toenemende kans op aanvaringen, maar willen bijvoorbeeld niet passeren vanwege het optreden van verstoring. Barrièrewerking leidt ertoe dat soorten een omweg van de gebruikelijke route moeten maken. Dit kost meer energie en kan zorgen voor een verhoogde mortaliteit. Reikwijdte Barrièrewerking is een effect dat optreedt door een combinatie van andere effecten. Er is sprake van barrièrewerking als de passage van vogels en vleermuizen gehinderd wordt als gevolg van verstoring en kans op aanvaringen met windturbines. Met de huidige 6 windturbines is er al in zekere mate sprake van een barrière voor migrerende vogels. Voor de 2 nieuwe windturbines op de Haringvlietdam geldt dat noord-zuid en west-oost verplaatsingen zowel om de windturbines als tussen de windturbines door kunnen plaatsvinden.

Vogels die de nieuwe windturbines op Haringvlietdam willen passeren kunnen, vanwege de beperkte lengte van het windpark en de grote tussenruimte tussen de windturbines, om of over het windpark heen vliegen, zonder dat dit tot grote energetische verliezen leidt. Foerageervluchten van onder andere ganzen kunnen bovendien tientallen kilometers lang zijn en de extra inspanning voor het eventuele omvliegen vallen in het niet bij de energetische kosten van de normale dagelijks foerageer- en slaapvluchten. Er is geen sprake van een toename van de bestaande barrièrewerking waarin foerageergebieden of slaapplaatsen onbereikbaar worden en het effect van barrièrewerking wordt verder buiten beschouwing gelaten.

2.3.5

Vermesting en verzuring

Aard van het effect In de gebruiksfase vindt aan de nieuwe windturbines periodiek onderhoud plaats. Ook kan het voorkomen dat monteurs kleine onderhoudswerkzaamheden moeten verrichten bij storingen. De motorvoertuigbewegingen van de monteurs veroorzaken emissie van verzurende en vermestende stoffen (vooral NOx) (zie ook eerder bij aanlegfase).

17

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

Reikwijdte Het aantal motorvoertuigbewegingen bedraagt daarbij hooguit 1 à 2 per windturbine per week. Gelet op het aantal vervoersbewegingen in de huidige situatie op de Haringvlietdam (23.900 motorvoertuigen (mvt)/etmaal, www.wegenwiki.nl/Haringvlietdam) is dit verwaarloosbaar en wordt aangenomen dat de extra emissies aan stikstof geen negatief effect heeft op de omliggende Natura 2000-gebieden. Bij de bestaande 6 windturbines is er daarnaast in de huidige situatie ook al sprake van vervoersbewegingen van monteurs voor onderhoudswerkzaamheden. Daarom wordt het effect van stikstofdepositie in de gebruiksfase verder buiten beschouwing gelaten.

2.4 Conclusie maatgevende effecten De volgende effecten worden meegenomen in de toetsing: Aanlegfase:  Sterfte van soorten, reikwijdte is beperkt tot de aanwezige soorten die niet vluchten.  Ruimtebeslag, reikwijdte beperkt zich tot het werkgebied en overdraai van rotoren in Natura 2000-gebied.  Verstoring: afhankelijk van aanwezige soorten in het projectgebied en omgeving.  Vermesting en verzuring: effecten van stikstofdepositie op basis van stikstofberekening in Aerius calculator. Gebruiksfase:  Aanvaringsslachtoffers vogels, afhankelijk voor welke soorten de 1%-mortaliteitsnorm wordt overschreden.  Verstoring van vogels:  broedvogels: afhankelijk van de gevoeligheid van de soort (-groep),  foeragerende en rustende vogels: afhankelijk van gevoeligheid van de soort(-groep),

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

18

3. Methode In dit hoofdstuk is de methodiek beschreven van het verkennend onderzoek dat bestaat uit een bronnenonderzoek en een veldonderzoek. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, wordt bepaald welke beschermde natuurwaarden (mogelijk) aanwezig zijn. Aan de hand van deze gegevens wordt getoetst of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten heeft (effectenanalyse) op habitattypen en kwalificerende soorten. Hieronder is per onderdeel de werkwijze toegelicht. 3.1 Bronnenonderzoek Het voorliggende onderzoek is uitgevoerd middels een literatuurstudie naar beschikbare inventarisatiegegevens van kwalificerende habitattypen en soorten binnen en in de nabijheid van het projectgebied. Hiervoor is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), die is geraadpleegd op 08-02-2022. Waarnemingen van aangetroffen soorten over een periode van de afgelopen vijf jaar zijn uit deze database gefilterd. Er is hierbij rekening gehouden met Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten, waarvoor een norm geldt van drie jaar voor geldigheid van waargenomen individuen. Daarnaast zijn gegevens van kust(broed)vogels en zeezoogdieren opgevraagd die jaarlijks in het kader van het Biologisch Monitoringprogramma van de zoute Rijkswateren geteld worden in opdracht van Rijkswaterstaat2.

Daarnaast is voor verschillende soortgroepen ook naar de verspreidingsgegevens op verspreidingatlas.nl gekeken en op de sites van o.a. BIJ12 en SOVON vogelonderzoek Nederland aanvullend soort specifieke informatie opgezocht om te bepalen of beschermde soorten zijn te verwachten binnen het onderzoeksgebied. Op basis van de beschikbare gegevens is een inschatting gemaakt van het (mogelijk) voorkomen van kwalificerende habitattypen en soorten binnen het onderzoeksgebied. Daar waar relevant zijn de bronnen in de tekst benoemd. In de literatuurlijst in hoofdstuk 6 is de volledige bronvermelding opgenomen.

3.2 Veldonderzoek In opdracht van de initiatiefnemer E-Connection Project B.V. zijn in 2018 en 2020/2021 door Buijs Eco Consult tweewekelijks of maandelijks gegevens verzameld van vliegbewegingen van vogels over het projectgebied en de Haringvlietdam. Hierbij zijn vogelsoorten, vliegroutes, vlieghoogte en slaaptrek-bewegingen in kaart gebracht. Ook aanwezige broedvogels binnen het projectgebied zijn onderzocht. Deze gegevens zijn voor 2018 gepresenteerd in een rapport (Buijs, 2019a), van het onderzoek in 2020/2021 zijn de gegevens door Buijs Eco Consult in spreadsheets en op kaart aangeleverd. Voor een gedetailleerde beschrijving van de gebruikte apparatuur en weersomstandigheden tijdens de veldbezoeken wordt verwezen naar Buijs 2019a.

3.3 Effectenanalyse en toetsing gebiedsbescherming Op basis van de uitkomsten van het bronnen- en veldonderzoek wordt beoordeeld of het project (significant) negatieve effecten kan hebben op de IHD van (mogelijk) aanwezige kwalificerende habitattypen en soorten. Vanwege de ligging tot wettelijk beschermde Natura 2000-gebieden, moet worden getoetst of op voorhand negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten kunnen worden. Hierdoor wordt in onderhavige rapportage een Verslechteringstoets uitgevoerd. Uit de Verslechteringstoets blijkt of als gevolg van het voorgenomen project sprake kan zijn van negatieve effecten (al dan niet mogelijk significant). Dit is afhankelijk van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. In dit rapport worden de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende habitattypen en habitatsoorten beschreven, en vervolgens wordt daarbij aangegeven voor welke verstoringsfactoren zij zeer gevoelig, gevoelig of

2

Een deel van de in deze rapportage gebruikte vogelgegevens is afkomstig uit het Biologisch Monitoring Programma Zoute Rijkswateren van Rijkswaterstaat, hetgeen onderdeel uitmaakt van het Monitoringsprogramma Waterstaatkundige Toestand van het Land (MWTL) van Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat neemt geen verantwoordelijkheid voor de in deze rapportage vermelde conclusies op basis van het door haar aangeleverde materiaal. 19

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

niet gevoelig zijn. In de toetsing is afgewogen welke effecten door de activiteit kunnen optreden en of dit negatieve gevolgen kan hebben op habitattypen of habitatrichtlijnsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Uit de Verslechteringstoets blijkt welke negatieve effecten kunnen optreden en welke impact deze zullen hebben op de kwaliteit van het Natura 2000-gebied. Aanvullend op de toetsing wordt bepaald welke mitigerende maatregelen dienen te worden genomen om de verstoring en verslechtering van de kwaliteit van het Natura 2000-gebied in voldoende mate weg te nemen en/of een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden.

3.4 Beoordeling aanvaringsslachtoffers In opdracht van idverde Advies heeft Bureau Waardenburg het aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels in de gebruiksfase van de twee windturbines in beeld gebracht en getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) van de relevante Natura 2000-gebieden. Als basis voor deze beoordeling is gebruik gemaakt van de resultaten van het vogelonderzoek van Buijs Eco Consult in 2018 en 2020/2021. Voor een exacte beschrijving van de gebruikte materiaal en methoden bij het beoordelen van de aanvaringsslachtoffers wordt verwezen naar het rapport van Bureau Waardenburg (Prinsen et al, 2022) in bijlage 1.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

20

4. Effecten gebiedsbescherming Het projectgebied grenst aan de Natura 2000-gebieden Voornes Duin, Haringvliet en Voordelta. In afbeelding 1.4 is de ligging van het projectgebied t.o.v. van de Natura 2000-gebieden te zien. Voor de drie gebieden is eerst een korte gebiedsomschrijving afkomstig uit de beheerplannen beschreven. In dit hoofdstuk zijn per gebied de resultaten van zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek beschreven voor de kwalificerende habitattypen en soorten. 4.1 Gebiedsomschrijvingen Hieronder is een beschrijving gegeven van de Natura 2000-gebieden die grenzen aan het projectgebied, omdat het merendeel van de directe en indirecte effecten zal plaatsvinden binnen deze gebieden. Wanneer effecten verder (kunnen) reiken dan deze aangrenzende Natura 2000-gebieden worden ook de gevolgen voor kwalificerende natuurwaarden in verder weg gelegen Natura 2000-gebieden bepaald. Onderstaande gebiedsbeschrijvingen zijn afkomstig uit de verschillende beheerplannen.

4.1.1

Voornes duin

Het Natura 2000-gebied ‘Voornes Duin’ is 1.432 hectare groot en gelegen in de provincie Zuid-Holland (afbeelding 4.1). Het ‘Voornes Duin’ maakt deel uit van een aaneenschakeling van Natura 2000-gebieden die in het duinlandschap langs de Noordzeekust zijn gelegen. Aan de westzijde grenst het gebied aan het Natura 2000-gebied ‘Voordelta’. Aan de zuidzijde grenst het aan het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’. Voornes Duin is onderverdeeld in 6 deelgebieden. Van Noord naar Zuid betreft dit ‘Brielse Gatdam en Groene Strand’, ‘Duinen van Oostvoorne’ (van N218 tot aan het A.J. Bootpad), ‘Breede Water met omliggend duingebied’ (tot de Van Itersoncamping), ‘Gemeenteduin’ (tot paal 14), ‘Quackjeswater met omliggend duingebied’ (tot aan de N57) en ‘De Punt’ (ten zuiden van N57). Het Voornes Duin bestaat uit jonge duin- en strandafzettingen met een hoog kalkgehalte. Duingebieden bevinden zich langs het Oostvoornse Meer, het Brielse Gat en het Rak van Scheelhoek met een uitloper langs het Haringvliet ten zuiden van de weg over de Haringvlietdam. Het duingebied met duinvalleien is grotendeels in de 19e en begin 20e eeuw ontstaan door afsnoering van strandvlakte. Het duingebied van Voorne heeft een grote variatie in landschapstypen en heeft daardoor een grote soortenrijkdom, zowel wat betreft flora als fauna.

Het bestaat uit een afwisselend duingebied met twee grote duinmeren (Breede water en Quackjeswater) en meerdere kleine poelen, moerassen, grote oppervlaktes bos en struweel, duingraslanden en natte duinvalleien. Het Voornes Duin is aangewezen voor 15 habitattypen, 3 habitatrichtlijnsoorten en 4 broedvogelsoorten. Het gehele Natura 2000-gebied ‘Voornes Duin’ is een Habitatrichtlijngebied. Het Vogelrichtlijngebied omvat alleen de deelgebieden ‘Breede Water’ en ‘Quackjeswater’. Het Natura 2000-gebied is niet aangewezen voor niet-broedvogels. Het projectgebied waar de werkzaamheden aan de bestaande en nieuwe windturbines plaatsvinden ligt buiten de begrenzing van dit Natura 2000-gebied. De habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten die binnen de invloedsfeer van de windturbines en werkzaamheden voorkomen worden hierna beschreven.

21

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

Afbeelding 4.1 Begrenzing van het Natura 2000-gebied ‘Voornes Duin’ onderverdeeld in 6 deelgebieden.

4.1.2

Haringvliet

Het Haringvliet is gelegen tussen Goeree-Overflakkee, Voorne-Putten en de Hoeksche Waard (afbeelding 4.2). Het is in 1970 afgesloten van de Noordzee door de Haringvlietsluizen. Aan de oostzijde staat het Haringvliet in open verbinding met het Hollands Diep. In het Haringvliet liggen enkele platen en eilanden, waaronder Tiengemeten. Het Natura 2000-gebied Haringvliet is een afgesloten zeearm die via een open verbinding met het Hollands Diep deel uitmaakt van de delta van Rijn en Maas. Na de voltooiing van de Haringvlietsluizen in 1970 viel het getij in het voormalige brakke getijdengebied grotendeels weg. Het gebied is niet alleen van belang voor de biodiversiteit, dit Natura 2000-gebied wordt ook door de mens voor van alles gebruikt. Het Haringvliet is een belangrijk leefgebied voor kustbroedvogels, moerasbroedvogels en (doortrekkende en overwinterende) watervogels. Ook is het belangrijk voor doortrekkende vissen, de noordse woelmuis, en (buitendijkse) habitattypen die gebonden zijn aan rivieroevers met relicten van brakke getijdennatuur. Door het zogenaamde ‘Kierbesluit’ gaan sinds begin 2019 de Haringvlietsluizen voorzichtig en gecontroleerd open bij vloed. Dit Kierbesluit verbetert de internationale vismigratie door de harde barrière van de Haringvlietsluizen weg te nemen. Daarnaast verbetert de biodiversiteit van het Haringvlietwater door het binnenlaten van zeewater.

En ontstaan er kansen voor nieuwe natuurontwikkeling. De Deltawateren zijn belangrijk voor het voortbestaan van de noordse woelmuis in Nederland. Naast de Grevelingen bevindt de grootste populatie noordse woelmuizen van de Deltawateren zich in het Haringvliet. Noordse woelmuizen lopen het risico om weggeconcurreerd te worden door andere muizensoorten. Het Haringvliet is zo belangrijk door de isolatie van populaties in natte (riet)ruigten op de eilanden, zoals Tiengemeten en langs de randen van het Haringvliet. Het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ is aangewezen als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor 3 habitattypen en 8 habitatrichtlijnsoorten. Daarnaast is het Haringvliet ook aangewezen voor 10 broedvogelsoorten en 26 niet-broedvogelsoorten. Het projectgebied waar de werkzaamheden aan de bestaande en nieuwe windturbines plaatsvinden ligt buiten de begrenzing van dit Natura 2000-gebied. De habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten die binnen de invloedsfeer van de windturbines en werkzaamheden voorkomen worden hierna beschreven.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM VERSLECHTERINGSTOETS E-Connection Project BV

22

Afbeelding 4.2 Begrenzing van het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ (Bron: Beheerplan Deltawateren 2016-2022).

4.1.3

Voordelta

De Voordelta is de ondiepe zee met aangrenzende stranden voor de kust van Zeeland en het zuidelijkste deel van Zuid-Holland. Sinds de (al of niet gedeeltelijke) afsluiting van de voormalige zeearmen Haringvliet, Grevelingen en Oosterschelde is de Voordelta sterk van karakter veranderd. De getijdenstroming in en uit de zeearmen is geheel verdwenen of sterk afgenomen. Voor de mondingen van de zeearmen zijn evenwijdig aan de kust hoge zandbanken ontstaan die bij laagwater gedeeltelijk droogvallen. Het meest in het oog springend zijn de Hinderplaat, de Bollen van de Ooster en de Bollen van het Nieuwe Zand. De oost-west georiënteerde getijdengeulen in het gebied zijn veel ondieper geworden. De Voordelta herbergt natuurlijke habitats en leefgebieden die voor het Europese netwerk Natura 2000 van belang zijn (ministerie LNV, 2008). De Voordelta is een leefgebied voor de gewone en de grijze zeehond vanwege het stelsel van droogvallende zandbanken. Het open water van de Voordelta is vooral van belang voor visetende trekvogels, in het bijzonder voor de roodkeelduiker, en voor schelpdiereters, als zwarte zee-eend en eider. De intergetijdengebieden zijn van belang voor steltlopers en eenden, zoals scholeksters, drieteenstrandlopers en bergeenden. Langs de randen van het gebied bij Voorne en Goeree liggen schorren en slikkige platen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12798410/1