CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB Onderzoek omgang met onteigend Joods vastgoed bijlage Onderzoeksrapport

Informatiebijeenkomst 6 december 2024, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken20.001 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28

speciale aandacht aan Joodse slachtoffers en nabestaanden, bij­voor­beeld door belastingen of boetes kwijt te schelden?

Onteigeningsvraag Op het eerste gezicht lijken de Verkaufs­bücher een duidelijk antwoord te geven op de onteigeningsvraag. Daarin staan alle onteigende Joodse panden die door de bezetter waren doorverkocht – kleine administratieve slordigheden en het ontbrekende eerste register daargelaten. Daaruit blijkt dat gemeente Amsterdam een flink aantal panden direct van de ANBO kocht. Amsterdam was echter de grote uitzondering. De andere gemeenten die in de Verkaufs­bücher als koper te boek staan, kochten slechts één of enkele van tientallen of honderden doorverkochte panden. De onder­ zoeks­rapporten van andere gemeenten laten bovendien zien dat aankoop door de gemeente via een tussenhandelaar ook naar verhouding zelden voorkwam.

Drie stappen Daarom kozen we voor een alternatieve aanpak. Door vanuit verschillende bronnencollecties dezelfde hoofdvraag te benaderen, ontstaat een betrouwbaarder beeld. Onze aanpak bestond uit drie stappen, die elkaar aanvullen en controleren: 1. De reconstructie van politieke besluitvorming over de eventuele aankoop van onteigende panden. De belangrijkste bronnen zijn hier de archieven van gemeente- en provinciebestuur. 2. Een reconstructie van de transacties die vermeld worden in de Verkaufs­ bücher, aangevuld met kadasteronderzoek. 3. Onderzoek naar berichtgeving over oorlogsaankopen en teruggaaf­ problemen in lokale kranten na de oorlog. Zowel voor, tijdens als na de bezettingsjaren vereiste de aankoop van vast­goed een besluit van de gemeenteraad – of ten minste van het college van B en W, toen de bezetter de gemeenteraden ontbonden had. De formele werk­wijze van nationale en decentrale overheden in dit vraagstuk is voor dit onderzoek een voordeel. De eerste stap was dus om naar verwijzingen over koop­(onder­ handelingen) te zoeken in de notulen en besluiten van raad en college en in jaar­verslagen van de oorlogsjaren. Een soortgelijke zoektocht deden we in dezelfde omvangrijke bronnen voor de eerste drie jaar na de bevrijding, omdat ook teruggaaf op de agenda kan hebben gestaan.

Uit onderzoeksrapporten voor andere steden is bekend dat het gemeente­bestuur de toestemming van de Commissaris der Provincie nodig had voor zulke aankopen. Daarom hebben we ook het archief van de Commissaris bestudeerd. Als tweede stap bestudeerden we de gegevens uit de Verkaufs­bücher. Daarbij waren we extra alert op ‘verdachte’ panden: transacties met professionele tussen­handelaren, aankopen met een hoge kostprijs en notariële afhandeling uit de ambtstijd van een NSB-burgemeester. Uitgangspunt is de aanname dat de gemeente hechtte aan een formele verwerving van vastgoedeigendom.

29

De kans is dus groot dat panden die een gemeente heeft aangekocht, voorkomen in de Verkaufs­bücher. Buiten Amsterdam zijn echter maar een paar gevallen bekend waarbij de gemeente zelf in de Verkaufs­bücher voorkomt als eerste koper.9 Particuliere geïnteresseerden schakelden vaker een tussenkoper in, om te verhullen dat men profiteerde van het lot van Joodse medeburgers. Het is aannemelijk dat ook gemeenten deze oplossing kozen. In principe kan elke eerste koper zo’n tussenhandelaar zijn geweest. Ons onderzoek beschouwde makelaars, notarissen en iedereen wiens naam bij meer dan één transactie in de Verkaufs­ bücher als koper vermeld werd als mogelijke professionele tussen­handelaar. De resultaten voor andere steden laten zien dat gemeenten twee motieven hadden voor de aankoop van Joods vastgoed. Als het om stadsvernieuwing ging, vond de aankoop relatief vroeg plaats. Zo’n aankoop gebeurde vaker zonder tussenhandelaar en werd ook besproken in de bestuurlijke notulen. Juist bij gewraakte aankopen (of pogingen daartoe) waar het om luxueuze woonruimte voor een NSB-burgemeester en andere gemeentefunctionarissen ging, werden verschillende methoden toegepast om de koop te verheimelijken. Tussenhandelaren werden ingeschakeld of niet de gemeente, maar de burgemeester of functionaris zelf trad als koper op. Zulke kopen bleven ook vaker buiten de bestuurlijke akten.

De eigendomsgeschiedenis van de op deze gronden verdachte verkooptransacties – bovengemiddelde prijs, NSB-periode en/of professionele tussenhandelaar – hebben we in kadaster en NBI-archief gereconstrueerd tot het einde van de bezetting. In bijna elke stad werd de burgemeester op enig moment tijdens de bezetting vervangen door een NSB’er. Hetzelfde gold voor de Commissaris der Provincie. Deze functionarissen werden na de oorlog berecht in het kader van de Bijzon­ dere Rechtspleging. Het is goed denkbaar dat twijfelachtige vastgoed­aankopen daarbij aan de orde kwamen. Voor een beperkt aantal personen per stad – met name burgemeester en wethouders – hebben we daarom ook de procesdossiers uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) onderzocht. We gingen op zoek naar uitzonderingen en handelingen die ook tijdens en vlak na de oorlog door velen als onoorbaar werden beschouwd. Daarom namen we als derde stap de pers mee in het onderzoek. In de tijd van naoorlogse zuiveringen lag het handelen van gemeenten en (NSB-)burgemeesters tijdens de bezetting onder een vergrootglas. Daarom namen we de krant door op verwijzingen naar onteigend Joods vastgoed en de opstelling van de gemeente daarin. We keken ook naar berichtgeving over aankoop, geplande transacties of huurcontracten als vormen van collaboratie en winstbejag.

Voor Vlissingen vonden wij 14 panden en percelen van Joodse eigenaren in de Verkaufsbücher. Ondanks ons zorgvuldige onderzoek is het mogelijk dat we een transactie en daarmee een mogelijke aankoop door de gemeente of koop­ onder­handelingen hebben gemist. Door niet op één ingang te vertrouwen,

30

maar verschillende benaderingen en archief­collecties in te zetten, verkleinden we dat risico.

Rechts­herstelvraag Tijdens de bezettingsjaren stuurde elke gemeente in Neder­land huiseigenaren aanslagen voor diverse gemeente­belastingen – net als in de jaren daarvoor. De belangrijkste daarvan, waarop wij ons concentreerden, was de zogenaamde straat- of weg(en)belasting. Hetzelfde gold voor de zogenaamde erfpachtcanon, hoewel die in sommige gemeenten gebruikelijk was en in andere niet of nauwelijks voorkwam.10 In het laatste oorlogsjaar namen de belastingschulden toe, doordat veel oorlogskopers, vaak NSB’ers of Duitsers, de stad verlieten. Ook verliepen de administratie en het bestuur steeds minder geordend. In de meeste gevallen werd deze belasting bij teruggave van het eigendom meegenomen in de eind­ afrekening tussen de oorspronkelijke eigenaar (of zijn nabestaanden) en de oorlogskoper. De kans op openstaande rekeningen, en dus op naheffingen en boetes, was vooral groot als het onteigende pand niet was verkocht, maar in handen was gebleven van de ANBO of een andere beheerder. Dat gebeurde terwijl zo’n gemeente wist dat de geadresseerde van deze naheffingsaanslag ondergedoken gezeten had of gedeporteerd was naar een concentratiekamp.

Drie stappen Omdat dit gaat over patronen in de (in)formele bestuurspraktijk – en niet om uitzonderlijke bestuurlijke besluiten zoals bij de aankoop van panden – was onze aanpak anders opgebouwd. De reconstructie van politieke besluitvorming was daarom pas de tweede stap, na het onderzoek naar de vraag of er formeel rechts­herstel had plaatsgevonden. Ook het onderzoek naar rechts­herstel gebeurde in drie stappen, met verschillende bronnen: 1. Het kadaster en de dossiers van de afdeling Onroerende Goederen van de Raad voor het Rechts­herstel combineerden we, om zo te achterhalen of rechts­herstel voor alle onteigende panden had plaatsgevonden. 2. De reconstructie van besluitvorming rondom gemeentelijke heffingen in notulen, jaarberichten en besluitenlijsten van de gemeenteraad. Voor de naoorlogse periode zochten we naar besluiten om naheffingen of boetes op te leggen bij rechts­herstel, of openstaande rekeningen juist kwijt te schelden voor bepaalde groepen burgers. 3. Onderzoek naar dossiers van de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechts­herstel. In veel van deze procedures ging het (ook) om belasting­ heffingen. Daardoor was de gemeente eventueel partij in deze uiteen­zettingen. We doorzochten alle transacties in de Verkaufsbücher.

Via de naam van de ontrechte Joodse eigenaar in de NBI-dossiers reconstrueerden we of bij deze panden sprake is geweest van gemeentelijke belastingen bij het rechts­herstel.

31

Deze methode functioneerde slechts in een deel van de gevallen. Soms was het NBI-dossier niet vindbaar. Soms had de eigenaar, of hadden zijn nabestaanden geen verzoek om rechts­herstel ingediend. Niet zelden bevatte het dossier ook niet de gezochte informatie, omdat de zaak voor het NBI afgehandeld was met het akkoord tussen eigenaar en oorlogskoper. De exacte inhoud van het akkoord is lang niet altijd vastgelegd. Soms vonden we panden die niet in de Verkaufsbücher stonden. Zulke panden buiten de Verkaufs­bücher vonden we in het kadaster als ander vastgoedbezit van oorspronkelijke eigenaren van een pand uit de Verkaufs­bücher of uit de adressen in het Joods Monument (al waren dat meestal huurpanden). Of uit lijsten met onteigende Joodse panden die sommige gemeenten opstelden in de oorlog en soortgelijke overzichten van de Raad voor het Rechts­herstel. Als tweede stap bestudeerden we de verslagen van de gemeenteraad en het college van B en W van de eerste jaren na de bevrijding. Begrotingen van de gemeente lieten zien welke vastgoedgerelateerde belastingen in de gemeente geheven werden in die tijd. Gebruikelijk waren zogenaamde straat- of weg(en) belasting, soms apart rioolbelasting en een verzekeringspremie voor brand en molest.

De aanname was dat deze verslagen informatie bevatten over de praktijk van de belastingheffing en eventueel besluiten om die wel of niet door te zetten. Voorwaarde is dan wel dat deze naheffingen politiek of publiek omstreden waren. Een factor van onzekerheid bij deze aanpak was dat het opleggen van heffingen conform de geldende regels geen weerslag hoefde te vinden in de notulen van de raad. Er werd immers geen politiek besluit genomen. Omgekeerd kan men in de praktijk zijn afgeweken van de regels. Naast NBI-dossiers bevat het Nationaal Archief nog een relevante bron. In gevallen waarin geen minnelijke schikking tot stand kwam tussen onteigende en oorlogskoper, werd de kwestie voorgelegd aan de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechts­herstel. Deze conflicten gingen (ook) om openstaande belastingaanslagen of boetes. Voor gemeente Vlissingen was de kans klein dat we in deze dossiers iets interessants vonden, want er waren maar weinig onteigende Joodse panden. Wel zijn de resultaten mogelijk betekenisvol voor de houding van de gemeente. In een aantal Nederlandse gemeenten werden huizen niet alleen vanwege de Jodenvervolging in beheer genomen en onteigend. Onteigening gebeurde ook als maatregel na oorlogsschade door bombardementen en gevechten. En voor de bouw van verdedigingswerken, zoals de Atlantikwall.

Hiervoor richtte het Ministerie van Financiën in 1940 het Grootboek voor de Wederopbouw in. Directe aanleiding waren het bombardement op Rotterdam op 14 mei en het bombardement op Middelburg een paar dagen later. Door dat laatste bombardement brak een grote brand uit in de stad, waardoor een groot deel van het centrum werd verwoest.

32

Schade ontstaan door moed­wil van derden, in dit geval: oorlogs­ handelingen.

Verdedigingslinie die Nazi-Duitsland langs de kustlijn van West-Europa aanlegde tijdens de oorlog om een invasie van de geallieerden te voorkomen.

De gedupeerde kreeg een inschrijving in het Grootboek, met 4 procent rente. Op het moment van herbouw kreeg hij het bedrag uitbetaald dat het perceel en de opstallen in mei 1940 naar schatting waard waren geweest. Na de bevrijding bleef deze regeling min of meer onveranderd bestaan. In de meeste gemeenteonderzoeken namen we deze vorm van onteigening en de inschrijving in het Grootboek als eindpunt voor eventueel rechts­herstel. Er was immers geen vastgoed meer en vaak ook geen kadastraal perceel, omdat het terrein werd herverkaveld vanwege de wederopbouw. Er bleef dus alleen een papieren inschrijving in het Grootboek over met een geldwaarde. Zelfs voor Rotterdam is geen verder onderzoek gedaan voor de Joodse panden binnen de ‘brandgrens’. We kennen alleen een schatting van het aantal Joodse panden en hun waarde.11 In sommige gemeenten bevatte het gemeentearchief nog bestanden van het Grootboek voor de Wederopbouw, waardoor we verhalen gedeeltelijk konden achterhalen. Ook voor Vlissingen was dit mogelijk.12 Met deze bronnen konden we vaststellen of rechts­herstel ná of vóór de onteigening voor de wederopbouw had plaatsgevonden.

Met andere woorden: betekende rechts­herstel teruggaaf van een perceel, of teruggaaf van een Grootboekinschrijving? Systematisch onderzoek naar deze vorm van onteigening gaat alleen via het archief van het Grootboek voor de Wederopbouw, in het Nationaal Archief. Maar dat archief is beperkt toegankelijk. Eerdere onderzoekers kwamen tot de conclusie dat dit weinig nieuwe resultaten oplevert, en wel veel tijd kost. Het is geen toeval dat het bijna nooit geraadpleegd wordt – ook los van onze vraag naar onteigening en rechts­herstel. We hebben het voor dit onderzoek wel geraad­ pleegd. We troffen hierin voor Vlissingen 7 panden aan, maar het bevestigde dat ook via het grootboek in de meeste gevallen rechts­herstel tot stand kwam.13 Uitvoerende archieven van de gemeentelijke diensten van destijds en de belastinginning zouden kunnen dienen als aanvullende bron en vervolgstap, met aanslagen per huiseigenaar. Deze stap is bewerkelijk en geeft in het beste geval de gemeentelijke kant weer van de NBI-archieven, inclusief eventuele correspondentie over naheffingen bij rechts­herstel. Deze administraties zijn omvangrijk, niet gericht op onze vraag of door opschoning van archieven niet meer beschikbaar. Deze methode met drie stappen en verschillende bronnen garandeert betrouwbare resultaten. Toch kan het gebeuren dat we een uitzondering hebben gemist.

Onderhandse regelingen bij­voor­beeld, hebben per definitie geen sporen nagelaten in de archieven. Omdat onze onderzoeksvraag vooral gaat over het gemeentelijke beleid rondom naheffingen, zijn deze onregelmatigheden van ondergeschikt belang, tenzij uit het onderzoek zou blijken dat van enig beleid geen sprake was. Volledige zekerheid – binnen de beperkingen van het overgeleverde historische materiaal – is alleen te verkrijgen door van alle Joodse inwoners hun woon­ situatie na te gaan en voor alle onteigende panden de volledige rechts­herstel­ procedure te reconstrueren.

33

Noten 1

2

3

4 5

6

7

8

Aalders, Roof; Veraart, Ontrechting en rechts­herstel. Van der Werf, ‘De oorlogsjaren en de wederopbouwperiode’. Veraart, Ontrechting en rechts­herstel; De Haan, ‘Het einde van de naoorlogse geschiedenis’. Informatie van Peter Donker. NA, 2.09.16 Inventaris van het dossierarchief van het Neder­landse Beheersinstituut (NBI), en van de in beslag genomen administraties, 1945‑1967, 532.1- 532.7, 536.1-536.9 Verkaufsbücher van de Niederlandische Grundstücksverwaltung. Vos en Ter Braake, Rechts­herstel na de Tweede Wereldoorlog; NA, 2.11.08.01 Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw: Afdeling Grond- en Pachtzaken, (1906) 1935‑1964; Joods Cultureel Kwartier, ‘Database Joodse landbouwgronden’, data.jck.nl/page/ aggregation/jhm-literatuur/20110474. NA, 2.09.09 Inventaris van het archief van het Ministerie van Justitie: Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), 1945‑1952 (1983); Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Schütz, Kille mist.

34

9

10 11

12

13

Blauw, ‘Verschil maken?’; ‘Nader onderzoek naar de aankoop van onteigend (Joods) vastgoed in de Tweede Wereldoorlog door de voormalige Zaangemeenten’. (Zaanstad: Gemeente Zaanstad, 2020). Broese van Groenou, Erfpacht. Hinke Piersma en Marleen van den Berg, ‘Ontrechting en rechts­herstel: het Rotterdamse gemeentebeleid inzake ontrechting en rechts­herstel van Joodse oorlogsslachtoffers 1940-1955’ (Amsterdam: NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, 2020). Wim van Meurs, Laura Brinkhorst, en Marieke Oprel, ‘Citizens’ Sentiments or Governmental Rationales? Post-War Reconstruction of Bombed Cities in the Netherlands’, International Journal for History, Culture and Modernity 12 (in druk 2024). ZA, 1254, Stichting Herbouw Middelburg/ Stichting Herbouw Walcheren (SHW1940-1948); 7166 Wederopbouw Gemeente Vlissingen, 1945-1955. NA, 2.08.65 Inventaris van het archief van het Grootboek Wederopbouw en het Grootboek Rijn- en Binnenvloot van het Ministerie van Financiën, 1940-1960.

4. Onteigeningen Gemeente Vlissingen ligt aan de monding van de Westerschelde. Die ligging had invloed op de manier waarop de gemeente de oorlog doorkwam. In mei 1940 namen Duitse troepen de strategisch gelegen haven onder vuur. Tegelijkertijd werd de haven onder vuur genomen door terugtrekkende Franse troepen. Omliggende panden raakten beschadigd door het oorlogs­ eweld. Ook in het nabijgelegen Middelburg waren er gevechten: hierdoor ontstond een grote brand, die een groot deel van het centrum van de Zeeuwse hoofdstad in de as legde. Nadat Nederland zich had overgegeven aan de Duitsers, werden vanuit Vlissingen Franse en Britse troepen geëvacueerd. In Zeeland kwam de capitulatie twee dagen later dan voor de rest van Nederland. In ZeeuwsVlaanderen was dat zelfs een week later, omdat Franse en Britse troepen daar de strijd wilden voortzetten.1 De hele oorlog lag Vlissingen midden in de vuurlinie. Tijdens de oorlogsperiode werd Vlissingen meermaals gebombardeerd door de RAF. Zo raakten veel gebouwen beschadigd en veel inwoners trokken al dan niet gedwongen weg. Tijdens de bevrijding bombardeerden de geallieerden verschillende dijken op het eiland Walcheren waardoor ook grote delen van Vlissingen onder water liepen. Dit deden de geallieerden om het de Duitse bezetter moeilijk te maken.

Aan het einde van de oorlog was er vrijwel geen pand onbeschadigd en telde Vlissingen nog slechts weinig inwoners.2 De geallieerden veroverden straat voor straat op de bezetter. Ook dat zorgde voor veel schade. Een belangrijk punt was de inname van Grand Hotel Brittannia, een bolwerk van de Duitsers. Na zware gevechten die uren aanhielden, wisten Schotse troepen het hotel te veroveren en daarmee de bevrijding van Vlissingen in te luiden.3 Op 8 november 1944 was Walcheren helemaal bevrijd, maar de schade was groot en schaarste op alle gebieden dreigde. Veel inwoners werden op het naastgelegen Zuid-Beveland ondergebracht en konden voorlopig niet terug naar hun eigen huis. Net als in andere gemeenten werd in Vlissingen in de zomer van 1941 het leidersbeginsel ingevoerd. De nazi’s gingen uit van politiek leiderschap: dat betekende dat de gemeenteraad werd ontbonden en dat de burgemeester bestuurde zonder controle van een gekozen vertegenwoordiging, met zijn wethouders als adviseurs. Burgemeester van Vlissingen was Carel Albert van Woelderen. In april 1943 werd hij gearresteerd en zo’n twee maanden later, per 1 juni, werd hem ontslag verleend met toekenning van pensioen. NSB’er Pieter Cornelis Callenfels volgde hem op.4

35

Ook wel Führerprinzip. De nazi's gingen uit van politiek leiderschap zonder controle door een demo­cratisch gekozen parlement. Toe­gepast op lokaal niveau gaf dit principe alle politieke macht aan de burgemeester, zonder gemeenteraad.

In de meeste provincies werd de Commissaris van de Koningin tijdens de bezetting door een NSB’er vervangen, net zoals bij burgemeesters gebeurde. Met uitzondering van de grote steden en bij een enkele niet-coöperatieve commissaris gebeurde dat meestal pas in 1942 of 1943. In Zeeland verplaatste Commissaris Johan Willem Quarles van Ufford in mei 1940 zijn provinciaal bestuur naar het laatste stukje vrij Nederland, Zeeuws-Vlaanderen. In het provinciehuis in Middelburg werd hij meteen vervangen door ARP’er Petrus Dieleman. Hoewel geen lid van de NSB, sympathiseerde Dieleman met het nationaalsocialisme en het antisemitische gedachtegoed. Alleen vanwege zijn hoge leeftijd (74 jaar) kreeg hij voor het tribunaal na de oorlog een milde straf.5 Quarles van Ufford keerde na de bevrijding terug, toen zijn omstreden en eigengereide handelswijze van mei 1940 met de regering in Londen uitgesproken was. De Joodse gemeenschap in Vlissingen groeide tussen 1875 en 1914. In die periode bloeide ook de economie van de gemeente. Daarna nam het aantal Joodse inwoners van Vlissingen langzaam af. Rond 1930 telde de Joodse gemeenschap nog ongeveer 55 mensen. Maar al was de gemeenschap klein, ze was religieus én maatschappelijk actief. In de jaren dertig kwam er vanuit Nazi-Duitsland een vluchtelingenstroom op gang van Joodse burgers die het naziregime ontvluchtten.

Via Vlissingen probeerden veel mensen de oversteek naar Groot-Brittannië te maken. Het Comité Hulp aan Joodse Vluchtelingen bood hulp. In 1938 namen zelfs vrachtschepen die vanuit de haven van Vlissingen vertrokken vluchtelingen mee. In Vlissingen zelf vestigden zich bijna geen vluchtelingen. In maart 1942 droeg de Joodse Raad alle Joodse inwoners van Zeeland in een brief op om de provincie te verlaten en zich in Amsterdam te vestigen. Sommigen verhuisden inderdaad naar de hoofdstad, anderen doken onder. Joodse burgers uit Amsterdam en de rest van het land moesten in de Transvaalbuurt gaan wonen. Op 20 juni 1943 vond daar een grote razzia plaats, waarbij ruim 5.500 Joodse inwoners werden gearresteerd en getransporteerd naar Kamp Westerbork. Hierna werden ze op transport gesteld naar concentratiekampen, waar velen meteen bij aankomst werden vermoord.6 De synagoge van Vlissingen was in 1921 gebouwd op de hoek Gravestraat/ Paardenstraat, samen met omliggende gebouwen van de Joodse gemeente. Na maart 1943 werden de waardevolle papieren en religieuze voorwerpen uit de Vlissingse synagoge gehaald en elders in veiligheid gebracht. Hierna werd de synagoge verschillende keren geplunderd en vernield. Ze werd uiteindelijk in 1944 geheel verwoest tijdens bombardementen van de geallieerden. In 1948 onteigende gemeente Vlissingen het perceel vanwege de wederopbouw.

Van de Joodse gemeente in Vlissingen bleef na de oorlog weinig over. Ze werd samen met andere Joodse gemeenten samengevoegd tot de Joodse Gemeente Zeeland.7 In 1954 werd in Middelburg een monument onthuld met 72 namen van Zeeuwse Joodse slachtoffers.8 In maart 2017 kreeg Vlissingen een eigen monument aan de Oranjedijk, waarop de veertig Joodse slachtoffers uit de gemeente worden herdacht.9

36

Comité Hulp aan Joodse Vluchtelingen was een hulporganisatie voor Joodse vluchtelingen in Nederland van april 1933 tot maart 1941. Ze bemiddelde in zaken rondom emigratie, uitreisvisa en verblijfsvergunningen.

Registratie, onteigening en roof Na de sociale beperkingen volgden maatregelen van economische ontrechting. Alle Joodse bedrijven waren al in oktober 1940 geregistreerd door de bezetter. Winkels en kleinere ondernemingen moesten worden opgedoekt, grotere bedrijven werden doorverkocht. Joodse landeigenaren werden verplicht om hun bezit te laten registreren bij regionale pachtbureaus. Vervolgens moesten ze hun percelen voor 1 september 1941 verkopen aan niet-Joodse gegadigden (Verordening 102/1941). De opbrengsten gingen eerst naar de Bank voor Nederlandschen Arbeid en, als de liquidatie was afgerond, naar een van de roofbanken – Liro of de Vermögensverwaltungs- und Renteanstalt (VVRA). Op dezelfde manier ging de bezetter te werk bij het Joodse vastgoedbezit. Joodse burgers moesten per Verordening 154/1941 (augustus 1941) hun onroerend goed en privé aan derden verstrekte hypotheken laten registreren door de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV). Voor dat omvangrijke vastgoed stelde de NGV beheerders aan. Meestal waren dat grotere organisaties, die de opdracht kregen om deze panden te verkopen. De belangrijkste waren ANBO, Nobiscum en Everout. Deze organisaties benoemden per pand ook weer een beheerder. Die inde de huur, zorgde voor de instandhouding van het pand en regelde andere praktische zaken. De beheerder legde rekenschap af aan de NGV.

Hij had ook het recht om het ont­eigende pand te verkopen. De verkoopprijs of de opbrengst van de verhuur ging naar de roofbanken. Ondertussen betaalde de NGV de ontrechte eigenaar een mini­maal maandelijks handgeld om in zijn eerste levensbehoeften te voorzien.

De Liro deed dienst als bewaardepot en verkoop­ kantoor van geroofd Joods eigendom.

Zodra Joodse eigenaren in 1942 of 1943 waren gedeporteerd, probeerde de bezetter hun panden te verkopen. Soms gebeurde dat zelfs al eerder. In een aantal gevallen bleek het pand onverkoopbaar, vanwege achterstallig onderhoud of oorlogsschade. Naarmate de oorlog vorderde, waren kopers en hypotheekverstrekkers minder geneigd om hun vingers te branden aan onteigend Joods vastgoed. De NGV registreerde elke afgeronde transactie in de Verkaufsbücher. In elke stad werden de panden verkocht door beheerders, met medewerking van lokale taxateurs, accountants, makelaarskantoren en notarissen. Vaak hadden beheerders meerdere panden in hun portefeuille.

De Verkaufsbücher In totaal staan in de Verkaufsbücher 14 adressen in Vlissingen met met panden van Joodse eigenaren. Daarnaast vonden we 24 panden via de kaartenbakken van de Raad voor het Rechts­herstel, struikelstenen en het Joods Monument. Ook vonden we 4 panden die niet in beheer zijn genomen: de panden van de Joodse gemeente. In Vlissingen waren maar een paar Joodse burgers eigenaar van vastgoed, maar deze mensen hadden wel meerdere panden in eigendom. Van de

37

Een online monument voor alle slachtoffers van de Jodenvervolging, met beeldmateriaal en levensverhalen.

14 verkochte panden zijn er 6 gekocht door Jurrianus Hendrik Snijders. Het is opvallend dat het overgrote deel van de panden – 24 stuks – niet is verkocht. Zo zijn 15 panden van Ruben Hiegenlich in beheer genomen, maar is er slechts 1 verkocht. En van de 5 panden van Janna Margaretha van Raalte-Maren Bentz van den Berg en Lodewijk Eduard Martinus van Raalte is geen pand verkocht. Dat zo veel panden niet zijn verkocht, zal ermee te maken hebben dat ze beschadigd waren door de oorlog. Zo werden verschillende woningen in 1944 en 1945 gesloopt. Wellicht waren ze tijdens de inbeheername al niet meer bewoonbaar. Alle kooptransacties uit de Verkaufsbücher gingen in Vlissingen daad­ werkelijk door; we vonden ze terug in het kadaster. In andere gemeenten zien we soms dat transacties uit de Verkaufsbücher in werkelijkheid niet zijn afgerond, maar dat is in Vlissingen dus niet het geval. Meestal was notaris Van der Harst uit Middelburg betrokken bij de transacties. De woningen werden verkocht voor een gemiddelde prijs van ruim 3.500 gulden. Dat is ook voor die tijd erg weinig. En de kopen werden afgerond in 1943 en 1944 – behoorlijk laat. Misschien verklaart de lage prijs dat de huizen voor investeerders niet aantrekkelijk waren en daarom moeilijk te verkopen waren. Kennelijk probeerde de ANBO de woningen toch te verkopen en niet alleen te verhuren.

In de Verkaufsbücher staan alleen de verkochte panden. De boeken bieden dus geen informatie over het totale aantal onteigende panden. Via het Joods Monument kennen we meer woonadressen. Hier staat een kort levensverhaal van alle Joodse inwoners van Vlissingen die de oorlog niet overleefden. Indien bekend staat het laatst bekende adres voor deportatie vermeld, maar dat geldt alleen voor de mensen die niet terugkeerden. Overlevenden zijn niet opgenomen. Een deel van deze adressen zal een huurwoning geweest zijn. Huizen in Joods eigendom, maar met niet-Joodse huurders, zijn langs deze weg niet te vinden. Onderzoek in heel Nederland heeft laten zien dat de Verkaufsbücher rede­ lijk accuraat bijgehouden werden. Er zijn maar weinig gevallen bekend van panden die wel door de ANBO verkocht werden, maar niet in de Verkaufs­ bücher staan. Of omgekeerd, panden die wel geregistreerd werden, maar waarvan de verkoop op het laatste moment kennelijk is afgeketst.

De gemeente en Joods vastgoed Koop van een Joods pand door burgemeester of gemeente is landelijk gezien een grote uitzondering en gebeurde ook in Vlissingen niet. Ook kocht gemeente Vlissingen tijdens de bezetting geen panden van Joodse eigenaren. We hebben dit gecontroleerd door in de notulen van het college van B en W te zoeken naar (voorgenomen) aankoopbesluiten. En we hebben van alle in beheer genomen panden de eigendomsgeschiedenis nagetrokken tot na de oorlog, om te zien of hierin een burgemeester of de gemeente voorkomt. Dat is niet zo.

38

In Vlissingen heerste woningnood, net als op veel andere plekken in Nederland. Het is daarom aannemelijk dat in beheer genomen, leegstaande Joodse huizen waar mogelijk werden verhuurd door de ANBO – om inkomsten op te leveren, of als vriendendienst. We weten ook dat de gemeentepolitie bijhield welke woningen leeg stonden en werden verhuurd. Ook op andere plaatsen zien we regelmatig dat burgemeesters leegstaande woningen toewijzen vanwege de woningnood, maar het is onduidelijk welke rol de burgemeester speelde in Vlissingen. We weten wel dat de Commissaris van Politie in Vlissingen (die ook Commissaris van de Rijkspolitie was) de burgemeester op de hoogte hield van welke woningen waren verlaten door hun Joodse inwoners. De Commissaris stelde voor om de lijst met leegstaande woningen aan de chef van de Afdeling Bevolking van de gemeente te geven, zodat ze opnieuw konden worden verhuurd. In november 1942 waren 20 woningen in Vlissingen verlaten door hun Joodse bewoners. 11 van deze huizen werden opnieuw bewoond. Deze verhuurde woningen waren niet in Joods eigendom geweest, maar werden wel gehuurd door Joodse inwoners van Vlissingen.10 De leegstaande woningen waren Joodse koopwoningen.

39

Noten 1

2

3

Robbert Jan Swiers, Zeeland in bezettingstijd: Het gewone leven – Jodenvervolging – Atlantikwall – Verzet – Geallieerde luchtaanvallen, 1940-1944 (Soesterberg, 2018). Klaas Smelik en Arjan van Dixhoorn, Middelburg en de Mediene: Joods leven in Zeeland door de eeuwen heen (Apeldoorn, 2017). Steutel, Meerman, De Hond, Braat en Zwemmer, Joods Vlissingen. “Tweede Wereldoorlog in Vlissingen”, Zeeuwse Ankers, via zeeuwseankers.nl “Vlissingen”, www.oorlogzeeland. nl; “Operatie Infatuate: Bevrijding van Vlissingen”, www.tracesofwar.nl.

4

5

6

7

8

9 10

40

CABR, Carel Albert van Woelderen; CABR, Pieter Cornelis Callenfels; Zeeuws Archief (ZA), 7102 Gemeente Vlissingen 1937-1970, inv.nr. 4186, WESTP-WOE Personeelsdossiers, 1937-1970 Van Woelderen; inv.nr. 4186, BUTCAR Personeelsdossier PCC Callenfels. Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd: besturen tijdens de Duitse bezetting (Amsterdam, 2006), 573. Smelik, Klaas en Arjan van Dixhoorn. Middelburg en de Mediene. Steutel, Meerman, De Hond, Braat, Zwemmer, Joods Vlissingen. “Joods monument Middelburg”, www.4en5mei.nl. Swiers, Zeeland in bezettingstijd. ZA, 7102, inv.nr. 169, Politiemaatregelen t.o.v. Nederlanders, 1938-1947.

5. Rechts­herstel Een belangrijke vraag in de onderzoeksopdracht is of er rechts­herstel heeft plaatsgevonden in alle gevallen van onteigend Joods onroerend goed. Wanneer Joodse inwoners de oorlog overleefd hadden, konden zij er in Vlissingen dan op rekenen dat ze hun panden terugkregen? En wat gebeurde er als er alleen maar nabestaanden waren – werd die mensen dan ook recht gedaan? Onderzoek naar tientallen andere gemeenten heeft inmiddels laten zien dat rechts­herstel vrijwel altijd plaatsvond, ook al kon dat soms jaren duren. Dat betekent dat Joodse burgers hun vastgoedeigendom terugkregen via de Raad voor het Rechts­herstel en het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Soms spraken een Joodse eigenaar en oorlogskoper af dat de koop niet ongedaan werd gemaakt. Omdat de onteigening – en alles wat daarop volgde – bij rechts­herstel nul en nietig werd verklaard, werden gemaakte kosten (belastingen, onderhoud, afgeloste hypotheek) en verdiende baten (huurinkomsten) vanaf het moment van verkoop tegen elkaar afgezet. De verschillende posten werden met bewijsstukken onderbouwd. Waren er geen bewijsstukken, dan moesten beide partijen het eens worden over een schatting. Zo’n reconstructie van kosten en baten volgde de logica van het rechts­herstel. Naar de maatstaven van nu komt dit administratieve rechts­herstel on­ persoon­lijk en oneerlijk over.

Maar het volgde de juridische kaders die de over­heid direct na de oorlog had opgesteld. De Joodse eigenaar – of zijn erf­ genaam – was in de praktijk vaak de benadeelde partij. Hij moest bijvoor­beeld een hypotheek terugbetalen die de oorlogskoper had afgelost. Erfgenamen kregen met erfbelasting te maken. En wie berooid en vaak dakloos uit de onder­duik kwam, had niet de luxe om lang te onderhandelen. Regelmatig moesten Joodse recht­hebbenden hun teruggekregen pand verkopen om zulke kosten te kunnen betalen. Rechts­herstel was een proces van lange adem. De over­heid hield vast aan de regels die ook onder normale omstandigheden golden. Joodse erfgenamen moesten bijvoor­beeld een overlijdensakte kunnen laten zien. Het Rode Kruis hielp bij de zoektocht naar bewijs van overlijden voor wie in een concentratie­ kamp was omgebracht of vermist was, maar dat kon jaren duren. Ook van alle nabestaanden en erfgenamen moest duidelijk zijn wat hun lot was. Hoewel de gemeente officieel geen rol speelde bij de rechts­herstel­procedure, tenzij ze zelf betrokken was bij een aankoop, konden ambtenaren soms wel het verschil maken. Door tussen de regels door te lezen, hebben we geprobeerd antwoorden te formuleren op de uiterst belangrijke, maar vaak ongrijpbare vraag naar de manier waarop Joodse overlevenden en hun nabestaanden in een bepaalde gemeente behandeld werden.

Bij het systematisch door­nemen van de gemeenteraads- en collegenotulen hebben we gelet op uitspraken

41

daarover. Denk bijvoor­beeld aan aandacht voor het uitzonderlijke slachtoffer­ schap van Joodse inwoners, of aan minder strenge handhaving bij eventuele achterstallige betalingen.

Kadaster Het kadaster is de zekerste weg om rechts­herstel vast te stellen. De gedigita­ liseerde omschrijvingen van percelen (leggers) geven een goed beeld van de eigen­doms­­geschiedenis. Ze vermelden duidelijk of er rechts­herstel plaats heeft gevonden, en hoe dat gebeurde: door het NBI of de Raad voor het Rechts­ herstel. Naast eventueel een kanttekening over rechts­herstel, bevatten de kadaster­leggers vooral algemene informatie over kopers en verkopers. Soms staat er iets in over opvolging en erfgenamen. Voor alle panden die zijn verkocht, hebben wij rechts­herstel kunnen vast­ stellen. Dat gebeurde tussen 1947 en 1951. Een uitschieter was het rechts­ herstel voor Molenstraat 44. Hier werd de zaak pas in 1954 afgerond. We konden helaas niet achterhalen waarom. Soms duurde het jaren voordat officieel was vast­­gesteld dat Joodse oorlogsslachtoffers waren overleden. Pas daarna kon men de aanvraag tot rechts­herstel afronden; mogelijk heeft dit ermee te maken. Een serie panden aan de Abeelsche Zandweg 32-42 is interessant, omdat deze woningen van gemeente zijn veranderd door de jaren heen. Destijds hoorden deze panden bij Oost-Souburg. Op basis van het kadaster gaat het hier om Nieuwe Vlissingseweg 302-308, dat onder deze naam voorkomt in ons onderzoek naar Joods vastgoed en rechts­herstel in Middelburg.

Tijdens de oorlog lag dit adres in Oost-Souburg in de toenmalige gemeente Koudekerke, maar met de herindeling van 1966 werd dit perceel ingedeeld bij gemeente Middelburg. Oost-Souburg hoort nu bij gemeente Vlissingen. Abeelsche Zandweg 32-42 was eigendom van Emma Boasson-Cohen uit Leiden. De bezetter nam de woningen in beheer en verkocht ze in 1943 aan Jacobus Cornelis Dekker. In 1948 vond rechts­herstel plaats. Emma BoassonCohen werd toen weer de eigenaar. Zij overleefde de oorlog, maar een van haar drie kinderen was vermoord.1 In veel gevallen biedt het NBI-dossier op naam van de onteigende of diens beheerder meer informatie over het onderhandelingsproces, de boekhoud­ kundige eindafrekening, de correspondentie en de formele beslissingen die aan de teruggaaf voorafgingen. Als de oorlogskoper en de oorspronkelijke eigenaar of zijn nabestaanden na de bevrijding niet tot een minnelijke schikking konden komen, belandde het dossier bij de rechtbank. De afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechts­herstel behandelde 30.000 rechts­zaken. Maar lang niet al die zaken gingen over vastgoed. Ze gingen bijvoor­beeld ook vaak over effecten, sieraden en kunstbezit. De klagende partij kon een Joodse ontrechte zijn, maar ook een Duitse Nederlander of een NSB’er.

42

Aandelen, obligaties en andere verhandelbare rechten.

Rechts­herstel in de praktijk Walstraat 51, dat oorspronkelijk van Ruben Hiegenlich was, werd in 1942 in beheer genomen door de bezetter en in 1943 verkocht. De koper was Cornelis Johannes Moerman. Hij kocht ook Badhuisstraat 55. Moerman woonde verderop in de Walstraat. De directeur van Gemeentewerken stuurde burgemeester Van Woelderen in januari 1945, een paar maanden na de bevrijding, een brief over voormalig Joods bezit in de gemeente. Ook Moerman komt in deze brief kort naar voren: ‘De verkoop van de perceelen Badhuisstraat 55 en Walstraat 51 zijn vrijwel met zekerheid aan te merken als “zwarte” aankoopen en naar mijne meening zal het goed zijn, indien de justitie zich eens met den kooper Moerman gaat bemoeien.’ 2 Mogelijk bedoelde de directeur van Gemeentewerken dat hier sprake was van zogenoemde oorlogskopen, waarbij de bezetter panden te koop aanbood. Of met ‘zwarte aankopen’ Joodse oorlogskopen werden bedoeld, is onduidelijk. In elk geval ging het wel om verkopen die verdacht waren. Toen Ruben en Serlina Hiegenlich na de oorlog absent waren, stelde het NBI bewindvoerders aan over hun vermogen. Net als voor andere Vlissingse Joodse inwoners, werd eerst notaris Jan Leendert Verhagen aangesteld als bewindvoerder namens het NBI. Daarnaast werd er vaak ook een familielid aangesteld als tweede bewindvoerder. Hier was dat Isidor Rozendaal, een familielid van Serlina.

In maart 1948 volgde rechts­herstel in het bijzijn van notaris Verhagen, Isidor Rozendal en Cornelis Moerman. Als de partijen er onderling uit­kwamen, hoefde daar geen rechter aan te pas te komen. Dat was hier ook zo: we spreken dan van ‘minnelijk’ rechts­herstel. Moerman had het pand in augustus 1943 gekocht in bijzijn van notaris Van der Harst uit Middelburg, die de koopakte passeerde. In totaal betaalde Moerman toen 6.800 gulden voor het pand. Hij loste namelijk ook de hypotheek af die nog op het pand rustte, en betaalde een boete voor het versneld aflossen van de hypotheek. De NGV kreeg hierdoor maar 250 gulden. In 1948 werd de zaak voorgelegd aan de Raad voor het Rechts­herstel en in 1950 vond rechts­herstel plaats via een minnelijke schikking tussen Moerman en Rozendaal. In deze schikking spraken de partijen af dat Moerman het pand hield. Hij betaalde ook de proceskosten en belastingen, maar behield de huurinkomsten. Moerman kreeg de originele koopsom terug en betaalde Isidor Rozendaal vervolgens een hoger bedrag voor de woning. Dit laat zien dat de oorlogskoopprijs waarschijnlijk onder de waarde was geweest. Moerman kreeg wel de schadeclaim wegens oorlogsschade bij de Nederlandse staat. Dat betekende ook dat hij de schade aan zijn pand moest herstellen.

Onteigening door gemeente Vlissingen Vlissingen was in 1940 beschadigd door de oorlog, en raakte ruim vier jaar later tijdens de bevrijding verder zwaar beschadigd. Veel panden werden daardoor

43

onbewoonbaar. Vaak vond tijdens de oorlog geen nieuwbouw plaats. Vanaf 1943 was er zelfs een bouwverbod, zodat de Duitsers alle bouwmaterialen konden gebruiken voor verdedigingswerken. Door de oorlogsschade sloopte de gemeente in 1944 en 1946 verschillende woningen. Vervolgens verkocht men deze percelen als ‘grond’, na eventueel rechts­herstel. Ook besloot de gemeente vanwege de wederopbouw om veel panden te onteigenen, om ze te slopen en te vervangen door nieuwbouw. Dat gold ook voor een deel van het Joodse vastgoed uit dit onderzoek. In 1948 onteigende gemeente Vlissingen zeker 6 percelen vanwege de wederopbouw. Voor deze percelen had daarvoor eventueel al rechts­ herstel plaatsgevonden. Men compenseerde eigenaren met een Grootboek­ inschrijving.3 In die zin verliep het rechts­herstel niet anders – of het nu voor of na de (Nederlandse) onteigeningen gebeurde.

Na de bevrijding In december 1944 was Vlissingen net bevrijd. Cornelis Ouwehand, directeur Gemeentewerken van Vlissingen, berichtte burgemeester Van Woelderen toen over woningen die de gemeente had gevorderd van NSB’ers. Op deze lijst stonden ook Bellamypark 4-6, waarover we al vertelden in de inleiding van dit rapport, en Lepelstraat 5-7.4 Ouwehand was al sinds 1920 directeur van Gemeentewerken en bleef dat tot zijn pensionering in 1953.5 In twee brieven die Ouwehand stuurde aan de burgemeester, lezen we dat Bellamypark 4-6 van Ruben Hiegenlich nog steeds leegstond en werd gebruikt om meubilair op te slaan uit verwoeste woningen. De bovenwoningen werden klaargemaakt om dakloos gemeentepersoneel onderdak te bieden.6 Lepelstraat 5 en 7 waren eigendom familie Bouman-Noach. Bij deze panden nam de gemeente maatregelen om inbraak en diefstal tegen te gaan. Barend en Liza Bouman-Noach stierven in concentratiekampen, net als hun bedrijfsleider Marcus (Max) Peereboom.7 De gemeentepolitie had goederen die in de panden waren opgeslagen, laten weghalen. De directeur van Gemeentewerken mengde zich in deze kwestie: hij liet burgemeester Van Woelderen per brief weten dat hij problemen had met de manier waarop de panden werden beheerd.

‘Het lijkt mij wel een zeer zonderlinge wijze van beheer, wanneer een beheerder zich blijkbaar niets van de zaken aantrekt, doch wel van uit elders een woning toewijst en verhuurt aan een familielid.’8 De directeur hield kennelijk niet alleen tijdens de bezetting, maar ook na de bevrijding scherp in het oog wat met Joodse panden gebeurde. Singel 178, de woning van Max Peereboom werd in 1942 in beheer genomen en stond leeg na het gedwongen vertrek van Peereboom naar Amsterdam. Vermoedelijk huurde vanaf december 1942 de gemeentelijke brandweer het pand als kantoor. Hiervoor betaalde ze 40 gulden huur, die werd afgedragen aan de ANBO. Dit duurde tot april 1944, toen Marius Johannes Corveleijn het pand kocht. In 1950 vond er via een minnelijke schikking rechtsherstel plaats.9 Voor Koopmansvoetpad 2 (in Oost-Souburg) vond in 1948 rechts­herstel plaats, waarna gemeente Vlissingen het pand kocht. Bij het rechts­herstel werd

44

duidelijk dat dit vermoedelijk geen ‘echte’ oorlogskoop was geweest. Zoals we ook op andere plekken wel tegenkomen, had pachter Van der Lee het pand gekocht in het belang van – en in overleg met – de Joodse eigenaar, Diederik Lodewijk Hendrik van Raalte. Vaak maakte dit het naoorlogse rechts­herstel makkelijker (maar niet altijd). Van Raalte overleefde de oorlog. Ouwehand schreef over deze zaak aan de burgemeester: ‘De verkoop van Koopmansweg [...] is in zooverre geen normale verkoop geweest, dat het werd verkocht niet door den eigenaar, doch door den door het Duitsche gezag aangestelden beheerder. Toch Van der Lee te goeder trouw. Hij was pachter van den Heer van Raalte en hij heeft zoolang dat mogelijk was met den Heer van Raalte in verbinding gestaan, vaak via mij of den Heer Moll. De aankoop is, nadat deze was aangeboden, zoolang mogelijk getraineerd en in overleg tusschen den heer van Raalte en mij, welk overleg reeds bij voorbaat tusschen ons was gehouden, heeft van der Lee ten slotte gekocht, toen wij de zekerheid hadden dat het goed anders voor een appel en een ei zou weggaan aan een ander, waarbij v.d. Lee dan uit zijn broodwinning zou worden gestooten.’10 Cornelis Ouwehand had als directeur van Gemeentewerken contacten met de bezetter. Maar of hij ook contacten had met het verzet, is onduidelijk.

Hij was op de hoogte van de woningproblematiek en van de leegstaande en verhuurde Joodse woningen. Ouwehand was niet betrokken bij de toewijzing van panden: de Commissaris van Politie stelde voor om leegstaande panden voor te leggen aan de Afdeling Bevolking van gemeente Vlissingen.

Gemeentebelastingen De meeste belastingen werden in het midden van de 20e eeuw geheven door de Rijksover­heid, en niet door gemeenten. Deze directe belastingen blijven in ons onderzoek buiten beschouwing, omdat we ons richten op gemeenten. Gemeenten hieven straatbelasting en soms rioolbelasting. Dit stelsel van gemeentebelastingen veranderde niet tijdens de oorlog. Ook tijdens de bezettings­jaren betaalden huiseigenaren straatbelasting, volgens criteria en tarieven uit de jaren dertig. Soms betaalde men ook zogenaamde ‘opcenten’, een toeslag op de grondbelasting van het Rijk. Deze toeslag ging naar de gemeente. Vanaf het moment dat een Joodse eigenaar de zeggenschap over zijn vastgoed verloor, ging ook de verplichting om gemeentebelastingen te betalen over op de beheerder, bijvoor­beeld de ANBO. Zeker in 1941 en 1942 voldeed de beheerder deze gemeentelijke belastingaanslagen over het algemeen trouw. In die eerste jaren betaalde de bezetter bijvoor­beeld ook de beloofde schadevergoeding aan eigenaren wiens huis gevorderd was om militairstrategische redenen of voor de inkwartiering van Wehrmacht-soldaten.

45

Erfpachtcanon bestond, maar speelde voor zover uit ons onderzoek gebleken in Vlissingen geen rol van betekenis, anders dan in Den Haag of Amsterdam.

Later nam de belastingmoraal sterk af. Naarmate de Duitsers er op het Europese strijdtoneel steeds minder goed voor stonden, liet de bezetter zijn pogingen varen om de Nederlandse bevolking en bestuurders voor de naziideologie te winnen. Na de verkoop van de meest lucratieve panden bleven voor de roofinstellingen bovendien alleen verhuurde en leegstaande panden over. Over het algemeen betaalde de bezetter in de laatste oorlogsjaren steeds minder belastingaanslagen. Het is mogelijk dat het ene regionale ANBOkantoor hier anders in stond dat het andere. Bij panden die doorverkocht waren, was het aan nieuwe eigenaren om de gemeentelijke belastingen te voldoen die bij hun bezit hoorden. Over het algemeen hadden zij er alle belang bij om deze aanslagen te betalen. Na Dolle Dinsdag sloegen in heel Nederland veel NSB’ers, collaborateurs en lokale vertegenwoordigers van het naziregime op de vlucht. Ze lieten hun geroofde vastgoed vaak onbeheerd achter. Hun belastingaanslagen bleven daarom de laatste oorlogsmaanden onbetaald.

Teruggaaf van wooneigendom en belastingheffing Het meeste Joodse vastgoed in Vlissingen ging na de bevrijding over naar een beheerder die door het NBI was aangesteld – net als elders in Nederland. Dat gold zeker voor panden die niet waren doorverkocht, en panden waarvan de oorlogskoper verdwenen was of zich voor een tribunaal moest verantwoorden. Deze nieuwe beheerders kregen bij de dossiers van de panden vaak ook belastingaanslagen als openstaande rekeningen, met name voor 1943 en 1944. Zoals in veel gemeenten in Nederland, zijn voor gemeente Vlissingen de belastingkohieren niet bewaard gebleven. Het kadaster geeft geen uitsluitsel over hoe men omging met openstaande belastingaanslagen. Ook NBI-dossiers zijn hierover niet altijd informatief. Veel dossiers laten vooral de zoektocht zien naar duidelijkheid rondom het lot van de onteigende, of de zoektocht naar overlevende erfgenamen en nabestaanden. Ook de wisseling van beheerders, en de correspondentie met hen, zorgde voor veel papierwerk. Het NBI sloot een dossier zodra de partijen een minnelijke schikking bereikten. Lang niet altijd zijn de details van zo’n schikking terug te lezen in het dossier. Bij de afhandeling van rechts­herstel door het NBI was de kans dat we sporen vonden van openstaande belastingschulden overigens wel aanwezig.

Betaalde of onbetaalde belastingaanslagen over 1943 en 1944 werden – vaak jaren later – meegenomen in de boekhoudkundige eindafrekening bij teruggaaf aan de oorspronkelijke eigenaar. Ze werden dus uiteindelijk door de ontrechte of zijn of haar nabestaanden betaald, maar zonder dat de gemeente deze oude aanslagen actief invorderde.

46

Dinsdag 5 september 1944, toen Nederlanders na de bevrijding van Antwerpen en Brussel een bevrijding van heel Nederland binnen enkele dagen verwachtten. Deze voorbarige feestvreugde had ook een duidelijk psychologisch effect op de bezetters en hun medeplichtigen

Noten 1

2

3

“Boasson familie”, Leiden4045.nl; Joods Monument, nr. 306801. ZA, 7102, inv.nr. 169, Politiemaatregelen t.o.v. Nederlanders, 1938-1947 ZA, 7166 Wederopbouw Gemeente Vlissingen, 1945-1955, inv. 50-53 Wederopbouw; inv. 29 Register met overzicht herbouwplichten, 1949-1952; inv. 56, Aanvragen om rijksgoedkeuring voor bouw of herstel woningen – alfabetisch op straatnaam – A/K, 1946-1948; inv. 57, Aanvragen om rijksgoedkeuring voor bouw of herstel woningen – alfabetisch op straatnaam – L/Z, 1946-1948; inv. 61, Vaststelling financiële bijdrage voor herstel schade – alfabetisch op persoonsnaam, 1954-1957; inv. 75 Lijsten met verwoeste, onteigende en gesloopte panden, 1947; inv 86. Lijst van herbouwde woningen, 1948-1955.

47

4 5

6 7

8 9

10

ZA, 7102, inv.nr. 169 ZA, 7454 Notulen gemeenteraad Vlissingen, jaar 1920, pg. 4; ZA, 7413 Fotocollectie Vlissingen, Afscheid dir. Gemeentewerken, C. Ouwehand, wegens het bereiken, na een 33-jarig dienstverband, van de pensioengerechtigde leeftijd, 13 juli 1953. ZA, toeg. 7102, inv. 169 Steutel, Meerman, De Hond, Braat en Zwemmer, Joods Vlissingen. ZA, toeg. 7102, inv. 169 Ad Tramper, “Marcus Peereboom, een Joodse eigenaar. De verkoop van het pand Singel 178 en de rol van de Gemeente Vlissingen bij de verkoop van panden van Joodse eigenaren tijdens en na de Tweede Wereldoorlog” (Middelburg/Vlissingen, 2021). ZA, 7102, inv.nr 169

48

6. Bejegening We wilden weten hoe gemeente Vlissingen tijdens en na de oorlog handelde, of niet handelde, tegenover haar Joodse inwoners. Daarom bestudeerden we onder andere de gemeenteraadsnotulen van 1940 tot en met 1950. Gemeenten Ritthem en Oost- en West-Souburg namen we niet systematisch mee. Deze toenmalige gemeenten waren klein, en de notulen zijn grotendeels met de hand geschreven en dus extra tijdrovend. Uit onderzoek naar andere kleine plattelandsgemeenten met weinig Joodse inwoners weten we dat de deportaties vooral een zaak waren van de bezetter en de Rijks- of gemeentepolitie. We kunnen dus beter zoeken in die archieven. Dat de notulen zwijgen over eventuele Joodse terugkeerders, zegt dan te weinig voor uitspraken over ‘bejegening’. Carel Albert van Woelderen was van 1919 tot 1943 burgemeester van Vlissingen. In eerste instantie wilde de Duitse bezetter niet dat hij zijn termijn tot zijn pensioen zou afmaken, die in 1943 afliep. Maar de Commissaris der Provincie was over hem te spreken en wilde dat hij aanbleef. Uiteindelijk werd Van Woelderen per juni 1943 ontslag verleend. Toen hij in november 1944 – na de bevrijding van Middelburg en Vlissingen – nog een halfjaar terugkeerde als burgemeester, kaartte hij zijn eerdere ontslag aan in Den Haag. Hij wilde, net als veel andere burgemeesters, dat zijn ontslag tijdens de oorlog werd omgezet naar ‘eervol’ ontslag.

Eervol ontslag voor 1943 werd hem toegekend in 1947.1 Begin mei 1943 werd Van Woelderen opgepakt door de Sicherheitsdienst (SD). Hij zou ‘betrokken zijn in eenige actie’. Kort daarop werd hij vrijgelaten. Na de oorlog werd duidelijk dat Van Woelderen actief was geweest bij de Ordedienst (OD) van het verzet.2 In 1944 moest hij zelfs onderduiken om arrestatie te voorkomen. Van Woelderen zei later, tijdens het zuiveringsonderzoek dat na de oorlog naar hem werd gedaan: ‘Ik heb gemeend dit voortdurend levensgevaarlijke illegale werk in het algemeen lang te moeten aanvaarden en heb in 1941 de organisatie dadelijk ter hand genomen. (...) Als Sous-Chef later Chef van den Inlichtingendienst van de Generale Staf (G.S.III) van 1914 tot 1919 dus als vertrouwensman van den opper­ bevelhebber van Land- en Zeemacht heb ik op dit gebied ervaring opgedaan en heb ik dus een voorzichtig beleid kunnen voorkomen, dat er in Zeeland arrestaties en executies hebben plaats gehad voor de O.D. zooals in andere provincies.’3 In zijn rol binnen het verzet kon hij dus voorkomen dat er repressailles volgden, omdat het verzet zich matigde. Maar in zijn rol als burgemeester kwam zijn verzetskant niet altijd duidelijk naar voren. Toen de bezetter antiJoodse maatregelen instelde, werkte hij die niet tegen. Dit zien we bij veel

49

Inlichtingendienst van de nazi's.

Grote illegale organisatie in Nederland tijdens de oorlog. In oktober 1944 ging de organisatie op in de Binnenlandse Strijdkrachten.

burgemeesters: zij hadden een moeilijke afweging te maken in hoeverre zij konden – en wilden – meebewegen. In maart 1942 verlieten de meeste Joodse inwoners Vlissingen onder dwang om naar Amsterdam te verhuizen (of onder te duiken). Gemengd gehuwde gezinnen mochten in eerste instantie nog blijven. Van Woelderen stuurde deze gemengd gehuwde Joodse inwoners persoonlijk een brief dat zij per juni 1943 de provincie moesten verlaten.4 In beide gevallen begeleidde de Vlissingse gemeentepolitie de ontruiming van de woningen. De SD haalde de inboedel op, de politie noteerde en ondertekende alles. Tijdens de oorlog kwam Joods vastgoed niet ter sprake in notulen of in correspondentie van gemeente Vlissingen. Behalve in dossiers van de gemeentepolitie over verhuurde huizen van Joodse inwoners en hun inboedel. In november 1943 werd Van Woelderen opgevolgd door NSB’er Pieter Cornelis Callenfels. Hij was in 1933 lid geworden van de NSB en zei zelf, toen hij na de bevrijding voor een tribunaal moest verschijnen, dat hij tot het einde NSB-lid was gebleven. ‘Ik meende voor mij een oplossing te zien in de Nationaal-Socialistische partijen, die dan later tot een Internationale zouden komen.

Des te meer daar ik tijdens mijn verblijf in Duitschland zag, dat alles daar onder het bewind van de SociaalDemocraten spaak liep.’5 In een brochure van de NSB, over leden die een goede positie zouden kunnen krijgen, staat over Callenfels dat hij ‘een representabele figuur (is) met grote algemene ontwikkeling’. Hij zou graag burgemeester worden van een grote havenplaats, waarvoor hij geschikt zou zijn vanwege zijn loopbaan bij de marine.6 Tijdens zijn eerste toespraak, tijdens de vergadering van de gemeenteraad op 29 oktober 1943, kwam Callenfels enthousiasme dan ook naar voren: ‘Spr. was de Overheid en den Leider dankbaar, omdat hij hier de gelegenheid kreeg zich in te zetten voor den wederopbouw van ons Vaderland en het zijne bij te dragen in het grootsche bouwwerk van den Führer: het nieuwe Europa. Het is sprekers rotsvaste overtuiging dat dit gebaseerd zal zijn op onderlinge samenwerking van vrije volken, onder voorwaarde dat ook het Ned. volk waarachtig nationaal en sociaal leert denken en voelen.’7 Callenfels was maar een jaar burgemeester van Vlissingen. En voordat hij werd aangesteld, waren de meeste Joodse inwoners al vertrokken.

Hij zette in november 1943 nog wel zijn handtekening onder een document waaruit bleek dat gemeente Vlissingen geen kosten had gemaakt voor de transporten van Joodse inwoners.8 In oktober 1944 verzocht de Commissaris der Provincie Callenfels te vertrekken, omdat hij anders zou worden gearresteerd. Hierop verliet hij

50

Vlissingen en werd hij burgemeester van Woerden. Over zijn tijd in Vlissingen zei hij, in het proces-verbaal dat onderdeel was van naoorlogs onderzoek naar hem: ‘Tot de capitulatie heb ik een radiotoestel in bezit gehad, met vergunning van den Rijkscommissaris. Onderduikers heb ik nooit verraden, noch heb ik goederen van hen of van joden onder mijn berusting gehad.’9 Callenfels werd van verschillende zaken beschuldigd, waaronder lidmaatschap van de NSB. Als waarnemend burgemeester van Souburg zou hij 24 fietsen hebben gevorderd voor de Duitse bezetter. Ook zou hij ambtenaren die hun opdrachten niet snel of goed genoeg uitvoerden, hebben gemeld bij de SD of Feldgendarmerie. Verder zou Callenfels mannen hebben aangewezen voor spitwerkzaamheden voor de Arbeitseinsatz. Uiteindelijk kreeg Callenfels 2 jaar en 6 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Eigenlijk was een jaar meer geëist. Kortom, Vlissingen had in de oorlog een ‘oude’ burgemeester die bij het verzet betrokken was. Maar als oorlogsburgemeester probeerde hij rust te bewaren en represailles van de bezetter in zijn gemeente te voorkomen. Zijn opvolger was een overtuigde nationaalsocialist, maar als burgemeester vooral op orde en rust gericht. In de Jodenvervolging in Vlissingen speelden de burgemeesters en de gemeente geen rol van betekenis.

51

Noten 1 2 3 4 5

CABR, Carel Albert van Woelderen CABR, Carel Albert van Woelderen CABR, Carel Albert van Woelderen ZA, 7102, inv.nr. 169 CABR, Pieter Cornelis Callenfels

52

6 7

8 9

CABR, Pieter Cornelis Callenfels ZA, toeg. 7102, inv. 4126, burgemeester, 1937‑1950 ZA, toeg. 7102, inv. 169. CABR, Pieter Cornelis Callenfels

7. Bijlagen Tabel 1: Onteigening en rechts­herstel Vlissingen Adres

Bron

Kadastraal nr. leggerartikel

Eigenaar

Oorlogskoper

Rechtsherstel

Abeelsche Zandweg 32-42 (Oost-Souburg)

VB

E 1010 / 3652 (Koudekerke)

Emma Boasson-Cohen

Jacobus Cornelis Dekker (1943)

1948

Achter de Kerk 13

Overig

E 491 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Badhuisstraat 55

VB

A 1391 / 5689

Theresa Clara Leonora Harts-van Raalte

Cornelis Voerman (1943)

1951

Bellamypark 4

Overig

D 1154 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Bellamypark 6

Overig

D 312 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Beursstraat 12

Overig

E 780 / 8191

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Beursstraat 9

Overig

E 788 / 8191

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Gravestraat 2a, Zeilmarkt 1a

Overig

D 1632 / 7172

Firma “Au Bon Marché”: Firmanten Kaatje Vles en Helene Emmy van Leeuwen

n.v.t.

n.v.t.

Gravestraat 39-41 en Paardenstraat 25

Overig

D 884 / 1894

Nederlands Israëlitische Gemeente

n.v.t.

n.v.t.

Houtkade 14

Overig

D 1975 / 2497

Diederik Lodewijk Hendrik van Raalte

n.v.t.

n.v.t.

Kasteelstraat 11

Overig

A 1386 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Koestraat

Overig

E 1531, E 1494, E 1495, E 1532 / 8171

David Cracau

Jurrianus Hendrik Snijders (1944)

1947

Koestraat 6

Overig

E 623 / 8171

David Cracau

Jurrianus Hendrik Snijders (1944)

1947

Koestraat 63-65

VB

E 648 / 8171

David Cracau

Jurrianus Hendrik Snijders (1944)

1947

Koopmansvoetpad 2 (Oost-Souburg)

VB

B 1137 / 4850

Diederik Lodewijk Hendrik van Raalte

Marinus van der Lee (1943)

1948

Koudekerkseweg 104

Overig

A 2095 / 4850

Diederik Lodewijk Hendrik van Raalte

n.v.t.

n.v.t.

53

Adres

Bron

Kadastraal nr. leggerartikel

Eigenaar

Oorlogskoper

Rechtsherstel

Koudenhoek 2

Overig

D 190 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Kromme Elleboog 2

Overig

E 1258 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Lange Zelke 33

Overig

E 1270 / 7837

Janna Margaretha van Raalte-Maren Bentz van den Berg, Lodewijk Eduard Martinus van Raalte

n.v.t.

n.v.t.

Lepelstraat 5

Overig

E 1170 / 8258

N.V. v/h Bouman-Noach

n.v.t.

n.v.t.

Lepelstraat 7

Overig

E 1971 / 8258

N.V. v/h Bouman-Noach

n.v.t.

n.v.t.

Molenstraat 44

VB

E 518 / 6139

Engelina Cracau-Frank

Jurrianus Hendrik Snijders (1944)

1954

Nieuwstraat 7

Overig

E 1980 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Noordstraat

Overig

E 811 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Noordstraat 12

Overig

E 848 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Noordstraat 73

Overig

E 3 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Paardenmarkt 10

VB

E 1994 / 6139

Engelina Cracau-Frank

Jurrianus Hendrik Snijders (1944)

1947

Prinsenstraat 26

Overig

D 1575 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Prinsenstraat 28

Overig

D 1574 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Singelweg 178

VB

A 4011 / 8304

Marcus Peereboom

Marius Johannes Corveleijn (1944)

1950

Singelweg 40

Overig

A 3588 / 8388

Jacob Bouman

n.v.t.

n.v.t.

Slijkstraat 11

Overig

E 668 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Vlamingstraat 20

Overig

D 942 / 5727

Ruben Hiegenlich

n.v.t.

n.v.t.

Vrouwestraat 15

Overig

E 2153 / 7837

Janna Margaretha van Raalte-Maren Bentz van den Berg, Lodewijk Eduard Martinus van Raalte

n.v.t.

n.v.t.

Vrouwestraat 17

Overig

E 1674 / 7837

Janna Margaretha van Raalte-Maren Bentz van den Berg, Lodewijk Eduard Martinus van Raalte

n.v.t.

n.v.t.

54

Adres

Bron

Kadastraal nr. leggerartikel

Eigenaar

Oorlogskoper

Rechtsherstel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14918857/1