Inkomend - Provincie Zeeland - Zeeuws Gebiedsprogramma 2023 - Deel 1 Opgaven
Tekst van het document
In de RES staat welke keuzes we in Zeeland maken als het gaat om energiebesparing, duurzame opwek van elektriciteit, de inzet van mogelijke warmtebronnen, de opslag en het transport van elektriciteit, toepassingen van waterstof en de inzet van duurzame oplossingen voor mobiliteit. Het Cluster Energie Strategie 2.0 van de Schelde Delta Regio voorziet in de randvoorwaarden voor de verduurzaming van de Zeeuwse industrie. 9.3.1 Opgave Om de doelstellingen t.a.v. CO2-reductie te halen wordt o.a. ingezet op meer inzet van duurzame en groene energie. Dus toepassen van wind- en zonne-energie en waterstof i.p.v. het gebruik van fossiele brandstoffen als olie en aardgas. Om dit te realiseren wordt – in ieder geval – de industriesector de komende jaren geconfronteerd met een flinke (ver)bouwopgave. Huidige installaties moeten worden omgebouwd om ze geschikt te maken voor het gebruik van andere typen energie. Om het gebruik van grote hoeveelheden duurzame en hernieuwbare energie mogelijk te maken zal daarnaast ook het (energie) systeem flink onder handen moeten worden genomen. Denk aan de nieuwbouw van nieuwe hoogspanningsstations, het uitbreiden van bestaande stations, de bouw van waterstoffabrieken en het aanleggen en ombouwen van onder- en bovengrondse infrastructuur om al deze energie te kunnen transporteren. En dit speelt al op vrij korte termijn.
9.3.2 Uitdaging Bij het uitvoeren van werkzaamheden die nodig zijn om de energietransitie te realiseren zal in meer of mindere mate sprake zijn van uitstoot plaatsvinden van CO2, NOx en andere stoffen zoals fijnstof. Dat geldt ook voor de gebruiksfase. Wanneer bij projecten de verwachting is dat deze werkzaamheden een significant nadelig effect hebben op de met stikstof overbelaste Natura 2000gebieden is een vergunning nodig op grond van de Wnb. De Provincie is hiervoor bevoegd gezag. Gelet op de huidige problematiek rondom vergunningverlening op dat vlak is het reëel te veronderstellen dat vergunningverlening voor dergelijke activiteiten (bouw en exploitatie) niet in alle gevallen vanzelfsprekend zal zijn. In ieder geval niet zolang er geen maatregelen worden genomen (wet- en regelgeving en/of fysiek). Daarmee staan we voor een flinke en lastige uitdaging waarbij ook sprake is van een gevoel van tegenstrijdigheid: om invulling te kunnen geven aan de doelstellingen van de energietransitie moeten maatregelen worden getroffen. Maar het realiseren daarvan wordt erg bemoeilijkt omdat vergunningverlening zeer lastig is grond van huidige wet- en regelgeving m.b.t. de stikstofopgave. 20
https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RVS:2021:2627
48
Dat gevoel wordt versterkt omdat nadat de werkzaamheden zijn gerealiseerd er sprake zal zijn van significante afname van uitstoot van CO2 en NOx. Zowel bij de bedrijven die zorgen voor productie van hernieuwbare energie, maar ook in de keten bij de bedrijven die deze energie vervolgens toepassen in hun bedrijfsvoering. 9.3.3 Vraagstuk Om invulling te geven aan de klimaatdoelstellingen is het randvoorwaardelijk dat er maatregelen getroffen worden om de omslag te kunnen maken naar het toepassen van duurzame en hernieuwbare energie. De vraag is op welke manier dat mogelijk is in het kader van het huidig juridisch kader ten aanzien van de stikstofopgave. Welke mogelijke oplossingen zijn er en welke partijen spelen daarbij een rol. Maar ook wat er absoluut niet kan en of er mogelijk sprake is van tegenstrijdige belangen met betrekking tot doelstellingen op andere beleidsvelden zoals natuur, woningbouw, de (vaar)weginfrastructuur, landbouw en niet te vergeten de PAS-melders. De Provincie heeft hierin een grote rol omdat ze bevoegd gezag zijn met betrekking tot het verlenen van vergunningen op grond van de Wnb. 9.4 Landbouw Zeeland is een van de grotere landbouwprovincies, Zeeland is met name een akkerbouwprovincie van Nederland. In totaal telt Zeeland ongeveer 2.700 landbouwbedrijven, waarvan zo’n 80% akkerbouwbedrijf is21.
Door het geringe aantal (intensieve) veehouderijen is de impact, op de sterk overbelaste duingebieden, gering zo blijkt uit verschillende berekeningen.22 In Zeeland is gesteld dat alle sectoren bijdragen aan de voorgenomen reductie van stikstof, ook de landbouw zal haar bijdrage leveren. Daarbij vooropgesteld dat een landbouwperspectief en middelenpakket noodzakelijk zijn in het verhaal van natuurherstel, water en klimaat. Evenwicht is noodzakelijk. Fig. 17 Overzicht inzake emissie en depositie In Zeeland is de transitie naar volhoudbare (bron: www.rivm.nl/stikstof) landbouw23 enkele jaren geleden ingezet. Deze lijn wordt voortgezet, verbreed met doelen van het NPLG, wat zich in het gebiedsprogramma toespitst op de volgende thema’s; - Bodem en mest - Zoet water - Functionele agrobiodiversiteit/gewasbescherming
9.4.1 Bodem en mest De bodem vormt letterlijk en figuurlijk de basis van het agrarisch bedrijf. Goed bodembeheer kan bijdragen aan een groot aantal uitdagingen waar de landbouwsector voor staat. Klimaatverandering, verduurzaming en vergroting van biodiversiteit zijn voorbeelden van deze uitdagingen. Daarom wordt naar manieren gezocht om de kwaliteit van de Zeeuwse bodem op peil te houden en te verbeteren. Het organische stofgehalte vormt een belangrijke factor voor een goede bodem, omdat dit effect heeft op het bodem- en plantenleven, de waterhuishouding en de bodemchemie. Nitraat (NO3-) en ammoniak (NH3) komen via het bodem- en watersysteem in het milieu terecht door onder andere de aanwending van mest op landbouwgronden. Het oppervlaktewater in Zeeland 21
Bron: CBS Startdocument Gebiedsproces Natuur en Stikstof Provincie Zeeland, 2022) 23 Zeeuwse Omgevingsvisie, Provincie Zeeland, 2021 Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030, Provincie Zeeland, 10 juni 2021 22
49
bevat hierdoor een te hoge concentratie van nitraat. Ook de vervluchtiging van ammoniak naar de atmosfeer zorgt voor ongewenste stikstofemissie. In bijgevoegd figuur wordt de stikstofkringloop weergeven, waarbij deze processen te zien zijn.
Fig. 18 Stikstofkringloop (bron: BiNaS, pag. 93, tabel G)
9.4.2 Zoet water Vanuit kwantitatief en kwalitatief perspectief vormt zoet water een belangrijke productiefactor voor de landbouw en een belangrijke voorwaarde voor natuur. Met het ontstaan van extremere weerpatronen als gevolg van de klimaatverandering neemt de behoefte aan bescherming tegen zowel wateroverlast als watertekort als -droogte toe. Omdat zoet water voor zowel natuur als landbouw belangrijk is, moet worden gezocht naar een optimale balans tussen het afvoeren en vasthouden van zoet water. De toenemende verzilting van de landbouwgrond vormt daarbij een extra bedreiging. 9.4.3 Functionele agrobiodiversiteit24/gewasbescherming De natuurlijke omgeving is medebepalend in het producerend vermogen van gronden. Functionele agrobiodiversiteit (zowel ondergronds- als bovengronds) is zowel voor de landbouw als voor de natuur van groot belang. Dit belang wordt alleen maar groter wanneer we rekening houden met 24
Functionele agrobiodiversiteit (FAB) is het versterken van het natuurlijke vermogen om ziekten en plagen te beheersen in cultuurgewassen door de biodiversiteit te stimuleren.
50
ontwikkelingen ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen (verbod op middelen) en de toenemende weersextremen (groter risico op plagen). Projecten rondom kruidenrijk grasland en groenbemesters zijn interessant omdat ze als doel hebben om a) de mestgift te verminderen, en b) de uitspoeling van (nitraat)stikstof naar grond- en oppervlaktewater te verminderen. Voor Zeeland zijn vooral de groenbemesters met vlinderbloemigen interessant, gezien het grote aandeel akkerbouw in Zeeland. 9.5 Industrie Opgave Binnen de grenzen van de provincie Zeeland bevinden zich een aantal grote industriële bedrijven die naast CO2 ook stikstof en andere schadelijke stoffen voor het milieu en de leefomgeving uitstoten. Het landelijke generieke bronmaatregelenpakket kent echter geen bronmaatregelen meer voor de industrie. Die waren er bij de start van de landelijke aanpak in het voorjaar van 2020 wel (aanpak piekbelasters industrie) maar het budget dat hiervoor landelijk beschikbaar was, is overgeheveld naar het Versnelde klimaatinvesteringen industrie (VEKI) budget. Dit budget is bedoeld om de energietransitie in de industrie te versnellen. Inmiddels is er voor de stikstofuitstoot door de industrie een aardig budget beschikbaar en werkt het Rijk in overleg met de Provincies aan het opstellen van een plan voor de aanpak van stikstofuitstoot door de industrie. O.a.
met een zogeheten aanpak piekbelasters industrie die naar analogie van de aanpak voor de landbouw wordt opgesteld. Doel Het huidige Kabinet heeft in het Coalitieakkoord opgenomen dat men afspraken wil maken over CO2reductie met de 20 grootste CO2-uitstoters van Nederland. Voor zover deze bedrijven niet vallen onder de aanpak piekbelasters industrie en daarmee dus niet binnen een apart traject vallen, zal in het kader van deze maatwerkafspraken ook worden gekeken naar de mogelijkheden voor structurele reductie van stikstof. Het gaat daarbij om maatregelen die verder en/of sneller gaan dan wat op basis van bestaande wet- en regelgeving moet. En wat in dat verband de tegenprestatie van het Rijk in financiële zin of anderszins is om de maatregelen daadwerkelijk door te voeren Binnen de Provincie Zeeland komen drie bedrijven in aanmerking voor het maken van maatwerkafspraken: DOW Benelux, Yara Sluiskil en Zeeland Refinery. Inmiddels wordt met alle drie de bedrijven overleg gevoerd over maatwerkaanpak. De gesprekken bevinden zich voor alle drie in een andere fase. Voor zover nu bekend worden deze bedrijven niet aangemerkt als industriële piekbelaster en zal er voor hun dus geen apart traject m.b.t. stikstofreductie volgen. Het is dus van belang dat er voldoende aandacht is voor stikstofreductie in de lopende overleggen over maatwerkafspraken.
9.6 Recreatie Opgave Recreatie en toerisme is een belangrijke sector voor Zeeland, met jaarlijks zo’n 19 miljoen overnachtingen en 1,8 miljard aan toeristische bestedingen. Met meer dan 100.000 verblijfsaccommodaties (waarvan ruim 17.000 recreatiegebouwen) en in totaal bijna 350.000 slaapplaatsen, kent de sector een groot ruimtebeslag. Door deze grootschaligheid drukt de sector op onze natuurlijke bronnen en zorgt voor grote afvalstromen. Er is vooral in voorjaar en zomer recreatiedrukte, soms ook in natuurgebieden. Alle verblijfsparken en –accommodaties nemen zo’n 2.320 ha aan oppervlak in. Dit al bestaande ruimtebeslag en de recreatiedruk gaan gepaard met de voorspelling dat het aantal nationale en internationale verblijfstoeristen aan de Nederlandse kust tot 2030 met 56% toeneemt (Nederlands Bureau voor Toerisme & Congressen). Deze groei in recreatiedruk komt met vele andere uitdagingen en transities op de vrijetijdssector af. We hebben 51
onder andere te maken met schaarse ruimte en klimaatverandering. Om een balans te bereiken tussen een vitale vrijetijdssector, omgeving en samenleving, is het ambitiedocument Toekomstbeeld Bestemming Zeeland 2030 opgesteld. Voor een bestemming in balans zijn drie pijlers essentieel: 1) De vrijetijdssector is toekomstbestendig, 2) Toerisme draagt positief bij aan de omgeving en de samenleving en 3) Inwoner en gast hebben een optimale beleving. Met een actieagenda Bestemming Zeeland 2030 worden acties uitgevoerd om deze doelen te bereiken. Eén van de thematische ambities van deze actie-agenda is ‘Duurzaamheid in toerisme is vanzelfsprekend’. Dit thema is door de sector, met als overkoepelend platform Toeristisch Ondernemend Zeeland (TOZ), geprioriteerd om aan te pakken. Doel Zeeland vormt een blauwgroen hart in het verstedelijkt gebied in Noordwest-Europa. Bescherming en beleving van de natuur boven en onderwater is voor inwoners en gasten een belangrijk thema. De ambitie van de sector is dan ook dat bedrijven in de vrijetijdssector doorgaan met het leveren van een betekenisvolle bijdrage aan de Zeeuwse biodiversiteit en zich maximaal inspannen op verduurzaming. Bedrijven in de vrijetijdssector reduceren hun ‘voetafdruk’, emissies en watergebruik maximaal.
Een en ander is mede afhankelijk van de beschikbare capaciteit van de energie-netwerken, beschikbare financiering, subsidies en voldoende exploitatieopbrengsten voor deze hoge investeringen. In de openbare ruimte zijn er voldoende duurzame vervoersmogelijkheden, met bijpassende toeristische infrastructuur (parkeergelegenheden met zonnepanelen, laadpalen, goede ontsluitingswegen rondom recreatie- en natuurgebieden e.d.) om Zeeland te ontdekken, zodat iedereen zijn auto zo veel mogelijk laat staan. Hiervoor wordt geïnvesteerd in een goede inrichting van recreatieve voorzieningen in de openbare ruimte, zoals recreatieve routes e.d. Zeeland is ook buiten het hoogseizoen aantrekkelijk en kent een divers aanbod met lokaal onderscheidend vermogen. Hierdoor is toerisme (meer) in tijd en ruimte verspreid. De recreatiedruk past bij de draagkracht van regio’s en (natuur)gebieden en er is voldoende draagvlak onder inwoners. 9.7 Mobiliteit Opgave De sector mobiliteit is verantwoordelijk voor een deel van de NOx-uitstoot in Zeeland. De mogelijkheden van de Provincie om gericht maatregelen in deze sector te treffen zijn gering. Structurele reductie is daarmee voornamelijk afhankelijk van autonome ontwikkelingen zoals strengere emissienormen voor verbrandingsmotoren en de verdere introductie van elektrische voertuigen.
Op dat vlak zijn de afgelopen decennia al flinke stappen in de goede richting gezet en die trend zal zich naar verwachting alleen maar voortzetten. Doel De Regionale Mobiliteitsstrategie, de Actieagenda Bestemming 2030 en overkoepelend het Schone Lucht Akkoord (hierna: SLA) zien toe op verduurzaming en dan met name op een CO2-reductie. De maatregelen zullen tevens leiden tot een stikstofreductie. Hier is sprake van een meekoppelkans, waarbij de stikstofreductie meelift met de algemene verduurzamingsopgave. Daarnaast heeft de Provincie een doelstelling om de eigen organisatie te verduurzamen. In dat kader streven wij naar het verminderen van de emissies. Hoewel dit niet expliciet over stikstof gaat, betekent een emissiereductie ook vaak een stikstofreductie. 9.8 Scheepvaart In het gebiedsprogramma 0.5 is onder andere het toepassen van walstroom genoemd als maatregel voor de scheepvaart die bijdraagt aan een vermindering van de stikstofemissies en daarmee deposities. 52
In mei 2023 heeft het Ministerie van I&W bekend gemaakt in totaal 180 miljoen beschikbaar te stellen voor de aanleg van walstroom in de vijf zeehavens, waaronder North Sea Port District. Hiervoor is een overeenkomst getekend met het Brancheorganisatie Zeehavens waarin publiek private afspraken over het uitrollen van walstroom zijn vastgelegd. Naast een stikstofreductie zorgt de aanleg van walstroom ook voor minder fijnstof, geur en geluid. Verder heeft North Sea Ports een QuickScan laten uitvoeren naar het potentiële effect op de reductie van stikstofdepositie als gevolg van de realisatie van walstroom voor zeevaart. Uit de QuickScan blijkt dat, uitgaande van een best case scenario, de aanleg van walstroom voor zeeschepen tot een beperkte reductie van de stikstofdepositie leidt op de relevante Natura 2000gebieden. Voor de binnenvaart geldt er een landelijke Subsidieregeling Verduurzaming Binnenvaartschepen (SRVB). Met deze subsidie kan geïnvesteerd worden in nieuwe, schonere motoren of katalysatoren. Verder loopt er een onderzoek naar emissie-eisen voor de binnenvaart. De resultaten worden eind dit jaar bekend. De verwachting is dat met deze subsidieregeling ongeveer 900 schepen een katalysator krijgen.
PBL heeft berekend dat door deze maatregel de stikstofneerslag tussen 2021 en 2030 daalt met 4,2 mol per hectare per jaar in 2030 Op basis hiervan is besloten de maatregel walstroom niet op te nemen in deze versie van het concept gebiedsprogramma. Als er op een later moment meer duidelijk is over de bijdrage aan de doelen, de benodigde investeringen en (het effect van) de landelijke maatregelen, kan in een volgende versie van het gebiedsprogramma walstroom alsnog als maatregel worden opgenomen. Bij het Rijk is wel nagevraagd wat het verwachtte effect op de stikstofemissie is van de aanleg van walstroom voor de zeevaart. De verwachtte emissiereductie draagt bij aan het richtinggevend emissiereductiedoel van 631 ton NH3/NOx in 2035. 9.9 Buitenland Opgave De provincie Zeeland is, door de geografische ligging, netto stikstofimporteur. In 2020 betrof de stikstofdepositie uit het buitenland 60% van de totale stikstofdepositie in Zeeland. (bron: Aerius). Zie ook figuur 16. Op de twee meest overbelaste Natura 2000-gebieden, Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren, bedraagt de depositie uit het buitenland respectievelijk 60% en 62%. De stikstof is voornamelijk afkomstig uit Vlaanderen en in mindere mate uit Duitsland, Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. De belangrijkste bronnen in Vlaanderen zijn de landbouw- en industriesector (incl. de havens).
Om te komen tot natuurherstel en daarmee het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, is het van belang dat de buitenlandse stikstofuitstoot fors wordt gereduceerd. Hiervoor zijn bronmaatregelen nodig waarop wij als Provincie geen invloed hebben, deze opgave ligt bij het Rijk. Doel De Provincie Zeeland heeft weinig tot geen mogelijkheden om zelf maatregelen te treffen die zorgen voor verlaging van de depositie uit het buitenland. De Provincie is daarvoor sterk afhankelijk van de inzet het Rijk en de betreffende buitenlandse overheden. De Provincie is samen met het IPO van mening dat het Rijk aan zet is om in overleg met de betreffende buitenlandse overheden te komen tot maatregelen die leiden tot verlaging van de grensoverschrijdende stikstofuitstoot en -depositie. Tevens vindt de Provincie het de taak van het Rijk om wanneer nodig ook op Europees niveau dergelijke afspraken te maken. 53
Daarnaast betreft grensoverschrijdende aanpak van het stikstofdossier een politiek erg gevoelig onderwerp waardoor overleg op hoog politiek niveau nodig is. De Provincie ziet wel een rol voor zichzelf als het gaat over het meedenken over mogelijke maatregelen en het implementeren daarvan en het aanleveren van data. De data kan gebruikt worden bij het afwegen en beoordelen van de potentie van maatregelen op verschillende locaties en ten aanzien van verschillende bronnen. In het Psn is een paragraaf opgenomen over de grensoverschrijdende samenwerking en aanpak van het stikstofvraagstuk. Aan weerskanten van de grens is sprake van depositie van stikstof die wordt uitgestoten door het buurland. Dat betekent dat ook maatregelen die in het ene land getroffen worden een positief effect hebben op de depositie in het andere land. De buitenlandaanpak is gericht op vijf sporen: 1. Grensoverschrijdende samenwerking met Vlaanderen. 2. Grensoverschrijdende samenwerking met Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen. 3. Borging van de buitenlandaanpak in de gebiedsgerichte aanpak gebiedsprogramma. 4. Nationale inzet in relevante Europese/internationale dossiers. 5. Inzicht/data/kennis met betrekking tot de situatie in het buitenland. Voor de Provincie Zeeland is spoor 1 van belang. De sporen 4 en 5 dragen ook bij, zij het in mindere mate. Spoor 2 is voor Zeeland niet relevant.
In het gebiedsprogramma wordt invulling gegeven aan spoor 3. Het is gelet op de voortgang op het buitenlanddossier eigenlijk niet mogelijk om inhoudelijk maatregelen te noemen. De grensoverschrijdende aanpak blijft daarmee vooralsnog erg beschrijvend en procesmatig van aard. Dit heeft met name te maken van de rolverdeling, de maatregelen om tot een stikstofreductie te komen moeten van het Rijk komen.
54
10.
Wateropgave
De Zeeuwse Delta wordt gekenmerkt door een eilandenstructuur omringd door de grote wateren. Met een kustlijn van 650 km is de invloed van het zoute buitenwater overal merkbaar. Onze wateropgave volgt niet alleen uit de KRW, de Nitraatrichtlijn en de EU-grondwaterrichtlijn, maar ook uit het feit dat grote delen van Zeeland voor hun zoetwaterbeschikbaarheid afhankelijk zijn van de jaarlijkse neerslag. De kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater moet worden verbeterd en voor de kwantiteit moet het juiste evenwicht worden gevonden. De wateropgave wordt groter door klimaatverandering (hitte en droogte) en de verwachte zeespiegelstijging en geldt zowel voor zoet als voor zout water. In dit hoofdstuk kijken we naar de mogelijkheden de doelen te realiseren. Specifiek voor zoet water hanteren we daarbij de leidende principes uit het Zeeuws Deltaplan Zoet Water. 10.1 Kaderrichtlijn Water De KRW richt zich op het beschermen en verbeteren van watersystemen met het oog op duurzaam gebruik en verplicht de lidstaten hun grond- en oppervlaktewater, via op te stellen maatregelenprogramma’s, in een ‘goede toestand’ te brengen en te houden. De deadline voor realisatie daarvan was in principe 2015 met de mogelijkheid het doelbereik maximaal twee planperiodes uit te stellen (fasering).
De huidige KRW-planperiode 2022-2027 is daarmee de laatste mogelijkheid om hier invulling aan te geven. De KRW geeft randvoorwaarden voor wat de goede toestand inhoudt en verplicht tot het opstellen van maatregelenprogramma’s om de doelen te bereiken. De wijze waarop hier invulling aan gegeven moet worden, is in Nederlandse wetgeving vastgelegd. De doelen zijn deels Europees, deels nationaal en deels provinciaal vastgesteld. Bij de doelen voor oppervlaktewater gaat het om eisen met betrekking tot de chemie (stoffen), biologie (soorten) en hydromorfologie (stroming, peilen en inrichting). Voor grondwater gaat het om chemie (stoffen) en kwantiteit. Met name de eis dat er evenwicht moet zijn tussen onttrekking en aanvulling van grondwater is voor Zeeland relevant. Maatregelen bestaan zowel uit wet- en regelgeving (o.a. mest en bestrijdingsmiddelen en vergunningen) als uit beheer- en inrichtingsmaatregelen (o.a. oeverinrichting en peilbeheer). De bevoegdheden zijn verdeeld en liggen deels bij Rijk, Provincie en waterschap. Er is gerede twijfel over de vraag of de KRW-doelen in 2027 gehaald kunnen worden met daarbij de vraag wat de (juridische) consequenties daarvan kunnen zijn. De Minister van I&W heeft dan ook een brede tussenevaluatie in 2024 aangekondigd25, om te bezien of Nederland op koers ligt wat betreft de realisatie van de KRW-doelen en waar eventueel bijsturing nodig is.
Opgave Uit de KRW-oordelen volgt dat de waterkwaliteit in de Zeeuwse wateren voor veel parameters niet voldoet (zie figuur 19). De oorzaak hiervan is niet in alle gevallen duidelijk. Een belangrijke sturende parameter voor de biologische kwaliteitselementen is het doorzicht (zie figuur 20). De mate van doorzicht houdt direct verband met de hoeveelheid fytoplankton die op zijn beurt weer bepaald wordt door de belasting met nutriënten. In brakke wateren is het met name de overmaat aan stikstof die zorgt voor een teveel aan fytoplankton. Om deze situatie te kunnen verbeteren moet de
25
IENW/BSK-2021/150646 voortgangsbrief water
55
belasting met nutriënten teruggedrongen worden. De belangrijkste bron voor deze belasting is de uit- en afspoeling van meststoffen vanuit de landbouw.
Fig. 19 KRW-oordeel 2022 (Waterschap Scheldestromen)
56 Fig. 20 KRW-waterlichamen (oordeel doorzicht)
Voor vissen lijken de maatregelen (m.n. aanleg vispassages) voldoende effect te hebben, maar voor waterplanten en macrofauna is niet goed duidelijk waarom daar geen verbetering optreedt. Naast de lokale water- en bodemsituatie zal beheer en inrichting zeker een rol spelen. Met alleen een natuurvriendelijker oeverinrichting wordt tot nu toe geen duidelijk positief effect gemeten, maar mogelijk dat een combinatie van maatregelen wel effect heeft. Ook voor Zeeland geldt dus dat realisatie van de KRW-doelen lastig zal zijn. Naast de problemen die daarbij elders in Nederland spelen, hebben we in Zeeland te maken met brakke oppervlaktewateren. De ecologische doelen daarvoor worden door de Provincie vastgesteld. Probleem daarbij vormt de beperkte ecologische kennis over brakke wateren. Afgelopen jaren is daarom gewerkt aan het vergroten van inzicht in het ecologisch functioneren van brakwatersystemen. Momenteel loopt een traject waarin we op basis van de laatste inzichten komen tot onderbouwde aanpassing van de eerder vastgestelde ecologische doelen voor brakke wateren. In de praktijk zal hierdoor de kans op realisatie van de doelen vergroot worden. Hoe dan ook blijft een forse inzet op de uitvoering van het maatregelenprogramma noodzakelijk. De benodigde inzet ligt met name bij het waterschap en – indirect via de regelgeving – bij de landbouwsector.
De KRW-maatregelen hebben voornamelijk betrekking op het: Beperken van de belasting van het watersysteem door uit- en afspoeling van landbouwgronden (m.n. mest en bestrijdingsmiddelen), emissies van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) en lozingen (verontreinigende stoffen). Verbeteren van de hydromorfologie door aanleg van natuurvriendelijke oevers (NVO’s) en vispassages en door realisatie van een natuurlijker peilverloop. Voorkomen van intering op (zoete) grondwatervoorraden (vergunningverlening). Risico’s voor de uitvoering worden met name gezien in grondverwerving, kosten en capaciteit. Doel De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) richt zich op het beschermen en verbeteren van grond- en oppervlaktewater en stelt zich ten doel dat alle Europese wateren uiterlijk in het jaar 2027 een 'goede toestand' hebben bereikt en dat er binnen heel Europa duurzaam wordt omgegaan met water. 10.2
Zoet water
Opgave Zoet water is een cruciale productiefactor voor de landbouw en in algemene zin van groot belang voor de natuur. Toenemende weersextremen door klimaatverandering, vergen een daarop toegesneden waterbeheer. Er moet feitelijk meer rek in het beheer worden ingebouwd, om beter gesteld te zijn tegen zowel wateroverlast als droogte. Zeeland heeft daar bovenop een toenemende verziltingsdruk, door een stijgende zeespiegel. De wijze waarop we onze weerbaarheid tegen deze ontwikkelingen willen vergroten is nader uitgewerkt in het Zeeuws Deltaplan Zoet Water en de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland 2021-2026. Meer rek in het waterbeheer vergt aan de ene kant voldoende bergings- en afvoercapaciteit om piekbuien te kunnen verwerken, maar aan de andere kant grotere zoetwatervoorraden om droogteperiodes te kunnen overbruggen. Om deze twee op het eerste oog tegenstijdige vereisten te combineren, biedt nadrukkelijker benutting van zowel het oppervlaktewatersyteem als de ondergrond de sleutel. Door stabiele zoete grondwatervoorraden te creëren met meer gecontroleerde interactie met het veel dynamischer oppervlaktewater, kan bovendien verzilting effectief beperkt worden. Door tegelijkertijd het oppervlaktewatersysteem te verruimen wordt de 57
bergings- en afvoercapaciteit voor neerslag vergroot. We karakteriseren dit als het versterken van de onderlegger, waarmee Zeeland weerbaarder wordt tegen zowel klimaatverandering als zeespiegelstijging. Dat is gunstig voor de natuur, maar biedt ook de landbouw in Zeeland perspectief. Dit nuanceert de negatieve boodschap uit de water en bodem sturend-brief, dat de kustgebieden zonder zoetwaterdoorspoeling onvermijdelijk verzilten. Uiteraard zijn er grenzen aan de weerbaarheid en zal verzilting bij sterke zeespiegelstijging meer en meer invloed hebben op binnendijkse gebieden, maar met een aangepast waterbeheer kan de verziltingsdruk in Zeeland, dat met zijn gemiddelde hoogteligging rond NAP beduidend hoger ligt dan veel andere delen van LaagNederland, significant verminderen. Aldus wordt een buffer opgebouwd waarmee de effecten van zeespiegelstijging langer getrotseerd kunnen worden, naar onze inschatting meerdere decennia. Doel Het samengevatte doel ten aanzien van zoet water luidt daarmee een situatie creëren waarin verzilting effectief beperkt wordt en de scherpe randen van wateroverlast en -tekort worden verzacht. Dit is cruciaal om de leefbaarheid in Zeeland op peil te houden.
58
11.
Klimaatopgave
Deze opgave is verwoord in de internationale klimaatopgaven, de Europese klimaatwetgeving, de nationale Klimaatwet en het Klimaatakkoord landbouw en landgebruik (terugdringen broeikasgassen door landbouw en landgebruik). Uitgangspunt is dat er geen (lokale) verslechtering optreedt in de luchtkwaliteit en leefbaarheid (incl. geur) en waar mogelijk een verbetering. 11.1 Reductie broeikasgassen De landelijke emissiereductieopgave broeikasgassen voor de veehouderij en akkerbouw bedraagt 5 Mton CO₂ -equivalenten in 2030. De opgave in de akkerbouw betreft met name de mestaanwending. Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal, heeft in haar brief over de voortgang van de integrale aanpak landelijk gebied met kenmerk DGLGS/26174881, 10 februari 2023, een nadere toelichting gegeven op de klimaatdoelen. Alle sectoren dragen bij aan de reductie. Het realiseren van de reductie in de landbouw schetst de minister als een gezamenlijke opgave van Rijk en Provincies met een mix van generieke en gebiedsgerichte maatregelen die een plek krijgen in de gebiedsprogramma’s. Het Rijk neemt verantwoordelijkheid voor het inzetten van generieke maatregelen passend in het gebiedsproces. De generieke maatregelen worden nader uitgewerkt, zoals verplichte voer- en managementmaatregelen om te komen tot CO2-reductie en kringlooplandbouw.
Voor Zeeland geldt een reductieopgave van 0,1 Mton CO2 eq ten opzichte van de Klimaat- en Energieverkenning 2021. Wageningen University & Research heeft voorjaar 2023 een rekentool ontwikkeld. De rekentool is bedoeld om een indicatie te geven van de omvang van de emissies en wat het effect van aanpassingen in de veestapel is. Op basis van de dieraantallen van het basisjaar 2019 is voor dat jaar een totale broeikasgasemissie vanuit de Zeeuwse landbouw van 411 kton CO2-eq berekend. In de rekentool kunnen diverse generieke maatregelen worden doorgerekend zoals krimp van de veestapel, het doorvoeren van innovaties in stal en mestopslag, wijzigende pensfermentatie bij koeien door voeradditieven en aanpassingen van het rantsoen en reductie van het verbruik van kunstmest en dierlijke mest. De opgave is om door het toepassen van dergelijke maatregelen voor Zeeland in 2030 uit te komen op een restemissiedoel van 290 kton CO2-eq. Minister voor Klimaat en Energie, R.A.A. Jetten, heeft in zijn brief over de voorjaarsbesluitvorming klimaat met kenmerk DGKE/27070798, 26 april 2023, bevestigt dat het kabinet de klimaatopgave voor veehouderij en akkerbouw handhaaft op 5 Mton broeikasgasreductie in 2030 via het NPLG. De verwachting is dat met opkoopregelingen circa 1 Mton reductie gerealiseerd kan worden.
Voor de resterende klimaatopgave van 4 Mton is de bedoeling dat normerend en beprijzend beleid gemaakt wordt. Over de concrete invulling van het normerende en beprijzende beleid maakt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit afspraken. Als de beoogde reductie hiermee niet wordt gehaald, komt het kabinet met aanvullende maatregelen. Elders in het gebiedsprogramma worden maatregelen in de landbouw uitgewerkt die effect hebben op stikstof, water, natuur en ook op klimaat. Het te ontwikkelen normerend en beprijzend beleid dient te zorgen voor een instrumentarium voor de agrariër bij de keuze voor bepaalde maatregelen. De minister voor Natuur & Stikstof werkt daarom ook normering en beprijzing uit in het kader van het stikstofbeleid. We gaan ervan uit dat de rol van de Provincie is het stimuleren van de diverse generieke maatregelen om te komen tot de gewenste broeikasgasreductie.
59
11.2 Koolstofvastlegging De NPLG-opgave voor koolstofvastlegging in landbouwbodems in 2030 bedraagt (in Nederland) 0,5 Mton CO₂ eq. Begin april 2023 is een studie afgerond van het Louis Bolk Instituut, concept publicatienummer 2023-012 LbP. Het betreft de impact van koolstofmaatregelen op regioniveau, een scenariostudie naar de mogelijkheden per provincie. In totaal is een set van tien maatregelen om koolstof vast te leggen in minerale bodems meegenomen in deze studie. Het betreft de volgende maatregelen: aandeel graan verhogen, extra vaste mest, extra compost, groenbemesters/vanggewassen, akkerranden, vogelakkers, gewasresten achterlaten, hoger aandeel blijvend grasland, leeftijd grasland verhogen en mais-grasklaver wisselteelt. De volgende conclusies en adviezen worden getrokken en gegeven: Voor Zeeland is kenmerkend dat nagenoeg het volledige landbouwareaal op zeeklei ligt. Hierop wordt met name akkerbouw bedreven. Hierdoor zijn in Zeeland de klimaatmaatregelen die zich richten op de akkerbouwbedrijven het meest kansrijk. Het telen van extra groenbemesters en het achterlaten van stroresten heeft de meeste potentie voor koolstofvastlegging. Het telen van extra groenbemesters kan een uitdaging zijn op de zware kleigronden en vraagt om een goede timing bij het inwerken. Opvallend is ook de relatief hoge potentie voor het toepassen van compost vergeleken met andere provincies.
Compost draagt als bodemverbeteraar bij aan een verbeterde waterhuishouding en verhoogt de bodemvruchtbaarheid. Hierbij moet echter opgemerkt worden dat de beschikbaarheid van compost in de provincie zelf beperkt is en dat transportafstanden in deze studie niet meegenomen zijn. Het areaal graangewassen in Zeeland is vergeleken met het Nederlandse gemiddelde aan de hoge kant en opschalen naar 50% graangewassen in het bouwplan levert daardoor slechts een geringe koolstofvastlegging. Indirect creëert deze maatregel nieuwe mogelijkheden voor koolstofvastlegging, aangezien meer graan in het bouwplan de mogelijkheden voor gewasresten en het telen van groenbemesters vergroot. Dit zijn alle drie maatregelen die naast koolstofvastlegging ook sterk bijdragen aan het verhogen van de bodemvruchtbaarheid- en biodiversiteit. De studie dient als eerste vingeroefening. In het vervolg wil het ministerie van LNV het gesprek aangaan met de Provincies over de mogelijkheden van duurzame bodemmaatregelen in hun regio’s. Vooruitlopend op dat gesprek worden elders in het gebiedsprogramma reeds maatregelen in de landbouw uitgewerkt die onder andere de vastlegging van koolstof bevorderen, zoals carbonfarming en de teelt van vlinderbloemige groenbemesters.
60
12.
Gebiedsprocessen – geïntegreerde gebiedenaanpak
12.1 Algemeen In vijf Zeeuwse regio’s zijn problemen en kansen zo sterk met elkaar verbonden dat een gebiedsgerichte aanpak wenselijk is. Er moeten veel (urgente) doelen gehaald worden. Samen met alle betrokken overheden, maatschappelijke organisaties en stakeholders moeten keuzes gemaakt worden om van (veelal sectoraal) beleid te komen tot een afgestemde integrale uitvoering, de geïntegreerde gebiedenaanpak. Ambities, belangen, doelen en opgaven kunnen worden verbonden om te zorgen voor waardesturing en gedragen/passende oplossingen in het gebied. Het is de rol van de netwerkregisseur om dit gebiedsproces aan te jagen en te organiseren. Dit is niet vrijblijvend, maar een essentiële keuze waarbij we samen verantwoordelijkheid nemen om (sneller en op maat) de uitdagingen van Zeeland per gebied tot uitvoering te brengen Naast deze vijf gebieden is het Nationaal Park Oosterschelde ook een bijzondere samenwerking binnen het Zeeuwse landelijke gebied. Binnen het Nationaal Park wordt actief gewerkt aan het behoud, beschermen en beleefbaar maken van dit bijzondere natuurgebied.
Fig. 21 Gebiedsprocessen Zeeland
Legenda: 1. Kop van Schouwen 2. Manteling van Walcheren 3. Veerse Meer 4. Grenspark Groot Saeftinghe 5. North Sea Port District 61
6. (Nationaal Park Oosterschelde) In alle gebieden wordt met relevante stakeholders (overheden, natuurbeheerders, bewoners, ondernemers, etc.) samengewerkt aan het verbeteren van het gebied in brede zin. De verschillende opgaven worden aan elkaar gekoppeld en gezamenlijk aangepakt onder begeleiding van een netwerkregisseur. De NPLG-doelen op het gebied van natuur, water en landbouw staan centraal, maar ook andere opgaven en sociale-, economische- en maatschappelijke doelen krijgen een plaats in de aanpak. Lokale aspecten en de identiteit van het gebied zijn daarbij belangrijk omgevingsfactoren. 12.1.1 Kop van Schouwen – Schouwen (West) De Kop van Schouwen is een groot duingebied dat als Natura 2000-gebied is aangewezen. De staat van de natuur in het gebied is slecht als gevolg van een te hoge stikstofdepositie, verdroging en gebrek aan natuurlijke dynamiek. In het landelijk gebied ten westen van het Natura 2000-gebied wordt met alle betrokken partijen gewerkt om de opgaven voor natuur, landbouw, water, recreatie in samenhang met elkaar aan te pakken waarbij ook aandacht is voor de sociaaleconomische aspecten. Omdat het gebied verder reikt dan het Natura 2000-gebied, wordt het gebied aangeduid met Schouwen (-West). 12.1.2 Manteling van Walcheren – Noordwest Walcheren Ook de Manteling van Walcheren is een groot duingebied dat als Natura 2000-gebied is aangewezen.
Ook hier is de staat van de natuur slecht als gevolg van onder andere een te hoge stikstofdepositie, verdroging, begrazings- en recreatiedruk. Het gebiedsproces is hier onlangs opgestart en is net als bij de Kop van Schouwen vooral gericht op het in samenhang aanpakken van de opgaven voor natuur, landbouw, recreatie en water Omdat het gebied verder reikt dan het Natura 2000-gebied, wordt het gebied aangeduid met Noordwest Walcheren. 12.1.1 Veerse Meer gebied Het Veerse Meer is een zoutwater meer omgeven door grootschalige landbouw en verblijfsparken en –accommodaties. Het meer is een Natura 2000 gebied en tegelijkertijd een belangrijke recreatieve bestemming. De kwaliteit van het gebied en het meer staan onder druk. De gebieden aanpak zorgt voor realisatie en kwaliteitsverbetering voor natuur, landbouw en recreatie met oog voor balans van alle functies van het gebied. 12.1.2 Grenspark Groot Saeftinghe De grensoverschrijdende gebiedsaanpak in het Grenspark, gelegen aan de oever van de Westerschelde (Natura 2000-gebied), komt voort uit de grote druk die het gebied ondervindt van natuurontwikkeling (o.a. ontpoldering Hertogin Hedwigepolder en Prosperpolder) en de voortdurende uitbreiding van de haven van Antwerpen. Deze gebiedsaanpak is diepgeworteld in de streek en wordt sterk gedragen door elf partners, bewoners en ondernemers in het gebied aan beide zijdes van de grens.
De integrale aanpak verplaatst zich naar een realisatiefase waarin de opgaves van haven, natuur en landbouw elkaar versterken. 12.1.3 North Sea Port District (NSPD) NSPD wordt gevormd door het Nederlandse deel van het grensoverschrijdende havengebied North Sea Port. In dit gebied staat economische ontwikkeling voorop, maar moet aandacht besteed worden aan leefbaarheid, natuur, landbouw en ruimtelijke kwaliteit in brede zin. 12.2 De werkwijze in de gebiedsprocessen De geïntegreerde gebiedenaanpak is een methode om met alle actoren in een gebied te werken aan het bereiken van verschillende doelen. Deze doelen worden met de streek in kaart gebracht en 62
vastgesteld. Inwoners en ondernemers weten heel goed wat in hun omgeving verbeterd kan worden en wat daar voor nodig is. Dit vraagt om een overheid die faciliteert met menskracht, kennis en financiële middelen om realisatie mogelijk te maken. De vijf hiervoor genoemde gebiedsprocessen kennen allemaal hun eigen specifieke kenmerken en bevinden zich ook in verschillende fases. De Provincie hanteert een werkwijze waarbij netwerk-/gebiedsregisseurs de netwerken bij elkaar brengen en samenwerkingsprocessen op gang brengen. Omdat de gebieden verschillend van aard zijn ontstaan er gebiedsspecifieke structuren die nodig zijn voor het aanpakken van de lokale problematiek. Hierbij wordt wel veel aandacht besteed aan onderlinge verbondenheid en kennisdeling zodat de gebiedsprocessen ook van elkaar kunnen leren. 12.3 Nationaal Park Oosterschelde Het Nationaal Park Oosterschelde heeft een aparte status binnen de gebiedsgerichte aanpak. Er is al een bestaande organisatiestructuur waarbinnen de verschillende belangen zijn samengebracht. De basis van het Nationaal Park Oosterschelde is de bijzondere (onderwater) natuur. Daarnaast is het Nationaal Park van groot belang voor de Zeeuwse economie. In en om het park vinden activiteiten plaats op het gebied van o.a. recreatie, beroepsvisserij en beroepsvaart.
Voor het Nationaal Park Oosterschelde is een ambitiedocument opgesteld zodat het in de komende jaren kan blijven bijdragen aan grote opgaven zoals natuurbehoud, stikstofreductie, herstel van biodiversiteit en het reguleren van de recreatiedruk.
63
Begrippenlijst AERIUS calculator AERIUS monitor BBT EA ETS-bedrijven Gebiedspakket GS Hexagon
KasZ KDW klimaatadaptatie
klimaatmitigatie Maatregelpakket Ministerie van BZK Ministerie van EZK Ministerie van I&W Ministerie van LNV NDA NNN NNZ NPLG NSP Omgevingswaarde
OZO PAGW PS Randzone RES RHDHV SLA SSRS Startnotitie tbo
Rekenprogramma voor het berekening van de stikstofdepositie. Monitoringstool voor de herkomst en de ontwikkeling van de stikstofdepositie Best Beschikbare Techniek Ecologische Autoriteit ETS-bedrijven = Emission Trade System bedrijven Eén of meer maatregelen die in een gebied worden uitgevoerd Gedeputeerde Staten Zeshoek. Natura2000-gebieden zijn in AERIUS verdeeld in hexagonen met een oppervlakte van 1 ha. Per hexagon is vastgelegd welke habitattypes aanwezig zijn. Klimaatadaptatiestrategie Zeeland 2021-2026, vastgesteld 8 oktober 2021 Kritische depositie waarde (aanpassing) aan klimaatverandering is het proces waardoor samenlevingen de kwetsbaarheid voor klimaatverandering verminderen of waardoor zij profiteren van de kansen die een veranderend klimaat biedt. bestaat uit maatregelen bedoeld om de omvang of snelheid van de klimaatverandering te beperken Een of meer maatregelen die een samenhangend geheel vormen. Voor een maatregelpakket wordt geld gevraagd.
Ministerie van Binnenlandse Zaken Ministerie van Economische Zaken Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Natuurdoelanalyse Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Zeeland Nationaal Programma Landelijkgebied North Sea Port een resultaatsverplichting voor de oppervlakte van de stikstofgevoelige natuur met een stikstofbelasting lager dan de kritische depositiewaarde (bron: Aerius). Overleg Zeeuwse Overheden Programmatische Aanpak Grote Wateren Provinciale Staten Ook wel multifunctionele zone, tot 3 km vanuit Natura 2000-gebieden (term gebruikt in Programma Natuur fase 1). Regionale Energiestrategie Zeeland Royal Haskoning DHV Schone Lucht Akkoord 2021-2023 Stikstof Registratie Systeem Startnotitie Programma Landelijk gebied van 10 juni 2022 Terreinbeherende organisaties zoals Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en Het Zeeuwse Landschap
64
AERIUS calculator Transitiefonds
Rekenprogramma voor het berekening van de stikstofdepositie. fonds om de maatregelen te bekostigen die nodig zijn om de stikstofbelasting van de natuur terug te dringen, evenals de uitstoot van broeikasgassen door landbouw en landgebruik. VHR Vogel- en Habitatrichtlijn voortouwnemer Provincie die verantwoordelijk is voor het opstellen van het beheerplan, de monitoring en rapportage over de uitvoering van de herstelmaatregelen en voor het opstellen van een NDA voor het betreffende Natura 2000-gebied Wnb Wet natuurbescherming Wsn Wet Stikstofreductie en Natuurherstel zoetwatervoorkomens Gebieden met zoetwatervoorkomens zijn gebieden waar een zoetwaterbel voorkomt met een dikte van minimaal 15 meter of waar de zoetwaterbel reikt tot aan de geohydrologische basis. Daarbij wordt water met een gehalte tot 1500 mg Cl/liter als zoet aangemerkt. ZWD Zuidwestelijke Delta
65
Bijlage 1 Uitkomsten regiodialogen
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100