CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Inkomend - Provincie Zeeland - Zeeuws Gebiedsprogramma 2023 - Deel 3 maatregelpakketten

Informatiebijeenkomst 14 juli 2023, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken36.234 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Kosten en dekking (kort)

Het water heeft primair meerwaarde voor de agrarische sector, maar betere gewasgroei vertaalt zich ook in een efficiëntere nutriëntenopname en daarmee een lagere afstroom naar de sloot. Bovendien zal bij de aanpassing van het watersysteem specifieke aandacht worden gegeven aan groenblauwe dooradering van het gebied, om parallel aan de agrarische meerwaarde ook KRW-meerwaarde te creëren. Dit aanvullende aspect behoeft, meer dan de wateraanvoer zelf, een nadere analyse. De technische mogelijkheid van de waterdoorvoer is onderzocht en indicatief op kosten gesteld door Witteveen+Bos. De SSK-kostenraming van de voorkeursvariant sloot op € 22 miljoen, met daarbij aangetekend dat de ramingen vooral tot doel hadden verschillende varianten met elkaar te kunnen vergelijken en expliciet niet om een budgetaanvraag op te baseren. De kosten voor groenblauwe dooradering zijn hier bovendien niet in meegenomen. Een reservering van € 40 miljoen voor de aanleg lijkt realistisch.

27

Bijlagen

Voor de regionale publieke financiering zijn primair gemeente Reimerswaal en provincie Zeeland in beeld, met mogelijk enige ondersteuning van waterschap Scheldestromen. Die laatste organisatie zal uiteraard nauw betrokken zijn bij de aanleg. Daarnaast zullen de gebruikers zelf bijdragen. Eerst en vooral zullen zij de jaarlijkse gebruikskosten dekken, maar daarnaast zijn zij bereid bij te dragen aan de aanleginvestering. De investering is echter zodanig groot dat die de draagkracht van de regio (ver) te boven gaat. Omwille van de verwachte positieve effecten op de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit, sluit de maatregel goed aan bij de NPLG-doelstellingen, wat een rijksbijdrage verantwoordt. Eindrapport schetsontwerp van Witteveen+Bos1. De voorkeursvariant van alle betrokken partijen is B-3m3/s, zodat dat het meest logische ontwerp is waarop verder gewerkt kan worden.

Opgaven/probleemanalyse en te bereiken doelen Analyse provinciale/ gebiedsopgaven NPLG

Gemeente Reimerswaal is een overwegend agrarische gemeente met een nadruk op akkerbouw. De stikstofemissies naar de lucht van puntbronnen in het gebied zijn bescheiden in aantal en omvang. De afstroom van nutriënten in hun geoxideerde vorm naar het watersysteem is wel significant en een stressfactor voor de waterkwaliteit. Een goede watersituatie draagt bij aan een betere groei en dus betere nutriëntenopname. Aldus verlaagt watervoorziening de emissies daarvan naar het watersysteem. In aanvulling op de verminderde afstroom zal de groenblauwe maatregelinrichting van het “nieuwe” watersysteem bijdragen de waterkwaliteit te verhogen. Doelbereik NPLG Zoals hierboven toegelicht, draagt de maatregel bij aan vermindering van de nutriëntenafstroom (m.n. stikstof) naar het watersysteem. Uit analyses blijkt dat de procentuele vermindering van de wateremissies voor de meest gangbare gewassen in het klassieke Zeeuwse bouwplan zo’n 20-40% bedraagt, wat neerkomt op enkele tientallen kilo’s per hectare. Daarnaast beoogt de maatregel de water- en ecologische kwaliteit te verbeteren door gerichte groenblauwe dooradering. Dit effect op voorhand kwantificeren is onrealistisch. Eventuele wijzigingen ten N.v.t.

opzichte van gebiedsprogramma Meekoppelkansen In het kader van stikstoffocus van het NPLG kan de agrarische productiestimulering als meekoppeling worden beschouwd, maar voor de agrarische sector is de verhouding juist andersom. Hoe dan ook, versterking van de landbouwcondities is een overduidelijk affect van deze maatregel. Projecten De maatregel bestaat grofweg uit een hoofdmoot gericht op doorspoeling van het gebied met extern zoet water en een nevendeel dat zich richt op het creëren van ecologische meerwaarde. In de uitvoering zal echter sprake zijn van één project.

Oplossingsrichtingen, doelbereik en (sociaaleconomische) effecten Maatregelen, instrumenten en output

Doelbereik (in verhouding tot het gebiedsprogramma) Onderbouwing

Zoals beschreven in de bijlage moeten sloottrajecten (in verschillende dimensioneringen) worden verbreed over een lengte van ongeveer 60 km. In aanvulling daarop moet ook een 130-tal duikers worden vernieuwd, het bestaande gemaal worden vergroot, een nieuw inlaapunt worden ingericht en enkele nieuwe passages van regionale wegen worden aangelegd.

Zoals hierboven reeds opgemerkt: omwille van de verwachte positieve effecten op de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit, sluit de maatregel goed aan bij de NPLGdoelstellingen, zodat een bijdrage uit het Transitiefonds goed te verantwoorden is.

1

https://scheldestromen.nl/sites/scheldestromen.nl/files/Presentatie%20informatieavond%20Reigerbergsche %20polder%2018%20augustus%202022.pdf

28

Alternatieven qua versterking van de zoetwatersituatie bestaan uit maatrelen om water te bergen en/of water efficiënter te benutten. In de praktijk komt dit neer op zelfvoorzienendheid, waar gebieden zonder aanvoer toe zijn veroordeeld. Eigenlijk vormt gemeente Reimerswaal één van de weinige gebieden in Zeeland waar uitbreiding van de externe zoetwateraanvoer realistisch is, zonder dat dat de watervraag aan het riviersysteem zal vergroten. Om die reden worden dit geval alleen technische alternatieven beschouwd, zoals in de bijlage is gedaan.

Besluitvorming en daarbij betrokken partijen Beschrijving partijen, rollen en verantwoordelijkheden

De uitvoering zal worden geleid door waterschap Scheldestromen, als beheerder van het watersysteem. Het waterschap is eerder opdrachtgever geweest voor de technische verkenning door Witteveen+Bos en heeft zich inhoudelijk gecommitteerd aan dit project. Gemeente Reimerswaal en provincie Zeeland zijn beide betrokken geweest bij deze verkenning en bereid tot cofinanciering van de aanleg. Via enquêtes van de ZLTO hebben de boeren in het gebied hun betrokkenheid gemeld en ook zij zich bereid verklaard tot een financiële bijdrage. Die is eerst en vooral gericht op het dragen van de beheerkosten, maar ook willen zij bijdragen in de aanleginvestering. Afgeronde procedures en Vooralsnog is van afgeronde procedures geen sprake, daarom is dit een voorstel voor besluitvorming planuitwerking. Momenteel ligt de focus daarbij op de groenblauwe dooradering. Parallel worden de financieringsopties onderzocht, waarbij het transitiefonds een cruciale positie inneemt. Zodra er reëel zicht is op bekostiging van de aanleg, zullen het projectontwerp en de kostenraming nader worden uitgewerkt om tot een definitief ontwerp te komen en met de betrokkenen in het gebied afspraken te maken over de bereidheid om land te verkopen opdat de noodzakelijke verruiming van het slotenstelsel ook daadwerkelijk gerealiseerd kan worden.

Participatie en De verkenning door Witteveen+Bos is weliswaar uitgevoerd in opdracht van waterschap betrokkenheid Scheldestromen, maar de verkenning is er gekomen op verzoek van de ZLTO. Die democratische organisatie heeft ook de begeleidingsgroep voor de verkenning getrokken en hier een vertegenwoordigingen groep vertegenwoordigers vanuit de landbouwsector actief bij betrokken. De inbreng van terreinbeherende organisaties in de regio is tot nu toe bescheiden geweest, omdat de verkenning sterk agrarisch georiënteerd was. In de huidige verkenning naar de opties voor groenblauwe dooradering worden zij uiteraard wel nauw betrokken.

Financiën en risico’s Onderbouwing rijksbijdrage Kostenraming Dekkingsvoorstel

De aanleg zal hoe dan ook enkele tientallen miljoenen euro’s kosten, een bedrag dat voor de regio te hoog is om uit eigen middelen te kunnen inzetten. De enige tot nu toe beschikbare kostenraming is die van Witteveen+Bos uit de bijlage. Voor de rijksfinanciering wordt gedacht aan het Transitiefonds, vanwege het positieve stikstofeffect van de watervoorziening en de expliciete waterkwaliteitsdoelstelling. Ook het Deltafonds zou thematisch in aanmerking komen, maar lijkt om twee redenen minder geschikt. Ten eerste is er pas vanaf 2028 nieuw budget beschikbaar en ten tweede is het beschikbare budget in de eerste twee fasen van het Deltafonds voor zoetwatermaatregelen niet zodanig geweest dat daaruit dit soort investeringen kunnen worden gedaan. De beschikbare cofinanciering vanuit de regio is nog niet gespecificeerd. De overheden en betrokken agrariërs hebben alleen financieringsbereidheid gemeld. De structurele (beheer)kosten zijn in de verkenning geraamd op € 410.000 per jaar en de dekking daarvan zal volledig voor rekening komen van de boeren in het gebied, waarvoor zij zelf een verrekeningssystematiek zullen uitwerken.

Verhouding tot indicatief budget voor realisatie van het gehele gebiedsprogramma (totaal maatregelpakketten) Risico’s en Nog niet goed in te schatten. Grondverwerving is in dit soort gevallen vaak een risico, beheersmaatregelen maar geldt hier als randvoorwaarde voor uitvoering.

29

Aanpak met planning en mijlpalen Aanpak

Planning met mijlpalen en afronding

De uitvoering van de wateraanvoer is op zich vrij eenvoudig en van het soort waarmee het waterschap uitgebreide ervaring heeft. De aanlegroute zal van oost naar west plaatsvinden, dus van bron naar voorzieningsgebied. De groenblauwe dooradering zal waarschijnlijk veel overeenkomst hebben met inrichting van natuurvriendelijke oevers, en ook daarmee is het waterschap vertrouwd. Ook de planning is nog niet vastgesteld. De voornaamste bepalende factor lijkt de financiering te zijn, want zoals al opgemerkt is de uitvoering redelijk recht toe recht aan. In de verkenningsfase is een aanlegtermijn van enkele jaren als realistisch aangemerkt.

30

W3. Ondergrondse opslag Aanvraag Rijksbijdrage voor beslissing tot start planuitwerking Algemene informatie aanvraag Naam Hoofdaanvrager incl. contactgegevens Deelnemende partijen Gebied /locaties

Samenvatting

Grootschalige ondergrondse zoetwateropslag Provincie Zeeland Vincent Klap (va.klap@zeeland.nl, 06-28904163) Waterschap Scheldestromen, gemeenten, lokale boeren. Niet eenvoudig geografisch te duiden, maar verspreid over de hele provincie zijn er veel plekken waar de omstandigheden voor opslag gunstig zijn. In algemene termen domineren twee aspecten de kansrijkheid, t.w. (i) de aanwezigheid van een matig doorlatende (kleiige) deklaag boven een watervoerend (grofzandig) pakket en (ii) voldoende zoet bronwater. De kern van de Zeeuwse zoetwateropgave in de gebieden zonder externe aanvoer bestaat uit het overbruggen van de periode tussen natuurlijke overvloedige aanwezigheid en tekort. Gemiddeld is er in Zeeland (net als in heel Nederland) op jaarbasis sprake van een neerslagoverschot, maar lopen aanbod en vraag uit fase. De verwachting is dat het overschot op jaarbasis onder invloed van klimaatverandering in stand blijft, maar dat de onbalans tussen zomer en winter verder zal groeien. Dat maakt de opgave uit de eerste zin alleen maar groter. De opgave vertoont veel gelijkenis met die van de energietransitie waarbij de grote opgave er ook uit bestaat de verschillen tussen vraag en aanbod te slechten. In beide gevallen is er behoefte aan opslagcapaciteit en die neemt in het geval van water meer ruimte in dan die van energie.

Als we de opties voor opslag langslopen dan biedt bovengrondse opslag in kunstmatige bassins op het land vooral op bedrijfsniveau perspectief, maar is het geen opslagvorm met veel potentie op grotere schaal. Een tweede optie is het oppervlaktewatersysteem. Dat beslaat ongeveer 2% van het Zeeuwse oppervlak en is daarmee in kwantitatieve zin bescheiden. De benutbare waterschijf is bovendien klein, ordegrootte decimeters, vanwege interactie met de omgeving. Daar komt bovenop dat het systeem vaak van nature behoorlijk zout is, waardoor het zich diskwalificeert voor zoetwaterberging. Al met al is berging in het oppervlaktewatersysteem haalbaar, maar kwantitatief marginaal. De ondergrond biedt een derde mogelijkheid voor zoetwateropslag. Nadeel hiervan is dat, anders dan bij bassins of oppervlaktewatersystemen, water niet de volledige ruimte kan vullen. Grofweg bestaat 30-40% van de zandige ondergrond uit porieruimte, die zich kan vullen met water. Omdat het oppervlak veel groter is dan dat van oppervlaktewater, biedt de ondergrond een veel grotere bergingscapaciteit. Binnen de categorie ondergrondse opslag zijn twee principieel verschillende opties te onderscheiden. De eerste is die waar zich van nature al zoetwaterbellen hebben gevormd. De deklaag in dit soort gebieden is doorlatend, zodat regenwater gemakkelijk de grond in kan zijgen.

Het betreft in Zeeland ofwel dekzandgronden of kreekruggen. Voordeel is dat het aanwezige grondwater vaak al tot een diepte van 20 beneden maaiveld zoet is, maar daar staat als nadeel tegenover dat grote toevoer in korte tijd tot ongewenste en mogelijk schadelijke grondwaterpeilverhoging tot aan het maaiveld leidt. Dat limiteert de opslagcapaciteit van dergelijke ondergronden veelal tot een of enkele decimeters peilverhoging. De tweede ondergrondse opslagoptie situeert zich in gebieden waar zich van nature geen zoetwatervoorraden hebben gevormd, omdat de deklaag te slechtdoorlatend is. De kleiige bovenlaag verhindert natuurlijk inzijging in het grofzandige pakket eronder. Dat nadeel wijzigt echter in een voordeel wanneer water wordt geïnfiltreerd in het watervoerende pakket onder de kleilaag. Men spreekt van Aquifer Storage & Recovery

31

Kosten en dekking (kort)

Bijlagen

(ASR). In dat geval vertaalt de watertoevoer zich namelijk niet of veel minder in een grondwaterpeilverandering. Voorwaarde is dat water vanaf het maaiveld door de kleilaag heen in een watervoerend pakket wordt ingebracht, maar de opslagcapaciteit van zo’n pakket is in de meeste gevallen een tot twee ordes groter dan bij bovenbeschreven optie. In kwantitatieve zin biedt deze opslagoptie onder een afdekkende kleilaag de grootste capaciteit en daarmee is het de optie met de hoogste ruimtelijke efficiëntie. Het onderscheidt tussen de twee ondergrondse opslagopties geldt ook bij onttrekking, want grootschalige onttrekking aan een kreekrug leidt tot een grote grondwaterstandsverlaging daar waar dat effect bij ASR verwaarloosbaar is. Het ultieme doel van dit soort opslag is om winterse neerslag maximaal te infiltreren. Dat heeft als prettige bijkomstigheid dat de afvoer via het oppervlaktewatersysteem fors gereduceerd kan worden, wat vanuit het oogpunt van kwantitatief beheer kosterdrukkend is. Momenteel vindt haalbaarheidsonderzoek plaats naar grootschalige ASR, waaruit de infiltratie- en onttrekkingscapaciteit van grondwaterputten zal moeten blijken. Aan de hand hiervan kan het benodigde aantal putten per oppervlakte-eenheid worden bepaald en daarmee de kosten. Deze pilot met de naam Wolphaartswater wordt mede door het Deltafonds gefinancierd.

Ook heeft het Rijk een bijdrage van € 1,25 miljoen uit het Deltafonds toegezegd aan de infiltratiefase die hopelijk volgt na het haalbaarheidsonderzoek. Dit format voor planuitwerking heeft dus geen betrekking op deze pilot Wolphaartswater, maar op de hopelijke spin-off daarvan. Als deze pilot namelijk een succes blijkt te zijn, dan biedt deze aanpak op meer plekken in Zeeland kansen. Maar in al die gevallen zullen waarschijnlijk significante investeringen nodig zijn om benutbare zoetwaterbellen te vormen. Dat zorgt voor regionale robuuste zoetwatersituaties en draagt bij aan de leefbaarheid van het Zeeuwse platteland en komt daarmee naar onze mening in aanmerking voor rijkssteun. Zolang de pilot Wolphaartswater niet is afgerond, kunnen de kosten niet realistisch geraamd worden. Hoewel het nog slechts een tussenrapportage betreft op basis van openbaar beschikbare ondergrondsmodellen en een beperkt aantal meetgegevens uit het proefgebied, is een beschrijving van de proef Wolphaartswater in bijlage bijgevoegd.

Opgaven/probleemanalyse en te bereiken doelen Analyse provinciale/ gebiedsopgaven NPLG

Deze maatregel heeft vooral agrarische meerwaarde in het kader van volhoudbare landbouw, omdat hij potentieel gebieden die van nature verstoken zijn van zoet water, kan voorzien van substantiële ondergrondse zoetwatervoorraden. Daarnaast heeft een adequate zoetwatervoorziening een algemeen positief reducerend effect op de afspoeling van nutriënten van het maaiveld naar het oppervlaktewatersysteem. Doel planuitwerking (in ASR is een bekende en beproefde techniek, maar in de praktijk beperkt tot relatief welke nog ontbrekende kleine voorziening op bedrijfsniveau. Daarin onderscheidt deze maatregel zich, omdat informatie / procedurele hij op een veel groter schaalniveau insteekt en feitelijk beoogt elke beschikbare kuub stappen te voorzien) water in de ondergrond op te slaan. Zoals reeds opgemerkt loopt er momenteel praktijkonderzoek naar de haalbaarheid van deze aanpak. De resultaten van dit onderzoek zijn cruciaal voor de verdere uitwerking richting grootschalige realisatie. Eventuele wijzigingen ten N.v.t. opzichte van gebiedsprogramma Meekoppelkansen De opslag ten behoeve van volhoudbare landbouw staat centraal in dit project. De koppeling met het stikstofdossier zit ‘m in de reductie van nutriëntenafspoeling naar de sloot.

Projecten Als de aanpak gevalideerd wordt in de lopende pilot, zal nauwkeurige inventarisatie van de ondergrond en de beschikbaarheid van zoet bronwater uitwijzen waar opschaling van deze methode kansrijk is.

32

Oplossingsrichtingen, doelbereik en (sociaaleconomische) effecten Maatregelen, instrumenten

Doelbereik (in verhouding tot het gebiedsprogramma) Onderbouwing

De ondergrondse opslag kenmerkt zich door een zeer technische aanpak, waarbij opvang van zoet oppervlaktewater en de daarop volgende zuivering, infiltratie en onttrekking ervan als de belangrijkste componenten gelden. De lopende pilot heeft betrekking op een gebied van > 400 ha waar in potentie een voorraad van 20-50 miljoen m3 kan worden gevormd. Met dit water kunnen de agrarische bedrijven in het plangebied zelf van zoet water worden voorzien, maar wellicht kan het voorzieningsgebied worden opgeschaald. Er zijn meer gebieden in Zeeland met vergelijkbare kenmerken waar dus ook grootschalige ondergrondse opslag mogelijk lijkt te zijn. PM

Alternatieve maatregelen zijn in dit gebied feitelijk niet voorhanden. Dat betekent dat de landbouw zich zonder lokale zoetwatervoorraad zal moeten aanpassen, bv. door andere gewaskeuze, aan een situatie waarin droogte de productie meer zal gaan beperken. In financiële zin is het twijfelachtig of dat nog kan worden aangemerkt als volhoudbare landbouw.

Besluitvorming en daarbij betrokken partijen Beschrijving partijen, rollen en verantwoordelijkheden

Waterschap Scheldestromen is een noodzakelijke partner als grondwaterbeheerder. Daarnaast kan de uitvoering alleen plaatsvinden wanneer ook gemeenten en lokale betrokkenen hun medewerking verlenen. Dat laatste zal niet zo’n probleem zijn, omdat de toegevoegde waarde van zoet grondwater evident is. Te doorlopen procedures Een kritisch vereiste voor de hele aanpak is de waterkwaliteit en het recht om te en besluitvorming infiltreren. Momenteel gelden er erg scherpe regels voor grondwaterinfiltratie. Deze zijn gebaseerd op drinkwaterinfiltratie en vereisen een regelmatige monitoring. Als deze eisen onverkort worden toegepast op infiltratie ten behoeve de landbouw, dan beperkt dat grootschalige ondergrondse opslag enorm en valt deze maatregel de facto af. Het is daarom zeer wenselijk dat in de Omgevingswet een differentiatie wordt doorgevoerd tussen infiltratie t.b.v. drinkwaterbereiding en die van andere functies. Participatie en In de pilot Wolphaartswater zijn tot nu toe slechts de gemeente (Goes), onderzoekers betrokkenheid van het kennisbureau KWR, de direct betrokken boeren en de provincie betrokken. democratische Waterschap Scheldestromen is op de hoogte en levert watergegevens, maar is niet vertegenwoordigingen actief betrokken wegens capaciteitstekort.

Financiën en risico’s Onderbouwing rijksbijdrage

Kostenraming2 planuitwerking Dekkingsvoorstel planuitwerking Indicatieve kostenraming navolgende realisatie

Voor de huidige pilot is een budget van € 3 miljoen beschikbaar voor de aanleg van infiltratieputten en de monitoring van de zoetwatervoorraad. Het valt nu niet in te schatten of dat budget volstaat. Dat geldt uiteraard ook voor vervolgprojecten, waarbij wel mag worden aangenomen dat de kennis van het eerste project kostenreducerend zal kunnen zijn voor vervolgprojecten, maar waar het basiskostenniveau per volumeeenheid op uit zal komen, valt nog niet te becijferen. Uitvoering van een dergelijke pilot is zo’n € 1.500.000,-. Uitgangspunt is 5 andere projecten uit te gaan voeren. Totaal transitiefonds: € 7.500.000,Deze en volgende vakken zijn nog even niet ingevuld, alweer omdat de huidige pilot afgerond moet zijn om deze ramingen deugdelijker te kunnen maken.

33

Indicatief dekkingsvoorstel navolgende realisatie Verhouding tot indicatief budget voor realisatie van het gehele gebiedsprogramma (totaal maatregelpakketten) Risico’s en Indien de infiltratie als zodanig goed verloopt, is het voornaamste risico een beheersmaatregelen tekortschietende waterkwaliteit waardoor infiltratie verboden is.

Aanpak met planning en mijlpalen Aanpak Planning met mijlpalen en afronding planuitwerking

Het huidige haalbaarheidsonderzoek zal in het najaar van 2023 worden afgerond, waarna (hopelijk) een stelsel infiltratieputten zal kunnen worden aangelegd. Hoewel er vast enkele jaren nodig zijn voordat de watervoorraad voldoende groot is om aan te kunnen onttrekken, zal wellicht in 2025 wel duidelijk zijn of de aanpak functioneel is. Dat kan worden bestempeld als mijlpaal voor het besluit over opschaling naar andere locaties.

Indicatieve planning met mijlpalen en afronding realisatie

34

W4. Regelbare drainage Aanvraag Rijksbijdrage voor beslissing tot start realisatie Algemene informatie aanvraag Naam Regelbare drainage: meer zoet water bergen in de bodem Hoofdaanvrager incl. Provincie Zeeland i.c.m. Waterschap Scheldestromen contactgegevens Martijn van Kalmthout (martijn.vankalmthout@scheldestromen.nl, 06-51228742) André van de Straat, (aa.vande.straat@zeeland.nl, 06-21124824) Deelnemende Waterschap Scheldestromen en Provincie Zeeland partijen Gebied /locaties Dit project is van toepassing op heel Zeeland Samenvatting Zeeland, Land in Zee Zeeland is niet zomaar een kustprovincie; hier ligt het land IN zee. Met een kustlijn van 650 kilometer is het water overal en rondom. Die unieke ligging brengt ons veel voordelen, maar heeft ook een keerzijde. De invloed van het zoute water is in de hele provincie merkbaar. De zoete neerslag blijft als een dun laagje op de zoute ondergrond drijven en verdwijnt al snel uit het systeem. Met een landbouwsector die 75% van het grondgebruik uitmaakt en die voor de productie afhankelijk is van zoet water is dat een probleem. Onze binnenwateren zijn vrijwel overal brak tot zout, waardoor het water niet bruikbaar is voor beregening in de landbouw. Omdat aanvoer van water geen vanzelfsprekendheid is, moet zoet neerslagwater zo goed mogelijk benut worden.

In bijna de helft van de provincie bevindt de overgang tussen zoet en zout grondwater zich op minder dan 5 meter beneden het maaiveld. Met een stijgende zeespiegel en een toenemende verdamping in de zomerperiode dreigt die grens zodanig dicht in de buurt van de wortelzone van gewassen te komen, dat de landbouwproductie ernstig in gevaar komt. Alle reden dus om te zoeken naar mogelijkheden om de kweldruk van het zoute zeewater te beperken, de neerslag vast te houden en de aangroei van zoetwaterlenzen te bevorderen. De diepteligging van de zoetzoutgrens is daar waar de druk van het bovenliggende zoete en onderliggende zoute grondwater in evenwicht zijn. Een toenemende druk van onderaf (kwel) leidt tot een ondieper grensvlak (meer zoute invloeden) en een toenemende druk van bovenaf (hogere grondwaterstanden) tot een dieper liggend grensvlak. Omgekeerd geldt hetzelfde: afnemende kweldruk leidt tot een dieper grensvlak en lagere grondwaterstanden tot een ondieper grensvlak. In ons maatregelenprogramma richten we ons op beide aspecten: zowel het beperken van de zoute kwelinvloed als het bevorderen van infiltratie van zoet water.

Maatregelen die daarvoor in aanmerking komen, zijn:  Regelbare drainage (Stimuleren infiltratie)  Kwelscherm of -zone (Beperken kwel)  Aangepast waterbeheer (Beide) Dit project richt zich op het eerste punt: een stimuleringsregeling voor het aanleggen van regelbare drainage gericht op het vasthouden en infiltreren van zoet neerslagwater. De laatste twee zijn verder uitgewerkt onder het format planuitwerking. Traditionele drainage wordt standaard op ca. 100cm beneden maaiveld aangelegd en reguleert de grondwaterstand op dat niveau. Zodra de grondwaterstand boven drainniveau komt, wordt het grondwater afgevoerd. Ten opzichte van een situatie zonder drainage komt

35

de gemiddelde grondwaterstand daardoor een stuk lager te liggen (wat een negatieve invloed op de diepteligging van het zoet-zoutgrensvlak heeft). Regelbare drainage is een vorm van bodemdrainage waarbij de afvoer van water uit de bodem via drainagesystemen wordt gereguleerd door middel van een instelbaar afvoerniveau. Met regelbare drainage kan de grondwaterstand, afhankelijk van de behoefte, worden ingesteld op een niveau tussen de drain en het maaiveld. Het is dus een manier om de waterhuishouding in landbouwgronden te beheren en de waterstand in de bodem te reguleren. Met regelbare drainage kan beter water vastgehouden worden in de bodem doordat het afvoeren van water uit de bodem gecontroleerd en vertraagd wordt. Dit zorgt ervoor dat er meer tijd is voor infiltratie van water in de bodem en dat de grondwaterstand geleidelijker verandert. Hierdoor wordt het mogelijk om de grondwaterstand hoger te houden in perioden van droogte en langer water vast te houden in de bodem. Dit is niet alleen gunstig voor de vochtvoorziening van gewassen (minder stikstofverliezen) op de percelen zelf, maar kan ook leiden tot minder verdroging van natuurgebieden. Het toepassen van regelbare drainage kan een bijdrage leveren aan de doelen van het gebiedsplan NPLG op verschillende manieren.

Ten eerste kan het bijdragen aan het verhogen van de gemiddelde grondwaterstand, waarmee enerzijds de vochtvoorziening van gewassen verbeterd en stikstofverliezen verminderd worden en anderzijds de infiltratie van zoet water vergroot wordt. Ook helpt het bij het verminderen van verdroging van natuurgebieden, wat één van de belangrijkste doelen is van het plan. Door de grondwaterstand gemiddeld hoger te houden, wordt voorkomen dat kwetsbare natuur verdroogt en kan het ecosysteem beter functioneren.

Kosten en dekking (kort)

Bijlagen

Daarnaast kan regelbare drainage bijdragen aan het verminderen van uitspoeling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen (KRW). Omdat er een laag grondwater boven de drain staat als de afvoer op gang komt, wordt een groter deel dieper grondwater afgevoerd dat minder verontreinigingen bevat. Meststoffen in het bovenste grondwater kunnen vervolgens alsnog door de planten worden opgenomen. Het draineren van een perceel valt onder verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar. Dit project dient ter stimulering van het aanleggen van regelbare drainage ter vervanging van de bestaande drainage. Het aanleggen van regelbare drainage is ongeveer 1500 € per hectare duurder dan traditionele drainage. Uitgaande van realisatie van 2.500 ha/jaar en vergoeding van 2/3 deel van de meerkosten, is een bijdrage van €2.500.000 / jr nodig. Nog geen bijlagen beschikbaar.

Opgaven/probleemanalyse en te bereiken doelen Analyse provinciale/ gebiedsopgaven NPLG

Doel is om de potentie van zoetwaterbeschikbaarheid in Zeeland te vergroten. Dit heeft invloed op de hieronder genoemde gebiedsopgaven:  versterken biodiversiteit. Verdroging en verzilting zijn slecht voor onze biodiversiteit  verminderen stikstofdepositie. Het gebiedsplan geeft aan dat een gezonde plant beter in staat is stikstof te binden, daarvoor is zoet water onontbeerlijk  klimaatadaptatie: Een betere zoetwaterbeschikbaarheidsstrategie maakt Zeeland weerbaarder tegen hitte en droogte, door het beter kunnen benutten van de sponswerking van de bodem is Zeeland beter bestand tegen extremere weerbeelden  met een gemiddeld hogere grondwaterstand wordt de invloed van zoute kwel beperkt en de zoete grondwatervoorraad vergroot  stimuleren duurzame landbouw: voor een duurzame landbouw is zoet water nodig. De meest duurzame manier van het omgaan met zoet water is het vergroten van de potentie die de bodem hierin kan bieden.

36

Doelbereik NPLG

Met regelbare drainage:  wordt de uitspoeling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen beperkt wat van belang is voor de realisatie van de waterkwaliteitsdoelstellingen (KRW).  kan een gemiddeld hogere grondwaterstand gerealiseerd worden wat de droogteschade en de behoefte aan wateraanvoer kan beperken en de zoete grondwatervoorraad kan vergroten (klimaat).  kan de verdroging van natuurgebieden worden beperkt (natuur en klimaat)  kunnen stikstofverliezen beperkt worden door een betere gewasgroei (stikstof en KRW) Eventuele wijzigingen ten N.v.t. opzichte van gebiedsprogramma Meekoppelkansen Slimme drainage heeft voordelen op de bedrijfsvoering op perceelsniveau. Projecten Het project bestaat uit een Zeelandbrede stimuleringsregeling.

Oplossingsrichtingen, doelbereik en (sociaaleconomische) effecten Maatregelen, instrumenten en output Doelbereik (in verhouding tot het gebiedsprogramma)

Onderbouwing

De stimuleringsregeling draagt bij aan het adopteren van een nieuwe en betere drainagetechniek in Zeeland. [Zie ook onder 2] Met regelbare drainage:  wordt de uitspoeling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen beperkt wat van belang is voor de realisatie van de waterkwaliteitsdoelstellingen (KRW).  kan een gemiddeld hogere grondwaterstand gerealiseerd worden wat de droogteschade en de behoefte aan wateraanvoer kan beperken en de zoete grondwatervoorraad kan vergroten (klimaat).  kan de verdroging van natuurgebieden worden beperkt (natuur en klimaat)  kunnen stikstofverliezen beperkt worden door een betere gewasgroei (stikstof en KRW) Effect van de maatregel is dat water beter in de bodem bewaard kan blijven en op deze wijze een grote invloed kan hebben op het beter jaarrond beschikbaar houden van water. Op deze manier kan het water vastgehouden en geborgen worden en wordt zo min mogelijk bruikbaar water afgevoerd.

Besluitvorming en daarbij betrokken partijen Beschrijving partijen, rollen en verantwoordelijkheden Afgeronde procedures en besluitvorming Participatie en betrokkenheid democratische vertegenwoordigingen

Financiën en risico’s Onderbouwing rijksbijdrage Kostenraming

Het betreft een stimuleringsregeling voor grondeigenaren/-gebruikers, gecoördineerd door Provincie Zeeland of Waterschap Scheldestromen. Nvt Participatie heeft nog niet gericht plaatsgevonden. Wel wordt regelbare drainage vanuit de KRW-doelstellingen, als onderdeel van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn, via het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) gestimuleerd.

De omvang van het voorgenomen programma maakt dat hier regionaal onvoldoende middelen voor vrijgemaakt kunnen worden. Een aanzienlijke rijksbijdrage is hiervoor noodzakelijk. Het aanleggen van regelbare drainage is ongeveer 1500 € per hectare duurder dan traditionele drainage. Uitgaande van realisatie van 2.500 ha/jaar en vergoeding van 2/3 deel van de meerkosten, is een bijdrage van €2.500.000 / jr nodig (totaal 10 jaar lang). Voor deze kostenraming is ervan uitgegaan dat de gehele oppervlakte akkerbouw (ca. 80.000ha) binnen de vervangingscyclus van ca. 30 jaar overstapt van traditionele op regelbare drainage. Transitiefonds: € 25.000.000,-

37

PM Dekkingsvoorstel Verhouding tot PM indicatief budget voor realisatie van het gehele gebiedsprogramma (totaal maatregelpakketten) Binnen de sector zijn de meningen over regelbare drainage verdeeld. Naast voordelen Risico’s en worden ook nadelen gezien, waardoor uitrol over geheel Zeeland mogelijk niet haalbaar beheersmaatregelen is. Door de ervaringen met regelbare drainage goed te volgen en te delen, kan hierop ingespeeld worden. Met de voorgestelde gefaseerde invoering is tussentijdse bijstelling mogelijk. Dat kan zowel tot uitbouw als afbouw leiden.

Aanpak met planning en mijlpalen Regelbare drainage wordt momenteel al wel via een aantal regelingen Aanpak

Planning met mijlpalen en afronding Gesteld staan voor realisatie

gesubsidieerd, maar dat gaat nog om beperkte oppervlaktes. Voortgang daarvan volgt uit de afwikkeling van de bijdragen. Binnen dit project willen we in kortere tijd meer meters kunnen maken, waardoor de effecten ook echt merkbaar gaan worden. PM PM

38

W5. Slimmer omgaan met zoet water Aanvraag Rijksbijdrage voor beslissing tot start planuitwerking Algemene informatie aanvraag Naam Hoofdaanvrager incl. contactgegevens Deelnemende partijen Gebied /locaties Samenvatting

Zeeuws water in balans: Slimmer omgaan met het zoete water dat Zeeland tot haar beschikking heeft Provincie Zeeland i.c.m. Waterschap Scheldestromen Martijn van Kalmthout (martijn.vankalmthout@scheldestromen.nl, 06-51228742) André van de Straat (aa.vande.straat@zeeland.nl, 06-21124824) Waterschap Scheldestromen en Provincie Zeeland Dit voorstel tot planuitwerking is van toepassing op heel Zeeland Zeeland, Land in Zee Zeeland is niet zomaar een kustprovincie; hier ligt het land IN zee. Met een kustlijn van 650 kilometer is het water overal en rondom. Die unieke ligging brengt ons veel voordelen, maar heeft ook een keerzijde. De invloed van het zoute water is in de hele provincie merkbaar. De zoete neerslag blijft als een dun laagje op de zoute ondergrond drijven en verdwijnt al snel uit het systeem. Met een landbouwsector die 75% van het grondgebruik uitmaakt en die voor de productie afhankelijk is van zoet water is dat een probleem. Onze binnenwateren zijn vrijwel overal brak tot zout, waardoor het water niet bruikbaar is voor beregening in de landbouw. Omdat aanvoer van water geen vanzelfsprekendheid is, moet zoet neerslagwater zo goed mogelijk benut worden. In bijna de helft van de provincie bevindt de overgang tussen zoet en zout grondwater zich op minder dan 5 meter beneden het maaiveld.

Met een stijgende zeespiegel en een toenemende verdamping in de zomerperiode dreigt die grens zodanig dicht in de buurt van de wortelzone van gewassen te komen, dat de landbouwproductie ernstig in gevaar komt. Alle reden dus om te zoeken naar mogelijkheden om de kweldruk van het zoute zeewater te beperken, de neerslag vast te houden en de aangroei van zoetwaterlenzen te bevorderen. De diepteligging van de zoetzoutgrens is daar waar de druk van het bovenliggende zoete en onderliggende zoute grondwater in evenwicht zijn. Een toenemende druk van onderaf (kwel) leidt tot een ondieper grensvlak (meer zoute invloeden) en een toenemende druk van bovenaf (hogere grondwaterstanden) tot een dieper liggend grensvlak. Omgekeerd geldt hetzelfde: afnemende kweldruk leidt tot een dieper grensvlak en lagere grondwaterstanden tot een ondieper grensvlak. In ons maatregelenprogramma richten we ons op beide aspecten: zowel het beperken van de zoute kwelinvloed als het bevorderen van infiltratie van zoet water. Maatregelen die daarvoor in aanmerking komen, zijn:  Regelbare drainage (Stimuleren infiltratie. Direct toepasbaar: zie aanvraag Realisatie)  Kwelscherm of -zone (Beperken kwel)  Aangepast waterbeheer (Beide) Het belang van zoetwaterbeschikbaarheid is verder onderbouwd in het gebiedsplan.

Door aanwezigheid van zoet water worden de groeiomstandigheden voor gewassen verbeterd en kan de stikstofemissie verminderen. Binnen Zeeland proberen we zo slim mogelijk om te gaan met het zoete water dat we tot onze beschikking hebben. Binnen dit plan willen we daarbij de focus leggen op 4 deelonderwerpen, die hieronder zo kort mogelijk uiteengezet worden: 1. Sloten die bestaande zoetwaterbellen in de ondergrond draineren lokaliseren en hun drainerende werking uitschakelen.

39

2.

3. 4.

Voorkomen dat zoet oppervlaktewater zich mengt met brak of zout oppervlaktewater, om de bruikbaarheid van het zoete water zo groot mogelijk te houden. Aanleg van kwelschermen of –zones die de zoute kwelstroom afvangen. Benutting afstromend hemelwater uit bebouwd gebied

Onderstaand een nadere toelichting op deze vier opties. 1.

Het huidige oppervlaktewatersysteem van Zeeland is in de loop van eeuwen ontstaan tot hoe het er nu uit ziet. Hoofdfunctie van dit watersysteem is overwegend ontwatering en afvoer van overtollig water geweest. Met de huidige kennis van het watersysteem weten we op welke plekken van nature zoetwaterbellen kunnen ontstaan. Zoetwaterbellen zijn grote hoeveelheden zoet water in de ondergrond, deze zijn van belang om verzilting van de omgeving tegen te gaan en als voorraad voor droge tijden. Op sommige locaties doorsnijdt een waterloop zo’n zoete waterbel. Op deze manier kan onbedoeld zoet water uit deze voorraad gedraineerd worden. Op deze locaties is vaak de afvoerfunctie van de sloot wel van belang, maar werkt de drainerende werking van de sloot negatief uit voor de zoetwaterbel in de ondergrond. Er is een eerste beeld van waar dit fenomeen onbedoeld optreedt.

In de afbeelding hierboven is te zien wat het effect van zo’n sloot teweeg kan brengen. aan beide zijden van de sloot is een zoetwaterbel van ongeveer 16 meter dik, ter hoogte van de sloot is geen zoetwaterbel. Als deze sloot niet drainerend zou werken op de zoetwaterbel, was de zoetwatervoorraad in de bodem op deze locatie veel groter. Onderstaande figuur toont de zoet-zoutverdeling op een vlieglijn uit de Freshemkartering van 2015. Zoet is blauw, zout rood. Het afgebeelde traject loopt van de Oranjepolder ten noordoosten van Arnemuiden tot het Goese Meer bij Goes. Overduidelijk is dat diepe doorsnijdende sloten of geulen het zout naar het oppervlak trekken.

40

Het bovenstaande toont onmiskenbaar aan dat de actuele onderligger voor ondergrondse opslag van zoet water op die locaties ongunstig is. Het bedoelde project bestaat uit het volledig in beeld krijgen van waar dit optreedt, samen met een afwegingskader en mogelijkheden om dit te voorkomen. Vervolgens is het de wens om deze onbedoelde situaties op kosteneffectieve locaties te verhelpen. Te denken valt aan het verleggen van een watergang, het verondiepen ervan, of de doorlatendheid van de slootbodem en taluds sterk verkleinen, om de drainerende werking af te remmen, zonder daarbij de afvoerende functie teniet te doen. 2.

Binnen Zeeland zijn delen van het watersysteem zoet, terwijl andere delen van het watersysteem brak of zout zijn. Zoet water heeft gebruikspotentie, brak en zout water niet. In dit deelproject wordt in kaart gebracht waar het zoete oppervlaktewater systeem gemengd raakt met zouter water en wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn om menging, door aanpassing van inrichting en beheer, zo lang mogelijk uit te stellen. Deze kennis wordt gebruikt om maatregelen te formuleren om het zoete en het zoute water zo lang mogelijk van elkaar gescheiden te houden, zodat het zoete water zijn gebruiksmogelijkheden niet verliest. Aanvullend hierop wordt gekeken naar de mogelijkheden om de effectiviteit te vergroten door het zoete water langer en op een hoger niveau vast te houden. Ultieme consequentie hiervan kan zijn dat het hele watersysteem onderhanden genomen moet worden.

3.

De invloed van zoute kwel is direct achter de zeedijken het sterkst en neemt landinwaarts af. Voor het beperken van zoute kwelinvloeden liggen ingrepen direct achter de zeedijken daarom het meest voor de hand. Dat kan met het plaatsen van een kwelscherm of het inrichten van een kwelzone. Voornemen is om dit in eerste instantie te testen over een afstand van ca.25km in een gebied waar veel problemen met kwel ondervonden worden. Een kwelscherm bestaat hierbij uit een serie verticale putten evenwijdig aan de zeedijk met, afhankelijk van de opbouw van de ondergrond, een filterstelling van bv. 10-30m beneden maaiveld, een onderlinge afstand van bv. 50 meter en een nader te bepalen uitstroomniveau. In de praktijk heeft zo’n scherm zich al bewezen bij Perkpolder. Het hiermee afgevangen water zal over het algemeen via een afzonderlijk – nader te dimensioneren - stelsel afgevoerd moeten worden (indicatief 200m3/put/dag). Een minder kunstmatig overkomende optie, is het werken met een kwelzone; Door een strook land direct achter de zeedijk te verlagen (uitkomende grond kan mogelijk gebruikt worden voor dijkversterking) kan een plasdras-situatie gecreëerd worden die landbouwkundig – afgezien van eventuele zilte teelten - geen waarde meer heeft, maar voor de natuur (N2000, VHR en als invulling GBDA) grote meerwaarde kan

41

hebben. Zowel voor . Een dergelijke inrichting heeft ook een relatie met de cultuurhistorie van Zeeland: de inlagen en karrevelden die ooit bij dijkversterkingen ontstonden. Overigens geldt ook voor de technische variant dat de benodigde strook van 2ha/km niet landbouwkundig bruikbaar zal zijn. Bij voorkeur zou een vergelijking van beide varianten uitgevoerd moeten worden. 4.

Kosten en dekking (kort)

Bijlagen

In diverse gemeenten zijn er verzoeken om onderzoek te doen naar het ontwikkelen van een systeem om hemelwater dat op verharde oppervlakken valt beschikbaar en geschikt te maken voor landbouwdoeleinden en ander groen. Op het Zeeuwse platteland grenzen landbouwpercelen direct aan het stedelijk gebied of dorpskernen. Er worden momenteel mogelijkheden verkend in hoeverre hemelwater dat op het stedelijk gebied valt, gescheiden in te zamelen is en dat vervolgens op te slaan en te bewaren, zodat het in het droge groeiseizoen kan worden gebruikt. Voorbeelden van lopende onderzoeken en verkenningen zijn Noord-Beveland (bedrijventerrein), Tholen/kern Stavenisse. Het zoete water kan niet alleen voor landbouw, maar ook voor dorpsbossen, recreatieterreinen of het openbaar groen ingezet worden. Deze maatregel om de zoetwaterbeschikbaarheid te vergroten, in onze verziltende gebieden, kan ook een positieve invloed hebben op de vervuiling van het oppervlaktewater (minder overstorten: KRW), kwaliteit van het effluent van de RWZI’s (KRW), energieverbruik t.b.v. het transport en zuiveren afvalwater. Totale kosten van dit project bestaan uit onderzoekskosten en de kosten voor het uitvoeren van maatregelen. De onderzoekskosten zijn een klein deel van de kosten, terwijl de fysieke maatregelen een fors aandeel van de totale kosten zullen bedragen.

Voor de fysieke maatregelen is het soms nodig grond te verwerven, graafwerkzaamheden uit te voeren en om het functioneren en de manier waarop het watersysteem aangestuurd wordt, aan te passen. [1] Het tegengaan van de drainerende werking van een sloot gebeurt door bv. een bekleding toe te passen van bv. zeer slecht doorlatende klei. De beschikbaarheid van dat type klei moet per project in beeld gebracht worden. Het toepassen van de klei is arbeidsintensief, omdat een waterdichte laag gecreëerd moet worden. [2] Een uitgebreide watersysteemanalyse moet duidelijk maken waar de mogelijkheden liggen en welke maatregelen getroffen moeten worden. Een grove eerste analyse zal ca. €100.000,kosten, waarna per deelgebied (ca. 10) nog eens €100.000,- nodig zal zijn voor nadere uitwerking. De kosten voor uitvoering van maatregelen zijn op dit moment nog niet in te schatten, maar zullen in de tientallen miljoenen lopen. [3] Voor een kwelscherm moet voor de ‘technische variant’ rekening worden gehouden met aanlegkosten van de putten (20/km à €40.000 = €800.000), de afvoersloot (profiel 10m2 levert grondverzet van 10.000m3/km à €25/m3 = €250.000/km) en een ruimtebeslag van 20m/km ofwel aankoop van 2ha à €75.000 = €150.000. In totaal komen de kosten dan uit op €1.200.000,=/km. Voor een proef over 25km is €30.000.000,= benodigd.

Voor de ‘natuurlijke variant’ geldt dat over een breedte van 50 meter evenwijdig aan de dijk grond afgegraven zou moeten worden tot op ongeveer het vastgestelde polderpeil, zodat een plasdras-situatie gecreëerd wordt. Voor afgraving moet rekening gehouden worden met een laag van ca. 2m. Over een breedte van 50m komt dat neer op grondverzet van 100m3/m ofwel 100.000m3/km à €25/m3 = €2.500.000/km. De werking van zo’n zone kan versterkt worden door aanvullend kwelputten te plaatsen die uitstromen in het moerasgebied. Uitvoering daarvan kan eenvoudiger en daarmee goedkoper dan bij de technische variant. In beide gevallen moet ook voorzien worden in aansluiting op het bestaande waterlopenstelsel (€250.000) en/of afvoer via een alternatief gemaal (€2.500.000). [4] Voor de kern Stavenisse bedragen uitgaande van een eenheidsprijs van €1600 per inwoner (enkelvoudig stelsel) de kosten 2,5 – 3.0 miljoen euro. Uitgaande van een tiental locaties in de provincie is een budget van €30.000.000,= nodig. PM

42

Opgaven/probleemanalyse en te bereiken doelen Analyse provinciale/ gebiedsopgaven NPLG

Doel van bovengenoemde thema’s is om de potentie van zoetwaterbeschikbaarheid in Zeeland te vergroten. Dit heeft invloed op de hieronder genoemde gebiedsopgaven:  versterken biodiversiteit. Verdroging en verzilting zijn slecht voor onze biodiversiteit  verminderen stikstofdepositie. Het gebiedsplan geeft aan dat een gezonde plant beter in staat is stikstof te binden, daarvoor is zoet water onontbeerlijk  klimaatadaptatie: Een betere zoetwaterbeschikbaarheidsstrategie maakt Zeeland weerbaarder tegen hitte en droogte, door het beter kunnen benutten van de sponswerking van de bodem is Zeeland beter bestand tegen extremere weerbeelden  met een gemiddeld hogere grondwaterstand wordt de invloed van zoute kwel beperkt en de zoete grondwatervoorraad vergroot  stimuleren duurzame landbouw: voor een duurzame landbouw is zoet water nodig. De meest duurzame manier van het omgaan met zoetwater is het vergroten van de potentie die de bodem hierin kan bieden. Doel planuitwerking (in De planuitwerking bestaat voor een deel uit het eerder genoemde onderzoek. dit leidt welke nog ontbrekende tot een betere kosteninschatting van de voorgenomen maatregelen en tot een informatie / procedurele uitvoeringsbesluit van waterschap Scheldestromen. Uitvoering van de fysieke stappen te voorzien) maatregelen leidt tot een bijdrage aan de doelen zoals hierboven beschreven.

Eventuele wijzigingen ten N.v.t. opzichte van gebiedsprogramma Meekoppelkansen Het uitvoeren van de maatregelen helpt los van de eerder genoemde doelen gerelateerd aan de gebiedsopgaven om het oppervlaktewatersysteem beter aan te laten sluiten aan de eisen die daar tegenwoordig aan gesteld worden. Kwelscherm werkt klimaatadaptief en kwelzone doet bovendien dienst als GBDA. Projecten Voorbeelden van uitvoeringsprojecten zijn:  een deel van een watersysteem verondiepen, om de drainerende werking te verkleinen, zonder afbreuk te doen aan het waterafvoerend vermogen.  een nieuwe sloot graven om zodoende zoet water beter ontmengd te houden van een brakker deel van het watersysteem.  een stuw aanleggen die een deel van een watersysteem een hoger waterpeil geeft om zodoende de drainerende werking te verkleinen, of om meer zoet water in het oppervlaktewatersysteem vast te houden en in de bodem te brengen.  Watersysteem klimaatbestendiger inrichten en beheren: water vasthouden, natuurlijker peilbeheer, verruiming watersysteem  Aanleg kwelscherm en/of kwelzone

Oplossingsrichtingen, doelbereik en (sociaaleconomische) effecten Maatregelen, instrumenten

Doelbereik (in verhouding tot het gebiedsprogramma)

Onderbouwing

Na uitvoering van bovenstaande projecten zijn wijzigingen doorgevoerd in de fysieke omgeving. De maatregelen hebben vooral betrekking op de vorm, sturing en ligging van het watersysteem. Het aantal maatregelen zal volgen uit het onderzoek, het aantal kilometer aangepaste waterloop ook. Met de voorgestelde maatregelen:  kan het verlies aan zoet water worden beperkt (klimaat) en worden de gebruiksmogelijkheden vergroot  kan een gemiddeld hogere grondwaterstand gerealiseerd worden wat de droogteschade en de behoefte aan wateraanvoer kan beperken en de zoete grondwatervoorraad kan vergroten (klimaat).  kunnen stikstofverliezen beperkt worden door een betere gewasgroei (stikstof en KRW) Tot nu toe is bij het optimaliseren van het functioneren van het watersysteem vooral de nadruk gelegd op het functioneren van het systeem ten tijde van extreme neerslag, en het optimale waterpeil onder normale omstandigheden. Daarbij werd

43

over het algemeen het huidige watersysteem als vertrekpunt genomen, en werden optimalisatiemogelijkheden aan dát watersysteem uitgevoerd. De maatregelen zoals hierboven gaan over de fysieke ligging van een watersysteem en de nadruk ligt op het voorkomen van negatieve bijkomende effecten van dat watersysteem op het relatief nieuwe thema van zoetwaterbeschikbaarheid.

Besluitvorming en daarbij betrokken partijen Beschrijving partijen, rollen en verantwoordelijkheden

Aangezien de maatregelen hoofdzakelijk in het watersysteem uitgevoerd worden, is het waterschap de belangrijkste partij. Er zal aanspraak gemaakt kunnen worden op aangrenzende gronden, of men kan tijdelijk hinder ondervinden van de werkzaamheden. Hierover zullen per uitvoeringsproject op individueel niveau afspraken gemaakt worden. Te doorlopen procedures De eerste stap is om het nadere onderzoek uit te voeren. Afhankelijk van het resultaat en besluitvorming zal een afwegingskader opgesteld worden om de prioritering en afweging van uit te voeren projecten vast te stellen. Op basis daarvan worden de uitvoeringsprojecten voorbereid, na bestuurlijke besluitvorming hierover. Daarbij zal rekening gehouden worden met benodigde procedures voor bijvoorbeeld grondaankoop en vergunningverlening. Participatie en Het gebiedsprogramma benadrukt het belang van participatie en samenwerking met betrokkenheid belanghebbenden en bewoners bij het behalen van de doelstellingen. Er wordt democratische gestreefd naar een open en transparant proces, waarin informatie wordt gedeeld en vertegenwoordigingen ideeën worden uitgewisseld. Ook het waterschap heeft de ambitie om samen te werken met verschillende partijen, zoals gemeenten, natuurorganisaties, agrariërs en bedrijven, om zo gezamenlijk tot gedragen oplossingen te komen voor de wateropgaven in het gebied.

Financiën en risico’s Onderbouwing rijksbijdrage

Kostenraming planuitwerking

Het uitvoeren van de hierboven benoemde projecten, levert niet alleen een verbetering op van het watersysteem, maar draagt op vele manieren bij aan de doelstellingen zoals het NPLG die benoemt. Zoetwaterbeschikbaarheid is een belangrijke pijler bij het terugdringen van stikstofdeposities. Een betere waterkwaliteit, zoetwaterbeschikbaarheid voor andere gebruiksfuncties en betere weerbaarheid tegen klimaatverandering zijn andere positieve effecten van het uitvoeren van deze maatregelen. Tevens helpen deze maatregelen de landbouwsector te verduurzamen. Het verbeteren van het watersysteem om de beschikbaarheid van zoet water te waarborgen is van groot belang voor onder andere deze sector. De kosten voor deze projecten zullen met name tot uiting komen in de uitvoering van de fysieke projecten, die zullen volgen uit het onderzoek. Op basis van een eerste globale scan van waar de problemen optreden, gecombineerd met de ingeschatte kosten per kilometer aan te passen waterloop, wordt een voorzichtige eerste kosteninschatting gemaakt van €100 miljoen.

Transitiefonds: € 100.000.000,Dekkingsvoorstel PM planuitwerking Indicatieve kostenraming PM navolgende realisatie Indicatief dekkingsvoorstel PM navolgende realisatie Verhouding tot indicatief PM budget voor realisatie van het gehele gebiedsprogramma (totaal maatregelpakketten) Risico’s en Onvoldoende draagvlak voor uitvoering bij stakeholders: Om dit risico te beheersen beheersmaatregelen is het belangrijk om in een vroeg stadium alle relevante stakeholders te

44

-

-

identificeren en hen actief te betrekken bij het project, bijvoorbeeld door middel van informatiebijeenkomsten en inspraakmomenten. Organisatorische risico's: Het uitvoeren van de benoemde mogelijke maatregelen is erg arbeidsintensief. Het aantrekken van externe expertise voor de uitvoering kan een effectieve beheermaatregel zijn. Grondaankoop: Indien grond benodigd is voor het uitvoeren van een project, levert dat een risico op, omdat succesvolle grondaankoop niet gegarandeerd is. Beheermaatregelen zijn om ook alternatieve locaties in beeld te brengen. daarnaast is een vroegtijdige inventarisatie van benodigde grond en beschikbare grond nodig.

Aanpak met planning en mijlpalen Aanpak Planning met mijlpalen en afronding planuitwerking

PM PM

Indicatieve planning met mijlpalen en afronding realisatie

PM

45

Bijlage 2 Uitwerking KPI in NPLG De afgelopen jaren is de roep naar het meetbaar maken van doelen en prestaties enorm gegroeid. Zowel de landelijke overheid als de verschillende Provincies hebben behoefte aan het meetbaar maken van beleid, maatregelen en regelgeving, met als primaire doel om het beleid te (her)sturen. Vanuit het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland heeft de afgelopen 3 jaar (2021-2022-2023) een project plaatsgevonden met de 3 provincies om te komen tot een eerste aanzet voor een beloningssystematiek voor de akkerbouw in de Zuidwestelijke Delta, ook wel de Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw (BMA) genoemd. Binnen dit project is een eerste set aan meetbare indicator vastgesteld voor de Zuidwestelijke delta, welke in de praktijk zijn getoetst bij meer dan 30 boeren bedrijven. Tevens is een actieve klankbordgroep opgesteld met partijen die mogelijk geïnteresseerd zijn in het belonen van inspanning van boerenbedrijven. Ook landelijk is men aan de slag gegaan met eenzelfde systematiek op basis van dezelfde set aan indicatoren (het “KPI-k project”). De pilot in de Zuidwestelijke Delta is onderdeel geworden van dit landelijke project. De doelen van KPI-k zijn breder dan alleen biodiversiteit, zoals in de Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw, maar desalniettemin zit er een grote mate van overlap in de KPI’s uit beide initiatieven.

De 0.2 lijst KPI’s van de Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw (groen) en de KPI-k kernset (blauw): 1. % Rustgewassen in rotatie 2. % Eiwitgewassen 3. % Bodembedekking 4. Gewasdiversiteit 5. % Gereduceerde grondbewerking 6. Organische stofbalans 7. Fosfaatoverschot 8. Stikstofoverschot/ N -efficiëntie 9. Ammoniakemissie 10. Carbon footprint / broeikasgasemissies 11. Energiebalans (kwh) 12. Milieubelasting gewasbeschermingsmiddelen 13. % Natuur- en landschapsbeheer Binnen de Zuidwestelijke Delta zal de komende jaren in een vervolgproject de voorgestelde eerste invulling (de KPI-k kernset + Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw) nader getoetst worden (met 100+ boeren) en samen met de praktijk invulling worden gegeven aan de vastgestelde ontwikkelrichtingen. De KPI-k kernset dient zich om de basis te worden van tal van duurzaamheidsscoresystemen binnen het gebied. Per sector en per regio kan de set naar behoefte aangevuld worden met additionele KPI’s. De voorgestelde set aan KPI’s richt zich op diverse thema’s, waaronder bodem (% Bodembedekking, % Gereduceerde grondbewerking, Organische stofbalans), gewaskeuze (% Rustgewassen in rotatie, % Eiwitgewassen, Gewasdiversiteit) en emissies (Fosfaatoverschot, Stikstofoverschot/ N –efficiëntie, Ammoniakemissie, Carbon footprint / broeikasgasemissies). Ook kijken we naar een koppeling met het BedrijfsBodem- en Waterplan.

Stikstof(bodem)balans Er zijn verschillende manieren om een stikstofoverschot in de akkerbouw te definiëren. Het voorstel is om het te specificeren naar N bodemoverschot en/of N bedrijfsoverschot per hectare. Het N bedrijfsoverschot is het totaal van N aanvoer minus N afvoer (in kg N per ha) en neemt geen mineralisatie, depositie, binding door vlinderbloemige en vervluchtiging mee. Data De basis van de data die nodig is voor deze KPI komt uit het bedrijfsmanagementsysteem. Hierin wordt naast de bemesting ook het geoogst/afgevoerd product geregistreerd. De pilot met VAA heeft laten zien dat deze KPI te berekenen is vanuit het Bedrijfsmanagementsysteem (BMS).

46

Waterbalans en stikstof De waterdoelen worden deels afgedekt door de BMA (door KPI’s als: stikstofbodemoverschot, organische stofbalans, milieubelasting gewasbeschermingsmiddelen en % gereduceerde grondbewerking) maar de uitwerking van deze KPI’s is vooralsnog onvoldoende om de potentiële bijdrage van akkerbouwbedrijven aan de waterdoelen hard te maken. Zo is er voor deze KPI’s, binnen de context van de wateropgaven in de Zuidwestelijke Delta, onderzoek nodig naar bijvoorbeeld de drempel- en streefwaarden. Op het vlak van water kwantiteit is bovendien nog aanvullende informatie nodig als het gaat om o.a. watergebruik en irrigatie. Binnen het project KPI-k is hiervoor een KPI waterbalans opgenomen om de waterkwantiteitsopgave af te dekken, maar deze KPI kent nog geen duidelijke uitwerking. Voor de uitwerking van de KPI’s uit de nutriënten-/ bedrijfsbalans (de KPI’s organische stofbalans, fosfaatoverschot, stikstofoverschot, ammoniakemissie, broeikasgasemissie en waterbalans) biedt het BedrijfsBodemWaterPlan (BBWP) veel kansen en deze tool maakt bovendien koppeling met andere initiatieven (BodemUP, Open Bodem Index). Binnen de Provincie Noord-Brabant is er al veel ervaring opgedaan met het BBWP en we willen deze tool nu voor de hele delta inzetten. Binnen het project Biodiversiteitsmonitor akkerbouw Zuidwestelijke Delta gaan we samen met de Waterschappen deze water KPI testen.

Vergelijking KPI-pilots Ook in het landelijke KPI-k project worden de verschillende KPI’s in de praktijk getest op boerenbedrijven. Om een goede vergelijking te kunnen maken tussen de verschillende regio’s, heeft men van iedere praktijkregio de data opgehaald bij een aantal bedrijven. Voor de Zuidwestelijke Delta heeft men ook 5 proefbedrijven uitgelicht, zoals hieronder in het geel gemarkeerd.

In het komende jaar zullen wij op basis van de verschillende praktijkpilots en een verbreding van de testpilot naar 100 boeren de stap maken naar een definitief beloningssysteem op basis waarvan boeren een eerste beloning zullen ontvangen. Tevens zullen wij gaan toewerken naar specifieke drempelwaarden en streefwaarden van de KPI’s voor Zeeland / de Zuidwestelijke Delta. We nemen de onderstaande beloningstabel daarbij als uitgangspunt om nader uit te werken.

47

Het onderstaande figuur geeft de koppeling van de doelen van het NPLG en de kringlooplandbouw visie met de doelen van de Biodiversiteitsmonitor weer. Sommige KPI’s hebben een relatie met meerdere doelen, waaronder de OS Balans en waterkwantiteit.

48

Stikstof en ammoniak / veehouderij Hoe ver komen we met het doelbereik als elke boer richting 20% van de best scorende bedrijven beweegt bij de KPI systematiek? En welke “restopgaven” blijven dan over? Om een zo groot mogelijk doelbereik te hebben en de middenklasse van boeren mee te krijgen, is het streven om de middenklasse over te hevelen naar de beste 20% scorende boeren. Als we kijken naar Figuur 1 (waarin een situatie wordt geschetst van 30% generieke ammoniakemissie) in het onderstaande voorbeeld, zien we dat er voor Zeeland maar enkele zeer kleine gebieden overblijven waar de ammoniakemissie normen worden overschreden.

49

Bijlage 3 Maatregelenpakket veehouderij V1 t/m V7 Aanvraag Rijksbijdrage voor beslissing tot start planuitwerking Algemene informatie aanvraag Naam

Hoofdaanvrager incl. contactgegevens Deelnemende partijen

Gebied /locaties

Maatregelpakket Veehouderij, waaronder: V1. Extensivering melkveehouderij; V2. Stalsystemen (eventueel gecombineerd met mestbewerking buiten de stal); V3. Mest-additieven; V4. Voerspoor; V5. Verlengde weidegang; V6. Kruidenrijk grasland. Het betreft nadrukkelijk een globale onderverdeling. Er is overlap en wisselwerking tussen maatregelen. Het pakket is nog niet volledig. Tijdens diverse regiodialogen in het voorjaar van 2023 zijn bijvoorbeeld nog meer maatregelen aangedragen. Na afweging kunnen mogelijk nog nieuwe maatregelen worden opgenomen in volgende versies van het gebiedsprogramma. Provincie Zeeland Marnix van Driel (mal.van.driel@zeeland.nl, 06-25726730) Agrarisch ondernemers Agrarische collectieven De verdeling wordt in een later stadium bepaald. Het maatregelpakket veehouderij heeft betrekking op het gehele landelijke gebied in de provincie Zeeland. Op het niveau van Zuidwestelijke Delta biedt het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP VP ZWD) projecten en inzichten als input voor het gebiedsprogramma. De provincie Zeeland heeft daarnaast vijf deelgebieden geselecteerd waar geïntegreerde gebiedsaanpakken (gaan) lopen: Kop van Schouwen (KvS); Manteling van Walcheren (MvW); Grenspark Groot Saefthinge (GGS); North Sea Port District (NSPD); Veerse Meer (VM).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13004932/1