Inkomend - Rijksoverheid - Rapport De lokale niet-stemmer 2022
Tekst van het document
In een proportioneel kiesstelsel, zoals het Nederlandse, doen over het algemeen meer partijen mee aan verkiezingen en maken meer partijen kans om verkozen te worden. Enerzijds is de gedachte dat als dat aantal groter is, er meer partijen zijn die proberen inwoners te mobiliseren om te gaan stemmen. Bovendien zou met een groter aantal partijen de kans toenemen op een match tussen een inwoner en een partij. Dat prikkelt om te gaan stemmen. Anderzijds kan een hoger aantal partijen er ook toe leiden dat voor inwoners de kosten te hoog worden om informatie te verzamelen over al die partijen, en daardoor niet in staan zijn die partijen te onderscheiden en daartussen een keuze te maken. Bovendien is met een groter aantal partijen de kans op een coalitieregering groot, waardoor een inwoner minder invloed heeft op de regeringssamenstelling na de verkiezingen. Daardoor zouden inwoners juist minder geneigd zijn om te gaan stemmen. Of het nu het aantal partijen betreft, of de gewogen gemiddelde grootte van partijen, er blijkt geen eenduidig verband te zijn met opkomst en niet-stemmen.
2.2.2 Demografische en sociaaleconomische verklaringen voor opkomst en niet-stemmen In studies naar opkomst en niet-stemmen is er ook de nodige aandacht voor demografische en sociaaleconomische verklaringen, zoals economische ontwikkeling, etnische homogeniteit, opleiding en leeftijd. Dat betreft dus zowel verklaringen met betrekking tot de situatie waarin kiesgerechtigde inwoners zich bevinden als kenmerken van die inwoners zelf. Een andere verklaring die regelmatig bevestiging vindt, is bevolkingsgrootte. De gedachte is daarbij onder meer dat bij een kleinere bevolking, de opkomst hoger is, omdat de afstand tussen inwoners en hun vertegenwoordigers en ook het administratief centrum (zoals een gemeentehuis) kleiner is. Daarnaast zou een stem van groter gewicht zijn bij een kleiner electoraat. Uit verschillende studies blijkt dat er eveneens op lokaal niveau samenhang is tussen bevolkingsgrootte en opkomst, ook in Nederland, hoewel een studie van lokale verkiezingen wereldwijd geen verband ziet. 36 Verschillen in de omvang van gemeenten kan dan ook een verklaring zijn voor opkomstverschillen tussen gemeenten. Waar een samenhang is vastgesteld, blijkt die wel minder sterk dan tussen opkomst enerzijds en opkomstplicht dan wel samenvallende verkiezingen anderzijds.
De mate van stabiliteit in bevolkingsgrootte en mobiliteit komen ook regelmatig terug als verklaring voor verschillen in opkomst en opkomstgedrag, ook bij lokale verkiezingen. Het mechanisme waarmee dit werkt ligt vooral op individueel niveau. Mensen die honkvast zijn (d.w.z. weinig verhuizen) zullen een sterkere binding hebben met het gebied waar de verkiezingen betrekking op hebben. Ze kunnen over de jaren heen ook meer 34 Smets en Van Ham (2013), 355; zie m.b.t. aantal kiesbureaus in Nederland o.m. Ostaaijen (2016) en D. Koerntjes (2022),
Het verschil in opkomst tussen Tweede Kamerverkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen (Den Haag; CBS), https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2022/het-verschil-in-opkomst-tussen-tweede-kamerverkiezingenen-gemeenteraadsverkiezingen?onepage=true 35 Vgl. Blais (2006) 36 Cancela en Geys (2016); Gendzwill et al. (2022); H. van der Kolk (2022), The Netherlands: Increasing responsibilities and nationalized elections, in Gendzwill et al. (2022); Kouba et al. (2021). De lokale niet-stemmer| 21
informatie hebben opgedaan, ook over politieke kwesties en politici. Dat wordt in ieder geval onderstreept door de bevinding op individueel niveau dat mensen die al langer wonen in een gebied, vaker gaan stemmen. 37 Omgekeerd betekent dat bij een hogere verhuismobiliteit, mensen minder gaan stemmen. Mensen die niet voornemens zijn om te gaan verhuizen, zouden meer te verliezen kunnen hebben. Wat dat zou kunnen onderbouwen is de bevinding dat huiseigenaren blijken verhoudingsgewijs vaker te gaan stemmen. Het zou kunnen dat mensen met een koophuis meer ingebed en afhankelijk zijn van hun woonomgeving dan bijvoorbeeld huurders. Op individueel niveau betekent het dat mensen die mobieler zijn, minder vaak gaan stemmen. Voor de opkomst betekent het in gebieden of gemeenten waar de bevolkingssamenstelling stabiel is en de verhuismobiliteit geringer de opkomst hoger zal zijn dan in gemeenten met veel mobiliteit van mensen van binnen en buiten Nederland. Een andere manier waarop stabiliteit van bevolkingsgrootte samenhangt met opkomst is herindeling. Met het samenvoegen van gemeenten, wat herindeling meestal behelst, komen mensen in een nieuwe politieke gemeenschap. In ieder geval blijft in Nederland de opkomst in lokale (én nationale verkiezingen) in heringedeelde gemeenten structureel lager.
38 Een verminderde druk om te gaan stemmen en een grotere afstand tussen inwoner en bestuur worden daar als uitleg bij genoemd. De mate van urbanisatie is een andere verklaring van opkomst. Het idee is dat inwoners van steden minder sociale druk ervaren om te gaan stemmen en ook een minder persoonlijke band met politici hebben dan hun tegenhangers op het platteland. Er zijn inderdaad aanwijzingen dat de opkomst hoger is in landelijke gebieden dan in stedelijke gebieden.39 In de meta-studie naar niet-stemmen blijkt er in ieder geval op nationaal niveau echter geen verband te zien, ook al was dat in het verleden wel het geval. Etniciteit blijkt tot uiteenlopende bevindingen te leiden. Wonen in een omgeving met veel etnische minderheden blijkt geen structureel consistent effect te hebben op (niet-)stemmen. 40 Het aandeel van minderheden onder de bevolking geldt wel regelmatig als verklaring voor een lagere opkomst op lokaal niveau.41 In een recente analyse van lokale verkiezingen in de hele wereld hangt etnische verdeeldheid echter niet samen met opkomst. 42 Bovendien blijkt in de gebruikte metastudie etnische achtergrond (of ras) geen invloed te hebben op nietstemmen, in ieder geval niet op nationaal niveau.
In Nederlands onderzoek naar niet-stemmers bij lokale en nationale verkiezingen, is er wel een structurele relatie gevonden tussen etniciteit en stemmen: verschillende groepen Nederlanders met een migratieachtergrond gaan minder vaak stemmen bij lokale en nationale verkiezingen.43 De vraag is waar de verschillende bevindingen met betrekking tot etniciteit uit kunnen voortvloeien: dat zou allereerst kunnen afhangen hoe etnische minderheden worden gedefinieerd: betreft dat voornamelijk mensen met een migratieachtergrond of ook minderheidsgroepen die al langer in een land verblijven, maar een andere taal, religie of cultuur dan de meerderheid hebben? Daarnaast kunnen er grote verschillen zijn tussen minderheden, bijvoorbeeld ten aanzien van opleiding en taal of generatie. Bovendien zou lagere opkomst en niet-stemmen onder minderheden eerder een kwestie kunnen zijn van andere oorzaken, zoals verhuismobiliteit, inkomen en opleiding, dan het zijn van minderheid op zich. Voor verklaringen van opkomst, op macro-niveau dus, worden ook regelmatig economische verklaringen gebruikt, zoals het Bruto Nationaal Product van een land, de economische groei en inkomensongelijkheid. Dat
37 Zie ook E. van Steenvoorden en J. van der Waal (2016), Stemgedrag bij gemeenteraadsverkiezingen, in T. van der Meer en
H. van der Kolk (red.), Democratie dichtbij: Lokaal Kiezersonderzoek 2016, 56-63, https://kennisopenbaarbestuur.nl/rapporten-publicaties/democratie-dichterbij-lokaal-kiezersonderzoek-2016/ 38 M. Allers, J. de Natris, H. Rienks en T. de Greef (2021), Is small beautiful? Transitional and structural effects of municipal amalgamation on voter turnout in local and national elections, Electoral Studies, 70, 102284. 39 Stockemer (2016) 40 Smets en Van Ham (2013) 41 Cancela en Geys (2016) 42 Kouba et al. (2021) 43 F. Vermeulen (2018), The paradox of immigrant political participation in Europe amidst crises of multiculturalism, in: C. Menjívar, M. Ruiz en I. Ness (red.), The Oxford Handbook of Migration Crises, doi:10.1093/oxfordhb/9780190856908.013.26
De lokale niet-stemmer | 22
geeft een wisselend beeld. Voor zover daar zicht op is, lijken dergelijke verklaringen bij lokale opkomst niet of nauwelijks een rol te spelen. Voor verklaringen op individueel niveau zijn er ook nog allerlei verklaringen voor (niet-)stemmen van demografische en sociaaleconomische aard bestudeerd. Dat varieert van laaggeletterdheid en sociale status tot kerkbezoek en huwelijkse staat. Veelal worden die verklaringen gegroepeerd aan de hand van het achterliggende mechanisme: hulpbronnen, mobilisatie en socialisatie. Het idee achter hulpbronnen als verklaring voor niet-stemmen, is dat mensen eerder geneigd zijn politiek te participeren als ze meer hulpbronnen hebben zoals tijd, geld en vaardigheden. 44 Dit soort hulpbronnen stellen mensen in staat zich te verdiepen in de politiek en politieke vraagstukken (omdat ze er de tijd en vaardigheden voor hebben) en tijd te maken om naar de stembus te gaan. Hulpbronnen kunnen daarnaast een indicator zijn van iemands sociale omgeving, waarin stemmen al dan niet een gewoonte is. Opleidingsniveau kan zo’n vaardigheid reflecteren. In veel studies wordt een significant en matig groot effect gevonden van opleiding op stemmen: mensen met een theoretische opleiding gaan vaker stemmen, mensen met een praktische opleiding minder vaak.
Gegeven dit effect van opleidingsniveau is het opvallend dat ondanks het gestegen opleidingsniveau van de bevolking als geheel de opkomst niet stijgt.45 Dat zou kunnen komen, omdat het effect van opleiding relatief is: als iemand meer praktisch opgeleid dan gemiddeld is, dan zou dat leiden tot een lagere sociale klasse en status en een verminderde kans om te gaan stemmen. 46 Gallego laat zien dat het ook afhangt van andere factoren of lager opgeleiden gaan stemmen: zij haken eerder af als de verkiezingsprocedure minder makkelijk is en er meer partijen zijn om uit te kiezen.47 Ook leeftijd hangt samen met niet-stemmen, maar het verband is niet lineair: zowel jongeren als echt ouderen gaan minder vaak stemmen. Jongeren zijn notoire niet-stemmers, maar veel van hen gaan als ze ouder worden wel stemmen. Dat zou kunnen komen, omdat mensen in de loop der jaren ervaring met en kennis opdoen over politiek (m.a.w. een hulpbron). De oudste leeftijdsgroepen stemmen overigens weer minder, waarschijnlijk omdat ze zich meer terugtrekken uit het sociale leven of de praktische drempel om te gaan stemmen te groot wordt. Inkomen heeft in een groot aantal studies een positief effect op stemmen (hoe hoger het inkomen des groter de kans dat iemand gaat stemmen; hoe lager het inkomen hoe groter de kans op niet-stemmen), en dat geldt ook voor het effect van sociale klasse.
Er wordt in de gebruikte meta-studie verder een klein positief effect gevonden van het getrouwd zijn op het stemmen. Dat zou komen omdat mensen die getrouwd zijn vaker langer op dezelfde plek wonen en vaker zouden vinden dat stemmen een burgerplicht is. Ook mentale gezondheid en persoonlijkheid zouden als hulpbronnen kunnen worden gezien. Mensen met een hardwerkende persoonlijkheid blijken inderdaad vaker te stemmen. In het verleden was er een effect van geslacht op niet-stemmen. Mannen zouden met hun grotere publieke rol toentertijd meer hulpbronnen hebben dan vrouwen en daarom vaker gaan stemmen, maar dit effect is in de meeste studies door de tijd heen verdwenen. 48 Naast beschikbare hulpbronnen om te kunnen stemmen, is socialisatie een volgende mechanisme dat aan diverse verklaringen van (niet-)stemmen ten grondslag ligt. Mensen worden gevormd door hun opvoeders, 44 Smets en Van Ham (2013), 248. 45 Smets en Van Ham (2013), 248; Franklin (2004), 18-19. 46 D. Campbell, (2009), Civic engagement and education: An empirical test of the sorting model, American Journal of
Political Science, 53(4), 771-786 47 A. Gallego (2010), Understanding unequal turnout: Education and voting in comparative perspective, Electoral Studies, 29(2), 239-248 48 De laatste jaren is een intersectionele benadering van hulpbronnen of achtergrondkenmerken in opkomst. Het idee hierachter is dat achtergrondkenmerken zoals geslacht en afkomst niet als los van elkaar staande categorieën moeten worden bestudeerd, maar in samenhang moeten worden onderzocht omdat ze vaak op elkaar inwerken en zorgen voor complexe ongelijkheden die anders niet aan de oppervlakte komen (zie daarvoor L. Mügge, C. Montoya, A. Emejulu en S. Weldon (2018), Intersectionality and the politics of knowledge production, European Journal of Politics and Gender, 1(1-2), 17-36. . Tot op heden is er nog weinig onderzoek naar opkomst vanuit een intersectioneel perspectief (maar voor een studie naar de interactie tussen geslacht en afkomst enerzijds en opkomst anderzijds, zie V. Medenica en M. Fowler (2020), The intersectional effects of diverse elections on validated turnout in the 2018 midterm elections, Political Research Quarterly, 73(4), 988-1003). De lokale niet-stemmer| 23
school, hun omgeving en de organisaties waarin ze actief zijn. Daarbij krijgen ze normen overgedragen en/of ervaren sociale druk om bepaalde normen na te leven. Zo zou de keuze om wel of niet te gaan stemmen al gevormd worden in de formatieve jaren als kinderen de basis leggen voor hun politieke en waardenoriëntaties. Het inkomen en de sociale klasse van de ouders hebben een positief effect op stemmen (voor opleidingsniveau is dit effect minder vaak aangetoond). Des te hoger het inkomen en de sociale klasse van de ouder, des te groter de kans dat iemand gaat stemmen. En andersom: des te lager het inkomen en de klasse, des te groter de kans dat iemand thuis blijft. Er is ook wel enig onderzoek gedaan naar de manier waarop de socialisatie plaatsvindt. De ontwikkeling van een plichtsgevoel om te gaan stemmen zou bijvoorbeeld samenhangen met een nietautoritaire opvoedingsstijl, betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van hun kinderen en de sociaaleconomische status van ouders.49 De sociale omgeving waarin iemand verkeerd kan in theorie ook een rol spelen bij de keuze om wel of niet te gaan stemmen. Het gaat dan niet om socialisatie in het verleden, maar om socialisatie (en mobilisatie) in het heden.
Mensen die lid zijn van maatschappelijke organisaties gaan inderdaad vaker stemmen, en dat komt mogelijk ook omdat in dit soort organisaties mensen leren over het belang van democratische en collectieve waarden. De rol van maatschappelijke organisaties komt ook aan voren in Nederlands onderzoek naar opkomstgedrag onder mensen met een migratie-achtergrond. Maatschappelijke organisaties op dit terrein zouden een positief effect hebben op de keuze om te gaan stemmen. 50 Ook de sociale omgeving kan een rol spelen: het is denkbaar dat mensen die verkeren in een omgeving waarin stemmen de norm is en iedereen stemt vaker naar de stembus gaan dan mensen die in een omgeving verkeren waarin stemmen geen norm of gewoonte is. In onderzoek naar de vraag waarom opleiding zo’n belangrijke voorspeller is van politieke houdingen en politiek gedrag, wordt de sociale omgeving genoemd als één van de mechanismes: mensen verkeren (vanwege hun hulpbronnen) in een omgeving waarin bepaalde normen worden aangehangen en passen zich aan die normen aan.51 Een ander mechanisme is mobilisatie. Daarbij is het idee dat als mensen actief zijn in organisaties, zich sneller kunnen informeren over politieke kwesties en politici, en zo ook sneller bereikbaar zijn om hen aan te sporen om te gaan stemmen. Inderdaad blijken mensen die (actief) lid zijn van organisaties zoals kerken en vakbonden vaker te gaan stemmen.
2.2.3 Politieke verklaringen voor opkomst en niet-stemmen Een laatste categorie van verklaringen zijn van politieke aard en hebben betrekking op de context van de verkiezingen (macro-niveau) of de politieke houdingen en gedragingen van individuen (micro-nivau). Een bekende verklaring52 is dat de opkomst hoger is bij verkiezingen waarin er (in de ogen van kiezers, media en/of politici) iets op het spel staat (de zogenoemde ‘eersterangsverkiezingen’) dan bij verkiezingen waar dat minder het geval is (zogenoemde ‘tweederangsverkiezingen’). 53 Het idee is dat kiezers eerder gaan stemmen bij verkiezingen van een bestuurslaag die ze belangrijk vinden voor hun eigen leven en bij verkiezingen die spannend zijn. Bijvoorbeeld omdat het verschil tussen de belangrijkste partijen klein is, er wordt bepaald wie de nieuwe regeringsleider wordt of er afgerekend kan worden met het oude bestuur. Voor de verklaring van niet-stemmen op individueel niveau betekent dat, dat kiezers die vinden dat de bestuurslaag en verkiezingen er toe doen vaker naar de stembus gaan. Voor de verklaring van opkomst betekent het dat de opkomst bij spannende verkiezingen hoger zal zijn. Dit mechanisme van al dan niet belangrijk (gevonden) verkiezingen, kan op verschillende manieren 49 C. Galais (2018), How to make dutiful citizens and influence turnout: The effects of family and school dynamics on the
duty to vote, Canadian Journal of Political Science, 51(3), 599-617. 50 Vermeulen (2018) 51 Zie bijvoorbeeld S. Kunst (2022), The educational divide in openness towards globalisation in Western Europe (Amsterdam: ICS-dissertation). 52 Er zijn ook allerlei andere politieke verklaringen, zoals tevredenheid bij inwoners, politieke polarisatie, en corruptie, die in een of meerdere studies onder de loep zijn genomen. Over het effect daarvan zijn echter minder stellige uitspraken te doen, doordat die weinig zijn bestudeerd, het effect beperkt lijkt te zijn, of dat er tegengestelde effecten zijn geconstateerd. 53 K. Reif en H. Schmitt (1980), Nine second-order national elections–A conceptual framework for the analysis of European election results, European Journal of Political Research, 8(1), 3-44.
De lokale niet-stemmer | 24
worden geoperationaliseerd: de mate van concurrentie tussen partijen, de mate van mobilisatie of het belang dat mensen hechten aan de bestuurslaag waarover de verkiezingen gaan of het belang van de verkiezingen. Hoe dan ook geoperationaliseerd, voor de verklaring over het gepercipieerde belang van verkiezingen is de nodige steun in onderzoek te vinden. In onderzoek naar opkomst is de verwachting dat de opkomst hoger is als het getalsmatige verschil tussen de belangrijkste partijen kleiner is. Dat betekent meer concurrentie. Daardoor zouden partijen meer moeite doen om kiezers te mobiliseren en zouden media er ook meer verslag van doen. Daarnaast zou vanuit rationeel perspectief een kleiner verschil inwoners meer motiveren om te gaan stemmen, omdat dan hun stem meer zou uitmaken. Inderdaad blijkt zowel in nationale als lokale verkiezingen dat een klein verschil tussen de belangrijkste partijen gepaard te gaan met een hogere opkomst. 54 Studies op individueel niveau geven aan dat als het voor iemand uitmaakt welke partij wint, die eerder geneigd is te gaan stemmen.
Bij verklaringen van de opkomst en niet-stemmen blijkt opkomst in het verleden sterk samen te hangen met de opkomst bij meer recente verkiezingen.55 De opkomst bij de vorige verkiezingen zijn een sterke voorspeller voor de opkomst bij de onderzochte verkiezing, en op individueel niveau geldt dat iemand opkomstgedrag bij de vorige verkiezing bepalend is voor zijn opkomstgedrag bij de verkiezing daarna. Gewoonte blijkt een sterke voorspeller om (niet) te gaan stemmen. Daarvoor zijn verschillende verklaringen geopperd. 56 Als een kiesgerechtigde inwoner toch al politieke interesse heeft, dan is het niet verwonderlijk dat die bij de verschillende verkiezingen blijft opkomen. Daarnaast kan de ervaring met stemmen ook de kosten om opnieuw te gaan stemmen, verlagen. Een inwoner weet dan immers beter hoe dat gaat. Verder zou een inwoner een goed gevoel aan stemmen kunnen ontlenen en het als onderdeel van diens zelfbeeld gaan beschouwen: een goede burger die stemt. Een gewoonte moet zich opbouwen. Uit onderzoek naar niet-stemmen blijkt dat de eerste drie verkiezingen die een burger meemaakt, in dat opzicht van belang te zijn.
Als die dan gewend raakt om te gaan stemmen, dan zal die dat meestal blijven doen – en vice versa.57 Bij de keuze om wel of niet te gaan stemmen, speelt ook mobilisatie een belangrijke rol: partijen, kandidaten, de overheid of belangengroepen kunnen kiezers mobiliseren om naar de stembus te gaan (via direct contact of via media). Bij verkiezingen waarin er veel geld en tijd wordt geïnvesteerd in die mobilisatie is de opkomst hoger. Campagnes verminderen de kosten van het kiezen, doordat ze informatie aanbieden over het verkiezingsproces, partijen en kandidaten en helpen het belang van de verkiezingen te benadrukken. Zowel mobilisatie door partijen als non-partijdige mobilisatie (get-out-the-vote-campagnes die alleen gericht zijn op opkomst en niet op de partijkeuze) hebben allebei een positief effect op het stemmen. Mensen die meer blootgesteld zijn aan mediaberichtgeving, get-out-the-vote-campagnes of campagnes van politieke partijen of kandidaten, gaan vaker naar de stembus. Mensen die minder in aanraking zijn gekomen met campagnes of media, blijven vaker thuis. Dat betekent overigens niet dat alle mobilisatievormen zonder meer effect hebben. Politieke advertenties blijken bijvoorbeeld niet samen te hangen met meer stemmen. En in Nederland was er geen positief verband vast te stellen tussen de communicatie-activiteiten van gemeenten en opkomst.
58 Bij politieke verklaringen behoren ook verklaringen van psychologische aard. Zo stemmen mensen met meer politieke kennis, politieke interesse, en een plichtsgevoel als burger beduidend meer. Dat blijkt allereerst uit studies van (niet-)stemmen.59 Deze politiek-psychologische verklaringen sluiten nauw aan bij diverse motieven die mensen noemen waarom ze (niet) gaan stemmen.60 Mensen noemen ook een gebrek aan vertrouwen in
54 Cancela en Geys (2016) 55 Zie ook A. Gerber, D. Green en R. Shacher (2003), Voting May Be Habit-Forming: Evidence from a Randomized Field
Experiment, American Journal of Political Science, 47(3), 540-550. 56 Zie Smets en Van Ham (2013) 57 M. Franklin (2004), Voter turnout and the dynamics of electoral competition in established democracies since 1945 (Cambridge: Cambridge University Press). 58 Van Ostaaijen et al. (2016) 59 Smets en Van Ham (2013) 60 Zie o.m. C. Aarts (1999), Opkomst bij verkiezingen (Den Haag: BZK); M. Boogers en L. Salome (2014), Gemeenteraadsverkiezingen 2014: Wie stemt wat en waarom? (Amersfoort: BMC); J. van Ostaaijen, L. de Brouwer, D. De lokale niet-stemmer| 25
politieke instituties, gebrek aan zelfvertrouwen in eigen politiek invloed, en de verwachting dat politici geen rekening houden met de mening van inwoners als redenen om niet te gaan stemmen. In de meta-studie van (niet-)stemmen blijkt echter vertrouwen in politieke instituties, politiek cynisme, politieke vervreemding en ontevredenheid met democratie niet van invloed, terwijl er een wisselend beeld is van de impact van politiek zelfvertrouwen en de gepercipieerde mate waarin politici rekening houden met inwoners. Dat zou erop kunnen wijzen dat niet alleen niet-stemmers maar ook stemmers er dergelijke politieke houdingen op na houden. In andere woorden, verminderd politiek vertrouwen is geen exclusief kenmerk van niet-stemmers. Dat is op zich ook niet onlogisch. Er kunnen oude of nieuwe partijen immers meedoen aan verkiezingen met de belofte dat ze het helemaal anders gaan doen, en door zich te afficheren als buitenstaander het vertrouwen te verwerven onder de burgers.
2.2.4 Kwalitatief onderzoek naar niet-stemmers Het onderzoek naar opkomst en niet-stemmen dat we hierboven bespraken is overwegend kwantitatief van aard en gebaseerd op analyses van verkiezingsuitslagen en/of grootschalige bevolkingenquêtes. Kwalitatief onderzoek is schaarser. Het kwalitatieve onderzoek dat er iets richt zich op het individuele niveau en kijkt met behulp van open vragen, focusgroepen of interviews naar de motieven van mensen om thuis te blijven en hoe het niet-stemmen zich verhoudt tot andere houdingen over de politiek. 61 In sommige gevallen richt dit onderzoek zich op specifieke groepen niet-stemmers zoals jongeren of mensen met een migratieachtergrond. Uit open enquêtevragen in het nationaal kiezersonderzoek (NKO) blijkt dat praktische overwegingen, een gebrek aan interesse, een gebrek aan politiek vertrouwen en een gebrek aan gepercipieerd belang zijn voor mensen om thuis te blijven bij nationale verkiezingen.62 Recent kwalitatief onderzoek onder Amsterdamse jongeren laat zien dat de motieven van jongeren om thuis te blijven bij Tweede Kamerverkiezingen sterk lijken op de hierboven genoemde motieven uit het NKO, en dat ook hier een rol speelt dat zij zich slecht vertegenwoordigd voelen door landelijke (witte, hogeropgeleide) politici.
63 Met diepte-interviews en focusgroepen (uitgevoerd buiten Nederland) hebben onderzoekers getracht te achterhalen waarom jonge kiezers vaker thuisblijven. Dat onderzoek toont aan dat het feit dat jongeren minder vaak gaan stemmen niet zozeer voortkomt uit een gebrek aan interesse of kennis, maar eerder aan het beeld dat zij hebben dat de bestaande politiek niet werkt of niet luistert naar de problemen van jongeren. 64 Ander onderzoek wijst uit dat er minder dan vroeger sociale druk is om te gaan stemmen. 65 In Nederland heeft Roy Kemmers kwalitatief onderzoek gedaan naar niet-stemmers in het kader van een breder onderzoek naar de achtergronden van politieke onvrede.66 Zijn onderzoek gaat niet over verklaringen voor niet-
Jacobs en S. van Zuydam (2018), “Ik weet niet wat ze doen joh”: Een verkenning van de (Brabantse) niet-stemmer (Tilburg: Tilburg University). 61 Zie bijvoorbeeld P. Dekker (red.) (2002) Niet-stemmers (Den Haag: SCP). 62 Zie o.a. P. Dekker en J. den Ridder (2017), Afkeer en afzijdigheid, in T. Van der Meer, H. Van der Kolk en R. Rekker (red.), Aanhoudend wisselvallig: Nationaal Kiezersonderzoek 2017. https://kennisopenbaarbestuur.nl/rapportenpublicaties/aanhoudend-wisselvallig-nationaal-kiezersonderzoek-2017/; P. Dekker en J. den Ridder (2021), Afkeer van de Haagse politiek, in . T. Sipma, M. Lubbers, T. van der Meer, N. Spierings en K. Jacobs (red.) (2021), Versplinterde vertegenwoordiging: Nationaal Kiezersonderzoek 2021. https://www.dpes.nl/wp-content/uploads/2021/11/NKO-2021Versplinterde-vertegenwoordiging.pdf 63 Z. Rosalina et al. (2021), “Zei ik echt: De wítte kamer?” Amsterdamse jongeren en verkiezingen, https://openresearch.amsterdam/image/2021/12/1/rapportage_jongeren_en_politiek_gemeente_amsterdam_definitief.p df 64 T. O’Toole, M. Lister, D. Marsh, S. Jones en A. McDonagh (2003), Tuning out or left out? Participation and nonparticipation among young people, Contemporary Politics 9(1), 45-61; A. Martin (2012), Young people and politics: Political engagement in the Anglo-American democracies (New York: Routledge); B. Cammaerts, M. Bruter, S. Banaji, S. Harrison, en N.
Anstead (2014), The myth of youth apathy: Young Europeans’ critical attitudes towards democratic life, American Behavioral Scientist, 58(5), 645-664. 65 N. Goodman, H. Bastedo, L. LeDuc en J.H. Pammett (2011), Young Canadians in the 2008 federal election campaign: Using Facebook to probe perceptions of citizenship and participation, Canadian Journal of Political Science, 44(4), 859-881. 66 R. Kemmers (2022), “Us know who is to blame”: Understanding popular political discontents in the Netherlands “Ons weet wie schuldig is: Politiek onbehagen in Nederland begrijpen (diss.) (Rotterdam: Erasmus Universiteit).
De lokale niet-stemmer | 26
stemmen, maar over de interpretatie en duiding ervan. Kemmers vraagt zich af hoe we de aard, uitingsvormen en gevolgen van politieke onvrede moeten begrijpen. Hij beantwoordt die vraag door zich te richten op twee groepen met veel politieke onvrede: aanhangers van de PVV en niet-stemmers. Kemmers stelt dat het onterecht is om niet-stemmers te zien als mensen die zich hebben afgekeerd van de politiek. Hij onderscheidt twee machtsoriëntaties: een transparante en een ondoorzichtige. Mensen met een transparante machtsoriëntatie denken dat dat de macht in Nederland zich bevindt bij de officiële instituties van de democratische rechtstaat. Voor mensen met een ondoorzichtige machtsoriëntatie ligt de macht niet in Den Haag, maar bij multinationals, de Bilderberggroep of bij anderen. Niet-stemmers met een doorzichtige machtsoriëntatie blijken zich vaak politiek machteloos te voelen: naar hun idee heeft stemmen geen zin. Niet-stemmers met een ondoorzichtige machtsoriëntatie halen juist veel politieke voldoening uit hun niet-stem: zij zien het als één van de activiteiten die ze ontplooien om het bestaande politieke systeem ter discussie te stellen, naast bijvoorbeeld demonstreren of online-activisme.
2.3 Groepen niet-stemmers In onderzoek dat zich richt op verklaringen van niet-stemmen, zien we dat bepaalde groepen mensen vaker gaan stemmen en anderen minder vaak stemmen. Opkomstgedrag hangt onder meer samen met iemands hulpbronnen en politieke houdingen. Er zijn ook enkele studies die erop wijzen dat niet-stemmers geen homogene groep zijn en onderling van elkaar verschillen. Door typen niet-stemmers te onderscheiden, proberen de auteurs van deze studies de diversiteit onder niet-stemmers inzichtelijk te maken, en te laten zien dat zij verschillende motieven kunnen hebben om thuis te blijven (en dus een verschillend politiek signaal geven, en het een verschillende aanpak vraagt om hen naar de stembus te krijgen). Paul Dekker maakt in een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau naar niet-stemmers een onderscheid tussen jongere cynici, oudere cynici, onbekommerden en betrokkenen. 67 Beide groepen cynici hebben gemeen dat ze weinig hoger opgeleiden bevatten en politiek ontevreden zijn. Naast het verschil in leeftijd, hebben jongere cynici in tegenstelling tot oudere cynici meer de neiging tot politiek protest. Onbekommerden zijn politiek niet zo cynisch, maar laten politiek voor wat het is. Betrokkenen zijn op hun beurt politiek betrokken en actief, ook al delen ze goeddeels de negatieve politieke opvattingen van de cynici.
Vervolgens laat hij zien oudere en jongere cynici meer vertegenwoordigend zijn onder niet-stemmers (zo 25 tot 30 procent). Niettemin maken oudere en jongere cynici ook nog een aanzienlijk aandeel uit van mensen die toch gaan stemmen (zo 10 tot 15 procent). Betrokkenen maken een groot aandeel uit van stemmers (48 procent), maar ook onder niet-stemmers zijn betrokkenen te vinden (16 procent). Dat betekent dat niet-stemmers niet kunnen worden afgeschreven als vervreemd, apathisch en cynisch; net zo min hebben stemmers het alleenrecht op het tegendeel daarvan.68 Niet-stemmers zijn ook op andere manier van elkaar te onderscheiden. Zo zijn er kiesgerechtigde inwoners die alleen bij lokale verkiezingen niet stemmen en wel bij landelijke verkiezingen, terwijl andere inwoners bij alle verkiezingen thuisblijven. 69 Verder zijn er inwoners die incidenteel een verkiezing missen, terwijl anderen structureel alle of bepaalde verkiezingen mijden. Daarnaast is er ook een onderscheid te maken op basis van de motieven die niet-stemmers aandragen om thuis te blijven. De politicoloog André Krouwel komt op basis van deze kenmerken in een indeling van vier groepen niet-stemmers: niet-stemmers in de levenscyclus-afhankelijke instapper (30 procent van de niet-stemmers), kwetsbare buitenstaanders (21 procent), boze afhakers (32 procent) en de toevallige thuisblijvers (18 procent).
70 De instapper heeft weinig politieke interesse, ook al heeft 67 Dekker (2002). 68 Dekker (2002), 58.
69 Zie ook G. Jansen en M. Boogers (2019), Opkomst en stemgedrag, in G. Jansen en B. Denters (red.), Democratie dichterbij:
Lokaal Kiezersonderzoek 2018, 9-17, https://kennisopenbaarbestuur.nl/media/255923/lokaal-kiezersonderzoek-2018democratie-dichterbij.pdf 70 A. Krouwel, J. van Lindert, T. Etienne, Y. Kutiyski en D. Pupovac (2018). Typen niet-stemmers Onderzoek naar verschillende typen niet-stemmers en hun beweegredenen om sommige verkiezingen wel en andere niet te gaan stemmen (Den Haag: BZK /Kieskompas). De lokale niet-stemmer| 27
die een sterk gevoel van burgerschap. Kwetsbare buitenstaanders kampen vaker met onzekerheid over werk en inkomen, alsook met eenzaamheid. Ze hebben ook weinig politiek zelfvertrouwen. Net zo min als de instappers hebben ze het vertrouwen in instituties nog verloren. Dat is bij de boze afhakers anders. Ze zijn weliswaar maatschappelijk meer betrokken en minder eenzaam dan instappers en buitenstaanders, ze zijn nadrukkelijker negatief over politiek. Daarnaast zijn ze economisch vaak onzeker. Onder hen is het grootste aandeel nietstemmers, maar er zijn ook stemmers op partijen die zich afficheren als niet-gevestigd. De laatste groep van toevallige thuisblijvers staan zowel economisch, politiek als sociaal er goed voor, maar kunnen om allerlei praktische redenen niet stemmen, zoals vakantie, ziekte, of drukte op het werk. Dat laat andermaal dat de ene niet-stemmer de andere niet is, en dat stemmers en niet-stemmers niet zo nadrukkelijk te onderscheiden zijn.
2.4 Slot Er is veel internationaal onderzoek naar opkomst en niet-stemmen. Al dat onderzoek heeft echter nog niet geleid tot één kernmodel om opkomst en niet-stemmen te verklaren. Hierboven hebben we de belangrijkste in de literatuur genoemde verklaringen de revue laten passeren, aangevuld met onderzoek dat zich richt op het beter begrijpen op de beweegredenen en motieven van niet-stemmers en onderzoek naar de diversiteit binnen de groep niet-stemmers. Factoren die in veel onderzoek van belang blijken bij de opkomst bij lokale verkiezingen zijn populatiestabiliteit, gemeentegrootte, opkomstplicht, het aandeel minderheden in de gemeente, het combineren van verkiezingen en (in mindere mate) spanning in de verkiezingsstrijd en campagne-uitgaven. Factoren die verklaren of iemand wel of niet gaat stemmen (individueel niveau) hebben te maken met iemands hulpbronnen (o.a. opleidingsniveau), socialisatie, blootstelling aan campagnes en media-aandacht, gepercipieerd belang van de verkiezingen, gewoonte, een gevoel van burgerplicht, politieke interesse en zelfvertrouwen. Deze verklaringen bieden een basis om na te gaan waarom in 2022 de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen laag was ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezingen, en bovendien weer iets lager in 2018.
De vraag daarbij is ook of die daling incidenteel is, of en voortzetting van de structurele daling sinds de afschaffing van de opkomstplicht in 1970. In andere landen zakt de opkomst bij lokale verkiezingen geleidelijk aan ook steeds verder. Dat zou wijzen op het belang van structurele verklaringen, zoals de toegenomen mobiliteit door verhuizingen en (arbeids)migratie. Ook zijn de herindelingen van gemeenten doorgegaan, die de opkomst kunnen drukken. De iets lagere opkomst van 2022 kan echter incidenteel zijn, dat wil zeggen dat er verklaringen zijn die specifiek zijn voor deze verkiezingen en de context waarin ze plaatsvond, zoals de coronacrisis of de oorlog in Oekraïne. Dat zou het geval zijn als meer mensen thuisblijven vanwege een coronabesmetting of angst voor besmetting, of omdat er minder campagne is gevoerd vanwege corona of de oorlog. In de komende hoofdstukken lopen we diverse structurele en incidentele factoren langs om de vraagt te beantwoorden waarom de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen laag en lager is.
De lokale niet-stemmer | 28
3. Gebruikelijke verklaringen voor niet-stemmen en de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 Marcel Boogers en Lisanne de Blok
Wat dit hoofdstuk laat zien: De kans op niet-stemmen was groter voor jongeren en voor inwoners met een meer praktische opleiding, een huurwoning of een migratieachtergrond. Verschillen in de stemkansen voor deze groepen vallen deels te verklaren door de beschikbaarheid van informatie over de campagne (mobilisatie), de ervaren relevantie van het gemeentebestuur (rationeel-keuze model), en door psychologische factoren zoals de mate van lokaal politiek vertrouwen, regionale binding en interesse in de lokale politiek. Onbekendheid met de campagne, een laag politiek zelfvertrouwen, politiek wantrouwen, een gebrek aan lokale verbinding en weinig/geen interesse in de lokale politiek blijken constante verklaringen voor nietstemmen, wanneer we de stemkansen in 2022 vergelijken met die in 2018. Wel speelt dit jaar de beschikbaarheid van informatie een grotere rol, en werd in 2022 de stemkans op een andere manier bepaald door de ervaren daadkracht van het gemeentebestuur. Van de kiezers die bij de Tweede Kamerverkiezingen gingen stemmen, bleef ruim een derde thuis bij de gemeenteraadsverkiezingen. Dit lokaal niet-stemmen hing vooral samen met geslacht, migratieachtergrond en vertrouwen in het lokaal bestuur.
Wat betreft de beleidsvoorkeuren zijn er overeenkomsten tussen stemmers en niet-stemmers, maar ook duidelijke verschillen met name op het gebied van cultuurbeleid, het opvangen van vluchtelingen en de veiligheid in de gemeente.
3.1 Inleiding Niet eerder liet zo’n grote groep kiezers de gemeenteraadsverkiezingen aan zich voorbij laten gaan. Zoals al duidelijk werd in de inleiding van dit rapport, werd met een opkomst van 51 procent bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 een nieuw laagterecord gebroken. Politiek commentatoren en politici spraken op verschillende manieren hun zorg hierover uit, ook al wisten niet altijd precies wat de reden was voor deze lage opkomst. Toch was dit niet de eerste keer dat de gemeenteraadsverkiezingen een grote opkomstdaling te zien gaven. In 1990 daalde de opkomst zelfs nog sterker, van 73 procent naar 62 procent. In reactie hierop werd een begin gemaakt met verschillende pogingen om de lokale democratie voor kiezers aantrekkelijker te maken.71 Een belangrijke mijlpaal hierbij was de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002. 72 Hierna daalde de opkomst geleidelijk naar ongeveer 55 procent en bleef drie verkiezingen lang op dat niveau. De opkomstdaling in 2022 kwam daarom vrij plotseling. Daarnaast viel ook het contrast met de landelijke verkiezingen op. Ongeveer jaar eerder was de opkomst bij de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2021 bijna 79 procent. Ook bij andere landelijke verkiezingen schommelde het opkomstpercentage steeds tussen de 75 procent en 80 procent.
Dat wil zeggen dat ruim een op de drie kiezers die bij landelijke verkiezingen naar de stembus gaat zich niet interesseert voor gemeenteraadsverkiezingen. In dit hoofdstuk onderzoeken we in hoeverre de bekende verklaringen van niet-stemmen op individueel niveau uit de literatuur (zie hoofdstuk 2) in staat zijn om de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen te verklaren. Dit doen we in drie stappen.
71 P. Tops en P. Depla (1992), Modernisering van de lokale politiek, Openbaar Bestuur, 4, 20-29. 72 Staatscommissie ‘Dualisme en Lokale Democratie’ (1999), Dualisme en Lokale Democratie (Den Haag: Samsom).
De lokale niet-stemmer| 29
Allereerst toetsen we, door middel van een regressieanalyse, welke individuele factoren het belangrijkst waren voor de opkomst in 2022. Hierbij kijken we enerzijds naar achtergrondkenmerken zoals geslacht, leeftijd en opleiding, en anderzijds naar attitudes zoals politiek vertrouwen en verbondenheid met de gemeente. Als tweede vergelijken we deze patronen met het wel en niet stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. Hierbij is de vraag of dezelfde structurele factoren de opkomst in 2022 kunnen verklaren als in 2018, of dat we juist een trendbreuk zien. In de derde stap gaan we nog iets verder en onderscheiden we twee groepen niet-stemmers om antwoord te geven op de vraag waarom kiezers specifiek de lokale verkiezingen links laten liggen. Daarbij richten we ons op lokale niet-stemmers en onderscheiden we die van totale niet-stemmers. Lokale niet-stemmers zijn mensen die bij de Tweede Kamerverkiezingen wel hebben gestemd maar dat bij de gemeenteraadsverkiezingen niet hebben gedaan. 73 Deze kiezers zijn dus wel electoraal betrokken maar doen bij de gemeenteraadsverkiezingen niet mee. We kijken wat de onderscheidende karakteristieken zijn van deze kiezers en wat hun beweegredenen zijn om bij gemeenteraadsverkiezingen thuis te blijven.
De tweede groep zijn totale niet-stemmers: mensen die bij zowel de Tweede Kamerverkiezingen als de gemeenteraadsverkiezingen niet hebben gestemd. Deze groep is dus over de hele linie niet electoraal betrokken. Wat zijn hun beweegredenen om helemaal niet te gaan stemmen en in welk opzicht verschillen die van de groep lokale niet-stemmers en mensen die wel stemmen?
We eindigen het hoofdstuk met de vraag of er verschillen zijn in ideologische opvattingen tussen stemmers en niet-stemmers. Hebben burgers die zich wel naar de lokale stembus begeven hele andere voorkeuren voor het gemeentebeleid dan burgers die thuisblijven? Indien dit het geval is, kan het niet-stemmen van bepaalde groepen immers leiden tot een ondervertegenwoordiging van hun voorkeuren in gemeentebeleid. 3.2 Wie is de niet-stemmer? Voordat we in de verklaringen duiken voor het wel en niet stemmen, is het goed om te weten wie de nietstemmer nou precies is. Aan de hand van het Lokaal Kiezersonderzoek van 2022 kunnen we stellen dat de meest gemiddelde niet-stemmer een vrouw is van 46,3 jaar oud, woonachtig in een sterk stedelijke woonplaats, met een bruto maandinkomen van €2511, een mbo-opleiding, zonder migratieachtergrond. Toch schetst dit maar een heel beperkt beeld. Uit dit rapport zal vaak blijken dat de ene niet-stemmer de andere niet is. Zo ook als we kijken naar het percentage niet-stemmers onder verschillende bevolkingsgroepen. Figuur 3.1 toont het percentage niet-stemmers voor verschillende typen inwoners. Zo zien we dat het percentage niet-stemmers inderdaad iets hoger is onder vrouwen, en dat vooral onder jongeren (18-24 jaar) maar ook onder inwoners van middelbare leeftijd (35-54 jaar) het percentage niet-stemmers hoger ligt.
74 Daarnaast is het percentage niet-stemmers ook hoger onder inwoners zonder koopwoning en in sterk stedelijke woonplaatsen. Ook zien we sterke verschillen op basis van inkomen en opleiding: wie meer verdient of wie een meer theoretische opleiding heeft genoten, blijkt vaker naar de stembus te zijn gegaan. Als laatste zijn er ook nog interessante verschillen op basis van herkomst. In principe ligt het percentage niet-stemmers hoger onder groepen met een migratieachtergrond, al is het verschil tussen inwoners met een tweede generatie migratieachtergrond en inwoners zonder migratieachtergrond wel kleiner (in vergelijking met een eerste generatie migratieachtergrond). Kortom, er zit behoorlijk wat variatie in het deel van de bevolking dat bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen besloot om thuis te blijven. Een meerderheid van deze groep heeft bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 wél gestemd (ongeveer 57 procent). Wanneer we kijken naar de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen onder de aanhangers van verschillende landelijke partijen, zien we ook hier grote verschillen (zie figuur 3.2). Zo 73 In gemeenten waar vanwege gemeentelijke herindelingen (nog) geen gemeenteraadsverkiezingen zijn gehouden, is
gevraagd of men zou gaan stemmen. Antwoorden op deze vraag zijn samengevoegd met het antwoord op de vraag of men bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022 heeft gestemd. 74 Voor de jongeren kijken we alleen hen die ook kiesgerechtigd zijn.
De lokale niet-stemmer | 30
bleef bijna de helft van de PVV-stemmers bij de lokale verkiezingen thuis (49 procent) en zien we ook hoge percentages niet-stemmers onder DENK aanhangers (42 procent). Dit valt deels te verklaren doordat de PVV slechts in 31 gemeenten op het stembiljet stond, en DENK slechts in 20 gemeenten. Verrassend is daarbij het behoorlijke aantal niet-stemmers onder D66 en VVD aanhangers (respectievelijk 39 procent en 36 procent) omdat deze partijen in het bijna alle gemeenten vertegenwoordigd waren. De meest trouwe stemmers zijn de aanhangers van het SGP, met slechts 13 procent lokale niet-stemmers, en ook het CDA, GroenLinks en de ChristenUnie hebben relatief weinig lokale niet-stemmers onder hun aanhang. Figuur 3.1 – Percentage niet-stemmers per bevolkingsgroep 0
20
40
Man Vrouw 18-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar 65+
32
50 55 55 47 44
Zeer sterk stedelijk Sterk stedelijk Matig stedelijk Weinig stedelijk Niet stedelijk
65
57
53 49 46 49 44
Geen inkomen <€500 €501-€1000 €1001-€1500 €1501-€2000 €2501-€3000 €3001-€3500 €3501-€4000 €4001-€4500 €4501-€5000 €5001-€7500 >€7500
49 45 46 49
58
58
43 42 37 38 45 37
46 31
37
Geen migratieachtergrond 1e gen. migratieachtergrond 2e gen. migratieachtergrond
56
70
54
43 60 % Niet stemmers
De lokale niet-stemmer| 31
80
46 51
Koopwoning Huurwoning of overig
Basisonderwijs VMBO HAVO/VWO MBO HBO WO
60
70
100
Figuur 3.2 – Percentage niet-stemmers per partijkeuze bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 0 VVD PVV CDA D66 Groenlinks SP PvdA CU PvdD 50Plus SGP DENK FvD
20
40
60
80
100
36 49 21 39 24 39 29 24 34 31 13 42 38 % lokale niet-stemmers
N.B. Dit figuur kijkt enkel naar het deel van de bevolking dat bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 wel heeft gestemd
3.3 Bekende verklaringen en het niet-stemmen in 2022 Hoe kunnen we dergelijke verschillen tussen typen inwoners in opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen 2022 verklaren? Hiervoor kijken we naar de belangrijkste verklaringen die bekend zijn uit de wetenschappelijke literatuur. We maken een onderscheid tussen vier typen factoren: hulpbronnen, mobilisatie, rationele factoren, en psychologische factoren.75 Deze factoren worden door middel van een logistische regressie getoetst. Deze kijkt naar de verhouding van de kans dat een persoon gaat stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen en de kans dat hij/zij niet gaat stemmen. De resultaten zijn weergegeven in tabel 3.1. Hierin staan de procentuele toeof afname dat wordt veroorzaakt door een variabele in de kans van het niet stemmen in verhouding tot de kans van het wel stemmen (odds ratio’s). Dus een afname van 20 procent voor bijvoorbeeld opleiding geeft aan dat met elk stap omhoog in opleidingsniveau (bijvoorbeeld van vmbo naar havo), de kans op het niet-stemmen versus de kans op het wel-stemmen afneemt met 20 procent. We presenteren twee modellen: één waarin we enkel de stabiele achtergrondkenmerken toetsen (model A) en één waarin we ook bredere houdingen en attitudes meenemen (model B). De eerste groep verklaringsfactoren zijn de hulpbronnen.
Het idee hierachter is dat mensen eerder geneigd zijn politiek te participeren als ze meer hulpbronnen hebben zoals tijd, geld en vaardigheden. Door te onderzoeken in hoeverre niet-stemmen nu bepaald wordt door iemands geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, inkomen of migratieachtergrond, kunnen we ook zien welk van deze factoren nu doorslaggevend zijn. Is het bijvoorbeeld het feit dat iemand vrouw is dat maakt dat zij minder gaat stemmen, of omdat zij bijvoorbeeld een lager inkomen heeft? De tweede kolom in de tabel (model A) laat zien welke hulpbronnen een significante invloed hebben op de kans dat iemand heeft gestemd. Hierbij zien we dat er over het algemeen geen verschillen zijn in de stemkansen van mannen en vrouwen, wanneer we controleren voor andere hulpbronnen (zie ook tekstkader over opkomst van vrouwen in hoofdstuk 4). Dit wil niet zeggen dat vrouwen net zo vaak gingen stemmen als mannen bij de gemeenteraadsverkiezingen (zoals zichtbaar was in figuur 3.1), maar dat deze genderkloof te verklaren is doordat vrouwen andere hulpbronnen hebben dan mannen. Ook het bruto-maandinkomen en of hoe lang iemand in diens huidige gemeente heeft gewoond blijkt niet van invloed op de kans dat iemand thuisbleef. Wat wel verschil maakte was leeftijd, opleidingsniveau, en migratieachtergrond.
Oudere mensen hebben bij 75 Idealiter hadden we ook de socialisatie-verklaring getoetst, maar dit is niet mogelijk op basis van onze data.
De lokale niet-stemmer | 32
gemeenteraadsverkiezingen een kleinere kans om thuis te blijven (in vergelijking met hun kans om wel te gaan stemmen) en hetzelfde geldt voor mensen met een meer theoretische opleiding (zie ook tekstkaders over opkomst van jongeren en verschillende opleidingen in hoofdstuk 4). Kiezers met een migratieachtergrond waren juist minder geneigd te gaan stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022. Voor Nederlanders met een eerste generatie migratieachtergrond is de kans dat zij niet gaan stemmen twee keer zo groot als de kans dat zij wel gaan stemmen (zie voor verdieping hierover de tekstkaders in hoofdstuk 4). Kortom, er zijn bepaalde hulpbronnen die een sterkere invloed hebben op de stemkans van burgers bij de gemeenteraadsverkiezingen.
Tabel 3.1 – Effect van bekende verklaringen op de kansverhouding van het niet-stemmen ten opzichte van het wel-stemmen (odds ratio’s) A. Hulpbronnen Geslacht Leeftijd Opleiding Bruto maandinkomen Verhuismobiliteit Eerste generatie migratieachtergrond Tweede generatie migratieachtergrond B. Mobilisatie Informatie over GR verkiezingen76 C. Context Gemeentegrootte D. Rationele keuze Oordeel daadkracht gemeentebestuur77 Ervaren relevantie gemeente78 Koopwoning E. Psychologisch Lokaal politiek zelfvertrouwen79 Vertrouwen nationale politiek80 Vertrouwen lokaal bestuur81 Lokale verbondenheid82 Interesse in landelijke politiek Interesse in lokale politiek N Percentage correct voorspeld
Model A n.s. -2% -29% n.s. n.s. +209% +66%
Model B n.s. -2% -10% n.s. n.s. +148% n.s. -78% n.s. -9% -18% n.s.
2548 64%
-16% n.s. -41% -17% -24% -53% 1912 75%
N.B. Alleen significante effecten weergegeven (p < 0,05). n.s. staat voor niet significant. Uitgedrukt in de procentuele toe of afname in de kansverhouding (odds) tussen wel stemmen t.o.v. niet stemmen ((odds ratio – 1)*100%). Deze odds voor nietstemmen is de verhouding van de kansen dat iemand niet gaat stemmen en de kansen dat iemand wel gaat stemmen. Voorbeeld interpretatie voor leeftijd: met elk jaar dat iemand ouder wordt neemt de odds dat iemand niet gaat stemmen met 2 procent af.
76 Heeft u tijdens de verkiezingscampagne: ‘op sociale media gelezen over de gemeenteraadsverkiezingen’, ‘een stemwijzer
ingevuld’, ‘de website van de gemeente bezocht’, of ‘de website van één of meer deelnemende partijen bezocht’. Variabele heeft een score van 1 als de respondent ten minste één van deze activiteiten heeft gedaan. 77 Rapportcijfer voor de manier waarop de gemeente de belangrijkste problemen aanpakt, cijfers boven en beneden de 6. 78 Antwoord op vraag: ‘hoeveel invloed hebben beslissingen van uw gemeentebestuur op uw dagelijkse leven?’ 79 Reactie op de stelling: ‘Ik heb een goed idee van de belangrijkste politieke kwesties in mijn gemeente’ 80 Schaalscore ‘vertrouwen in regeling’ en ‘vertrouwen in Tweede Kamer’. Alpha = 0,88 81 Schaalscore ‘vertrouwen in de gemeenteraad’; ‘vertrouwen in B&W’; ‘vertrouwen in de burgemeester’; ‘vertrouwen in ambtenaren’. Alpha = 0,90. 82 Schaalscore verbondenheid met wijk of dorp, met gemeente, met streek. Alpha = 0,81. De lokale niet-stemmer| 33
Het tweede type verklaring voor niet-stemmen kijkt vooral naar de mate waarin partijen, kandidaten of de overheid er in slaagt om kiezers te mobiliseren om naar de stembus te gaan. Dit kan bijvoorbeeld door te investeren in een uitgebreide campagne of door aandacht te besteden aan de aanstaande verkiezingen in de (lokale) media. In het Lokaal Kiezersonderzoek vroegen we respondenten of ze een kieswijzer hadden ingevuld en of informatie over de verkiezingen hadden gelezen sociale media, op de website van de gemeente, of lokale politieke partijen. Uit de logistische regressie blijkt dat het informeren over de gemeenteraadsverkiezingen de kans op niet-stemmen significant verkleint. Kortom, mobilisatie speelt wel degelijk een rol bij het (niet-)stemmen tijdens de gemeenteraadsverkiezingen, in ieder geval door de beschikbaarheid van informatie en het creëren van bewustzijn over de verkiezingen. Belangrijk is om hierbij te vermelden dat we controleren voor de mate waarin iemand geïnteresseerd is in de lokale en nationale politiek. Alhoewel het waarschijnlijk is dat het invullen van een stemwijzer of het lezen over de gemeenteraadsverkiezingen deels samenhangt met de politieke interesse van een persoon, toont het model het effect van dergelijke informatie los van de rol van politieke interesse (deze houden we constant).
Het derde type verklaring ziet stemmen en niet-stemmen als een rationele-keuzemodel waarbij kiesgerechtigden een afweging maken tussen de kosten en baten van het uitbrengen van een stem. We kijken hierbij naar het oordeel over de daadkracht van het gemeentebestuur en het gepercipieerde belang van de gemeente. We zien dat de gepercipieerde daadkracht van het gemeentebestuur slechts een kleine rol speelde bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022. Wie tevreden was over de prestaties van het gemeentebestuur, bleef iets minder vaak thuis. Het gepercipieerde belang van de gemeente speelde een grotere rol. Dit meten we aan de hand van de ervaren invloed van het gemeentebestuur op het dagelijks leven. Wie denkt dat het lokaal bestuur niet van belang is voor het dagelijks leven, blijkt eerder thuis te blijven bij de gemeenteraadsverkiezingen. Voor hen zijn de baten van het stemmen waarschijnlijk te klein. Het tegenover gestelde is ook het geval: wie denkt dat de gemeente ertoe doet, begeeft zich eerder naar de stembus. Dat blijkt ook uit het feit dat het hebben van een koopwoning de kans op thuisblijven vermindert. Huiseigenaren ervaren een groter belang bij het beleid van hun gemeente en zijn daarom eerder geneigd te gaan stemmen dan mensen met een huurwoning.
De laatste groep verklaringen kijkt juist naar psychologische factoren, vooral het lokaal politiek zelfvertrouwen, het vertrouwen in de nationale en de lokale politiek, de verbondenheid met de regio, en de interesse in de lokale en nationale politiek. Van deze psychologische factoren, blijken vooral het politiek zelfvertrouwen, het vertrouwen in de lokale politiek, binding met de gemeente en een interesse in de lokale politiek van invloed te zijn op de keuze om wel of niet een stem uit te brengen bij de lokale verkiezingen. Wie zichzelf in staat acht een actieve rol te spelen in de lokale politiek en/of een goed idee heeft van de belangrijkste lokale kwesties, blijft minder snel thuis. Wie daarentegen wantrouwend staat tegenover de lokale politieke instituties heeft een veel grotere kans om niet te gaan stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen. Tegelijkertijd vergroot binding met de regio en een interesse in de lokale politiek juist de kans dat iemand wel gaat stemmen. Wie geïnteresseerd is in de gemeentepolitiek of wie zich verbonden voelt met de regio, zal minder snel een niet-stemmer zijn. Deels heeft dit ook betrekking op het rationele-keuzemodel: voor mensen die niet geïnteresseerd zijn in de (lokale) politiek is het een extra grote opgave om zich te verdiepen in de standpunten van de verschillende partijen om op basis daarvan een stemkeuze te maken.
Als laatste is het nog interessant om te benoemen dat de psychologische factoren, de factoren op basis van het rationele-keuzemodel en de mate van mobilisatie samen verschillen op basis van de hulpbronnen verklaren. 83 Zo zien we dat wanneer we controleren voor factoren zoals politiek vertrouwen en politieke interesse, er veel minder verschil is tussen de kans op niet-stemmen bij kiezers met een theoretische of praktische opleiding. Ook het hebben van een migratieachtergrond speelt een minder grote rol voor het niet-stemmen, waarbij er zelfs geen verschillen meer zijn voor Nederlanders met een tweede generatie migratieachtergrond en Nederlanders zonder migratieachtergrond, wanneer we controleren voor factoren zoals politiek zelfvertrouwen en politieke interesse. Daarnaast zien we dat, wanner we bijvoorbeeld rekening houden met lokale verbondenheid of de relevantie van de gemeente, er geen verschil is tussen inwoners van kleine en grote gemeenten in hun stemkansen. Dat wil niet zeggen dat er geen verschillen zijn tussen kleine en grote gemeenten in de mate van 83 De regressie geeft nog wel een verminderde kansverhouding van -9 procent, maar deze heeft een significantieniveau van
7 procent.
De lokale niet-stemmer | 34
niet-stemmen, maar dat die te verklaren zijn door verschillen in hulpbronnen of politieke attitudes en interesses (zie ook tekstkader over regionale verschillen in hoofdstuk 4). Tabel 3.2 – Effect van bekende verklaringen op de kansverhouding van het niet-stemmen versus het welstemmen (odds ratio’s) in 2022 en 2018 A. Hulpbronnen Geslacht Leeftijd Opleiding Bruto maandinkomen Verhuismobiliteit Eerste generatie migratieachtergrond Tweede generatie migratieachtergrond B. Mobilisatie Informatie gemeenteraadsverkiezingen84 C. Context Gemeentegrootte D. Rationele keuze Oordeel daadkracht gemeentebestuur85 Ervaren relevantie gemeente86 Koopwoning E. Psychologisch Lokaal politiek zelfvertrouwen 87 Vertrouwen nationale politiek88 Vertrouwen lokaal bestuur89 Lokale verbondenheid90 Interesse in landelijke politiek Interesse in lokale politiek N Percentage correct voorspeld
2022 n.s. -2% -10% n.s. n.s. +148% n.s.
2018 n.s. -1% n.s. n.s. n.s. +108% n.s.
-78%
-43%
n.s.
n.s.
-9% -18% n.s.
+19% n.s. n.s.
-16% n.s. -41% -17% -24% -53% 1912 75%
-24% n.s. -38% -24% n.s. -58% 1601 74%
Alleen significante effecten weergegeven (p < 0,05). n.s. staat voor niet significant. Uitgedrukt in de procentuele toe of afname in de kansverhouding (odds) tussen wel stemmen t.o.v. niet stemmen ((odds ratio – 1)*100%). Deze odds voor nietstemmen is de verhouding van de kansen dat iemand niet gaat stemmen en de kansen dat iemand wel gaat stemmen. Voorbeeld interpretatie voor leeftijd: met elk jaar dat iemand ouder wordt neemt de odds dat iemand niet gaat stemmen met 2 procent af.
3.4 Vergelijking bekende verklaringen 2018 en 2022 Als tweede stap vergelijken we de bekende verklaringen voor (niet-)stemmen in 2022 met de verklaringen voor de (niet-)stemmen in de vorige gemeenteraadsverkiezingen. Zien we door de tijd dezelfde patronen in wat individuele opkomst voorspelt, of zien we daarin verschuivingen? Tabel 3.2 legt de verklaringen voor de verschillende jaren naast elkaar, wederom door middel van een logistische regressie op basis van de kans op
84 Heeft u tijdens de verkiezingscampagne: ‘op sociale media gelezen over de gemeenteraadsverkiezingen’, ‘een stemwijzer
ingevuld’, ‘de website van de gemeente bezocht’, of ‘de website van één of meer deelnemende partijen bezocht’. Variabele heeft een score van 1 als de respondent ten minste één van deze activiteiten heeft gedaan. 85 Rapportcijfer voor de manier waarop de gemeente de belangrijkste problemen aanpakt, cijfers boven en beneden de 6. 86 Antwoord op vraag: ‘hoeveel invloed hebben beslissingen van uw gemeentebestuur op uw dagelijkse leven?’ 87 Reactie op de stelling: ‘Ik heb een goed idee van de belangrijkste politieke kwesties in mijn gemeente’ 88 Schaalscore ‘vertrouwen in regeling’ en ‘vertrouwen in Tweede Kamer’. Alpha = 0,88 in 2022, 0,88 in 2018 89 Schaalscore ‘vertrouwen in de gemeenteraad’; ‘vertrouwen in B&W’; ‘vertrouwen in de burgemeester’; ‘vertrouwen in ambtenaren’. Alpha = 0,87 in 2022, 0,89 in 2018. 90 Schaalscore verbondenheid met wijk of dorp, met gemeente, met streek. Alpha = 0,81 in 2022, 0,82 in 2018. De lokale niet-stemmer| 35
niet-stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen. In de tabel staan per jaar en per type verklaring de procentuele toe- of afname in de kansverhouding (odds) van het niet stemmen, ten opzichte van het wel stemmen. Zijn er verschillen tussen de twee verkiezingsjaren in wat nou het niet-stemmen kan verklaren? 91 Naast het toegenomen belang van informatie is er nog een verschil tussen de twee jaren die opvalt. Het oordeel over de daadkracht van het gemeentebestuur speelde in 2018 een andere rol dan in 2022. Wie in 2018 positief was over de daadkracht van het bestuur van zijn/haar gemeente, bleef in 2018 eerder thuis. Wie daarentegen ontevreden was, begaf zich eerder naar de stembus. In 2022 was dit juist het tegenovergestelde: meer tevredenheid met het gemeentebestuur zorgde ervoor dat mensen minder snel thuisbleef. Wel is het effect van de ervaren daadkracht op niet-stemmen in 2022 slechts de helft van wat het in 2018 was. Een multi-level analyse met een interactie effect over tijd (niet weergegeven) bevestigde dat dit effect significant anders is tussen de twee verkiezingsjaren. Daarnaast lijkt het erop dat de ervaren relevantie van het gemeentebestuur een iets grotere rol heeft gespeeld in 2022, maar dit kunnen we niet met zekerheid zeggen omdat het verschil tussen de twee verkiezingsjaren niet significant is.