CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB Onderzoek omgang met onteigend Joods vastgoed bijlage Onderzoeksrapport

Informatiebijeenkomst 6 december 2024, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken20.001 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

JOODSE BURGERS IN VLISSINGEN: ONTEIGENING EN RECHTS­HERSTEL Onderzoek in opdracht van gemeente Vlissingen

Xia van Beuningen MA Charlotte Dommerholt MA Lieke Speerstra MA Prof. dr. Wim van Meurs Dr. Marieke Oprel Nijmegen, september 2024

Joodse burgers in Vlissingen: onteigening en rechtsherstel Onderzoek in opdracht van gemeente Vlissingen

Dit onderzoek is uitgevoerd door Advies & Actualiteit, een onderzoeksteam dat zich bezighoudt met actuele vraagstukken van maatschappelijke en (semi)overheidsorganisaties. Het team is verbonden aan de expertisegroep Politieke Geschiedenis van de Radboud Universiteit. Projectleiders: Wim van Meurs, Marieke Oprel Onderzoekers: Xia van Beuningen, Charlotte Dommerholt, Lieke Speerstra Redactie: Susanne Geuze Vormgeving: Joyce Dekker Bij voorkeur citeren als: Xia van Beuningen, Charlotte Dommerholt, Lieke Speerstra, Wim van Meurs, Marieke Oprel, ‘Joodse burgers in Vlissingen: onteigening en rechtsherstel’ (Nijmegen: Radboud Universiteit, Advies & Actualiteit, september 2024). Het auteursrecht van deze publicatie berust bij de opdrachtgever: gemeente Vlissingen Afbeelding omslag Oorlogsschade aan de Badhuisstraat. © Zeeuws Archief, Fotocollectie Vlissingen, nr. 10246

4

Inhoudsopgave 1.

Inleiding Over dit onderzoek Oorlogsverleden en Jodenvervolging Dankwoord Het onderzoeksteam

2.

Opdracht en conclusies Drie hoofdvragen Conclusies over de onteigeningen Conclusies over het rechts­herstel Conclusies over de bejegening Vervolg

3.

Verantwoording Woordkeuze Gebruikte archieven Onze methode

4.

Onteigeningen Registratie, onteigening en roof De Verkaufsbücher

5.

Rechts­herstel

7 9 10 14 15 17 17 18 18 18 20 23 23 25 28 35 37 37

Kadaster  Na de bevrijding Gemeentebelastingen Teruggaaf van wooneigendom en belastingheffing

41 42 44 45 48

6.

Bejegening

49

7.

Bijlagen

53 53 56 59 61

Tabel 1: Onteigening en rechts­herstel Vlissingen Literatuur Archieven Websites en kranten

5

6

1. Inleiding Ruben Hiegenlich woonde met zijn gezin aan het Bellamypark, op nummer 4. Vanaf 1926 runde hij samen met zijn vrouw Serlina een meubelzaak op nummer 6. In 1937 nam hun zoon David het bedrijf over. In Vlissingen was Ruben Hiegenlich een bekend gezicht. Zo vertegenwoordigde hij de Joodse gemeente binnen de Vlissingse Armenraad en zette hij zich in voor goede doelen.1 In 1942 moest de familie Hiegenlich verplicht verhuizen naar Amsterdam. Het was toen al twee jaar oorlog. Hun woning en winkelpand werden in beheer genomen door de Duitse bezetter. Het gezin dacht erover om onder te duiken, maar verhuisde uiteindelijk toch naar de hoofdstad. Op 20 juni 1943 vond een grote razzia plaats in de Amsterdamse Transvaalbuurt, een van de Joodse wijken van de stad. Ook Ruben Hiegenlich en zijn familie werden opgepakt en naar Westerbork gevoerd. Van hieruit werden Ruben en Serlina gedeporteerd naar concentratiekamp Sobibor, waar ze op 16 juli 1943 bij aankomst werden vermoord.2 De panden aan het Bellamypark bleven tijdens de oorlog onverkocht. Na de oorlog stelde het Nederlands Beheersinstituut (NBI) notaris Verhagen aan als beheerder. In 1948 werden de panden verkocht: Vroom & Dreesmann Middelburg kocht het woonhuis, en de gebroeders Van den Berg kochten het winkelpand. Voor Bellamypark 4 zijn struikelstenen geplaatst om de familie Hiegenlich te gedenken.

Ook hun zoons kwamen om het leven: David, zijn echtgenote en dochtertje werden vermoord in Auschwitz. Simon werd vermoord in concentratiekamp Seibersdorf, bij Wenen. Meer dan honderdduizend Nederlandse Joden werden door het naziregime gedeporteerd tijdens de bezetting. Via Kamp Westerbork werden deze mensen afgevoerd naar de concentratiekampen van Auschwitz en Sobibor. Slechts weinigen van hen overleefden de Holocaust. Vaak al voor deportatie werden hun bezit­tingen geroofd: van kunstwerken, hypotheken en effecten­ portefeuilles tot woning­inboedels, landbezit en vastgoed. Vele duizenden panden van Joodse eigenaren werden onteigend en een deel daarvan werd doorverkocht. De meeste Joodse burgers uit Vlissingen werden gedeporteerd. Hun huurwoningen werden ont­ruimd, hun woningbezit werd geroofd en hun inboedels werden in beslag genomen. Paardenmarkt 10 was eigendom van Engeltje Frank. Ze trouwde met Victor Cracau en kreeg met hem acht kinderen, maar Victor overleed in 1919 al op 47-jarige leeftijd. Na het overlijden van haar echtgenoot zette Engeltje zijn bedrijf voort: een handel in lompen, metaal, touwwerk en konijnenen hazenvellen.

7

Het NBI was van 1945 tot 1967 belast met het opsporen, beheren en eventueel liquideren van vijandelijke vermogens en de vermogens van land­ verraders, maar ook van gedeporteerde of onder­ gedoken Joden. Het NBI kenden talrijke regionale vertegenwoordigingen en zelfs een aantal kantoren wereldwijd. Struikelstenen of ‘Stolper­ steine’ zijn gedenktekens in het trottoir, voor het laatste woonhuis van gedeporteerde Joden. Ze worden sinds 1992 in heel Europa geplaatst.

Hun zoon David, die koopman was, bezat ook een aantal panden in Vlissingen. David en vier andere kinden overleefden de oorlog niet. Ook Engeltje Cracau-Frank werd in oktober 1943 vermoord in Auschwitz, ze was toen 65 jaar.3 In 1944 verkocht de bezetter de stallen met slachtplaats aan de Paarden­ markt 10, aan Jurrianus Hendrik Snijders. De panden en omliggende gebouwen hadden veel oorlogsschade en werden daarom in 1944 en 1945 gesloopt. In 1947 vond rechts­herstel plaats voor het perceel. Vervolgens onteigende gemeente Vlissingen de grond vanwege de wederopbouw. De nabestaanden van Engeltje Cracau-Frank kregen een inschrijving in het Grootboek van Wederopbouw. Over deze inschrijvingen later meer. Joodse burgers die de kampen overleefd hadden of na de bevrijding hun onderduikadres konden verlaten, keerden vaak terug naar hun vroegere woonplaats. Bij terugkeer moesten zij of, in veel meer gevallen, hun overlevende familie­leden en nabestaanden, vaststellen dat veel panden door de bezetter doorverkocht waren of in ieder geval nieuwe bewoners hadden. De teruggaaf van Joodse eigendommen werd geregeld door de Raad voor het Rechts­herstel in Den Haag. In principe werden de onteigeningen en de oorlogskopen nietig verklaard. Daarvoor moest de ontrechte Joodse burger wel een verzoek om teruggaaf indienen.

De oude-nieuwe eigenaar kreeg dan vaak te maken met onverwachte kosten: belastingen of erfpacht over de jaren van zijn ‘afwezigheid’. Reconstructies laten zien dat berooide Joodse eigenaren hun vast­goed soms direct weer moesten verkopen om deze rekeningen te kunnen voldoen. In veel gevallen was het een moeizaam en lang proces om aan de vereisten van het rechts­herstel te voldoen en met de nieuwe eigenaar tot een ‘minnelijke schikking’ te komen. De onteigenden (of hun nabestaanden) konden vaak pas jaren later weer over hun huis beschikken. Dat gold ook voor de nabestaanden van Ruben Hiegenlich en Engeltje Cracau-Frank. In het Nederlandse verhaal over de oorlog werden de antisemitische maat­ regelen, deportaties van Joden en onteigeningen van hun vastgoed vooral geassocieerd met de nazi’s en hun bezettingsregime. Pas sinds het einde van de 20e eeuw zijn ze stap voor stap deel geworden van de eigen geschiedenis, als zwarte bladzijde van onrecht en ontrechting. Afgelopen jaren werd ook steeds nadrukkelijker de vraag gesteld, welke al dan niet verwijtbare rol Nederlandse gemeenten gespeeld hebben bij de onteigeningen en bij het rechts­herstel. Nabestaanden, Joodse organisaties, onderzoeksjournalisten en historische verenigingen agendeerden dit thema in de gemeentepolitiek. De uitgangssituatie en bestuurlijke keuzes tijdens de bezetting en bevrijding verschilden per stad.

Daarom is systematisch archiefonderzoek nodig om de historische feiten te reconstrueren. Met de grote steden in de Randstad voorop hebben inmiddels tientallen steden deskundige historici opdracht gegeven om de rol van hun gemeente in beeld te brengen.4

8

Ook toenmalige gemeenten Ritthem en Oost- en West-Souburg, die tegenwoordig deel uit­maken van gemeente Vlissingen, zijn opgenomen in dit onderzoek. Alleen in Oost-Souburg troffen we een paar panden aan. In deze gemeente woonde één Joods gezin. In Ritthem troffen we geen Joodse inwoners of Joods vastgoed aan.

Over dit onderzoek Historisch geïnteresseerden en betrokkenen in Vlissingen doen al jaren onderzoek naar gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog. Zo proberen zij de slachtoffers van de bezetting en de Jodenvervolging een gezicht en een levensverhaal (terug) te geven en het onrecht tastbaar te maken. Ons onderzoek is nadrukkelijk geen poging om dit omvangrijke en gedetailleerde werk over te doen of te controleren. We zijn ons er bovendien van bewust dat vormen van ontrechting en onrecht in dit onderzoek buiten beschouwing moeten blijven. Vormen die niet gaan over onteigening van Joods vastgoed. We beseffen ook dat het proces van rechts­herstel, met al zijn tekortkomingen, veelomvattender was dan de vragen die wij beantwoorden. Ons onderzoek had een korte looptijd en bestond uit gerichte vragen naar de rol van gemeente Vlissingen in onteigening en rechtsherstel. Deze opdracht was in die zin beperkt. De meerwaarde van deze opdracht ligt juist in de systematische methodiek en transparante keuzes van het archiefonderzoek. In 2021, 2022 en 2023 voerden we in Gelderland, Overijssel, Noord-Holland en Zuid-Holland nog zo’n twintig soortgelijke onderzoeksprojecten uit voor ca. veertig gemeenten. Deze serie projecten maakt het mogelijk om onze metho­ diek en de keuze van archiefbronnen verder te verbeteren.

De inzichten die we vergaren, kunnen we in een breder perspectief plaatsen, zonder daarbij de eigen­heid van de oorlogsgeschiedenis van elke gemeente uit het oog te verliezen. In onze onderzoeksopdracht is het geen doel op zich om een volledige reconstructie te maken voor individuele ontrechte personen en onteigende panden. We hebben het dossier van een aanzienlijk aantal personen en panden gereconstrueerd. Deze dossiers hebben we niet in verhalende of gestandaardiseerde vorm opgenomen in het rapport. Aan de hand van representatieve voorbeelden laten we zien hoe de procedures van onteigening en rechts­herstel werkten. We laten met voorbeelden ook zien welke informatie en ingangen de archieven bieden voor de vragen van de gemeente.

Oordelen toen en nu De historische reconstructie en analyse van het bestuurlijke (niet) handelen tijdens de bezetting en na de bevrijding staan los van een moreel oordeel. Vanuit ons huidige perspectief driekwart eeuw later moeten we voorzichtig zijn met zo’n oordeel. In enkele gevallen biedt het historische bronmateriaal aanknopingspunten dat werd gehandeld in strijd met maatschappelijke verwachtingen of bestuurlijke normen van die tijd. De onderzoeksopdracht naar ontrechting en rechts­herstel is de opmaat voor een moreel oordeel over het handelen van de gemeente. Tegelijk is het noodzakelijk om historische gebeurtenissen in hun context te plaatsen. Beide uitersten bieden geen soelaas. Alleen uitgaan van de destijds geldende regels zou in lijn zijn met de ‘kille, formalistische’ aanpak bij het naoorlogse rechts­ herstel. Juist op die aanpak is nu van alle kanten kritiek.

9

Tegelijkertijd moeten we ons ervan bewust zijn dat normen en verwach­ tingen tijdgebonden zijn. Elke generatie stelt weer andere vragen aan de geschiedenis. Het zou te ver gaan om zomaar vanuit het heden te oordelen over hoe mensen in een andere tijd handelden, terwijl hun omstandigheden en beperkingen ons (gelukkig) vreemd zijn. Dit rapport omvat na deze inleiding en een samenvatting (hoofdstuk 1 en 2) nog vier hoofdstukken. Het derde hoofdstuk presenteert de verantwoording van de door ons gekozen onderzoeksmethodiek en archiefkeuzes bij de onderzoeks­opdracht. In de beide daaropvolgende hoofdstukken worden de process­en van onteigening en rechts­herstel en de rol van de gemeente daarin gereconstrueerd aan de hand van het archiefmateriaal. De bijlagen (hoofdstuk 7) bieden in tabelvorm een overzicht van onteigening en rechts­herstel. Ook geven ze een overzicht van geraadpleegde literatuur en gebruikte archiefcollecties.

Oorlogsverleden en Jodenvervolging De Tweede Wereldoorlog houdt veel mensen in Nederland nog altijd bezig. Hoe gaan we om met dit verleden van oorlog, bezetting, Jodenvervolging, collaboratie en verzet? Die vraag speelt nog net zozeer een rol als in de periode vlak na de bevrijding. In die driekwart eeuw zijn de vragen en inzichten in de wetenschappelijke literatuur sterk veranderd. Ook in de maatschappij kijken mensen nu anders naar de bezetting en de Jodenvervolging, en naar de rol van Nederlandse overheden daarin. Achteraf bezien heeft de overheid een belangrijke rol gespeeld in de omgang met dit verleden. Met name door hoe ze direct na de oorlog rechts­herstel en zuiveringen organiseerde, maar ook door de besluiten tot compensatie­betalingen aan de Joodse gemeenschap een halve eeuw later. Door ons in die tijd en haar denkkaders te verplaatsen, kunnen we begrijpen waarom deze politieke en juridische keuzes zo gemaakt werden. Zo wordt de omgang met het verleden ook zelf weer geschiedenis. Ook nu is het rechts­ herstel nog geen afgesloten hoofdstuk. En ook ons beeld van bezetting en Jodenvervolging blijft zich ontwikkelen.

Nederland en de buurlanden Als je Nederland vergelijkt met andere Noordwest-Europese landen die bezet waren geweest door nazi-Duitsland, vallen een paar dingen op. De Nederlandse overheid liet zich sterk leiden door de prioriteit van het herstel van de eigendomsverhoudingen en het normaliseren van het economische verkeer. En dat terwijl de geschiedschrijving over de oorlog zo sterk en zo lang werd gekleurd door een goed/foutperspectief. Voor ons moeilijk voorstelbaar, maar de Jodenvervolging kreeg in Nederland pas in de jaren zestig haar centrale plaats in de herinnering aan de oorlogstijd, net als in de buurlanden.

10

Aan het eind van de vorige eeuw kwam moeizaam een debat op gang over nationale schuld (naast slachtofferschap). Ook wat dat betreft liep Nederland Europees gezien in de pas. In de publieke herinnering kwam steeds meer de nadruk te liggen op verant­woordelijkheid, verwerken en compensatie of excuses voor het (niet) handelen van overheidsinstellingen tijdens de bezetting. Vlak na de oorlog was het bestuurlijke en juridische proces van rechts­ herstel deel van de omgang met het recente verleden. Inmiddels is dat rechts­ herstel zélf onderwerp geworden van een kritische beoordeling. Ook dit is niet typisch Nederlands. We zien het ook gebeuren in Frankrijk, België en de Scandinavische landen.

Goed en fout Direct na de bevrijding streden verschillende uitdagingen om voorrang: wederopbouw en economisch herstel, bestraffing van landverraders en collaborateurs en rechts­herstel voor slachtoffers en ontrechten. De Nederlandse regering in ballingschap in Londen had zich voorgenomen om ‘snel, streng en rechtvaardig’ om te gaan met landgenoten die ‘fout’ waren geweest in oorlog en bezetting. Niet minder dan 150.000 mensen moesten zich voor regionale tribunalen verantwoorden. Onder hen waren politieagenten en NSB’ers, maar ook veel bestuurders die op hun post waren gebleven. Een klein aantal kopstukken werd streng gestraft, waaronder Anton Mussert en Hanns Albin Rauter. Zij werden als oorlogsmisdadigers gefusilleerd. In de praktijk verschoof de aandacht al snel naar maatschappelijk en economisch herstel. Straffen werden milder en het vroegere verzet kreeg steeds minder zeggenschap in de bestraffing van daders.5

Tijdelijke rechtbanken voor de bijzondere rechts­ pleging na de bevrijding. Regionale tribunalen bestonden uit een jurist en twee gerespecteerde personen uit de regio. De nationale overheid moest hun oordeel goedkeuren.

Met deze tribunalen was wel de toon gezet. Men zag in het verleden een duidelijke tegenstelling tussen goed en fout, sterk gekoppeld aan de houding ten opzichte van het vaderland. Zeker in de eerste jaren na de bevrijding werd de beeldvorming over de bezettingstijd gedomineerd door verhalen over verzetsdaden en de vaderlands- en Oranjeliefde van de gewone Nederlander. Alleen een kleine groep NSB’ers, landverraders en opportunisten zou het naziregime hebben gesteund. Uit deze tijd stamt ook het Monument van de Joodse Erkentelijkheid voor de Amsterdammers die de Joodse bevolking hadden geholpen. Het feit dat in geen West-Europees land proportioneel zo weinig Joodse burgers de bezetting overleefd hadden als in Nederland, bleef zo op de achtergrond.6 Over een bijzonder slachtofferschap van de Joodse bevolking werd nauwelijks gesproken, ondanks de beelden en berichten van de bevrijding van Auschwitz en andere concentratiekampen.

Rauter was de hoogste vertegen­woordiger van de SS in Neder­land. Hij was medeverant­woordelijk voor de deportatie van de Neder­landse Joden.

Na de bevrijding Eenmaal in Den Haag teruggekeerd, organiseerde de Nederlandse regering (ook op basis van Londense plannen) de teruggaaf van bezit dat door de bezetter en anderen onrechtmatig was toegeëigend. Ook moesten eigendoms­ rechten worden hersteld. Om dit proces in goede banen te leiden, werd al in augustus 1945 de Raad voor het Rechts­herstel opgericht. Daarbij hoorde ook

11

De NationaalSocialistische Beweging in Neder­land werd in 1931 opgericht door Anton Mussert. De NSB won bij de Provinciale Staten­verkiezingen 1935 bijna 8 procent van de stemmen.

het NBI. Dat beheerde, in afwachting van definitieve regelingen, het bezit van zowel Duitse instellingen, landverraders en collaborateurs als van de ontrechten en vermisten uit de bezettingstijd. Uitgangspunt was dat de bezitsverhoudingen van vóór de onteigeningen hersteld moesten worden. De Nederlandse staat nam daarin een bemiddelende en afstandelijke positie in. Men wilde zo snel mogelijk terugkeren naar een ongehinderd economisch leven, zonder slepende eigendomsconflicten. Om ontwrichting van de wederopbouw te voorkomen, koos men voor verdelende in plaats van herstellende gerechtigheid. Dat betekende dat de ontrechten net zomin bevoordeeld mochten worden bij het rechts­herstel als de oorlogskopers benadeeld mochten worden. Rechts­herstel werd gezien als een eenmalige en vooral boekhoudkundige handeling: de onrechtmatige onteigeningen en eventuele doorverkoop werden ongedaan gemaakt, maar de gevolgen ervan bleven voor rekening van de oorspronkelijke eigenaar. Het is veelzeggend dat Joodse vertegenwoordigers geen stem kregen in de Raad. Rechts­herstel en teruggaaf betekenden meestal een minnelijke schikking tussen onteigende en oorlogskoper. Daarbij woog de ongunstige onder­­handelings­ positie van de een net zo weinig mee als de vraag of de ander schuldig was. De meeste Joodse burgers keerden immers berooid terug.

En vrijwel elke koper wist (of had kunnen weten) dat ‘zijn’ vastgoed uit Joods bezit stamde.7

Jodenvervolging en collectieve schuld In de jaren zestig kreeg de Holocaust een centrale plaats in de oorlogs­ herinnering. Concentratiekampen werden toen ingericht als herdenkings­ centra. Deze perspectiefwisseling begon in de Bondsrepubliek Duitsland, vanuit een besef van nationale, collectieve schuld. In heel Europa verschoof de aandacht van de veldslagen, verzetshelden en oorlogsmisdadigers naar de slachtoffers. Het ging ook niet meer over de natie, maar over individuele burgers. Egodocumenten en historisch onderzoek gaven de Jodenvervolging en het bijzondere slachtofferschap van Joodse burgers door de vernietigings­ kampen een centrale plaats in de collectieve herinnering. Net als in andere landen groeide in Nederland het besef dat verwerking van de trauma’s van oorlog, vervolging en bezetting veel tijd zou vergen. Voor het eerst werd er ook gesproken over tweede- en derde-generatie slachtoffers. De Raad voor het Rechts­herstel werd pas in 1967 gesloten, en niet begin jaren vijftig zoals oorspronkelijk het plan was. Deze perspectiefwisseling ontstond doordat de langetermijngevolgen van de bezetting zichtbaar werden, maar ook doordat Nederlanders nieuwe verwachtingen kregen van de overheid.

De minimale opvatting van rechts­ herstel als teruggaaf van eigendom paste goed bij de beperkte bestaans­ garanties en verzorgingsplicht als taakopvatting van de overheid in de eerste naoorlogse jaren. Door de uitbreiding van de verzorgingsstaat veranderde dat. De overheid zag het steeds meer als haar taak om slachtoffers en ontrechten naar vermogen te compenseren.

12

Excuses voor het rechts­herstel Eind jaren negentig liet de Nederlandse regering onderzoek doen naar het naoorlogse rechts­herstel. Dat gebeurde na internationale onthullingen over bijvoorbeeld roofkunst en Joodse tegoeden bij Zwitserse bankhuizen. Moge­ lijker­wijs hebben zelfs de verwerking van het communistische verleden in Oost-Europa en de omgang met de apartheid in Zuid-Afrika een rol gespeeld bij dit besluit. Op basis van de resultaten van verschillende Nederlandse commissie­ rapporten besloot het kabinet verontschuldigingen aan te bieden aan de Joodse slachtoffers en hun nabestaanden. De Joodse gemeenschap kreeg een financiële tegemoetkoming. De Nederlandse regering noemde deze stappen samen ‘finaal recht’. Toch besloot de gemeenteraad van Amsterdam in 2013 op basis van nieuw lokaal onderzoek om zijn verant­woordelijkheid te nemen. Uit het onderzoek bleek namelijk dat gemeente Amsterdam in de oorlog zelf onteigend Joods vastgoed had aangekocht. En dat de gemeente na de bevrijding gemeente­ belastingen en erfpachtcanon had geheven over de bezettingsjaren. In de jaren daarna volgde soortgelijk onderzoek in Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

Het verleden opnieuw gewogen Ook het wetenschappelijk onderzoek veranderde. Naast het bekende politieke en militaire verhaal van de Tweede Wereldoorlog op nationaal en internationaal niveau, ontstond meer aandacht voor de dagelijkse ervaring van burgers en bestuurders tijdens de bezetting op regionaal en lokaal niveau. Juist daar werd duidelijk dat morele labels van goed en fout, zoals ‘collaboratie’ en ‘verzet’, slechts een klein deel van de historische werkelijkheid dekten. Het dilemma van de ‘burgemeester in oorlogstijd’ is hiervan slechts één voorbeeld. Deze nuancering van schuldvragen en meer oog voor dwang en keuzevrijheid droegen ertoe bij dat de medeverant­woordelijkheid van Nederlandse instanties opnieuw werd gewogen. Van het regeringsbeleid en de politie tot de NS of de Heidemij, maar ook van gemeentelijke overheden.8 Kortom, onze omgang met het oorlogsverleden is door de tijd sterk veranderd. Overheidsbeleid, publiek debat en wetenschappelijk onderzoek gaven elkaar daarbij steeds impulsen. In de eerste twee decennia na de oorlog gaf een nationaal gekleurd perspectief van goed en fout houvast in het verlangen naar normaliteit. Het resultaat was achteraf bezien eerder verdringing dan verwerking van de gebeurtenissen.

Ook formele procedures en regels boden houvast in onzekere tijden, met een – in de ogen van Nederlanders in de 21e eeuw – hardvochtige beleidsuitvoering tot gevolg. Vanaf de jaren zestig kreeg de Holocaust de publieke en emotionele betekenis die voor Nederlanders van nu vanzelfsprekend is. Herbezinning op de (eigen) schuldvraag duurde in Nederland net als in andere bezette landen tientallen jaren, vanuit het gevestigde verhaal van verzet en eigen slachtofferschap. Onlangs heeft dat in de wetenschappelijke literatuur geleid tot een nuancering en contextualisering van schuldvragen. In het publieke debat leidde het juist tot een nadruk op morele schuldvragen.

13

De zogenaamde Maror‑gelden (Morele Aan­sprakelijk­heid Roof en Rechts­herstel) van de nationale overheid voor de tekortkomingen van het naoorlogs rechts­ herstel. Ook banken, verzekeraars en het beurswezen droegen bij aan dit fonds.

De keuze tussen twee kwaden: medeplichtig worden door steeds verder­gaande collaboratie, of ontslag riskeren en vervanging door een NSBburgemeester.

Dankwoord Wij bedanken onze opdrachtgever, burgemeester Bas van den Tillaar, voor zijn vertrouwen in ons team. Daarnaast willen we Coen Nieuwenhuyzen van gemeente Vlissingen bedanken voor het prettige contact tijdens de uitvoering van de opdracht. Ook danken we Ad Tramper, archivaris bij het Zeeuws Archief voor zijn kennis en hulp. Hij voerde eveneens het onderzoek naar Singel 178 uit, wat een vooronderzoek vormde voor ons onderzoek. Tot slot bedanken we de andere medewerkers van het Zeeuws Archief die ons ondersteunden tijdens het onderzoek. Door de coronacrisis kon archiefonderzoek voor de verschillende gemeenten pas in september 2021 echt beginnen. Dat bleek een voordeel; meer dan een dozijn historici en archivarissen zijn ons met een soortgelijke opdracht van andere gemeenten voorgegaan. We bedanken hen voor hun bereidheid om eigen ervaringen met ons te delen, onder andere tijdens de Nijmeegse en Groningse online-workshops op 23 juni en 9 december 2021. Bijzondere dank zijn we verschuldigd aan Maarten Duijvendak, Herman de Koning, Hinke Piersma, Wouter Veraart en Maarten-Jan Vos. De verant­woordelijkheid voor de gekozen opzet en uitvoering ligt vanzelfsprekend volledig bij de auteurs. Dankzij de inzichten van collega’s en hun archief-technische adviezen konden wij weloverwogen keuzes maken.

Zo kreeg de vergelijking als methode bij ons een centralere plaats dan in eerdere studies. Ook gaven we bewust een prominente plaats aan een reconstructie van de beleidsvorming en -uitvoering door de gemeente. Dit onderzoek is uitgevoerd aan de Radboud Universiteit, in het Radboud Institute for Culture & History (RICH), door de denktank Advies & Actualiteit van de expertisegroep Politieke Geschiedenis. Onze dank geldt niet in de laatste plaats het vaste team van Susanne Geuze, Ingrid van der Vlis en Joyce Dekker, die de eindredactie en vormgeving van deze schriftelijke presentatie van de onderzoeksresultaten verzorgden. Junior onderzoekers Xia van Beuningen en Lieke Speerstra voerden dit onder­ zoek uit. Junior onderzoeker Charlotte Dommerholt schreef de rapportage. Advies & Actualiteit slaat een brug tussen academische geschiedschrijving en maatschappelijke vraagstukken. Met andere woorden: tussen wetenschap en toegepast onderzoek. We bouwen en vertrouwen daarbij op de onderzoeks­ ervaring van gepromoveerde stafleden, maar net zo goed op het talent en de inzet van jonge afgestudeerden. Xia van Beuningen Charlotte Dommerholt Lieke Speerstra Wim van Meurs Marieke Oprel

14

Het onderzoeksteam Wim van Meurs, hoogleraar Politieke Geschiedenis aan de Radboud Universiteit, initiatiefnemer van denktank Advies & Actualiteit, projectleider ‘Lokaal besturen tussen bezetter en burger’ (Mondriaan Fonds, 2020-2024) Marieke Oprel, universitair docent aan de Radboud Universiteit, coördinator en adviseur bij Advies & Actualiteit, in 2020 gepromoveerd aan de Vrije Universiteit Amsterdam op een studie over tot vijandelijke onderdanen verklaarde Duitsers op basis van de archieven van het Nederlands Beheersinstituut, projectleider ‘Vermogensonteigening na de Tweede Wereldoorlog’ (Mondriaan Fonds, 2020-2024) Xia van Beuningen, junior onderzoeker bij Advies & Actualiteit, afgestudeerd aan de masteropleiding Geschiedenis en Actualiteit, Radboud Universiteit (2022) Charlotte Dommerholt, junior onderzoeker bij Advies & Actualiteit, afgestudeerd aan de masteropleiding Geschiedenis Vandaag, Rijksuniversiteit Groningen (2022) Lieke Speerstra, junior onderzoeker bij Advies & Actualiteit, afgestudeerd aan de Research Master Global History, Vrije Universiteit Amsterdam (2023) Joyce Dekker, grafisch vormgever, Studio Joyce Dekker in Utrecht Susanne Geuze, afgestudeerd aan de masteropleiding Politiek en Parlement, Radboud Universiteit (2014), werkt als zelfstandig tekstschrijver en redacteur

15

Noten 1

2 3

4

Cees Steutel, Adri Meerman, Jacques de Hond, Jules Braat, Jan Zwemmer, Joods Vlissingen: een roerige en bewogen geschiedenis (Vlissingen, 2010). Joods Monument, nr. 12097; nr. 644744 Joods Monument, nr. 120967; Steutel e.a., Joods Vlissingen. Hinke Piersma en Jeroen Kemperman, Open­ staande rekeningen: de gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechts­herstel, 1940‑1950 (Amsterdam: Boom, 2015); Hinke Piersma en Jeroen Kemperman, ‘De erfpachtkwestie in Amsterdam (1945‑1960)’ (Amsterdam: NIOD, 2014); Maili Blauw, ‘Verschil maken? Gemeente, belastingen en rechts­herstel in naoorlogs Utrecht’ (Utrecht, 2020); Robin te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’: De houding van gemeente Den Haag tegenover Joodse eigenaren van onroerend goed 1940‑1955 (Voorburg: De Nieuwe Haagsche, 2017); Hinke Piersma en Marleen van den Berg, ‘Ontrechting en rechts­herstel. Het Rotterdamse gemeentebeleid inzake ontrechting en rechts­herstel van Joodse oorlogsslachtoffers 1940‑1955’ (Amsterdam: NIOD, 2020).

16

5

6

7

8

Nele Beyens, Overgangspolitiek. De strijd om de macht in Nederland en Frankrijk na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2009); Peter Romijn, Snel, streng en recht­ vaardig: politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders, 1940‑1945 (Houten: De Haan, 1989); Marieke Oprel, The Burden of Nationality. Dutch Citizenship Policies towards German Nationals in the Aftermath of the Second World War (1944‑1967) (Amsterdam: VU University Press, 2020). Marnix Croes en Peter Tammes, ‘Gif laten wij niet voortbestaan’: een onderzoek naar de overlevingskansen van joden in de Nederlandse gemeenten, 1940‑1945 (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2006). Wouter Jan Veraart, Ontrechting en rechts­herstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezet­­ ting en wederopbouw (Deventer: Kluwer, 2005); Ido de Haan, ‘Het einde van de naoorlogse geschiedenis’, Krisis, nr. 2 (2008): 48-52. Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd: besturen tijdens de Duitse bezetting (Amsterdam: Balans, 2006); Guus Meershoek, Dienaren van het gezag: de Amsterdamse politie tijdens de bezetting (Amsterdam: Van Gennep, 1999).

2. Opdracht en conclusies In 2019 digitaliseerde het Nationaal Archief de Verkaufsbücher, de vastgoed­ boeken van de Duitse bezetter. In die boeken had het naziregime doorverkocht Joods vastgoed geregistreerd. De Verkaufsbücher geven dus een goed overzicht van wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog gebeurde met Joods vastgoed. Wel bevatten ze alleen informatie over onteigende panden die doorverkocht waren. De informatie in de Verkaufsbücher werd bij de digitalisering gekoppeld aan kadastergegevens. Op 27 mei 2020 berichtten onderzoeksjournalisten van het televisie­ programma Pointer (KRO-NCRV) over de 7.500 geregistreerde transacties van deze systematische onteigening van Joodse burgers en de rol van Nederlandse gemeenten.1 De journalisten benaderden de gemeenten die in de Verkaufs­ bücher voorkwamen met een verzoek om stellingname, waaronder gemeente Vlissingen.

Drie hoofdvragen Het gemeente­bestuur van Vlissingen heeft toen vastgesteld dat het geen goed beeld had van de rol die de gemeente destijds speelde bij onteigening en rechts­herstel van Joodse inwoners. Ook de archieven geven geen eenvoudig antwoord op zulke vragen. Gegevens uit de collecties van met name het Nationaal Archief in Den Haag en het Zeeuws Archief in Middelburg moesten hiervoor met elkaar verbonden worden. De gemeente besloot dat vervolg­ stappen alleen betekenisvol zijn als we de historische feiten kennen. Daarop is een onderzoeksopdracht geformuleerd met twee hoofdvragen en een derde, achterliggende vraag.

Vraag 1: ontrechting De eerste vraag gaat over de ontrechting van Joodse vastgoedeigenaren door de Duitse bezetter. We weten dat gemeenten in praktische zin meegewerkt hebben aan de onteigening – van transport en opslag van inboedels tot betrokken­heid bij de verhuur van leegstaande panden. Van een aantal steden is bekend dat de gemeente een of meerdere Joodse panden gekocht heeft, direct of via een tussen­handelaar. Heeft gemeente Vlissingen gebruikgemaakt van de ont­rechting van hun Joodse burgers door onteigend vastgoed te verwerven, wel wetend waarom deze panden tegen een vaak lage prijs te koop aangeboden werden?

Vraag 2: rechts­herstel De tweede hoofdvraag gaat over het rechts­herstel na de bevrijding. We weten dat onteigende panden meestal zijn teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar. Van Amsterdam en Den Haag is bekend dat ze na de oorlog naheffingen en

17

Elke registratie van een verkooptransactie vermeldt o.a. het adres van het verkochte pand of panden, de ‘verkoper’ en de koper (beiden met adres). Daarnaast wordt de beheerder genoemd, de notaris, de verkoopdatum en de koopprijs.

boetes voor gemeentelijke belastingen op vastgoed of een erfpacht­canon vorderden voor de tijd tussen het moment van onteigening en het herstel van het eigenaar­schap, zonder enig respect voor het bijzondere slachtoffer­schap. Heeft gemeente Vlissingen naheffingen en eventuele boetes opgelegd aan Joodse huiseigenaren of hun nabestaanden, met name voor straatbelasting?

Vraag 3: bejegening Deze twee vragen zijn beide concrete en formele vragen naar bestuurlijke keuzes. De handelingsruimte van de gemeente was zowel binnen het ont­ eigenings­beleid van de bezetter als binnen het nationale beleid voor het rechts­herstel na de bevrijding beperkt. Minder concreet, maar niet minder wezen­lijk is de derde vraag, die naar de bejegening van de Joodse bewoners door gemeente Vlissingen. En hoe de gemeente zich rekenschap gaf van hun bijzondere slachtofferschap.

Conclusies over de onteigeningen 1. In totaal vonden wij 38 panden die de bezetter tijdens de Tweede Wereld­ oorlog in beheer heeft genomen. Van deze panden zijn er 14 verkocht. 2. Panden van de Joodse gemeente, zoals de synagoge met bijgebouwen, zijn niet in beheer genomen of verkocht. 3. We vonden geen verplicht geregistreerde of verkochte landbouwgronden. 4. Gemeente Vlissingen kocht tijdens de oorlog geen panden van Joodse eigenaren.

Conclusies over het rechts­herstel 1. Voor alle 14 verkochte panden vond rechts­herstel plaats. 2. Het is onwaarschijnlijk dat de gemeente naheffingen verstuurde voor straaten rioolbelasting. Niets in de archieven wijst hierop, net als trouwens in de andere gemeenten die wij onderzochten. Aan de andere kant: gemeente Vlissingen verleende ook geen enkele coulance op basis van het bijzondere Joodse slachtofferschap.

Conclusies over de bejegening 1. Burgemeester Van Woelderen was actief binnen het verzet, maar zijn opvattingen over het naziregime kwamen niet duidelijk naar voren in zijn handelen als burgemeester van Vlissingen. In juni 1943 werd hij ontslagen. 2. Na de bevrijding keerde Van Woelderen kort terug als burgemeester van Vlissingen. In juli 1945 ging hij met pensioen. 3. NSB’er Piet Callenfels volgde in juni 1943 burgemeester Van Woelderen op. Zijn beleid in Vlissingen was pro-Duits, maar tegelijkertijd gematigd. 4. Zowel de gemeente als de kranten besteedden publiekelijk na de oorlog weinig aandacht aan de Jodenvervolging en het bijzondere Joodse slachtofferschap.

18

Bovenstaande conclusies laten zien dat de vraag wie nu ‘de gemeente’ was, niet zo duidelijk is als op het eerste gezicht lijkt. We moeten onderscheid maken tussen hoe gekozen en benoemde bestuurders in de eerste fase van de bezet­ting handelden en hoe ze te werk gingen in de tijd toen er een NSB-burge­ meester was. Die NSB-burgemeester bestuurde zonder gemeenteraad. En de wet­houders en andere functionarissen waarmee hij samenwerkte, waren ook door de bezetter benoemd. Het uitvoerende werk van bijvoorbeeld de gemeentepolitie of gemeente­ diensten is een kwestie op zich. De vraag hoe zulke diensten hun werk deden en in welke vorm en mate ze collaboreerden bij de Jodenvervolging, valt buiten ons onderzoek. Dat geldt ook voor de bemoeienis van de gemeente bij vordering van woningen door de Wehrmacht. De burgemeester had volgens de Nederlandse wet het recht om panden te ‘vorderen’. Hij maakte van dit recht gebruik op bevel van de Wehrmacht, toen de bezetter nog probeerde om de schijn van goed bestuur en continuïteit op te houden. De Wehrmacht betaalde zo ook enkele jaren compensatie aan de eigenaren van de panden. Die betalingen stopten zodra de bezetter de schijn van rechtstaat liet vallen, of al eerder als duidelijk werd dat het om een Joodse eigenaar ging.

Over het algemeen werkten gemeenten het vorderingsbeleid niet tegen en leverden ze hulp waar gevraagd, net zoals bij de onteigening en deportatie van Joodse inwoners. Wel laat dit onderzoek zien dat de rol en speelruimte van de gemeente beperkt was. Zeker tijdens de oorlogsjaren, toen de bezetter maatregelen dicteerde. Het naoorlogse proces van rechts­herstel verliep grotendeels buiten gemeente­bestuurders om. Met onze 21e-eeuwse blik op de Tweede Wereldoorlog vinden we het bijzondere slachtofferschap van de Joodse bevolking vanzelfsprekend. De conclusies van dit rapport, en ook de bredere vakliteratuur, laten zien dat Nederlandse bestuurders daar tijdens en vlak na de oorlog anders naar keken. Het besef dat Joodse burgers in bijzondere mate slachtoffers waren, leefde nauwelijks. Sterker nog: een van de leidende principes was juist dat niemand bevoordeeld of benadeeld mocht worden door het rechts­herstel. In de praktijk betekende dat voor Joodse burgers indirect nog meer onrecht en benadeling. Eigenaren van panden die voor de Wehrmacht waren gevorderd, kregen een kleine vergoeding via de gemeente. Voor Joden van wie het vastgoed onder beheer geplaatst was, ging deze vergoeding naar de roof­ instellingen of bleven achter in de gemeentekas. In een aantal gevallen was een Joods pand in de oorlog niet verkocht, maar verhuurd door de ANBO.

Soms had de oorlogskoper het pand verhuurd. Pas als de oorspronkelijke eigenaar zijn pand terugkreeg, kon hij de huur opzeggen. Zijn eigenaarschap kreeg dus geen voorrang op de huurbescherming. Of de gemeente vorderde een teruggegeven Joodse woning vanwege de nijpende woningnood. Sommige nabestaanden emigreerden na de oorlog uit Nederland en Europa. Zij waren vaak niet in de positie om een claim in te dienen bij het NBI, of hadden daar geen interesse in. Zo bleven talrijke oorlogskopers in het bezit van Joods eigendom. De inboedels kwamen zelden of nooit terug, of ze

19

Algemeen Neder­ landse Beheer van Onroerende Goederen. Deze organisatie werd opgericht om huisbezit van Joden na hun deportatie te verkopen voor de NGV.

nu waardevol of eenvoudig waren. NSB’ers huurden onteigende panden voor een vriendenprijs, maar die vormde wel de basis voor de minnelijke schikking na de oorlog. Dit zijn slechts een paar voorbeelden. Indirect onrecht kwam structureel voor.

Vervolg Met deze eindrapportage is het archiefonderzoek naar de twee of drie hoofd­ vragen van de opdracht volgens ons afgerond. Het kleine restrisico dat andere archieven de resultaten in detail nog corrigeren of aanvullen, staat in geen verhouding tot de onderzoeksinspanning die daartoe nodig zou zijn.

Vervolgonderzoek In de loop van 2023 zijn de onderzoeken met vergelijkbare vraagstellingen afgerond voor tientallen gemeenten in het hele land. Daarmee ontstaat een representatief beeld rondom onteigening en ontrechting, met patronen en uitzonderingen op lokaal niveau. De goede samenwerking tussen de uitvoerders van deze onderzoeken kan als basis dienen voor een afsluitende conferentie en/of enkele tijdschriftartikelen voor Nederlandse vakgenoten. Uit dit project en andere gemeentelijke onderzoeksprojecten komen drie weten­schappelijke vervolgonderzoeken naar voren. Het eerste is een nationaal onderzoek naar de rol van makelaarskantoren in de processen van ont­eigening, ontrechting en rechts­herstel, op basis van nog beschikbare firma-­archieven. Het tweede is een systematisch onderzoek vanuit het perspectief van de provin­ ciale overheid. Provincies kregen alle aankoopplannen van Joods vast­goed door gemeenten voorgelegd, of zo’n gemeente nou wel of geen NSB-burge­ meester had. Het derde is een groot project om de cruciale archieven van het NBI en de Raad voor het Rechts­herstel beter toegankelijk te maken en digitaal te ontsluiten. Op termijn geldt dat ook voor de archieven van het Grootboek voor de Wederopbouw die nu nog beperkt open­baar zijn. Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) kan hier als voorbeeld dienen.

Voor vervolgonderzoek om ons beeld van de Joodse geschiedenis onder het naziregime volledig te maken, zijn verschillende richtingen denkbaar. De belangrijkste is waarschijnlijk de verdere reconstructie van levensverhalen door arbeidsintensief archiefonderzoek in collecties en met ingangen die tot nu toe minder gebruikt zijn. De nu al indrukwekkende verzameling van bijvoorbeeld het Joods Monument zou hiermee verrijkt kunnen worden.

Expositie Onze aanbeveling wat betreft de publieke herinnering aan deze historische gebeurtenissen richt zich tot alle betrokken gemeenten samen. Vervolg­ onderzoek levert ongetwijfeld nieuwe, waardevolle inzichten op voor steden en regio’s. De tientallen vergelijkbare onderzoeksprojecten van dit moment bieden de eenmalige kans om een digitale of rondtrekkende expositie in te richten. Zo’n expositie zou het meest sprekende materiaal uit verschillende projecten

20

en gemeenten bijeenbrengen. Inzichten uit genoemde conferentie kunnen een leidraad vormen voor het verhaal van deze expositie.

Serie rapporten Tegelijk met dit onderzoek in gemeente Vlissingen voert het onderzoeksteam van Advies & Actualiteit van de Radboud Universiteit ongeveer twintig vergelijkbare projecten uit. Die onderzoeken zijn voor zo’n veertig gemeenten in Gelderland, Overijssel, Noord-Holland en Zuid-Holland. In al deze projecten hanteren we dezelfde methodiek.2 De hoofdstukken Inleiding en Verantwoording (hoofdstuk 1 en 3) van de eindrapportages zijn daarom grotendeels gelijkluidend. Dat geldt vooral voor de uiteenzetting van de methodiek met de archiefbronnen, de nationale juridisch-institutionele kaders van ontrechting en rechts­herstel en de vergelijking met andere steden en onderzoeksprojecten.

21

Noten 1

KRO-NCRV, Pointer, pointer.kro-ncrv.nl/ vastgoedboeken-van-de-duitse-bezetter.

22

2

Radboud Universiteit, Advies & Actualiteit, www.ru.nl/rich/rich-society/advies-actualiteitonderzoek-opdracht/vm/onteigening-vanjoods-vastgoed-in-wo2-en.

3. Verantwoording Gemeente Vlissingen heeft deze onderzoeks­opdracht gegund aan universitaire onder­zoekers. Daarmee verwacht zij een weten­schap­pelijke bekrachtiging van het omvangrijke bestaande onderzoek over dit thema. Dat begint met een doordachte verantwoording van de gekozen onderzoeks­methoden, begrippen en concepten die we gebruiken. De bronnen die we kiezen, moeten relevant en doelmatig zijn. Elke soort bronnen kent beper­kingen. Aan de hand van eigen vooronderzoek en dat van anderen hebben we bepaald welk type bronnen we gebruiken – en welke bronnen juist niet.

Woordkeuze Nog voordat in de zomer van 1942 de deportatie van de Joodse bevolking van Neder­land begon, was de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven een centrale doelstelling van het naziregime. Joodse bedrijven werden gesloten of aan Arische gegadigden verkocht. Vastgoed, hypotheken en huur­ inkomsten van Joodse Neder­landers werden in beheer genomen. De inkomsten die deze transacties opleverden, waren voor de bezetter uiteinde­lijk bijzaak, al werden het geroofde geld en bezit ingezet om de kosten van deportatie­ transporten en de bouw en het onderhoud van kampen als Westerbork te dekken.

Roof, onteigening of vordering Het begrip ‘roof’ (of formeler, ‘ontvreemding’) werd na de bevrijding gekozen om dit criminele handelen van de Duitse instanties te benoemen. De term ‘roof’ laat de morele veroordeling van het handelen van de bezettingsmacht treffend zien. Toch schiet het woord voor de doelstellingen van dit onderzoek tekort. We moeten ons namelijk verdiepen in de instituties en rechtsregels die werden ingericht om deze roof uit te voeren. Bovendien was de toe-eigening van bezit voor eigen gewin niet het hoofddoel. Het begrip ‘ontrechting’ treft wél precies deze doelstelling. Namelijk: burgers hun (economische) rechten ontnemen en uit de maatschappij verwijderen. In dit rapport hanteren we daarom het begrip ‘ontrechting’ als het om de slachtoffers gaat. Gezien de moord op zes miljoen Joden door het naziregime schiet ook die term tekort. Maar in elk geval past de term ‘ontrechting’ bij de vragen over bestuurlijke procedures en keuzes waar dit onderzoek over gaat.1

Vervreemding of onteigening Voor het vastgoed zelf ontbreken de juiste woorden. Juridische termen zijn immers niet bedoeld om het handelen van een misdadige overheid in woorden te vatten. De neutrale term ‘vervreemding’ zegt juridisch niet meer dan de overdracht van eigendomsrechten, bij­voor­beeld door verkoop of schenking. ‘Onteigening’ (of ‘gedwongen verkoop’) betekent dat een overheid vanuit een

23

algemeen belang – en terughoudend – een burger dwingt om zijn eigendom aan de staat over te dragen tegen een passende compensatie. Elke democratie kent zulke procedures. Bij­voor­beeld voor de uitbouw van infrastructuur en stadsvernieuwing, of bij een noodsituatie zoals na de bombardementen op Rotterdam en Nijmegen.2 Van zo’n onteigening was tijdens de bezetting geen sprake. Ontrechting van de burger was immers het doel. Ook was geen sprake van proportionele en gerechte compensatie. Streng genomen werd de zeggenschap over een pand onteigend, maar het stond de beheerder vrij om dat pand te verkopen. Na deportatie van de ontrechten bleef de verkoopsom bij een roofinstelling. Het slachtoffer kreeg geen financiële compensatie voor zijn eigendomsverlies, maar alleen een maandelijkse toelage uit zijn claim op de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV), om in een minimaal levensonderhoud te voorzien. In het rapport onderscheiden we Duitse onteigeningen (op basis van de verschillende anti-Joodse Verordnungen) en Neder­landse onteigeningen. In uitzonderlijke situaties zoals overstromingen kon de Neder­landse overheid ook voor en na de bezetting land- en huizenbezit onteigenen in het belang van wederopbouw. In een aantal gemeenten gebeurde dit tijdens of na de oorlog na bombardementen. De term vordering of confiscatie verwijst naar een verdere complicatie.

De Duitse Wehrmacht vorderde huizen, scholen en bedrijfspanden om soldaten in te kwartieren of om oorlogsmaterieel op te slaan. De bezitter behield zijn eigen­dom, maar het gebruik ervan moest hij aan de bezetter laten. Dit gebeurde tegen een kleine periodieke compensatie. Of de eigenaar al dan niet Joods was speelde bij vordering geen rol. In enkele gemeenten werden huizen gevorderd om ze vervolgens te slopen, voor de bouw van verdedigingswerken of een vrij schootsveld. Het verschil met de ‘Duitse’ onteigeningen is dat het geen specifiek anti-Joodse maatregel was en dat er een compensatie tegenover stond.

Andere juridische begrippen Ook het gebruik van andere juridische begrippen krijgt in deze context een cynische ondertoon. Een ‘beheerder’ (Verwalter) of ‘bewindvoerder’ (Treuhänder) over het eigendom van een burger zou immers altijd naar eer en geweten de belangen van deze burger moeten dienen. In zekere zin werden de Joodse eigenaren inderdaad onder curatele geplaatst. Het stond de beheerder echter vrij om het vastgoedbezit te verkopen naar eigen goeddunken. Dat werd zelfs van hem verwacht. Toch kunnen we er niet omheen om deze termen te gebruiken om aan te tonen welke juridische constructies de bezetter gebruikte. Zonder deze kennis is namelijk ook het proces van rechts­herstel – met deels dezelfde termen als ‘beheer’ – niet goed te begrijpen. Daarbij kunnen de intenties van ontrechting (en uiteindelijke deportatie) door een onrecht-staat niet genoeg benadrukt worden. Met deze belangrijke kwalificatie hanteren we zo veel mogelijk het begrippenpaar ‘ontrechting’ en ‘onteigening’.

24

De NGV (ofwel: Neder­ landse Administratie van Onroerende Goederen) was de centrale instantie die het Joodse eigen­dom vanaf 1941 eerst regi­ streer­de en vervolgens liet door­verkopen.

Rechtsregels en morele normen De spanning tussen morele oordelen en juridisch-institutionele kaders keert in dit onderzoek steeds terug. Voor de oorlog en tijdens haar ballingschap in Londen had de Neder­landse regering met deze spagaat te maken. Ze gaf haar ambtenarenapparaat de opdracht om het bestuur voort te zetten tijdens een (eventuele) bezetting – in het belang van de Neder­landse bevolking en zoals het oorlogsrecht dat voorzag. Tegelijk deed ze er met de geallieerden alles aan om Neder­land te bevrijden en steun te bieden aan het verzet. Zo vormden de Verordnungen van de bezetter geldend recht, hoewel de bezetting illegaal was en de Verordnungen burgers onrecht aandeden. Ook bij het naoorlogse rechts­herstel konden de onteigeningen wel ‘nul en nietig’ verklaard worden, maar de Neder­landse instanties konden deels niet anders dan effecten van de Duitse regels als uitgangspunt nemen bij het reconstrueren en ongedaan maken van alle gevolgen. In veel gevallen waren de oorlogskopers van het vastgoed op de hoogte van het feit dat ze onteigende Joodse panden kochten – of ze hadden daarvan op de hoogte kunnen zijn. Desondanks werd hun eigendomsclaim na de oorlog door de uitvoerders van het rechts­herstel niet op die grond in twijfel getrokken. Het principe van de bescherming van privébezit kreeg prioriteit.

Zonder bewijs van het tegendeel werd in de praktijk aangenomen dat oorlogskopers te goeder trouw hadden gehandeld. Om zo snel mogelijk een normalisering van het economisch verkeer te bereiken, koos de Neder­landse staat na de oorlog voor een ‘verdelende’ in plaats van een ‘herstel­lende’ gerechtigheid. Het rechts­herstel mocht de oorlogs­kopers niet be­nadelen en de oorspronkelijke eigenaren niet bevoordelen. Zo moest men bepalen wat er gebeurd zou zijn als het vastgoed niet onteigend was geworden, met alle bijbehorende praktische haken en ogen en onrechtvaardig­heden. Door dit uitgangs­punt deelden twee eigenaren eigenlijk het­zelfde bezit. Van hen werd verwacht dat ze samen tot een redelijke en acceptabele oplossing zouden komen. Dat leidde tot langlopende conflicten over renovatiekosten, huur­der­ ving, belasting­heffingen en dergelijke, en uitgebreide ver­rekeningen daarvan. De Joodse ontrechten moesten hun herstelde eigendoms­rechten feite­lijk met anderen delen. Bij de onderhandelingen hadden zij vaak de zwakkere positie.3

Gebruikte archieven In ons eigen werk en de rapporten van anderen worden wel twintig verschil­ lende typen archieven gebruikt om de gestelde vragen te beantwoorden. Toch biedt geen daarvan een volledig en definitief antwoord. Daar komt nog bij dat sommige archieven of delen daarvan tijdens de oorlog verloren zijn gegaan, met opzet vernietigd, of na de oorlog gereorganiseerd of opgeschoond. We hebben geprobeerd om de betrouwbaarheid van onze antwoorden te verhogen door een combinatie van drie verschillende typen archieven. We onderscheiden hier als hoofdcategorieën politiek-bestuurlijke archieven, administratieve en justitiële archieven, en particuliere archieven en media.

25

Verordnungen waren besluiten van de Duitse Rijkscommissaris. Ze werden per jaar door­ genummerd; bij­voor­beeld Verordnung 154/1941 voor de registratie van vastgoed.

De inventarisatie van Joodse inwoners en vastgoed vormde de basis van dit onder­zoek. We zijn daarbij enorm geholpen door vaak jarenlang gedetailleerd speurwerk van lokale Joodse organisaties, historische verenigingen en initia­ tieven voor het leggen van Stolpersteine of Herdenkingsstenen. Zij zetten zich nog steeds in om de talloze Joodse slachtoffers hun gezicht en verhaal terug te geven. Zulke lokale initiatieven dragen bij aan het nationale overzicht van het Joods Monu­ment en omgekeerd. Deze inventarisaties zijn zo volledig mogelijk. Vanzelfsprekend gaan ze over de Joodse inwoners, maar ze vermelden – voor zover bekend – ook woon­ adressen, vaak het laatste adres voor deportatie. Vaak is dat een huur­woning, of het adres waar iemand als vluchteling onderdak heeft gevonden. In een kleiner deel van de gevallen gaat het om wooneigendom. Het percentage woning­ eigenaren varieert sterk per stad, afhankelijk van bij­voor­beeld de ver­houding tussen gevestigde Joodse inwoners en nieuwkomers – zoals vluchte­lingen uit het Derde Rijk. Bovendien was het in die tijd niet ongebruike­lijk om eigenaar te zijn van een of meerdere (verhuurde) panden en zelf een huur­woning te betrekken.

Uit de ervaring van onderzoek voor andere gemeenten weten we dat het natrekken in het kadaster van alle unieke adressen uit het Joods Monument arbeidsintensief is en slechts in enkele gevallen een onbekend pand in Joods eigendom oplevert dat wel onteigend maar niet verkocht is.

Zogenaamde ‘struikel­ stenen’ in het trottoir voor het laatste woonhuis van gedeporteerde Joden, sinds 1992 in heel Europa geplaatst.

Een online monument voor alle slachtoffers van de Joden­vervolging, met beeldmateriaal en levens­ verhalen.

Archieven van politiek en bestuur De reconstructie van beleidskeuzes en besluiten door de gemeente vormt een belangrijk onderdeel van ons onderzoek – belangrijker dan in de meeste rapporten die andere onderzoeksteams maakten voor gemeenten. We deden systematisch onderzoek in de notulen, besluitenlijsten, jaarverslagen en correspondentie van de gemeenteraad en het college van B en W. De kwaliteit van deze bestuurlijke verslaglegging varieert voor de oorlogsjaren sterk van stad tot stad. De komst van een NSB-burgemeester had hier ook vaak grote invloed. Niet zelden zijn delen van deze archieven aan het einde van de bezettingstijd met opzet vernietigd. Ook soortgelijke archieven van de Commissaris der Provincie zijn relevant, vooral omdat die vastgoedaankopen door gemeenten moest goedkeuren.

Administratieve archieven In dit onderzoek maken we gebruik van drie soorten administratieve archiefbronnen: de administratie van de bezetter, die van reguliere Neder­ landse overheidsinstellingen (met name op gemeenteniveau) en de archieven van bijzondere instellingen voor het rechts­herstel. Neder­landse archiefvormende instellingen die systematisch informatie verzamelden, zijn bij­voor­beeld het kadaster en de uitvoerende diensten van gemeenten. Deze laatste bestanden bestaan vaak niet meer, bij­voor­beeld doordat archieven tientallen jaren later zijn opgeschoond. Waar ze nog wel bestaan, zijn ze voor dit onderzoek uit tijdsoverwegingen niet systematisch doorzocht. Ondanks digitale toegangen blijft het kadaster een bron die veel expertise en tijd vergt, onder andere door de herindeling en omnummering

26

In de zomer van 1941 ontbond de bezetter de gemeente­raden en de Provin­ciale Staten. De volledige bestuurlijke macht kwam in handen van de burgemeesters en de Commissarissen der Provincie.

Zo heette de Commissaris van de Koningin tijdens de bezetting.

van de grondstukken. Waar verdieping noodzakelijk was, zijn deze archieven doelgericht geraadpleegd. Daarbij mogen we niet vergeten dat de neerslag van bestuurlijke besluiten of ambtelijk handelen in de bijbehorende archieven altijd zakelijk-formeel of kil over zal komen. Het contrast met de tragiek van de Joodse levensverhalen is dan enorm. Deze formele akten verraden maar weinig over de ‘bejegening’ van de Joodse slachtoffers. Een gemeentefunctionaris die via een louche deal een Joods pand in handen kreeg, zal dat in de regel in de akten niet breed hebben uitgemeten. Omgekeerd zal een ambtenaar die zich onder de bezetting inzette voor Joodse burgers dat evenmin op schrift gezet hebben. Daarom zijn we terughoudend geweest om op basis van enkele impressies uit deze archieven algemene conclusies over ‘het gemeente­bestuur’ of ‘de gemeentelijke diensten’ te formuleren. De administraties van de NGV en de ANBO zijn in delen ondergebracht bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust-, en Genocidestudies in Amsterdam. Delen van de omvangrijke registratie van onteigend vastgoed zijn echter ook op andere plaatsen teruggevonden, zoals in het Kadastermuseum in Arnhem.4 Het bekendste onderdeel van de NGV-administratie zijn de 18 Verkaufs­bücher (waarvan er één verloren is gegaan).

Daarin werden in de bezettingsjaren ruim 7.500 verkooptransacties van onteigend Joods vastgoed geregistreerd.5 Waar het de gedwongen verkoop van landbouwgrond door Joodse eige­ naren (Verordnung 102/1941) betreft, zijn de archieven van het Bureau voor de Goedkeuring en Pachtbureaus/Grondkamers relevant. Die instanties hielden daarop toezicht.6 Een centrale rol in dit onderzoek speelt de administratie van de Raad voor het Rechts­herstel, zoals die na de oorlog is opgebouwd. Uitvoerende dienst van deze Raad was het Neder­lands Beheersinstituut (NBI); met name dit archief is voor ons onderzoek relevant. Het is een van de meest omvangrijke collecties in het Nationaal Archief, maar is lang vergeten en verwaarloosd. Tijdens het proces van rechts­herstel zijn stukken uit de NGV- en ANBO-administraties tamelijk ongeorganiseerd overgeheveld naar het NBI. Ze dienden als bewijs­ stukken voor de dossiers op naam van beheerders, collaborateurs en ook ontrechten.

De in augustus 1945 opgerichte Raad voor het Rechts­herstel was de coördinerende instantie voor het ongedaan maken van de ontrechting van personen en instellingen en het herstel van rechtsverhoudingen.

Rechtbankdossiers Ook rechtbankdossiers spelen een rol in dit onderzoek. Zowel in de ont­ eigenings­­vraag als bij de rechts­herstelvraag, maar beide op een heel verschillende manier. Veel NSB-burgemeesters – en andere functionarissen zoals wethouders, gemeente­secretarissen en politiecommissarissen – moesten na de bevrijding verantwoording afleggen voor een rechtbank van de zogenaamde ‘bijzondere rechtspleging’.7 Deze CABR-dossiers vormen de archivale neerslag van deze processen en vonnissen. De ervaring van eerdere onderzoeken leert echter dat koop of huur van Joodse panden door

27

Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging in het Nationaal Archief bevat de proces­stukken van deze zuiverings­ tribunalen op regionaal niveau.

functionarissen zelden of nooit een centrale plaats innam in hun proces. Deze bewerkelijke en beperkt toegankelijke dossiers hebben we daarom alleen als aanvullend bewijsmateriaal gebruikt. CABR-dossiers kunnen op persoonsnaam worden opgevraagd. De Raad voor het Rechts­herstel heeft verschillende administratieve ingangen. Dossiers van de afdeling Onroerende Goederen zijn geordend op plaatsnaam, waardoor het eenvoudig is om onteigend Joods bezit per gemeente terug te vinden. In de dossiers zitten de aangifteformulieren van het onroerend goed met de opeenvolgende eigenaars, de verkoopprijzen en eventuele hypotheken. De rechts­herstelvraag is met deze dossiers vrijwel altijd te beantwoorden. Omdat het vaak alleen de kale weerslag van het uiteindelijke resultaat betreft, vertellen de dossiers nauwelijks iets over de procedure die eraan is voorafgegaan. Om daar meer zicht op te krijgen, hebben we ook de registers van de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechts­herstel meegenomen in het onderzoek. Hierin staan alle zaken van met name Joodse ontrechten die niet door een minnelijke schikking opgelost konden worden. In deze registers zitten ook zaken van NSB’ers en zogenaamde ‘vijandige onderdanen’.

Particuliere archieven en kranten Notariële archieven die ouder zijn dan 75 jaar, zijn te vinden bij een openbare archiefdienst. De notariële archieven die jonger zijn dan 75 jaar worden bewaard bij de rechtbanken of bij de notaris zelf. De archieven worden elke keer overgebracht in perioden van 10 jaar. Voor het laatst zijn de archieven uit de periode t/m 1935 overgebracht. Voor alle akten geldt dat ze na 75 jaar openbaar worden, met uitzondering van testamenten en codicillen, die pas na 100 jaar openbaar worden. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we geen verzoek hebben gedaan om inzage. In de archieven van gemeenten en burge­ meesters werd sowieso al de ene zijde van correspondentie en onder­hande­ lingen met deze kantoren zichtbaar, die zeker goed verdienden aan de onteige­ ningen, de (door)verkoop en het beheer van de panden.8 Ook in de rapporten voor andere gemeenten keert deze potentieel belangrijke bron niet terug.

Onze methode In dit onderzoek wilden we betrouwbare antwoorden formuleren op de twee hoofd­vragen: heeft gemeente Vlissingen panden aangekocht van Joodse eigenaren, en zijn naheffingen van gemeente­belastingen opgelegd in het proces van rechts­herstel? Daarnaast leverden systematische zoektochten in de archief­collecties een impressie op van hoe de gemeente Joodse burgers bejegende, tijdens de bezetting en na de bevrijding. Zijn er aanwijzingen dat de gemeente naar vermogen probeerde om de impact van anti-Joodse maatregelen te vertragen of te beperken? Of is de indruk eerder dat men hoopte, door mee te werken aan deze anti-Joodse maatregelen, een zekere welwillendheid te bereiken van de bezetter tegenover andere burgers? Besteedde de gemeente na de bevrijding

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14918857/1