CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Inkomend - SCP - Notities Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2023

Informatiebijeenkomst 14 april 2023, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken52.032 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Scholieren en studenten met een bijbaan tellen niet mee, net zomin als 25-minners in het algemeen, om mensen die de voorafgaande twee jaren nog met hun opleiding bezig waren zo veel mogelijk uit te sluiten.

Bron: SCP (AAP’04-’20)

Informeel bijleren op het werk, dat wil zeggen door uitleg van collega’s of door simpelweg te doen, kan een alternatief zijn voor formele scholing. Dit neemt evenmin toe: het aandeel werkenden dat zegt te leren van collega’s of door te doen bleef tot en met 2019-2020 ongeveer constant (Pouwels 2022b). De tijdsbesteding per week hieraan kromp tussen 2017 en 2020 zelfs iets (Künn-Nelen et al. 2022), mogelijk ook een tijdelijk effect van de coronapandemie. Mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden en mensen van 55 jaar of ouder doen van alle werkenden het minst vaak aan een leven lang ontwikkelen. Zij ondernamen sinds 2009-2010 niet vaker activiteiten op dit vlak. Mannen en vrouwen verschillen onderling niet in hun deelname aan een leven lang ontwikkelen (Pouwels 2022a), net zomin als mensen met en zonder migratieachtergrond (Künn-Nelen et al. 2022). De al jaren constante deelname aan een leven lang ontwikkelen roept de vraag op of mensen hier in de toekomst meer aandacht aan gaan besteden, 35

zoals de overheid wenselijk acht. Mogelijk vormt de al hoge de scholingsdeelname in Nederland een rem op de groei ervan. Het is de vraag in hoeverre werkenden zelf wel behoefte hebben aan meer scholing. Ze ervaren geen toenemend gevoel van urgentie op dit vlak (SER en TNO 2022). Bovendien had bijna driekwart van degenen die de afgelopen twaalf maanden niet deelnam op dit terrein, geen wens tot scholingsdeelname (Eurostat 2023). Onder degenen die wel meer scholing hadden willen volgen, was tijdgebrek vanwege familie- en gezinsverplichtingen of het werk een obstakel (Maslowski 2019). 2.3.4 Mantelzorgdruk en de (on)mogelijkheid van het combineren Er bestaan wisselende definities van mantelzorg. Het SCP omschrijft mantelzorg als zorg aan een hulpbehoevende door iemand uit diens directe sociale omgeving. Het kan daarbij gaan om zowel langdurige of intensieve zorg als om kortdurende of minder intensieve zorg. Volgens deze definitie verrichtte in 2019 35% van de 16-plussers mantelzorg, vrouwen (39%) vaker dan mannen (32%). Het aandeel mantelzorgers groeide tussen 2016 en 2019 licht, van 32% naar 35% (De Boer et al. 2020). Onder werkenden bleef het in die periode gelijk (Josten 2020). Twee derde van de mensen vindt dat de zorg voor hulpbehoevende ouders vooral een taak is van de overheid en niet van familie (De Boer et al. 2019a).

Hoewel de bereidheid om mantelzorg te verlenen onder mannen en vrouwen nagenoeg even groot is, vinden meer mannen (31%) dan vrouwen (21%) dat een vrouw geschikter is om voor naasten te mantelzorgen (CBS 2022c). Mensen met een migratieachtergrond geven minder vaak mantelzorg dan mensen zonder migratieachtergrond. Hierbij kan meespelen dat de (groot)ouders van mensen met een migratieachtergrond in het land van herkomst wonen (De Boer et al. 2020; Huijnk en Andriessen 2016). Tijdens de coronacrisis moesten helpers van huisgenoten meer hulp bieden, omdat er minder toegang tot professionele zorg was (De Boer et al. 2021). Omdat de groep die mantelzorg aan huisgenoten biedt de groep is die de meeste zorg verleent (De Klerk et al. 2017), liep zij het grootste risico op overbelasting. 2.3.5 Zorg voor kinderen en taakverdeling De meeste vaders en moeders zouden de zorg voor de kinderen het liefst gelijk verdelen, maar de praktijk is anders. Vrouwen besteden meer tijd aan zorg en huishouden (CBS 2022c); 9% van de 16plussers met partner en kinderen verdeelt de zorg voor kinderen gelijk. Voor de helft van de ouders met een minderjarig kind is het ideaalplaatje dat de partners evenveel betaald werk verrichten, waarbij de meesten ook de zorg voor kinderen graag gelijk verdeeld zien.

Bijna een derde van de ouders ziet de vader idealiter meer werken, met ook een bijdrage aan de zorg voor kinderen. Vaders en moeders denken hierover nagenoeg hetzelfde (CBS 2022c). De voorkeur voor een gelijke verdeling van betaald werk en zorg is sterker onder vrouwen die een hbo- of wo-opleiding afrondden (57%) dan onder vrouwen met alleen een havo-, vwo- of mbo-diploma (41%) en vrouwen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden (31%). Deze laatste tweegroepen vrouwen zijn er ook minder vaak van overtuigd dat kinderopvang goed is voor een kind (Van den Brakel et al. 2020). Het anderhalfverdienersmodel voert bij ouderstellen al jaren de boventoon, al werken moeders wel steeds vaker in grotere deeltijdbanen. Kinderopvang geldt als de manier om betaald werk en zorg thuis te kunnen combineren. Hoewel het aantal 0-12-jarige kinderen daalde, steeg het aantal kinderen in de formele opvang. Tijdens de coronaperiode werd de opgaande trend in kinderopvanggebruik even gestuit, maar die zette nadien weer door (SZW 2022). In 2021 werd 36

kinderopvangtoeslag uitgekeerd voor ruim een miljoen kinderen; in 2015 was dit voor ongeveer 800.000 kinderen het geval (CBS 2022d). De opvattingen over kinderopvang zijn in de afgelopen jaren iets positiever geworden. Zo denken de meeste mannen en vrouwen dat het goed is voor peuters om een paar dagen per week naar de opvang te gaan. Voor baby’s (tot 1 jaar) is dit veel minder het geval; vooral mannen zijn het hier niet mee eens. De BSO (voor- en naschoolse opvang voor de basisschoolleeftijd) wordt over het algemeen ook positief bezien. Maar niet iedereen is zo overtuigd wanneer het om peuters gaat (Van den Brakel et al. 2020). In 2021 nam 18% van de vrouwelijke werknemers met kinderen tot acht jaar ouderschapsverlof op, bij de mannen was dit 17%. In 2015 was dat nog 21% van de vrouwen en 11% van de mannen. 2.3.6 Vrijwilligerswerk Het aandeel mensen dat rapporteerde vrijwilligerswerk verricht te hebben, daalde sinds 2016 licht (tabel 2.1). Die daling raakte tijdens de coronajaren 2020 en 2021 in een versnelling. Dat hoeft niet te verbazen, want delen van het maatschappelijk leven ging op slot, ook die delen waarin veel vrijwilligers actief zijn, zoals evenementen, (sport)verenigingsleven, kleinere podia en musea alsook het bezoeken van zieken en eenzamen. Daarmee vervielen ook de mogelijkheden om vrijwilligerswerk te doen. Tabel 2.1

Aandeel vrijwilligers, minstens 1 keer vrijwilligerswerk per jaar, personen van 15 jaar en ouder (in procenten)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

50,5

49,1

48,0

48,7

49,7

48,5

47,6

46,7

43,8

38,9

Bron: Arends en Tummers (2022)

Meedoen in de vorm van vrijwilligerswerk is niet gelijk over de samenleving verdeeld. Sekse maakt geen verschil, opleiding en herkomst doen dat wel. Onder mensen die een hbo- of wo-opleiding afrondden is een groter aandeel vrijwilliger dan onder mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden (ca. de helft vs. ca. een kwart). Naar herkomst is het verschil kleiner; niettemin doen meer mensen zonder migratieachtergrond vrijwilligerswerk dan mensen met een migratieachtergrond (40% resp. 30%). 2.3.7 Sport en bewegen Bij cijfers over ontwikkelingen in het meedoen aan sport en bewegen ten tijde van de coronapandemie geldt dat bevolkingsonderzoek werd bemoeilijkt. Het onderzoek berust meer dan anders op digitale enquêtes, waarin niet-sporters ondervertegenwoordigd zijn. Met dat voorbehoud in gedachten is het beeld vooralsnog dat meedoen aan sport weliswaar tijdelijk lastig was maar in omvang niet blijvend verminderd is (Pulles et al. 2021). Voorafgaand aan de coronapandemie gaf sportdeelname een constant beeld te zien, terwijl het aandeel mensen dat voldeed aan de (leeftijdsgebonden) bewegingsnorm vanaf 2016 leek toe te nemen (tabel 2.2). Het jaar 2020 kende een piek in het voldoen aan die norm.

Mensen gingen dat jaar meer wandelen (Grubben en Hoekman 2021)mogelijk een onbedoeld positief bijeffect van de coronamaatregelen, waardoor veel mensen meer thuis waren en iedereen minder uithuizige mogelijkheden had. Een jaar later leek dat effect echter alweer uitgewerkt.

37

Tabel 2.2

Kernindicatoren meedoen aan sport en bewegen, personen van 12 jaar en ouder (in procenten)a

sport wekelijks sport minstens 12 keer per jaar voldoet aan beweegnorm

2014 51 72 44

2015 52 -44

2016 51 70 43

2017 54 -46

2018 53 73 46

2019 53 -48

2020 54 70 52

2021 53 -46

-- = Over dit jaar zijn er geen gegevens beschikbaar. a Ten tijde van de coronapandemie verliep het veldwerk anders dan in eerdere jaren: er zijn minder face-to-face-interviews afgenomen, wat betekent dat digitaal minder goed bereikbare respondenten mogelijk zijn ondervertegenwoordigd. Het is niet uit te sluiten dat de bereikcijfers in 2020 zonder die ondervertegenwoordiging lager waren uitgevallen. Bron: RIVM (z.d.)

Er is geen groot verschil tussen aandelen mannen en vrouwen die sporten. Mensen met een nietwesterse achtergrond sporten wat minder; 1 het verschil naar opleiding is aanzienlijk groter. Van mensen die een hbo- of wo-opleiding afrondden sport ruim 50% meer dan mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden (Tiessen-Raaphorst en Van den Broek 2016). Voor het voldoen aan de bewegingsnorm geldt hetzelfde. Het verschil in sportdeelname naar herkomst en opleiding nam tijdens de coronapandemie licht toe (Grubben en Hoekman 2021). 2.3.8 Cultuur Over cultuurbezoek zijn zowel tellingen ‘aan de deur’ van culturele instellingen en evenementen als tellingen uit enquêtes beschikbaar. Film en musea mochten zich in een licht stijgende populariteit verheugen, voor het overige was het beeld vooral stabiel. Beide typen tellingen laten echter een daling in het bezoek ten tijde van de coronapandemie zien. Zo bedroeg het aantal bezoeken aan bibliotheken in 2021 met ruim 3 miljoen de helft van dat in 2019, gaf het bezoek aan musea een sterkere afname te zien (van bijna 34 naar ruim 14 miljoen) en daalde het filmbezoek nog scherper (van 38 naar 14 miljoen) (Boekmanstichting (z.d.)). Gegevens uit enquêtes (tabel 2.3) duiden op een geringer bezoek aan cultuur in 2020 dan in eerdere jaren. Ook aan het eerder gestaag groeiende bereik van film kwam een eind.

En dan is er bij het bereik in 2020 vanwege veldwerkproblemen (zie tabel 2,3, noot a) mogelijk ook nog sprake van een overschatting. Bij beoefening is, met hetzelfde voorbehoud van mogelijke overschatting, weinig te zien van een coronadip. Deels kan de verklaring zijn dat het bij veel cultuurbeoefening om solistische activiteiten (thuis) gaat, zoals een instrument bespelen, schilderen of digitaal bronnenonderzoek. Tabel 2.3

Cultuurdeelname, minstens 1 keer per jaar, personen van 6 jaar en ouder (in procenten)a

bezoek podiumkunst beeldende kunst film erfgoed beoefening kunstbeoefening erfgoedbeoefening a

2014

2016

2018

2020

74 56 62 64

74 50 65 62

73 53 67 66

46 35 44 47

52 32

55 33

54 32

52 31

Ten tijde van de coronapandemie verliep het veldwerk anders dan in eerdere jaren: er zijn minder face-to-face interviews afgenomen, wat betekent dat digitaal minder goed bereikbare respondenten mogelijk zijn ondervertegenwoordigd. Het is niet uit te sluiten dat de bereikcijfers in 2020 zonder die ondervertegenwoordiging lager waren uitgevallen.

Bron: SCP/CBS/Boekmanstichting Vrijetijdsomnibus

38

Cultuurbezoek is van oudsher scheef over de bevolking verdeeld (Van den Broek en Gieles 2018). Het aandeel bezoekers is gradueel hoger onder vrouwen dan onder mannen. Ook is er verschil tussen mensen met verschillende migratieachtergronden. Veruit het grootst zijn de verschillen naar opleiding, en dan in het bijzonder bij bezoek aan gecanoniseerde podiumkunst en musea. Het aandeel bezoekers daarvan is onder mensen die een hbo- of wo-opleiding afrondden twee respectievelijk twee en een half keer groter dan onder mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden. Bij cultuurbeoefening lig het iets anders: wat meer vrouwen doen aan kunstbeoefening, wat meer mannen doen aan erfgoedbeoefening. Naar herkomst is er maar weinig verschil in kunstbeoefening en geen in erfgoedbeoefening. Wel geldt ook hier dat meer opleiding hand in hand gaat met flink grotere aandelen cultuurdeelname: het deelnamepercentage ligt onder mensen die een hbo- of woopleiding afrondden circa 80% hoger dan onder mensen die alleen basisonderwijs of vmbo hebben gevolgd.

2.4

Meer meedoen: over combinatiedruk, uitruil en stapeling

De overheidsambitie is om elke afzonderlijke vorm van meedoen te stimuleren. Het dagelijks leven is niet onderverdeeld in beleidssectoren, daarin vallen die ambities samen. Waar mensen aan meedoen hangt voor een groot gedeelte samen met de levensfase waarin ze zich bevinden. In de eerste levensfase, de jeugdfase, speelt bij het onderwijs, het terrein dat de overheid in die fase naar onze indruk het urgentst vindt, de uitdaging van prestatiedruk. In de tweede fase, die van de werkende leeftijd, ligt de sterkste nadruk van de overheid op een grotere deelname aan betaald werk en mantelzorg, en speelt dus de uitdaging van het combineren. In de derde levensfase (de postwerkende leeftijd) is de tijdsdruk geringer, maar in de oudste leeftijdsgroep, 75 jaar, vormt intensieve mantelzorg een zware last voor degenen die deze hulp geven. 2.4.1 Meedoen in de jeugdfase Bijna twee derde van de jongeren tussen de 12 en 25 jaar is tevreden over hun hoeveelheid vrije tijd. Meisjes zijn daar iets minder tevreden mee dan jongens. Ook zijn jongeren die veel huiswerk moeten doen minder tevreden over de hoeveelheid vrije tijd. De grootste bronnen van stress onder jongeren in deze leeftijdsgroep zijn hun drukke leven en school of studie. Andere aspecten van het leven, zoals vrienden, uiterlijk, werk of social media, leveren aanzienlijk minder stress op (Kloosterman et al. 2021).

Toch bestaat ook bij deze aspecten een samenhang met stress. Hoe meer tijd jongeren besteden aan social media of werk, hoe meer stress ze ervaren. Bijna de helft van de meisjes en bijna een derde van de jongens in het voortgezet onderwijs rapporteert dat smartphonegebruik (best of heel) vaak ten koste gaat van huiswerk maken of leren voor school (Boer et al. 2022). Een bijzondere risicogroep bestaat uit scholieren met langdurig zieke huisgenoten, zeker als ze naast hun onderwijsverplichtingen ook mantelzorg verlenen. Een op de vijf scholieren woont samen met een langdurig ziek gezinslid en heeft een verhoogde kans op psychosomatische klachten. Scholieren met een langdurig ziek gezinslid voelen zich vaker onder druk staan door het schoolwerk dat ze moeten doen. Het geven van intensieve mantelzorg heeft consequenties voor hun welzijn en hun toekomst. Een op de drie jonge mantelzorgers voelt zich matig of ernstig belast. Dit heeft als risico dat hun schoolprestaties er onder lijden en ze later minder kansen hebben. Jonge mantelzorgers vormen daarmee een groep die extra aandacht vraagt (De Boer et al. 2019b; De Roos en De Boer 2022). 39

Jongeren in Nederland behoren tot de gelukkigste van Europa (WHO 2020). Driekwart van de jongeren in de leeftijd van 12 tot 25 jaar is gelukkig, 6% is ongelukkig. Bijna 70% is tevreden met het leven, 9% is ontevreden (Kloosterman et al. 2021). De laatste jaren zijn er echter signalen dat het minder goed gaat met hun mentale welbevinden (Kleinjan et al. 2020). Een op de vier jeugdigen voelt zich weleens opgejaagd, bijna de helft vindt het weleens 'te druk' (Roeters 2018). Onder jongeren op de basisschool en in het voortgezet onderwijs verdriedubbelde in de afgelopen twintig jaar de ervaren druk door schoolwerk. In het voorgezet onderwijs steeg deze van 16% in 2001 tot 47% in 2021 (Boer et al. 2022). Dit is zorgwekkend, aangezien druk door schoolwerk sterk samenhangt met mentale problemen (De Looze et al. 2020; Kleinjan et al. 2020). Deze groeiende druk hangt samen met het groeiend belang dat jongeren, hun ouders en de maatschappij hechten aan schoolprestaties en soort opleiding (Elffers 2018; Vermeulen 2018). Ook de coronacrisis droeg bij aan het groeiend aandeel scholieren en studenten dat veel schooldruk ervaart (Dopmeijer et al., 2021; Vermeulen et al. 2021). Los daarvan ervaren veel jongeren en jongvolwassenen prestatiedruk, een druk die lijkt toe te nemen (RIVM 2019).

Die druk komt zowel van anderen als van henzelf: 40% van de jongeren voelt vaak druk om aan de verwachtingen van anderen te voldoen en de helft om aan de eigen verwachtingen te voldoen (Kloosterman et al. 2021). De last van het groeiende ambitieniveau blijkt ook uit de sterke stijging (van 16% in 2001 naar 45% in 2021) van het aandeel jongeren dat druk en stress door school ervaart (Boer et al. 2022). Deze bevindingen lijken geen direct verband te houden met de vraag naar een mogelijke overvloed aan meedoen, behalve dan bij mantelzorg. Veeleer duiden ze op de culturele factor van een hoog verwachtingsniveau over het presteren van jongeren. Daarmee is deze constatering hier meer een bijvangst dan dat ze volgt uit het gekozen thema, wat aan de relevantie ervan echter niets afdoet. 2.4.2 Meedoen als volwassene in de tweede levensfase In de tweede levensfase vallen meerdere vormen van meedoen samen. In deze fase krijgen velen te maken met het verwerven van een inkomen, het opvoeden van kinderen, het bijspijkeren van vakkennis, het mantelzorgen voor hulpbehoevende ouders en het voldoen aan een verzoek om vrijwilligerswerk te verrichten. Het drukst zijn werkende ouderstellen met de zorg voor jonge kinderen. Dit is dan ook de reden waarom het anderhalfverdienersmodel, waarbij de ene partner voltijds en de andere in deeltijd werkt, populair is.

Onder heteroseksuele stellen is het meestal de vrouw die in deeltijd werkt. De man doet dan meer aan betaald werk, de vrouw meer aan onbetaald werk, zoals zorg voor huishouden en kinderen, al wint ook deeltijd werken door beide partners aan terrein (CBS 2022c). En hoewel de tijdsbesteding aan betaald plus onbetaald werk onder vrouwen niet hoger ligt dan onder mannen, voelen vrouwen in doorsnee toch meer tijdsdruk. Vrouwen hebben meer te maken met het combineren van verschillende taken en met het schipperen tussen conflicterende temporele ritmes dan mannen (Portegijs et al. 2016). Als vrouwen wel voltijds werken, ervaren ze vaker een disbalans (20%) tussen werk en privé dan voltijd werkende vaders (13%) (CBS 2022c). Oudere werkenden hebben minder vaak de zorg voor kleine kinderen en ervaren dus minder tijdsdruk. Maar ook dan zijn er grenzen aan het meedoen, of heeft meer meedoen op het ene vlak consequenties voor het andere. Mantelzorg komt vaak bij wat oudere werkenden terecht die meestal geen zorg meer hebben voor kleine kinderen. Vaak leveren zij niet-intensieve zorg (Josten en De Boer 2015b). Hoewel werkende mantelzorgers hun taken veelal goed te combineren vinden, ervaren zij 40

meer tijdsdruk dan werkenden die geen mantelzorger zijn (De Boer et al. 2019a). Zolang het om nietintensieve zorg gaat, lijken werkenden deze activiteiten in het algemeen wel te kunnen inpassen naast hun werk, want ze gaan niet ten koste van hun arbeidsduur (maar van hun vrije tijd). Bij intensieve mantelzorg, daarentegen, verminderen vrouwen hun arbeidsduur (Van Soest en Ciccarelli 2016; Josten et al. 2022) en ligt de gemiddelde levenstevredenheid van zowel vrouwelijke als mannelijke mantelzorgers lager dan die van anderen (De Boer et al. 2019a). Als de verwachting van het RIVM uitkomt dat werkenden in de toekomst vaker intensieve mantelzorg moeten geven (Vos et al. 2021), kunnen deze problemen vaker gaan optreden. Verder beginnen werkenden met een voltijdsbaan of grote deeltijdbaan minder vaak dan anderen in dezelfde leeftijd en van hetzelfde geslacht aan een mantelzorgtaak (Josten en De Boer 2015b), dus ook wat dat betreft kunnen de overheidsambities van méér meedoen aan betaald werk en méér meedoen aan mantelzorg elkaar tot op zekere hoogte in de weg zitten. Vrijwilligerswerk is een andere participatievorm waarbij aanwijzingen zijn voor een spanning met de overheidsambitie van méér meedoen in betaald werk. Onder oudere werkenden concurreert betaald werk met vrijwilligerswerk: langer doorwerken betekent minder vrijwilligerswerk (Grünwald et al. 2021).

En zowel recent Deens (Qvist 2021) als Nederlands onderzoek op oudere gegevens (Dekker et al. 2008) suggereert dat als mensen meer betaald werk gaan doen ze minder tijd aan vrijwilligerswerk besteden. Tot slot: meer uren werken dan mensen zelf willen, waar de overheidsambities op dit vlak toch vaak op zouden neerkomen, kan misschien een risico voor het welbevinden van werkenden zijn. Als mensen meer uren werken dan hun voorkeur heeft, groeien hun gezondheidsklachten (Collewet en De Koning 2013). Het aandeel werknemers met burn-outklachten is in Nederland toch al een punt van zorg. Het aandeel werknemers met burn-outklachten steeg tot 17%, dat is ruim een miljoen werknemers. De toename van burn-out is toegeschreven aan slechtere werk-privébalans, meer baanonzekerheid door flexwerk en voortschrijdende digitalisering (TNO 2021). 2.4.3 Meedoen in de derde levensfase Mensen in de derde levensfase zitten temporeel veelal ruimer in hun jasjes. Maar het beeld dat ouderen vooral thuis achter de geraniums zitten, is achterhaald. Vitale ouderen hebben steeds actiever deel aan het maatschappelijk leven, blijven actief in vrijwilligerswerk, sport en cultuur en trekken eropuit (Roeters 2018).

Ook zij kunnen met meerdere claims op hun tijd te maken hebben, zoals een gedeeltelijke zorg voor kleinkinderen (een spillover-effect van de grotere combinatiedruk onder de werkende bevolking) en mantelzorg voor hulpbehoevende naasten. Pas met het toenemen van fysieke beperkingen verminderen de mogelijkheden tot deelname (Van Campen et al. 2018). Het aandeel dat mantelzorg geeft, vermindert vanaf 75 jaar, dus ongeveer vanaf hetzelfde moment. Als 75-plussers mantelzorg geven doen ze dat echter vaak heel erg intensief en is de ervaren belasting hiervan groot (De Boer et al. 2020).

2.5

Meer meedoen: implicaties van gecombineerde ambities

Het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte IV stelt dat Nederland een land moet zijn waarin ‘alle inwoners naar vermogen mee kunnen doen’ (VVD et al. 2021). Deelname aan het maatschappelijk leven – zoals werken, leren of culturele participatie – kan allerlei voordelen hebben voor individuen en voor de samenleving. Zo biedt werken op individueel niveau toegang tot inkomen, arbeidsvreugd en sociale contacten, en op collectief niveau een hoger nationaal inkomen en meer arbeidskracht. Er 41

is nu al grote krapte op de arbeidsmarkt en de verwachting met het oog op de vergrijzing is dat dit ook geldt voor de langere termijn (Ebregt et al. 2022). Daarnaast heeft het kabinet arbeidsintensieve ambities op het terrein van de energietransitie, woningbouw, defensie, digitalisering en de overstap naar een circulaire economie. Dit gaat hand in hand met een grotere vraag naar mantelzorg en met meer nadruk op een leven lang ontwikkelen (Vos et al. 2021; Maslowski 2019). Die domeinen zijn verweven. Het werknemerstekort in de zorg en de grotere vraag naar mantelzorg en zorgvrijwilligers hebben dezelfde oorzaak: door de vergrijzing moeten minder mensen voor meer mensen zorgen (WRR 2021; Olsthoorn en Roeters 2023). Een leven lang ontwikkelen is niet los te zien van de ambities rond de energietransitie. Werken, zorgen en leren komen naast andere bezigheden en wensen van mensen, zoals de zorg voor hun kinderen, vrijwilligerswerk, sport en cultuur. De afzonderlijke beleidsambities per vorm van meedoen aan het maatschappelijk leven tellen op tot een gecombineerde beleidsambitie, die bijna neerkomt op: meer meedoen aan alles, vooral aan betaald werk en mantelzorg. Participatie onder druk: uitruil en/ of stapeling De plussen van meer meedoen zijn vervat in de beleidsambities, in deze bijdrage gaat de aandacht vooral uit naar de eventuele schaduwkanten ervan.

In de praktijk zijn er grenzen aan meer meedoen. Ieder mens heeft een grens; waar precies die grens ligt varieert sterk. Er zijn mensen die beperkingen ondervinden om vol in het maatschappelijk leven te staan. Niet iedereen kan of mag meedoen; de kansen op deelname zijn ongelijk. Anderzijds, en daar ligt hier de focus op, zijn er mensen die volop meedoen. Ook hun meedoen is echter niet onbegrensd. Een overvloed aan aanspraken op iemands tijd kan, mogelijk in combinatie, twee reacties uitlokken: uitruil en stapeling. Bij uitruil beschermen mensen zich tegen (te veel) combinatiedruk door meer van het ene meedoen te compenseren met minder meedoen aan iets anders. De persoonlijke winst dat mensen te veel combinatiedruk voorkomen, heeft ook de maatschappelijke winst dat ze daarmee voorkomen door overbelasting uit te vallen. Anderzijds betekent het al op voorhand een zekere mate van uitval van andere activiteiten met persoonlijke en/of collectieve waarde (opportunity costs), bijvoorbeeld wanneer mensen minder gaan werken om meer voor de kinderen te zorgen of wanneer mensen op mantelzorg of vrijwilligerswerk bezuinigen om meer te kunnen werken. Deze uitkomsten van uitruil kunnen de gelijktijdige realisatie van beleidsdoelen bemoeilijken. Bij stapeling proberen mensen meer meedoen binnen de beschikbare tijd te realiseren. Dit kan leiden tot combinatiedruk.

Ondanks de persoonlijke en maatschappelijke meerwaarde van meer meedoen per afzonderlijk beleidsdomein, kan de cumulatie negatieve gevolgen hebben voor het persoonlijke en maatschappelijke leven. Meedoen is prima, te veel meedoen kan schadelijk zijn en tot stress leiden. Dat is niet louter een zaak van verschil in individuele draagkracht, maar hangt samen met aan levensfase gebonden rollen. Een levensfaseperspectief op participatiedruk De druk van meer meedoen treft vooral mensen in de tweede levensfase. Dan krijgen velen naast werk ook te maken met achtereenvolgens (of tegelijk) de zorg om kinderen en hulpbehoevende ouders. Daarnaast is er de roep om zich beroepsmatig te blijven ontwikkelen, heeft de samenleving behoefte aan vrijwilligerswerk en wordt men gestimuleerd om aan sport en cultuur te doen. De beleidsambitie is dat de mensen in deze levensfase meer betaald werk en, wanneer nodig, meer 42

mantelzorg gaan leveren. In de derde levensfase vallen langer doorwerken (de tweede levensfase lijkt te worden opgerekt), zorg om kleinkinderen, mantelzorg en vrijwilligerswerk samen. In de eerste levensfase ervaren jeugd en jongeren meer prestatiedruk in hun scholing dan voorheen. Dat is minder een kwestie van combinatiedruk en duidt veeleer op de druk van de ‘zelfmaakbaarheid’: het idee dat succes je eigen verdienste is en gebrek aan succes je eigen schuld. Er is minder dwang dan voorheen, maar er is ook minder berusting in wat het lot brengt (Schnabel 2004). Het is aannemelijk dat dit zich ook in de tweede levensfase doet voelen en daar mede debet is aan het gevoel van druk. Het liefst zijn mensen succesvol in scholing en werk, gelukkig in de liefde, zorgzaam als ouder, behulpzaam als mantelzorger en vrijwilliger, en ook nog eens lekker actief in de vrije tijd. Daarmee ligt de lat op meerdere fronten hoog en is er meer druk dan tijdsdruk alleen. Zowel op persoonlijk als op collectief niveau is het zoeken naar een optimum. Potentieel het nijpendst zijn combinatieproblemen en combinatiedruk voor werkende ouders met jonge kinderen. In het vroeger maatgevende kostwinnershuishouden was de tijd van de vrouw een buffer tussen de botsende temporele claims en ritmes van werk, zorg en school.

Tweeverdieners hebben minder tijd, meer combinatieproblemen en meer kans op combinatiedruk, met in het slechtste geval de persoonlijke en maatschappelijke negatieve consequentie van uitval door burnout. Maar ook in andere groepen in die levensfase is het stimuleren van meer meedoen op het ene terrein niet zonder consequenties voor het andere vlak. Mantelzorg wordt vaak gegeven door oudere werkenden, die veelal niet meer voor jonge kinderen zorgen. Het oppakken van intensieve mantelzorgtaken gaat onder vrouwen gepaard met een inkorting van de arbeidsduur (Van Soest en Ciccarelli 2016; Josten et al. 2022). En andersom: werkenden met een voltijd- of grote deeltijdbaan beginnen minder vaak aan mantelzorg dan werkenden met een kortere werkweek (Josten en De Boer 2015b). Verder zijn er aanwijzingen dat een grotere arbeidsduur de deelname aan vrijwilligerswerk belemmert (Dekker et al. 2008; Qvist 2021). Hoe meer meedoen te realiseren? De beleidsambitie is gericht op meer meedoen op meerdere terreinen, vooral betaald werk en mantelzorg. Dat is behalve een kwestie van moeten ook een kwestie van kunnen, willen en mogen (Van der Lippe 2021; Van Campen en Olsthoorn 2022). Hoe is in dat licht bezien meer meedoen te realiseren? Onderstaand passeren enkele oplossingsrichtingen de revue. Het aanbod vergroten 1: minder mensen aan de zijlijn

De focus in deze notitie ligt op (te) veel meedoen. Daar heeft niet iedereen mee te maken; een deel van de bevolking staat aan de zijlijn, of op een plek waar ze niet wil zijn. De kansen om mee te doen zijn ongelijk verdeeld; de verschillen ontstaan vroeg in de levensloop. De omstandigheden waarin iemand opgroeit zijn bepalend voor de onderwijsloopbaan en (daarmee) voor de verdere levenskansen. De inclusie van mensen uit ‘different walks of life’ is geen gegeven. Ongelijke toegang heeft negatieve effecten, zowel voor de mensen die het betreft alsook voor de Nederlandse samenleving. Structurele (beleids)aandacht, zoals vormgegeven in de Gelijke Kansen Alliantie en in antidiscriminatie- en inclusiebeleid, kan niet alleen zelfredzaamheid en sociale cohesie, maar ook het arbeidsaanbod vergroten. Behalve het kunnen (kansen) en mogen (inclusie) is hierbij ook het aspect ‘willen’ van belang. Moeten en willen zijn met elkaar in lijn te brengen door meer aandacht voor zingeving en kwaliteit van meedoen (Van Campen en Olsthoorn 2022; Versantvoort 2022). Een hoger minimumloon en minder 43

flexibilisering, beide aangekondigd als deel van de arbeidsmarkthervormingen, kunnen mensen in kwetsbare posities helpen en tegelijk bijdragen aan het adresseren van het kraptevraagstuk (TK 2021/2022b). De kwaliteit en aantrekkelijkheid van werk hangt voor mensen niet alleen af van loon en werkzekerheid, maar ook van flexibiliteit, autonomie, werk-privébalans, zingeving en ervaren waardering (Roeters et al. 2021b; Versantvoort 2022). Het aanbod vergroten 2: meer actieve ouderen

Een tweede potentiële bron van extra inzet bestaat uit de groeiende groep vitale ouderen. Hier gaat het vooral om het willen. Deze ouderen kunnen bijdragen met langer werken, zorg voor de kleinkinderen, mantelzorg en vrijwilligerswerk. In het motiveren van ouderen om actief te blijven of te worden zijn zingevende aspecten van en plezier in activiteiten van belang. Opnieuw kan het mes dan aan twee kanten snijden, want dat is niet slechts een antwoord op een collectieve behoefte aan inzet, maar tevens een mogelijke invulling van een actieve oude dag door zinvol aan het maatschappelijk leven mee te doen. Het aanbod vergroten 3: meer arbeidsuren door deeltijders

Vrouwen zijn oververtegenwoordigd onder deeltijders. Als zij meer gaan werken, betekent dat meer arbeidskracht en ook grotere gendergelijkheid op de arbeidsmarkt, met meer zelfredzaamheid van en keuzevrijheid voor vrouwen (OCW 2022). Meer arbeidsuren door vrouwen zonder meer tijdsdruk in huishoudens zou kunnen door hun partners minder te laten werken, maar dat lost de vraag naar arbeid niet op. Een tweede mogelijkheid om moeders meer te laten werken, is meer gebruik van kinderopvang. Momenteel is het zelfs een (beleids)aanname dat arbeidsmarkttekorten tegen zijn te gaan door de kosten van opvang voor ouders sterk te verlagen. Er zijn echter grote vraagtekens te zetten bij het doel en de doelmatigheid van dit (dure) beleid (Roeters en Vliek 2022). Dit bevordert in theorie wel het kunnen, maar stuit in Nederland op de grenzen van het willen, want velen hechten eraan zelf in belangrijke mate voor hun kinderen te zorgen. Daarnaast is deeltijdwerk omgeven met gendernormen en met voorkeuren van mensen hoe hun leven in te richten (Portegijs 2022). Daarbij zijn andere vormen om meer te kunnen combineren inmiddels al gerealiseerd, in de vorm van ruimere winkelopeningstijden en verlofregelingen (zorg-, ouderschaps- en calamiteitenverlof). Ook is thuiswerken al meer ingeburgerd geraakt.

De sleutel ligt minder in het kunnen dan in het willen, en daarmee opnieuw bij het aspect van zingeving en in dit geval bij de kwaliteit van het werk om mensen ertoe te bewegen om meer te gaan werken (SER 2023). Dan hoeven extra betaalde uren niet als last te voelen (stapeling) en niet volledig ten koste te gaan van andere bezigheden (uitruil). Het aanbod vergroten 4: voorkomen dat mensen uitvallen

Het voorkomen van uitval vergroot het aanbod van werknemers, verzorgenden en vrijwilligers. Een te grote ervaren druk heeft risico’s van overbelasting en burn-out, wat zowel de individuele als de collectieve meerwaarde van meer meedoen ondergraaft. Wanneer de condities voor verschillende participatievormen op elkaar afgestemd zijn, kan voorkomen worden dat burgers op piekmomenten te veel ballen in de lucht moeten houden. Wanneer mensen hun werkdagen flexibel in kunnen richten en op het werk informele steun ervaren, is betaald werk beter met andere activiteiten te combineren (Roeters et al. 2021a). Tevens biedt dit burgers meer mogelijkheden om zelf te kiezen hoe ze zinvol en volwaardig willen participeren. Negatieve aspecten van meer meedoen wegen minder zwaar wanneer het meer een kwestie is van willen (intrinsieke motivatie) dan van moeten. Zingeving in het werk draagt bij aan een actiever, gezonder, welvarender en gelukkiger leven (Versantvoort 2022). Het versterken van de individuele veerkracht – goed kunnen omgaan met moeilijkheden, tegenslagen, veranderingen en stress (Kleinjan et al. 2020) – kan helpen bij het 44

omgaan met participatiedruk (Doornwaard et al. 2021). Dit wordt erkend door de rijksoverheid in het Nationaal Preventieakkoord Mentale Gezondheid, waarbij het stimuleren van veerkracht een belangrijk thema is (Kraak en Kleinjan 2021; TK 2021/2022d). Meer doen met dezelfde mensen door een leven lang ontwikkelen

Naast vergroting van het arbeidsvolume valt ook te denken aan verhoging van de arbeidsproductiviteit, waardoor meer werk kan gebeuren met dezelfde aantallen mensen. Gezien gevoelens van druk en stress zit de oplossing niet in harder, maar in slimmer werken. Dat kan behalve door digitalisering en robotisering ook door meer leven lang ontwikkelen (SER 2023), met bij- en omscholing naar banen in de tekortsectoren. Dat vergroot op individueel niveau de kansen op ontplooiing en op dat mensen op de juiste plek zitten. Opnieuw spelen hier naast kunnen ook willen en zingeving mede een rol. Vooralsnog leeft het idee van een leven lang ontwikkelen nog niet zo sterk. Er is hierin althans geen toename te zien bij werkenden; ze ervaren geen toenemend gevoel van urgentie en de meeste werkenden die geen scholing volgden hadden geen specifieke wens daartoe (SER en TNO 2022; Eurostat 2023). Er zijn vooralsnog blijkbaar grenzen aan de wil tot een leven lang ontwikkelen. Meer doen met extra mensen, of minder doen

Naarmate meer doen met dezelfde mensen minder soelaas biedt, komt een tweetal heel andere oplossingsrichtingen in beeld. De eerste is de mogelijkheid om aan de vraag naar meer arbeid te voldoen door arbeidsmigratie (SER 2023). Een kanttekening hierbij is dat dit de arbeidsmarktkrapte oplost maar andere problemen kan vergroten, zoals huisvesting en integratie. Dat roept de vraag op naar het draagvlak voor deze oplossingsrichting. De tweede, heel andere, oplossingsrichting is de vraag of het niet mogelijk is om met minder arbeid te volstaan. Dat betekent minder doen, en dus ook het maken van keuzes wat dan minder te doen. In een reactie op een SER-briefadvies (SER 2023) lijkt de overheid dit ogen te zien: Uiteindelijk zet algehele krapte druk op de welvaartsgroei, wat betekent dat het niet mogelijk is alles te doen wat we willen en dat er keuzes gemaakt moeten worden. Een reactie op krapte gaat daarom ook over het verdelen van schaarse arbeidskracht tussen verschillende doelstellingen. Het is daarbij zaak om helder te maken welk belang we hechten aan verschillende maatschappelijke taken, en welke keuzes nodig zijn om die van goede kwaliteit en financierbaar te houden. (TK 2021/2022b: 19) Deze twee alternatieve oplossingsrichtingen verbinden de arbeidsmarktproblematiek met andere domeinen van leven en samenleven.

Ze vragen derhalve om een breed afwegingskader van de voors en de tegens. Dat geldt echter in gelijke mate eveneens voor de mogelijkheden om meer meedoen te realiseren.

Noot 1 Hierbij is gebruikgemaakt van de geldende indeling in migratieachtergronden ten tijde van het onderzoek. Tegenwoordig maakt het SCP

geen onderscheid meer tussen westerse en niet-westerse achtergrond.

45

Literatuur Arends, J. en M. Tummers (2022). Vrijwilligerswerk 2021. Geraadpleegd via www.cbs.nl/nlnl/longread/rapportages/2022/vrijwilligerswerk-2021. Boekmanstichting (z.d.). Dashboard Cultuurmonitor. Geraadpleegd 30 november 2022 via www.cultuurmonitor.nl/dashboard. Boelhouwer, J. en F. Vonk (2020). Kwaliteit van leven. In: J. den Ridder, C. van Campen, E. Josten en J. Boelhouwer (red.), De sociale staat van Nederland 2020. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Boer, de A., I. Plaisier en M. De Klerk (2019a). Werk en mantelzorg. Kwaliteit van leven en het gebruik van ondersteuning op het werk. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Boer, A. de, I. Plaisier en M. de Klerk (2019b). Mantelzorgers in het vizier. Beleidssignalement mantelzorg. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Boer, A. de, M. De Klerk, D. Verbeek-Oudijk en I. Plaisier (2020). Blijvende bron van zorg. Ontwikkelingen in het geven van informele hulp 2014-2019. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Boer, A. de, E. Verbakel en K. Raiber (2021). Eerste lockdown had groot effect op mantelzorg. In: Sociale Vraagstukken, 27 september 2021. Geraadpleegd via www.socialevraagstukken.nl/eerste-lockdown-had-groot-effectop-mantelzorg/. Boer, M., S. van Dorsselaer, M. de Looze, S. de Roos, H. Brons, R. van den Eijnden, K. Monshouwer, W. Huijnk, T. ter Bogt, W. Vollebergh en G. Stevens (2022). HBSC 2021.

Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht. Brakel, M. van den, W. Portegijs en B. Hermans (2020). Emancipatiemonitor 2020. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek en Sociaal en Cultureel Planbureau. Broek, A. van den en Y. Gieles (2018). Het culturele leven. 10 culturele domeinen bezien vanuit 14 kernthema's. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Campen, C. van, F. Vonk en T. van Tilburg (2018). Kwetsbaar en eenzaam? Risico’s en bescherming in de ouder wordende bevolking. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Campen, C. van en M. Olsthoorn (2022). Essay Meedoen aan de samenleving. Naast kunnen en moeten ook een kwestie van willen en mogen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. CBS (2022a). Integratie en samenleven 2022. Geraadpleegd via longreads.cbs.nl/integratie-en-samenleven-2022. CBS (2022b). Arbeidsdeelname; vanaf 1969 (StatLine). Geraadpleegd 8 december 2022 via opendata.cbs.nl/statline. CBS (2022c). Emancipatiemonitor 2022. Geraadpleegd via longreads.cbs.nl/emancipatiemonitor-2022. CBS (2022d). Ruim 1 miljoen kinderen met kinderopvangtoeslag (nieuwsbericht, 11 juli 2022). Geraadpleegd via www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/28/ruim-1-miljoen-kinderen-met-kinderopvangtoeslag. Collewet, M. en J. de Koning (2013). Hoe gezond is werken? In: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, jg. 29, nr. 1, p. 27-41. Dekker, R., D.

Fouarge en T. Schils (2008). Concurrentie tussen arbeidsmarkt- en maatschappelijke participatie. In: Economisch Statistische Berichten, jg. 93, nr. 4538, p. 404-407. Doornwaard, S., M. Peeters, M. Leijerzapf, J. de Haas, A. Efat en M. Kleinjan (2021). Mentaal kapitaal. Welke factoren spelen een rol bij ongezonde stress, prestatiedruk, schoolverzuim/thuiszitten en schooluitval? Utrecht: Regionale Kenniswerkplaats Jeugd en Gezin Centraal. Dopmeijer, J. M., J. Nuijen, M. Busch en N. Tak (2021). Monitor mentale gezondheid en middelengebruik studenten hoger onderwijs. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Trimbos-instituut en GGD GHOR Nederland. Ebregt, J., E. Jongen en B. Scheer (2022). Groei beroepsbevolking gaat sterk afvlakken. In: Economisch Statistische Berichten), jg. 107, nr. 4814, p. 478. Elffers, L. (2018). De bijlesgeneratie: Opkomst van de onderwijscompetitie. Amsterdam: Amsterdam University Press. Eurostat (2023). Population not participating in education or training by main reason and sex. Geraadpleegd 13 januari 2023 via ec.europa.eu/eurostat/databrowser/view/TRNG_AES_195__custom_4521878/default/table?lang=en. Gubbels, J., A. van Langen, N. Maassen en M. Meelissen (2019). Resultaten PISA-2018 in vogelvlucht. Enschede: Universiteit Twente. Grubben, M. en R. Hoekman (2021). Sociale ongelijkheid in sportdeelname (factsheet 2021/12).

Utrecht: Mulier Instituut. Grünwald, O., M. Damman en C. Henkens (2021). Doorwerken na pensionering beperkt deelname vrijwilligerswerk. In: Demos, jg. 37, nr. 4, p. 1-4. Huijnk, W. en I. Andriessen (red.) (2016). Integratie in zicht? De integratie van migranten in Nederland op acht terreinen nader bekeken. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

46

Inspectie van het Onderwijs (2022). De Staat van het Onderwijs. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs. Josten, E. (2020). Arbeidsmarkt in kaart: wel- en niet-werkenden – editie 2. Geraadpleegd via digitaal.scp.nl/arbeidsmarkt-in-kaart-wel-en-niet-werkenden-editie-2. Josten, E. en A. De Boer (2015a). Mantelzorg en betaald werk bij vrouwen en mannen. In: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, jg. 31, nr. 4, p. 414-429. Josten, E. en A. De Boer (2015b). Concurrentie tussen mantelzorg en betaald werk. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Josten, E.J., E. Verbakel en A.H. de Boer (2022). A longitudinal study on the consequences of the take-up of informal care on work hours, labour market exit and workplace absenteeism due to illness. In: Ageing & Society, p. 1-24. Kleinjan, M., I. Pieper, G. Stevens, N. van de Klundert, M. Rombouts, M. Boer en J. Lammers (2020). Geluk onder druk. Onderzoek naar het mentaal welbevinden van jongeren in Nederland. Utrecht: Trimbos-instituut, Stichting Alexander en Universiteit Utrecht. Klerk, M. de, A. de Boer, I. Plaisier en P. Schijns (2017). Voor elkaar? Stand van de informele hulp in 2016. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kloosterman, R., M. Akkermans, M. Tummres-van der Aa en M. Wingen (2021). Welzijn en stress bij jongeren in coronatijd. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Kraak, A. en M. Kleinjan (2021).

Naar gezamenlijke veerkracht en kansen voor iedereen. Een nieuw fundament voor mentaal welbevinden van de jeugd. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut en Trimbos-instituut. Kromhout, M., N. Kornalijnslijper en M.de Klerk (red.) (2018). Veranderde zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking. Landelijke evaluatie van de Hervorming Langdurige Zorg. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Künn-Nelen, A., H. Abbink, S. Baumann, S. Van Elferen en D. Fouarge (2022). Leven lang ontwikkelen in Nederland. Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt. Lippe, T. van der (2021). Waar blijft mijn tijd? Waarom we zoveel willen, moeten en kunnen. Amsterdam: Prometheus. Looze, M.E. de, A.P. Cosma, W.A.M. Vollebergh, E.L. Duinhof, S.A. de Roos, S.A.F.M. van Dorsselaer, M.J.H. van Bon-Martens, R. Vonk en G.W.J.M. Stevens (2020). Trends over time in adolescent emotional wellbeing in the Netherlands, 2005-2017: Links with perceived schoolwork pressure, parent-adolescent communication and bullying victimization. In: Journal of Youth and Adolescence, jg. 49, nr. 10, p. 21242135. Maslowski, R. (2019). Grenzen aan een leven lang leren. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Pleijers, A. en R. de Vries (2021). Tijdelijk minder ‘leven lang ontwikkelen’ in coronatijd. In: Economisch Statistische Berichten, jg. 106, nr. 4795. Maslowski, R. (2020). Onderwijs.

In: De Sociale Staat van Nederland 2020. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Mooren, F. van der en R. de Vries (2022). Steeds meer hoogopgeleiden in Nederland: wat voor beroep hebben ze? Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. OCW (2022). Emancipatienota 2022-2025. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Olsthoorn, M. en A. Roeters (2023). Reflectie SCP op Aanpak Arbeidsmarktkrapte: Krappe arbeidsmarkt vraagt om meer mensgerichte oplossingen (kennisnotitie). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Onderwijsraad (2020). Een verkenning van sekseverschillen in het onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad. Portegijs, W. (2022). Eens deeltijd, altijd deeltijd. Waarom vrouwen in deeltijd blijven werken als ze ‘uit’ de kleine kinderen zijn. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Portegijs, W., M. Cloïn, A. Roodsaz en M. Olsthoorn (2016). Lekker vrij!? Vrije tijd, tijdsdruk en de relatie met de arbeidsduur van vrouwen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Pouwels, B. (2022a). Neemt een leven lang ontwikkelen onder werkenden toe? In: B. Pouwels en E. Josten (red.), Arbeidsmarkt in kaart: wel- en niet-werkenden – editie 3. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Geraadpleegd via digitaal.scp.nl/arbeidsmarkt-in-kaart-wel-en-niet-werkenden-editie-3/neemt-eenleven-lang-ontwikkelen-onder-werkenden-toe. Pouwels, B. (2022b).

Neemt informeel leren toe? In: B. Pouwels en E. Josten (red.), Arbeidsmarkt in kaart: wel- en niet-werkenden, editie 3. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Geraadpleegd via digitaal.scp.nl/arbeidsmarkt-in-kaart-wel-en-niet-werkenden-editie-3/neemt-informeel-leren-toe. Pouwels, B. en E. Josten (2022). Wanneer denken werkenden te zullen stoppen met werken? In: B. Pouwels en E. Josten (red.), Arbeidsmarkt in kaart: wel- en niet-werkenden – editie 3. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Pulles, I., P. Eldert en H. van der Poel (2021). Monitor Sport en corona IV: De gevolgen van coronamaatregelen voor de sportsector. Utrecht: Mulier Instituut. Geraadpleegd via www.mulierinstituut.nl/publicaties/26410/monitor-sport-en-corona-iv.

47

Qvist, H.-P.Y. (2021). Hours of Paid Work and Volunteering: Evidence From Danish Panel Data. In: Nonprofit and Voluntary Sector Quarterly, jg. 50, nr. 5, p. 983-1008. RIVM (2019). Mentale gezondheid van jongeren: enkele cijfers en ervaringen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. RIVM (z.d.). Overzicht kernindicatoren sport en bewegen. Geraadpleegd 30 november 2022 ia www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren. Roeters, A. (2018). Alle ballen in de lucht. Tijdsbesteding in Nederland en de samenhang met kwaliteit van leven. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Roeters, A. en M. Vliek (2022). Reflectie SCP op Herziening Kinderopvangbeleid: Breuk met eerder beleid zorgelijk met oog op kansenongelijkheid (kennisnotitie). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Roeters, A., A. De Boer, W. Portegijs, R. Maslowski, J. Omlo, A. Smit en I. Koper (2021a). De werkende duizendpoot. Hulpbronnen en barrières voor werkenden die zorgen en leren. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Roeters, A, P. van Echtelt, C. Vrooman, J. D. Vlasblom en M. Olsthoorn (2021b). Slotbeschouwing van de reeks ‘De veranderende wereld van werk’. Een verkenning van de kwaliteit van werk in de toekomst. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Roos, S. de en A. de Boer (2022). Kerncijfers jonge mantelzorgers in Nederland (16-24 jaar). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Schnabel, P. (2004). Individualisering en sociale integratie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. SER (2023). Waardevol werk: publieke dienstverlening onder druk. Oplossingsrichtingen voor de arbeidsmarktkrapte. Den Haag; Sociaal- Economische Raad. SER en TNO (2022). Monitor leercultuur. Den Haag: Sociaal-Economische Raad en TNO. Geraadpleegd via publicaties.ser.nl/monitor_leercultuur. Soest, A. van en N. Ciccarelli (2016). Mantelzorg, arbeidsparticipatie en gezondheid. Tilburg: Tilburg University. SZW (2022). Cijfers kinderopvang derde kwartaal 2022. Rijksoverheid: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tiessen-Raaphorst, A. en A. van den Broek (2016). Sport en cultuur. Patronen in belangstelling en beoefening. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. TK (2009/2010). Kabinetsstandpunt eindrapport Taskforce Deeltijdplus. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009/2010, 29544, nr. 260. TK (2018/2019). Leven lang ontwikkelen. Brief van de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 september 2018. Tweede Kamer, vergaderjaar 2018/2019, 30012, nr. 92. TK (2020/2021). Leven Lang Leren. Brief van de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 november 2020. Tweede Kamer, vergaderjaar 2020/2021, 30012, nr. 135. TK (2021/2022a).

Voortgang nationaal actieplan voor meer diversiteit en inclusie hoger onderwijs en onderzoek. Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 juli 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2020/2021, 29338, nr. 259. TK (2021/2022b). Aanpak arbeidsmarktkrapte. Brief van de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, van Economische Zaken en Klimaat, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Primair en Voortgezet Onderwijs en Langdurige Zorg en Sport van 24 juni 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022, 29544, nr. 1115. TK (2021/2022c). Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg. Hoofdlijnenbrief van de minister voor Langdurige Zorg van 13 mei 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022, 29 282, nr. 462. TK (2021/2022d). Verkenning Nationaal Preventieakkoord Mentale Gezondheid. Brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 oktober 2021. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022, 32793, nr.573. TK (2022/2023a). Beleidslijnen Leven Lang Ontwikkelen. Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 september 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023, 30012, nr. 147. TK (2022/2023b). Ondersteuning mantelzorg en informele zorg. Brief van de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 september 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023, 30169, nr.73. TNO (2021).

TNO: diverse factoren verantwoordelijk voor burn-out klachten (nieuwsbericht, 12 januari 2021). Geraadpleegd via www.tno.nl/nl/newsroom/2020/12/tno-diverse-factoren-verantwoordelijk Vermeulen, M. (2018). Zesjescultuur maakt plaats voor strijd om hoge cijfers – wat doet dat met jongeren? In: de Volkskrant, 16 maart 2018. Geraadpleegd via www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/zesjescultuur-maakt-plaatsvoor-strijd-om-hoge-cijfers-wat-doet-dat-met-jongeren~b1355733. Vermeulen, W., T. Schwartz, S. Hoekstra en M. Kleinjan. (2021). Druk in het voortgezet onderwijs. Onderzoek naar oorzaken van schooldruk in het voortgezet onderwijs. Amsterdam: SEO Economisch Onderzoek.

48

Versantvoort, M. (2022). Zin verzoet de arbeid. Over arbeid en zingeving in een paradoxale samenleving (oratie). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. VNG (2021). Vrijwilligersbeleid leeft, maar wat kan er beter? (nieuwsbericht, 7 december 2021). Geraadpleegd 16 september 2022 via vng.nl/nieuws/vrijwilligerswerkbeleid-leeft-maar-wat-kan-er-beter. Vos, E., K.I. Proper, H. Hilderink, A. Van der Beek en S. De Bruin (2021). Werkende mantelzorgers van ouderen: Verkenning van hun toekomst en ondersteuningsbehoeften. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. VVD, D66, CDA en ChristenUnie (2021). Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst; Coalitieakkoord 2021-2025. Den Haag: Rijksoverheid. Geraadpleegd via www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2022/01/10/ coalitieakkoord-omzien-naar-elkaar-vooruitkijken-naar-de-toekomst. VWS (2018a). Nationaal Preventieakkoord: Naar een gezonder Nederland. Den Haag; Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. VWS (2018b). Nationaal Sportakkoord: Sport verenigt Nederland. Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. WHO (2020). Spotlight and adolescent health and well-being. Findings from the 2017/2018 Health-Behaviour in School-Aged Children (HBSC) survey in Europe and Canada. International report, volume 1: key findings. Kopenhagen: WHO Regional Office for Europe. WRR (2021).

Kiezen voor houdbare zorg. Mensen, middelen en maatschappelijk draagvlak. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Zumbuehl, M. en R. Dillingh (2020). Ongelijkheid van het jonge kind. Den Haag: Centraal Planbureau.

49

3

Adequate ondersteuning van mensen in kwetsbare situaties Mark Reijnders, Freek Bucx, Roelof Schellingerhout en Evelien Eggink

3.1

Inleiding

Om op een zinvolle en volwaardige manier te participeren in de samenleving is het belangrijk dat mensen voldoende bestaanszekerheid hebben. Daarbij gaat het niet alleen om het hebben van voldoende inkomen, maar bijvoorbeeld ook om een betaalbare woning en om toegang tot goede zorg en ondersteuning. Het sociaal domein vormt een belangrijk vangnet voor mensen die voor korte of langere tijd niet mee kunnen doen aan de samenleving of zich niet zelf kunnen redden. Dat geldt vooral voor mensen die zich in een kwetsbare situatie bevinden. De opgave van beleid ligt erin om mensen in kwetsbare situaties te ondersteunen en daarbij ook hun eigen veerkracht en die van hun omgeving te versterken. Over deze mensen en de ondersteuning die ze nodig hebben gaat deze notitie. Mensen die zich in een kwetsbare situatie bevinden, hebben enerzijds te maken met een grote draaglast: ze hebben een stapeling van problematiek, zoals problemen met het doen van het huishouden, financiële problemen of tekortschietende administratieve vaardigheden. Anderzijds hebben zij weinig draagkracht, oftewel onvoldoende hulpbronnen. Denk daarbij aan hulpbronnen als opleiding, inkomen, veerkracht en regie, die hen kunnen helpen om met die problemen om te gaan.

Voor hen is het vaak extra uitdagend om goed mee te kunnen doen in de samenleving (zie ook de notitie Meer meedoen aan het maatschappelijk leven) en dat kan gevolgen hebben voor hun kwaliteit van leven (Den Ridder et al. 2020; Vrooman et al. 2023). Om hun problemen te verhelpen of te verzachten, hun leefsituatie te verbeteren en hen in staat te stellen zo goed mogelijk mee te kunnen doen in de samenleving, hebben zij dan ook vaak (enige) ondersteuning van anderen nodig. Als hulp uit de eigen sociale omgeving geen soelaas biedt, kunnen mensen in een kwetsbare situatie een beroep doen op bepaalde voorzieningen in het sociaal domein. Denk bijvoorbeeld aan een alleenstaande man met reuma die hulp in de huishouding krijgt, een kind met ADHD dat onder behandeling is van een orthopedagoog, of een vrouw met een arbeidshandicap die begeleiding krijgt naar passend werk. En zo zijn er nog heel veel anderen die gebruikmaken van een of meer voorzieningen vanuit de drie ‘kernwetten’ van het sociaal domein – de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), de Jeugdwet en de Participatiewet. Uit eerdere evaluaties van die drie wetten blijkt dat velen zich ook geholpen voelen door die ondersteuning (Kromhout et al. 2020).

Desondanks is bekend dat niet alle mensen in een kwetsbare situatie (optimale) ondersteuning krijgen en dat hun leefsituatie vaak beduidend slechter is dan die van andere Nederlanders (zie bv. Pommer et al. 2018; Eggink et al. 2020; TSD 2020). Mensen met complexe zorgvragen, bijvoorbeeld op het gebied van de gespecialiseerde jeugdzorg, of mensen met een arbeidsbeperking die op zoek zijn naar beschut werk, lijken buiten de boot te vallen (Van Echtelt et al. 2019; SER 2021; De Klerk et al. 2022). Niet iedereen in een kwetsbare situatie die hulp kan gebruiken, is in beeld bij gemeenten en hulpinstanties, laat staan dat ieder van hen bereikt wordt met hulp (Kromhout et al. 2020; Plaisier et al. (nog te verschijnen)). Dat niet alle mensen in een kwetsbare situatie de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben, is onwenselijk. Er is namelijk een aanzienlijke kans dat hun problemen verergeren en er uiteindelijk 50

meer intensieve en/of specialistische – vaak duurdere – vormen van hulp nodig zullen zijn. Bovendien is het zorgelijk in het licht van huidige en toekomstige maatschappelijke ontwikkelingen, zoals (de nasleep van) de coronapandemie, de inflatie en de toenemende vergrijzing. Dergelijke ontwikkelingen zetten de zelfredzaamheid en de mogelijkheden voor ondersteuning vanuit sociale netwerken, de samenleving en het sociaal domein verder onder druk. Dit alles roept de vraag op wat er nodig is aan beleidsplannen bij de aanpak van deze problemen. De centrale vraagstelling van deze notitie is dan ook: Hoe gaat het met mensen in kwetsbare situaties en wat betekent dat voor het (rijks)beleid? De informatie in deze bijdrage is voor een belangrijk deel gebaseerd op de publicatie Zicht op zorgen van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) (De Klerk et al. (nog te verschijnen)), die gebruikmaakt van de data uit de SociaalDomeinIndex 2021 (SDI, data verzameld in 2021) en uit het onderzoek Gezondheid, Zorg, Ondersteuning en Welzijn (GZOW, data verzameld in 2019-2021). Gegevens over dienstverlening vanuit het sociaal domein (het voorzieningengebruik) komen van CBS StatLine. Waar nodig en mogelijk, komen data en inzichten uit andere relevante bronnen aan bod. De meeste gegevens hebben betrekking op volwassenen (18-plussers); de positie van jongeren komt beperkt en indirect aan de orde.

Relevante ontwikkelingen binnen de jeugdzorg en de beleidsimplicaties hiervan passeren wel de revue.

3.2

Institutionele context van het sociaal domein

De nationale overheid heeft zich de afgelopen decennia op veel terreinen teruggetrokken en zichzelf een andere rol aangemeten (WRR 2006a; Borghi en Van Berkel 2007; Veldheer et al. 2012; Van Kersbergen et al. 2014). De ‘klassieke’ verzorgingsstaat is langzaamaan getransformeerd naar een zogenoemde voorwaardenscheppende staat (enabling state) of sociale investeringsstaat (Van der Meer et al. 2011; Van Kersbergen en Hemerijck 2012; Putters 2018). Daarbij zijn steeds meer taken en verantwoordelijkheden verschoven van nationaal niveau naar andere overheidslagen, bedrijven, organisaties in het maatschappelijk middenveld, en burgers (Van der Meer et al. 2019). De decentraliseringsoperatie in het sociaal domein – van de Wmo 2015, Participatiewet en Jeugdwet – past binnen deze bredere institutionele context. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de ondersteuning van mensen in een kwetsbare situatie. 3.2.1 Sociaal domein blijvend in beweging Met de drievoudige decentralisatie van het sociaal domein heeft de rijksoverheid in 2015 omvangrijke beleidstaken overgedragen aan gemeenten. Met deze ingrijpende verbouwing hevelde de rijksoverheid destijds zestien miljard euro aan middelen over naar gemeenten, ofwel ruim 8,5% van de rijksbegroting (Kruiter et al. 2016). Daarbij behield de rijksoverheid zelf bepaalde essentiële taken en bevoegdheden.

Deze hebben betrekking op het maken van wetgeving, het stellen van regels omtrent (de kwaliteit van) de dienstverlening en informatieverplichtingen, financiering (o.a. uitkeringen uit het gemeentefonds), monitoring, evaluatie, en het organiseren van nalevingstoezicht en interbestuurlijk toezicht (AR 2018; TK 2021/2022a, 2021/2022b). Het rijk draagt een zogenoemde stelsel- of systeemverantwoordelijkheid ten aanzien van het sociaal domein. Hoewel de precieze betekenis van die verantwoordelijkheid niet duidelijk is (ROB 2018), houdt het in ieder geval in dat de rijksoverheid kan ingrijpen wanneer zij dat nodig vindt. Voorbeelden van ‘systeemingrepen’ uit het verleden zijn het verplichte abonnementstarief voor huishoudelijke hulp binnen de Wmo 2015 (Peters et al. 2020), de wettelijk verplichte tegenprestatie binnen de Participatiewet (Inspectie SZW 2013) en de recentralisatie van onderdelen van de jeugdzorg 51

(Boogaard 2020). Naast centralistische tendensen zijn er ook duidelijk andere bewegingen waarneembaar binnen het sociaal domein. Denk aan de verdere decentralisatie van beschermd wonen, waarbij niet langer alleen centrumgemeenten, maar alle gemeenten middelen ontvangen voor beschermd wonen (TK 2022/2023a). Binnen de kaders die de rijksoverheid stelt, hebben gemeenten beleidsvrijheid gekregen om zelf vorm en inhoud te geven aan het sociaal domein. Enerzijds ervaren zij niet altijd de ruimte om daar zelf invulling aan te geven (ROB 2021). Anderzijds lijken zij daarin soms minder ruimte te nemen dan eigenlijk mogelijk is (Vonk et al. 2021). Veel gemeenten kiezen dan ook – paradoxaal genoeg – voor schaalvergroting door vooral de complexere uitvoeringstaken op een hoger niveau te organiseren via intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (Boogers en Reussing 2019). Bijvoorbeeld voor de inkoop van specialistische jeugdhulp. Bovenstaande voorbeelden laten zien dat het sociaal domein niet statisch is en dat taken en verantwoordelijkheden door de jaren heen behoorlijk (kunnen) veranderen en verschuiven – iets dat overigens heel vaak voorkomt bij (de)centralisatieprocessen (Toonen 1981; Fleurke et al. 2021).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12632195/1