CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Inkomend - SCP - Notities Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2023

Informatiebijeenkomst 14 april 2023, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken52.032 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

18

Beter burgerschapsonderwijs Het belang van beter burgerschapsonderwijs wordt breed onderkend. Toch lijken de randvoorwaarden hiervoor onvoldoende aanwezig te zijn. Net als veel andere Europese landen kampt Nederland met een krapte op de arbeidsmarkt, die ook in het onderwijs sterk gevoeld wordt. Het tekort aan docenten en de toch al hoge werkdruk gelden onder andere als belangrijke obstakels in het verbeteren van het burgerschapsonderwijs (OCW 2022). Beleid om personeelstekorten in de publieke sector tegen te gaan is veelal sectoraal ingestoken, waarmee moeilijke maar belangrijke maatschappelijke keuzes vooruit worden geschoven (Olsthoorn en Roeters 2023). Voor het onderwijs kan dit betekenen dat tekorten nog groter worden. Bij het verbeteren van het burgerschapsonderwijs vormt ook de gescheidenheid in het onderwijs een obstakel (Vogels et al. 2021). Deze gescheidenheid betekent niet alleen dat verschillende groepen elkaar maar weinig ontmoeten, maar ook dat de schoolculturen waarin jongeren opgroeien sterk kunnen verschillen. De opleidingsverschillen in burgerschapskennis en -vaardigheden zijn immers groot, terwijl de soorten opleiding sterk gescheiden van elkaar georganiseerd zijn (Vogels et al. 2021).

Bijkomend knelpunt is dat de scholen waar leerlingen achterblijven in burgerschapsvaardigheden mogelijk ook de scholen zijn waar het tekort aan docenten het meest nijpend wordt. De huidige extra financiële middelen voor scholen in de kwetsbare wijken (BZK2022a), kunnen dit deels verhelpen, maar het onderscheid blijft niet beperkt tot de kwetsbare wijken. Ook in het licht van het woelige tij waarin de Nederlandse democratie zich bevindt (zie de notitie Democratie en vertrouwen), is een meer algemene prioriteit voor het burgerschapsonderwijs van belang. Gemeenten aan zet Het rijk wil via gemeenten en andere decentrale partners bijdragen aan een samenleving die zorgzamer, toegankelijker en veiliger is, minder eenzaamheid kent en minder discrimineert. Het is begrijpelijk dat deze maatschappelijke ambities decentraal worden belegd, maar daarmee worden ze niet vanzelfsprekend een succes. In relatie tot de decentralisaties in het sociaal domein is al ruimschoots gewezen op te rooskleurige beleidsveronderstellingen, waardoor de gehoopte toename aan zorgzaamheid uitbleef (De Klerk et al. 2022; Kromhout et al. 2020). Ook in de toegankelijkheid van de samenleving ervaren mensen met een beperking vooralsnog geen verbetering (Knapen et al. 2022). De maakbaarheid van de lokale samenleving moet dus niet worden overschat.

Echter, anders dan tijdens de transitie in het sociaal domein, krijgen (enkele) gemeenten momenteel meer middelen om de lokale samenleving te versterken (BZK2022a, Fokkema en van Tol 2022). Met de herziening van de Woningwet kregen corporaties ook weer meer ruimte om bij te dragen aan de leefbaarheid. Toch zijn twee bedenkingen op hun plaats. De eerste betreft de verschillen tussen gemeenten. Eerder werd geconstateerd dat onvoldoende rekening werd gehouden met lokale en regionale verschillen (De Klerk et al. 2022; Kromhout et al. 2020). De huidige prioriteit gaat uit naar de kwetsbare wijken waar veiligheid in het geding is, wat veelal stedelijke wijken zijn (BZK 2022a). Hoewel de geplande langdurige, intensieve en integrale aanpak hier nodig en nuttig is, moet niet uit het oog verloren worden dat andere gemeenten eveneens met grote sociale en maatschappelijke opgaven kampen. De tweede bedenking betreft het samenspel tussen het rijk en gemeenten. Gemeenten ervaren regelmatig weinig ruimte om het decentrale beleid daadwerkelijk vorm te geven (ROB 2021a; zie ook De Klerk et al. 2022). Ook missen zij in de samenwerking soms begrip voor het decentrale perspectief 19

(ROB 2021b). De vele maatschappelijke opgaven die in de lokale samenleving belegd zijn vragen om een integrale manier van werken, waarbij gemeenten ook samen optrekken met decentrale partners. Het rijk redeneert echter nog altijd sterk vanuit verschillende beleidsdossiers en formuleert zijn verwachtingen aan de gemeenten daarom in aparte programma’s, die elk een eigen werkwijze en bijbehorende infrastructuur kennen. En voor elk van deze programma’s moeten gemeenten aan bepaalde eisen voldoen en worden netwerken opgebouwd. Het is de vraag of de hoepels die het rijk de gemeenten voorhoudt behulpzaam zijn, of juist onnodig veel tijd vergen en zo afleiden van de maatschappelijke opgaven waar gemeenten voor staan. Naast de afstemming met het rijk en met maatschappelijke partners, is het voor gemeenten immers nog steeds een hele opgave om tot een constructief samenspel te komen met bewoners. Om die bewoners, in al hun diversiteit, zou het vooral moeten gaan.

Noten 1 We hanteren hier een onderscheid tussen vier typen gemeenten: ‘kleinschalige gemeenten’; ‘universiteitssteden’; ‘(overwegend) kleinstedelijke gemeenten’ en ‘welvarende woongemeenten’ (zie Vermeij 2021). 2 Toen deze vragen in 2018 gesteld werden, lagen genoemde percentages beduidend hoger dan de hier gerapporteerde, vooral als het gaat om de gevoelde verantwoordelijkheid (zie Beugelsdijk et al. 2019). Vanwege verschillen in de dataverzameling kan niet worden vastgesteld of hier sprake is van een daadwerkelijke afname. 3 Hierbij zijn de analyses zo ingericht dat een aantal andere mogelijke verschillen tussen de categorieën geen rol spelen, zoals leeftijd, gender, huishoudsamenstelling, type gemeente. 4 Dit algemene vertrouwen wordt doorgaans gemeten met de vraag of ‘de meeste mensen’ te vertrouwen zijn. Met deze meting blijft buiten beeld wie mensen onder ‘de meeste mensen’ verstaan, en hierin bestaan verschillen, bijvoorbeeld tussen stad en platteland en tussen landen. Juist de reikwijdte van vertrouwen is relevant voor de manier waarop en samenleving omgaat met verschil (Delhey et al. 2011). 5 Om precies te zijn varieert het aandeel dat vertrouwen in anderen heeft van 42% (basisonderwijs), 51% (vmbo, mbo 1/2) en 63% (havo, vwo, mbo 3/4) tot 80% (bachelor) en 88% (master) (CBS 2022d).

6 Van degenen die alleen basisonderwijs volgden heeft 16% dagelijks contact met buren en 29% minder dan maandelijks; onder degenen met een hbo-opleiding is dit 8% en 22%. Eenzelfde patroon zien we bij contact met familie en vrienden (CBS 2022b).

20

Literatuur Akkermans, M., R. Kloosterman, E. Moons, C. Reep en M. Tummers-van der Aa (2022). Veiligheidsmonitor 2021. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Akçomak, İ.S. en B. ter Weel (2012). The impact of social capital on crime: Evidence from the Netherlands. In: Regional Science and Urban Economics, jg. 42, nr. 1-2, p. 323-340. Amdaoud, M., G. Arcuri en N. Levratto (2021). Are regions equal in adversity? A spatial analysis of spread and dynamics of COVID-19 in Europe. In: The European Journal of Health Economics, jg. 22, nr. 4, p. 629-642. André, S., T. Reeskens en B. Völker (2022). De sociologie en de pandemie, inzichten en vooruitblik na twee jaar coronacrisis. Tilburg: Open University. Andriessen, I. (2017). Discriminatie herkennen, benoemen en melden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Andriessen, I., J. Hoegen Dijkhof, A. van der Torre, E. van den Berg, I. Pulles, J. Iedema en M. de VoogdHamelink (2020). Ervaren discriminatie II. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Anderson, B. (1983). Imagined communities. Reflections on the origin and spread of nationalism. New York: Verso. Arends, J. en M. Tummers (2022). Vrijwilligerswerk 2021. Geraadpleegd 24 februari 2023 via Geraadpleegd via www.cbs.nl/nl-nl/longread/rapportages/2022/vrijwilligerswerk-2021. Barrios, J.M., E. Benmelech, Y.V. Hochberg, P., Sapienza en L. Zingales (2021).

Civic capital and social distancing during the Covid-19 pandemic. In: Journal of Public Economics, jg. 193, 104310. Baumeister, R.F. en M.R. Leary (1995). The need to belong: Desire for interpersonal attachments as a fundamental human motivation. In: Psychological Bulletin, jg. 117, nr. 3, p. 497–529. Beld, H. van den (2020) ‘Door corona is het begrip voor eenzaamheid toegenomen’ (artikel, 8 oktober 2020). Geraadpleegd 24 februari 2023 via aanpakeenzaamheid.nl/anjamachielse. Bellaart, H. en M. Uyterlinde (2021). Wijkenbeleid en diversiteit: terug van weggeweest. Geraadpleegd 24 februari 2023 via socialevraagstukken.nl/wijkenbeleid-en-diversiteit-terug-van-weggeweest. Bellaart, H. en A. Brock (2022). Verschillen in leefsituatie tussen groepen naar herkomst. KIS Wijkenmonitor 2022. Utrecht: Kennisplatform Inclusief Samenleven. Bergefurt, L., A. Kemperman, P. van den Berg, A. Borgers, P. van der Waerden, G. Oosterhuis en M. Hommel (2019). Loneliness and life satisfaction explained by public-space use and mobility patterns. In: International Journal of Environmental Research and Public Health, jg. 16, nr. 21, p. 4282. Beugelsdijk, S. en T. van Schaik (2005). Social capital and growth in European regions: an empirical test. In: European Journal of Political Economy, jg. 21, nr. 2, p. 301-324. Beugelsdijk, S., J. de Hart, P. van Houwelingen en M. Versantvoort (2019).

Denkend aan Nederland. Sociaal en Cultureel Rapport 2019. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Bjørnskov, C. (2012). How does social trust affect economic growth? In: Southern Economic Journal, jg. 78, nr. 4, p. 1346-1368. Blijleven, W. en S. Kooiker (2022). Overdragen, overdragen, delen en herstellen, Overheidsvisies op de verdeling van verantwoordelijkheden sinds 2011. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Boelhouwer, J. en F. Vonk (2019). Kwaliteit van leven leefsituatie en tevredenheid met het leven. In: A. Wennekers, J. Boelhouwer, C. van Campen en J. Kullberg (red.). De Staat van Nederland 2019 (p. 305-343). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Boer, A. de, M. de Klerk, D. Verkeek-Oudijk en I. Plaisier (2020). Blijvende bron van zorg. Ontwikkelingen in het geven van informele hulp 2014-2019. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Boterman, W.R. en S. Musterd (2016). Cocooning urban life: Exposure to diversity in neighbourhoods, workplaces and transport. In: Cities, jg. 59, nr. november, p. 139-147. Bovens, M., P. Dekker en W. Tiemeijer (2014). Gescheiden werelden? Een verkenning van sociaal-culturele tegenstellingen in Nederland. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en Sociaal en Cultureel Planbureau. Britt, A., M. Kwakernaak, F. de Meere, L. Reches, I. Schell, N. de Wit, P. Rensen, R. Engbersen, O. de Zwart, M. Voorwinden en L.

Kok (2022). Leren, sturen en verantwoorden in de sociale basis. Utrecht: Verwey-Jonker instituut.

21

Bronfenbrenner, U. (1995). Developmental ecology through space and time: A future perspective). In: P. Moen, G.H. Elder jr. en K. Lüscher (red.). Examining lives in context: Perspectives on the ecology of human development (p. 619-657). Cambridge: Harvard University Press. Brummel, A., I. Maathuis, M. Meulen, N. van der Erp, M. van Planije en P. van der Horst (2022). Welkome Wijk. Handreiking gebaseerd op het onderzoek Welkome Wijk. Arnhem: HAN University of Applied Sciences Press. Buitelaar, E., A. Weterings, O. Raspe, O. Jonkeren en W.R. Boterman (2016). Verdeelde triomf. Verkenning van stedelijk-economische ongelijkheid en opties voor beleid. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. BZK (2022a). Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Den Haag: Ministerie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. BZK (2022b). Nationale woon- en bouwagenda. Den Haag: Ministerie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Cacioppo, S., A.J. Grippo, S. London, L. Goossens en J.T. Cacioppo (2015). Loneliness: Clinical import and interventions. In: Perspectives on Psychological Science, jg. 10, nr. 2, p. 238-249. CBS (2022a). Integratie en samenleven 2022. Geraadpleegd 24 februari 2023 via longreads.cbs.nl/integratie-ensamenleven-2022. CBS (2022b). Sociale contacten en maatschappelijke participatie (StatLine).

Geraadpleegd 24 februari 2023 via www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/82249NED. CBS (2022c). Vooral jongeren emotioneel eenzaam in 2021 (nieuwsbericht, 29 september 2022). Geraadpleegd 24 februari 2023 via www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/39/vooral-jongeren-emotioneel-eenzaam-in-2021. CBS (2022d). Vertrouwen in mensen en organisaties; persoonskenmerken (StatLine). Geraadpleegd 9 maart 2023 via opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82378NED/table?dl=7A17F. Chan, J., H.P. To en E. Chan (2006). Reconsidering social cohesion: Developing a definition and analytical framework for empirical research. In: Social Indicators Research, jg. 75, nr. 2, pp. 273-302. Charron, N., V. Lapuente en A. Rodríguez-Pose (2022). Uncooperative society, uncooperative politics or both? Trust, polarization, populism and COVID‐19 deaths across European regions. In: European Journal of Political Research. (doi.org/10.1111/1475-6765.12529). CRM (2022). Monitor Discriminatiezaken over 2021. Utrecht: College voor de Rechten van de Mens. Dagevos, J., M. de Voogd-Hamelink en R. Damen (2022). Gevestigd, maar niet thuis. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Dekker, P., J. den Ridder, P. van Houwelingen en E. Miltenburg (2020), Continu Onderzoek Burgerperspectieven 2020|2. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Delhey, J., Newton, K., & Welzel, C. (2011).

How general is trust in “most people”? Solving the radius of trust problem. In: American Sociological Review, jg. 76, nr. 5, p. 786-807. Dijkstra, A.B., G.T. Dam en A. Munniksma (2021). Inequality in citizenship competences. Citizenship education and policy in the Netherlands. In: B. Malak-Minkiewicz en J. Torney-Purta (red.). Influences of the IEA Civic and Citizenship Education Studies (p. 135-146). Cham: Springer. Dinesen, P.T., M. Schaeffer en K.M. Sønderskov (2020). Ethnic diversity and social trust: A narrative and metaanalytical review. In: Annual Review of Political Science, jg. 23, nr. 1, p. 441-465. Ellemers, N. (2012). The group self. In: Science, jg. 336, nr. 6083, p. 848-852. Eurostat (2022). Household composition statistics. Geraadpleegd 7 februari 2023 via ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Household_composition_statistics. Fokkema, T. en M. Das (2021). Marokkaanse en Turkse migrantenouderen zijn eenzaam ondanks sociale contacten. In: Demos, jg. 37, nr. 6, pp. 5-7. Fokkema, M. en A. van Tol (2022). Toename rijksbudgetten voor de gebiedsgerichte aanpak. Financieringsstromen van het Rijk richting de 16 stedelijke vernieuwingsgebieden. Den Haag: Platform31. Goedhart, N.S., D. Dedding, M.J. Rodriguez en P. Spruijt (2022). “Ik ben maar een mbo’er.” Het mentaal welbevinden van mbo-studenten tijdens de coronacrisis.

Bilthoven/Amsterdam: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en Amsterdam Universitair Medisch Centrum. Gool, M. van, M. Versantvoort, L. van Noije, D. Verbeek-Oudijk, A. van den Broek en C. van Campen (2022). Reflectie op het coalitieakkoord 2021-2025 vanuit het burgerperspectief. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

22

Granovetter, M. (1983). The strength of weak ties: A network theory revisited. In: Sociological Theory, jg. 1, p. 201233. Haaften, A.F. van (2022). Ethnic sorting in football: A quantitative analysis of ethnicity and membership in Dutch amateur football (dissertatie Universiteit Utrecht)). Geraadpleegd 7 maart 2023 via dspace.library.uu.nl/handle/1874/423893. Habibov, N., A. Cheung en A. Auchynnikava (2017). Does social trust increase willingness to pay taxes to improve public healthcare? Cross-sectional cross-country instrumental variable analysis. In: Social Science and Medicine, jg. 189, nr. september, p. 25-34. Halman, L., T. Reeskens, I. Sieben, en M. van Zundert (2022). Atlas of European Values: Change and continuity in turbulent times. Tilburg: Open Press TiU. Hofstra, B. (2022). Interethnic weak ties online and out-group attitudes among Dutch ethnic majority adolescents. In: European Societies, jg. 24, nr. 4, p. 463-492. Hofstra, B., R. Corten, F. van Tubergen en N.B. Ellison (2017). Sources of segregation in social networks: A novel approach using Facebook. In: American Sociological Review, jg. 82, nr. 3, p. 625-656. Hofstra, B., V.V. Kulkarni, S. Munoz-Najar Galvez, B. He, D. Jurafsky en D.A. McFarland (2020). The diversityinnovation paradox in science. In: Proceedings of the National Academy of Sciences, jg. 117, nr. 17, p. 92849291. Huijnk, W. (2020).

Werk in ontwikkeling? Veranderingen sinds begin deze eeuw in de arbeidsmarktpositie van personen met een niet-westerse migratieachtergrond. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Huijnk, W. en I. Andriessen (red.) (2016). Integratie in zicht? De integratie van migranten in Nederland op acht terreinen nader bekeken. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Huijnk, W., J. Dagevos, M. Gijsberts en I. Andriessen (2015). Werelden van verschil. Over de sociaal-culturele afstand en positie van migrantengroepen in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Huijnk, W., R. Damen en L. van Kampen (2022). LHBT-monitor 2022. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Inspectie van het Onderwijs (2022a). Peil.Burgerschap einde basisonderwijs 2019-2020. Zoetermeer: Inspectie van het Onderwijs. Inspectie van het Onderwijs (2022b). Schoolsegregatie (technisch rapport). Zoetermeer: Inspectie van het Onderwijs. Inspectie van het Onderwijs (2023). Selectie in het hoger onderwijs: Criteria, instrumenten en de borging van kansengelijkheid. Zoetermeer: Inspectie van het Onderwijs. Kalkbrenner, B.J. en J. Roosen (2016). Citizens’ willingness to participate in local renewable energy projects: The role of community and trust in Germany. In: Energy Research and Social Science, jg. 13, nr. maart, p. 60-70. Kas, J., R. Corten en A. van de Rijt (2022).

The role of reputation systems in digital discrimination. In: SocioEconomic Review, jg. 20, nr. 4, p. 1905-1932. Kearns, A., E. Whitley, C. Tannahill en A. Ellaway (2015). ‘Lonesome town?’ Is loneliness associated with the residential environment, includijng housing and neigbourhood factors? In: Journal of Community Psychology, jg. 43, nr. 7, p. 849-867. Kim, E.S., Y. Chen, I. Kawachi en T.J. VanderWeele (2020). Perceived neighborhood social cohesion and subsequent health and well-being in older adults: An outcome-wide longitudinal approach. In: Health & Place, jg. 66, nr. november, p. 102420. Klerk, M. de, E. Eggink, P. van Echteld en M. Kromhout (2022). Uitdagingen in het sociaal domein. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Klok, J., T.G. van Tilburg, B. Suanet, T. Fokkema en M. Huisman (2017). National and transnational belonging among Turkish and Moroccan older migrants in the Netherlands: protective against loneliness? In: European Journal of Ageing, jg. 14, p. 341-351. Knapen, J., E. Zonneveld, M. Meijer, L. Hulsbosch, C. Aussems. J. Menting en H. Boeije (2022). Monitoring VNverdrag handicap: rapportage overkoepelende indicatoren: 2016-2021. Utrecht: Nivel. Knipscheer, C.P.M., J. de Jong-Gierveld, T.G. van Tilburg en P.A. Dykstra (red.) (1995). Living arrangements and social networks of older adults. Amsterdam: VU University Press. Kok, A.A., K.Y. Pan, N.

Rius-Ottenheim, F. Jörg, M. Eikelenboom, M. Horsfall, R. Luteijn, P. van Oppen, D. Rhebergen, R.A. Schoevers, E.J. Giltay en B.W. Penninx (2022). Mental health and perceived impact

23

during the first Covid-19 pandemic year: A longitudinal study in Dutch case-control cohorts of persons with and without depressive, anxiety, and obsessive-compulsive disorders. In: Journal of Affective Disorders, jg. 305, nr. mei, pp. 85-93. Kros, K., R. Broekroelofs, H. Felten en S. Does (2022). Monitor lokaal antidiscriminatiebeleid. Utrecht: Kennisplatform Inclusief Samenleven. Kromhout, M., P. van Echtelt en P. Feijten (2020). Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kullberg, J., R. Mouktadibillah en J. de Vries (2021). Opgroeien in een kwetsbare wijk. Over buurteffecten en persoonlijke ervaringen van jongens en jonge mannen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Leidelmeijer, K. en J. Mandemakers (2022). Leefbaarheid in Nederland 2020. Een analyse op basis van de Leefbaarometer 3.0. Amsterdam: Atlas Research. Leun, J.P. van der en M.A. van der Woude (2011). Ethnic profiling in the Netherlands? A reflection on expanding preventive powers, ethnic profiling and a changing social and political context. In: Policing and Society, jg. 21, nr. 4, p. 444-455. Lodder G., M.A. van Scheppingen. E. de Caluwé en A.K. Reitz (2020). Eenzaamheid voorkomen in een periode van social distancing (COVID-19) (eindrapport). Tilburg: Tilburg University. McPherson, M., L. Smith-Lovin en J.M. Cook (2001).

Birds of a feather: Homophily in social networks. In: Annual Review of Sociology, jg. 27, nr. 1, p. 415-444. Miltenburg, E., B. Geurkink, S. Tunderman, D. Beekers en J. den Ridder (2022). Burgerperspectieven 2022|2. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Mohnen, S.M., B. Völker, H. Flap, S.V. Subramanian en P.P. Groenewegen (2015). The influence of social capital on individual health: is it the neighbourhood or the network? In: Social Indicators Research, jg. 121, nr. 1, p. 195-214. Movisie/VNG (2022). VN-verdrag Handicap in gemeenten. Flitspeiling stand van zaken. Geraadpleegd 24 januari 2023 via movisie.nl/sites/movisie.nl/files/2022-10/Movisie_VNG-flitspeiling.pdf. NCAB (2022). Werkplan Antisemitismebestrijding 2022-2025. Den Haag: Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. NCDR (2022). Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 2022. Den Haag: Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. NIDI/CBS (2020). Bevolking 2050 in beeld: drukker, diverser en dubbelgrijs. Den Haag: Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut en Centraal Bureau voor de Statistiek. Noordzij, K., W. de Koster en J. van der Waal (2021). “They don’t know what it’s like to be at the bottom”: Exploring the role of perceived cultural distance in less‐educated citizens’ discontent with politicians. In: The British Journal of Sociology, jg. 72, nr. 3, p. 566-579. OCW (2022).

Verslag van gesprekken met het onderwijsveld over het masterplan basisvaardigheden. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. OECD (2021). All the lonely people: Education and loneliness. In: Trends Shaping Education Spotlights, nr. 23. Parijs: OECD Publishing. Geraadpleegd 10 februari 2023 via www.oecd.org/education/all-the-lonely-people23ac0e25-en.htm. Onderwijsraad (2019). Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel. De stand van educatief Nederland. Den Haag: Onderwijsraad. Olsthoorn, M. en A. Roeters (2023). Reflectie SCP op Aanpak Arbeidsmarktkrapte: Krappe arbeidsmarkt vraagt om meer mensgerichte oplossingen (kennisnotitie). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Putnam, R.D. (1992). Making democracy work: Civic traditions in modern Italy. Princeton: Princeton University Press. Quillian, L. en J.J. Lee (2023). Trends in racial and ethnic discrimination in hiring in six Western countries. In: Proceedings of the National Academy of Sciences, jg. 120, nr. 6, e2212875120. Ridder, J. den en P. Dekker (2018). Burgerperspectieven 2018|3. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Ridder, J. den, E. Josten, J. Boelhouwer en C. van Campen (2020). De sociale staat van Nederland 2020. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Ridder, J. den, L. Vermeij, R. Maslowski en L. ’t Hul (2021). Burgerperspectieven 2021|4.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

24

Ridder, J. den, E. Miltenburg, S. Kunst, L. ’t Hul en A. van den Broek (2022). Burgerperspectieven 2022|1. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. RIVM (2022). Kwartaalonderzoek jongeren. Geraadpleegd 13 februari 2023 via www.rivm.nl/gezondheidsonderzoek-covid-19/kwartaalonderzoek-jongeren. ROB (2021a). Rust – Reinheid – Regelmaat. Den Haag: Raad voor het Openbaar Bestuur. ROB (2021b). Rol nemen, ruimte geven. De rol van het Rijk bij interbestuurlijke samenwerking. Den Haag: Raad voor het Openbaar Bestuur. Rodríguez-Pose, A. en V. Von Berlepsch (2019). Does population diversity matter for economic development in the very long term? Historic migration, diversity and county wealth in the US. In: European Journal of Population, jg. 35, nr. 5, p. 873-911. Roos, S. de, F. Bucx en E. van den Berg (2021). Sociale netwerken van ouders. Steun bij de opvoeding en andere ouderschapstaken. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. RVS/CRa (2022). Ruimte maken voor ontmoeting. De buurt als sociale leefomgeving. Den Haag: Raad voor Volksgezondheid en Samenleven en College van Rijksadviseurs. Schakel, W. (2021). Unequal responsiveness in the Netherlands. In: Socio-Economic Review, jg. 19, nr. 1, p. 37-57. Schiefer, D. en J. van der Noll (2017). The essentials of social cohesion: A literature review. In: Social Indicators Research, jg. 132, nr. 2, p. 579-603. Schmeets, H. en J.

Exel (2020). Vertrouwen, maatschappelijk onbehagen en pessimisme. Geraadpleegd 24 februari 2023 via www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2020/vertrouwen-maatschappelijkonbehagen-en-pessimisme. Schmeets, H. en J. Exel (2021). Vertrouwen van migranten in medemens en instituties. Geraadpleegd 24 februari 2023 via www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2021/vertrouwen-van-migranten-in-medemensen-instituties. Schmeets, H. en J. Exel (2022). Vertrouwen in medemens en instituties voor en tijdens de pandemie. Geraadpleegd 24 februari 2023 via www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2022/vertrouwen-in-medemens-eninstituties-voor-en-tijdens-de-pandemie?onepage=true. Schnabel, P. (2018). Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht. Amsterdam: Prometheus. Son, J. en N. Lin (2012). Network diversity, contact diversity, and status attainment. In: Social Networks, jg. 34, nr. 4, p. 601-613. Surkalim, D.L., M. Luo, R. Eres, K. Gebel, J. van Buskirk, A. Bauman en D. Ding (2022). The prevalence of loneliness across 113 countries: Systematic review and meta-analysis. In: BMJ, jg. 376, e067068. Sutcliffe, A., R. Dunbar, J. Binder en H. Arrow (2012). Relationships and the social brain: integrating psychological and evolutionary perspectives. In: British Journal of Psychology, jg. 103, nr. 2, p.149-168. SZW (2022). Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie 2022-2025.

Gelijkwaardige kansen voor iedereen. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tam, K.P. en H.W. Chan (2018). Generalized trust narrows the gap between environmental concern and proenvironmental behavior: Multilevel evidence. In: Global Environmental Change, jg. 48, nr. 1, p. 182-194. Tiemeijer, W. (2021). Project Nederland. Van feitelijke naar gewenste nationale identiteit. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. TK (2019/2020). Wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs. Memorie van toelichting van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 28 november 2019. Tweede Kamer, vergaderjaar 2019/2020, 35352, nr. 3. TK (2020/2021a). Voortgang aanpak discriminatie en racisme. Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 juni 2021. Tweede Kamer, vergaderjaar 2020/2021, 30950, nr. 250. TK (2020/2021b). Wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met onder andere de uitbreiding van het bestuurlijk handhavingsinstrumentarium (Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium onderwijs). Memorie van toelichting van minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 29 september 2021. Tweede Kamer, vergaderjaar 2020/2021, 35920, nr. 3. TK (2020/2021c).

Kabinetsreactie inzake het Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)-rapport ‘Samenleven in verscheidenheid’. Brief van minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, minister van

25

Volksgezondheid, Welzijn en Sport, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 maart 2021. Tweede Kamer, vergaderjaar 2020/2021, 29861, nr. 70. TK (2021/2022a). Hoofdlijnen toekomst Wmo. Brief van de staatssecretaris van Volksgez,ondheid, Welzijn en Sport van 28 maart 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022, 29538 nr. 332. TK (2021/2022b). Vervolg coördinerende aanpak implementatie van het VN-verdrag handicap. Brief van de minister voor Langdurige Zorg en Sport van 19 april 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022, 24170, nr. 254. TK (2022/2023). Vervolgaanpak Eén tegen eenzaamheid 2022-2025. Brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023, 29538, nr. 344. Tubergen, F. en B. Völker (2015). Inequality in access to social capital in the Netherlands. In: Sociology, jg. 49, nr. 3, p. 521-538. Veldheer, V., J.-J. Jonker, L. van Noije en C. Vrooman (2012). Een beroep op de burger. Minder verzorgingsstaat, meer eigen verantwoordelijkheid? Sociaal en Cultureel Rapport 2012. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Vermeij, L. (2021). Vier typen gemeenten. Een instrument om verschillen tussen gemeenten in beeld te brengen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Vermeij, L. en W. Hamelink (2021). Lang niet toegankelijk.

Ervaringen van Nederlanders met een lichamelijke beperking als spiegel van de samenleving. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Visser, V., W. de Koster en J. van der Waal (2021). Understanding less-educated citizens’ (non-)participation in citizens’ initiatives: Feelings of entitlement and a taste for politics. In: Current Sociology (doi.org/10.1177/00113921211024700). Vogels, R., M. Turkenburg en L. Herweijer (2021). Samen of gescheiden naar school. De betekenis van sociale scheiding en ontmoeting. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Völker, B. (2022). Netwerken in lockdown. Over de gevolgen van coronamaatregelen voor relaties en eenzaamheidsgevoelens. In: S. André, T. Reeskens en B. Völker (red.), De sociologie en de pandemie. Inzichten en vooruitblik na twee jaar coronacrisis (p. 182-194). Tilburg: Open Press Tilburg University. Völker, B., I. Andriessen en H. Posthumus (2014). Gesloten werelden? Sociale contacten tussen lager- en hogeropgeleiden. In: M. Bovens. P. Dekker en W. Tiemeijer. (red.), Gescheiden werelden? Een verkenning van sociaal-culturele tegenstellingen in Nederland (p. 217-233). Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en Sociaal en Cultureel Planbureau. Vrooman, C., J. Boelhouwer, J. Iedema en A. van der Torre (2023). Eigentijdse ongelijkheid. De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal.

Verschil in Nederland 2023. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. VVD, D66, CDA en ChristenUnie (2021). Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst. Coalitieakkoord 2021-2025. Den Haag: Rijksoverheid. VZinfo.nl (2021). Eenzaamheid | Regionaal | Volwassenen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Geraadpleegd 5 december 2022 via www.vzinfo.nl/eenzaamheid/regionaal/volwassenen. Wellman, B. en S. Wortley (1990). Different strokes from different folks: Community ties and social support. In: American Journal of Sociology, jg. 96, nr. 3, pp. 558-588. Wennekers, A. en A. van der Torre (2020). Vrije tijd. In: J. den Ridder, E. Josten, J. Boelhouwer en C. van Campen (red.), De staat van Nederland 2020. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. WRR (2020). Samenleven in verscheidenheid. Beleid voor de migratiesamenleving. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Yu. R., G. Leung, J. Chan, B.H.K. Yip, S. Wong, T. Kwok en T. Woo (2021). Neighborhood social cohesion associates with loneliness differently among older people according to subjective social status. In: Journal of Nutrition, Health and Aging, jg.25, nr. 1, p. 41-47. Zoorob, M.J. en J.L. Salemi (2017). Bowling alone, dying together: The role of social capital in mitigating the drug overdose epidemic in the United States. In: Drug and Alcohol Dependence, jg. 173, nr. 1, p. 1-9.

26

2

Meer meedoen aan het maatschappelijk leven Andries van den Broek, Willem Huijnk en Edith Josten

2.1

Meer mensen, meer meedoen: ambities en beperkingen

Mensen kunnen op tal van manieren deel hebben aan het maatschappelijk leven. Vaak heeft dat meedoen zowel persoonlijke als maatschappelijke waarde. Zo verhoogt betaald werk niet alleen de individuele, maar ook de collectieve kwaliteit van leven. En zo hebben sport en bewegen naast de persoonlijke genoegens van ontspanning en fitheid eveneens de maatschappelijke waarde van een gezondere bevolking. In het coalitieakkoord staat dat het kabinet wil dat ‘alle inwoners naar vermogen mee kunnen doen’ (VVD et al. 2021). Gezien de beleidsambities komt dat er bij veel onderdelen van het maatschappelijk leven op neer dat burgers zich vooral méér moeten inspannen. De argumentatie daarachter is dat de overheid op elk van deze terreinen collectieve en individuele voordelen van een grotere deelname verwacht. De vraag is echter of méér deelname altijd past in het leven van burgers. Ten eerste gaan individueel en collectief belang niet altijd als vanzelf hand in hand. Meer van een activiteit met collectieve waarde hoeft immers niet altijd ook meer individuele waarde te betekenen. De overheidsambitie dat meer mensen meer gaan werken, bijvoorbeeld, vormt enerzijds een antwoord op de behoefte aan arbeidskrachten, waaraan door de vergrijzing steeds vaker een tekort kan komen.

Anderzijds stuit de ambitie op de beperking dat het op individueel en gezinsniveau kan leiden tot krapte in de tijd, of dat mensen er gewoon geen behoefte aan hebben. Met andere woorden: de eigen voorkeuren van burgers kunnen anders liggen. Ten tweede kunnen beleidsambities concurreren met elkaar, doordat ze een beroep doen op de tijd van dezelfde mensen. De mogelijkheden voor iemand om meer mee te doen zijn immers begrensd. Niemand heeft meer dan 168 uur per week (en nog minder na aftrek van noodzakelijke activiteiten zoals eten, slapen, enz.). De collectieve opbrengst van méér van de ene activiteit kan dan leiden tot een ongewenste krimp van de andere, bijvoorbeeld als meer betaald werk zou leiden tot minder mantelzorg of minder vrijwilligerswerk, omdat mensen daar minder tijd voor overhouden. En als ze wel extra inspanningen leveren op meerdere vlakken én de gezamenlijke druk daarvan te hoog wordt, brengt dat het risico van overbelasting met zich mee, wat niet alleen op individueel, maar ook collectief niveau onwenselijk is. Deze notitie schijnt meer licht op meedoen aan het maatschappelijk leven.

Het gaat in op een aantal participatievormen die de overheid bevordert onder de hele ofwel specifieke delen van de bevolking: een zo goed mogelijke opleiding behalen, betaald werk verrichten, aanvullende scholing volgen, voor kinderen zorgen, mantelzorg en vrijwilligerswerk doen, sporten en bewegen, en deelnemen aan cultuur. Eerst passeert, per participatievorm, kort de revue op welke groepen de ambities zich vooral richten en wat de overwegingen voor de beleidsambitie in kwestie zijn. Daarna volgt, eveneens per participatievorm, een overzicht van de feitelijke situatie: zijn de beoogde groepen inderdaad méér gaan meedoen op deze terreinen, en in hoeverre wensen ze zelf eigenlijk een grotere participatie, voor zover ons hierover cijfers bekend zijn? Vervolgens komen de consequenties aan bod van meer meedoen op het ene terrein voor andere vormen van participatie (en vice versa) en welbevinden. We 27

beperken ons daarbij tot een aantal activiteiten die de overheid zodanig belangrijk vindt dat ze er beleid op voert. Het gaat in de eerste levensfase dan om het terrein onderwijs, in de tweede levensfase om betaald werk en mantelzorg, en in de derde levensfase om mantelzorg. We zullen zien dat de overheidsambities er zeker in de tweede levensfase, de werkzame leeftijd, op neerkomen dat meer mensen activiteiten meer of langduriger moeten combineren. Maar ook in de eerste en derde levensfase, de school- en studeerfase en na pensionering, spelen uitdagingen, zoals prestatiedruk onder jongeren. In deze notitie ligt de focus dus op het risico van een mogelijke overvloed aan meedoen, de daaraan verbonden consequenties en de beleidsimplicaties daarvan. Uiteraard kan er bij delen van de bevolking juist sprake zijn van een schaarste aan meedoen. Dat staat hier niet centraal, maar komt in andere bijdragen van Sociale en culturele ontwikkelingen aan de orde: in de notitie Adequate ondersteuning van mensen in kwetsbare situaties gaat het over kwetsbare groepen en in de notitie Samenleven in verscheidenheid gaat het over eenzaamheid. Een kanttekening bij deze bijdrage is dat de recentste gegevens over feitelijke deelname vaak uit de coronajaren stammen, hetgeen op onderdelen noopt tot reflectie op de invloed van de coronapandemie op meedoen.

2.2

De beleidsambitie: meer meedoen

Realisatie van de overheidsambities zou betekenen dat de ene groep mensen op meer terreinen extra stappen moet zetten dan de andere. Soms is dat beoogd: dan zijn er extra beleidsinspanningen richting een specifieke groep, om zo hun achterblijvende deelname op een bepaald terrein te verhogen. In andere gevallen is het niet de expliciete bedoeling van het beleid: dan is er sprake van generieke maatregelen, maar komen die eerder bij de ene dan de andere groep terecht. Zoals hierna zal blijken is dat laatste bijvoorbeeld het geval bij de beleidsambitie om de inzet van mantelzorg te vergroten: dat is algemeen beleid, maar zal vaker terechtkomen bij 40-plussers en ook vrouwen. Vrouwen en ouderen zijn ook degenen naar wie met name gekeken wordt voor het realiseren van een andere beleidsambitie met een hoge overheidsprioriteit, een grotere arbeidsdeelname. 2.2.1 De dubbelrol van onderwijs Het beleid rond onderwijs is hoofdzakelijk gericht op jongeren, met speciale aandacht voor jongeren uit een lagere sociaal-economische klasse. De reden voor het beleid is dat de behaalde opleiding een belangrijke hulpbron is in het latere leven. Onderwijs volgen is niet alleen zelf een vorm van meedoen, maar ook een belangrijke voorwaarde voor andere vormen van meedoen, met name aan betaald werk.

En ook in het algemeen geldt: hoe meer opleiding mensen genoten hebben, hoe hoger de kwaliteit van leven (Boelhouwer en Vonk 2020). Het coalitieakkoord bevat dan ook ambities om alle jongeren goed onderwijs te geven en gelijke kansen op een opleiding passend bij hun talenten (VVD et al. 2021). Zo moeten de vaardigheden die jongeren hebben opgedaan in het basis- en voortgezet onderwijs verbeterd worden met het (structurele) Masterplan Basisvaardigheden. Dit heeft als speerpunt basisvaardigheden op het gebied van de Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en burgerschap te versterken door een infrastructuur van kennis en ondersteuning te borgen. Daarnaast zet beleid in op een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt, met name in het mbo, op versterking van de digitale vaardigheden. Ook wordt het belang onderstreept van 21e-eeuwse vaardigheden, die men nodig acht voor de huidige arbeidsmarkt, zoals ICT-geletterdheid, probleemoplossingsvermogen, kritisch denken en

28

sociale competenties. Verder is er al jaren beleid om het aantal schoolverlaters zonder minstens een mbo-2-diploma te verkleinen. Maatregelen tegen onderwijsachterstanden bestaan onder andere uit het Nationaal Programma Onderwijs (NPO), dat de door de coronapandemie ontstane achterstanden moet verhelpen. Het NPO biedt scholen een financiële impuls, waarbij om kansengelijkheid te bevorderen scholen met veel leerlingen met een lagere sociaal-economische status (SES) een grotere impuls krijgen. Ook wordt geïnvesteerd in voor- en vroegschoolse educatie en in de rijke schooldag. De rijke schooldag poogt talent in brede zin te ontwikkelen door extra activiteiten aan te bieden, zoals sport, cultuur en huiswerkbegeleiding. In het hoger onderwijs is er aandacht voor kansengelijkheid door het vergroten van de financiële en sociale toegankelijkheid (inclusie en diversiteit) (zie TK 2021/2022a). 2.2.2 Meer werken is meer combineren Bij de ambitie van een grotere arbeidsdeelname kijkt de overheid vooral naar in deeltijd werkenden, wat meestal vrouwen zijn. De overheid ziet daar de meeste ruimte voor een grotere arbeidsinzet, want in Nederland werken velen in deeltijd, meer dan in landen om ons heen.

Waar vorige kabinetten er vooral op inzetten om deeltijders van een kleine in een grotere parttimebaan te krijgen (TK 2009/2010), richt het huidige kabinet zich er ook op om deeltijders te stimuleren voltijds te gaan werken (TK 2021/2022b). Vergroting van het aantal mensen in betaald werk is lastig te realiseren, want dat ligt al hoog, onder andere doordat de overheid al jaren beleid voert op dit vlak. Het kabinet wil nog wel een iets verdere verhoging bereiken, en heeft als doel dat het aandeel 20-64-jarigen met werk stijgt van 81,7% in 2021 naar 82,5% in 2030. Verder zal de arbeidsdeelname nog wat toenemen door het stijgen van de AWO-leeftijd en wil het kabinet doorwerken na de Aow-leeftijd bevorderen. Een belangrijke reden voor het overheidsstreven naar meer meedoen aan betaald werk is de vergrijzing. De vergrijzing leidt tot grotere Aow- en zorgkosten, en daarom wil het kabinet via een grotere arbeidsdeelname de belastingopbrengsten verhogen. Verder neemt door de vergrijzing het risico op structurele personeelstekorten toe doordat de groei van de beroepsbevolking (dat zijn werkenden en werkzoekenden samen) gaat stokken (Ebregt et al. 2022). Ook hiervoor moet meer meedoen aan betaald werk een oplossing bieden. Als deeltijders meer uren gaan maken, zou dat betekenen dat meer mensen een langere werkweek moeten combineren met andere taken, zoals de zorg voor kinderen.

Om dat mogelijk te maken roept het kabinet werkgevers op om hun personeel voorspelbaarder werktijden en meer zeggenschap over hun werktijden en -plek te geven. Ook wil het kabinet de kinderopvang goedkoper maken, zodat werk en zorgen voor kinderen gemakkelijker te combineren zijn. 2.2.3 Meer meedoen aan een leven lang ontwikkelen De overheid bevordert meedoen aan bijleren van iedereen in de werkzame leeftijd. Ze stimuleert het extra onder mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden, ouderen en mensen met flexcontracten, omdat die betrekkelijk weinig activiteiten ondernemen op dit vlak. De doelstelling is dat in 2030 minstens 62% van alle mensen in de leeftijd 25-64 jaar, werkend én niet-werkend, jaarlijks aan een of meer scholingsactiviteiten deelneemt (TK 2022/2023a). Door geregeld bij te leren, kunnen mensen hun kennis en vaardigheden en vaardigheden hun hele loopbaan actueel te houden. Dat moet hen beter inzetbaar houden, met voordelen voor zowel de maatschappij (minder uitkeringen, meer arbeidsdeelname, hogere arbeidsproductiviteit) als voor de betrokkenen zelf (grotere kans op werk, leuker werk, meer inkomen). De overheid verwacht dat de 29

noodzaak van bijleren de komende jaren toeneemt door versnelling van technologische ontwikkelingen, verduurzaming, globalisering en veranderende consumentenvoorkeuren. Daarom wil ze de mate van bijleren vergroten, ondanks dat die in Nederland, in Europees opzicht, al hoog ligt (Maslowski 2019). Het beleid is gericht op het verlagen van financiële drempels, het bevorderen van een leercultuur in bedrijven en een flexibeler scholingsaanbod in het mbo en hbo, dat beter past bij de behoeften van wie scholing willen volgen (TK 2018/2019; TK 2020/2021). De overheid voert al meerdere jaren beleid ter bevordering van bijleren tijdens de loopbaan, maar heeft dat vanaf 2022 geïntensiveerd met het STAP-budget, waarmee mensen een financiële tegemoetkoming kunnen krijgen in hun scholingskosten. 2.2.4 Meer mantelzorgers door ondersteuning De ambitie om mensen meer mantelzorg te laten geven is niet gericht op specifieke groepen, maar zal in de praktijk wel vaak bij 40-plussers, ouderen en vrouwen terechtkomen. De 40-plussers lopen de kans dat een ouder of schoonouder hulp nodig heeft en ouderen kunnen te maken krijgen met een partner die zorgt vergt. Voorts geldt dat zorg voor ouders in de praktijk vaker door dochters dan zoons wordt gegeven (Josten en De Boer 2015a).

Het overheidsstreven naar meer mantelzorg is ingegeven door de vergrijzing: de bedoeling is om zo de stijging van de zorgkosten en van het aantal in de zorgsector nodige arbeidskrachten te beperken (TK 2022/2023b). De overheidsambitie op dit vlak is niet nieuw. Ze voert al meerdere jaren beleid om de inzet van mantelzorgers te vergroten, bijvoorbeeld met de hervormingen in de langdurige zorg (uit 2015), waarachter de gedachte zat dat mensen meer voor elkaar gaan zorgen (Kromhout et al. 2018). Er zijn maatregelen om mantelzorgers te ondersteunen, met ook nadrukkelijk een rol voor werkgevers. Zo zijn er regelingen om mantelzorg beter met betaald werk te kunnen combineren, zoals de optie van zorgverlof. De Wet flexibel werken geeft werknemers meer invloed op de tijden en plaats waar ze werken, wat de combinatie met privéverplichtingen zou vergemakkelijken (TK 2021/2022c). Verder is de uitvoering, via de Wmo, aan de gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor de advisering en de ondersteuning van mantelzorgers. Die ondersteuning kan bestaan uit (tijdelijke) vervangende zorg door een vrijwilliger of een beroepskracht (respijtzorg). De overheid erkent dat bepaalde groepen mantelzorgers extra aandacht vergen, zoals de jonge mantelzorgers. Er is ingezet op bewustwording rondom de problemen van deze mantelzorgers en er zijn specifieke voorzieningen en interventies ontwikkeld.

Anders dan in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, kent Nederland geen specifieke wetgeving voor jonge mantelzorgers (De Roos en De Boer 2022). 2.2.5 Zorg voor kinderen: stimuleren van combineren Bij de zorg voor kinderen streeft de overheid naar een evenrediger verdeling tussen mannen en vrouwen. Dat komt er bij de meeste koppels op neer dat vaders meer zorgtaken op zich zouden moeten nemen en moeders minder. De overheid heeft deze ambitie onder meer vanuit de gedachte dat dit de arbeidsparticipatie van vrouwen kan vergroten. Maatregelen hiervoor zijn de invoering van maximaal zes weken geboorteverlof voor vaders in 2020 en betaald ouderschapsverlof voor zowel vaders als moeders in 2022: ouders hebben vanaf 2 augustus 2022 recht op negen weken betaald verlof met een uitkering ter hoogte van 70% van het (maximum) dagloon, op te nemen binnen een

30

jaar na de geboorte. Beide maatregelen moet vaders van het begin af aan meer betrekken bij de opvoeding van hun kind. Generieker is dat de overheid, door de ondersteuning van de formele kinderopvang, stimuleert dat betaald werk en de zorg voor kinderen wordt gecombineerd. De beleidsassumptie is dat een gebrek aan betaalbare kinderopvang de arbeidsparticipatie van ouders remt, met name bij vrouwen Er ligt een plan voor hervorming van het kinderopvangstelsel, waarbij het idee is dat bijna gratis kinderopvang een remedie vormt voor de oplopende tekorten aan arbeidskrachten, juist ook in sectoren met grote tekorten, zoals de zorg. 2.2.6 Vrijwilligerswerk: grote meerwaarde, weinig beleidsaandacht De ambities voor meer inzet van vrijwilligerswerk betreffen onder andere meer vrijwilligerswerk in zorg- en welzijnsactiviteiten en zijn niet op specifieke groepen burgers gericht. Aanleiding voor de ambitie van meer vrijwilligerswerk in zorg- en welzijnsactiviteiten is wederom de vergrijzing. In het algemeen bestrijkt vrijwilligerswerk natuurlijk een veel breder terrein. Het is de kurk waarop een aanzienlijk deel van het maatschappelijk middenveld drijft. Verenigingen, stichtingen en informele groepen zijn ervan afhankelijk, evenals evenementen als festivals, sportevenementen en bloemencorso’s, alsook instellingen als kleinere musea, podia en (film)theaters.

Hetzelfde geldt voor liefdadigheidsactiviteiten als het bezoeken van alleenstaanden en ouderen. Vrijwilligerswerk varieert van het vervullen van bestuursfuncties tot het verrichten van hand-enspandiensten. Het kan structureel van aard zijn, maar ook een incidentele betrokkenheid. Op collectief niveau geldt het tevens als een stimulans van sociale contacten en sociale cohesie. Vrijwilligerswerk kan zowel bestaande verbanden bestendigen (‘bonding social capital’) als mensen uit verschillende ‘walks of life’ rond een gedeelde interesse samenbrengen (‘bridging social capital’). Op individueel niveau staat vrijwilligerswerk te boek als een manier om vaardigheden op te doen en zich te ontwikkelen. Concreet heeft het voor vluchtelingen met een verblijfstatus de functie in de Nederlandse samenleving te integreren (in deze functie staat vrijwilligerswerk twee keer in het coalitieakkoord (VVD et al. 2021)). De overheid heeft meer oog voor de vraag hoe vrijwilligerswerk in te zetten dan voor de vraag hoe zich voor vrijwilligerswerk in te zetten. Er is geen integraal rijksbeleid ter ondersteuning van vrijwilligerswerk. Er zijn wel enkele beleidsmaatregelen om vrijwilligerswerk te stimuleren. Een generieke maatregel is dat organisaties hun vrijwilligers een vergoeding kunnen geven.

Daarnaast zijn er de maatschappelijke diensttijd voor jongeren, beurzen voor studenten met bestuursfuncties en symbolische waardering in de vorm van de lintjesregen. Ook gemeenten voeren beleid rond vrijwilligerswerk: ‘Veel gemeenten benoemen in hun vrijwilligerswerkbeleid maatschappelijke opgaven waar vrijwilligers een bijdrage aan kunnen leveren. Vrijwel altijd betreft het opgaven in het sociaal domein, zoals het verminderen van eenzaamheid en langer thuis wonen van ouderen’ (VNG 2021). De grootste zorg in het veld is niet zozeer dat het ontbreekt aan overheidsbeleid, maar veeleer dat de regelgeving het vrijwilligerswerk soms belemmert (persoonlijke communicatie met medewerker van Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk. 2.2.7 Sporten en bewegen: persoonlijke en maatschappelijke gezondheidswinst De overheidsambities op het terrein van sport en bewegen zijn op iedereen gericht. Wie voldoende sport en beweegt, blijft gezonder en krijgt minder snel overgewicht. Op collectief niveau bevordert die individuele gezondheidswinst de economische productiviteit en vermindert die de zorgkosten. In 31

het Nationaal Preventieakkoord uit 2018 zijn hier daarom afspraken over gemaakt (VWS 2018a). Het rijksbeleid is erop gericht dat meer mensen gaan voldoen aan de beweegnorm, een leeftijdsafhankelijke norm van gezond geachte hoeveelheid beweging. Het doel is om het aandeel mensen dat die beweegnorm haalt te verhogen van circa de helft tot 75% in 2040. Daarnaast kent het Sportakkoord op het vlak van sociale cohesie de ambitie om inclusie in sport en bewegen te bevorderen (VWS 2018b). Sportbeleid is in de praktijk vooral een zaak van de gemeenten. 2.2.8 Cultuur: doel op zich met individuele en sociale meerwaarde Waar beleid rond sport en bewegen vooral is gericht op het bevorderen van beoefening, stimuleert het cultuurbeleid vooral het bezoek. Daarbij is specifieke aandacht voor groepen die minder culturele activiteiten bezoeken, zoals jongeren en mensen met een migratieachtergrond. De Wet op het specifiek cultuurbeleid spreekt van ‘het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen’. Het coalitieakkoord stelt: Cultuur is van wezenlijk belang voor onze samenleving en een investering in onze maatschappij: de verbindende, inspirerende en prikkelende kracht van kunst en cultuur brengt mensen bij elkaar, daagt uit en biedt nieuwe perspectieven.

[…] We willen cultuur toegankelijk maken voor iedereen, onder andere door een goede regionale spreiding door heel Nederland en extra investeringen in cultuurparticipatie. (VVD et al. 2021) Met name via het Fonds voor Cultuurparticipatie behoort ook het bevorderen van cultuurbeoefening tot de beleidsdoelen. Het idee achter de beleidssteun voor cultuurbezoek en -beoefening is de gedachte dat cultuurdeelname individuele en maatschappelijke meerwaarde zou hebben. Individueel zou het ontspanning bieden en de horizon van mensen verbreden. Maatschappelijk zou het door mensen bij elkaar te brengen een bijdrage leveren aan het bevorderen van sociale cohesie. Overigens is rijksbeleid hier niet de belangrijkste vorm van beleid. De som van de financiële bijdragen van de afzonderlijke gemeenten is groter dan de financiële bijdrage van het rijk (Van den Broek en Gieles 2018).

2.3

Actuele stand van zaken

Bij de beleidsambities van het kabinet tot ‘méér meedoen’ is veelal sprake van voortzetting van het pad dat eerdere kabinetten al volgden. Een overzicht van in hoeverre burgers inderdaad meer zijn gaan deelnemen, conform de overheidsambities, stuit op de beperking dat meedoen in recente jaren sterk is beïnvloed door de coronapandemie. Het maatschappelijk leven, en dus ook het meedoen eraan, werd erdoor gehinderd en op onderdelen zelfs tijdelijk stilgelegd. Er zijn op een aantal velden nog geen actuele cijfers beschikbaar die laten zien of dat is hersteld. Deze beperking buiten beschouwing latend is het beeld van het meedoen van burgers wisselend. Soms is er nauwelijks beweging en soms wat kleine plussen en een min. Steeds meer mensen hebben een startkwalificatie of ronden een hbo-/wo-opleiding af, een groter aandeel van de potentiële beroepsbevolking werkt, de deelname aan mantelzorg groeide licht en bij bewegen is er een licht opgaande lijn. Bij deelname aan levenslang ontwikkelen en cultuur was het beeld overwegend stabiel. Vrijwilligerswerk, daarentegen, gaf een daling te zien, ook al voor de coronapandemie. 2.3.1 Meer mensen met startkwalificatie en hbo- of wo-opleiding, geringere uitval Een groeiend deel van de bevolking in Nederland heeft minstens een opleiding op mbo-2-niveau of hoger (ook wel startkwalificatie genoemd), en steeds meer mensen hebben een hbo- of wo32

opleiding afgerond (figuur 2.1). Begin jaren tachtig waren mensen zonder startkwalificatie nog in de meerderheid. In 2021 had het grootste deel van de 15-75-jarigen een havo-, vwo- of mbo-diploma, met mensen die ook een hbo- of wo-opleiding afrondden als tweede grootste groep (Van der Mooren en De Vries 2022). Onder vrouwen groeide het aandeel dat een hbo- of wo-opleiding afrondde sneller dan onder mannen; in 2021 hadden meer vrouwen dan mannen een hbo- of wodiploma. Jongens presteren in het voortgezet onderwijs minder dan meisjes: ze vallen vaker uit, blijven vaker zitten en stromen vaker door van een meer theoretische naar een meer praktische opleiding (Onderwijsraad 2020). In het basisonderwijs zijn de sekseverschillen gering. Figuur 2.1

Opleiding: startkwalificatie en hbo+, naar sekse, personen van 15-90 jaar, 2003-2021 (in procenten)

Bron: CBS StatLine

Nederlanders met een migratieachtergrond zijn vaker praktisch opgeleid en hebben vaker geen startkwalificatie dan Nederlanders zonder migratieherkomst. In de voorbije jaren nam het verschil in opleiding tussen leerlingen met een Nederlandse en een migratieherkomst geleidelijk af. Dat verschil is onder de tweede generatie kleiner dan onder de eerste generatie. Ook het verschil naar migratieherkomst in het aandeel voortijdig schoolverlaters nam af en is kleiner onder de tweede generatie dan onder de eerste generatie (CBS 2022a). In vergelijking met scholieren uit andere EU-landen presteren Nederlandse 15-jarige scholieren goed in wiskunde en natuurwetenschappen. Dit geldt niet voor hun leesvaardigheid (Gubbels et al. 2019). Zorgwekkend is de dalende trend in lees- en rekenprestaties in het voortgezet onderwijs sinds begin deze eeuw (Maslowski 2020). Ook is het niveau van leerlingen in het voortgezet onderwijs gestagneerd of gedaald op het gebied van taal en rekenen. Een toenemend aantal leerlingen verlaat het onderwijs onvoldoende geletterd en/of gecijferd (Inspectie van het Onderwijs 2022). Ook het burgerschapsonderwijs stagneert. De kansen van leerlingen in het onderwijs zijn het resultaat van een cumulatief proces dat al begint voor aanvang van het basisonderwijs, doorloopt tot in het hoger onderwijs en doorwerkt in het latere leven.

Voorschoolse educatie neemt achterstanden niet weg, maar verkleint ze wel substantieel, met name op het gebied van de woordenschat. Dit geldt sterker voor kinderen met een migratieachtergrond of met een andere thuistaal dan voor kinderen van moeders die alleen 33

basisonderwijs of vmbo afrondden. Kinderen van ouders met minder inkomen of minder jaren opleiding zijn minder goed in taal en rekenen dan kinderen van ouders met meer inkomen of opleiding. Deze verschillen zijn vaak al meetbaar op tweejarige leeftijd en verdwijnen niet gedurende hun jeugd en schooltijd (Zumbuehl en Dillingh 2020). Recent belemmerde de coronacrisis de kansen om te leren, wat bij veel leerlingen tot een onderwijsachterstand leidde. In eerste instantie waren de achterstanden in het basisonderwijs het grootst onder leerlingen uit lagere sociaal-economische klassen, maar vervolgens maakte deze groep een grotere inhaalslag, waardoor hun coronaachterstand kleiner is dan die van kinderen met ouders die een hbo- of wo-opleiding afrondden. 2.3.2 Meer arbeidsdeelname, maar weinig animo voor grotere arbeidsduur Conform het beleidsdoel groeiden zowel het aandeel werkenden als de gemiddelde arbeidsduur van werkenden tussen 2013 en 2022 (figuur 2.2). De verbeterde economische situatie sinds 2013 droeg hieraan bij. Werkzoekenden konden makkelijker werk vinden. Maar er werd in 2022 ook meer gewerkt dan ten tijde van de personeelskrapte in 2007-2008 (CBS 2022b). De grotere arbeidsdeelname komt deels door het langer doorwerken van ouderen vanwege de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd.

Dat lijkt vooral een kwestie van ‘moeten’ te zijn, want de gewenste uittredeleeftijd lag tussen 2010 en 2020 onveranderd rond de 61-62 jaar (Pouwels en Josten 2022). Een ander deel van de gestegen arbeidsdeelname heeft als oorzaak dat recentere generaties vrouwen vaker betaald werk hebben dan eerdere generaties. Dit is ook een belangrijke oorzaak van de gegroeide wekelijkse arbeidsduur, want recentere generaties vrouwen korten hun werkweek rond de geboorte van hun eerste kind minder sterk in (CBS 2022c). Door verdere generatievervanging zal de gemiddelde arbeidsduur vermoedelijk verder stijgen. Deze groei voltrekt zich echter langzaam en biedt niet de kortetermijntoename van betaald werk die de overheid wenst. Ondertussen besteden mannen gemiddeld nog altijd meer tijd aan betaald werk dan vrouwen. Figuur 2.2

Aandeel betaald werkenden en gemiddelde wekelijkse arbeidsduur, personen van 15-75 jaar, 2013-2022 (in uren en procenten)

Bron: CBS (EBB’13-‘22)

De gemiddelde werkweek zou sneller stijgen als de huidige bevolking meer zou gaan werken. De animo hiervoor is echter beperkt: 9% van de vrouwelijke en 11% van de mannelijke deeltijders wilde 34

in 2021 een grotere werkweek en was daarvoor op korte termijn beschikbaar. Pas bij financiële noodzaak zou een groter deel van de vrouwelijke deeltijders een langere werkweek overwegen (CBS 2022c). De grootste groep in deeltijd werkende vrouwen bestaat uit oudere vrouwen zonder kleine kinderen. Een deel van hen is meer gaan werken toen de kinderen groter werden, maar uitbreiding naar voltijdswerk is voor deze vrouwen veelal een stap te ver (Portegijs 2022). De meeste inwoners van Nederland zien deeltijdwerk als de ideale arbeidsduur voor moeders, ongeacht de leeftijd van de kinderen (CBS 2022c). 2.3.3 Geen toename in bijleren Het aandeel 25-65-jarigen dat een opleiding of cursus volgt bleef tussen 2009-2010 en 2019-2020 vrijwel gelijk (figuur 2.3), ondanks het beleid ter bevordering van een leven lang ontwikkelen. Ook de werkenden onder hen gingen niet vaker aan dit soort activiteiten meedoen. In 2019-2020 slonk de deelname van werkenden aan formele scholing zelfs iets (zie ook Künn-Nelen et al. 2022; Pouwels 2022a; SER en TNO 2022). Waarschijnlijk was dat een tijdelijk gevolg van de coronapandemie, want later, eind 2020, was de deelname weer terug op het oude niveau (Pleijers en De Vries 2021). Figuur 2.3

a

Volgde een opleiding of cursus, naar positie op de arbeidsmarkt,a personen van 25-65 jaar, 2009-2010 - 2019-2020 (in procenten)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12632195/1