CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Inkomend - SCP - Notities Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2023

Informatiebijeenkomst 14 april 2023, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken52.032 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Notities

Sociale en Culturele Ontwikkelingen Stand van Nederland 2023 Onder redactie van Debbie Verbeek-Oudijk Sarah Hardus Andries van den Broek Mark Reijnders

Sociaal en Cultureel Planbureau Den Haag, april 2023

Inhoud 1

Samenleven in verscheidenheid .................................................................................................................................... 3 1.1

Inclusief samenleven ............................................................................................................................................. 3

1.2

Beleid gericht op randvoorwaarden van inclusief samenleven ......................................................................... 5

1.3

Actuele stand van zaken ........................................................................................................................................ 7

1.4

Bevorderen van inclusief samenleven................................................................................................................. 17

Noten ............................................................................................................................................................................... 20 Literatuur ............................................................................................................................................................................. 21 2

Meer meedoen aan het maatschappelijk leven.......................................................................................................... 27 2.1

Meer mensen, meer meedoen: ambities en beperkingen ................................................................................ 27

2.2

De beleidsambitie: meer meedoen .................................................................................................................... 28

2.3

Actuele stand van zaken ...................................................................................................................................... 32

2.4

Meer meedoen: over combinatiedruk, uitruil en stapeling .............................................................................. 39

2.5

Meer meedoen: implicaties van gecombineerde ambities................................................................................41

Noot

............................................................................................................................................................................... 45

Literatuur ............................................................................................................................................................................ 46 3

Adequate ondersteuning van mensen in kwetsbare situaties .................................................................................. 50 3.1

Inleiding ................................................................................................................................................................ 50

3.2

Institutionele context van het sociaal domein ................................................................................................... 51

3.3

Hoe gaat het met mensen in een kwetsbare situatie? ...................................................................................... 54

3.4

Beleidsimplicaties ................................................................................................................................................ 62

Noten ............................................................................................................................................................................... 68 Literatuur ............................................................................................................................................................................ 69 4

Verduurzaming vanuit burgerperspectief ....................................................................................................................73 4.1

Het maatschappelijke thema verduurzaming vanuit burgerperspectief ..........................................................73

4.2

Hoofdlijnen staand beleid op nationaal niveau ................................................................................................ 74

4.3

Actuele stand van zaken ...................................................................................................................................... 77

4.4

Slotbeschouwing.................................................................................................................................................. 86

Noten ............................................................................................................................................................................... 93 Literatuur ............................................................................................................................................................................ 95 5

Democratie en vertrouwen .......................................................................................................................................... 98 5.1

Steun voor de democratische rechtsstaat en zijn instituties ............................................................................ 98

5.2

Kabinetsbeleid ter versterking van democratie en rechtsstaat ........................................................................ 99

5.3

Actuele stand van zaken: burgers over democratie en politiek.......................................................................102

5.4

Beter beleid is een voorwaarde voor vertrouwen, maar niet de belangrijkste .............................................. 115

Noten .............................................................................................................................................................................. 118 Literatuur ...........................................................................................................................................................................120

2

1

Samenleven in verscheidenheid Lotte Vermeij en Frieke Vonk M.m.v. Bart van Hulst, Lex Thijssen en Joris Broere

1.1

Inclusief samenleven

De relaties tussen mensen zijn van grote waarde, om te beginnen voor henzelf. Sociale relaties met anderen voorzien in een fundamentele psychologische behoefte (Baumeister en Leary 1995), en leveren daarbij vele voordelen en mogelijkheden op. Mensen met goede sociale netwerken, oftewel veel persoonlijk sociaal kapitaal, zijn hierdoor gelukkiger en gezonder en komen verder in het leven dan anderen (zie bv. Mohnen et al. 2015; Son en Lin 2012). De relaties tussen mensen zijn ook van algemeen belang. Ze stellen mensen in staat hun gedrag op elkaar af te stemmen en samen doelen te bereiken die ieder voor zich niet had kunnen bereiken. In landen en regio’s met veel collectief sociaal kapitaal – waar bewoners bijvoorbeeld veel vertrouwen in elkaar hebben of veel vrijwilligerswerk doen – is meer economische welvaart dan elders (Beugelsdijk en van Schaik 2005; Bjørnskov 2012; Putnam 1992), bestaat minder criminaliteit (Akçomak en ter Weel 2012) en leven mensen langer en in een betere gezondheid (Zoorob en Salemi 2017). Ook is het draagvlak voor collectieve voorzieningen groter (Habibov et al. 2017) en zijn meer mensen bereid iets te doen of laten voor een algemeen belang, zoals duurzaamheid (Kalkbrenner en Roosen 2016; Tam en Chan 2018).

Ook tijdens de coronacrisis was dit duidelijk zichtbaar: in regio’s met meer collectief sociaal kapitaal volgden meer mensen de regels en adviezen en overleden minder mensen (Amdaoud et al. 2021; Barrios et al. 2021; Charron et al. 2022). De manier waarop mensen samenleven is dus niet alleen een zelfstandige dimensie van de kwaliteit van de samenleving, maar ook een factor die bijdraagt aan andere dimensies, zoals een duurzame samenleving, kansengelijkheid en de kwaliteit van leven van mensen in het algemeen. In vergelijking met veel andere landen scoort Nederland, samen met andere Noord-Europese landen, vrij hoog op indicatoren van collectief sociaal kapitaal (Beugelsdijk en Van Schaik 2005; Halman et al. 2022). Zo hebben Nederlanders relatief veel vertrouwen in elkaar en doen ze veel vrijwilligerswerk. Ook hebben ze een open houding ten opzichte van LHBTI+’ers (Huijnk et al. 2022) en valt het aandeel Nederlanders dat eenzaam is mee (OECD 2021; Surkalim et al. 2022). Hiermee is niet gezegd dat Nederland een land is met een traditionele of collectivistische manier van samenleven. Relatief veel mensen leven alleen (Eurostat 2022) en de meeste Nederlanders vinden de zorg voor hulpbehoevende ouderen meer een taak van de overheid dan van de familie (De Boer et al. 2020).

Als Nederlanders aangeven wat zij waarderen in het Nederlandse samenleven, noemen zij niet alleen het omzien naar elkaar, maar ook de vrijheid, tolerantie en openheid (Beugelsdijk et al. 2019; Den Ridder et al. 2021). Ondanks de goede scores op de indicatoren van collectief sociaal kapitaal vormt samenleven voor velen ook een bron van zorg; veel Nederlanders zien verharding, verhuftering, egoïsme en polarisatie (Den Ridder et al. 2021; Miltenburg et al. 2022). Al sinds de jaren zeventig vindt een ruime meerderheid van de Nederlanders dat de normen en waarden achteruitgaan (Den Ridder en Dekker 2018). De specifieke pijnpunten veranderen door de jaren heen. Migratie en integratie is al jaren een

3

punt van verdeeldheid en een zorg voor velen (Dekker et al. 2020). De afgelopen jaren werden tegenstellingen voelbaar rond corona en de maatregelen tegen de verspreiding daarvan (Den Ridder et al. 2022; Miltenburg et al. 2022). 1.1.1 Meer verschillen tussen mensen In verschillende opzichten lijken verschillen tussen Nederlanders groter te worden. Demografisch gezien zorgt migratie voor een groeiend aandeel inwoners met een achtergrond in een groeiend aantal landen (NIDI/CBS 2020; WRR 2020). Sociaal-cultureel gezien spelen individualisering en emancipatie een rol. Hierdoor vormen verschillende bevolkingsgroepen, zoals LHBTI+’ers en personen met een beperking, steeds zichtbaarder onderdeel van de samenleving. Tot slot zouden technologische ontwikkelingen van invloed kunnen zijn op verschillen en de manier waarop deze worden ervaren. Veel Nederlanders ervaren dat sociale media verschillen uitvergroten en zo bijdragen aan polarisatie (Miltenburg et al. 2022). Het samenleven met verscheidenheid heeft als positieve kant dat mensen elkaar aanvullen. Verschillen tussen mensen kunnen bijvoorbeeld culturele rijkdom, innovatie en economische welvaart met zich meebrengen (Hofstra et al. 2020; Rodríguez-Pose en Von Berlepsch 2019). Veel Nederlanders vinden het daarbij belangrijk dat mensen zichzelf kunnen zijn, ook als dat anders is dan wat anderen van hen verwachten (Den Ridder et al.

2021). Maar de verschillen tussen mensen kunnen samenleven ook ingewikkeld maken. Wanneer mensen veel van elkaar verschillen, kan onduidelijkheid en meningsverschil bestaan over welke doelen waardevol en nastrevenswaardig zijn (waarden) en welk gedrag gewenst en acceptabel is (normen). Het denken in ingroups en outgroups betekent daarbij dat ‘de ander’ vaak tegemoet getreden wordt vanuit vooroordelen en met minder empathie en solidariteit dan de eigen groep (Ellemers 2012). In de context van maatschappelijke ongelijkheid brengen deze mechanismen uitsluiting en kansenongelijkheid met zich mee. Mensen in maatschappelijke posities met weinig hulpbronnen en macht, zijn hierdoor beperkt in hun toegang tot de verschillende gelederen van de samenleving. Gezien de vele mechanismen die hierbij een rol kunnen spelen, kunnen uiteenlopende groepen te maken hebben met uitsluiting. De behoefte aan een meer inclusieve samenleving klinkt zowel in een Black Lives Matter(BLM)-demonstratie, een protest tegen de QR-code als in een demonstratie voor de jeugdzorg. En vaak zijn signalen minder luid, zoals wanneer een jonge man met een longziekte vertelt: ‘Alle leeftijdsgenoten gaan door, die gaan studeren, en zelf zit je een beetje op je zolderkamertje met een Wajong’ (Vermeij en Hamelink 2021: 137).

Uitsluiting klinkt ook door in de ervaring van een Turks-Nederlandse studente met vervelende grapjes op haar stageadres: ‘Maar je kon er gewoon niks over zeggen, want dan ben jij weer die allochtoon, dat heb ik wel heel erg gevoeld’ (Huijnk et al. 2015: 196). En in de ervaringen van een vrouw in armoede. Ze vertelt hoe zij en haar lotgenoten zich ‘aan de buitenkant’ van de samenleving lijken te bevinden (Den Ridder et al. 2021: 57). Het vermogen van een samenleving gedrag onderling af te stemmen en samen gedeelde doelen te bereiken, is afhankelijk van de mate waarin mensen zich bij de samenleving betrokken voelen en mogelijkheden zien. Wie zich betrokken voelt en kansen krijgt, zal zich immers ook meer uitgenodigd voelen deel te nemen in de samenleving en er zo aan bij te dragen. In het licht van de toenemende verschillen is het niet vanzelfsprekend dat mensen zich onderdeel voelen van de samenleving en zich positief verhouden tot anderen in de samenleving. Juist waar mensen samen verschillen overbruggen, kunnen zij ook een gezamenlijke richting bepalen. In deze notitie staat de inclusieve 4

samenleving centraal en het vraagstuk hoe de rijksoverheid deze kan bevorderen, oftewel hoe de rijksoverheid eraan bij kan dragen dat zoveel mogelijk mensen zich bij de samenleving ‘aangehaakt’ voelen.

1.2

Beleid gericht op randvoorwaarden van inclusief samenleven

In het coalitieakkoord wordt het probleemoplossend vermogen van de samenleving op verschillende punten aangesproken (VVD et al. 2021). Zo stimuleert de regering ‘burgerparticipatie en burgerinitiatieven’ (p.1) en maatschappelijke initiatieven om inburgering te bevorderen (p.27). Ook wil zij burgers betrekken bij de energietransitie, door de participatie van bewoners in windenergie te bevorderen (p.8) (zie ook de notitie Verduurzaming vanuit burgerperspectief). Dit aanspreken van de samenleving past binnen een langere beweging waarin de overheid verantwoordelijkheden bij de samenleving wil (terug)leggen (Veldheer et al. 2012). Hoewel het idee dat burgers zelf meer verantwoordelijkheid zouden moeten en kunnen nemen sinds 2014 in het publieke beleidsdiscours minder nadruk kreeg, bleef het op de achtergrond in verschillende beleidsdossiers van kracht, vooral met betrekking tot de lokale samenleving (Blijleven en Kooiker 2022). De regering voert de samenleving dus op als partner in de aanpak van verschillende maatschappelijke opgaven. Toch lijkt zij het samenleven nauwelijks te zien als doel van beleid (Van Gool et al. 2022).

Waar kabinetten in het verleden nog hoge ambities formuleerden in het versterken van ‘de binding tussen bevolkingsgroepen’ (kabinet-Kok II) of ‘het herstel van waarden en normen’ (kabinetten Balkenende), lijkt het huidige kabinet zich meer te richten op de randvoorwaarden van het samenleven. We onderscheiden hier drie clusters van beleid. 1.2.1 Bestrijden van discriminatie en uitsluiting In het streven naar ‘een samenleving waarin iedereen zichtbaar zichzelf kan zijn’ (VVD et al. 2021: 29) krijgt het tegengaan van discriminatie en uitsluiting en het bevorderen van inclusie en kansengelijkheid veel aandacht in het huidige coalitieakkoord. Het onderwerp is niet nieuw: het eerste artikel van de grondwet is gewijd aan de gelijke behandeling van ‘allen die zich in Nederland bevinden’ en wetten als de Algemene wet gelijke behandeling geven hier invulling aan. Al langer bestaat er beleid om discriminatie tegen te gaan op de arbeidsmarkt, de woningmarkt en in het onderwijs. Dat het thema hernieuwde prioriteit kreeg heeft te maken met signalen uit de samenleving, zoals de BLM-protesten en de toeslagenaffaire, die discriminatie door de overheid zelf duidelijk zichtbaar maakten (TK 2020/2021a).

Om verbinding te brengen in het bestaande beleid – gericht op uiteenlopende uitsluitingsgronden en maatschappelijke domeinen – werden in 2021 een Nationaal Coördinator voor Antisemitismebestrijding (NCAB) en een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) aangesteld. Ook werd de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme (SDR) ingesteld, die de regering de komende vier jaar op basis van onderzoek zal adviseren. In zijn eerste werkplan pleit de NCAB onder meer voor een strengere aanpak van online antisemitisme en spreekkoren in voetbalstadions en beleid gericht op meer bekendheid met de Joodse cultuur (NCAB 2022). In het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme schetst de NCDR ten eerste het belang van het erkennen van discriminatie en uitsluiting, het leed dat hieruit voortkomt en hoe bestaande wetten en praktijken hierin een rol spelen. Ook pleit hij voor beleid gericht op een hogere meldingsbereidheid van discriminatie (NCDR 2022).

5

Het kabinetsbeleid krijgt specifieker vorm in het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie 2022-2025, dat inzet op een betere naleving van antidiscriminatiewetgeving. Het plan behelst onder andere het vergroten van de bewustwording van wet- en regelgeving onder werkgevers en werknemers, en het ondersteunen van werkgevers bij het bevorderen van kansengelijkheid en inclusiviteit (SZW 2022). Naast werkgevers worden ook gemeenten gezien als belangrijke schakel in de bestrijding van discriminatie. Zo zijn gemeenten verplicht inwoners toegang te bieden tot lokale antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s), die minimaal discriminatieklachten moeten registreren en melders moeten bijstaan. Ondanks aansporingen vanuit het rijk was het aantal gemeenten dat expliciet antidiscriminatiebeleid voert in 2022 niet toegenomen ten opzichte van 2017: slechts een derde van de (aan het onderzoek deelnemende) gemeenten geeft aan dit te voeren. Wel groeide het aantal gemeenten dat beleid in voorbereiding heeft (Kros et al. 2022). 1.2.2 Het kweken van goede burgers Burgerschapsonderwijs is gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale cohesie. De verplichting die scholen in het voortgezet onderwijs sinds 2006 hebben, werd in 2021 geconcretiseerd in een nieuwe wet voor burgerschapsonderwijs.

Hierin kregen scholen onder meer de verplichting tot ‘het bijbrengen van kennis van, en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat’ (TK 2019/2020: 12) en ‘het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken van, en bij te dragen aan de democratische Nederlandse samenleving’ (p.14). Verder moet de schoolcultuur overeenstemmen met genoemde basiswaarden en leerlingen stimuleren actief met deze waarden te oefenen. Hierbij aansluitend wil de regering de maatschappelijke diensttijd uitbouwen, ‘zodat jongeren in contact kunnen komen met nieuwe leefwerelden, zich inzetten voor de samenleving, nieuwe vaardigheden ontwikkelen en mogelijk ontdekken waar hun passies liggen’ (VVD et al. 2021: 23-24). Ondanks het grote belang dat breed wordt toegekend aan het burgerschapsonderwijs, blijven Nederlandse leerlingen in kennis en vaardigheden achter, zowel bij de ambities als bij hun leeftijdgenoten in veel andere landen. Ook zijn er grote verschillen tussen leerlingen op verschillende schoolniveaus (Dijkstra et al. 2021; Inspectie van het Onderwijs 2022a).

Een van de obstakels bij het burgerschapsonderwijs is de segregatie in het onderwijs, waardoor leerlingen vaak onderwijs krijgen in scholen met een relatief homogene sociale samenstelling en dus maar weinig oefening hebben met het omgaan met verschillen (Onderwijsraad 2019; Vogels et al. 2021). 1.2.3 Versterken van de lokale samenleving Als derde en laatste cluster noemen we hier het beleid waarmee de overheid, verspreid over de verschillende terreinen, maatschappelijke uitdagingen wil aanpakken in de lokale samenleving. Hieraan geven gemeenten en andere decentrale partners vorm en uitvoering. Genoemd werd al de taak van gemeenten in het tegengaan van discriminatie. Ook in bredere zin ziet het rijk een centrale rol voor gemeenten in het vormgeven aan het wederkerige proces waarmee de toenemende diversiteit ingepast moet worden in een sociaal stabiele samenleving. Het gaat dan onder andere om inburgering, het versterken van sociale samenhang in wijken en het tegengaan van segregatie in het onderwijs (TK 2020/2021c). Vanuit de eerdere transitie in het sociaal domein, hoopte de overheid al dat decentralisatie lokaal maatwerk mogelijk zou maken en daarmee bij zou dragen aan een meer zorgzame samenleving (Kromhout et al. 2020).

Wanneer personen in een kwetsbare situatie meer informele steun zouden vinden in hun omgeving, zoals via mantelzorg, zorgcoöperaties en laagdrempelige activiteiten in de 6

buurt, zouden zij minder hulp of zorg van de overheid nodig hebben. Voortbouwend op deze gedachte moedigt het rijk gemeenten aan te werken aan de ‘sociale basis’, waarin informele netwerken, burgerinitiatieven, vrijwilligersorganisaties, en professionele organisaties ondersteuning moeten bieden aan kwetsbare doelgroepen (Britt et al. 2022; TK 2021/2022a). Met het gecontinueerde programma Onbeperkt meedoen! wil de overheid uitvoering geven aan het in 2016 geratificeerde VN-verdrag Handicap (TK 2021/2022b). Voortbordurend op de eerdere aanpak wil het kabinet een brede maatschappelijke beweging op gang brengen met bedrijven, maatschappelijke organisaties, (ervarings)deskundigen en andere overheden, met als doel dat mensen met een beperking merkbaar minder obstakels tegenkomen in de samenleving. Van gemeenten wordt verwacht dat zij Lokale Inclusie Agenda’s (LIA) opstellen met lokale partners en ervaringsdeskundigen. Dat doen ook steeds meer gemeenten: van de 155 gemeenten die hierover bij de meest recente peiling informatie gaven, had 41% een LIA en was nog eens 14% daarmee bezig (Movisie/VNG 2022). Met het eveneens gecontinueerde programma Een tegen eenzaamheid streeft de overheid naar meer bewustwording en meer maatschappelijk initiatief om eenzaamheid tegen te gaan. Ook op dit punt wordt van alle gemeenten verwacht dat zij tot een eigen lokale aanpak komen (TK 2022/2023).

Nieuw is het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, waarmee het rijk met vijftien gemeenten (en kennisorganisaties en andere partners) wil samenwerken om de weerbaarheid van een aantal kwetsbare wijken te verbeteren (BZK 2022a). Het programma staat een samenhangende aanpak voor, waarin het bestrijden van criminaliteit en verbeteren van de leefsituatie van bewoners een grote rol spelen. Het richt zich echter ook op de lokale samenleving in de zin dat het de eenzijdige bevolkingssamenstelling wil doorbreken en de rol van scholen (en andere op de jeugd gerichte organisaties) versterkt. Na een decennium van weinig aandacht voor de wijken, is hiermee het nationaal wijkenbeleid terug van weggeweest (Bellaart en Uyterlinde 2021).

1.3

Actuele stand van zaken

Zoals gezegd richten wij ons in deze notitie op het vraagstuk hoe de rijksoverheid een inclusieve samenleving kan bevorderen, waarbij we een inclusieve samenleving zien als noodzakelijke voorwaarde voor een samenleving die in staat is om gedeelde doelen te bereiken, die weerbaar is. In de huidige paragraaf schetsen we in grove streken hoe Nederland ervoor staat. 1.3.1 Samenleven in cijfers Samenleven gaat over hoe mensen zich onderling tot elkaar verhouden, en dat doen zij in een grote variatie aan verbanden. Deze verbanden kunnen globaal gerangschikt worden van nabij tot veraf (zie bv. Bronfenbrenner 1995; Cacioppo et al. 2015; Sutcliffe et al. 2012). Nabije sociale verbanden zijn kleiner in omvang, intiemer en (tijds)intensiever dan verder afgelegen verbanden. Deze ‘schillen’ in de verbanden waarin mensen met elkaar samenleven, vervullen verschillende functies voor mensen (Granovetter 1983; Wellman en Wortley 1990) en zijn op verschillende manieren georganiseerd. Als we het hebben over de Nederlandse samenleving, dan gaat het om een groot verband van mensen die elkaar in verreweg de meeste gevallen niet persoonlijk kennen. Het is daarmee een abstract verband, maar dat neemt niet weg dat een land vaak ervaren wordt als een gemeenschap (Anderson 1983).

Ervaringen van in- en uitsluiting in ‘de Nederlandse samenleving’ kunnen te maken hebben met de mate waarin mensen zich herkennen in wat ze zien in de media en in de landelijke politiek. In de leefwereld nemen mensen wél persoonlijk deel aan de samenleving. Deze leefwereld speelt zich af 7

in publieke en semipublieke plekken, zoals verenigingen, winkels, scholen, kantoren, online platforms, buurten en uitgaansgelegenheden. Mensen komen hier zowel bekenden als onbekenden tegen. Vooral de leefwereld krijgt vaak veel gewicht toegekend voor het grotere geheel. Het is in de leefwereld dat democratische waarden geoefend moeten worden en dat nieuwkomers moeten integreren. De leefwereld zou voor iedereen toegankelijk moeten zijn, zodat iedereen kan deelnemen. Het dichtst bij mensen zelf bevinden zich partners, familieleden en goede vrienden. In deze persoonlijke sfeer verlenen mensen elkaar emotionele steun, vertrouwelijk advies en financiële hulp (Wellman en Wortley 1990). Zo zijn het vooral familieleden die mantelzorg verlenen en helpen met de opvoeding van kinderen (De Boer et al. 2020; De Roos et al. 2021). Mechanismen van uitsluiting in de persoonlijke sfeer worden doorgaans niet gezien als onderwerp van beleid, maar de gevolgen zijn dat wel. Wanneer mensen eenzaam zijn of hulp nodig hebben en het eigen netwerk te weinig soelaas biedt, geldt dat als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Kader 1.1

Met ons gaat het goed, met de Nederlandse samenleving minder

Het bekende adagium ‘met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’ (Schnabel 2018) verdient enige nuancering. Het is namelijk niet zo dat Nederlanders zich zorgen maken over elke ‘ons’. Het samenleven in de persoonlijke sfeer en de directe leefomgeving waarderen de meeste mensen juist positief. Zo gaven Nederlanders de afgelopen jaren weliswaar beduidend hogere score aan hun ‘eigen leven’ (7,9) dan aan ‘de Nederlandse samenleving’ (6,7) en ‘de regering’ (6,0), maar hun ‘vrienden- en kennissenkring’ (8,3) en ‘woonomgeving’ (8,3) nog net iets hoger (zie bijlage A, te vinden op www.scp.nl bij deze publicatie). Dit kwam ook naar voren in een eerder onderzoek waarin mensen het samenleven ‘in hun buurt’ (7,1) hoger waardeerden dan het samenleven ‘in Nederland’ (5,9) (Den Ridder et al. 2021). De grote betekenis van de eigen sociale omgeving, blijkt ook in statistische samenhangen: hoe mensen hun vrienden- en kennissenkring en hun woonomgeving waarderen, hangt sterk samen met hoe zij hun eigen leven waarderen. Hoe zij de Nederlandse samenleving waarderen staat hier juist grotendeels los van, maar houdt daarentegen wel verband met hoe zij aankijken tegen de Nederlandse regering. Hoe mensen de Nederlandse samenleving ervaren, zegt dus weinig over hoe zij hun eigen leven ervaren.

Dit betekent natuurlijk niet dat de kwaliteit van de samenleving niet van grote invloed is op de kwaliteit van het leven, bijvoorbeeld door de veiligheid en welvaart die een goed functionerende samenleving biedt.

In deze notitie schetsen we de sociale samenhang in de verschillende verbanden waarin Nederlanders samenleven. We doen dit aan de hand van indicatoren die informatie geven over de manier waarop mensen het samenleven en hun inclusie daarbij ervaren. We gaan achtereenvolgens in op ontwikkelingen en verschillen in het samenleven in Nederland (§ 1.3.2), in de leefwereld (§ 1.3.3) en in de persoonlijke sfeer (§ 1.3.4). Vanzelfsprekend zijn er eindeloos veel verschillen tussen mensen die een rol kunnen spelen bij ervaringen van in- en uitsluiting. Gezien beperkingen in de ruimte in deze bijdrage én in de beschikbare gegevens, belichten we hier slechts twee dimensies van verschil. Ten eerste kijken we naar opleiding. Opleiding geldt als een van de meest belangrijke hulpbronnen en tussen opleidingsgroepen bestaan grote sociale en culturele verschillen (Bovens et al. 2014). Veel Nederlanders zonder hbo- of wo-diploma ervaren uitsluiting in de samenleving (Noordzij et al. 2021; Visser et al. 2021). Ten tweede kijken we naar Nederlanders met en zonder migratieachtergrond. Hoewel het steeds meer mensen met een migratieachtergrond goed gaat in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, ervaren vooral degenen die zelf in Nederland opgroeiden nog altijd veel uitsluiting (Andriessen et al. 2020; Dagevos et al. 2022).

8

Ideaal is de keuze om alleen deze twee dimensies uit te lichten niet. Het zijn grove categorieën die vanzelfsprekend een enorme variatie aan mensen omvatten. Verschillen in leeftijd, regio en opvattingen blijven bijvoorbeeld buiten beeld. Daar komt bij dat juist de groepen die niet goed in beeld zijn, het meest relevant kunnen zijn als het gaat om uitsluiting. Dit zijn namelijk de groepen die moeilijk bereikbaar zijn voor onderzoekers en/of voor wie het invullen van een standaard vragenlijst geen vanzelfsprekende vaardigheid is. Ook de mensen die door een combinatie van factoren op achterstand staan, komen hierin niet goed naar voren. 1.3.2 Samenleven in Nederland: integratie zonder inclusie? Toenemende verschillen maken de vraag wie we als Nederland zijn steeds moeilijker te beantwoorden en de discussie hierover kan leiden tot spanningen tussen bevolkingsgroepen. Algemeen gesteld bestaat er een tegenstelling tussen degenen die veel waarde hechten aan tradities en symbolen en degenen die vrijheid en tolerantie zien als belangrijkste basis van de Nederlandse cultuur. Waar de eerste groep veranderende tradities als een bedreiging zou kunnen zien, zal de tweede groep dit minder als een probleem ervaren (Beugelsdijk et al. 2019). Wat we wel met elkaar gemeen hebben is een lotsverbondenheid, benadrukt Tiemeijer (2021).

Doordat we gezamenlijk inwoner zijn van het Nederlands grondgebied en mede-eigenaar van de Nederlandse instituties, delen we ook onze toekomst. Over het gegeven dat er in Nederland veel verschillende mensen wonen, zijn veel mensen op zichzelf positief. Zo heeft twee derde (65%) van de Nederlanders waardering voor het feit dat er in Nederland mensen wonen met verschillende seksuele oriëntaties en even zovelen voor het feit dat er mensen wonen met verschillende huidskleuren (65%). Ook waardeert een ruime meerderheid het samenleven met mensen met respectievelijk verschillende politieke voorkeur (62%), etnische afkomst (58%) en religies (58%). Hierbij bestaan duidelijke verschillen tussen groepen Nederlanders: jongeren en mensen met een hbo- of wo-diploma zijn relatief positief over deze vormen van diversiteit. Dit geldt ook voor inwoners van universiteitssteden en welvarende woongemeenten, ook wanneer we de verschillen in de samenstelling van de typen gemeenten in de analyses verdisconteren (zie bijlage B). 1 Een punt van zorg is wel het gevoel dat Nederland polariseert (Miltenburg et al. 2022). Terwijl onderzoek laat zien dat opvattingen over maatschappelijke kwesties niet meer uit elkaar zijn komen te liggen, ervaart ongeveer driekwart van de mensen dat dit wel het geval is.

Verder zien mensen een verharding van de toon, verslechterde omgangsvormen en ergeren ze zich aan in hun ogen al te afwijkende opinies en extreme uitingen. Als polarisatie zich voordoet in de eigen levenssfeer komen de verhoudingen in families en vrienden op scherp te staan, maar de meeste mensen zien dit vooral in de politiek en in het publieke debat in de (sociale) media. Wanneer we bekijken hoe mensen hun eigen relatie met Nederland beoordelen, dan blijkt dat de meeste Nederlanders zich thuis voelen in, en verbonden voelen met Nederland (zie tabel 1.1). Ook blijkt echter dat slechts de helft zich verplicht voelt iets bij te dragen aan Nederland, en maar een derde zich verantwoordelijk voelt voor Nederland. 2 Deze cijfers onderstrepen enerzijds het bijna vanzelfsprekende lidmaatschap van het land, omdat je er nou eenmaal woont en er (vaak) een paspoort van hebt, maar anderzijds ook dat het daar voor een groot deel van de Nederlanders bij blijft.

9

Tabel 1.1

Ervaren verbondenheid met en verantwoordelijkheid voor Nederland, personen van 18 jaar en ouder, 2022 (in procenten)a

verbondenheid met Nederland ik voel me thuis in Nederland ik voel me verbonden met Nederland ik hoor in Nederland ik voel me verbonden met Nederlanders a

% 83 76 71 65

verantwoordelijkheid voor Nederland ik voel verplichtingen tegenover Nederland ik voel dat ik iets moet bijdragen aan Nederland ik voel dat ik iets moet betekenen voor Nederland ik voel me verantwoordelijk voor Nederland

% 50 48 38 34

Percentages geven aandeel weer dat het ‘eens’ of ‘zeer eens’ is met de stelling. Wie aangaf het niet te weten, werd hier buiten beschouwing gelaten.

Bron: SCP (SCO'22)

Mensen met een migratieachtergrond voelen zich gemiddeld iets minder verbonden met Nederland, maar niet minder verantwoordelijk voor Nederland. Bekijken we de opleiding, dan blijkt dat mensen met een hbo- of wo-diploma zich meer verantwoordelijk voelen voor Nederland dan mensen met een andere opleiding. Er is geen verschil in de mate van verbondenheid (zie bijlage B). 3 Het gevoel thuis te zijn in Nederland lijkt niet verder af te nemen Bij de maatschappelijke integratie tussen Nederlanders met en zonder migratieachtergrond zien we enigszins tegengestelde ontwikkelingen. Aan de ene kant boeken veel mensen met een migratieachtergrond successen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Vooral degenen die zelf in Nederland geboren zijn, lijken hierdoor in sociaal-economisch opzicht steeds meer op Nederlanders zonder migratieachtergrond (Dagevos et al. 2022; Huijnk 2020). De leefwerelden van mensen met en zonder migratieachtergrond zijn ook steeds meer samen gaan vallen. Zo is er afnemende segregatie naar herkomst zichtbaar in basisscholen (Inspectie van het Onderwijs 2022b). In wijken nam de segregatie ook af sinds 2011, al nam deze recent weer licht toe (Bellaart en Brock 2022). Afgaand op vragenlijstonderzoek worden de contacten die mensen in hun vrije tijd hebben in dit opzicht ook gemengder (figuur 1.1 en bijlage B). Figuur 1.1

a

b

Contact in de vrije tijd met ‘de ander’, naar herkomstgroep, personen van 15 jaar en ouder, 2006-2020 (in procenten)a|b

De vraag luidde: ‘Gaat u in uw vrije tijd vaak, soms of nooit om met Nederlanders met een migratieachtergrond [resp. autochtone Nederlanders]?’ Waar in 2020 de term ‘Nederlanders met een migratieachtergrond’ gebruikt werd, werd in eerdere jaren de term ‘allochtone Nederlanders’ gebruikt. In 2006 werd deze vraag niet gesteld aan Nederlanders zonder migratieachtergrond. We maken hier onderscheid tussen Nederlanders met een migratieachtergrond (alleen Nederlanders met een herkomst in Turkije, Marokko, Suriname en de Nederlandse Antillen, n=16154) en Nederlanders zonder migratieachtergrond (n = 3217).

Bron: SCP/CBS (SIM’06, ’10, ’15, ’20)

10

Hier staat tegenover dat de discriminatie die mensen met een migratieachtergrond ondervinden, niet af lijkt te nemen. Een recente meta-analyse laat zien dat discriminatie op de arbeidsmarkt in Nederland sinds 2000 zelfs iets toenam. Net als in andere landen, worden vooral werkzoekenden met een herkomst uit een islamitisch land nu vaker gediscrimineerd dan voorheen (Quillian en Lee 2023). Uit eerdere enquêtes sprak ook het beeld dat Nederlanders met een migratieachtergrond negatiever werden over het sociale klimaat in de Nederlandse samenleving. Zij gingen zich steeds minder thuis voelen in Nederland en het verlangen Nederland te verlaten nam toe (Huijnk en Andriessen 2016). Vooral de meer ‘gevestigde’ groepen ervaren uitsluiting, zoals degenen die zelf in Nederland geboren zijn en degenen die behoren tot de migratiegroepen die al langer in Nederland zijn (Dagevos et al. 2022; Huijnk en Andriessen 2016). De meest recente beschikbare meting geeft het beeld dat de eerder gesignaleerde negatieve ontwikkeling zich niet verder heeft doorgezet, maar ook niet heeft hersteld (zie figuur 1.2 en bijlage B). Figuur 1.2

a b

Thuis voelen in Nederland, naar herkomstgroep, personen van 15 jaar en ouder, 2006-2020 (in procenten)a|b

De vraag luidde: ‘Voelt u zich thuis in Nederland?’ We maken hier onderscheid tussen Nederlanders met een migratieachtergrond (alleen Nederlanders met een herkomst in Turkije, Marokko, Suriname en de Nederlandse Antillen, n=16.163) en Nederlanders zonder migratieachtergrond (n = 4250).

Bron: SCP/CBS (SIM’06, ’10, ’15, ’20)

1.3.3 Samenleven in de leefwereld: meer dan de buurt In de leefwereld begeven mensen zich tussen anderen die meestal niet tot hun intimi behoren. Op de plekken die deel uitmaken van hun leefwereld, komen zij echter meestal geen dwarsdoorsnede van de Nederlandse samenleving tegen, maar anderen met wie zij bepaalde overeenkomsten hebben, zoals leeftijd, sociaal-economische status of migratieachtergrond (Boterman en Musterd 2016). Vanuit verschillende beleidsdoelstellingen wordt het mengen van bevolkingsgroepen als wenselijk gezien. Zo kunnen gemengde buurten en scholen bijdragen aan kansengelijkheid en kunnen ze het samenleven met diversiteit bevorderen (Kullberg et al. 2021; Vogels et al. 2021). Ook de brede ambitie om een einde te maken aan de afgezonderde levens van mensen met een hulpbehoefte of beperking, draagt bij aan diversiteit in buurten, scholen en werkplekken. Tegelijkertijd kan diversiteit het samenleven ook ingewikkeld maken. Zo laat onderzoek in buurten een negatieve relatie zien tussen diversiteit en sociale samenhang (Dinesen et al. 2020; WRR 2020). 11

Bij de leefomgeving gaat veel aandacht uit naar wijken en buurten (zie bv. RVS/Cra 2022, WRR 2020). Maar niet in ieders leven speelt de woonomgeving een grote rol. Voor mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden is de betekenis groter dan voor mensen met een andere opleidingsachtergrond; vooral voor mensen met een hbo- of wo-diploma zijn de opleiding en het werk belangrijke bronnen van sociale contacten (Völker et al. 2014). Meer sociale samenhang in buurten, maar ook hardnekkige problemen Over het algemeen zijn veel Nederlanders te spreken over het samenleven in hun buurt. Hoewel maar 37% van de volwassen Nederlanders zegt veel contact te hebben met andere buurtbewoners, vindt ruim driekwart (76%) dat de mensen in de buurt prettig met elkaar omgaan, en bijna evenveel mensen (73%) zouden hun huissleutel aan de buren durven geven tijdens hun vakantie. Het beeld is niet overal rooskleurig: 42% van de Nederlanders ervaart sociale overlast, bijvoorbeeld van rondhangende jongeren, drugshandel of verwarde personen; 12% ervaart ernstige sociale overlast. De afgelopen jaren was de waardering voor het samenleven in de buurt wel stabiel (Akkermans et al. 2022). Hoewel de waardering voor het voorzieningenaanbod veel hoger is in de meer stedelijke gemeenten, vertoont de waardering voor het samenleven juist een negatief verband met stedelijkheid (Akkermans et al.

2022; Den Ridder et al. 2021; Leidelmeijer en Mandemakers 2022). Een van de mogelijke verklaringen hiervoor is de diversiteit in steden: volgens een deel van de Nederlanders is het samenleven prettiger in een homogene buurt dan in een gemengde buurt, behalve als gaat om variatie in leeftijd (Den Ridder et al. 2021). Ook concentraties van bewoners met een zwakke sociaaleconomische positie dragen bij aan de kwetsbaarheid van een wijk (Kullberg et al. 2021). Ondanks een langdurige positieve trend in leefbaarheid bleef een deel van de buurten daarin achter, vooral op de terreinen overlast en veiligheid, woningvoorraad en sociale samenhang. De buurten waar leefbaarheidsproblemen hardnekkig zijn bevinden zich vaak in en rond de grote steden, maar ook in kleinere gemeenten, zoals Lelystad, Delfzijl en Heerlen (Leidelmeijer en Mandemakers 2022). Samenleven op het werk, op school en bij verenigingen Om ook na te gaan hoe mensen het samenleven ervaren in andere contexten dan de buurt, stelden wij Nederlanders drie vragen over zes sociale contexten, uiteraard alleen wanneer deze contexten ook onderdeel uitmaken van hun leefwereld (tabel 1.2). De vragen gaan zowel over hoe prettig zij de omgang tussen mensen vinden, als over de mate waarin zij deze omgeving als inclusief ervaren. Over het algemeen ervaren mensen in elk van deze contexten een prettige en inclusieve manier van samenleven.

In vrijetijdsorganisaties, in het onderwijs en op het werk is deze ervaring nog iets positiever dan in de buurt en bij religieuze organisaties. Bij politieke bijeenkomsten is de waardering voor het samenleven het laagst. Dit heeft er mogelijk mee te maken dat de mensen die een dergelijke bijeenkomst bezochten, dit meestal eenmalig deden (zie bijlage C).

12

Tabel 1.2

Samenleven met anderen in de leefwereld, personen van 15 jaar en ouder, 2022 (in procenten)a|b

…in mijn buurt …in mijn huidige baan …in de vrijetijdsorganisatie die ik bezoek …in de religieuze organisatie die ik bezoek …bij mijn huidige opleiding …bij de politieke bijeenkomsten die ik bezoek a b

onderdeel van de leefomgeving

mensen gaan op een prettige manier met elkaar om…

ik heb het gevoel erbij te horen…

100 54 53 24 13 6

76 83 90 77 84 58

64 83 82 63 73 45

anderen staan open voor mij… 64 83 79 67 80 50

Het aandeel dat het eens of zeer eens is met de stelling. Wie niet ‘van toepassing/weet niet’ of niets invulde, werd buiten beschouwing gelaten. Hierbij varieert n van 3044-3061 (buurt), 1599-1606 (huidige baan), 1555-1563 (vrijetijdsorganisatie), 306-311 (opleiding), 604-607 (religieuze organisatie), respectievelijk 172-174 (politieke bijeenkomsten).

Bron: SCP (SCO'22)

Zoals bekend zijn er verschillen in de mate waarin groepen de verschillende contexten bezoeken: zo hebben mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden minder vaak betaald werk dan mensen met een hbo- of wo-diploma, en nemen zij minder vaak actief deel in vrijetijdsbestedingen als sport en cultuur (zie Den Ridder et al. 2020). In vergelijking met mensen zonder migratieachtergrond, nemen mensen met een migratieachtergrond eveneens minder deel op verschillende terreinen van de samenleving (CBS 2022a; Dagevos et al. 2022). Onder degenen die wel deelnemen, zien we daarnaast verschillen in de waardering voor het samenleven binnen de sociale contexten (zie bijlage C). Mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden, hebben in vergelijking met mensen met een hbo- of wo-diploma minder waardering voor het samenleven op het werk, in de buurt, en in de vrijetijdsorganisaties waar zij komen. Mensen die een havo-, vwo- of mbo-opleiding afrondden bevinden zich hier tussenin. Mensen met een migratieachtergrond hebben daarbij minder waardering dan mensen zonder migratieachtergrond voor het samenleven op hun werk, bij hun opleiding, in hun buurt en bij de organisaties die zij bezoeken in hun vrije tijd (zie bijlage B).

Vertrouwen in anderen Het vertrouwen dat mensen hebben in anderen, wordt vaak gezien als een centrale indicator van sociale cohesie, die van grote waarde is voor een samenleving (Chan et al. 2006; Schiefer en Van der Noll 2017). Wanneer mensen elkaar vertrouwen, kunnen zij gemakkelijker relaties aangaan en samenwerken. Wie vertrouwen heeft in anderen, gaat ervan uit dat die ander geen misbruik maakt van de mogelijkheid daartoe en zal zich daardoor zelf ook prosociaal gedragen. Voor het functioneren van de moderne complexe samenleving van vandaag wordt vooral het vertrouwen in onbekenden gezien als relevant (Delhey et al. 2011). 4 Verschillende enquêtes laten zien dat het algemeen vertrouwen niet onder druk staat (Den Ridder et al. 2022), of zelfs geleidelijk toenam sinds 2012 (Schmeets en Exel 2020, 2022; Halman et al. 2022). Wel zijn er grote verschillen tussen bevolkingsgroepen. Nederlanders met een migratieachtergrond hebben gemiddeld minder vaak vertrouwen in anderen dan Nederlanders zonder 13

migratieachtergrond. Het vertrouwen is vooral laag onder de klassieke migratiegroepen: terwijl zes op de tien personen zonder migratieachtergrond vertrouwen hebben in de medemens, geldt dit voor maar ongeveer vier op de tien personen met een Turkse, Marokkaanse of Surinaamse achtergrond. Deze verschillen zijn de afgelopen jaren wel afgenomen (Schmeets en Exel 2021). Tussen opleidingen zijn verschillen ook groot: van degenen met een hbo- of wo-diploma zegt ruim 80% vertrouwen te hebben in anderen; van degenen die alleen basisschool of vmbo afrondden was dit minder dan de helft. 5 Hoewel Nederland te boek staat als een high trust society, is dit vertrouwen dus ongelijk verdeeld. In het onderzoek naar sociaal vertrouwen is de waarde van vertrouwd worden onderbelicht. De individuele voordelen van vertrouwd worden zijn waarschijnlijk groter dan die van vertrouwen. Wie vertrouwd wordt, zal minder worden gecontroleerd, positiever worden bejegend en gemakkelijk iets verkopen. Dat ongelijkheid in het vertrouwd worden grote nadelen heeft, is duidelijk vast te stellen op online platforms en kan maar moeilijk voorkomen worden met extra informatie uit beoordelingen (Kas et al. 2022). Vanuit de overheid blijkt het ongelijk vertrouwen duidelijk uit praktijken van etnisch profileren.

Mensen worden hierdoor ernstiger benadeeld naarmate handhavende instanties meer vergaande bevoegdheden hebben (Van der Leun en Van der Woude 2011). 1.3.4 Samenleven in de persoonlijke sfeer: sociale coronaschade Contacten in de persoonlijke sfeer zijn op vele manieren belangrijk voor het welbevinden van mensen. Mede door de steun die mensen elkaar verlenen, dragen ze bij aan de elkaars persoonlijke doelen in de verschillende fasen van de levensloop, waarmee zij ook van grote maatschappelijke waarde zijn. De meeste praktische, emotionele en financiële steun komt van degenen die het meest nabij staan, oftewel de familieleden, partners en goede vrienden met wie mensen sterke relaties onderhouden. Maar ook de zwakke relaties zijn van groot belang voor, onder andere, het psychologisch welzijn van personen (Cacioppo et al. 2015). De groeiende diversiteit in de samenleving werkt beperkt door in de persoonlijke sfeer, omdat persoonlijke relaties vaak relatief homogeen zijn (McPherson et al. 2001). Dit geldt vooral voor de meest nabije relaties, maar ook voor degenen die verder af staan (Hofstra et al. 2017; Hofstra 2022). Verschillen tussen groepen werken wel door in de ongelijke hoeveelheid hulpbronnen waartoe mensen via hun sociale netwerk toegang hebben (Van Tubergen en Völker 2015; Vrooman et al. 2023).

Sinds corona vooral minder contacten met mensen op afstand De meeste mensen hebben een aantal personen met wie zij regelmatig contact hebben. Volgens de meest recente cijfers heeft 33% van de Nederlanders boven de 15 jaar dagelijks contact met familie, 29% met vrienden en 12% met buren (CBS 2022b). In de jaren voor de coronacrisis was dit beeld behoorlijk stabiel. Het contact tussen familieleden en vrienden en kennissen leek tussen 2008 en 2019 iets toegenomen, terwijl het contact tussen buren ongeveer gelijk bleef (Wennekers en Van der Torre 2020). Maar corona veranderde veel, op zijn minst tijdens de lockdowns, maar mogelijk ook daarna. Om zicht te krijgen op deze gevolgen in de beleving van mensen, vroegen we deelnemers in de zomer van 2022 in hoeverre hun contacten ten opzichte van eenzelfde periode voor corona waren veranderd. De meeste mensen gaven aan dat deze contacten ongeveer gelijk waren gebleven (figuur 1.3). Sommigen gaven aan dat zij minder contact hadden gekregen, maar voor de meest nabije contacten 14

(familieleden, vrienden en kennissen, directe buren) stond daartegenover dat ongeveer evenveel mensen aangaven dat zij juist meer contact hadden kregen. Voor deze veranderingen kunnen ook andere zaken dan corona de aanleiding zijn, zoals de levensloop (bv. het verlies of de geboorte van een belangrijk familielid) en toevallige veranderingen in de persoonlijke omstandigheden (bv. een verhuizing). Het algemene beeld wijst niet op een blijvende verandering. Bij een aantal minder nabije contacten lijkt zich wel een lichte achteruitgang voorgedaan te hebben. Bij de contacten via vrijetijdsorganisaties, religieuze organisaties en politieke organisaties en bij contacten met collega’s (buiten het werk) en buurtgenoten (buiten de directe buren) lijkt het aandeel mensen dat minder contacten kreeg groter dan het aandeel dat meer contacten kreeg. Dat niet zozeer de meest nabije, maar wel de wat verdere contacten geraakt lijken te zijn door corona, komt overeen met ander onderzoek, onder andere naar de ervaringen van mensen tijdens de crisis (André et al. 2022; Lodder et al. 2020; Völker 2022).

Ook sluit het aan bij de afname in het aantal vrijwilligers en activiteiten bij verenigingen (Arends en Tummers 2022; CBS 2022b) en bij de bevinding dat de participatie van mensen met een beperking in 2021 grotendeels weer op het niveau was van voor corona, maar niet het bezoek aan buurtvoorzieningen (Knapen et al. 2022). Het is nog te vroeg om vast te kunnen stellen of deze ontwikkelingen blijvend zijn. Mogelijk liep de sociale infrastructuur schade op, doordat (vrijwilligers)organisaties hun activiteiten terugschroefden en/of belangrijke personen zich terugtrokken. Mogelijk zullen de ontwikkelingen terugveren. Volgens sommige experts zijn mensen door de lockdowns meer gaan beseffen hoeveel de vluchtige interacties met buren, collega’s en onbekenden bijdragen aan het gevoel onderdeel te zijn van een gemeenschap (Anja Machielse in Van den Beld 2020; zie ook André et al. 2022). Figuur 1.3

Ervaren verandering in contact ten opzichte van eenzelfde periode voor corona, personen van 18 jaar en ouder, zomer van 2022 (in procenten)

Bron: SCP (SCO'22)

15

Meer eenzaamheid sinds corona De veranderingen in het sociale contact door corona zijn van grote invloed geweest op het welzijn van mensen, waaronder ook op het voorkomen op eenzaamheid. Uit onderzoek blijkt dat niet alleen nabije contacten een rol spelen bij het ontstaan van eenzaamheid, maar ook de leefomgeving, waarbij vooral de rol van de buurt is bestudeerd (Kearns 2015; Boelhouwer en Vonk 2019; Yu et al. 2021; Knipscheer et al. 1995; Bergefurt et al. 2019). Zo laat een meerjarig onderzoek een duidelijk positieve invloed zien van sociale cohesie in de buurt op psychosociaal welbevinden, stress en eenzaamheid (Kim et al. 2020). Overigens kan een buurt ook een bron van eenzaamheid worden voor mensen die zich gestigmatiseerd, uitgesloten of onveilig voelen in hun buurt (Brummel et al. 2022; Kearns et al. 2015). Hoewel de meest nabije contacten dus relatief intact bleven tijdens de coronacrisis, steeg het aandeel mensen dat zich eenzaam voelde. Tussen 2019 en 2021 nam het aandeel Nederlanders dat zich eenzaam voelde in alle leeftijdscategorieën toe, maar vooral onder jongeren (CBS 2022c). In de maanden na de laatste lockdown (tussen maart en september 2022) was er een afname in de eenzaamheid en stress die jongeren ervaren, maar hun vertrouwen in de toekomst bleef laag en ook bleven zij veel sociaal ongemak ervaren (RIVM 2022).

Omdat contact met leeftijdsgenoten in de adolecentie niet alleen belangrijk is voor het welzijn, maar ook voor de sociale ontwikkeling, de identiteit en daaraan gerelateerde waarden (André et al. 2022), is het de vraag welke consequenties dit gemis op langere termijn heeft. Ook voor de langeretermijngevolgen van de coronacrisis bij ouderen blijft aandacht van belang. Hoewel de mentale gevolgen in het algemeen ernstiger uitpakken bij personen die zich al in een kwetsbare situatie bevonden, laat onderzoek zien dat ook een deel van de ouderen zonder aanvankelijke psychische kwetsbaarheid twee jaar na de komst van corona nog steeds meer eenzaamheid ervaart (Kok et al. 2022). Het wegvallen van clubjes en andere sociale verbanden zou een verklaring kunnen zijn voor aanhoudende eenzaamheid, zowel bij jongeren als bij ouderen (André et al. 2022). Verschillen tussen groepen De verschillen in ‘aangehaakt zijn’ in de wijdere leefomgeving en Nederland, zien we niet op eenzelfde manier terug in de persoonlijke sfeer. Onder mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden is het aandeel personen dat weinig contact heeft weliswaar relatief groot, maar het aandeel dat juist vaak contact heeft ook. 6 In vergelijking met mensen die alleen havo, vwo of mbo afrondden, hebben mensen die een hbo- of wo-opleiding afrondden hooguit iets minder frequent contact met familie, vrienden en buren.

Mensen met een migratieachtergrond hebben iets vaker contact met familie en vrienden dan mensen zonder migratieachtergrond (CBS 2022a, 2022b). De doorwerking van de coronacrisis in de sociale contacten lijkt wel enigszins te verschillen: mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden ervaren wat meer achteruitgang dan anderen in de contacten met buren, op het werk (of opleiding) en bij vrijetijdsorganisaties (zie bijlage D). Of hierbij meespeelt dat mensen vaker hun werk verloren, kan hieruit niet worden opgemaakt. Onder mensen met een migratieachtergrond was er een relatief sterke afname in het aandeel dat actief is bij een vereniging of vrijwilligerswerk doet (Arends en Tummers 2022).

16

Hoewel de hoeveelheid contact maar weinig verschilt, komt eenzaamheid relatief vaak voor bij personen die alleen basisonderwijs, vmbo of mbo afrondden, en bij mensen met een migratieachtergrond (Vzinfo.nl 2021; Fokkema en Das 2021). Bij deze laatste groep kan de migratieachtergrond zelf een rol spelen. Zo voelden ouderen met een migratieachtergrond zich minder eenzaam wanneer ze verbinding met de samenleving of met de herkomstgroep ervoeren (Klok et al. 2017).

1.4

Bevorderen van inclusief samenleven

1.4.1 Algemene ontwikkelingen Als eerste rode draad kwam in deze notitie de sterke sociale samenhang in Nederland als stabiel naar voren. Ondanks onrust en zorgen over samenleven, voelen veel mensen zich verbonden met Nederland. Ook in de dagelijkse leefwereld voelen veel mensen zich op hun plek. Het vertrouwen in ‘andere mensen’ is hoog en neemt niet af. Persoonlijke relaties bleven eveneens van een gelijk niveau. Deze algemene cijfers onderstrepen het positieve beeld van Nederland als een weerbare samenleving met veel sociaal kapitaal. Als tweede rode draad zagen we de grote verschillen die schuilgaan achter de algemene gemiddelden. Deze verschillen wijzen erop dat sommige bevolkingsgroepen veel minder aangehaakt zijn bij het sociale weefsel van Nederland dan andere. In vergelijking met anderen ervaren zowel mensen met een migratieachtergrond als mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden minder binding met Nederland als geheel, minder binding in hun leefwereld en minder vertrouwen in andere mensen. Er zijn uiteenlopende groepen die uitsluiting ervaren, zoals mensen met een beperking en mensen die zich identificeren als LHBTI+. De verschillen in ervaren binding en inclusie kunnen twee dingen betekenen: mensen voelen minder binding dan anderen binnen eenzelfde context (bv. door discriminatie), óf mensen begeven zich in contexten waar minder sociale samenhang is.

Ze wonen bijvoorbeeld in buurten met minder samenhang, of werken bij een bedrijf waar veel doorstroming personeel is. Welke verklaring van toepassing is, kan niet worden opgemaakt uit de hier gepresenteerde cijfers, maar beide duidingen zijn aannemelijk. Als derde rode draad, zagen we tot slot de mogelijke schade die corona en de maatregelen hiertegen toegebracht lijken te hebben aan het sociale weefsel, vooral in de leefwereld. Ten eerste werden vooral jongeren mentaal geraakt, waarbij nog onduidelijk is hoezeer achterstanden ontstonden in hun sociale ontwikkeling. Over het algemeen lijken de meest nabije contacten zich hersteld te hebben, hoewel iets minder voor mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden. In de minder nabije contacten in de leefwereld ervaren nog vrij veel mensen wel een achteruitgang, met name mensen met een migratieachtergrond en mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden. Deze achteruitgang lijkt ook de civil society te raken, waarin burgers gezamenlijk vele maatschappelijke doelen dienen en daarbij ook vaak verbindingen aangaan tussen groepen. Nog onduidelijk is hoezeer de inflatie van afgelopen winter van invloed is geweest op deze verbindingen in de leefwereld en de toegankelijkheid hiervan voor de mensen met de minste (financiële) hulpbronnen.

1.4.2 Reflectie recente beleidsplannen De bevindingen in deze notitie onderstrepen het belang van beleid gericht op het bevorderen van een inclusieve samenleving. De samenleving is niet alleen divers, maar ook ongelijk, in de zin dat verschillende groepen Nederlanders in verschillende mate aangehaakt zijn bij het sociale weefsel van Nederland. Een meer inclusieve samenleving is gelijkwaardiger én weerbaarder in het licht van de 17

maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat. Het is echter niet eenvoudig voor een overheid om een inclusieve samenleving te bevorderen. Zij staat immers per definitie op enige afstand. Hierna volgen enkele reflecties bij de drie in de inleiding besproken clusters van beleid waarmee het rijk het samenleven wil bevorderen: het bestrijden van discriminatie en uitsluiting, het kweken van goede burgers en het versterken van de lokale samenleving. Bestrijden van discriminatie en uitsluiting in de leefwereld Een pijler onder het regeringsbeleid tegen discriminatie vormt het verbeteren van de handhaving van wet- en regelgeving, onder andere door het mensen gemakkelijker te maken discriminatie te melden. Dit is belangrijk, onder andere omdat het serieus behandelen van discriminatiezaken bijdraagt aan bewustwording en zo tot structurele verbeteringen leidt (CRM 2022). Veel discriminatie is echter moeilijk aantoonbaar, of wordt niet gemeld: mensen vinden het vaak lastig om discriminatie te herkennen, zien op tegen de gevolgen wanneer ze zich uitspreken, of hebben het idee dat melden de moeite niet waard is (Andriessen 2017). Daarbij vormt discriminatie maar een deel van de manieren waarop mensen worden uitgesloten en achtergesteld.

Informele mechanismen zijn nog minder grijpbaar, maar hebben zeker net zo veel invloed op het welzijn en de kansen van mensen en behoeven dus ook aandacht van beleid. Zo droeg het gevoel van mbo-studenten dat zij niet werden gezien en gewaardeerd bij aan de moeilijke tijd die velen van hen hadden tijdens de coronapandemie (Goedhart et al. 2022). Het beteugelen van informele mechanismen van uitsluiting in de leefwereld vergt aandacht voor bewustzijn van uitsluiting en voor de manier waarop mensen en groepen worden gewaardeerd in de Nederlandse samenleving. Zo krijgt de ongelijke waardering en uitsluiting van mensen zonder hoge opleiding (zie bv. Schakel 2021; Visser et al. 2021) steeds meer aandacht. Mbo-studenten wijzen terecht op de ongelijke toegang tot studentenfeesten, studentenkortingen en andere aspecten van het studentenleven. De NCDR signaleert een groeiende erkenning van het slavernijverleden en het racisme in de toeslagenaffaire (NCDR 2022). Belangrijk is nu wel dat het groeiend bewustzijn gevolg krijgt en dat maatregelen daadwerkelijk tot meer gelijkwaardige maatschappelijke posities leiden. Een obstakel hierbij is de structurele gescheidenheid tussen bevolkingsgroepen in de buurten, scholen, werkvloeren, verenigingen en dergelijke die samen de leefwereld vormen (Boterman en Musterd 2016).

Als bevolkingsgroepen elkaar in de leefwereld niet tegenkomen, blijven vooroordelen bestaan en bieden alledaagse ontmoetingen geen tegenwicht aan polariserende krachten. Ook dragen gescheiden leefwerelden bij aan ongelijke waardering en kansen. Als het gaat om migratieachtergrond zijn er aanwijzingen dat de gescheidenheid in verschillende contexten afneemt (Inspectie van het Onderwijs 2022b; Bellaart en Brock 2022; Van Haaften 2022). Als het gaat om sociaal-economische groepen, zoals opleidingsgroepen, neemt de gescheidenheid eerder toe (Buitelaar et al. 2016). Door regie te nemen in de woningbouwopgave, heeft het rijk de mogelijkheid aan te sturen op een meer gelijkmatige verdeling van sociaal-economische groepen over gemeenten (BZK2022b). Maar dat neemt niet weg dat de uitsortering van bevolkingsgroepen op velerlei manieren tot stand komt. Dat de selectie van gewilde opleidingen aan hogescholen en universiteiten recent onbedoeld resulteerde in meer homogene studentenpopulaties, is hiervan een voorbeeld (Inspectie van het Onderwijs 2023).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12632195/1