Inkomend - Provincie Zeeland - Zeeuws Gebiedsprogramma 2023 - Deel 1 Opgaven
Tekst van het document
In de gewenste situatie: Zijn rekenmodellen, voorspellingen en analysemethoden beschikbaar; Staan visualisaties (kaarten, dashboards) gereed; Hebben we prestatie-indicatoren gedefinieerd waarlangs we onze beleidseffecten meten; Zijn onderliggende data permanent en kwalitatief goed beschikbaar; Zijn data zijn zodanig beschikbaar, dat er (meerjarige) trends aan te ontlenen zijn. En daarnaast zijn de afwegings- en besluitvormingsprocessen zodanig ingericht dat de datainzichten voor gebiedsgerichte afwegingen ingezet kunnen worden. We willen ook direct kunnen schakelen als (de inhoud van) een opgave of vraagstuk wijzigt. We willen in onze gebiedsgerichte informatievoorziening ook vlot en professioneel kunnen schakelen met ketenpartners: in de Zeeuwse regio én interbestuurlijk. 6.3 Omgaan met data Om de gewenste situatie te bereiken en daarmee data optimaal te kunnen inzetten in de gebiedsaanpak moeten we anders omgaan met data. Data moet sneller in de juiste vorm (kaarten, visualisatie, tabellen enz.) beschikbaar zijn. Om dit te bereiken zijn: - Afspraken over kwaliteit, vorm en beschikbaarheid van data nodig - Moet de organisatie hierop ingericht zijn; - Moeten voldoende modellen beschikbaar zijn om data in te kunnen zetten voor een integrale benadering. Beleidsvorming en informatieanalyse kunnen veel directer en intensiever met elkaar kunnen schakelen.
Een transitie naar gebiedsgerichte informatievoorziening vraagt om de ontwikkeling van de informatieanalyse, de benodigde kennis daarvoor, van data-kwaliteit en data-beschikbaarheid. Dit betekent dat informatievoorziening op verschillende niveaus nodig is en dat er inzicht nodig is in alle beschikbare databronnen. Hiervoor is het nodig dat informatie voor iedereen beschikbaar is of beschikbaar kan worden gesteld.
25
6.4 Gebiedsgerichte informatievoorziening In de gebiedsaanpak zijn diverse partijen actief. In die samenwerking is het van belang dat de informatie en data op een met elkaar vergelijkbare (en optelbare) manier verzameld worden en transparant uitgewisseld kunnen worden. Een gebiedsgerichte informatievoorziening sluit aan de bij diverse initiatieven die deze ontwikkeling in gang zetten en ondersteunen zoals de Interprovinciale aanpak ‘Datagedreven gebiedsplannen’ (IPO, RO Dataspace) en het Programma Realisatie Interbestuurlijke data-strategie (IBDS, Dataspace Fysieke Leefomgeving).
26
7. Transitie landbouw Het NPLG gaat over het landelijk gebied en daarmee met name over de landbouw. In de Handreiking NPLG van 17 maart 20233 wordt ook aandacht gevraagd voor een volhoudbare landbouw; landbouw met toekomstperspectief passend binnen de culturele, landschappelijk en sociaal economische situatie van de deelgebieden. Gezien deze specifieke voorwaarde in de handreiking wordt aan de transitie van de landbouw een apart hoofdstuk gewijd. Zeeland is een echte akkerbouwprovincie omgeven door zout water. Perspectief voor een volhoudbare landbouw die bijdraagt aan de maatschappelijke doelen vereist dan ook een specifieke aanpak. Een gezonde bodem en watersysteem wat past binnen - en samenwerkt met - de natuurlijke omgeving is een essentiële voorwaarde voor perspectief. Zonder dat perspectief is het ook niet mogelijk te investeren in maatregelen. Zeeland wil op basis van praktijkgericht onderzoek op bovengenoemde domeinen ondernemers ondersteunen die de transitie naar een volhoudbaar systeem willen maken. 7.1 Perspectief voor de landbouw Een perspectief voor de landbouw in Zeeland is essentieel voor het streven naar het NPLGdoelbereik. Of zoals in de kamerbrief Toekomst Landbouw van het Ministerie van LNV4 wordt gesteld; Zonder toekomst voor de landbouw in Nederland kunnen de opgaven niet worden opgelost.
Omgekeerd net zo: er is geen toekomst voor de landbouw als de landbouw haar bijdrage niet levert aan de genoemde opgaven. Op landelijk niveau is dit landbouwperspectief ((Het Niet-) Landbouwakkoord) nog in de maak, op provinciaal niveau is de basis reeds gelegd. 7.1.1 Nationaal (Nederland); (Het Niet-)Landbouwakkoord De kamerbrief van het Ministerie van LNV onderschrijft het belang van de landbouw in Nederland. Het kabinet omarmt daarbij de aanbevelingen van de heer Remkes5, waaronder de ‘tweede lijn’; het bieden van een langjarig perspectief voor de agrarische sector en het landelijk gebied, bij voorkeur in de vorm van een landbouwakkoord met horizon 2040. Het doel van het landbouwakkoord is tweeledig; A. Beschrijving van de toekomstbestendige positie van de landbouw als strategisch belangrijke economische sector, producent van duurzaam voedsel en grondstoffen en essentiële drager van een vitaal platteland. B. Beschrijving van de wijze waarop de landbouwsector haar aandeel gaat leveren aan de grote opgaven van natuurherstel, water en klimaat.
De door de heer Remkes en de Sociaal Economische Raad genoemde transitiepaden (trappetje van Remkes) kunnen hierin richting geven; - Doorontwikkelen (hightech open of gesloten systemen, extensievere productiewijze, goed management) - Omschakelen (biologische en natuurinclusieve landbouw, hernieuwbare energie, leveren diensten voor natuur, multifunctionele landbouw) - Verplaatsen - Stoppen Daarbij is de verduurzaming van het voedselsysteem en de transitie naar kringlooplandbouw niet alleen een verantwoordelijkheid van de agrariër, maar een opgave voor de gehele keten; toeleveranciers, verwerkers, Retail en banken. 3
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2022/11/25/handreiking-voor-degebiedsprogrammas-nationaal-programma-landelijk-gebied 4 Kamerbrief Toekomst Landbouw, Rijksoverheid, 25 november 2022 5 Wat wel kan – Uit de impasse en een aanzet voor perspectief, Johan Remkes, 5 oktober 2022
27
Op dit het moment ligt er geen Landbouwakkoord. Mocht dit Landbouwakkoord er alsnog toch komen, dan zal dit, bij de verdere uitwerking van de maatregelen, alsnog worden meegenomen. 7.1.2 Provinciaal (Zeeland); Volhoudbare landbouw In de recent opgestelde ZOVI (2021)6 en het daaraan gekoppelde Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied (2021)7 is uitvoerig beschreven hoe Zeeland invulling geeft en wilt geven aan de ‘volhoudbare landbouw’ in Zeeland voor de periode tot en met 2030. Hierin spreken we over een volhoudbaar landbouwsysteem dat functioneert in evenwicht met de omgeving, waarbij kringlopen op een zo laag mogelijk niveau gesloten zijn en er productie op basis van marktvraag plaatsvindt.
Fig. 7 Praatplaat over Kringlooplandbouw (bron: LNV en Provincie Noord-Holland)
De ambitie voor volhoudbare landbouw volgens het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied (20212030) is als volgt: ‘Het creëren van zoveel mogelijk meerwaarde. Meerwaarde die ontstaat door een samenhangende integrale benadering van bodem(vruchtbaarheid), beheer (zoet) water, biodiversiteit en landschap in combinatie met het (kosten)-efficiënter bedrijfsvoeren. Door verbetering van de bedrijfsstructuur maar ook bijvoorbeeld door het stimuleren van kringlopen of innovatie. Meerwaarde die vooral ook tot uitdrukking komt in kostenbeheersing en een betere prijs die de agrariër ontvangt voor zijn product.’ De landbouwsector zal haar bijdrage leveren aan de beoogde stikstofreductiedoelen. Daarbij vooropgesteld dat een perspectief voor de landbouw en middelenpakket noodzakelijk is. Middels maatwerkplannen voor agrarische bedrijven wordt ondersteuning geboden bij het vormgeven van de eigen transitie, passend bij de aard en schaal en rekening houdend met de natuurlijke en maatschappelijke context. De lijn van volhoudbare landbouw wordt voortgezet, verbreed met doelen van het NPLG, wat zich in het gebiedsprogramma toespitst op de volgende thema’s; 1. Bodem/mest 2. Zoet water
6 7
Zeeuwse Omgevingsvisie, Provincie Zeeland, 2021 Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030, Provincie Zeeland, 2021
28
3. Functionele agrobiodiversiteit/gewasbescherming De thema’s komen terug in paragraaf 9.4 (Stikstofopgave – Landbouw) en de maatregelpakketten (deel III) toegespitst op akkerbouw en veehouderij. In de volgende paragrafen wordt een analyse gegeven van de landbouw in Zeeland, verdeeld in plantaardige (akkerbouw, fruitteelt, glastuinbouw) en dierlijke (veehouderij) sectoren. 7.2 Plantaardige sectoren8 De plantaardige sector in Zeeland wordt uitgesplitst in akkerbouw en tuinbouw (open grond en onder glas). De verdeling in oppervlakte is hieronder weergegeven. 7.2.1 Sector akkerbouw In Zeeland bestaat de top vijf aan akkerbouwgewassen in 2022 uit wintertarwe (26.916 ha), consumptieaardappelen (14.330 ha), suikerbieten (11.905 ha), uien (5.638 ha) en snijmais (4.915 ha)9. Ondanks de toenemende verzilting is Zeeland de tweede akkerbouwprovincie van Nederland.
Fig. 8 Huidige situatie plantaardige sectoren
De akkerbouw in Zeeland is steeds beter in staat de goede keuze te maken in teelten en efficiënt met zoet water om te gaan. Om de verzilting in de komende periode tegen te gaan is het noodzakelijk nog efficiënter met het beschikbare zoete water om te gaan. De beschikbaarheid is voorwaardelijk voor een volhoudbare landbouw. Hiervoor zijn maatregelen opgenomen in deel III. 7.2.2 Sector glastuinbouw10 In vijf gemeenten in Zeeland zijn concentratiegebieden voor glastuinbouw. De omvang van deze gebieden variëren van circa 30 tot 124 ha. In totaal gaat het om ruim 340 ha11 aan glas. Binnen de sector zijn al afspraken gemaakt in het kader van de energietransitie. Zo is in 2022 het Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022 = 2030 getekend. In het convenant is de ambitie van een klimaatneutrale en rendabele sector in 2040 opgenomen met afspraken wat nodig is om die ambitie ook haalbaar te maken. Voor 2030 is daarin een voorlopig restemissiedoel opgenomen van 4,3-4,8 Mton CO2. Een CO2-reductie zorgt ook voor een stikstofreductie. 8
Bron: QuickScan Veehouderij en plantaardige landbouwsectoren, Connecting Agri&Food 01-05-2023 Bron: https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/7100oogs/table 10 Bron: Provincie Zeeland 11 Volgens onderzoek Glastuinbouw Nederland 9
29
De totale warmtebehoefte van de glastuinbouwbedrijven in de Zeeuwse clustergebieden is door Glastuinbouw Nederland berekend op 65 miljoen m3 gas per jaar. Er wordt in Zeeland voor de warmtevraag al een koppeling gemaakt tussen glastuinbouw en industrie en er wordt onderzoek gedaan naar meer mogelijkheden. 7.3 Dierlijke sectoren12 Het aandeel van de Zeeuwse veehouderijbedrijven in de landelijke veestapel is weergegeven in onderstaande tabel.
Melkkoeien Vleeskalveren Melkgeiten Fokzeugen (op zeugen en gecombineerde bedrijven) Vleesvarkens (op vleesvarkensbedrijven) Leghennen Vleeskuikens
Aantal bedrijven met… 192 10 14
Aantal dieren 23.088 1.174 3.677
Aandeel Zeeland in veestapel Nederland 1,5% 0,1% 0,8%
Gemiddeld aantal dieren per bedrijf 120 117 263
11 28 20 13
2.989 25.577 1.143.356 708.831
0,4% 0,6% 2,7% 1,5%
272 913 57.168 54.525
Tabel 3 Aandeel Zeeuwse veehouderijbedrijven
Het aandeel veehouderij is Zeeland ten opzichte van het totaalaantal in Nederland is beperkt. De gemiddelde omvang van de melkveehouderij is met 120 melkkoeien groter dan het gemiddelde Nederlandse bedrijf (107 melkkoeien). De gemiddelde omvang van de bedrijven in de intensievere sectoren (kalveren, pluimvee, varkens) is kleiner dan gemiddeld in Nederland. 7.3.1 Sector grondgebonden veehouderij In 2022 waren 192 bedrijven met melkkoeien in Zeeland aanwezig, waar 23.088 melkkoeien werden gehouden, dit is 1,5% van de landelijke melkveestapel In totaal waren er 89 bedrijven met een omvang van minder dan 100 melkkoeien (5.127 melkkoeien, 22% van het aantal dieren), 79 bedrijven met meer dan 100 en minder dan 200 melkkoeien (10.686 melkkoeien, 46% van het aantal dieren) en 24 bedrijven met een omvang van meer dan 200 melkkoeien (7.275 melkkoeien, 32% van het aantal dieren). Fig. 9 Melkveebedrijven in Zeeland
12
Bron: QuickScan Veehouderij en plantaardige landbouwsectoren, Connecting Agri&Food 01-05-2023
30
7.3.2 Sector intensieve veehouderij Het aantal intensieve veehouderijbedrijven in Zeeland is relatief beperkt, zo ook het aantal dieren. Behalve in de leghennenhouderij, is het gemiddeld aantal dieren per bedrijf (aanzienlijk) kleiner dan het landelijk gemiddelde. Het grootste gedeelte van de intensieve bedrijven in Zeeland heeft een omvang kleiner dan wat als volwaardig wordt beschouwd. Het betreft vaak een gemengd bedrijf, een neventak of men heeft er een baan naast. In 2022 waren er in Zeeland: o 44 varkensbedrijven, waarvan 28 vleesvarkensbedrijven. o 36 pluimveebedrijven, waarvan 20 legkippen en 13 vleeskuikens o 10 bedrijven met vleeskalveren o 14 bedrijven met melkgeiten.
Fig. 10 Intensieve veehouderij in Zeeland
7.4 Uitdagingen13 De landbouw heeft, en krijgt, te maken met diverse uitdagingen, die per sector verschillen. Zo is voor de melkveehouderij het Europese en Nederlandse mestbeleid van grote invloed, terwijl bij de intensievere sectoren het accent ligt op stikstofreductie uit stallen en dierenwelzijn. In de plantaardige teelten ligt het accent meer op waterkwantiteit en –kwaliteit en klimaatadaptatie. In het algemeen kan worden gesteld: - De meeste duurzaamheidsmaatregelen werken kostprijsverhogend en leiden niet direct tot een beter rendement, hierdoor leiden ze tot verdergaande en soms versnelde schaalvergroting. De bedrijven met een grotere omvang zijn over het algemeen beter in staat om de lasten van deze investeringen ook te dragen. - Bij een veelheid aan benodigde duurzaamheidsinvesteringen (én dierenwelzijn, én stikstofreductie, én energietransitie in de dierlijke sectoren bijvoorbeeld) is er onvoldoende investeringsruimte om deze, binnen korte termijn, te realiseren. - Investeren tégen het normale investeringsritme in is duurder door een toename van de jaarkosten (afschrijving) en dient te worden voorkomen. Het verstrekken van subsidie kan het toenemen van de kosten compenseren.
- Verplichte (grote) investeringen, in bijvoorbeeld staltechnieken, zijn vaak een hard keuzemoment voor ondernemers om keuzes te maken over de toekomst van het bedrijf (stoppen, doorgaan, groeien, consolideren). - Financierbaarheid van investeringen is op dit moment lastiger vanwege de onzekerheden over het huidige beleid. - In de intensieve sectoren kan een kleine verbetering in de productiekenmerken (verlaging van de kostprijs en/of een verbetering van efficiëntie, bijvoorbeeld verlaging kostprijs/uitval), door de grote aantallen een aanzienlijke impact hebben op de omzet. In de melkveehouderij is dit effect beperkter. 7.4.1 Plantaardige sectoren In de plantaardige landbouwsectoren spelen stikstofemissies in de vorm van ammoniak maar een beperkte rol. Wel gaat de nodige aandacht uit naar stikstof als belangrijk nutriënt in bemesting. Dierlijke mest enerzijds en de productie van (eiwitrijke) voeders anderzijds dragen bij aan 13
QuickScan Veehouderij en plantaardige landbouwsectoren, Connecting Agri&Food 01-05-2023
31
kringlooplandbouw waarin de veeteelt en plantaardige landbouwsectoren een rol spelen. De plantaardige landbouwsectoren kunnen geconfronteerd worden met ongewenste neveneffecten als gevolg van gemaakte keuzes voor de veehouderij. Voor plantaardige landbouwsectoren hebben waterbeschikbaarheid en klimaatadaptatie (omgaan met droogte, extreme weersomstandigheden, verzilting, etc.) binnen de gebiedsopgaves prioriteit. Vergunningverlening en gebiedsafstemming kunnen bepalend zijn. Omdat in de provincie Zeeland de plantaardige landbouwsectoren een groot areaal beslaan, is de kans reëel dat deze sectoren een rol zullen moeten spelen als bijkomende natuur en biodiversiteit wordt gecreëerd (overgangsgebied rond Natura 2000-gebied en groenblauwe dooradering). 7.4.2
Dierlijke sectoren
Grondgebonden veehouderij De Europese en Nederlandse (voorgenomen) mestwetgeving (nieuw GLB en wijzigingen Meststoffenwet, Msw) hebben een grote impact op de melkveehouderij. Er liggen ook nog andere uitdagingen ten aanzien van stikstofdoelen en klimaateffecten en –regelgeving. Voor een aantal uitdagingen zijn reeds doelen geformuleerd, maar is nog niet helder hoe deze moeten worden doorvertaald naar het individuele bedrijf en wat dit op specifiek bedrijfsniveau betekent voor de ondernemer. De uitdagingen hebben onder andere (niet limitatief) betrekking op de mogelijkheden voor mestaanwending, wettelijke regelingen over bufferstroken, stalaanpassingen enz. Met name voor stalaanpassingen is het van belang dat er voldoende juridische zekerheid is. Vanuit de klimaatopgave komen aanvullende doelen voor een CO2-reductie (zie hoofdstuk 11). Intensieve veehouderij De belangrijkste uitdagingen voor de intensieve veehouderij hebben betrekking op stikstofreductie, dierenwelzijn en de energietransitie. Ook hierbij geldt dat bijdragen aan de doelen vaak betekent dat er aanpassingen aan de stal dan wel aan de bedrijfsvoering moeten plaatsvinden. De juridisch onzekerheid op dit moment zorgt voor een vertraging in het doelbereik en tot onzekerheid bij ondernemers.
7.5 PAS-melders PAS-melders zijn bedrijven die onder het Programma Aanpak Stikstof (PAS) een melding op grond van de Wnb hebben gedaan. De melding was volgens de PAS-systematiek nodig als de gewenste activiteit een berekende stikstofdepositie veroorzaakte tussen de 0,05 en 1,0 mol/ha/jr. Voor deze toename gold geen vergunningplicht op grond van de Natuurbeschermingswet (nu Wnb). Met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) op 29 mei 2019 is de PAS-systematiek vernietigd. De Afdeling heeft daarnaast geoordeeld dat alle projecten die een berekende stikstofdepositie veroorzaken, een vergunning op grond van de Wnb moeten hebben. Eerder onder de PAS gemelde activiteiten zijn daardoor niet meer legaal. Op dit moment zijn de (53) nog te legaliseren PAS-melders in beeld, maar zijn nog geen meldingen gelegaliseerd door middel van een vergunning. Op 28 februari 2022 is door het Rijk het legalisatieprogramma voor PAS-melders14 vastgesteld. Hierin staat welke maatregelen genomen worden om stikstofruimte voor PAS-meldingen vrij te maken. Binnen drie jaar na vaststelling van het programma, uiterlijk 28 februari 2025, moeten maatregelen getroffen zijn waarmee legalisatie van PAS-meldingen mogelijk is. 14
https://www.aanpakstikstof.nl/actueel/nieuws/2022/02/28/start-legalisatieprogramma-pasmeldingen#:~:text=Het%20legalisatieprogramma%20PAS%2Dmeldingen%20is,voor%20het%20cre%C3%ABr en%20van%20stikstofruimte.
32
In het legalisatieprogramma zijn de volgende maatregelen opgenomen: Opkoopregelingen zoals de Landelijke beëindigingsregeling voor veehouderijlocatie (Lbv+). Stikstofruimte uit het Stikstofregistratie Systeem (SSRS). De LBV-plus regeling, ook wel piekbelastersregeling genoemd, is een eenmalige vrijwillige regeling voor ondernemers die piekbelaster zijn. Met de behaalde stikstofreductie kunnen o.a. PAS-melders worden gelegaliseerd. De Regeling is in juni van dit jaar opengesteld. Er is geen lijst bekend van ondernemers die van deze regeling gebruik kunnen maken, ondernemers kunnen zelf via een digitaal systeem bepalen of zij piekbelaster zijn. Uit informatie van het Rijk blijkt dat het gaat om vier veehouders in Zeeland. Gezien het beperkt aantal ondernemers dat hiervan gebruik kan maken is de verwachting dat deze Regeling geen of onvoldoende ruimte oplevert voor de legalisatie van PAS-melders. Daarnaast heeft het Rijk besloten de prioritering van doelen in het Stikstofregistratiesysteem (hierna: SSRS) aan te passen. Het SSRS was eerder bestemd om ruimte uit de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) toe te kennen aan woningbouwbouwprojecten en enkele grote wegenprojecten (MIRT). Ruimte die niet nodig was voor deze doelen, kon aan PAS-meldingen worden toegedeeld.
PAS-meldingen kunnen bij inwerkingtreding van de herprioritering op 1 oktober 2023 nu als eerste van de beschikbare stikstofruimte gebruik maken. Omdat in Zeeland geen bedrijven gebruik hebben gemaakt van de Srv, is in Zeeland geen stikstofruimte beschikbaar voor PAS-melders. Daarmee leidt de herprioritering niet tot legalisatie van PAS-melders. Als laatste is ook de Regeling voor provinciale voorstellen vergunning PAS-meldingen open. Met deze regelingen kunnen Provincies voorstellen indienen voor het versnelde legaliseren van PASmeldingen. Er is een aanvraag ingediend voor dertien miljoen om twee tot drie PAS-melders te kunnen legaliseren. Op 26 januari 2023 hebben we, als Provincie Zeeland, een bijeenkomst georganiseerd waarin we alle PAS-melders hebben bijgepraat over hierboven genoemde problematiek en het gebrek aan perspectief. Wij zullen, in overleg met sectororganisaties, PAS-melders blijven informeren.
33
8. Natuuropgave Binnen dit kerndoel staan twee doelen centraal, namelijk (a) de natuur verbeteren c.q. het ontwikkelen van nieuwe natuur die noodzakelijk is door de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden te halen en (b) het verminderen van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het tweede doel wordt uitgewerkt in hoofdstuk 9. Het eerste in dit hoofdstuk. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op de Zeeuwse Natuurdoelanalyses (hierna: NDA’s), het Programma Natuur (dat onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van dit gebiedsprogramma), de VHR-doelen, bossenstrategie en als laatste het Natuurnetwerk Zeeland (hierna: NNZ). 8.1 Algemeen In de Zeeuwse Omgevingsvisie is het volgende hoofddoel voor de Zeeuwse natuur geformuleerd: “De Zeeuwse biodiversiteit ontwikkelt zich positief. Specifiek wordt daarbij ingezet op het bereiken van een 70% doelbereik van stikstofgevoelige binnendijkse Natura 2000-gebieden”. In Nederland, en ook in Zeeland is de trend van de laatste jaren een afname van de biodiversiteit. De natuur is in Zeeland verweven in de verschillende Zeeuwse waardevolle landschappen. De natuur binnen deze verschillende landschappen is in kwaliteit en omvang nog niet op orde. De doelen voor veel Natura 2000-soorten en –habitats of leefgebieden worden (nog) niet gehaald.
Met name de staat van instandhouding van soorten en habitats van buitendijkse gebieden (kust- en deltawateren), delen van de duinen en boerenlandvogels zijn matig tot zeer ongunstig. Oorzaken hiervan zijn met name stikstofdepositie, verstoring, tekort aan leefgebied, verdroging, verzuring, overbegrazing en versnippering. De achteruitgang in de biodiversiteit lijkt minder snel te gaan door het huidige beleid, maar een extra inspanning is noodzakelijk. Het is niet voldoende om alleen naar de natuur in de natuurgebieden te kijken. De nadruk komt (inter-) nationaal meer te liggen op intensivering van het natuurbeleid via het steeds meer vervlechten van natuur met andere sectoren van de samenleving en de economie (natuurinclusief). Hierbij krijgt de biodiversiteit een volwaardige plaats naast instandhouding van het (landbouwkundig) gebruik en behoud en versterking van de verschillende Zeeuwse (cultuurhistorische) landschappen. De natuurinzet is in te delen in drie onderdelen met ieder een eigen urgentie Deel 1. De basis op orde We doen dit via bestaande wetgeving, zoals vastgelegd in de Wnb (Natura 2000-gebieden) en de Omgevingsverordening, waarin de planologische bescherming van het NNZ is geborgd. Om de kwaliteit van de Zeeuwse natuur in stand te kunnen houden is naast wettelijke bescherming ook actief beheer nodig.
Dit beheer richt zich op de natuurgebieden van het NNZ, inclusief de Natura 2000-gebieden. Deel 2. Afspraken natuurherstel Eerder, zijn afspraken gemaakt in het kader van het natuurherstel. Daarbij gaat het om de afronding van het NNZ door natuurontwikkeling, het uitvoeren van de maatregelen en acties uit het Programma Natuur (periode 2021-2030) en de uitvoering van de bossenstrategie binnen en buiten het NNZ (zie paragrafen 8.5 en 8.6) Hierop zal de komende periode veel inzet nodig zijn om de gemaakte afspraken daadwerkelijk uit te voeren. Deel 3. Aanvullende opgaven Als laatste de aanvullende opgaven die nodig zullen zijn ten behoeve van het doelbereik vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn (hierna: VHR) waaronder ook de extra inspanning op het gebied van agrarisch natuurbeheer.
34
8.1.1 De Zeeuwse Natura 2000-gebieden Binnen de provincie Zeeland vallen (geheel of gedeeltelijk) zestien Natura 2000-gebieden, waarvan in dertien gebieden stikstofgevoelige habitats liggen. Van zeven van deze gebieden is de Provincie voortouwnemer in beheer. Dit betekent dat de Provincie verantwoordelijk is voor het opstellen van het beheerplan, de monitoring en de rapportage over de uitvoering van de herstelmaatregelen.
Fig. 11 Natura 2000-gebieden in Zeeland Het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (hierna: I&W) is beheerder van de grote wateren en als voortouwnemer verantwoordelijk voor het opstellen van het beheerplan, de monitoring en de rapportage over de uitvoering van de herstelmaatregelen voor het waterdeel van die Natura 2000gebieden. Voor de landsdelen van deze Natura 2000-gebieden is de Provincie verantwoordelijk. En daarmee zijn wij (of de Provincie Zuid-Holland, bij overlappende Natura 2000-gebieden) ook medeverantwoordelijk voor het behalen van de opgaven in het landsdeel van de grote wateren. De Natura 2000-gebieden Grevelingen, Krammer-Volkerak en Markiezaat zijn provinciegrens overschrijdend. Hierover is afgesproken dat resp. de Provincie Zuid-Holland en Noord-Brabant trekker zijn voor wat betreft het gebiedsproces. 8.2 Natuurdoelanalyses Voor alle stikstofgevoelige gebieden is een NDA opgesteld. In de NDA wordt inzichtelijk gemaakt hoe de natuur zich heeft ontwikkeld (vanaf het moment van aanwijzing), zodat verslechtering kan worden uitgesloten of aangetoond. Op basis van de ontwikkelingen in kwaliteit en oppervlak is per natuurdoel geconcludeerd of de instandhoudingsdoelstellingen (behoud of verbeter/uitbreiding) is gehaald. In geval dat verslechtering is opgetreden en doelstellingen niet worden gehaald, zijn aanvullende maatregelen aangedragen.
Met deze nieuwe aanvullende maatregelen moeten de aanwezige knelpunten (‘drukfactoren’) worden aangepakt zodat (verdere) verslechtering wordt voorkomen en de instandhoudingsdoelstellingen in de toekomst kunnen worden gehaald. De NDA’s 35
zijn een basis voor het opstellen van nieuwe Natura 2000-beheerplannen en input voor gebiedsprocessen. De Provincie Zeeland heeft een NDA opgesteld van de volgende Natura 2000-gebieden: Natura 2000-gebied 1. Yerseke en Kapelse Moer (121) 2. Groote Gat (124) 3. Canisvliet (125) 4. Vogelkreek (126) 5. Manteling van Walcheren (117) 6. Kop van Schouwen (116) 7. Zwin & Kievittepolder (123)
Richtlijn Habitat- en Vogelrichtlijn Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn Habitat- en Vogelrichtlijn Tabel 4 Natura 2000-gebieden beheerd door provincie Zeeland
De uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van I&W, Rijkswaterstaat, is (zoals aangegeven in het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN)) verantwoordelijk voor de NDA’s van vijf stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (tabel 5). Voor één gebied wordt een beknopte natuurdoelanalyse opgesteld. Natura 2000-gebied 1. Voordelta (113) 2. Krammer-Volkerak (114) 3. Grevelingen (115) 4. Oosterschelde (118) 5. Westerschelde & Saefthinge (122)
Richtlijn Habitat- en Vogelrichtlijn Habitat- en Vogelrichtlijn Habitat- en Vogelrichtlijn Habitat- en Vogelrichtlijn Habitat- en Vogelrichtlijn Tabel 5 Natura 2000-gebieden beheerd door Ministerie van I&W
De onderstaande Natura 2000-gebieden zijn niet stikstofgevoelig. Voor deze gebieden is geen NDA opgesteld. Natura 2000-gebied 6. Veerse Meer (119) 7. Zoommeer (120) 8. Vlakte van de Raan (163)
Richtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn Habitatrichtlijn
Tabel 6 Niet stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden beheerd door Ministerie van I&W
De Provincie Noord-Brabant is verantwoordelijk voor de NDA van Markiezaat: Natura 2000-gebied 1. Markiezaat (127)
Richtlijn Vogelrichtlijn Tabel 7 Natura 2000-gebied beheerd door de provincie Brabant
36
8.2.1 Hoofdlijnen uitgevoerde natuurdoelanalyses De korte conclusies van de zeven NDA’s opgesteld door de Provincie Zeeland zijn opgenomen in bijlage 2. Voor de volledige NDA en uitgebreidere conclusie per gebied, verwijzen wij u graag naar de website van de Provincie Zeeland. In zes van de zeven gebieden is ‘nee, tenzij’ de meest voorkomende eindconclusie. In deze Natura 2000-gebieden heeft in een meerderheid van de doelstellingen verslechtering opgetreden of kon, door een gebrek aan informatie, verslechtering niet worden uitgesloten. De belangrijkste knelpunten (‘drukfactoren’), afhankelijk van het desbetreffende gebied, zijn: gevolgen van een te hoge stikstofdepositie (o.a. vermesting en verzuring), ontoereikende waterhuishouding (verdroging), invasieve exoten, verstoring door recreatie en/of een te hoge begrazingsdruk. In geval van verslechtering en het niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen met de geborgde maatregelen, geeft de NDA richting aan benodigde aanvullende maatregelen. Deze maatregelen worden uitgevoerd in het kader van het Programma Natuur, fase 2 en/of het NPLG. In hoofdlijnen zijn de aanvullende maatregelen gericht op het vergroten van de dynamiek (o.a.
overstuiving kalkrijk zand), hydrologische systeemherstel (beperken invloed van verdroging, versterken van kwel, dynamisch peilbeheer), bronmaatregelen (gericht op het verlagen van de stikstofdepositie), optimaliseren van natuur- en landschapsbeheer en aanvullende onderzoeksmaatregelen. Als gevolg van het advies van de EA (Ecologische Autoriteit) zijn eventuele wijzigingen van de NDA en de voorgestelde aanvullende maatregelen mogelijk. 8.2.2 Effecten conclusies NDA’s voor vergunningverlening en handhaving. In grote lijnen geldt voor de Zeeuwse natuurgebieden dat met name rondom de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren de doelstellingen op dit moment niet gehaald worden, dat verslechtering niet uit te sluiten is, dat stikstof een belangrijke drukfactor is én dat aanvullende maatregelen urgent zijn. Voor de andere natuurgebieden is soms ook sprake van een verslechtering nu, of in de toekomst, maar deze wordt veroorzaakt door andere drukfactoren als stikstof. Voor de gebieden waar sprake is van een verslechterig en waarbij stikstof het kernprobleem is (Manteling van Walcheren en de Kop van Schouwen) zijn mogelijk gevolgen bij het verlenen van een vergunning. Voor deze gebieden geldt vanaf dat moment dan ook dat projecten met een toename van depositie op stikstofgevoelige hexagonen in deze Natura 2000-gebieden in de meeste gevallen niet meer vergund kunnen worden.
8.3 Programma Natuur Het Programma Natuur is in 2021 tot stand gekomen, de eerste fase richt zich op kwaliteitsverbetering van stikstofbelaste Natura 2000-gebieden. In Zeeland zijn dat de 1) Kop van Schouwen, 2) Manteling van Walcheren, 3) Yerseke en Kapelse Moer, 4) Zwin en Kievittepolder, 5) Grevelingen, 6) Oosterschelde, 7) Groote Gat, 8) Canisvliet, 9) Westerschelde & Saefthinge, 10) Krammer-Volkerak. De Vogelkreek is in de eerste fase van het Programma Natuur niet meegenomen, maar uit de opgestelde NDA blijkt voor de Vogelkreek een stikstofgevoeligheid (zie bijlage 2) en de noodzaak tot aanvullende maatregelen. Om die reden is de Vogelkreek in de tweede fase van het Programma Natuur toegevoegd. Het Programma Natuur richt zich op de periode 2021 tot en met 2030. Het programma is onderverdeeld in twee fases. De eerste fase loopt tot 2023 waarbij de maatregelen die in de eerste fase geformuleerd zijn tot 2025 mogen worden uitgevoerd. De tweede fase start in 2024 en kent een looptijd tot en met 2030. De eerste fase wordt nu uitgevoerd en is geen onderdeel van dit gebiedsprogramma. 8.3.1 Programma Natuur, tweede fase De tweede fase van het Programma Natuur, en haar maatregelen, zijn integraal onderdeel van dit gebiedsprogramma (en wordt als bijlage bij deel III bijgevoegd).
De tweede fase van het Programma Natuur richt zich net als de eerste fase op de natuur in en rond de beschermde Natura 200037
gebieden. In de tweede fase wordt ingezet op de structurele aanpak van de stikstofbelaste Natura 2000-gebieden en hun directe omgeving. Hierbij wordt gekeken naar het gehele systeem en alle verstoringsfactoren teneinde een goede staat van instandhouding te bereiken. In de tweede fase is net als in de eerste fase gebruik gemaakt van een overprogrammering. Bij de uitvoering van de eerste fase van Programma Natuur hebben we gemerkt dat dit noodzakelijk is. De maatregelen uit de NDA’s zijn meegenomen in de tweede fase van het Programma Natuur. Ook de maatregelen uit de eerste fase zijn overgenomen omdat nu nog niet te voorspellen is welke maatregelen voor 2025 daadwerkelijk getroffen zijn en er sprake was van overprogrammering. Voor de tweede fase is een bedrag van €85.648.392,- (inclusief overprogrammering) geprogrammeerd. Bij het treffen van de maatregelen zal eerst zoveel mogelijk gekeken worden naar de mogelijkheden van systeemherstellende maatregelen en noodmaatregelen om de effecten van de drukfactoren zoveel mogelijk te mitigeren. Waarbij prioriteit gegeven wordt aan de meest belaste gebieden. Op basis van de eerder landelijk gemaakte afspraken is voor de Provincie Zeeland voor de eerste fase programma natuur een bedrag van 20 miljoen beschikbaar en voor de tweede fase Programma Natuur een bedrag van 44 miljoen.
8.4 VHR-doelen 8.4.1 Doelen: Het Rijk rapporteert richting Europa over de realisatie van de VHR-doelen in Nederland. Dat beperkt zich niet tot de aangewezen instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebieden maar gaat over de hele natuur. Met de actualisatie Natura 2000-doelen en het NPLG wordt deze landelijke benadering over de gehele VHR ook doorvertaald naar de regio. Daarbij wordt uitgegaan van de wettelijke verplichting van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Daarin staat dat voor 2030 natuurherstel heeft plaatsgevonden om 30% van het gat naar een gunstige staat van instandhouding te overbruggen. Wat houdt dit doel voor 30% natuurherstel in: Uiterlijk moeten voor 2030 maatregelen worden getroffen voor: o 30% van het in goede conditie te brengen areaal en o 30% van het te ontwikkelen areaal dat noodzakelijk is voor een gunstige staat van instandhouding van habitattypen en leefgebieden van soorten. Het opnemen van maatregelen opdat in 2030 voor ten minste 30% van in een ongunstige staat van instandhouding verkerende VHR-soorten en habitattypen een landelijk gunstige staat van instandhouding wordt bereikt dan wel een sterk positieve trend in gang is gezet. Uiterlijk moet in 2030 de landelijke negatieve trends van alle VHR-soorten en –habitattypen zoveel mogelijk worden gestopt.
Het Rijk heeft bepaald wat de landelijk gunstige staat van instandhouding van de VHR doelen inhoudt en heeft deze doelen indicatief door vertaald naar de Zeeland. Dit betekent dat Zeeland doelen heeft voor 17 habitattypen; 14 habitatsoorten en 70 vogelsoorten (zowel broedvogel als nietbroedvogel). Voor deze typen en soorten zijn doelen gedefinieerd in oppervlakte, kwaliteit, de draagkracht van leefgebieden, verspreiding of aantallen. Momenteel wordt voor al deze doelen samen met het Rijk uitgezocht in hoeverre de indicatieve opgave haalbaar is voor Zeeland. Duidelijk is dat de grootste opgave voor Zeeland ligt bij de kenmerkende habitattypen van slik en schor, de binnendijkse zilte graslanden, de duinen en het agrarisch gebied. Voor de soorten moet je denken aan de kustbroedvogels, kruipend moerasscherm, de nauwe korfslak, de patrijs en de veldleeuwerik.
38
De VHR-doelen zijn tot nu toe uitsluitend gekoppeld aan de Natura 2000-gebieden, maar alleen met het beschermen van de doelen binnen deze gebieden, gaat de landelijke gunstige staat van instandhouding niet worden bereikt. Het NNZ is eveneens van groot belang en levert zeer zeker een bijdrage aan het doelbereik. Ons uitgangspunt is dat het verbeteren van de biodiversiteit zoveel mogelijk binnen de Natura 2000-gebieden en het NNZ wordt gerealiseerd. Maar dit is geen doelstelling op zichzelf. Het gaat bij leefgebieden van soorten niet alleen om natuurgebieden. Deze leefgebieden zijn zeer divers en kunnen liggen binnen het stedelijk- en landelijk gebied of gebonden zijn aan water, denk bijvoorbeeld aan weidevogels of vleermuizen. Ook de Zeeuwse dijkenstructuur, de wegbermen, het bebouwde gebied en de agrarische natuur leveren een bijdrage aan de biodiversiteit van Zeeland. Een deel van de VHR doelen heeft betrekking op agrarisch natuurbeheer (open akkerlandschap en open graslandschap)en is bedoeld als leefgebied van onder andere de patrijs, veldleeuwerik, kluut, kievit en scholekster. Deze vogels zijn een wezenlijk onderdeel van de beleving van het Zeeuwse landschap. In Zeeland is het agrarisch natuurbeheer hiervoor het in te zetten instrument.
Agrarisch natuurbeheer is, naast de bijdrage die het levert aan bijvoorbeeld weidevogels, akkervogels en wintergasten, ook van belang voor de realisatie en beheer van de groenblauwe dooradering (hierna: GBDA) en kruidenrijke randen en de akkers en sloten die zowel de biodiversiteit als de waterkwaliteit bevorderen. De mogelijkheden voor GBDA staan omschreven in deel II (structurerende keuzes) van het gebiedsprogramma. 8.4.2 Huidige situatie Momenteel kunnen wij nog geen uitspraken doen over de haalbaarheid van de indicatieve opgave zoals het Rijk die heeft geformuleerd. Op basis van de kennis die er is, blijkt dat enkele van de aan Zeeland toebedeelde VHR-doelen niet realistisch zijn of dat de maatregelen die daarvoor nodig zijn onmogelijk uitgevoerd kunnen worden. Wel hebben wij een goed beeld van knelpunten en kansen van de mogelijk haalbare doelen. Voor deze habitattypen blijkt verdroging, een te hoge stikstofdepositie, de waterkwaliteit en soorten die van elders komen en de natuur verstoren – invasieve exoten – de voornaamste knelpunten. Stikstofdepositie leidt tot verzuring en/of vermesting, die vaak worden versterkt door verdroging. Het herstel van de aanwezige habitattypen of ontwikkeling van nieuwe standplaatsen wordt hierdoor moeilijker.
Voor de soorten zijn de belangrijkste knelpunten voedselbeschikbaarheid (biodiversiteit), peilbeheer, omvang en versnippering van de leefgebieden, verstoring, predatie (bedreiging door andere dieren) en klimaatverandering. De voedselbeschikbaarheid heeft voornamelijk te maken met de beschikbaarheid of bereikbaarheid van prooisoorten, waaronder insecten, wormen, waterdiertjes, vissen en kleine zoogdieren. De overige genoemde knelpunten gaan over de geschiktheid van het leefgebied voor de doelsoorten als geheel, qua kwaliteit, omvang en onderlinge verbondenheid. In dit gebiedsprograma zit geen vorostel voor de realisatie van de indicatieve opgave vanuit het Rijk. 8.4.3 Agrarisch natuurbeheer Het huidige agrarisch natuurbeheer wordt succesvol uitgevoerd via het agrarisch collectief Poldernatuur Zeeland (ANLb regeling) en middels gebiedsgerichte projecten als PARTRIDGE, waarin natuurorganisaties en agrariërs nauw samenwerken. Het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer (hierna: ANLb) is vanaf 2016 georganiseerd via het collectieve stelsel ANLb. De huidige uitvoering van het ANLb wordt landelijk gezien als een succesvolle en goed georganiseerde wijze van natuurbeheer in het agrarisch gebied. Met de leefgebieden benadering wordt het leefgebied optimaal ingericht.
Het gaat in Zeeland om akkerranden, vogelakkers, (botanisch) grasland en landschapselementen zoals hagen, knotbomen en poelen. Het ANLb wordt voor een groot deel 39
gefinancierd vanuit het EU GLB budget. Nationale financiering is gedekt middels het Natuurpact uit het provinciefonds en wordt aanvullend gefinancierd vanuit de Provincie Zeeland en waterschap Scheldestromen. Jaarlijks is meer vraag naar het agrarisch natuurbeheer dan dat er middelen beschikbaar zijn. PARTRIDGE is een project dat zich specifiek richt op de patrijs maar waar andere soorten wel op meeliften. Het is een Europees project waar in tien leefgebieden (waaronder Schouwen-Duiveland, 500 ha) betere leefomstandigheden voor de patrijs gecreëerd worden. Een patrijs kan alleen overleven als de omstandigheden tijdens alle seizoenen goed zijn. De maatregelen die vanuit het project getroffen worden zijn winterstoppels, keverbanken, bloemenblokken, wintervoeding, patrijzenhagen en insectenrijk grasland. 8.4.4 Aanpak op hoofdlijnen Hoewel de concrete opgave nog niet geheel duidelijk is, is wel duidelijk dat de overbrugging van 30% van het gat tussen de huidige staat van instandhouding en een gunstige staat van instandhouding voor alle VHR-beschermde habitattypen en soorten tot 2030 moet worden gerealiseerd. Daarvoor zetten we in op no regret maatregelen zoals het verstevigen van al lopende programma’s en activiteiten.
Dat gaat om de Natura 2000-beheerplannen, de actualisatie en realisatie van het NNZ, Programma Natuur, de GBDA, de bossenstrategie, het agrarisch natuurbeheer, experimenteergronden landbouw-natuur en de zoetwateropgave. Tevens gaan we aan de slag met het wegnemen van de belemmerende factoren en het op orde brengen van de omgevingscondities voor VHR-beschermde habitattypen en soorten die op dit moment nog niet in een landelijk gunstige staat van instandhouding verkeren. Ook kunnen er nu al maatregelen ter verbetering van de kwaliteit en of uitbreiding van het habitattype en of leefgebied voor beschermde soorten worden genomen die een bijdrage leveren aan het bereiken van de gunstige staat van instandhouding. Komende jaren worden gebruikt om deze kennisleemte op te lossen, zodat maatregelen ingezet kunnen worden voor een effectief natuurherstel, onderdeel hiervan is de extra inzet op de herziening van de Zeeuwse ambitiekaart. Het doel is dat deze herziene ambitiekaart beter kan dienen als sturingselement. In een volgende versie van het gebiedsprogramma zullen de resultaten van de herziening bekend zijn. Omdat er jaarlijks meer vraag dan aanbod is voor de deelname aan het agrarisch natuurbeheer zijn er wel direct al kansen voor de realisatie van extra hectares agrarische natuur in de komende jaren.
Hiervoor is het ook noodzakelijk dat de ruimte binnen het collectief Poldernatuur Zeeland ontstaat. Daarnaast wordt er gekeken of er meer integrale projecten naar voorbeeld van PARTRIDGE kunnen worden (door)ontwikkeld die de meest kwetsbare akkervogels beschermen door het stimuleren van natuurinclusieve landbouw. Naast de bestaande ANLb regeling15 wordt ook ingezet op het opzetten van een stoppel project in Zeeland. Wat gaan we doen op de korte termijn: In samenwerking met het Rijk verder uitwerken van de concrete VHR opgave voor Zeeland in haalbare en uitlegbare doelen. Van start gaan met het inventariseren van de kennisleemtes en invulling geven aan het oplossen van deze kennisleemtes; Alvast van start met no-regret maatregelen (zoals uitgewerkt in deel III, natuur, van het gebiedsprogramma - maatregelpakketten)
15
https://www.rvo.nl/onderwerpen/glb/anlb
40
8.5 Bossenstrategie In de Nationale Bossenstrategie16 (2020) hebben Rijk en Provincies afgesproken om maatregelen te treffen die bijdragen aan biodiversiteitsherstel in het Nederlandse bos en die zorgen voor meer CO2opslag. Daarnaast zorgen de maatregelen voor aanvullende ecosysteemdiensten, zoals verbeterde waterkwaliteit (KRW), ruimte voor recreatie en een bijdrage aan de circulaire economie. Door de Bossenstrategie uit te voeren via het NPLG, kunnen integrale keuzes worden gemaakt in de gebiedsplannen, met het oog op natuur, water en klimaat. 8.5.1 Nationaal; Bossenstrategie Om de klimaatdoelen voor 2030 te behalen en een bijdrage te leveren aan beekherstel, is het noodzakelijk om de gehele Bossenstrategie uit te voeren. De totale opgave voor de 37.400 ha bosuitbreiding is als volgt ruimtelijk verdeeld: - 15.000 ha nieuw bos binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) via Natuurpact. - 3.400 ha nieuw bos (ter compensatie van bos dat is verdwenen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof) via het Programma Natuur. - 19.000 ha extra bos buiten het bestaande en nog te realiseren NNN. Voor deze opgave worden de Provincies gevraagd in juli 2023 te komen tot doelen per provincie die optellen tot het landelijk doel.
8.5.2 Provinciaal; De Zeeuwse Bosvisie In Zeeland is de opgave voor meer bos en houtige elementen reeds enkele jaren geleden ingezet middels De Zeeuwse Bosvisie17 en het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied18. De Zeeuwse Bosvisie is een regionale vertaling van de Nationale Bossenstrategie, vanuit een landschappelijke en ecologische ruimtelijke insteek welke met alle relevante partners is vormgegeven. In Zeeland kennen we zowel klei- als zandbodems. De Bosvisie heeft als doel vanuit het landschap geredeneerd kansrijke gebieden te duiden voor bosontwikkeling. Wij beschouwen alle opgaande, houtige beplantingen als bos. Dit is een vrij brede definitie van bos. Zeeland heeft nu circa 4.100 ha bos, maar kenmerkt zich op veel plekken door een open landschap. Toch zijn bomen en struiken sterk bepalend voor het karakter van het Zeeuwse landschap, zoals hagen, weg- en dijkbeplantingen, duinbossen, knotwilgen en hakhoutsingels. De opgave betreft 410 ha. Binnen (205 ha), buiten (205 ha) het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) en 4 ha compensatieopgave. Deze lijn wordt voortgezet, verbreed met doelen van het NPLG, wat zich in het gebiedsprogramma toespitst op de volgende thema’s; - Opgaande bossen - Lagere bostypes - Houtige landschapselementen De maatregelen voor Zeeland richten zich op de opgave buiten het Natuurnetwerk Zeeland, dit betreft 205 ha.
In de Bossenstrategie staat dat Provincies met een uitvoeringsplan komen voor de invulling van de kwaliteitsimpuls voor het bos. Deze plannen zijn momenteel in de maak, de plannen worden in 2023 gereed gemaakt. 8.5.3
Kansenkaart
16
Ontwikkeldocument Nationaal Programma Landelijk Gebied, Rijksoverheid, 25 november 2022 De Zeeuwse Bosvisie, Provincie Zeeland, 2020 18 Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030, Provincie Zeeland, 10 juni 2021 17
41
Voor Zeeland zijn kansrijke gebieden voor realisatie van bos en houtige landschapselementen verzameld. Ook huidige ontwikkelingen zijn daarin meegenomen. Deze zijn vertaald naar één samenhangend kaartbeeld voor de gehele provincie; de kansenkaart bos en houtige landschapselementen. 8.6 Natuurnetwerk Zeeland Opgave In het Natuurpact (2013) is afgesproken dat de Provincies uiterlijk in 2027 minimaal 80.000 ha nieuwe natuur in het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) realiseren. Inmiddels is hier 45.000 ha van gerealiseerd, maar blijft nog een grote landelijke opgave van 34.432 ha over. De restantopgave per provincie maakt deel uit van het NPLG. Financiering hiervan is al voorzien in het Natuurpact. De verwervingsopgave voor Zeeland bedraagt 565 ha (dd. 1-1-2023).
Fig. 12 Kansenkaart Zeeuwse bosvisie
In Zeeland is de afgelopen decennia hard gewerkt aan de realisatie van het NNZ. Mede hierdoor is de resterende opgave voor Zeeland in verhouding klein en lopen we naar verhouding voor op het landelijk gemiddelde. Doel In figuur 13 is de voortgang van de verwervings- en inrichtingsopgave te zien over de afgelopen jaren. Hierin is te zien dat er vooruitgang wordt geboekt. Momenteel wordt er door zowel de Provincie Zeeland als onze partners gewerkt aan de realisatie van het NNZ. Gronden/kansen die nog niet verworven en ingericht zijn, worden nauwgezet gevolgd. Deze worden in figuur 1 gearceerd weergegeven. Mede door deze kansen, is de prognose dat met de huidige strategie de gronden voor het NNZ in 2027, grotendeels verworven zijn. De inrichting volgt logischerwijs op de verwerving, deze zal doorlopen tot na 2027. Van belang is en blijft dat de inzet is; de juiste percelen verwerven om kwaliteit te realiseren (en niet zozeer kwantiteit als doel te stellen).
Fig. 13 Weergave verwervings- en inrichtingsopgave Natuurnetwerk Zeeland
42
Voor het behalen van de opgave voor het NNZ zijn uitgangspunten, aanpak en acties geformuleerd in de Omgevingsvisie Zeeland, Natuurvisie, Nota Grondbeleid en het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied. Deze zijn samengevoegd en verder uitgewerkt in de in december 2022 vastgestelde Realisatiestrategie NNZ 2023-2027 (zie bijlage 3). Verwacht wordt dat er met deze strategie een restantverwervingsopgave van 150 ha blijft in 2027. 8.7 Beheerplannen In Zeeland zijn beheerplannen waarvoor de Provincie Zeeland voortouwernemer is vastgesteld voor alle Natura 2000-gebieden met uitzondering van de Manteling van Walcheren en de Kop van Schouwen. Voor de twee laatste gebieden is de vaststelling van de beheerplannen in voorbereiding. De verwachting is dat het beheerplan voor de Kop van Schouwen medio 2023 wordt vastgesteld. De vaststelling van het beheerplan voor de Manteling van Walcheren zal dan in het najaar van 2023 volgen. De andere beheerplannen waarvoor de Provincie verantwoordelijk is zijn in 2017/2018 vastgesteld en lopen tot 2023/2024. In 2023 wordt gestart met het opstellen van nieuwe beheerplannen voor deze gebieden of de procedure tot het verlengen van het bestaande beheerplan als er weinig aanpassingen nodig zijn.
Vanwege de zoet – zout discussies rondom het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak en de gevolgen daarvan op het Natura 2000-gebied Zoommeer ligt er voor deze gebieden momenteel geen definitief Aanwijzingsbesluit. Het voortouw voor het opstellen van deze Natura 2000 beheerplannen ligt bij Rijkswaterstaat. Dit proces om tot een beheerplan te komen is nog niet opgestart, omdat er nog geen definitieve aanwijzing. Wel heeft RWS een natuurdoelanalyse (NDA) opgesteld op basis van de ontwerp-instandhoudingdoelstellingen voor de Krammer-Volkerak. Rijkswaterstaat heeft met instemming van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) en de Provincie Zeeland besloten de looptijd van de huidige beheerplannen met zes jaar te verlengen.
43
9. Stikstofopgave Deze opgave valt binnen het kerndoel voor natuur, om de natuur te verbeteren is het onder andere nodig om de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te verminderen. Deze opgave is vastgelegd in de Wsn. In de Wsn is een kwantitatieve doelstelling, de omgevingswaarde, opgenomen om de landelijke stikstofdepositiereductie te behalen. Dit is uitgedrukt in een specifiek percentage areaal stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden die niet meer is overbelast door stikstof. Ook zijn hiervoor een drietal realisatietermijnen opgenomen, namelijk de jaren 2025, 2030 en 2035: Jaar 2025 2030 2035
Omgevingswaarde 40% 50% 74%
Tabel 8 Te halen omgevingswaarde per jaar
Alle maatregelen in de provinciale gebiedsprogramma’s samen moeten resulteren in de landelijke reductiedoelstelling uit de Wsn, namelijk 74% van het areaal met stikstofgevoelige habitats, binnen de Natura 2000-gebieden onder de Kritische Depositiewaarde (hierna: KDW). Daarnaast zijn er voor de sectoren industrie en energie, mobiliteit en landbouw landelijke indicatieve reductie doelstelling vastgesteld in de kamerbrief van 12 februari 2023. Deze landelijke reductiedoestellingen voor NH3 en NOx zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Sector Industrie en energie - NOx Mobiliteit - NOx Landbouw – NH3
Indicatieve reductie o.b.v. sectordoelen 2019-2030 38 % 25 % 41 %
Tabel 9 Indicatieve reductie per sector
In de Startnotitie NPLG van 10 juni 202219 is, naast het veelbesproken kaartje, in de bijlage ook een tabel opgenomen met richtinggevende emissiereductiedoel per provincie. Dit richtinggevende doel, 631 ton in 2035 voor Zeeland, betreft de NH3 emissie uit de veehouderij. In de Startnotitie staat daarnaast dat: “bij de modelmatige berekening is gerekend met de uitstoot van NH3 (ammoniak) vanuit de landbouw (veehouderij). Er is ruimte in de gebiedsprocessen voor maatwerk, bijvoorbeeld om de doelstellingen voor een deel in te vullen met reductie in andere sectoren (zoals industrie) waar dit even effectief, dan wel effectiever is”. In Zeeland gaan wij uit van maatwerk, alle sectoren dragen bij én we kijken ook naar de uitstoot van NOx. Dit betekent dat wij in Zeeland streven naar een reductie van stikstofemissie van 631 ton NH3/NOx in 2035. 9.1 Opbouw stikstofdepositie provincie Zeeland Onder andere uit de Natuurdoelanalyses volgt dat de overbelasting van stikstofdepositie een belangrijke drukfactor is op de natuur. Niet alle natuurgebieden in Zeeland zijn stikstofgevoelig en niet alle natuurgebieden zijn overbelast. Hieronder wordt op een kaart aangegeven welke Natura 2000-gebieden in Zeeland stikstofgevoelig zijn en in welke mate deze overbelast zijn.
19
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/06/10/startnotitie-nplg-10-juni-2022
44
Fig. 14 Stikstofgevoelige gebieden Zeeland (op basis van dataset 2022)
De herkomst van de stikstofdepositie en de afstand tot de Kritische Depositie Waarde is, per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied opgenomen in bijlage 4. Deze percentages zijn gebaseerd op de autonome ontwikkelingen en de Klimaat- en Energieverkenning (KEV). In het algemeen kan in Zeeland gesteld worden dat we te maken hebben met veelal moeilijk beïnvloedbare stikstofbronnen. Dat wordt ook duidelijk aan de hand van onderstaande opbouw van stikstofdepositie:
Nederland Opbouw stikstofdepositie
Fig. 15 Opbouw stikstofdepositie Nederland
45
Zeeland Opbouw stikstofdepositie
Fig. 16 Opbouw stikstofdepositie Zeeland
NB. In de cirkeldiagrammen op de vorige pagina is de meetcorrectie niet opgenomen. Dit is het verschil tussen de berekende en de gemeten stikstofdepositie. De gemeten concentratie ammoniak (en daarmee de depositie) is volgens de gemeten waarde hoger dan wat het model voorspelt. Zeeland heeft daarom te maken met een flinke meetcorrectie. Deze is in omvang bijna even groot als de berekende bijdrage van de landbouw, al verschilt de omvang na elke (jaarlijkse) aanpassing van AERIUS. In het depositieoverzicht is de meetcorrectie niet als aparte bron terug te vinden. De bij deze bron behorende tonnen stikstof worden naar rato verdeeld over de andere sectoren. Voor Zeeland betekent dit dat het overgrote deel toebedeeld wordt aan de bronnen landbouw en buitenland. In overleg met de andere kustprovincies is aan het RIVM gevraagd om in beeld te brengen waar het verschil tussen de berekende en gemeten waarde vandaan komt. Op deze vraag wordt eind van dit jaar antwoord verwacht. Mogelijke aanpassingen aan het AERIUS model worden dan verwacht aan het eind van 2025. 9.1 Alle sectoren dragen bij De focus van het landelijke generieke beleid is – naar onze mening onterecht – overwegend gericht op het behalen van reductie in de landbouwsector, en dan voornamelijk de veeteelt. Deze aanpak doet geen recht aan de werkelijkheid, in ieder geval niet in Zeeland waar de sector landbouw (zie fig.
16) een veel kleiner aandeel heeft dan gemiddeld in Nederland. In Zeeland is zoals bekend het buitenland verantwoordelijk voor de grootste bijdrage in de depositie op de Zeeuwse Natura 2000gebieden. Zowel GS als PS hebben in september 2022 besloten dat alle sectoren een bijdrage moeten leveren aan de opgave tot stikstofreductie. Hiernaar streven is belangrijk voor het benodigde draagvlak om daadwerkelijk samen stappen te zetten. Zoals eerder gesteld houden wij als richtinggevend reductiedoel 631 ton NH3/NOx aan in 2035 aan. Vanaf paragraaf 9.4 wordt per sector de opgave en het doel beschreven, in deel III zijn de benodigde maatregelen uitgewerkt. 9.2 Vergunningverlening De bouw van een woning, het uitbreiden of oprichten van een bedrijf, het aanleggen van een weg of het veranderen van een bestemmingsplan. Dit zijn voorbeelden van projecten of plannen (hierna: handelingen) die aan de Wnb getoetst moeten worden. Wanneer een handeling mogelijk een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied(en) 46
veroorzaakt, bijvoorbeeld omdat er een toename in stikstofdepositie veroorzaakt wordt, dient er een vergunning in het kader van de Wnb (hierna: natuurvergunning) aangevraagd te worden. Tijdens het toetsen van deze aanvragen, kijkt het bevoegd gezag of een handeling de natuur verder zou beschadigen wanneer het uitgevoerd zou worden. Het bevoegd gezag voor de natuurvergunningen is over het algemeen de Provincie, enkele uitzonderingen daargelaten (bijvoorbeeld handelingen aan een rijksweg of luchthaven). 9.2.1 Directe en indirecte effecten op Natura 2000-gebieden De Provincie kijkt eerst of een handeling direct effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Bij een direct effect moet gedacht worden aan bijvoorbeeld het fysiek verwijderen van natuuroppervlakte uit een gebied, omdat er bijvoorbeeld een nieuw fietspad moet komen. Het is aan de Provincie om te beoordelen of deze handeling een significant negatief effect heeft op de gezondheid van het gehele Natura 2000-gebied en of de doelstellingen die voor het Natura 2000-gebied zijn beschreven nog behaald kunnen worden na de handeling. Daarnaast kijkt de Provincie ook naar indirecte effecten van handelingen op Natura 2000-gebieden. Dit komt met name door werkzaamheden en bedrijfsvoering waar stikstof in de vorm van NH3 en NOx bij uitgestoten wordt.
Wanneer een aanvrager van plan is een handeling uit te voeren die niet in of direct naast een Natura 2000-gebied gelegen is, dienen zij alsnog te onderzoeken of er geen indirecte effect veroorzaakt wordt door bijvoorbeeld stikstofdepositie. Dit kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dat Natura 2000-gebied veroorzaken, vooral wanneer de natuur die daar voorkomt gevoelig is voor te veel stikstof. 9.2.2 Wanneer is een natuurvergunning nodig? Voor handelingen die een direct effect veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen zal een natuurvergunning benodigd zijn. Tenzij het gaat om natuurherstelmaatregelen die vastgelegd zijn in het beheerplan van een specifiek Natura 2000-gebied en die worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Wanneer een toename van stikstofdepositie veroorzaakt wordt, zullen de initiatiefnemers een natuurvergunning aan moeten vragen. Tenzij in de ecologische voortoets aangetoond kan worden dat significante negatieve effecten op voorhand uitgesloten kunnen worden. Is er op de locatie waar de handeling wordt uitgevoerd in het verleden een vergunning verleend, dan kan deze gebruikt worden om mee te salderen. Dit noemen we intern salderen.
Mocht er na salderen nog steeds een zeer kleine toename berekend worden dan zou het in sommige specifieke gevallen ecologisch onderbouwd kunnen worden dat significant negatieve effecten door deze kleine toename op voorhand uitgesloten kan worden. Dit is echter heel locatie specifiek. 9.2.3 Knelpunten voor vergunningverlening in Zeeland Met betrekking tot stikstof verkeren in Zeeland de duingebieden in de meest kritische toestand. Deze natuurgebieden zijn zwaar overbelast en kunnen geen toename in stikstofdepositie aan. Dit wordt aangetoond in de NDA’s die de Provincie of Rijkswaterstaat heeft gemaakt. Wanneer handelingen een toename in stikstofdepositie op de Zeeuwse duingebieden veroorzaken, dan zal aan de hand van een voortoets aangetoond moeten worden of significante negatieve effecten op voorhand uitgesloten kunnen worden. Zo niet, dan zal een natuurvergunning benodigd zijn. De kans dat dat een natuurvergunning verleend kan worden is dan echter klein. Dit komt doordat deze natuurgebieden zeer gevoelig zijn voor stikstof en stikstof in deze gebieden ook vaak een van de hoofdknelpunten is. In specifieke gevallen zou het verlenen van een vergunning wellicht met een zeer lage (en bijvoorbeeld tijdelijke) toename aan stikstofdepositie nog kunnen, maar dit moet altijd per project en locatie apart beoordeeld worden.
47
9.2.4 Extern salderen in de provincie Zeeland Wanneer een toename in stikstofdepositie veroorzaakt wordt, kan extern salderen een mogelijkheid bieden om alsnog een vergunning te krijgen. Hierbij wordt de toename in stikstofdepositie gecompenseerd door de stikstofruimte van externe bedrijven over te nemen. Echter, de Provincie, heeft te maken met een aantal duingebieden. Om extern salderen in te kunnen zetten wanneer depositie op deze duingebieden veroorzaakt wordt, zal aangetoond moeten worden dat de vrijgekomen stikstofruimte niet nodig is om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen20. 9.3 Realiseren klimaatdoelstellingen In het Klimaatakkoord van Parijs is in 2015 afgesproken dat de opwarming van de aarde wordt beperkt tot minder dan twee graden Celsius ten opzichte van het pre-industriële tijdperk. Het kabinet heeft dit vervolgens vertaald naar het Klimaatakkoord. Hierin is afgesproken dat er in Nederland in 2030 49% minder CO2 wordt uitgestoten vergeleken met 1990. In 2050 moet dit ongeveer 95% minder CO2 zijn. De Provincie Zeeland heeft de Klimaatafspraken van Parijs en het landelijk Klimaatakkoord vervolgens vertaald naar de Zeeuwse situatie: ‘Parijs op z’n Zeeuws’. Deze vertaling is de RES 1.0 die in 2020 door de Zeeuwse overheden is vastgesteld.