Inkomend - Provincie Zeeland - Zeeuws Gebiedsprogramma 2023 - Deel 3 maatregelpakketten
Tekst van het document
De geïntegreerde aanpakken hebben tot doel meerwaarde te creëren met een gezamenlijke aanpak van verschillende ruimtelijke opgaven. Op basis van de specifieke kwaliteiten wordt gewerkt aan een transitie; ‘streekontwikkeling’. Deze vijf geselecteerde gebieden vormen in principe een vliegwiel in het delen en opbouwen van werkwijze en instrumentarium voor de aanpak van het gehele Zeeuwse landelijke gebied. In de deelgebieden worden ook specifieke maatregelen uit het akkerbouwpakket toegepast, vooralsnog met name in KvS, MvW en GGS. Voor met name GGS geldt dat projecten al meer in de realisatiefase zitten en versneld kunnen worden opgepakt. Lessen en voortschrijdende inzichten uit de deelgebieden worden verwerkt in de
50
provinciebrede uitrol van maatregelen.
Afbeelding: Zeeland, inclusief deelgebieden voor geïntegreerde gebiedsaanpakken. Samenvatting
Het aandeel van de Zeeuwse veehouderijbedrijven in de landelijke veestapel is beperkt en loopt uiteen van 0,1 tot 2,7 % per diersoort. Door het geringe aantal (intensieve) veehouderijen is de impact qua stikstof op de sterk overbelaste duingebieden gering. Vanwege de verhoudingsgewijs ten opzichte van bijvoorbeeld de zes zandprovincies geringe veestapel geldt voor de Zeeuwse veeteelt ook een geringe reductieopgave broeikasgassen van 0,1 Mton CO2 eq ten opzichte van de Klimaat- en Energieverkenning 2021. In de melkveehouderij ontstaat ammoniak zodra vaste en vloeibare mest bij elkaar komen. Ammoniak ontsnapt op drie plekken: in de stal, tijdens de mestopslag, en tijdens het uitrijden van de mest op het veld. Tijdens beweiding komen vaste en vloeibare fractie nauwelijks bij elkaar en ontstaat weinig ammoniak. Alle Zeeuwse veehouderijen hebben een reductieopgave. Door concrete maatregelen te treffen op bedrijven kunnen zowel stalemissies als veldemissies worden teruggebracht. Door maatregelen te kiezen die bij het ontwikkelingsperspectief van hun bedrijf passen, kunnen agrarische ondernemers de stikstofopgave combineren met de overgang naar een volhoudbare landbouw. De maatregelen voor de Zeeuwse veehouderij bestaan overwegend uit een pakket generieke maatregelen. De ambitie voor volhoudbare landbouw in Zeeland definiëren wij als het creëren van zoveel mogelijk meerwaarde.
Meerwaarde die ontstaat door een samenhangende integrale benadering van bodem(vruchtbaarheid), beheer (zoet) water, biodiversiteit en landschap in combinatie met het (kosten)-efficiënter boeren.
51
Het maatregelpakket veehouderij omvat, onder andere, stimulering van emissiearme stalsystemen, praktijkonderzoek naar mest-additieven, goed voermanagement, verlengde weidegang en de toepassing van kruidenrijk grasland. Vanwege de aandacht voor eiwitteelt in Zeeland (zie ook maatregelpakket akkerbouw) kunnen akkerbouw en veeteelt elkaar verder versterken (o.a. eigen teelt eiwit) bij goed voermanagement. Deze maatregelen kunnen zorgen voor emissiereductie van ammoniak en/of methaan en andere broeikasgassen. Wegens de behoefte aan dierlijke mest in Zeeland wordt in eerste instantie ingestoken op verruiming van het areaal bij de maatregel extensivering. Deze maatregel wordt met name gestimuleerd in de geïntegreerde gebiedsaanpakken nabij de overbelaste duingebieden.
Kosten en dekking (kort) Bijlagen
Door goede waardering, bijvoorbeeld aan de hand van KPI’s, en binnen een goede kennisinfrastructuur, met onderzoek en coaching, kan uiteindelijk de transitie naar een grootschalige volhoudbare landbouw, met structurele bijdragen aan de NPLG-doelen, versneld worden. Transitiefonds: totaal € 49.800.000 Hieronder zijn per maatregel bronnen weergegeven die mede als basis dienen: (Vrijwel) alle maatregelen: o Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied, Wageningen University & Research, rapport 3236, januari 2023; o Methaanemissies in de melkveehouderij in verleden en toekomst, Wageningen University & Research, rapport 1384, januari 2023; o Position Paper Versnellingsaanpak zandprovincies & veehouderijsectoren. Mest-additieven: o Additieven voor dierlijke mest, HAS Kennistransfer en Bedrijfsopleidingen, projectcode 20400192, 11 september 2011. Stalsystemen: o Uitgangspunt bij deze maatregel is een definitieve erkenning voor de RAV-lijst (Regeling Ammoniak Veehouderij), inclusief afdoende positieve jurisprudentie. Verlengde weidengang: o Duurzaamheidseffecten van stikstof- en klimaatmaatregelen voor de landbouw, CLM Onderzoek en Advies, publicatienummer 1038, oktober 2020. Kruidenrijk grasland: o Notitie Stikstofdepositieonderzoek kruidenrijk grasland, adviesbureau TAUW, kenmerk N003-1283048IQU-V01-lhl-NL, 1 augustus 2022.
Opgaven/probleemanalyse en te bereiken doelen Analyse provinciale/ gebiedsopgaven NPLG
Zeeland is een echte akkerbouwprovincie omgeven door zout water. Perspectief voor een volhoudbare landbouw die bijdraagt aan de maatschappelijke doelen vereist dan ook een specifieke aanpak. Een gezond bodem en water systeem wat past binnen - en samenwerkt met - de natuurlijke omgeving is een essentiële voorwaarde voor perspectief. Zonder dat perspectief is het ook niet mogelijk te investeren in maatregelen. Zeeland wil op basis van praktijkgericht onderzoek op bovengenoemde domeinen ondernemers ondersteunen die de transitie naar een volhoudbaar systeem willen maken. Het aandeel van de Zeeuwse veehouderijbedrijven in de landelijke veestapel is beperkt en loopt uiteen van 0,1 tot 2,7 % per diersoort. Door het geringe aantal (intensieve) veehouderijen is de impact qua stikstof op de sterk overbelaste duingebieden gering. Vanwege de verhoudingsgewijs ten opzichte van bijvoorbeeld de zes zandprovincies geringe veestapel geldt voor de Zeeuwse veeteelt ook een geringe reductieopgave broeikasgassen van 0,1 Mton CO2 eq ten opzichte van de Klimaat- en Energieverkenning 2021.
52
In de melkveehouderij ontstaat ammoniak zodra vaste en vloeibare mest bij elkaar komen. Ammoniak ontsnapt op drie plekken: in de stal, tijdens de mestopslag, en tijdens het uitrijden van de mest op het veld. Tijdens beweiding komen vaste en vloeibare fractie nauwelijks bij elkaar en ontstaat weinig ammoniak.
Doel planuitwerking (in welke nog ontbrekende informatie / procedurele stappen te voorzien)
Veehouderijen hebben een rol in de voedselproductie, landschapsbeheer en aanlevering van organische mest (kringlooplandbouw) ten gunste van de akkerbouw in Zeeland. Alle Zeeuwse veehouderijen hebben een reductieopgave. Door concrete maatregelen te treffen op bedrijven kunnen zowel stalemissies als veldemissies worden teruggebracht. Door maatregelen te kiezen die bij het ontwikkelingsperspectief van hun bedrijf passen, kunnen agrarische ondernemers de stikstofopgave combineren met de overgang naar kringlooplandbouw. De maatregelen voor de Zeeuwse veehouderij bestaan overwegend uit een pakket generieke maatregelen. Afhankelijk van de uitkomsten van het nog af te sluiten Landbouwakkoord kunnen of moeten veehouders keuzes maken uit de maatregelen. Ontbrekende informatie / procedurele stappen per maatregel: Extensivering melkveehouderij (V1): dit betekent dat minder koeien per hectare worden gehouden. Het economisch rendement van extensieve bedrijven ligt beduidend lager dan dat van intensievere bedrijven. Het Rijk (Landbouwakkoord) dient te voorzien in extra structurele ondersteuning om deze maatregel kansrijk te maken. Zie ook ‘financiën en risico’s’ voor neveneffecten in Zeeland van deze maatregel; Stalsystemen, Mest-additieven en Voerspoor (V2 t/m V4)): wij beschouwen dergelijke maatregelen als generieke, landelijke maatregelen.
De zes zandprovincies en veehouderijsectoren hebben begin 2023 een aanpak gepresenteerd om de duurzaamheidstransitie in de veehouderij te versnellen en deze met het Rijk in weten regelgeving in te bedden door op korte termijn doorbraakinnovaties te ontwikkelen die: o Leiden tot haalbare, betaalbare en geborgde emissiereducties in alle veehouderijsectoren door toepassing van emissiearme/-reducerende (stal)systemen en managementmaatregelen; o De basis leggen voor een nieuw wettelijk stelsel – ook voor vergunningverlening en handhaving door de bevoegde gezagen - waarbij straks alle maatregelen die emissie reduceren via sensoren en/of de (afrekenbare) stoffenbalans gemonitord kunnen worden (conform uniforme, nationale richtlijnen); o In de veehouderij zullen leiden tot nieuwe verdienmodellen voor hoogwaardige mestverwerking i.c.m. duurzame energieopwekking. Daarmee wordt ook een bijdrage geleverd aan energietransitie en circulaire economie; o Bijdragen aan betere benutting van organische meststoffen (kunstmestvervangers) in regionale kringlopen waarbij agrariërs handvatten worden aangereikt om uitspoeling van nitraat te minimaliseren (bemesten in balans). Gezien de relatief beperkte omvang van de veehouderij in Zeeland achten wij het meest efficiënt om de resultaten van de versnellingsaanpak te volgen.
Afhankelijk van die resultaten en afspraken in een mogelijk Landbouwakkoord bepalen wij welke stappen nog eventueel aanvullend nodig zijn om deze generieke maatregelen in Zeeland te implementeren. Verlengde weidegang en Kruidenrijk grasland (V5 en V6): dit betreft maatregelen waar vanuit de Eco-regeling uit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) reeds een extra vergoeding mogelijk is. ‘KPI-systematiek’ en ‘coaching’, zie hieronder, vormen ondersteunende instrumenten om de maatregelen uit het maatregelpakket veehouderij verder te brengen.
53
Waardering / financiering Voor alle maatregelen geldt dat de veehouder de meerwaarde tot uitdrukking moet zien komen ook in kostenbeheersing en een goede / betere productprijs. Momenteel worden Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) al toegepast voor lichte stimulering vanuit de overheid, voor rentekorting door banken en als basis voor duurzaamheidspremies en keurmerken door afnemers. De landelijke ambitie is om een integrale set KPI’s vast te stellen die in zijn geheel stuurt naar betere prestaties op alle doelen. Zie bijlage 1 voor een uitgebreide toelichting op de KPI-systematiek en het gebiedsprogramma. Kennisopbouw, -verspreiding, coaching Het NPLG richt zich op het toekomstbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied, mede met het oog op het voldoen aan internationale verplichtingen op het terrein van natuur (met als onderliggende opgave de reductie van stikstof) en water en klimaat (broeikasgassen). Binnen de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied dient de Zeeuwse landbouw in zijn geheel te transformeren naar een volhoudbare landbouw. Dat vergt met betrekking tot stikstof, water en klimaat, bij de diverse akkerbouwmaatregelen, andere keuzes dan die in het verleden werden gemaakt. Specifieke coaching bij die keuzes is nodig.
We kunnen hierbij onderscheid maken in algemene ondersteuning van ondernemers door onafhankelijke adviseurs en specifieke vakinhoudelijke kennis. Voor wat betreft de algemene ondersteuning sluiten we aan bij de landelijke aanpak Sociaal Economische begeleiding. Doel van dit door het Ministerie van LNV, samen met de provincies, opgezette traject is het aanbieden van langjarige onafhankelijke coaching aan ondernemers. Naast bovenstaande gebiedsprocessen zal elke boer individuele keuzes voor zijn bedrijf moeten maken voor de toekomst. Dit beseffen, ervaren, laten indalen, tot inzichten én keuzes komen is een lastig proces. Er is daarom begeleiding nodig voor hoe de landbouwtransitie uiteindelijk landt aan de keukentafel. Langjarige trajecten zijn nodig om boeren bij te staan in de vaak ingrijpende keuzes die moeten worden gemaakt. Ongeacht of bedrijven uiteindelijk moeten stoppen, verplaatsen, of toewerken naar een meer extensieve bedrijfsvoering. Naast technische en financiële veranderingen is het maken van keuzes voor de toekomst ook allereerst een sociaal en psychologisch proces. Uit deze gesprekken maar ook via andere kanalen kan het verzoek komen om meer technisch-inhoudelijke kennis rondom een bepaald onderwerp. Voor de domeinen water en bodem wordt dit nader uitgewerkt in het project BodemUP.
Hierbij is voor de planuitwerking aandacht nodig voor capaciteit (aantal coaches) en inhoud (opleidingstraject coaches). Het betreft een pakket van zeer verschillende maatregelen. Ook binnen de diverse maatregelen zijn, afhankelijk van type, samenstelling, vakmanschap, etc., grote verschillen aangetoond in invloed op NPLG-doelen. Het gaat om het beperken van de invoer en van de verliezen van stikstof binnen het landbouwsysteem. Extensivering melkveehouderij (V1): verbetering oppervlaktewaterkwaliteit door verminderde uit- en afspoeling van nitraat; vermindering van ammoniakuitstoot richting natuur, positieve invloed op o.a. biodiversiteit; verminderde uitstoot van broeikasgassen. Stalsystemen (V2): vermindering van ammoniakuitstoot richting natuur, positieve invloed op o.a. biodiversiteit; diverse systemen zorgen ook voor verminderde uitstoot van methaan. Mest-additieven (V3): afhankelijk van het type vindt reductie van ammoniak (natuur) en/of methaan en lachgas (klimaat) en verbetert de bodemkwaliteit (biodiversiteit onder- en bovengronds); Voerspoor en Verlengde weidegang (V4 en V5): verlaging van emissies van methaan (klimaat) en ammoniak (natuur);
54
-
Kruidenrijk grasland (V6): lagere input van dierlijke mest en kunstmest zorgt voor verbetering van oppervlaktewaterkwaliteit en reductie van broeikasgassen. Daarnaast verbetert de biodiversiteit. Eventuele wijzigingen ten N.v.t. opzichte van gebiedsprogramma Meekoppelkansen Diverse stalsystemen leveren door scheiding mestproducten die voldoen aan de definitie van kunstmestvervangers (RENURE). Dit betekent dat deze producten in potentie kunstmest kunnen vervangen bij gewassen met een hogere stikstofgebruiksnorm. Dit levert kortere kringlopen op. Wetenschappelijk is de onderbouwing om tot RENURE te komen gereed, maar juridisch moet de toepassing nog geregeld worden door de Europese Commissie. Daarnaast moet nog politieke besluitvorming plaatsvinden binnen de Europese Unie; Binnen de gebiedsprocessen gaat per gebied een team onder leiding van een netwerkregisseur het proces aanjagen en zorgen voor de verbinding tussen partijen en opgaven. Bijvangsten zijn te verwachten door de opgaven waar mogelijk te verbinden met sectoren als industrie, mobiliteit en andere lokale en landelijk overheidsopgaven. Projecten De eerder genoemde versnellingsaanpak van de zes zandprovincies en veehouderijsectoren zet onder andere in op versnelde juridische borging van toepassing van diverse stalsystemen en mest-additieven.
Gezien de relatief beperkte omvang van de veehouderij in Zeeland achten wij het meest efficiënt om de resultaten van de versnellingsaanpak af te wachten. Coaching: BodemUp: 500 agrarische ondernemers in Zeeland worden begeleid met minimaal 3 contactmomenten (danwel fysiek danwel digitaal en of individueel of in groepsverband) per jaar (volgens PDCA-systematiek), waarbij jaarlijks een BedrijfsBodemWaterPlan (BBWP) wordt opgesteld voor één perceel. o BedrijfsBodemWaterPlan (BBWP): Zoeken naar synergie met (deelnemers) BodemUP. De deelnemers aan BodemUP krijgen een BBWP voor één perceel aangeboden. Doel is dat minimaal 500 ondernemers voor minimaal 5 percelen een BBWP opstellen. In 2027 alle deelnemers een BBWP-score van minimaal 'voldoende'. o Bodemverbetering: Doel is om de deelnemers van BodemUP een verdieping te geven op het onderwerp 'bemesting' door inzicht te verschaffen over het bemesten. o Slim landgebruik: Doel is om de deelnemers van BodemUP een verdieping te geven op het onderwerp 'landgebruik' door inzicht te verschaffen op de onderwerpen CO2/carbonfarming, emissiereductie en niet-kerende grondbewerking. N-Residumeting: Doel is om de deelnemers van BodemUP een verdieping te geven op het onderwerp 'bemesting' door via N-residumetingen inzicht te krijgen in de hoeveelheid minerale stikstof die nog in de laag 0-90 cm onder maaiveld zit.
Dit geeft een indicatie over de effectiviteit van bemesting. Per ondernemer 5 metingen. KPI’s Landelijk wordt komende tijd verder gewerkt aan een integrale KPI-set voor de melkveehouderij. Hierdoor ontstaat een eenduidig systeem waarmee prestaties kunnen worden vastgesteld zodat betere prestaties ingerekend, gewaardeerd en beloond kunnen worden. Zowel private als publieke partijen kunnen de normwaarden bepalen waarbij zij boeren willen betalen voor duurzaamheidsdiensten. Naast het uitwerken van de integrale set wordt gewerkt aan een aantal randvoorwaarden om het toepassen KPI’s voor sturing en beloning tot een succes te maken, dit zijn 1) het vergroten van het netwerk van partijen die KPI’s willen gebruiken voor sturen en belonen, 2) het verbeteren van de data beschikbaarheid, ontsluiting en
55
certificering van data, rechtdoend aan eigenaarschap en 3) het ontwikkelen van een governance structuur, zodat goede afspraken tussen publieke en private partijen kunnen worden gemaakt over het beheer en vaststelling van inhoud van de KPI's en rekenregels. Dit alles onder mom van doen, leren, beter doen. Dit is een continu proces voor het werken en sturen met KPI’s, net zoals de verduurzaming van de landbouw dat is. Zie bijlage 1 voor een nadere toelichting op de KPI-systematiek.
Oplossingsrichtingen, doelbereik en (sociaaleconomische) effecten Maatregelen, instrumenten
Doelbereik (in verhouding tot het gebiedsprogramma)
Maatregelpakket veehouderij, waaronder: Extensivering melkveehouderij (V1): verminderen van het aantal koeien per hectare. De uitwerking is afhankelijk van te maken afspraken in het Landbouwakkoord. Wegens de behoefte aan dierlijke mest in Zeeland wordt in eerste instantie ingestoken op verruiming van het areaal; Stalsystemen (V2): aanpassen van oude stalsystemen of realiseren van nieuwe stalsystemen om daarmee de uitstoot van ammoniak te verminderen. Provincie stimuleert onderzoek en toepassing van systemen die we kunnen waarborgen, monitoren en handhaven; Mest-additieven (V3): het valoriseren van dierlijke mest door het toevoegen van biologische, chemische of fysische additieven. Dit heeft tot doel reductie van ammoniak, methaan, lachgas en geuremissie, vermindering van nitraatuitspoeling, betere nutriëntenopname door de plant en een verbeterde bodemkwaliteit. Provincie wil praktijkonderzoek stimuleren; Voerspoor (V4): met goed voermanagement voor koeien zijn de emissies van methaan en ammoniak te verlagen. Nu zijn al maatregelen mogelijk, maar o.a. in de zes zandprovincies lopen ook verschillende onderzoeken naar oplossingen voor de lange termijn. Vanwege de aandacht voor eiwitteelt in Zeeland (zie ook maatregelpakket akkerbouw) kunnen akkerbouw en veeteelt elkaar verder versterken (o.a. eigen teelt eiwit).
Vanwege verkorten van de kringloop stimuleert de provincie deze maatregel; Verlengde weidegang (V5): weiden zorgt op een natuurlijke manier voor dat urine en mest niet met elkaar vermengen, waardoor minder ammoniak ontstaat. Koeien laten grazen in de wei leidt door de goede verteerbaarheid en specifieke eigenschappen van vers gras tot minder methaanemissies. Onderzoeken laten zien dat een rantsoen van weidegras in plaats van kuilgras een emissiereductie van methaan van 10-30% kan opleveren. Ook zomerstalvoeding (voeren van vers gras in de stal) levert tot 20% minder methaanemissies op vergeleken met een rantsoen van kuilgras. Weidegang is opgenomen op de RAV-lijst. Provincie stimuleert toepassing; Kruidenrijk grasland (V6): in zijn algemeenheid vraagt kruidenrijk grasland een lagere dierlijke mestgift en geen kunstmest. Het toepassen van kruidenrijk grasland heeft daarnaast positieve effecten op de diergezondheid en op de onder- en bovengrondse biodiversiteit. Provincie stimuleert toepassing. Natuur: reductie stikstofuitstoot door o.a. vermindering ammoniak bij stalvloeren, stikstof terugbrengen in kringloop (na mestbewerking). Door het reduceren van de stikstofuitstoot, kan de staat van de stikstofgevoelige natuur verbeteren. Door extensivering ontstaat meer ruimte voor natuur en natuurinclusieve landbouw.
Water: door het optimaliseren van de bedrijfsvoering zullen kringlopen zoveel mogelijk gesloten worden, waardoor er minder uitspoeling is en de waterkwaliteit kan verbeteren. Klimaat: door extensivering kan (bij gelijkblijvend areaal) het aantal koeien afnemen en daarmee de methaanuitstoot. Sociaal: reductie stankoverlast, door extensivering kan bedrijvigheid uit het gebied verdwijnen, wat consequenties kan hebben voor de sociale structuur op het platteland.
56
-
Economisch: optimalisatie leidt tot kostenbesparing voor de agrariër en verbetering bedrijfseconomische situatie. Extensivering kan leiden tot vermindering inkomsten en innovatie leidt tot verhoging kosten, waardoor in beide gevallen de bedrijfseconomische situatie van de agrariër zal verslechteren tenzij gecompenseerd met subsidie of aanvullende inkomsten. Volgt nadat toetsingsadvies EA is vastgesteld en SEIA verder is uitgewerkt.
Onderbouwing
Minder dieren: we stimuleren extensieve landbouw, dat kan betekenen meer areaal of minder dieren. Wegens de behoefte aan dierlijke mest wordt in eerste instantie ingestoken op verruiming van het areaal.
Besluitvorming en daarbij betrokken partijen Beschrijving partijen, rollen en verantwoordelijkheden
-
Te doorlopen procedures en besluitvorming
Participatie en betrokkenheid democratische vertegenwoordigingen
-
-
Agrarisch ondernemers: toepassen van (een selectie van) de maatregelen Agrarische collectieven (o.a. ZLTO, ZAJK): communicatie en stimuleren bewustwording Provincie Zeeland: vergunningen stalsystemen (bij aantal intensieve veehouderijen bevoegd gezag) Zeeuwse gemeenten: (herziening) vergunningen stalsystemen Provincie bespreekt mogelijke maatregelen in gebieden. Wat is waar van toepassing en wat is het potentieel van de maatregelen. Dit wordt opgenomen en geactualiseerd in het Gebiedsprogramma. Procedures, vergunningverlening en politieke besluitvorming is van toepassing Bij het inventariseren van de maatregelen voor de Zeeuwse veehouderij zijn agrarische belangenorganisaties (o.a. ZLTO, ZAJK) betrokken, o.a. in de Regiodialogen in Zeeland (mrt-mei 2023); In de deelgebieden zijn en worden direct betrokkenen geraadpleegd. De eerste aanzet tot maatregelen zijn als onderdeel van het Gebiedsprogramma 0.5 in concept voorjaar 2023 gedeeld met Provinciale Staten.
Financiën en risico’s Onderbouwing rijksbijdrage
Bijdrage vanuit het Rijk is nodig om grootschalig en langdurig (duurzaam) toekomstperspectief te bieden voor agrariërs die inzetten op diverse maatregelen uit het pakket. Die bijdrage varieert sterk per te nemen maatregel. Extensivering van de melkveehouderij of implementatie van nieuwe stalsystemen vragen vanzelfsprekend (veel) hogere investeringen dan maatregelen die verband houden met mest-additieven, aanpassingen in het voerspoor, verlengde weidegang en het toepassen van kruidenrijk grasland. Voor laatstgenoemde maatregelen bestaan reeds vergoedingen (Eco-regeling GLB). De kosten van extensiveren zijn sterk afhankelijk van de uitwerking van deze generieke maatregel naar aanleiding van het nog te sluiten Landbouwakkoord.
Kostenraming planuitwerking Maatregel
(Deel)gebied
Extensivering melkveehouderij
Zeeland, m.n. MvW, KvS,
Stalsystemen; innovatiefonds voor RAV goedgekeurde installaties
Zeeland (ca. 200 bedrijven)
57
Plankosten en/of Realisatie korte termijn excl. btw Zie omzetten / extensiveren bouwland Maatregelpakket Akkerbouw € 1.500.000 (€ 150.000,- voor pilot bij 10 bedrijven)
Verwachte realisatiekosten excl. btw
€ 28.500.000 (€ 150.000,voor resterende ca. 190 bedrijven)
Mest-additieven
Zeeland
Voerspoor; voer en managementmaatregelen
Zeeland
Verlengde weidegang Kruidenrijk grasland
KPI’s: ontwikkelen en ‘vullen’ systematiek
€ 1.500.000 (plankosten en onderzoek)
Zeeland
Zeeland
Totaal Dekkingsvoorstel Rijk; Transitiefonds planuitwerking EU; POP3 (categorie D) Provincie Zeeland Agrarische sector Indicatieve kostenraming Zie kostenraming planuitwerking navolgende realisatie Indicatief dekkingsvoorstel Transitiefonds: totaal € 49.800.000 navolgende realisatie Verhouding tot indicatief PM budget voor realisatie van het gehele gebiedsprogramma (totaal maatregelpakketten) Risico’s en PM beheersmaatregelen
€ 750.000 (plankosten en onderzoek) € 3.750.000
N.v.t., wet- en regelgeving, marktwerking (zie KPI’s) € 10.000.000 (€ 50.000,- per bedrijf) N.v.t. (zie KPI’s) € 2.550.000 (€ 150,- per ha grasland x 17.000 ha) € 5.000.000
€ 46.050.000
Aanpak met planning en mijlpalen Aanpak
PM
Planning met mijlpalen en afronding planuitwerking
Planvorming en snel op te pakken projecten staan gepland in 2024 en 2025.
Indicatieve planning met mijlpalen en afronding realisatie
Realisatie van nieuwe - en het voortzetten van reeds gestarte - projecten vindt plaats in 2024 t/m 2030.
58
V7. Vrijwillige opkoop van veehouderijen, die niet onder een landelijke opkoopregeling vallen Aanvraag Rijksbijdrage voor beslissing tot start realisatie Algemene informatie aanvraag Naam Hoofdaanvrager incl. contactgegevens Deelnemende partijen Gebied /locaties
Samenvatting
Kosten en dekking (kort)
Vrijwillige opkoop van veehouderijen die niet onder een landelijke opkoopregeling vallen Provincie Zeeland Jeanine Witkam (jcm.witkam-traas@zeeland.nl, 06-25726618) Verspreid over Zeeland hebben zich nu ruim 30 veehouders gemeld die willen stoppen. Zij konden of kunnen, om diverse redenen, geen gebruik maken van de landelijke opkoopregelingen zoals de SRV, MGA, LBV en LBV+. De lijst met locaties is om privacy redenen niet bijgevoegd, maar wel bij de provincie bekend. Veehouders in Zeeland die vrijwillig willen stoppen hebben tot nu toe niet of nauwelijks gebruik kunnen maken van de landelijke opkoopregelingen. Maar elke veehouder die stopt draagt bij aan de stikstofopgave. En zeker in de provincie Zeeland zijn er weinig andere bronnen die direct tot een vermindering van de stikstofemissie en daarmee de stikstofdepositie leiden. Daarom kunnen veehouders die niet onder een landelijke opkoopregeling vallen (LBV en LBV+) en toch willen stoppen, door de provincie worden opgekocht. Met de opkoop is een stikstofreductie van ca. 80 ton NH3. Er hebben zich op dit moment ruim 30 bedrijven gemeld. Ervan uitgaande dat een klein aantal bedrijven onder de LBV of LBV+ valt, wordt voor 25 bedrijven geld gevraagd. Hierbij is uitgegaan van een gemiddelde waarde en grootte van de veehouderijen.
Waarde gebouwen, erf en rechten: 25 x € 2 miljoen = € 50 miljoen Waarde gronden: 25 x gemiddeld 40 ha = 1.000 ha x € 100.000,- = € 100 miljoen Transitiefonds: € 150.000.000,Bijlagen
59
Bijlage 4 Maatregelpakket water W6 en W7 W6. Opwaarderen sub optimale waterstromen (deel hergebruik effluent RWZI) Aanvraag Rijksbijdrage voor beslissing tot start planuitwerking Algemene informatie aanvraag Naam Hoofdaanvrager incl. contactgegevens Deelnemende partijen Gebied /locaties Samenvatting
Kosten en dekking (kort)
Opwaarderen suboptimale waterstromen (deel hergebruik effluent RWZI) Provincie Zeeland (i.c.m. Waterschap Scheldestromen) Martijn van Kalmthout (Martijn.vankalmthout@scheldestromen.nl, 06-51228742) Belangrijkste partij bij het uitvoeren van dit project is Waterschap Scheldestromen Dit project gaat over alle rioolwaterzuiveringsinstallaties die waterschap Scheldestromen in Zeeland heeft. Dat zijn er 15. De 15 rioolwaterzuiveringen van Zeeland zuiveren afvalwater en leveren dat terug aan de waterkringloop, door het te lozen in het oppervlaktewatersysteem. Het gezuiverde water is over het algemeen zoet. Zoet water is schaars in Zeeland, dus in potentie kunnen de rioolwaterzuiveringen een belangrijke bijdrage leveren aan de zoetwaterbeschikbaarheid in Zeeland. Los daarvan heeft het gezuiverde water nu vaak al een functie, bijvoorbeeld om het watersysteem op peil te houden in geval van droogte. Het gezuiverde afvalwater voldoet aan de normen die ervoor gesteld worden, maar door het water nóg iets verder te zuiveren, wordt de bruikbaarheid van het water enorm vergroot. Afvalwater wordt over het algemeen behandeld volgens de volgende systematiek: 1. mechanische behandeling. doel: grof materiaal verwijderen 2. biologische behandeling: middels micro organismen organische stoffen uit het afvalwater afbreken. 3.
chemische behandeling: chemicaliën zoals ijzer- en aluminiumzouten worden toegevoegd om fijnere deeltjes en fosfaten uit het afvalwater te verwijderen. Het gezuiverde afvalwater is nu schoon genoeg om in het watersysteem geloosd te worden. In dit afvalwater zitten vaak echter nog stoffen die we vanuit de KRW systematiek, maar ook ten behoeve van hergebruik voor bijvoorbeeld de landbouw liever verwijderd zouden zien. Door een 4e zuiveringsstap toe te voegen, wordt het water nog verder gezuiverd. Deze stap dient om bepaalde chemische verontreinigingen af te breken, zoals resten van medicijnen en pesticiden. De kosten voor het toevoegen van een 4e zuiveringsstap aan een rioolwaterzuiveringsinstallatie zijn afhankelijk van verschillende factoren, zoals de grootte van de installatie, de specifieke zuiveringsmethode die wordt gebruikt en de lokale omstandigheden. Over het algemeen kan het toevoegen van een 4e zuiveringsstap aan een bestaande installatie echter aanzienlijke kosten met zich meebrengen. De kosten voor de benodigde infrastructuur, apparatuur, materialen en arbeid kunnen hoog oplopen. Daarnaast kunnen er ook extra kosten zijn voor de energie die nodig is om de extra zuiveringsstap uit te voeren en voor het onderhoud van de installatie.
De kosten van een 4e zuiveringsstap worden meestal bepaald op basis van een kostenbatenanalyse, waarbij de voordelen van de extra zuivering, zoals de mogelijkheid om gezuiverd water te hergebruiken, worden afgewogen tegen de kosten van de investering. Over het algemeen kan de investering voor het toevoegen van een 4e zuiveringsstap variëren van enkele honderdduizenden tot enkele miljoenen euro's per rioolwaterzuiveringsinstallatie, afhankelijk van de omvang van de installatie en de specifieke omstandigheden.
60
Bijlagen
N.v.t.
Opgaven/probleemanalyse en te bereiken doelen Analyse provinciale/ gebiedsopgaven NPLG
het toevoegen van een 4e zuiveringsstap kan bijdragen aan de doelstellingen van het NPLG door de waterkwaliteit te verbeteren, de belasting op het milieu te verminderen en de beschikbaarheid van zoetwater te vergroten. Er is beleid nodig (waterschap) voor de manier waarop we willen omgaan met het hergebruiken van effluent, rekening houdend met Europese en landelijke richtlijnen.
Doel planuitwerking (in welke nog ontbrekende informatie / procedurele stappen te voorzien) Hierop volgen een of meerdere pilotlocaties om de effecten te kunnen monitoren. Eventuele wijzigingen ten N.v.t. opzichte van gebiedsprogramma Meekoppelkansen In Europa wordt momenteel gewerkt aan nieuwe regelgeving. de EU-verordening betreffende het hergebruik van stedelijk afvalwater, die ervoor moet zorgen dat hergebruik van afvalwater veilig en duurzaam gebeurt. de verordening zal naar verwachting meer eisen stellen aan de kwaliteit van het effluent en het hergebruik van afvalwater voor bepaalde toepassingen reguleren. Projecten Beleid opstellen voor het hergebruiken van effluent Een of meerdere pilotlocaties om de effectiviteit van het beleid en de maatregelen te beoordelen. evt. opschaling
Oplossingsrichtingen, doelbereik en (sociaaleconomische) effecten Maatregelen, instrumenten Doelbereik (in verhouding tot het gebiedsprogramma)
Na uitvoering van deze maatregel is effluent, dat tot dan toe vooral gezien werd als afvalproduct, opgewaardeerd tot een waardevolle grondstof voor de omgeving. Doel is om de potentie van zoetwaterbeschikbaarheid in Zeeland te vergroten. Dit heeft invloed op de hieronder genoemde gebiedsopgaven: versterken biodiversiteit. Verdroging en verzilting zijn slecht voor onze biodiversiteit verminderen stikstofdepositie. Het gebiedsplan geeft aan dat een gezonde plant beter in staat is stikstof te binden, daarvoor is zoet water onontbeerlijk klimaatadaptatie: Een betere zoetwaterbeschikbaarheidsstrategie maakt zeeland weerbaarder tegen hitte en droogte, door het beter kunnen benutten van de sponswerking van de bodem is Zeeland beter bestand tegen extremere weerbeelden stimuleren duurzame landbouw: voor een duurzame landbouw is zoet water nodig. de meest duurzame manier van het omgaan met zoetwater is het vergroten van de potentie die de bodem hierin kan bieden.
Onderbouwing
Besluitvorming en daarbij betrokken partijen Beschrijving partijen, rollen en verantwoordelijkheden Te doorlopen procedures en besluitvorming
Participatie en betrokkenheid democratische vertegenwoordigingen
Maatregelen zullen getroffen worden in de zuiverinsginstallaties en het omliggende watersysteem. daarom is het waterschap de belangrijkste partij. andere partijen zijn provincie zeeland en individuele gebruikers of stakeholders. De eerste stap is om het nadere onderzoek uit te voeren. Afhankelijk van het resultaat zal een afwegingskader opgesteld worden om de prioritering en afweging van uit te voeren projecten vast te stellen. Op basis daarvan worden de uitvoeringsprojecten voorbereid, na bestuurlijke besluitvorming hierover. Daarbij zal rekening gehouden worden met benodigde procedures voor bijvoorbeeld grondaankoop en vergunningverlening. Het gebiedsprogramma benadrukt het belang van participatie en samenwerking met belanghebbenden en bewoners bij het behalen van de doelstellingen. Er wordt gestreefd naar een open en transparant proces, waarin informatie wordt gedeeld en ideeën worden uitgewisseld. Ook het waterschap heeft de ambitie om samen te werken
61
met verschillende partijen, zoals gemeenten, natuurorganisaties, agrariërs en bedrijven, om zo gezamenlijk tot gedragen oplossingen te komen voor de wateropgaven in het gebied
Financiën en risico’s Onderbouwing rijksbijdrage
Kostenraming planuitwerking
Dekkingsvoorstel planuitwerking Indicatieve kostenraming navolgende realisatie Indicatief dekkingsvoorstel navolgende realisatie Verhouding tot indicatief budget voor realisatie van het gehele gebiedsprogramma (totaal maatregelpakketten) Risico’s en beheersmaatregelen
Het uitvoeren van de hierboven benoemde projecten, leveren niet alleen een verbetering op van de waterkwaliteit uit de zuivering, maar dragen op vele manieren bij aan de doelstellingen zoals het NPLG die benoemt. Zoetwaterbeschikbaarheid is een belangrijke pijler bij het terugdringen van stikstofdeposities. Een betere waterkwaliteit, zoetwaterbeschikbaarheid voor andere gebruiksfuncties, betere weerbaarheid tegen klimaatverandering zijn andere positieve effecten van het uitvoeren van deze maatregelen. Tevens helpen deze maatregelen de landbouwsector te verduurzamen. De kosten voor deze projecten zullen met name tot uiting komen in de uitvoering van de fysieke projecten, die zullen volgen uit het onderzoek. Op basis van een eerste globale scan van waar de problemen optreden, gecombineerd met de ingeschatte kosten per kilometer aan te passen waterloop, wordt een voorzichtige eerste kosteninschatting gemaakt van 100 miljoen Euro. Transitiefonds € 100.000.000,-
1.
2.
3.
Onvoldoende draagvlak voor uitvoering bij stakeholders: Om dit risico te beheersen is het belangrijk om in een vroeg stadium alle relevante stakeholders te identificeren en hen actief te betrekken bij het project, bijvoorbeeld door middel van informatiebijeenkomsten en inspraakmomenten. Organisatorische risico's: Het uitvoeren van de benoemde mogelijke maatregelen is erg arbeidsintensief. Het aantrekken van externe expertise voor de uitvoering kan een effectieve beheermaatregel zijn. Grondaankoop: Indien grond benodigd is voor het uitvoeren van een project, levert dat een risico op, omdat succesvolle grondaankoop niet gegarandeerd is. Beheermaatregelen zijn om ook alternatieve locaties in beeld te brengen. daarnaast is een vroegtijdige inventarisatie van benodigde grond en beschikbare grond nodig.
Aanpak met planning en mijlpalen Aanpak Planning met mijlpalen en afronding planuitwerking Indicatieve planning met mijlpalen en afronding realisatie
62
W7. Opwaarderen suboptimale zoetwaterstromen (in de Zeeuwse industrie) Aanvraag Rijksbijdrage voor beslissing tot start planuitwerking Algemene informatie aanvraag Naam Hoofdaanvrager incl. contactgegevens Deelnemende partijen Gebied /locaties
Samenvatting
Opwaarderen suboptimale zoetwaterstromen in de Zeeuwse industrie Provincie Zeeland Gerbert de Voogd van der Straaten (gh.de.voogdvanderstraaten@zeeland.nl, 0628904258) Grofweg alle industrieën in Zeeland, hieronder worden de locaties specifieker benoemd. De inzet en integratie van de industrie in het zoetwaterbeschikbaarheidsvraagstuk speelt vooral in Kanaalzone, Walcheren en Zuid-Beveland. Op Zuid-Beveland is er voornamelijk voedsel gerelateerde industrie en in de andere genoemde regio’s overwegend niet-voedsel gerelateerde industrie. Het principe is dat bedrijven door een extra zuiveringsstap het restwater geschikt maken voor hergebruik. Dit hergebruik kan door henzelf of in aangrenzende gebieden. Bij hergebruik door de bedrijven zelf, wordt ingespeeld op de groeiende zoetwatervraag van de industrie én blijft meer water over voor andere sectoren. Bij hergebruik in aangrenzende gebieden kan het water worden gebruikt door andere sectoren die kampen met een zoetwatervraag/verdroging (landbouw, natuur). Er liggen vooral kansen in de Kanaalzone, Walcheren en Zuid-Beveland. Een al gerealiseerd voorbeeld is Coroos. Het restwater van Coroos is in afgelopen droge periodes door de omringende landbouwbedrijven gebruikt. Dit kan net het verschil maken tussen een goede of slechte oogst.
Minder water, meer vraag - essentie van cross sectorale benadering De groeiende zoetwatervraag van de industrieclusters Kanaalzone en het Sloegebied, mede door de productie van duurzame energie met de daar bijhorende koelinstallaties, de verziltende landbouwgebieden, drogere perioden, het niet of nauwelijks beschikken over externe aanvoer, verdrogende natuur en een krap neerslagoverschot, maakt het voor Zeeland niet gemakkelijk het hoofd boven water te houden. Ironisch genoeg liggen in de Zeeuwse delta wel de vruchtbare landbouwgronden, unieke natuur en een industriecluster met veel toegevoegde waarde. Er is dus alles aan gelegen om dit te behouden en het vestigingsklimaat in orde te houden of zelfs te versterken. De Zeeuwse zoetwatersituatie is niet sectoraal te benaderen en deze benadering is ook niet gewenst. Zoals aangegeven op de eerste pagina van de kamerbrief water en bodem sturend ‘’de kwaliteit en beschikbaarheid van water en bodem hebben grote invloed op onze scheepvaart, landbouw, energievoorziening, industrie en natuur’’. De verschillende sectoren zijn sterk met elkaar verbonden, dit vraagt om een aanpak waar sectoren samenwerken. Alleen dan kan een robuust zoetwatersysteem worden gecreëerd dat handelt conform de principes van water en bodem sturend.
Met andere woorden, de voorgestelde maatregelen voor zoet water zijn net als het Zeeuwse gebiedsprogramma breder opgezet dan het landelijke gebied. Dit is nodig, omdat anders geen toekomstbestendig en volhoudbaar landelijkgebied kan worden gevormd. Industrie De watervraag van de Zeeuwse industrie groeit naar verwachting enkel al door de productie van groene waterstof met ongeveer 1.3 – 2.9 mm3/jaar (ultra puur water, maar reductie van CO2 en NOx uitstoot). De ruwe watervraag ligt naar schatting rond de 20Mm3/jaar (dit water moet nog geschikt worden gemaakt voor de productie van waterstof). Om aan deze groeiende vraag te voldoen is circulariteit op verschillende niveaus essentieel. De inzet en integratie van de industrie in het zoetwaterbeschikbaarheidsvraagstuk speelt vooral in Kanaalzone, Walcheren en ZuidBeveland. Op Zuid-Beveland is er voornamelijk voedsel gerelateerde industrie en in de
63
andere genoemde regio’s overwegend niet-voedsel gerelateerde industrie. Deze industrieën hebben grote invloed op de waterbalans van deze gebieden. Het circulair inzetten van industrieel effluent biedt kansen, maar er zijn ook uitdagingen. Bij directe toepassing (bv. in de landbouwsector of lozen op binnenwateren) van effluent met een beperkte kwaliteit is dit niet zonder risico’s. Dit geldt zeker, wanneer het effluent afkomstig is uit de niet-voedsel gerelateerde industrie (Kanaalzone en Walcheren). Bij voedsel gerelateerde industrieën is het ook niet geheel risicoloos. Momenteel worden in onderzoeken zoals Effluentfit4food de risico’s en mogelijkheden onderzocht. Om deze risico’s te mitigeren is een aanvullende zuiveringsstap nodig, welke met aanzienlijke kosten gepaard gaat. Deze kosten zijn niet volledig te dragen en toe te rekenen aan de industrie, omdat de industrie momenteel voldoet aan de gestelde lozingseisen van het Waterschap of Rijkswaterstaat (meestal Rijkswaterstaat). De aanvullende zuiveringsstap dient een hoger en maatschappelijk doel. Met een hogere waterkwaliteit kunnen verschillende zaken worden gedaan, bv. irrigatie water voor de landbouw, productie waterstof en het peil in de polders handhaven om tegendruk te geven aan de zoute kwel.
De industrie kan er ook voor kiezen om het water opnieuw in te zetten in haar eigen productieproces(sen) en/of een samenwerking te zoeken met aangelegen industrieën, dan wordt er voor andere sectoren water ‘’vrijgespeeld’’. Als het effluent een hogere kwaliteit heeft, kan het worden ingezet voor dezelfde en/of andere sectoren. Geografisch gezien liggen deze sectoren niet altijd dicht bij elkaar en door het jaar heen zal vraag en aanbod per sector fluctueren. Dit vraag om twee aanvullende maatregelen; transport/distributie van water en opslag/buffering van water (collectief of individueel). Transport kan via leidingen of het via het oppervlaktewatersysteem. Via het oppervlaktewatersysteem is niet altijd mogelijk omdat het zoete gezuiverde effluent dan vermengd raakt met zout kwelwater waardoor het onbruikbaar wordt.
Kosten en dekking (kort)
Bijlagen
Maatregelen: 1. Aanvullende zuiveringsstap 2. Opslag en buffer capaciteit 3. Transport en distributie infrastructuur (sector overschrijdend) Op basis van verkennende gesprekken met de Zeeuwse industrie wordt de investering geschat op €75.000.000,-- - €100.000.000,--. Transitiefonds: € 100.000.000,(+ private co financiering) N.v.t.
Opgaven/probleemanalyse en te bereiken doelen Analyse provinciale/ gebiedsopgaven NPLG
Het NPLG en het Zeeuwse industrie zoetwatervraagstuk hebben veel raakvlakken, welke niet sectoraal zijn te benaderen, dit is al uit een gezet in paragraaf 1 van dit format. In de Zeeuwse industrieclusters staat de productie van waterstof op de planning. Door de productie van waterstof groeit de zoetwatervraag de komende jaren met ongeveer 1.3 – 2.9 mm3/jaar (ultra puur water). De ruwe watervraag ligt naar schatting rond de 20Mm3/jaar (dit water moet nog geschikt worden gemaakt voor de productie van waterstof). Waterstof is essentieel voor de energietransitie en de daarbij horende reductie van CO2 en NOx. Om de energietransitie in de benen te houden moet zoet water worden geleverd aan de industrieclusters. Waar kom dit water vandaan? De voorgestelde maatregel is, het circulair inrichten van de industriële processen. Door het circulair (BV Nederland moet circulair zijn in 2050) in te richten wordt er een constante bron van zoet water gecreëerd. Voor deze circulaire inrichting zijn wel middelen nodig, die niet alleen door de industrie kunnen worden gedragen. Dit is vrijwel de enige mogelijkheid, omdat het Rijk het beleid hanteert dat externe aanvoer van zoet water uit andere gebieden in Nederland niet meer aan de orde is.
64
Doel planuitwerking (in welke nog ontbrekende informatie / procedurele stappen te voorzien)
Door het circulair in richten van industrieën kan het water intern worden hergebruikt, maar ook door andere aangelegen industrieën en andere sectoren zoals de landbouw en de natuur. Als de landbouw over voldoende zoet water beschikt zal de plant gezonder zijn en meer nutriënten (waaronder stikstof) opnemen. Hierdoor blijven er minder stoffen achter in het milieu, waaronder het water en dit gunstig voor de KRW. Dit maakt dat de landbouw meer in balans produceert met de omgeving, wat het tevens meer volhoudbaar maakt richting de toekomst. Alvorens te kunnen starten met de uitvoering van dit maatregelenpakket, moet er een uitgebreide waterbalans/vooronderzoek worden opgesteld van de industrieclusters inclusief de omliggende watervragers, met een prognose richting 2050. Wat betreft de bestuurlijke besluitvorming kan de provincie Zeeland terugvallen op het Zeeuws Deltaplan Zoet Water, wat eind 2021 is vastgesteld door PS en GS. Het platform Smart Delta Resources (veel industrieën zijn partner van dit platform) volgt dit maatregelenpakket op de voet en zijn geconsulteerd bij het formuleren van de voorgestelde maatregelen.
NPLG doelen: Water: minder externe aanvoer van zoet water nodig voor de industrie in Zeeland (water en bodem sturend). Klimaat: door het circulair inzetten van water kan er waterstof worden geproduceerd. Minder uitstoot van CO2 en NOx. Natuur: Minder depositie van NOx (productie waterstof), door water van een hogere kwaliteit te lozen op het binnenwater zal dit goed zijn voor de waterkwaliteit (KRW) en de droogte gevoelige natuur. De effecten van deze maatregelen kwantificeren is in deze fase niet realistisch. Eventuele wijzigingen ten N.v.t. opzichte van gebiedsprogramma Meekoppelkansen 1. Nederland circulair in 2050 2. Industriële symbiose 3. Water wordt ‘’vrijgespeeld’’ voor andere sectoren, waaronder landbouw en natuur. Projecten Er zijn nog geen concrete projecten gevormd, voorbeeld projecten zou er als volgt kunnen uitzien: Een aanvullende zuiveringsstap realiseren bij een afvalzuiveringsinstallatie van bedrijf x, om het water in te zetten voor proces x of een andere bedrijf/(landbouw)sector. De essentie is dat het afvalwater niet meer geloosd wordt op zout buitenwater maar binnendijks blijft zodat het nogmaals kan worden gebruikt, hierdoor wordt de netto druk op het zoetwatersysteem minder. De industrie is momenteel al bezig met het optimaliseren van de waterprocessen in hun fabrieken, door het gezamenlijk aanpakken van projecten kan er meer winst worden geboekt.
Te denken valt aan het industriële symbiose tussen de verschillende bedrijven waarbij geografisch de afstand te overbruggen is.
Oplossingsrichtingen, doelbereik en (sociaaleconomische) effecten Maatregelen, instrumenten
1.
2.
3.
Aanvullende zuiveringsstap: effluent van een hogere kwaliteit kan worden ingezet voor meerdere doeleinden, bv. natuur, landbouw, productie waterstof en/of de industrie zelf Opslag en buffercapaciteit: het effluent van een hogere kwaliteit kan niet altijd direct worden afgenomen of worden gebruikt. Het is een kwestie van vraag en aanbod, om dit op te lossen in opslag en buffercapaciteit nodig. Transport en distributie infrastructuur: geografisch liggen vraag en aanbod van het effluent vaak niet bij elkaar. Om deze afstand te overbruggen moeten er leidingen worden aangelegd.
65
Doelbereik (in verhouding tot het gebiedsprogramma)
Onderbouwing
Voorbeeld van één output zou kunnen zijn: minimaal 10 mm3 circulair maken en inzetten in eigen industriële processen, andere sectoren en/of de productie van waterstof. Zuinig omgaan en het circulair inzetten van water is conform de brief water en bodem sturend. De circulariteit zorgt er ook voor dat er water wordt ‘’vrijgespeeld’’(besparing), dit vrij gespeelde water kan worden ingezet voor onder andere de natuur- en landbouwsector. Als de landbouw over voldoende zoet water beschikt zal de plant gezonder zijn en meer nutriënten (waaronder stikstof) opnemen. Hierdoor blijven er minder stoffen achter in het milieu, waaronder het water en dit gunstig voor de KRW (N reductie 20 %-40 %). Zuinig omgaan en het circulair inzetten van water is conform de brief water en bodem sturend. De circulariteit zorgt er ook voor dat er water wordt ‘’vrijgespeeld’’(besparing), dit vrij gespeelde water kan worden ingezet voor onder andere de natuur- en landbouwsector. Als de landbouw over voldoende zoet water beschikt zal de plant gezonder zijn en meer nutriënten (waaronder stikstof) opnemen. Hierdoor blijven er minder stoffen achter in het milieu, waaronder het water en dit gunstig voor de KRW (N reductie 20 %-40 %).
Besluitvorming en daarbij betrokken partijen Beschrijving partijen, rollen en verantwoordelijkheden
Een aantal partners van het platform Smart Delta Resources (SDR) zijn geraadpleegd door de provincie Zeeland bij het opstellen van dit maatregelenpakket. SDR is een samenwerking van industrie, haven, overheden, energie- en netwerkbedrijven en kennisinstellingen in de Vlaams-Nederlandse Schelde-Deltaregio (zie partners via: Partners | Smart Delta Resources). Dit was een informele consultatie, meer was niet mogelijk, mede door de korte doorlooptijden van het NPLG. Via SDR is een aantal industrieën betrokken bij dit maatregelenpakket, maar er is nog geen commitment uitgesproken, wel de wens om het zoetwatervraagstuk aan te pakken.
Het doel is om gezamenlijk met SDR te komen tot concrete projecten die de doelstelling van dit maatregelenpakket bewerkstelligen. Te doorlopen procedures De procedures zijn afhankelijk van het soort project. Maar over het algemeen genomen en besluitvorming is er meer onderzoek nodig om de basisinformatie van de Zeeuwse industrie in kaart te brengen, te denken valt aan een uitgebreide waterbalans van de huidige situatie met een prognose richting 2050. Ook de gevraagde waterkwaliteit is van groot belang, om in te kunnen schatten of de ene industrie kan leveren aan de andere industrie of crosssectoraal.
Participatie en betrokkenheid democratische vertegenwoordigingen
Besluitvorming/procedures: Intentieverklaring om mee te werken aan dit proces Informatie over de watervraag en de prognose richting 2050 op orde hebben Discussie over de resultaten, belangenafweging en het doel helder op papier zetten Bestuurlijke commitment uit te spreken op basis van de verzamelde informatie en de belangenafweging. Samenwerkingsovereenkomst opstellen Uitvoeren van projecten die bijdragen aan het geformuleerde doel. Participatie heeft plaatsgevonden in de vorm van regiodialogen, in deze dialogen is de provincie in gesprek gegaan met de relevante stakeholders in het watersysteem. Het platform SDR is geraadpleegd voor de input van dit maatregelenpakket, met andere woorden, het is een gedragen pakket waar Zeeland mee aan de slag wil.
Financiën en risico’s Onderbouwing rijksbijdrage
De voorgestelde maatregelen raken meerdere Rijks doelen die benoemd staan in de voorgaande paragraven. Daarnaast zijn er structurerende keuzes gemaakt in de brief
66
Kostenraming planuitwerking
water en bodem sturend die Zeeland meer zelfvoorzienend moeten maken en daar levert dit maatregelenpakket een grote bijdrage aan. Ook zijn de kosten die gepaard gaan met het circulair maken van waterprocessen enorm en niet enkel te dragen door de sector of de provincie Zeeland. Schatting vooronderzoek: €300.000 - €500.000 Kosten die gemoeid zijn met de implementatie van het maatregelenpakket volgen mede uit het vooronderzoek, maar worden n.a.v. gesprekken met de Zeeuwse industrie op €75.000.000,-- - €100.000.000,--. Transitiefonds en private co financiering
Dekkingsvoorstel planuitwerking Indicatieve kostenraming Op basis van verkennende gesprekken met de Zeeuwse industrie wordt de investering navolgende realisatie geschat op €75.000.000,-- - €100.000.000,--. Indicatief dekkingsvoorstel Transitiefonds en private co financiering navolgende realisatie Verhouding tot indicatief budget voor realisatie van het gehele gebiedsprogramma (totaal maatregelpakketten) Risico’s en 1. Commitment en samenwerking in orde houden -> intentieverklaring en beheersmaatregelen samenwerkingsovereenkomst.
2. Concurrerende belangen -> transparant proces (bv. door een werkgroep, stuurgroep e.d.) 3. Vergunningen en overige processen -> aan de voorkant van het proces meenemen en bespreekbaar maken met bevoegde autoriteiten. Aanpak met planning en mijlpalen Aanpak
-
Planning met mijlpalen en afronding planuitwerking
-
Indicatieve planning met mijlpalen en afronding realisatie
-
Intentieverklaring om mee te werken aan dit proces 2024 Informatie over de watervraag en de prognose richting 2050 op orde hebben 2024 Discussie over de resultaten, belangenafweging en het doel helder op papier zetten 2025 Bestuurlijke commitment uit te spreken op basis van de verzamelde informatie en de belangenafweging. 2025 Samenwerkingsovereenkomst opstellen 2025 Uitvoeren van projecten die bijdragen aan het geformuleerde doel 2026 Intentieverklaring om mee te werken aan dit proces 2024 Informatie over de watervraag en de prognose richting 2050 op orde hebben 2024 Discussie over de resultaten, belangenafweging en het doel helder op papier zetten 2025 Bestuurlijke commitment op basis van de verzamelde informatie en de belangenafweging. 2025 Samenwerkingsovereenkomst opstellen 2025 Uitvoeren van projecten die bijdragen aan het geformuleerde doel 2026
67
Bijlage 5 Maatregelpakket natuur N1 t/m N4 N 1. Bos buiten het Natuurnetwerk Zeeland Aanvraag Rijksbijdrage voor beslissing tot start planuitwerking Algemene informatie aanvraag Naam Hoofdaanvrager incl. contactgegevens Deelnemende partijen
Gebied /locaties
Samenvatting
Bos buiten het Natuurnetwerk Zeeland Provincie Zeeland Marnix van Driel (mal.van.driel@zeeland.nl, 06-25726730) Grondeigenaren (o.a. agrarisch ondernemers, landgoedeigenaren) Terreinbeherende organisaties Provincie Zeeland Waterschap, Rijkswaterstaat Zeeuwse gemeenten De maatregel voor bos heeft betrekking op alle Landelijk gebied in de provincie Zeeland. Inclusief, verschillend op het gebied van impact, de deelgebieden: Kop van Schouwen Manteling van Walcheren Grenspark Groot Saefthinge North Sea Port District Veerse Meer In Zeeland is de opgave voor meer bos en houtige elementen reeds enkele jaren geleden ingezet middels De Zeeuwse Bosvisie3 en het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied4. De Zeeuwse Bosvisie is een regionale vertaling van de Nationale Bossenstrategie, vanuit een landschappelijke en ecologische ruimtelijke insteek welke met alle relevante partners is vormgegeven. In Zeeland kennen we zowel klei- als zandbodems. De Bosvisie heeft als doel vanuit het landschap geredeneerd kansrijke gebieden te duiden voor bosontwikkeling. Wij beschouwen alle opgaande, houtige beplantingen als bos. Dit is een vrij brede definitie van bos. Zeeland heeft nu circa 4.100 ha bos, maar kenmerkt zich op veel plekken door een open landschap.
Toch zijn bomen en struiken sterk bepalend voor het karakter van het Zeeuwse landschap, zoals hagen, weg- en dijkbeplantingen, duinbossen, knotwilgen en hakhoutsingels. De opgave betreft: Bos binnen het Natuurnetwerk Zeeland (205 ha) Bos buiten het Natuurnetwerk Zeeland (205 ha) Boscompensatie Revitalisering bestaand bos
Kosten en dekking (kort) Bijlagen
3 4
Deze maatregel richt zich op het ‘Bos buiten het Natuurnetwerk Zeeland (205 ha)’ Transitiefonds: € 29.292.500 Provincie Zeeland: € 1.000.000 Hieronder is aangegeven welke bronnen mede als basis dienen: De Zeeuwse Bosvisie Nationale Bossenstrategie
De Zeeuwse Bosvisie, Provincie Zeeland, 2020 Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030, Provincie Zeeland, 10 juni 2021
68
Opgaven/probleemanalyse en te bereiken doelen Analyse provinciale/ gebiedsopgaven NPLG
Door de Bossenstrategie uit te voeren via het NPLG, kunnen integrale keuzes worden gemaakt in de gebiedsplannen, met het oog op natuur, water en klimaat. De provincies wordt nu gevraagd om in de gebiedsprogramma’s te verankeren waar deze bossen moeten komen, welke bostypen dat moeten zijn om optimaal bij te dragen aan de VHRopgave voor bos en waar verdere maatregelen worden getroffen ter revitalisering. Bos buiten het Natuurnetwerk Zeeland (205 ha) Juist in het landelijk gebied, dorpen en steden willen we opgaven koppelen en kijken naar een multifunctioneel gebruik van de ruimte. Bossen en houtige landschapselementen zijn veelzijdig en dragen – naast biodiversiteit en koolstofopslag – bij aan maatschappelijke doelen zoals leefbaarheid, klimaatadaptatie, houtproductie en recreatie. De Zeeuwse Bosvisie geeft hier landschappelijk richting aan. Voor de aanleg van bomen en bos buiten het NNZ gaan we er dan ook vanuit dat bossen moeten passen bij de Zeeuwse Bosvisie en bossen geen onderdeel worden van het Natuurnetwerk Zeeland.
Doel planuitwerking (in welke nog ontbrekende informatie / procedurele stappen te voorzien) Meekoppelkansen
Projecten
Tevens liggen er vanuit de stikstofproblematiek kansen voor inrichting van multifunctionele zones met houtige landschapselementen rondom natuurgebieden. De mogelijke aankoop van percelen om de kwetsbare Natura2000 gebieden te beschermen biedt kansen voor de aanleg van ‘natte bossen op klei’, waarvan we er zeer weinig hebben in Nederland, met een grote natuurwaarde.5 Planuitwerking voor verwerving en/of inrichting van de 205 ha Natuur; beperken van de stikstofdepositie, verrijken van de biodiversiteit Water; klimaatadaptieve inrichting, gezonde bodem Klimaat; vastleggen van CO2 Intrinsieke kwaliteiten; Versterken van de landschapskarakteristiek Verbeteren van landschappelijke inpassing Versterken recreatieve uitloopmogelijkheden en -opvangcapaciteit van het landschap En daarbij behorende meekoppelkansen; Leefbaarheid en gezondheid Cultuurhistorie en erfgoed Houtproductie en circulariteit Agrarische transitie en kringlooplandbouw Nuttige insecten Projecten waarbij percelen (205 ha) buiten het natuurnetwerk worden getransformeerd naar bos in lijn met de Zeeuwse Bosvisie. Dit betreft afwaardering, inrichting, aanplant en beheer.
Oplossingsrichtingen, doelbereik en (sociaaleconomische) effecten Maatregelen, instrumenten
5
Voor de invulling van bos buiten het Natuurnetwerk zien we de volgende kansen: Landschapselementen en erfbeplanting Dorps- en stadsbosjes Bossen in multifunctionele zones Agroforestry/boslandbouw Voedselbossen Kwaliteitsimpuls Duurzame houtproductie Vergroenen bedrijventerreinen Ondersteuning (kennis, netwerk, advies, aanspreekpunt)
De Zeeuwse Bosvisie, Provincie Zeeland, 2020
69
Doelbereik (in verhouding tot het gebiedsprogramma) Onderbouwing
Natuur; beperken van de stikstofdepositie, verrijken van de biodiversiteit Water; klimaatadaptieve inrichting, gezonde bodem Klimaat; vastleggen van CO2 PM
Besluitvorming en daarbij betrokken partijen Beschrijving partijen, rollen en verantwoordelijkheden
Te doorlopen procedures en besluitvorming
Participatie en betrokkenheid democratische vertegenwoordigingen
-
Grondeigenaren (o.a. agrarisch ondernemers, landgoedeigenaren) Terreinbeherende organisaties Provincie Zeeland Waterschap, Rijkswaterstaat Zeeuwse gemeenten Provincie bespreekt mogelijke maatregelen in gebieden. Wat is waar van toepassing en wat is het potentieel van de maatregelen. Dit wordt opgenomen en geactualiseerd in het Gebiedsprogramma. Procedures, vergunningverlening en politieke besluitvorming is van toepassing Bij het inventariseren van de maatregelen voor bos in Zeeland zijn partijen betrokken, o.a. in de Regiodialogen in Zeeland (mrt-mei 2023); In de 5 deelgebieden worden ideeën opgehaald; De eerste aanzet tot maatregelen zijn als onderdeel van het Gebiedsprogramma 0.5 in concept voorjaar 2023 gedeeld met Provinciale Staten.
Financiën en risico’s Onderbouwing rijksbijdrage
Kostenraming planuitwerking
Dit betreft financiering van maatregelen waarbij percelen buiten het natuurnetwerk worden getransformeerd naar bos. Hiervoor wordt een beroep gedaan op het transitiefonds. Ondersteuning in de kosten wordt gevraagd voor: Afwaardering Inrichting Aanplant Beheer Voor deze onderdelen is per hectare een bedrag van € 125.000 benodigd. Uitgaande van 205 ha komt dit neer op eenmalig afgerond € 26.000.000 euro. Voor het beheer van deze gronden is € 500 per ha benodigd. Uitgaande van de looptijd t/m 2030 (7 jaar) betreft dit een bedrag van jaarlijks € 102.500 en totaal € 717.500.
Maatregel bos buiten het natuurnetwerk (205ha) Kosten realisatie excl. btw Afwaardering € 25.625.000 Inrichting Aanplant Beheer € 717.500 Kosten € 26.342.500 Plankosten € 3.950.000 Totaal € 30.292.500 Dekkingsvoorstel In de Najaarsnota 2021 van de provincie zijn middelen gereserveerd voor invulling van planuitwerking bos buiten het NNZ; voor de resterende jaren 2024 en 2025 tezamen € 1.000.000,-. Vanuit het Transitiefonds resteert een benodigd bedrag van € 29.292.500,-. Indicatieve kostenraming Uitgaande van (theoretisch) gelijkmatige realisatie (29,3 ha / per jaar) zijn de kosten navolgende realisatie voor realisatie jaarlijks € 4.327.500 voor de periode 2024-2030. Indicatief dekkingsvoorstel Transitiefonds: € 29.292.500 navolgende realisatie - Provincie Zeeland: € 1.000.000 Verhouding tot indicatief PM budget voor realisatie van het gehele gebiedsprogramma (totaal maatregelpakketten)