Inkomend - Rijksoverheid - Rapport De lokale niet-stemmer 2022
Tekst van het document
Ditzelfde geldt voor interesse in de landelijke politiek: alhoewel blijkt dat dit in 2022 wel een significante verklaring was voor niet-stemmen en in 2018 niet, was het effect in 2018 wel ongeveer even groot. Kortom, ook hier kunnen we niet met zekerheid over zeggen dat interesse in de landelijke politiek een andere rol heeft gespeeld voor de individuele opkomst in 2022 dan in 2018. 92 Wanneer we dus de verklaringen voor niet-stemmen tussen de twee verkiezingsjaren vergelijken, zien we vooral veel gelijkenissen en slechts enkele verschillen. De verschillen zitten zich met name in de nog grotere rol van informatie over de verkiezingen in 2022 en de verschillende invloeden van de tevredenheid met het gemeentebestuur op kans dat iemand ging stemmen.
3.5. Lokale en totale niet-stemmers Zoals in de inleiding al is aangegeven, is de verkiezingsopkomst voor de gemeenteraadsverkiezingen altijd lager dan voor de Tweede Kamerverkiezingen. Hoewel het een populaire gedachte is dat de afstand tussen burgers en bestuur op lokaal niveau het kleinst is, 93 blijkt dat in ieder geval niet uit de electorale betrokkenheid van inwoners. Van alle kiezers die bij de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2021 gingen stemmen, bleef bij de gemeenteraadsverkiezingen een jaar later ruim een derde thuis. De vraag is waarom. Vinden deze inwoners de lokale politiek minder relevant? Of is het voor hen lastig te bepalen wat er bij de gemeenteraadsverkiezingen op het spel staat en wat de standpunten van partijen hierover zijn? Om deze vragen te kunnen beantwoorden gaan we in deze paragraaf dieper in op inwoners die alleen de gemeenteraadsverkiezingen links hebben laten liggen en vergelijken we ze met inwoners die ook bij de Tweede Kamerverkiezingen zijn thuisgebleven. De eerste groep noemen we lokale niet-stemmers, de tweede totale niet-stemmers. Om na te gaan hoe beide groepen zich onderscheiden, hebben we gekeken welke factoren het lokaal nietstemmen en het totaal niet-stemmen kunnen verklaren. Daarvoor richten we ons op eerdergenoemde verklaringsfactoren voor de lokale verkiezingsopkomst en gebruiken we ook hier een logistische regressieanalyse.
91 We hebben ook een multi-level analyse uitgevoerd waarbij respondenten geclusterd zijn in verkiezingsjaren, om middels
interactie effecten (variabele * jaar) te kijken in hoeverre verklaringen significant verschillen tussen jaren. Hieruit bleek dat alleen de informatie over de gemeenteraadsverkiezingen en de ervaren daadkracht significant andere effecten hadden tussen de twee verkiezingsjaren. 92 De significantie van de verschillen tussen de verkiezingsjaren zijn getoetst door middel van een multi-level logistische regressie analyse. De resultaten zijn beschikbaar op verzoek. 93 M. Boogers (2010), Lokale politiek in Nederland: de logica en dynamiek van plaatselijke politiek (Den Haag: Boom) en W. Voermans en Waling (2019), Gemeente in de genen: tradities en toekomst van de lokale democratie in Nederland (Amsterdam: Prometheus).
De lokale niet-stemmer | 36
Tabel 3.3 – Effect van bekende verklaringen op de kansverhouding van het niet-stemmen versus de kans op totaal niet-stemmen (odds ratios) A. Hulpbronnen Geslacht Leeftijd Opleiding Bruto maandinkomen Verhuismobiliteit 1e generatie migratieachtergrond 2e generatie migratieachtergrond B. Mobilisatie Informatie over GR verkiezingen94 C. Context Gemeentegrootte D. Rationele keuze Oordeel daadkracht gemeentebestuur95 Ervaren relevantie gemeente96 Koopwoning E. Psychologisch Lokaal politiek zelfvertrouwen97 Vertrouwen lokaal bestuur98 Vertrouwen nationale politiek99 Lokale verbondenheid100 Interesse in landelijke politiek Interesse in lokale politiek N Percentage correct voorspeld
Model A n.s. n.s. +24% n.s. n.s. -41% -42%
Model B +74% n.s. n.s. n.s. n.s. -51% -51% n.s. n.s. n.s. n.s. n.s.
560 63%
n.s. +90% n.s. n.s. +147% n.s. 325 74%
Alleen significante effecten weergegeven (p < 0,05). n.s. staat voor niet significant. Uitgedrukt in de procentuele toe of afname in de kansverhouding (odds) tussen wel stemmen t.o.v. niet stemmen ((odds ratio – 1)*100%). Deze odds voor niet-stemmen is de verhouding van de kansen dat iemand niet gaat stemmen en de kansen dat iemand wel gaat stemmen. Voorbeeld interpretatie voor leeftijd: met elk jaar dat iemand ouder wordt neemt de odds dat iemand niet gaat stemmen met 2 procent af.
In hoeverre zijn lokale niet-stemmers dan anders dan totale niet-stemmers? Zoals tabel 3.3 laat zien, is qua samenstelling de groep lokale niet-stemmers iets anders dan de groep totale niet-stemmers. Vrouwen laten de gemeenteraadsverkiezingen aanzienlijk vaker links liggen, net als mensen met een migratieachtergrond. Ook mensen met een meer praktische opleiding blijven eerder thuis bij alleen de gemeenteraadsverkiezingen, al verdwijnt dit effect als ook andere factoren in beschouwing worden genomen. Zoals mocht worden verwacht, vergroot interesse in de landelijke politiek de kans dat mensen die bij de Tweede Kamerverkiezingen zijn gaan stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen thuisblijven. Wat meer opvalt, is dat mensen die veel vertrouwen hebben in het lokaal bestuur een grotere kans hebben om alleen bij de gemeenteraadsverkiezingen thuis te 94 Heeft u tijdens de verkiezingscampagne: ‘op sociale media gelezen over de gemeenteraadsverkiezingen’, ‘een stemwijzer
ingevuld’, ‘de website van de gemeente bezocht’, of ‘de website van één of meer deelnemende partijen bezocht’. Variabele heeft een score van 1 als de respondent ten minste één van deze activiteiten heeft gedaan. 95 Rapportcijfer voor de manier waarop de gemeente de belangrijkste problemen aanpakt, cijfers boven en beneden de 6. 96 Antwoord op vraag: ‘hoeveel invloed hebben beslissingen van uw gemeentebestuur op uw dagelijkse leven?’ 97 Schaalscore: ‘Ik heb een goed idee van de belangrijkste politieke kwesties in mijn gemeente’ en ‘Ik ben goed in staat een actieve rol te spelen in de lokale politiek’. Alpha = 0,58 98 Schaalscore ‘vertrouwen in de gemeenteraad’; ‘vertrouwen in B&W’; ‘vertrouwen in de burgemeester’; ‘vertrouwen in ambtenaren’. Alpha = 0,89. 99 Schaalscore ‘vertrouwen in regeling’ en ‘vertrouwen in Tweede Kamer’. Alpha = 0,88. 100 Schaalscore verbondenheid met wijk of dorp, met gemeente, met streek. Alpha = 0,81. De lokale niet-stemmer| 37
blijven. Waar uit eerdere analyses bleek dat een hogere mate van vertrouwen in het lokale bestuur de kans verkleint dat men bij gemeenteraadsverkiezingen thuisblijft, zien we hier dat een hoog vertrouwen juist de kans vergroot dat mensen die landelijk stemmen de lokale verkiezingen links laten liggen.
3.6 Verschillen in opvattingen tussen stemmers en niet-stemmers Over het algemeen wordt een lage opkomst als een probleem ervaren. Als bijna de helft van de kiezers niet komt stemmen zou dat de legitimiteit van het gemeentebestuur in gevaar brengen, zo is regelmatig te horen. Niet alleen omdat niet-stemmen een uiting zou zijn van onvrede en politiek cynisme, maar ook omdat er hierdoor minder aandacht zou zijn voor de belangen van groepen die minder gaan stemmen. De veronderstelling die aan deze gedachte ten grondslag ligt, is dat niet-stemmers zich duidelijk onderscheiden van de andere kiezers. Als niet-stemmers een dwarsdoorsnede zouden vormen van de samenleving, zou een lage verkiezingsopkomst immers geen probleem zijn.101 Om de politieke betekenis van het niet-stemmen te kunnen duiden, is daarom nagegaan of beleidsopvattingen van mensen die zijn gaan stemmen verschillen van inwoners die geen gebruik hebben gemaakt van hun lokale stemrecht. In het Lokaal Kiezersonderzoek vroegen we stemmers en niet-stemmers naar hun meningen op een aantal beleidsterreinen. Men kon aangeven in hoeverre ze het eens waren met de volgende stellingen:
Mijn gemeente zou meer geld moeten vrijmaken om sociale voorzieningen in stand te houden. Mijn gemeente zou meer asielzoekers moeten opvangen. Mijn gemeente zou meer ruimte moeten maken voor woningen, ook als dat ten koste gaat van natuur. Mijn gemeente zou het plaatselijke bedrijfsleven meer moeten ondersteunen. Mijn gemeente zou niet moeten bezuinigen op kunst en cultuur. Mijn gemeente zou het cameratoezicht moeten uitbreiden. Mijn gemeente moet de bouw van meer windmolens toestaan.
Figuur 3.3 laat het percentage voorstanders zien onder stemmers en niet-stemmers per stelling. Wat duidelijk wordt is dat er overeenkomsten zijn tussen stemmers en niet-stemmers, maar ook duidelijke verschillen. Zo zijn stemmers en niet-stemmers het ongeveer even vaak eens dat er meer gemeentegeld moet gaan voor het behoud van sociale voorzieningen, en is er onder de stemmers en niet-stemmers ongeveer een even grote groep tegen de bouw van windmolens (38 procent van de stemmers en 40 procent van de niet-stemmers). Ook zien we slechts kleine verschillen als het gaat om het bouwen van woningen ten koste van de natuur en wat betreft de ondersteuning van het lokale bedrijfsleven (voor beiden zijn iets meer niet-stemmers voorstander).102 Waar we wel grote verschillen zien is op het gebied van cultuurbeleid, het opvangen van vluchtelingen en de veiligheid in de gemeente.103 Zo zijn niet-stemmers vaker voorstander van cameratoezicht in hun gemeente in dan stemmers (37 procent vs. 45 procent). Stemmers zijn ook vaker tegenstander van bezuinigen op kunst en cultuur (51 procent vs. 36 procent) en staan positiever tegenover het opvangen van meer asielzoekers in de gemeente (20 procent vs. 12 procent voorstander).
Wat betreft dat laatste, het opvangen van vluchtelingen, zien we dat de meerderheid van de niet-stemmers hier tegen is (57 procent) tegenover een minderheid van de stemmers (42 procent). Zo bezien levert een lage verkiezingsopkomst dus enige politieke vertekening op: opvattingen over vooral veiligheid, cultuur en vluchtelingenopvang worden hierdoor minder goed gehoord.
101 M. Boogers en J. van Ostaaijen (2010), Lokale kiezers: lokale keuzes? Onderzoek naar de achtergronden en betekenis van
het stemgedrag bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2010 (Tilburg: Tilburg University), 30. 102 Een Pearson Chi2 toets bevestigde dat er geen significante samenhang is tussen de vier stellingen en het wel of niet stemmen. Stemmers en niet-stemmers verschillen dus niet significant op deze punten. 103 Hier bevestigde een Pearson Chi 2 toets dat er significante verschillen zijn tussen stemmers en niet-stemmers in hun voorkeuren op deze punten.
De lokale niet-stemmer | 38
Figuur 3.3 – Beleidsvoorkeuren van stemmers en niet-stemmers (percentage voor) Niet-stemmers
Stemmers
60 57
Meer geld voor sociale voorzieningen
24
Bouw windmolens
29
38 34
Meer ruimte voor woningen
Betere ondersteuning bedrijfsleven
36
Meer cameratoezicht
40
37
44
37
Geen bezuinigingen op kunst & cultuur
12
Meer asielzoekers opvangen
0
10
20
51
20 30
40
50
60
70
80
90
100
3.7 Conclusie In de hoofdstuk zijn we op zoek gegaan naar de achtergronden van de lagere opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022. Daarvoor hebben we ons gericht op verklaringsfactoren die in de wetenschappelijke literatuur vaak worden genoemd, waarbij we een onderscheid hebben gemaakt tussen persoonlijke hulpbronnen (leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, etc.), mobilisatie-factoren (zich informeren over de verkiezingen), context (gemeentegrootte) en psychologische factoren (politieke interesse en vertrouwen in het bestuur). Het niet-stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen blijkt vooral te worden verklaard door migratieachtergrond, het zich informeren over de gemeenteraadsverkiezingen, interesse in lokale politiek, vertrouwen in het lokaal bestuur, interesse in landelijke politiek en lokale verbondenheid. Om de opkomstdaling te kunnen verklaren, is nagegaan of een van deze factoren een grotere invloed heeft op de kans dat men niet gaat stemmen. Dat blijkt eigenlijk nauwelijks het geval te zijn.
De enige verklaringsfactor die ten opzichte van 2018 een sterkere invloed had op de (niet-)stemkansen van een individu, is de mate waarin men zich via social media, stemwijzers, partijwebsites of de gemeentelijke website heeft geïnformeerd over de verkiezingscampagne (zie ook hoofdstuk 5 over de berichtgeving over de gemeenteraadsverkiezingen in de media in 2022 naar aanleiding van de Oekraïne-oorlog). Tegelijkertijd lag het percentage inwoners dat aangaf zich verdiept te hebben in de verkiezingen nagenoeg gelijk in beiden jaren. Daarnaast speelde de ervaren daadkracht van het gemeentebestuur een andere rol in 2022 dan in 2018. Wie in 2018 tevreden was over de De lokale niet-stemmer| 39
manier waarop het lokale bestuur de belangrijkste problemen aanpakte, was eerder geneigd om thuis te blijven. In 2022, was dit juist andersom: meer ervaren daadkracht leidde tot een hogere stemkans. Daarnaast zagen we vooral gelijkenissen tussen de twee verkiezingsjaren, waar met name vertrouwen en interesse in de lokale politiek constante factoren zijn die de opkomst van een individu bepalen. Al met al is het dus lastig om aan te geven waardoor de daling van de verkiezingsopkomst in 2022 kan worden verklaard: het ontbreekt aan veranderingen die duidelijk in één richting wijzen. Om de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen beter te kunnen duiden, zijn we dieper ingegaan op de kiezers die landelijk wel gaan stemmen maar de gemeenteraadsverkiezingen links laten liggen. Waarom blijft deze mensen die op zichzelf electoraal betrokken is, bij de gemeenteraadsverkiezingen thuis? Als we deze groep vergelijken met mensen die ook bij landelijke verkiezingen thuisblijven, valt op dat de kans op slechts lokaal nietstemmen toeneemt als men vertrouwen heeft in het lokaal bestuur. Blijkbaar ervaart men dan minder de behoefte om zich uit te spreken over lokale beleidsprestaties en partijstandpunten. Ook vrouwen en mensen met een migratieachtergrond laten de gemeenteraadsverkiezingen vaker links liggen.
Aangezien deze groepen wel deelnemen aan de landelijke verkiezingen, ligt hier een potentieel voor opkomstbevordering bij gemeenteraadsverkiezingen. Tot slot zijn we nagegaan of een lage opkomst een probleem is. Een vergelijking van de beleidsvoorkeuren van kiezers en niet-kiezers laat zien dat dit wel het geval is. Mensen die thuisblijven bij de gemeenteraadsverkiezingen hebben op enkele terreinen andere standpunten. Dat zou ertoe kunnen leiden dat hun voorkeuren niet of minder goed worden vertegenwoordigd in het politieke debat. Zo zou een lage opkomst het democratische ideaal van gelijke representatie kunnen ondermijnen.
De lokale niet-stemmer | 40
4. Verschillende groepen kiesgerechtigden uitgelicht Wat dit hoofdstuk laat zien:
Vrouwen stemden afgelopen gemeenteraadverkiezingen minder dan mannen. Door een structurele ‘genderkloof’ is er is van verminderde participatie van vrouwen in alle onderdelen van het politieke proces, waaronder opkomst bij verkiezingen. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 bracht 69 procent van de jongeren onder de 25 jaar een stem uit, maar bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 was dat percentage slechts 36 procent. Veel jongeren raken eerst in landelijke politiek geïnteresseerd en pas op latere leeftijd in lokale politiek. Opleiding hangt sterk samen met lokaal politiek zelfvertrouwen en politieke interesse, wat een mogelijke verklaring biedt voor de verschillen in opkomst tussen inwoners met een theoretische en praktische opleiding bij de gemeenteraadsverkiezingen. Deze opkomst verschillen zijn zorgelijk, want inwoners met verschillende opleidingen hebben ook op het lokale niveau andere beleidsvoorkeuren. De opkomst onder kiesgerechtigden met een migratieachtergrond was tijdens de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen lager dan de opkomst onder kiesgerechtigden zonder die afkomst. Op gemeentelijk niveau zien we een significante negatieve correlatie tussen percentage bewoners met een migratieachtergrond en de plaatselijke opkomst. Een belangrijke oorzaak van deze lage opkomst lijkt een gebrek aan politieke kennis en vertrouwen onder deze groep kiesgerechtigden te zijn.
Zo’n 400.000 van 13,6 miljoen kiesgerechtigde inwoners bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 had geen Nederlandse nationaliteit. In sommige gemeenten maken zij een aanzienlijk deel van het electoraat uit. Er zijn aanwijzingen dat zij minder stemmen. Gebrek aan interesse, beperkte lokale binding en een taalbarrière lijken daaraan bij te dragen. De opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen 2022 was vooral laag in meer-stedelijke gemeenten, maar ook in enkele (minder-stedelijke) gemeenten met een groter aandeel praktisch opgeleiden en in gemeenten waar gezondheidsproblemen en eenzaamheid vaker voorkomen. De lage opkomst in meerstedelijke gemeenten wordt mogelijk verklaard door een relatief hoog niveau van politiek cynisme, een laag oordeel over het functioneren van de gemeenteraad en een relatief lage verbondenheid met de woonplaats onder stedelingen.
4.1 Inleiding Uit het begin van hoofdstuk 3 bleek al dat niet-stemmers geen representatieve afspiegeling zijn van de kiesgerechtigde inwoners. Er zijn bepaalde groepen kiesgerechtigden waar het percentage niet-stemmers bij de gemeenteraadsverkiezingen beduidend hoger ligt, met name onder vrouwen, jongeren, inwoners met een praktische opleiding, Nederlanders met een migratieachtergrond en inwoners van zeer stedelijke gemeenten. Om meer inzicht te geven in deze specifieke groepen, vroegen we diverse experts om te reflecteren op deze verschillen. Deze experts zijn Zahra Runderkamp en Liza Mügge (over vrouwen), Roderik Rekker (over jongeren), Lisanne de Blok (over opleidingsverschillen), Floris Vermeulen (over Nederlanders met een migratieachtergrond), Ekaterine Rashkova (over niet-Nederlanders met lokaal kiesrecht), en Twan Huijsmans (over Nederlanders in stedelijke en niet-stedelijke gemeenten). In dit hoofdstuk geven de experts voor iedere doelgroep meer uitleg over het hogere aantal niet-stemmers. Zij gebruiken daarvoor bestaande literatuur, waar mogelijk aangevuld met nieuw onderzoek in het kader van dit rapport. Tot slot geven de experts ook handvatten voor opkomstbevordering voor de desbetreffende groep.
De lokale niet-stemmer| 41
4.2 De politieke genderkloof: opkomst van vrouwen bij de gemeenteraadsverkiezingen Zahra Runderkamp & Liza Mügge (Universiteit van Amsterdam)
Er is in Nederland een structurele politieke ‘genderkloof’. Deze kloof verwijst onder andere naar ondervertegenwoordiging van gekozen en benoemde vrouwen. In vergelijking met mannen zijn de politieke ambitie, interesse en opkomst bij verkiezingen lager onder vrouwen. Dit is problematisch voor de kwaliteit van het politieke proces, omdat vrouwen dan niet meebeslissen over politieke onderwerpen die iedereen – of hen in het bijzonder— aangaan. Juist op gemeenteniveau worden voor vrouwen belangrijke onderwerpen besproken en besluiten genomen: denk aan het sociale domein of woningbouw. De jaarlijkse berekening van het World Economic Forum toont dat de genderkloof specifiek in de politiek in Nederland groter is dan in andere domeinen zoals in opleidingsniveau of economische participatie. 104 Met het huidige tempo duurt het wereldwijd nog zo’n 140 jaar eer deze kloof gedicht is. Momenteel is het aandeel vrouwen in de gemeenteraden gemiddeld 37 procent. Het percentage ligt voor burgemeesters en wethouders nog lager (29 procent). De afgelopen gemeenteraadsverkiezingen was het verschil in opkomst tussen mannen en vrouwen 4,7 procent (zie hoofdstuk 3). Ook in 2018 was er een verschil te zien: 3,4 procent. Het gender-verschil in opkomst is op zich niets nieuws, maar de stijging is wel verrassend.
In het licht van toenemend bewustzijn over genderongelijkheid en een energieke feministische beweging is er meer aandacht dan ooit voor de politieke ondervertegenwoordiging van vrouwen. We denken dan bijvoorbeeld aan stichting ‘Stem op een Vrouw’ die mensen ook bij deze verkiezingen kiezers opriep om op een vrouw lager op de lijst te stemmen, zodat zij met voorkeursstemmen toch in de raad zouden kunnen komen. En met succes: er werden ruim 450 vrouwen met voorkeursstemmen verkozen. 105 Het huidige momentum maakte de weg vrij voor het eerste kabinet in de geschiedenis dat bij aantreden evenveel minister-vrouwen als mannen telde. Waarom is er dan toch een teruggang in opkomst op lokaal niveau? Uit internationaal vergelijkeinde onderzoeken weten we dat een lagere opkomst van vrouwen bij verkiezingen een aantal oorzaken heeft die niet op zichzelf staan en die een lange adem vergen. 106 Maatschappelijke en materiële middelen om te kunnen participeren (hulpmiddelen zoals tijd en geld) spelen een rol. Traditionele genderrollen brengen vrouwen al eeuwen in verband met de private sfeer, in plaats van het publieke domein waarmee juist de politiek wordt geassocieerd. Vrouwen doen in Nederland het gros van het werk binnenshuis en dragen ook vaak zorg voor kinderen. Dit is een vicieuze cirkel.
Er zijn minder voorbeeldpolitici (ook wel: rolmodellen) voor vrouwen, waardoor ze minder snel denken dan mannen dat politiek iets voor hen is. We moeten hierbij ook opmerken dat raadslidmaatschap vaak een deeltijdrol is, in combinatie met ander werk en zorgtaken. Onderzoek, inclusief ons eigen, laat zien hoe lastig het is om al die verschillende rollen te combineren. Dat roept de vraag op hoeveel tijd vrouwen te besteden hebben aan politiek. Zeker op het lokale niveau, waar het aandeel vrouwen relatief laag is, speelt dit gebrek aan rolmodellen. Uit het Lokaal Kiezersonderzoek 2022 komt naar voren dat vrouwen minder tevreden zijn over het functioneren van de gemeente en de democratie in Nederland. Vrouwen hebben ook minder interesse in de gemeentepolitiek dan mannen. Dit terwijl vrouwen wél aangeven dat lokale besluitvorming invloed heeft op hun leven. Op basis van internationale vergelijkende onderzoeken kunnen we verwachten dat een laag aandeel vrouwelijke politici leidt tot verminderde aandacht voor onderwerpen die specifiek vrouwen aangaan. Op het lokale niveau spelen allerlei onderwerpen die een belangrijke gender-component hebben, zoals de participatiewet, wet maatschappelijke ondersteuning en de huisvesting van scholen. Onderzoek in Amerika laat zien dat het aantal vrouwelijke raadsleden en burgemeesters invloed heeft op de hoeveelheid uitgaven en grootte van sociale
104 World Economic Forum (2022), Global gap gender report (Genève: WEF). 105 W. Boonstra (28 maart 2022), Voorkeursstemmen op vrouwen betalen zich uit, Binnenlands Bestuur. 106 Zie bijvoorbeeld I. Engeli, T.H. Ballmer-Cao en M. Giugni (2006), Gender gap and turnout in the 2003 federal elections,
Swiss Political Science Review, 12(4), 217–242.
De lokale niet-stemmer | 42
welzijnsprogramma’s. 107 Een positief voorbeeld in Nederland is dat steeds meer gemeenten ‘menstruatiearmoede’ erkennen en aanpakken. Het zijn juist onderwerpen met een belangrijke gendercomponent en die aansluiten bij zorgen van vrouwen en die ervoor zouden kunnen zorgen dat vrouwen meer betrokken raken bij de politiek, en als gevolg vrouwen naar de stembus kunnen trekken. Tegelijkertijd hebben alle onderwerpen een gender-component en hebben beslissingen in de praktijk altijd ‘gegenderde’ consequenties. Tot nu toe blijkt uit het LKO dat er vrouwen zijn die, helaas, denken dat ze weinig of geen invloed op de gemeentepolitiek hebben, en dat politici weinig geven om hun mening. Recente onderzoeken naar politieke vertegenwoordiging en diversiteit laten zien dat barrières en oplossingen niet voor iedere vrouw hetzelfde zijn. Er zijn zogenaamde intersectionele verschillen op basis van onder meer etniciteit/ras, religie, seksualiteit, leeftijd en opleiding. Om te begrijpen waarom de opkomst van vrouwen lager is dan mannen en zelfs is gedaald is het noodzakelijk uit te vinden wie de vrouwen zijn die de stembus mijden en wie juist niet.
We zullen ons dus niet alleen moeten afvragen: waarom stemmen vrouwen minder? Maar ook: welke vrouwen stemmen minder? Kortom, de lage opkomst van vrouwen bij de lokale verkiezingen is onderdeel van een bredere politieke genderkloof die zich uitstrekt over de private en de publieke sfeer en over een heel mensenleven. Maatregelen zullen daarom gericht moeten zijn op verandering van het huidige systeem dat voor vrouwen in elke fase van haar politieke leven barrières opwerpt. Het aandeel vrouwen in de hele politieke pijplijn moet flink omhoog. Dit vergt een combinatie van interventies, zoals streefcijfers of quota in combinatie met aanpassingen op de politieke werkvloer. Door nieuwe en diverse voorbeelden voor vrouwen op alle niveaus zal een bredere groep meisjes en jonge vrouwen zich meer gaan identificeren met politiek. Tezamen creëert dit een vliegwieleffect voor het dichten van de genderkloof in de politiek.
4.3 Opkomst van jongeren bij gemeenteraadsverkiezingen Roderik Rekker (Universiteit van Amsterdam)
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 stemde slechts 36 procent van de jongeren onder de 25 jaar. Ongeveer één op de tien kiesgerechtigden behoort tot deze groep, maar in universiteitssteden zoals Leiden (15,1 procent) of Delft (17,5 procent) zijn dat er meer.108 De opkomst onder jongeren kan tegenwoordig een verschil maken voor de verkiezingsuitslag omdat zij, meer dan ooit eerder het geval was, anders stemmen dan oudere kiezers. 109 Jongeren zijn gemiddeld progressief en kosmopolitisch en stemmen vaak op progressieve partijen zoals GroenLinks of D66.110 Ook nieuwe partijen moeten het vaak hebben van jonge kiezers111, terwijl traditionele middenpartijen als CDA en PvdA juist steunen op oudere generaties. De opkomst onder jongeren is daarnaast van speciaal belang omdat mensen die bij hun eerste verkiezingen opkomen dat vaak blijven doen op latere leeftijd.112 Een lage opkomst onder jongeren kan er dus op duiden dat nieuwe generaties blijvend afhaken. In sommige landen lijkt de opkomst inderdaad structureel te dalen als gevolg 107 M.R. Holman (2014), Sex and the city: Female leaders and spending on social welfare programs in U.S. municipalities,
Journal of Urban Affairs, 36(4), 701–715. 108 CBS (2022), Jongeren en ouderen per gemeente, https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboardbevolking/regionaal/jongeren-en-ouderen 109 R. Rekker (2020), Leeftijdskloof in stemkeuze was nog nooit zo groot, https://stukroodvlees.nl/leeftijdskloof-instemkeuze-was-nog-nooit-zo-groot 110 R. Rekker (2021), Jongeren en generatieverschillen, in T. Sipma, M. Lubbers, T. van der Meer, N. Spierings, en K. Jacobs (red.), Versplinterde vertegenwoordiging: Nationaal Kiezersonderzoek 2021, https://www.dpes.nl/wpcontent/uploads/2021/11/NKO-2021-Versplinterde-vertegenwoordiging.pdf. 111 R. Rekker, (2022), Young trendsetters: How young voters fuel electoral volatility. Electoral Studies, 75, 102425 112 R. Dassonneville (2016), Age and voting, in K. Arzheimer, J. Evans en M. S. Lewis-Beck (red.), The Sage handbook of electoral behavior (Los Angeles: Sage), 137-158. De lokale niet-stemmer| 43
van generationele vervanging 113, maar in Nederland is hiervan bij landelijke verkiezingen geen sprake. In de jaren tachtig liep de opkomst onder jongeren weliswaar wat terug, maar sindsdien is er sprake van een vlakke tot licht stijgende trend.114 Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 was de opkomst onder jongeren met 69% maar net iets lager dan de algehele opkomst. Hoe kunnen we dan verklaren dat zoveel minder jongeren stemmen bij gemeenteraadsverkiezingen? Allereerst zijn opkomstverschillen tussen allerlei groepen vaak groter bij een lagere opkomst. Dit geldt dus niet specifiek voor jongeren of voor gemeenteraadsverkiezingen. Sommige mensen stemmen altijd (zoals veel ouderen), terwijl anderen soms wél en soms niet stemmen (zoals veel jongeren). Bij een lagere opkomst zijn de opkomstverschillen tussen beide groepen groter omdat vooral de eerste groep thuisblijft, terwijl de tweede alsnog stemt. Daarnaast lijken veel jongeren eerst in landelijke politiek geïnteresseerd te raken en pas op latere leeftijd in lokale politiek. In het LKO gaf 35 procent van de jongeren aan geïnteresseerd te zijn in lokale politiek (52 procent onder kiezers boven de 25) tegenover 46 procent in de landelijke politiek (61 procent onder kiezers boven de 25). Jongeren zijn vaak net naar een nieuwe woonplaats verhuisd of staan op het punt dat te doen.
Waarschijnlijk zijn ze om die reden minder bij lokale thema’s betrokken dan bijvoorbeeld een oudere die al veertig jaar in dezelfde gemeente woont en daar altijd wil blijven. Aangezien de meeste jongeren bij landelijke verkiezingen al stemmen, is het goed denkbaar dat ze dat uiteindelijk ook zullen doen voor gemeenteraadsverkiezingen als ze wat langer in dezelfde gemeente hebben gewoond. Iets dat zich hoogstwaarschijnlijk niet vanzelf oplost is echter de enorme participatiekloof tussen praktisch en theoretisch opgeleide jongeren. Slechts 24 procent van de jongeren met alleen een VMBO-diploma bracht een stem uit op 16 maart tegenover 42 procent van de jongeren met een hoger opleidingsniveau. Deze opleidingskloof is, evenals bij landelijke verkiezingen, veel groter dan onder oudere kiezers. 115 Er bestaat dan ook een groot risico dat de huidige opleidingskloof in politieke vertegenwoordiging nog verder zal toenemen als gevolg van generationele vervanging. Om dit te voorkomen zijn structurele oplossingen nodig, zoals een versterking van het burgerschapsonderwijs op VMBO- en MBO-scholen.
4.4 Opkomst en opleidingsniveau bij gemeenteraadsverkiezingen Lisanne de Blok (Universiteit Utrecht) Al langer is bekend dat politieke participatie (stemmen, volksvertegenwoordiger zijn) sterk verschilt tussen opleidingen. Zo stelden in 2011 Mark Bovens en Anchrit Wille al in hun boek Diplomademocratie dat er in Nederland een politieke kloof is tussen opleidingsniveaus, waar mensen met een vakopleiding of alleen een lagere school andere politieke denkbeelden en beweegredenen hebben dan bijvoorbeeld doctorandussen. 116 Alhoewel deze kloof de afgelopen jaren niet groter is geworden 117, zijn de verschillen in opkomst nog steeds duidelijk zichtbaar, zowel bij de landelijke als bij de lokale verkiezingen. 118 Zo ging in 2022, volgens de data van het LKO, 46 procent van de inwoners met een mbo-diploma stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen, tegenover 69 procent van de inwoners met een wo diploma (een verschil in opkomst van 23 procent).
113 F. Kostelka en A. Blais (2021), The generational and institutional sources of the global decline in voter turnout, World
Politics, 73(4), 629-66. 114 Rekker (2021). 115 R. Rekker (2017), De keuze van jongeren, in T. Van der Meer, H. Van der Kolk en R. Rekker (red.), Aanhoudend wisselvallig: Nationaal Kiezersonderzoek 2017. https://kennisopenbaarbestuur.nl/rapporten-publicaties/aanhoudendwisselvallig-nationaal-kiezersonderzoek-2017/ 116 M. Bovens en A. Wille (2014), Diplomademocratie: over de spanning tussen meritocratie en democratie (Amsterdam: Prometheus Bert Bakker). 117 A. Hakhverdian, W. van der Brug en C. de Vries (2011), Geen bewijs voor toename ‘opleidingskloof’, Beleid en Maatschappij, 38 (1), 98-105. 118 A. Wille (2017) Ongelijkheid en de hoogopgeleide participatie-elite, in: T. Van der Meer, H. van der Kolk en R. Rekker (red)., Aanhoudend wisselvallig: Nationaal Kiezersonderzoek 2017, 58-65. https://kennisopenbaarbestuur.nl/rapportenpublicaties/aanhoudend-wisselvallig-nationaal-kiezersonderzoek-2017/
De lokale niet-stemmer | 44
Binnen de literatuur bestaan twee typen verklaringen voor opkomstverschillen tussen opleidingsniveaus. De eerste stelt dat onderwijs leidt tot bepaalde politieke vaardigheden, kennis, en interesses waardoor mensen met een langere opleiding meer politiek zelfvertrouwen hebben en politiek actiever zijn. 119 Het tweede type verklaring stelt juist dat het niet het onderwijs zelf is dat de politieke kloof veroorzaakt, maar het nest waar iemand uit komt. Factoren zoals de sociaaleconomische status van de familie en de politieke socialisatie in de thuisomgeving verklaren verschillen in opleidingsniveau én in stemgedrag op latere leeftijd. 120 Het LKO stelt ons in staat om vooral de eerste verklaring te onderzoeken. Zo zien we dat bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 het politiek zelfvertrouwen inderdaad sterk verschilt per opleidingsniveau. 32 procent van inwoners met een basis- of vmbo-opleiding was het eens met de stelling dat gemeenteraadsleden niets geven om de mening van inwoners zoals zij, tegenover 13 procent van mensen met een hbo- of woopleiding. Daarnaast zegt 33 procent van de inwoners met een basis/vmbo-opleiding dat mensen zoals zij geen enkele invloed hebben op de gemeentepolitiek, tegenover slechts 16 procent van degenen met een hbo/woopleiding. Ook politieke interesse is een stuk lager onder mensen met een basis-, vmbo- of mbo-opleiding.
Van hen zegt meer dan de helft niet geïnteresseerd te zijn in de lokale politiek. Op de andere opleidingsniveaus is juist de grootste groep wel geïnteresseerd. Tegelijkertijd zien we slechts kleine verschillen in politieke kennis tussen de opleidingsniveaus. Zo wist 59 procent van de inwoners met hbo/wo-opleiding de antwoorden op twee kennisvragen, tegenover 51 procent van degenen met een basis/vmbo-opleiding. 121
Figuur 4.1 Voorstander voor gemeentebeleid per opleidingsniveau (in procenten) 100 90 80 70
57
60 50 36
40 30
51 41
40
31
23
20
9
10
15
0 Opvangen vluchtelingen
Geen bezuinigingen op kunst & cultuur
basis & vmbo
vwo/havo & mbo
Meer cameratoezicht hbo & wo
Ongeacht de achterliggende verklaring zijn de verschillen in opkomst tussen opleidingsniveaus wel reden tot zorg, omdat de politieke opvattingen van de verschillende groepen verschillen. Zo zijn inwoners met een hbo- of wo-opleiding grotere voorstanders van het opvangen van (meer) vluchtelingen, en sterkere tegenstanders van bezuinigingen op kunst en cultuur en meer cameratoezicht in de gemeente, in vergelijking met andere
119 M. Delli Carpini en S. Keeter (1996), What Americans know about politics and why it matters (New Haven: Yale University
Press). 120 M. Persson (2013), Review article: Education and political participation, British Journal of Political Science, 45, 689-703. 121 Deze kennisvragen waren : “Weet u de naam van de burgemeester van uw gemeente?” en “Weet u wie wethouders benoemt en kan ontslaan?” De lokale niet-stemmer| 45
opleidingsniveaus. Doordat deze groep oververtegenwoordigd is in het stemlokaal, kan dit leiden tot ongelijke vertegenwoordiging in de lokale politiek en in het uitgevoerde gemeentebeleid. 122 Voor de lopende zittingsperiode is daarom het advies aan raadsleden om te weten te komen wat de belangen zijn van inwoners die níet naar de stembus zijn gegaan. Dit directe contact met inwoners kan ook aangeven dat raadsleden wél geven om hun mening. Het brengt de lokale politiek dichterbij, en heeft daarmee de potentie om de politieke interesse en het politiek zelfvertrouwen te vergroten van opleidingsgroepen die dit jaar grotendeels thuisbleven.
4.5 Opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen door personen met migratieachtergrond Floris Vermeulen (Universiteit van Amsterdam)
Bij gemeenteraadsverkiezingen hebben personen (van 18 jaar en ouder) zonder de Nederlandse nationaliteit in bepaalde gevallen ook stemrecht; burgers uit andere EU-landen (sinds 1996) en burgers uit niet-EU-landen die minimaal vijf jaar in Nederland wonen (sinds 1985). Naast deze groepen heeft bovendien inmiddels bijna 20 procent van het Nederlandse electoraat op nationaal en lokaal niveau een migratieachtergrond. Dat wil zeggen dat zijzelf (eerste generatie) of minimaal een van hun ouders (tweede generatie) in het buitenland geboren is. 123 Uit onderzoek in binnen-en buitenland blijkt dat kiesgerechtigden met een migratieachtergrond veel minder vaak gebruik maken van hun stemrecht dan kiesgerechtigden zonder migratieachtergrond.124 Zo wordt de opkomst onder Surinaamse Amsterdammers bij de gemeenteraadsverkiezingen sinds de begin jaren negentig van de vorige eeuw structureel geschat op ongeveer 25 procent, bij een algemene opkomst in Amsterdam die schommelt rond de 50 procent. De lage politieke participatie onder kiesgerechtigden met een migratieachtergrond heeft onder andere te maken met een gebrek aan kennis van en interesse/vertrouwen in het Nederlandse politieke systeem (mede veroorzaakt door de toeslagenaffaire).
Een relatief lager sociaaleconomische positie, minder goede beheersing van de Nederlandse taal en ervaren discriminatie en uitsluiting kunnen hierbij ook een belangrijke rol spelen. 125 Opkomstpercentages onder migrantengemeenschappen verschillen echter door de tijd heen en tussen groepen. Groepen met een relatief sterk gemeenschapsgevoel en goede organisatiestructuur kunnen op bepaalde momenten gemakkelijker gemobiliseerd worden dan groepen die minder interne cohesie vertonen. Zo zien we bijvoorbeeld dat bepaalde delen van de Turks-Nederlandse gemeenschap goed georganiseerd is (relatief veel moskeeën, onderwijsinstellingen en sociaal-culturele verenigingen). Deze organisaties zijn onderling sterk verbonden (op bestuursniveau) en hebben een relatief groot bereik. Een dergelijk organisatienetwerk kan een belangrijk middel zijn om bepaalde groepen kiesgerechtigden, in dit geval Turkse Nederlanders, tijdens verkiezingen te mobiliseren wat zich kan vertalen in een relatief hoger opkomstpercentage onder die groep.
Daarnaast kan een sterke politieke vertegenwoordiging van een bepaalde groep (veel raadsleden met een bepaalde migratieachtergrond) leiden een hogere opkomst bij kiesgerechtigden met dezelfde migratieachtergrond, maar dat hoeft niet automatisch het geval te zijn als de desbetreffende politici weinig binding met de gemeenschap hebben te zijn.126 Data uit het Dutch Ethnic Minorty Election Study (DEMES) laat voor de Tweede Kamerverkiezingen 2021 zien dat dat de opkomst onder stemgerechtigden met een migratieachtergrond (Turkse, Marokkaanse en Surinaamse
122 W. Schakel en D. van der Pas (2021), Degrees of influence: Educational inequality in policy representation, European
Journal of Political Research, 60: 418-437. 123 M. Lubbers (2021), Kiezers met een migratieachtergrond, Demos, bulletin over bevolking en samenleving, 37(1), 5-7. 124 F. Vermeulen en P. Marczynski (2021), Representatief? Een essay over diversiteit in de Nederlandse politiek, https://kennisopenbaarbestuur.nl/media/257978/representatief-een-essay-over-diversiteit-in-de-nederlandse-politiek.pdf 125 F. Vermeulen (2018), The paradox of immigrant political participation in Europe amidst crises of multiculturalism, in: C. Menjívar, M. Ruiz en I. Ness (red.), The Oxford Handbook of Migration Crises, doi:10.1093/oxfordhb/9780190856908.013.26 126 Vermeulen en Marczynski (2021).
De lokale niet-stemmer | 46
Nederlanders) lager is.127 Dat geldt ook (en soms zelfs in nog sterkere mate) voor kleinere gemeenschappen die recenter naar Nederland gekomen zijn (Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse groepen). Daarbij moet natuurlijk wel aangegeven worden dat het verband tussen demografische kenmerken en beleidsvoorkeuren in een ontzuilde, geïndividualiseerde, geëmancipeerde en complexe samenleving als de onze niet altijd vanzelfsprekend is.128 Tegelijkertijd zien we dat kiezers van een partij als DENK, die opkomt voor de belangen van Nederlanders met een migratieachtergrond, zich sociaaleconomisch progressief positioneren en sociaalcultureel als conservatief. Hiermee wijken ze af van andere groepen kiezers.129 Dit is een sterke indicatie dat beleidsvoorkeuren deels anders zijn onder kiesgerechtigden met een migratieachtergrond die niet participeren in vergelijking met groepen kiezers die wel stemmen tijdens gemeenteraadsverkiezingen Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2022 vinden we een sterk negatieve correlatie tussen het percentage van de bevolking met een migratieachtergrond in een gemeente en de opkomst in desbetreffende gemeente.
Figuur 4.2 laat zien dat de opkomst in gemeenten met een hoger percentage inwoners met een migratieachtergrond, zoals Rotterdam, Almere en Lelystad, significant lager is (gecontroleerd voor aantal andere belangrijke variabelen die de opkomst kunnen beïnvloeden). Gemeentes als Terneuzen en Barneveld of Maastricht en Zwolle, die in inwonersaantal vergelijkbaar zijn maar sterk verschillen in percentage bewoners met Westerse migratieachtergrond, laten bijvoorbeeld grote verschillen zien in opkomstpercentages (tot wel bijna 20 procentpunten tussen Terneuzen en Barneveld) tijdens de gemeenteraadsverkiezingen in 2022. Samengevat kunnen we stellen dat kiesgerechtigden met een migratieachtergrond door allerlei redenen minder politiek participeren dan kiesgerechtigden zonder deze achtergrond en dat deze groep kiesgerechtigden een steeds groter onderdeel uitmaakt van het Nederlandse electoraat. Daarnaast zijn er voor specifieke groepen redenen te veronderstellen dat hun politieke voorkeuren deels afwijken van kiesgerechtigden die wel participeren. Participatieve ongelijkheid binnen gemeentes is daarmee een steeds groter en urgenter probleem aan het worden voor de legitimiteit van de lokale democratie.
Aangezien er zoveel factoren een rol spelen bij de lagere opkomst onder kiesgerechtigden met een migratieachtergrond is het niet eenvoudig daar op korte termijn verandering in aan te brengen. Het vergroten van het politieke (zelf)vertrouwen en politieke interesse/kennis onder deze groep kiesgerechtigden zal een belangrijke rol moeten spelen. Op die manier kan men op ten duur de politieke betrokkenheid van deze groep kiesgerechtigden proberen te vergroten, hen het gevoel te geven dat de Nederlandse politiek er voor iedereen is en niet vooral voor kiesgerechtigden zonder migratieachtergrond.
4.6 Geografische verschillen in opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen Twan Huijsmans (Universiteit van Amsterdam)
De opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2022 was historisch laag met 51 procent, maar zo laag was de opkomst zeker niet in alle gemeenten (zie Figuur 4.2). Net als in eerdere gemeenteraadsverkiezingen was de opkomst in 2022 opvallend laag in Rotterdam (39 procent) en Den Haag (43 procent) en de omliggende stedelijke gemeenten, en bijvoorbeeld in Almere (40 procent) en Tilburg (40 procent), terwijl de opkomst erg hoog was in Rozendaal (80 procent), Schiermonnikoog (80 procent), Staphorst (75 procent) en Veere (71 procent). Verschillende internationale studies laten al langere tijd zien dat deelname aan (lokale) verkiezingen lager is in grotere steden. Een mogelijke verklaring voor lagere opkomst in steden is dat er andere typen mensen wonen vergeleken met andere plekken: bijvoorbeeld meer jonge mensen en meer mensen met een 127 T. Sipma, M. Lubbers, T. van der Meer, N. Spierings en K. Jacobs (red.) (2021), Versplinterde vertegenwoordiging:
Nationaal Kiezersonderzoek 2021. https://www.dpes.nl/wp-content/uploads/2021/11/NKO-2021-Versplinterdevertegenwoordiging.pdf 128 T. Van der Meer (2016), De lokale democratie en het probleem van participatieve ongelijkheid, Mens en maatschappij, 91(4), 357-380. 129 F. Vermeulen, E. Harteveld, A. van Heelsum en A. van der Veen (2020), The potential of immigrant parties: insights from the Dutch case, Acta Politica, 55(3), 432-453 De lokale niet-stemmer| 47
migratieachtergrond. Een andere mogelijke verklaring is dat de context in grotere steden verschilt van die op andere plekken. Bevolkingsgrootte en -groei kunnen bijvoorbeeld zorgen voor minder sociale samenhang en verbondenheid met de woonplaats onder inwoners.130 Ook bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen hing de opkomst over het algemeen negatief samen met stedelijkheid. Dat wil zeggen: hoe stedelijker de gemeente, des te lager de opkomst. Echter, ook in een aantal minder-stedelijke gemeenten was de opkomst erg laag, zoals in Stadskanaal (42 procent), Rucphen (42 procent), Steenbergen (43 procent), Pekela (43 procent) en Westervoort (43 procent). De lage opkomst in grote steden en in enkele minder-stedelijke gebieden kan worden verklaard aan de hand van verschillende gemeentelijke kenmerken. De opkomst was significant lager in gemeenten met een groter aandeel inwoners met een migratieachtergrond (dit zijn vooral grote steden; zie ook tekstkaders over opkomst onder personen met een migratieachtergrond), maar ook in gemeenten met een groter aandeel praktisch opgeleide inwoners, een groter aandeel inwoners dat kampt met langdurige gezondheidsproblemen en in gemeenten waar eenzaamheid onder inwoners hoger is. Dit is in lijn met recent onderzoek naar opkomst bij landelijke en provinciale verkiezingen.
131 Data van het Lokaal Kiezersonderzoek laten zien dat grootstedelijke jongeren en theoretisch opgeleiden even vaak stemmen als hun gelijken in minder stedelijke gemeenten. Het zijn vooral de ouderen en praktisch opgeleiden in de grote steden die vaker thuisblijven. De specifieke redenen die inwoners geven voor het nietstemmen verschillen nauwelijks tussen meer- en minder-stedelijke gemeenten
Figuur 4.2. Opkomstpercentages bij de Gemeenteraadsverkiezingen 2022 per gemeente
130 R. Morlan (1984), Municipal vs National Election Voter Turnout: Europe and the United States, Political Science
Quarterly, 99(3), 457-470; A.F. Tavares en J. Carr (2012), so close, yet so far away? the effects of city size, density and growth on local civic participation, Journal of Urban Affairs, doi: 10.1111/j.1467-9906.2012.00638.x. 131 J. de Voogd en R. Cuperus (2021), Atlas van afgehaakt Nederland (Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
De lokale niet-stemmer | 48
Er zijn belangrijke verschillen in hoe inwoners van meer- en minder stedelijke gemeenten aankijken tegen de lokale politiek, die een mogelijke verklaring kunnen bieden voor de verschillen in opkomst. Inwoners van weinigen niet-stedelijke gemeenten staan minder cynisch tegenover de lokale politiek en geven een beter oordeel over het functioneren van de gemeenteraad dan inwoners van (middel)grote steden. Dit is een opvallend verschil met opvattingen over landelijke politiek: daarin zijn inwoners van minder-stedelijke gemeenten buiten de Randstad juist minder positief.132 Daarnaast voelen inwoners van minder-stedelijke gemeenten zich sterker verbonden met hun woonplaats. Aangezien deze factoren samenhangen met opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen biedt dit mogelijk een gedeeltelijke verklaring voor de lagere opkomst in grote steden. Voor opkomstbevordering in grote steden is het dus belangrijk om na te denken over lokale verbondenheid van specifieke groepen, waarom zij cynisch tegenover de lokale politiek staan en waarom zij het functioneren van de gemeenteraad negatiever beoordelen. Ook in enkele minder-stedelijke gemeenten, waar bijvoorbeeld het aandeel laagopgeleiden hoog is en/of de ervaren gezondheid van inwoners laag is, ligt een belangrijke opgave om de opkomst bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen te verhogen.
4.7 De ongeveer 400.000 niet-Nederlanders met lokaal kiesrecht Ekaterina Rashkova (Universiteit Utrecht)
Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 waren er ongeveer 13,2 miljoen kiesgerechtigde inwoners. Naar schatting van het Centraal Bureau voor de Statistiek waren er bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 er ruim 400.000 meer kiesgerechtigde inwoners.133 Een groot aandeel van hen zullen inwoners zonder Nederlandse nationaliteit, maar met lokaal kiesrecht zijn. Inwoners zonder Nederlandse nationaliteit hebben geen kiesrecht bij Tweede Kamerverkiezingen en Provinciale Statenverkiezingen (omdat die indirect de Eerste Kamer verkiezen). Sinds 1985 hebben niet-Nederlanders die vijf jaar legaal in Nederland verblijven, echter het kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen. Ze mogen zowel stemmen als zich verkiesbaar stellen voor de gemeenteraad. 134 Sinds 1996 is de voorwaarde van een verblijf van vijf jaar vervallen voor burgers uit andere lidstaten van de Europese Unie (EU). Daarnaast is een vereiste sinds de jaren negentig van de vorige eeuw dat inwoners van buiten de EU onafgebroken vijf jaar in Nederland verbleven. De groep van niet-Nederlandse EU-burgers betreft vooral Polen, maar ook Duitsers, Italianen en Belgen. NietNederlanders met lokaal kiesrecht worden automatisch door hun gemeente geregistreerd als kiesgerechtigde en automatisch opgeroepen om te gaan stemmen.
In steden als Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht zijn er zo bij gemeenteraadsverkiezingen enkele tienduizenden kiesgerechtigde inwoners meer. Ook in Eindhoven, Groningen en Maastricht zijn er zo meer dan 10.000 kiesgerechtigden extra dan bij Tweede Kamerverkiezingen. En hoewel het in absolute aantallen klein is, vormen ze een substantieel aandeel uit van de kiesgerechtigde inwoners in Vaals. Er is nog nauwelijks onderzoek gedaan naar het kiesgedrag van niet-Nederlanders met lokaal kiesrecht. De indruk is in ieder geval dat net als Nederlanders met een migrantenachtergrond, de opkomst lager is. 135 Een nietrepresentatieve enquête ten tijde van de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022 suggereerde dat niet132 T. Huijsmans (2022), Place Resentment in ‘the Places That Don’t Matter’: Explaining the geographic divide in populist and
anti-immigration attitudes, Acta Politica, doi: https://doi.org/10.1057/s41269-022-00244-9. 133 CBS (2022), 13,6 miljoen kiesgerechtigden bij gemeenteraadsverkiezingen, https://www.cbs.nl/nlnl/nieuws/2022/09/13-6-miljoen-kiesgerechtigden-bij-gemeenteraadsverkiezingen (laatst bezocht op 4 oktober 2022). 134 D. de Groot en M. Vink (2018), Report on political mobilisation of mobile EU citizens : The Netherlands (Florence ; EUI). 135 F. Leslie Seidle (2015), Local voting rights for non-nationals: Experience in Sweden, the Netherlands, and Belgium, International Migration & Integration, 16, 27-42. De lokale niet-stemmer| 49
Nederlanders 20 tot 30 procent minder stemmen dan inwoners met de Nederlandse nationaliteit. Dat is op zich niet zo verwonderlijk. Onder de niet-Nederlanders zijn arbeidsmigranten, expats, internationale studenten en eerste generatie gastarbeiders (latere generaties hebben nagenoeg allemaal de Nederlandse nationaliteit). Arbeidsmigranten en studenten zijn relatief jong, terwijl onder arbeidsmigranten en eerste generatie gastarbeiders opleiding en inkomen vaak lager zijn. Daarnaast zullen expats, internationale studenten en arbeidsmigranten minder binding hebben met hun gemeente, omdat ze naar een bepaalde periode weer terug naar hun oorspronkelijke thuisland of elders verhuizen. Politieke interesse in nationale politiek onder inwoners met niet-Nederlandse nationaliteit is ook lager, zeker onder hen met een niet-westerse migratieachtergrond. 136 Een andere reden voor verlaagde opkomst kan de geboden informatie zijn. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 bood 31 procent van de gemeenten Engelstalige informatie voor niet-Nederlandse inwoners aan, terwijl dat bij de andere gemeenten niet het geval was. 137 Betere informatievoorziening werd in ieder geval onderstreept door een deelnemer aan de niet-stemmersenquête die voor dit onderzoeksrapport is uitgezet:
[Be] more inclusive in their addressing to voters. Make it clear that all residents are eligible and not that it is just a Dutch elite thing. Address the international residents in English and not just think immigrants are just from Middle East. Make clear that you can be on the council even if you are not a Dutch national.
Bijlagen bij bijdragen over inwoners met migratieachtergrond en belang van stedelijkheid Tabel B1. Resultaten van regressieanalyses met als afhankelijke variabele opkomstpercentage gemeente
Stedelijkheid (log.)
1 B (SE) -4.692 (0.575)
% laagopgeleiden
2 B (SE)
3 B (SE)
4 B (SE)
5 B (SE)
-1.143 (0.110)
% lage inkomens
6 B (SE)
7 B (SE) -1.098 (0.708) -0.963 (0.109)
-0.540 (0.045)
-0.062 (0.052)
% niet-Westerse migratieachtergrond
-0.434 (0.060)
-0.371 (0.074)
% Westerse migratieachtergrond
-0.390 (0.081)
-0.144 (0.066)
% langdurige aandoening
-0.730 (0.090)
% eenzaamheid Constante N R2 Adjusted R2
-0.186 (0.094) -0.109 (0.062)
86.623 (3.977) 333 0.167 0.165
80.254 (2.518) 333 0.246 0.244
73.588 (1.638) 333 0.303 0.301
61.274 (0.758) 333 0.280 0.276
77.886 (2.911) 333 0.167 0.165
101.012 (5.031) 333 0.566 0.556
136 CBS (2020), Wie mogen er stemmen?, https://longreads.cbs.nl/nederland-in-cijfers-2020/wie-mogen-er-stemmen/
(laatst bezocht op 4 oktober 2022). 137 De Groot en Vink (2018).
De lokale niet-stemmer | 50
Vetgedrukt: hangt significant samen met opkomst. Figuur B1. Voorspelde stemkans naar stedelijkheid, per opleidingsniveau en leeftijdsgroep, op basis van LKO survey data
Figuur B2. Voorspelde attituden naar stedelijkheid, gecontroleerd voor opleidingsniveau en leeftijdsgroep, op basis van LKO survey data
De lokale niet-stemmer| 51
5. Bijzondere omstandigheden in 2022? Lisanne de Blok, Josje den Ridder en Marcel Boogers
Wat dit hoofdstuk laat zien:
In 2022 is er minder landelijke media-aandacht voor de gemeenteraadsverkiezingen – mogelijk als gevolg van de oorlog in Oekraïne. De bekendheid met en interesse in de gemeentepolitiek was in 2022 echter niet lager dan in 2018. Burgers hadden ondanks de coronapandemie iets meer contact met gemeentebestuur en waren tevredener met het functioneren van de raadsleden. Het vertrouwen in de politiek is in 2022 iets lager dan in 2018, maar verschilt weinig ten opzichte van 2016. Wel geven meer Nederlanders aan niet te weten hoeveel vertrouwen ze hebben in de lokale politieke instituties. Veelgenoemde redenen die niet-stemmers zelf noemen om thuis te blijven zijn praktisch (geen tijd, op vakantie) of gaan over een gebrek aan vertrouwen (m.n. in de politiek in het algemeen), over een gebrek aan interesse in en kennis, en over het feit dat ze niet wisten waarop ze moesten stemmen. Corona lijkt een kleine rol te spelen, Oekraïne speelt niet in de motieven van thuisblijvers. Over het algemeen blijkt de interesse in de gemeenteraadsverkiezingen gering, en de kosten van het stemmen (tijd maken, je verdiepen in lokale partijen die erg op elkaar lijken) voor veel mensen te hoog. Ongeveer een kwart van de niet-stemmers kan niet aangeven wat er moet veranderen om mensen zoals zij weer naar de stembus te krijgen.
Niet-stemmers die wel suggesties doen, denken dat een andere opstelling van de (lokale) politiek en een betere informatievoorziening kan helpen. Politici en partijen zouden daadkrachtig en eerlijk moeten zijn, en luisteren naar de bevolking, Het belang van de gemeente en het stemmen zou meer nadruk verdienen, en de standpunten en verschillen tussen partijen moeten duidelijker.
5.1 Inleiding In de mediaberichtgeving na de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2022 werd de verklaring voor de gedaalde opkomst onder meer gezocht in incidentele factoren en de bijzondere omstandigheden waarin de verkiezingen van maart 2022 plaatsvonden (zie inleiding). Nederland kwam net uit een harde lockdown vanwege het coronavirus, toen alweer een nieuwe crisis het nieuws domineerde: de Russische inval in Oekraïne. Verder speelde bij deze verkiezingen op de achtergrond ook de politieke nasleep van de toeslagenaffaire en de aanpak van aardbevingen en de gevolgen voor het politiek vertrouwen die dat zou hebben gehad. Dit hoofdstuk bouwt voort op analyse van de bekende verklaringen voor niet-stemmen bij gemeenteraadsverkiezingen in hoofdstuk 3 en gaat dieper in op de verklaringen voor de lage opkomst die in de media tijden de nabeschouwing van de verkiezingsuitslag naar voren kwamen. Hoe aannemelijk is het dat de oorlog, de coronacrisis en het (extra) lage vertrouwen een rol hebben gespeeld bij de keuze van niet-stemmers om thuis te blijven bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022? Zijn deze factoren misschien zelfs verantwoordelijk zijn voor de daling in de opkomst? Deze vraag proberen we op twee manieren te beantwoorden. In het eerste deel van het hoofdstuk maken we gebruik van gesloten vragen in het LKO 2022, en het aanvullende onderzoek naar lokale niet-stemmers.
We gaan eerst na wat het effect was van de oorlog in Oekraïne op de motivatie van mensen om te gaan stemmen, in bijzonder naar het belang dat mensen hechten aan de democratie (plichtsbesef) en naar de mate waarin burgers op de hoogte waren van de verkiezingscampagne. Vervolgens kijken we naar de consequenties van corona op de opkomst, door in te gaan op de zichtbaarheid van gemeenteraadsleden en het contact dat burgers hadden met hun vertegenwoordigers en andere gemeentelijke instellingen. Daarbij kijken we ook of er meer mensen waren
De lokale niet-stemmer | 52
die simpelweg niet in staat waren om te gaan stemmen door bijvoorbeeld een corona-infectie. Als laatste kijken we naar de invloed van het politiek vertrouwen op de opkomst. De vraag daarbij is of het wantrouwen is afgenomen en of het dit jaar een grotere rol invloed had op de opkomst dan bij vorige gemeenteraadsverkiezingen. In het tweede deel van het hoofdstuk laten we niet-stemmers zelf aan het woord. In het aanvullende onderzoek naar niet-stemmers konden zij in hun eigen woorden aangeven waarom ze niet zijn gaan stemmen op 14, 15 of 16 maart 2022. Die antwoorden zijn geanalyseerd om hun belangrijkste motieven in kaart te brengen en te kijken in hoeverre zij de oorlog, corona en hun vertrouwen in de politiek zelf noemen als reden om thuis te blijven. Als toegift – en vooruitblikkend op hoofdstuk 7 over opkomstbevordering, kijken we ook naar wat er volgens nietstemmers moet veranderen om mensen zoals zij weer naar de stembus te krijgen.
5.2 Ongeveer 40% besloot pas op het laatste moment thuis te blijven Om te kijken of het denkbaar is dat bij deze verkiezingen bijzondere omstandigheden een rol kunnen hebben gespeeld, kijken we naar het antwoord op de vraag: “wanneer hebt u besloten om niet te gaan stemmen?”. 138 Als de meeste niet-stemmers al ruim op voorhand niet van plan waren te gaan stemmen, of überhaupt nooit stemmen, dan is het niet heel waarschijnlijk dat ontwikkelingen op de korte termijn (zoals bijvoorbeeld de oorlog in Oekraïne) of de bijzondere samenloop van omstandigheden bij deze verkiezingen (een lange coronacrisis, laag vertrouwen in de politiek na een lange formatie) een doorslaggevende rol hebben gespeeld.139 Uit de antwoorden (zie tabel 5.1) blijkt dat bijna een derde van de groep structurele niet-stemmers zijn. Dat wil zeggen dat zij nooit stemmen, of in ieder geval nooit lokaal. Ongeveer 40 procent besloot pas in de laatste dagen (19 procent) of zelfs pas op de verkiezingsdag zelf (22 procent) thuis te blijven. De rest besloot in de weken of maanden voor de verkiezingen tuis te blijven.140 Kortom, het hoge aandeel dat in de aanloop naar deze lokale verkiezingen of zelfs op de laatste dag afhaakte, maakt het in ieder geval mogelijk dat bijzondere omstandigheden een rol speelden.141
Tabel 5.1 – Wanneer besloten niet-stemmers om thuis te blijven? (in procenten) Op de dag van de verkiezingen De laatste dagen voor de verkiezingen De laatste weken voor de verkiezingen Een paar maanden van tevoren Al langer dan een paar maanden van tevoren Ik stem nooit bij gemeenteraadsverkiezingen Ik stem nooit Bron: LKO 2022
Procent 22 19 14 9 10 15 12
138 Deze vraag stelden we alleen aan de mensen in ons aanvullende onderzoek aangaven niet te hebben gestemd. 139 Een gebrek aan vertrouwen kan dan nog steeds een rol spelen, maar de oorzaak daarvan ligt dan al verder in het
verleden. 140 Omdat deze vraag niet in 2018 gesteld is, kunnen we deze aantallen helaas niet vergelijken over tijd. Wel kunnen we het vergelijken met de patronen bij de nationale verkiezingen. Hier zien we dat het beslismoment om te gaan stemmen door de jaren steeds meer is verschoven richting de verkiezingsdag. Zie J. van Holsteyn & G. Irwin (2018), Wie het laatst kiest, kiest…, in: T. van der Meer, H. van der Kolk & R. Rekker (red.), Aanhoudend wisselvallig: Nationaal Kiezersonderzoek 2017 (Amsterdam: SKON), 32- 41; T. Sipma, M. Lubbers, T. van der Meer, N. Spierings & Jacobs, K. (red.) (2021), Versplinterde vertegenwoordiging: Nationaal Kiezersonderzoek 2021 (Amsterdam: SKON). 141 Ouderen (55+) zijn minder geneigd om de beslissing op de dag zelf te nemen, en besluiten vaker dan gemiddeld maar in de laatste weken voor de verkiezing. Mensen met een basis of praktische opleiding stemmen vaker nooit, terwijl theoretisch geschoolden vaker dan gemiddeld op het laatste moment besluiten of ze wel of niet naar de stembus gaan. De lokale niet-stemmer| 53