Inkomend - Ombudsman - Aanbieding rapport Participatie vanaf de zijlijn bijlage
Tekst van het document
Maar het zijn geen hulpverleners. Het zijn gewoon ambtenaren met totaal andere petten en rollen.’
26 De jeugdconsulent wordt ook wel gezinswerker, jeugdprofessional, casemanager of casusregisseur genoemd. In het rapport spreken we van jeugdconsulent, en deze jeugdconsulent gaat over de toegang tot, en toeleiding naar vrijwillige jeugdhulp. Hij of zij heeft een essentiële rol bij het in kaart brengen en bepalen van de hulp, en geeft ook de beschikking voor jeugdhulp af.
Participatie vanaf de zijlijn
24
kinderombudsman
nationale ombudsman
Hoewel het per jeugdconsulent kan verschillen, zijn de ervaringen van ouders overwegend negatief. Slechts enkele ouders hebben positieve ervaringen. Ouders missen met name een proactieve instelling en werkwijze van de jeugdconsulent bij het bepalen van de hulp. Jacqueline zegt hierover: ‘Er is nooit proactief overleg of initiatief vanuit jeugdhulp. (...) Toen heb ik weer contact gezocht met jeugdhulp om uit te wisselen wat zij van de gang van zaken vonden. Daar werd niet op gereageerd. Iets wat vaker gebeurt.’
Uit de interviews blijkt ook dat de ouders vaak zelf de benodigde hulp zoeken en dit vervolgens aan de jeugdconsulent voorleggen, zodat hij of zij een beschikking kan afgeven. Ouders hadden graag gezien dat de jeugdconsulent hierin proactiever zou optreden. Karin: ‘Niets van dit alles. Ik kan alleen maar spuien, maar er wordt niet doorgepakt. (...) Bij het CJG [Centrum voor Jeugd en Gezin] heb ik ontzettend moeten leuren. Ik moest alles zelf bedenken en mensen aan elkaar verbinden. Terwijl ik al genoeg sores had.’
Daarnaast missen ouders dat bij het bepalen van de hulp naar de toekomst gekeken wordt. Ze vinden dat er niet wordt geanticipeerd op situaties die gaan komen, zoals de overgang naar de middelbare school of het aflopen van een beschikking. Dit levert veel (extra) stress op voor hen op, omdat zij pas hulp kunnen regelen als het moment zich voordoet. Dan is de benodigde hulp vaak niet direct beschikbaar. Moeder Sandra vertelt: ‘Als ouder denk ik vooruit op een manier die de gemeente niet doet, want die werkt van aanvraag naar aanvraag. Ze gaan steeds uit van één hulpvraag en bedenken dan daar een oplossing voor. Maar bij kinderen zoals mijn zoon zouden ze moeten kijken naar hoe er een langdurig plan gemaakt kan worden, zodat hij tot zijn 18e de hulp kan krijgen die hij nodig heeft.’
Verder blijkt uit de interviews met de ouders dat de jeugdconsulent slecht bereikbaar is, er wisselende consulenten zijn, ze niet of laat reageren en er een slechte overdracht is, waardoor ouders steeds opnieuw hun verhaal moeten doen. In enkele gevallen zijn ook echt fouten gemaakt door de jeugdconsulent. Bijvoorbeeld dat een jeugdhulpbeschikking op het verkeerde kind is afgegeven, of een melding bij Veilig Thuis27 onterecht verwijderd is. Ouders ervaren doorgaans weinig tot geen betrokkenheid van de jeugdconsulent bij het gezin of het kind. De keren dat ouders positief zijn over de jeugdconsulent, noemen ze zijn of haar betrokkenheid veelal als succesfactor. Betrokkenheid houdt onder meer in dat de jeugdconsulent naar het hele plaatje kijkt, de regie pakt, proactief is, meedenkt, zelf hulp aandraagt en/of met alternatieven komt die passend zijn. Zo vertellen Maaike en Mariëtte: ‘Ze luistert naar mijn ideeën en daar gaat ze in mee. (...) Niet alles wat ik wil, gebeurt ook. Dat snap ik. Maar ze probeert dan wel alternatieven te zoeken. Niet van het gaat niet. Punt uit en klaar. Nee, we gaan verder kijken.’ (Maaike) ‘We hebben nu een heel fijne casemanager die heel erg meedenkt en samen met ons denkt. Ze overlegt goed en helpt ook echt bij het zoeken naar passende hulp. Ze is realistisch en laat weten wat er wel en niet kan en onderbouwt dit dan ook.’ (Mariëtte)
27
Veilig Thuis advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en mishandeling.
Participatie vanaf de zijlijn
25
kinderombudsman
nationale ombudsman
Beschikkingen en behandelplannen bieden geen garantie op participatie en invloed In het proces voor het bepalen van hulp zijn in de Jeugdwet formele stappen ingebouwd die maken dat ouders in principe invloed kunnen uitoefenen. Dat zijn de beschikkingen waartegen zij in bezwaar kunnen en de gezinsplannen die samen met hen moeten worden opgesteld. Uit de interviews blijkt dat er doorgaans wel zogenoemde keukentafelgesprekken28, beschikkingen en gezinsplannen zijn. Zij bieden echter geen garantie op inspraak en invloed. Er zijn overleggen, maar ouders ervaren die niet als een vorm van gelijkwaardige inbreng. Zij ervaren ze als tamelijk eenrichtingsverkeer, in die zin dat de jeugdconsulent bepaalt. Zo vertelt Wim: ‘We zijn van het kastje naar de muur gestuurd. Er is wel een keukentafel gesprek geweest, maar daar is niets mee gedaan.’
Zoals we hierna verder uiteenzetten, ervaren ouders in sommige gevallen dat zij onder druk gezet worden om akkoord te gaan met de hulp die zij aangeboden krijgen. Ook als deze hulp niet past bij de wensen en behoeften van de ouder of het kind. Zo blijkt uit de ervaring van Wendy: ‘Toen we bij het OKT [Ouder- en Kindteam] aankwamen, moest er eerst een perspectiefplan opgesteld worden. Dat zouden zij doen, maar dat duurde zo lang dat ik het zelf heb gedaan. Voor het perspectiefplan is een keukentafelgesprek geweest met het OKT. Bij dit gesprek moet je sterk in je schoenen staan, want voor je het weet, kom je ergens op uit waarvan je denkt dat het helemaal niet de hulpvraag was. Je wordt een beetje in het standaardstramien geduwd.’
In enkele gevallen betekent deze drang ook dat ouders ervaren dat er gedreigd wordt met een ondertoezichtstelling (OTS), iets wat de meeste ouders willen vermijden. Zij kiezen er dan voor om maar akkoord te gaan met de hulp die de gemeente bedacht. Charlotte zegt hierover: ‘Er is dwang uitgeoefend door de gemeente om het ondersteuningsplan te tekenen. Anders zou het OTS worden. De gemeente heeft het wel afgedwongen. (...) Ik heb zo vaak gedacht dat elke keer als we iets nodig hebben we dat dan niet krijgen. En als we het niet meer willen, dan wordt het door je strot geduwd.’
Ouders ervaren weinig ondersteuning van de gemeente bij het organiseren van hulp De gemeente is verplicht om te zorgen voor onafhankelijke cliëntondersteuning waarop ouders een beroep kunnen doen. Zo’n cliëntondersteuning helpt ouders bij het vinden, organiseren en regelen van passende hulp. Dat moet hun inspraak- en invloedmogelijkheden verstevigen. Uit de interviews blijkt dat ouders bij cliëntondersteuning een aantal problemen ervaren. Een enkele ouder had bijvoorbeeld nog nooit van cliëntondersteuning gehoord, maar zou die ondersteuning wel fijn gevonden hebben. Zeker in het begin, als ouders nog weinig ervaring hebben. Moeder Kirsten zegt hierover: ‘Niemand heeft ons erop gewezen. Dat zou wel fijn zijn geweest. Iemand die aan jouw kant staat en je advies kan geven.’ En Iris vertelt: ‘Maar ik was ook een leek met hulpverlening. Als leek vertrouw je op de expertise van de professionals, maar dat betekent niet dat die het altijd bij het goede eind hebben.’
Een aantal ouders wist wel van het bestaan van cliëntondersteuners af, maar had niet de behoefte aan nóg een persoon die betrokken raakt bij de situatie. Een ouder gaf aan dat de gemeente niet
28 Keukentafelgesprekken zijn de eerste gesprekken met een gemeenteambtenaar om vast te stellen welke hulp nodig is.
Participatie vanaf de zijlijn
26
kinderombudsman
nationale ombudsman
werkt met cliëntondersteuning, en een andere dat zij daarvoor niet in aanmerking kwam omdat ze geen ‘probleemgeval genoeg’ is. De ouders die wél cliëntondersteuning hebben ingeschakeld, vonden het doorgaans positief dat zo’n cliëntondersteuner aanwezig was bij gesprekken. Moeder Wendy vertelt: ‘Cliëntondersteuners weten precies wat ze doen, wat je rechten zijn, wat de mogelijkheden zijn en hoe je dat bereikt. Dat weten ze niet bij de gemeente. Die kennen alleen de standaardwegen.’
Sommigen zijn minder positief, omdat er een wachtlijst was of omdat zij meer wisten dan de cliëntondersteuner. Ouders voelen zich vaak niet serieus genomen of niet erkend in het aanvraagproces Op basis van de interviews constateren we dat het (steeds opnieuw) bepalen van de hulp moeizaam verloopt en dat ouders doorgaans weinig tot geen invloed ervaren. Het merendeel van de ouders vindt dat zij niet serieus genomen worden en niet erkend worden in de problematiek. Zo vertelt Iris: ‘Je wordt als ouder neergezet als dom. Alsof de consulenten alleen weten hoe de hulp in elkaar steekt. Zij staan boven jou als ouder. Daar gaat het fout, want als ouder ben je expert van jouw kind. Er is een scheve verhouding.’
Ouders ervaren dat er niet naar hen wordt geluisterd en zij voelen zich niet serieus genomen. Ook lijkt er geen sprake te zijn van een gelijkwaardige verhouding in de samenwerking tussen ouders en jeugdconsulent. Het is de jeugdconsulent die tamelijk eenzijdig bepaalt welke hulp er nodig is en welke hulp passend is. Moeder Michelle vertegenwoordigt de ervaring van meerdere ouders als zij zegt: ‘De hoeveelheid stress die wij als gezin ervaren. De gemeente en al het geregel daaromheen is ziekmakend. Ik en mijn kinderen voelen ons niet gehoord, niet gezien en alleen maar een beetje afgezeken.’
Door ‘opschaling van casuïstiek’ ervaren ouders ernstige beperkingen in participatie en invloed Zoals we hiervoor al hebben opgemerkt, zijn er situaties waarin ouders druk voelen om de aangeboden hulp te accepteren, ook als ze het daar niet mee eens zijn. Uit de gesprekken die we met ouders voerden, bleek dat in meerdere situaties sprake was van een ‘opschaling van de casuïstiek’. Dat houdt in dat er meldingen zijn gedaan bij Veilig Thuis, dat de casus is ingebracht in een zogeheten jeugdbeschermingstafel29 en/of dat de Raad voor de Kinderbescherming erbij betrokken is geweest. In bijna alle gevallen gaat het erom dat volgens betrokkenen de veiligheid van het kind of de ouders in gevaar was. De ervaringen van de ouders met de opschaling zijn zeer negatief. Ouders raken de regie volledig kwijt en hebben op geen enkele wijze meer invloed op het geheel. Er wordt niet naar hen geluisterd. Bewijzen en argumenten die zij aandragen worden opzijgelegd, dossiers blijken niet te kloppen of meldingen zijn ineens verdwenen. Ouders die zich sterk maken voor de veiligheid van hun kind worden weggezet als degenen die dwarsliggen en niet meewerken. Van enige invloed op het traject is geen sprake volgens de ouders.
29 Bij een jeugdbeschermingstafel wordt in samenspraak met de Raad voor de Kinderbescherming gekeken of hulp in een vrijwillig kader, binnen de Jeugdwet, nog voldoende is, of dat overgegaan moet worden naar het gedwongen kader van Jeugdbescherming.
Participatie vanaf de zijlijn
27
kinderombudsman
nationale ombudsman
Zo vertellen Bas en Diana: ‘De hele situatie is ons overkomen. We denken nog steeds: hoe is het in godsnaam mogelijk dat het gebeurd is? We kunnen er de vinger niet op leggen. (...) Van alles wat we aangaven werd gezegd “niet waar” of “klopt niet”. De huisarts is niet geconsulteerd. School niet, ook de psycholoog niet. Onze oudste is niet gehoord, terwijl hij dat wel graag had gewild.’
De ervaren dreiging dat de casus (opnieuw) kan worden opgeschaald en dat er sprake kan zijn van gedwongen jeugdhulp, hangt als het zwaard van Damocles boven het hoofd van sommige ouders. Dit maakt ook dat zij de relatie met de gemeente als extreem ongelijkwaardig ervaren en geen ruimte voelen nog enige invloed uit te oefenen. Zo blijkt uit het verhaal van Charlotte: ‘Toen heb ik mijn beste vriendin gebeld, die heeft de SPH [sociaalpedagogische hulpverlening] gedaan. Die zei: “Ga alsjeblieft akkoord met het traject, want als er een voogd in huis komt en er wordt een OTS uitgesproken, dan heb je niets meer te zeggen.” Dus daarom heb ik getekend.’
Wachttijden zijn een belangrijke beperkende factor in het ervaren van participatie en invloed Een belangrijke belemmering in de zoektocht naar passende hulp zijn de (lange) wachtlijsten. Deze wachtlijsten doen zich voor bij de toegang tot hulp en bij de hulpverlenende organisaties. Dit terwijl ouders een beroep doen op hulp als zij er echt zelf niet meer uitkomen en eigenlijk direct hulp nodig hebben. Soms is er sprake van een crisissituatie en is zelfs dan niet direct hulp beschikbaar. Meerdere ouders vertellen dat het maanden duurde voordat hulp georganiseerd is. Zo vertelt Iris: ‘Het moment tussen telefoontje en eerste tafelgesprek duurt erg lang. Het duurt zo’n zes tot acht maanden voor je in kaart hebt welke hulp nodig is. En dan weer wachten bij de hulporganisatie. Dus je bent zo 1 à 1,5 jaar verder voordat je kind hulp kan krijgen, en tijdens het wachten wordt er verder geen hulp geboden.’
Een extremer voorbeeld kwam naar voren in het gesprek met moeder Merel: ‘De hulpverlener zei na de intake: “Ik denk niet dat wij de goede plek voor jullie zijn.” Wacht even! Het is crisis, we wachten hier al drie maanden op, de jeugdconsulent heeft ons doorverwezen. En dan kan het nu niet!? (...) Toen hadden ze een project voor ons bedacht zonder wachttijden. Daar konden we direct starten. De jeugdconsulent gaf dit in het voorjaar aan. In juni gebeld, bleek dat de jeugdconsulent dat niet kon aanvragen, want dat moest de [regionale] experttafel doen. Maar ja, vakantie, dus de experttafel werd september. Nog een keer experttafel in oktober. Toen was de intake in november, maar die was met een hulpverlener die een nieuwe baan had. Dus toen een intake in december. En toen bleek dat het project niet geschikt was voor het kind. Acht maanden voor iets waar geen wachtlijst voor is.’
3.3
Ervaringen van ouders bij de inzet van jeugdhulp
Een klik met de hulpverlener is essentieel voor een positieve ervaring van participatie en invloed op de hulpverlening Hoewel het een open deur is, zijn ouders tevreden over de vrijwillige jeugdhulp die zij krijgen, als de hulp werkt en er een verbetering optreedt in de situatie. Daarnaast laten ouders weten dat het belangrijk is dat er een klik is met de hulpverlener als persoon. Voor ouders betekent dit dat ze ruimte ervaren om hun mening te geven en dat naar die mening ook geluisterd wordt. Het betekent het gevoel te hebben op één lijn te zitten en een prettig contact te hebben. Zij vinden het ook belangrijk dat die klik er is tussen de hulpverlener en hun
Participatie vanaf de zijlijn
28
kinderombudsman
nationale ombudsman
kind. Zonder dat ouders daar echt duiding aan kunnen geven, is duidelijk dat de hulp gedoemd is te mislukken als die klik er niet is. Michelle vertelt bijvoorbeeld: ‘Een begeleider kwam erachter dat onze zoon gek was op honden. Dus toen besloot ze af en toe haar hondje mee te nemen om er samen mee te wandelen. In de wandeling verwerkt ze dan weer therapiegerichte dingen over gedrag. (...) Ze heeft de tijd genomen om mijn zoon te leren kennen en heeft van daaruit stappen gezet.’
Verder is het van groot belang dat ouders ervaren dat er samenspraak en samenwerking is. Dat ouders en de hulpverlening samen optrekken, dingen op elkaar afstemmen, de koers uitzetten en een team vormen. In de verhalen van Bas en Diana en van Maaike komt dit expliciet aan de orde: ‘Wij doen dit echt samen. Samen is het sleutelwoord. We pakken het gezamenlijk op. (...) We lopen op dezelfde weg. Soms liep de een op de secundaire weg. Maar we gingen wel dezelfde kant op.’ (Bas en Diana) ‘We staan met z’n allen om mijn zoon heen. Zo fijn dat ik er niet alleen voor sta. Dat er mensen zijn die me helpen en begrijpen. (...) We zitten met z’n allen op één lijn. Wat ik zie, zien zij ook, en wat zij zien, zie ik ook.’ (Maaike)
Wisselingen in en onervarenheid van personeel zorgen voor onvrede over ervaren participatie en invloed De andere kant van de medaille is dat ouders niet te spreken zijn over de hulp als er geen klik is met de hulpverlener. Een belangrijk gerelateerd knelpunt hierbij is dat ouders regelmatig te maken hebben (gehad) met wisselingen van hulpverleners en met onervaren professionals. Dit betekent feitelijk dat er geen mensen zijn die in staat zijn om de zorgen en wensen van ouders bij de hulp aan hun kinderen te horen en te waarborgen. Zo vertelt vader Wim: ‘We kregen een begeleider toegewezen. De eerste begeleider ging na een paar weken al weg in verband met een andere baan. Dus daar hadden we weinig aan en die wilde ook weinig doen. Met de begeleider die we daarna kregen, klikte het niet goed met onze zoon.’
Ook is het voor ouders lastig dat zorgorganisaties in hun ervaring niet in staat zijn het maatwerk te bieden dat nodig is. Op die manier krijgen hun kinderen geen (passende) hulp. Zowel Annelies als Wendy vertellen bijvoorbeeld: ‘Onze dochter heeft echt hulp nodig. Dat zegt ze zelf ook. Alleen vinden zorgorganisaties het makkelijker om een stempel te geven dan wat passend is in de situatie.’ (Annelies) ‘De kleinere organisaties zijn meer gericht op maatwerk. Terwijl er bij deze grote zorgorganisatie gewoon een programma was waar je in mee kon draaien. Maar als dat niet werkte, dan hield het op.’ (Wendy)
Samenwerking en overleg tussen ouders en hulpverlener zijn bepalend voor tevredenheid over ervaren participatie en invloed Een aanzienlijk deel van de ouders ervaart op het moment van het interview voldoende inspraak bij de hulpverlening. Dit zijn met name de ouders die (redelijk) te spreken zijn over de jeugdhulp die zij nu (uiteindelijk) krijgen. Dit was niet altijd zo bij de hulp die zij voorheen kregen. In ieder geval kunnen we constateren dat de ervaren participatie en invloed bij de ingezette hulpverlening groter is dan bij de toegang tot die hulpverlening.
Participatie vanaf de zijlijn
29
kinderombudsman
nationale ombudsman
Iris vertelt bijvoorbeeld: ‘De hulpverlening overlegt op gezette tijden met ons. De behandelaar overlegt na elke behandeling en twee keer per jaar over de algehele behandeling en de doelen ervan. Deze gesprekken zijn goed en belangrijk, om te helikopteren. Je kan in de gesprekken ook aangeven hoe je als ouder tegen behandeling aankijkt en wat je wensen zijn. En de behandelaar geeft dan aan wat realistisch is en wat hij kan bieden.’
Regelmatig geven ouders aan dat er gewerkt wordt met doelen en plannen, en dat er periodiek overleg plaatsvindt met de ouders om de hulp te evalueren en eventueel aan te passen. In een deel van de gevallen vindt het periodiek overleg met alle hulpverleners van diverse zorgorganisaties plaats. Ook Maaike en Claudia hebben hierover positieve ervaringen: ‘Eén keer in de zoveel tijd hebben we online overleg met elkaar, zodat we op één lijn zitten. Verslagen worden naar elkaar gestuurd met afspraken wat we de komende tijd gaan doen en wat de doelen zijn voor de komende periode.’ (Maaike) ‘De inspraak vind ik wel oké. We hebben laatst een evaluatie gehad. (...) Daarin kunnen we wel echt zeggen waar we wat aan hebben gehad, maar ook wel de dingen die we graag anders willen. Op een gegeven moment hadden we twee keer per week een afspraak voor een training als ouder, en andere afspraken in de week voor mijn zoon. En voor allebei kregen we huiswerk. Dat wordt ook echt wel gehoord, en ze hebben echt wel door dat ze misschien bij de één wat minder huiswerk moeten geven of dat ze dat beter op elkaar moeten afstemmen.’ (Claudia)
Naast dat er regelmatig evaluatiemomenten zijn, ervaren ouders ook dat zij serieus genomen worden en er naar hen geluisterd wordt. De lijnen tussen de ouders en hulpverlening zijn kort. Het aspect van samenspraak en samenwerking zoals we hiervoor beschreven komt hierin terug. Zo vertellen ook Karin en Inge: ‘Wat maakt de hulp zo goed? Ze luisterden naar me, hoorden mij. Echt luisteren naar wat we nodig hadden. Ik kon meedenken. Samen met hen bekijken wat er nodig is. Ook luisteren als de hulp niet werkte. De beeldende therapie bijvoorbeeld leverde volgens mij niet veel op. Dat is toen PMT [psychomotorische therapie] geworden.’ (Karin) ‘In het begin liep het stroef met de begeleiders van de woongroep. Zij hadden toch zoiets van wij nemen nu de zorg over, en jullie moeten naar ons luisteren. Gaandeweg is er zo’n band opgebouwd dat ik nu als een gelijke word beschouwd. (...) Inmiddels voel ik de ruimte om alles te zeggen en te kunnen aangeven.’ (Inge)
Als ouders onvoldoende tot geen participatie of invloed ervaren, dan is dat vooral doordat er geen sprake is van een goede communicatie tussen hen en hulpverleners, zij zich niet gehoord voelen of doordat zij geen inbreng hebben. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de ervaringen van Bas en Diana en van Merel: ‘Ze staan ons niet te woord. Een keer mochten we komen kijken. Je wilt toch weten waar je zoon zit. En dat was het. En toen moesten we ook niet allerlei vragen stellen. (...) Alles wordt weggehouden. Er vindt ook geen jaarlijks gesprek plaats. Is er ook nooit geweest.’ (Bas en Diana) ‘Ik heb een enorm conflict gehad met de psychiater. Die van het stempel was: ik zeg hoe we het gaan doen. En die zei dan dingen waar ik het echt niet mee eens was. En dan zei ik: “Volgens mij heb jij de verplichting om met ons af te stemmen.” Zei ze: “Dat doe ik nu toch.” Nee, nee! Je laat je verpleegkundige bellen die zegt zo gaan we het doen. Dat is geen overleggen.’ (Merel)
Participatie vanaf de zijlijn
30
kinderombudsman
nationale ombudsman
Isa over haar hulp Ik ben 20 jaar en woon sinds kort zelfstandig in een appartement in Noord-Brabant. Ik heb twee katten. Ik heb tot mijn 11e jaar bij mijn moeder gewoond in Noord-Holland, samen met mijn jongere zusje. Op mijn 11e ben ik voor het eerst uit huis geplaatst, omdat mijn moeder niet meer voor mij kon en wilde zorgen. Zij was verslaafd aan alcohol. Deze uithuisplaatsing was voor mijn moeder op vrijwillige basis. Ik moest voor drie maanden naar een crisispleeggezin. Ik kreeg dit twee dagen van tevoren te horen. Iemand van Jeugdzorg bracht mij samen met mijn moeder gewoon naar het pleeggezin toe. Toen was het van ‘doei’. Ik mocht ook geen telefoon meenemen, dus ik had geen contact met mijn moeder. Ik kende die mensen waar ik kwam niet, maar ik moest er wel meteen blijven slapen. Ik wist dus niets van die aanvraag. Mijn moeder zei dat wel tegen me, maar ik dacht dat dat alleen een dreigement was. Bij dit pleeggezin was het verschrikkelijk. De pleegvader was alcoholist en daar heb ik meerdere keren melding van gemaakt. De pleegzorg is één keer langsgekomen om een gesprek met hem te voeren. Dat was pas nadat ik weg was, toen hebben ze pas geluisterd. Ze zeiden tegen hem: ‘We hoorden dat je alcoholist bent.’ Zegt hij natuurlijk: ‘Nee, alles is oké.’ Ik was 11 jaar en hij was volwassen. Dus daar had ik ook niet echt invloed op, er werd dus niet naar me geluisterd.
Daarna heb ik weer een halfjaar thuis gewoond, maar nog wel een weekendpleeggezin gehad. Bij dit pleeggezin ben ik voor vast gaan wonen. Achteraf gezien had ik liever thuis gewoond. Ik had het daar niet echt naar mijn zin, maar op dat moment wilde ik daar wel graag heen, want ik wilde niet naar een vreemd gezin. En anders kwam ik misschien in een groep terecht, dat wilde ik toen nog niet. Toen ben ik weer een halfjaar naar huis gegaan. Nadat mijn moeder zich in een coma had gedronken heb ik er zelf voor gekozen om niet meer thuis te wonen. Ik wilde niet terug naar mijn pleegouders, want ik was blij dat ik daar weg was. Ik heb dat ook aangegeven. Ik deed daar ook aan zelfbeschadiging. Ik zei: ‘Als je wilt dat ik weer ongelukkig word, dan moet je me vooral daar neer zetten, zet me desnoods in een crisisopvang.’ Maar ik moest erheen. Ik heb daar een paar weken gezeten. Ik zat soms bij de gesprekken met de officiële instanties die over mij besloten. Maar meestal zat mijn moeder daar. Ik zat er niet elke keer bij, dat wilde ik ook niet, want er werd toch niet naar mij geluisterd. Ik had toen wel een voogd van de jeugdbescherming. Maar met haar wilde ik niet praten. Ik heb veel ruzie met haar gemaakt. Ik heb zelfs gevraagd om een andere voogd. Die kreeg ik niet. Op mijn 15e jaar ben ik in een woongroep geplaatst. Ik heb in drie verschillende woongroepen gezeten.
Ik vond die groepen beter dan de pleeggezinnen. In de pleeggezinnen had ik niks te zeggen. In de groep werd wel door de leiding naar mij geluisterd. Ik kon meer mijn eigen ding doen. In de laatste groep woonde ik begeleid. Maar toen ik 18 jaar zou worden, zeiden ze: ‘Het geld houdt op, dus zoek maar een huis.’ Eerst kreeg ik nog een verlenging tot mijn 19e jaar. Maar eigenlijk werd het al telkens gezeik. ‘Je hebt nog maar zoveel maanden.’ Dat is heel stressvol, ze zeggen gewoon: ‘Je wordt niet meer verlengd.’ Waarschijnlijk omdat ik al heel zelfstandig was en al goed gewoon alles kon. Ik snap dat je niet tot je 30e jaar in de jeugdzorg kan, maar zorg dat er speciale regelingen zijn voor jeugdzorg, dat je urgentie kunt aanvragen, dat je voorrang krijgt. Gelukkig kreeg ik twee maanden voordat ik uit de woongroep gezet zou worden dit huis. Ik werd slecht geholpen met de financiën. Gelukkig kreeg ik een paar maanden later een
Participatie vanaf de zijlijn
31
kinderombudsman
nationale ombudsman
schadevergoeding van 5000 euro voor schade opgelopen bij mijn pleegouders.30 Zonder dat geld was het wel heel krap geweest. Ik heb wel veel gratis gekregen van de vorige bewoners, ik heb geluk gehad. Als je niemand om je heen hebt en je hebt die schadevergoeding niet, en al die gratis spullen, dan had ik het niet gered. Dan word je aan je lot over gelaten.
30 Dit gaat om een schadevergoeding voor personen die tussen 1945 en 2019 als minderjarigen te maken kregen met ernstig of stelselmatig geweld tijdens hun verblijf in een pleeggezin, instelling, internaat of opvang. De regeling werd in het leven geroepen na onderzoek van de commissie-De Winter naar geweld in de Nederlandse jeugdzorg.
Participatie vanaf de zijlijn
32
kinderombudsman
nationale ombudsman
4 Invloed van jeugdigen op de eigen situatie in de Jeugdwet 4.1
Inleiding
Voor de ontwikkeling van jeugdigen is het van belang dat zij op een goede manier betrokken worden bij beslissingen die hen aangaan. Dit vereist dat hun participatie op een goede manier wordt vormgegeven om daadwerkelijk betekenisvol te zijn. Dat geldt ook voor beslissingen die voorafgaand aan en tijdens een hulpverleningstraject worden genomen. Voor dit onderzoek hebben we gesproken met dertien jeugdigen die te maken hebben met hulpverlening in een vrijwillig kader. In de gesprekken hebben we hun gevraagd hoe zij de mate en de wijze van participatie en invloed ervaren in hun jeugdhulptraject en of zij dit passend en voldoende vinden. We keken hierbij naar zowel de periode van de aanvraag van hulpverlening als het hulpverleningstraject zelf en eventuele nazorg. In dit hoofdstuk beschrijven wij hun ervaringen.
4.2
Ervaringen van jeugdigen bij de toegang tot jeugdhulp
Jeugdigen worden bij de aanvraag voor hulpverlening niet gehoord door de gemeente Een rode draad uit de interviews is dat jeugdigen vrijwel niet betrokken zijn bij het aanvraagproces voor hulpverlening bij de gemeente. Hier zijn verschillende redenen voor. Zo biedt de gemeente geen ruimte aan jeugdigen om inspraak of invloed te hebben in het hulpverleningsbesluit. Deze vorm van participatie lijkt voor de gemeente geen vanzelfsprekendheid te zijn. De meeste jeugdigen die wij gesproken hebben, herinneren zich niet dat zij contact hebben gehad met jeugdconsulenten van hun gemeente. Siem van 22 jaar vertelt: ‘Er is nooit met me gesproken. Ik heb op mijn elfde maar zelf moeten zeggen: “Ik ga bij mijn opa en oma wonen. Ik ben er klaar mee.” Op mijn elfde! Nou ja, dat had een volwassen vrouw die even met een kind was gaan praten ook wel eruit kunnen halen. En dat is niet gebeurd. Het is zo belangrijk om dit met een kind te doen.’
Maar jeugdigen nemen die ruimte zelf ook niet, en dat komt vooral doordat ze het aanvraagproces lastig vinden. Naast de problemen die zij al ervaren, vinden ze het emotioneel belastend om betrokken te worden bij deze ‘grotemensendingen’. Daarbij schrikt een – vaak – formele houding van de gemeente hen ook af. De 17-jarige Elias zegt hierover: ‘Die poppetjes van de gemeente: ze luisteren wel een beetje, maar niet echt. Ik heb moeite om naar dat soort mensen te luisteren. Gewoon, door hoe ze binnenkomen, hoe ze praten, hoe ze gekleed zijn, met boeken en papieren en altijd maar praten. Dat is niets voor mij. De gemeente hoort de kinderen niet.’
In dergelijke gevallen vertrouwen jeugdigen veelal op hun ouders. Zij gaan ervan uit dat ouders hen willen beschermen door ze buiten het hele proces te houden. Ze gaan er ook van uit dat hun ouders het beste met hen voorhebben en hun belangen behartigen. De meeste jeugdigen die wij gesproken hebben, vertellen dat hun ouders hen wel hebben meegenomen in het proces door zowel vooraf als achteraf hierover met hen te spreken. Van veel van de interviews wordt de kern weerspiegeld in het antwoord van de 13-jarige Sam: ‘Vooral mijn moeder weet heel goed wat ze doet. Zij maakt nooit een keuze zonder dat ze zeker weet dat ik het goed vind of zonder met mij te overleggen. Haar vertrouw ik ook wel heel goed.’
Participatie vanaf de zijlijn
33
kinderombudsman
nationale ombudsman
Jeugdigen ervaren via de ouders indirect de moeizaamheid van het aanvraagproces Hoewel jeugdigen meestal niet direct betrokken zijn bij het aanvraagproces, krijgen zij wel via hun ouders mee dat dit proces niet altijd prettig verloopt. De 14-jarige Olivia vertelt bijvoorbeeld: ‘De gemeente heeft mijn moeder heel erg alleen gelaten met mij. Mijn vader zat in het buitenland en mijn broertje ergens anders. Mijn moeder had longcovid en ze kreeg geen hulp. Dat was best wel lastig. Mijn moeder had die hulp wel gevraagd, maar die kreeg ze niet ... We hebben verschillende casusregisseurs gehad. Met eentje heb ik drie gesprekken gehad, met de ander zou ik een gesprek voeren, maar dat is er nooit geweest.’
Jeugdigen krijgen indirect mee dat er tussen ouders en de gemeente discussie ontstaat over de vraag welke hulpverlening toereikend wordt geacht. Ouders hebben vaak al ideeën over het soort hulpverlening dat zij passend vinden voor hun kind. Ze hebben hier al onderzoek naar gedaan of hebben ervaring met de hulpverlening. Als hun idee niet overeenkomt met het aanbod van de gemeente, levert dit frictie op en bemoeilijkt dit het verloop van het aanvraagproces. De 14-jarige Olivia vertelt hier verder over: ‘Vooral dat de gemeente geen hulp wilde geven was lastig. Er was de hele tijd een strijd om alles. Om elk klein ding. Zo irritant. Dat alles wat je wil of nodig hebt, gewoon een strijd wordt. Dat is lastig.’
Evenals bij ouders geven ook jeugdigen aan dat deze strijd veel weerslag op hen heeft. Zeker ook als zij dreiging ervaren met dwangmaatregelen. Dit kan ervoor zorgen dat ouders akkoord gaan met een traject, terwijl ze dit niet willen. Daardoor krijgt een jeugdige een hulpverleningstraject dat niet aansluit op de hulpvraag. Zo vertelt de 15-jarige Justin: ‘Ik had daar totaal geen behoefte aan en het werkte niet. Het zette me juist terug. Dat was echt helemaal niks.’
Soms eindigt de strijd met de gemeente in een rechtszaak. De 13-jarige Sam heeft dit als volgt ervaren: ‘God, hoe moet ik hierover beginnen? De gemeente kwam binnen bij m’n moeder en zei: “Ik ben hier om je ergens te krijgen.” Dat wilden wij dus niet. We hebben daar een hele hoop voor moeten strijden. En een rechtszaak tegen de gemeente gehad. Als ik iets zou willen veranderen, dan is dat dat mijn moeder minder stress heeft. Minder stress voor mijn moeder, want dat is het enige ding waar ik nog een beetje moeite mee heb.’
Een vertrouwensband met de professional is in de ervaring van jeugdigen een belangrijke voorwaarde om zich open te stellen in het organiseren van hulp Een vertrouwensrelatie met hun hulpverlener is essentieel voor jeugdigen in het hele proces van de hulpverlening. Jeugdigen geven aan dat dit vertrouwen er niet zonder meer is. Als dat er wel is, ervaren zij de ruimte om hun mening te geven en dat ze invloed hebben op de hulp die geboden wordt. Uit de gesprekken met jeugdigen blijkt een aantal factoren van belang te zijn. Zo kan door de korte duur van het contact met de professional het vertrouwen ontbreken. Hoe langer de relatie met een professional bestaat, hoe meer vertrouwen er is bij de jeugdige. Zo vertelt de 22-jarige Siem: ‘Zes, zeven jaar is de pleegzorgbegeleiding al betrokken bij ons. Ja, dan heb je echt een band en daar bouw je iets op.’
Participatie vanaf de zijlijn
34
kinderombudsman
nationale ombudsman
In sommige gevallen is de duur echter minder van belang en gaat het om de klik die jeugdigen ervaren met de professional. Zij kunnen niet goed benoemen wat maakt dat die klik er is. De 11-jarige Noortje verwoordt dit contact met de professional als volgt: ‘Ik heb eerlijk gezegd eigenlijk geen idee hoe het komt. Ik vertrouwde hem gewoon. Ik had ook het meeste een klik met hem.’
Ook van invloed op de vertrouwensrelatie is het aantal professionals dat jeugdigen al hebben gezien of dat betrokken is bij hun zaak. Zij hebben soms met zoveel professionals te maken, dat ze het lastig vinden om zich open te stellen. Ze houden zich daarom liever op de vlakte en laten niet het achterste van hun tong zien. De 15-jarige Thijs zegt hierover: ‘Alles wisselt te snel, omdat mensen ziek worden of een andere baan hebben, of een taak valt niet meer binnen een functie, waardoor ik niet voldoende tijd krijg om een goede band met iemand op te bouwen.’
Gezien en serieus genomen worden is in de ervaring van jeugdigen cruciaal in het organiseren van hulp Jeugdigen vinden het belangrijk om écht gehoord en gezien te worden. Ze voelen feilloos aan of hun mening serieus genomen wordt of niet. Informeel contact helpt jeugdigen in het ervaren van ruimte om hun stem te laten horen en zichzelf te laten zien. Ook vinden ze het belangrijk dat er altijd ruimte is om een gesprek te voeren over wat zij nodig hebben. De houding van de professional is hierbij van essentieel belang. De 22-jarige Siem is hier duidelijk over: ‘We zijn kinderen. Wil je op een kantoor gaan zitten? Ja, sorry hoor, ik ben daar heel makkelijk in, maar voor mijn broertje werkt dat niet. Met mijn broertje moet je gaan voetballen, of hem laten keepen, en hem daarmee empoweren. Maar op zo’n kantoortje, dat heeft geen zin. Maar ja, zie jij een psycholoog met zijn strakke pakje al het voetbalveld op gaan?’
In negatievere bewoording vertelt de 17-jarige Elias dat hij niets wil zeggen tegen mensen die boven hem staan, zeker niet in de periode dat hij moeite had met autoriteit. Andere jeugdigen geven aan zenuwachtig te worden als het gaat om gesprekken op een kantoor. De omgeving is dan te formeel en er ontstaat geen verbinding. Ook gebrek aan kennis bij de hulpverlener over het probleem waarvoor de jeugdige wordt behandeld, zoals niet-aangeboren hersenletsel, maakt dat het vertrouwen er niet is. Jeugdigen vinden het belangrijk dat de professionals hun problematiek snappen en begrijpen wat ze nodig hebben. Dat schept vertrouwen en komt de hulpverlening ten goede. De 16-jarige Joep heeft autisme en woont in een behandelgroep. Hij zegt hierover: ‘De begeleiding heeft mij heel erg in een baan gezet om te verbeteren. Zij helpt me heel erg en ze geeft me ook allerlei paadjes waar ik in kan gaan. En dat heeft heel erg geholpen dat zij me gewoon helpt daarmee, want zij heeft mij een beetje heel erg ondersteund. En ze zorgt dat ik beter word, een betere Joep. Dat klink heel poëtisch, maar het is wel zo.’
Participatie vanaf de zijlijn
35
kinderombudsman
4.3
nationale ombudsman
Ervaringen van jeugdigen bij de inzet van jeugdhulp
Na het aanvraagproces bij de gemeente volgt een indicatie voor hulpverlening. De meeste jeugdigen die wij hebben gesproken wonen thuis en ontvangen ambulante hulp. Een paar jeugdigen verblijven in een pleeggezin, een gezinshuis of een jeugdhulpinstelling. Welke vorm van hulp ze ook ontvangen, jeugdigen weten goed hoe ze de hulp ervaren. Maar hoe jonger ze zijn, hoe lastiger het voor hen is om dat goed te verwoorden. Naarmate ze ouder worden uiten ze zich meer en beter. Sommige jeugdigen kregen al op jonge leeftijd jeugdhulp en kunnen zich niet alles meer even goed herinneren. Maar uit de ervaringen van jeugdigen die we in dit onderzoek hebben gehoord over de hulpverlening, blijkt dat zij daar meestal positiever over zijn als die eenmaal loopt dan over de aanvraag ervan. Uit de ervaringen blijkt echter ook dat er nog steeds belangrijke knelpunten zijn die hun ervaringen negatief beïnvloeden. Jeugdigen ervaren dat ze te laat en te weinig geïnformeerd worden over het hulpverleningstraject, met name als belangrijke veranderingen plaatsvinden Om inspraak en invloed te kunnen hebben is het van belang dat jeugdigen op tijd geïnformeerd worden over de ins en outs van de hulpverlening.
Dit kan gaan over de behandeling zelf en het doel van een gesprek met een hulpverlener, maar ook over zaken als een klachtenprocedure of wat een leerbegeleider voorstelt wat er de komende schoolweek moet gebeuren. Daarnaast gaat het erover of ze op tijd horen dat de hulpverlening gaat stoppen. Op deze manier hebben jeugdigen grip op wat er met hen gebeurt en weten ze waar ze aan toe zijn. Sommige jeugdigen geven aan dat zij niet altijd tijdig worden geïnformeerd. Ze worden soms totaal overvallen door beslissingen. De 20-jarige Isa heeft meerdere ervaringen met te laat ontvangen informatie. Zo heeft ze pas een maand van tevoren te horen gekregen dat haar woongroep zou sluiten. Ook is het bij de eerste keer dat ze op 11-jarige leeftijd in een pleeggezin is geplaatst niet goed gegaan: ‘Ik kreeg twee dagen voordat ik uit huis geplaatst werd te horen dat ik uit huis ging.’
Meerdere jeugdigen vertellen dat ze slecht geïnformeerd zijn over opties als de huidige jeugdhulp stopt. Vragen die zij daarover hebben, variëren van wat voor opleiding zij kunnen volgen, tot welke hulp beschikbaar is na afronding van een behandeling of waar zij kunnen wonen zodra ze 18 zijn. De 15-jarige Thijs brengt dit treffend onder woorden: ‘Er zijn geen andere behandelingen meer mogelijk nu de cognitieve gedragstherapie is afgelopen. Ik heb aangegeven meer hulp te willen, maar weet zelf niet zo goed wat voor hulp. Bij de GGZ zeiden ze dat ik zelf eerst maar eens moest uitzoeken welke hulp ik wil, maar daar heb ik juist hulp bij nodig.’
Tijdens de interviews zijn ook de problemen ter sprake gekomen die ontstaan als jongeren 18 jaar worden en dus meerderjarig zijn. Als een jeugdige 18 jaar wordt, stopt in principe de jeugdhulp. Soms kan de gemeente besluiten tot verlengde jeugdhulp. Die duurt maximaal vijf jaar, dus tot de jeugdige 23 jaar is. Of de jeugdige kan zorg en ondersteuning krijgen op grond van andere wetten. De jeugdigen die met deze problemen te maken hebben gehad, geven aan dat ze slecht zijn geïnformeerd over de vervolgmogelijkheden. Ze moeten dit veelal zelf uitzoeken en regelen. De 20-jarige Isa zegt hierover: ‘Mijn verlenging liep tot 27 april. Toen werd ik 19. Een paar maanden van tevoren gingen we kijken of het nog verlengd kon worden voor eventueel nog drie maanden. Dat deed ik samen met mijn mentor. Dat duurde ook weken. Op een gegeven moment zei hij dat ik het toch niet ging krijgen en dat ik maar moest zorgen dat ik een huis kreeg. Anders zou ik op straat staan. Misschien kan je naar je moeder terug of zo? Dat was slecht geregeld.’
Participatie vanaf de zijlijn
36
kinderombudsman
nationale ombudsman
Bovendien hebben jeugdigen moeite met de wijze waarop ze worden losgelaten door de hulpverlening als de jeugdhulp stopt. Ze voelen zich niet sterk genoeg om het allemaal op eigen kracht te doen en maken zich daar zorgen over. Zoals de 22-jarige Siem zich zorgen maakt over het einde van zijn status als pleegkind bij zijn opa en oma: ‘Want dan ben je 23, dan ben je geen pleegkind meer, dan ben je ... Wat ben je dan nog? Ik heb al een verlenging aangevraagd. Er zijn nog steeds ontwikkelingen en situaties waarin we die pleegzorgbegeleiding gewoon nodig hebben. Dat stopt niet zomaar. We kunnen op onze kop gaan staan, maar het stopt gewoon.’
Jeugdigen ervaren dat zij niet altijd gehoord en serieus genomen worden in het hulpverleningstraject Jeugdigen vinden het belangrijk dat ze tijdens het hulpverleningstraject de ruimte krijgen om hun mening te geven en dat daar serieus naar wordt geluisterd en iets mee wordt gedaan. Veel jeugdigen geven aan dat ze op enig moment in het hulpverleningstraject tegen iets aanlopen. Het kan zijn dat ze het gevoel hebben dat de hulpverlenging hen niet verder brengt, maar ook dat ze moeite hebben met de houding van een hulpverlener of dat ze praktische zaken willen bespreken. De 15-jarige Justin zegt over zijn hulpverleningstraject: ‘Ik vond het totaal niet fijn daar. Ik voelde me totaal niet op mijn gemak. We kregen opdrachtjes van ga maar lekker tekenen, verven of een spelletje spelen. Maar dat hielp niet. Want ik vond de hulpverlener niet fijn. Ik vond haar echt ... heel vervelend. Ik voelde me daar niet op mijn gemak.’
Afhankelijk van hun leeftijd vertellen de jeugdigen hun mening direct tegen de hulpverlener of indirect via de ouders of verzorgers. Daarbij wenden jonge jeugdigen zich eerder tot ouders en verzorgers en durven oudere jeugdigen zich meer te uiten bij de hulpverlener. Mondigheid neemt toe naarmate jeugdigen ouder worden. Via welke weg zij zich ook uiten, van belang is dat er naar hen geluisterd wordt en dat hun mening serieus meegewogen worden in de besluiten die genomen worden. De 16-jarige Fenna heeft goede ervaringen met de evaluatie van haar pleegzorg: ‘Ik krijg een formulier met de punten van wat er is gezegd. Als er dan wel wat is of als het in grote lijnen niet klopt, dan kan ik dat wel zeggen of achteraf tegen mijn pleegouders zeggen. Dus dan komt het uiteindelijk wel daar terecht. Eigenlijk klopt het wel altijd. Ik vind het wel fijn, want er wordt dan wel gewoon wat mee gedaan. Ik heb het gevoel dat er naar me geluisterd wordt.’
De jeugdigen zijn verdeeld over hoe serieus genomen zij zich voelden nadat ze hebben verteld wat ze vinden. Als zij ervaren dat er goed naar hen is geluisterd, berust dat vaak op een gevoel. Soms legden zij uit waarom zij zich serieus genomen voelen. Zo vertelde de 16-jarige Joep dat het helpt als een hulpverlener meeschrijft, en dat het nog fijner is als je op papier later kan lezen wat een professional precies heeft opgeschreven. Als jeugdigen het gevoel hebben dat zij niet serieus genomen worden, zeggen zij veelal dat er simpelweg niet naar hen geluisterd wordt. Naar de nu 20-jarige Isa werd eigenlijk bijna nooit geluisterd in pleeggezinnen, woongroepen en door de professionals daaromheen. Dit liep uiteen van niet geloofd worden dat zij door iemand in de groep geslagen was, tot niet serieus genomen worden toen zij melding maakte van een onveilige situatie in haar pleeggezin. Als gevolg hiervan wilde ze met sommige hulpverleners niet meer praten. Zij zegt over haar ervaringen: ‘Er wordt gewoon nooit naar een kind geluisterd.’ (Isa)
Participatie vanaf de zijlijn
37
kinderombudsman
nationale ombudsman
Jeugdigen ervaren niet dat hun mening wordt meegewogen in besluiten rond hulpverlening Als het gaat om de invloed die jeugdigen hebben op hun eigen hulpverleningstraject, zien we een vergelijkbaar wisselend beeld. Belang hechten aan de mening van de jeugdige wil niet zeggen dat alle wensen van jeugdigen ingewilligd kunnen worden. Maar jeugdigen zijn wel heel blij als er rekening wordt gehouden met hun mening, en hebben dan het gevoel invloed te hebben. Meerdere jeugdigen geven aan dat gevolg wordt gegeven aan hun wensen in het directe contact met de hulpverlener. Bijvoorbeeld als het gaat om het aanpassen van een weekschema voor school, het plannen van afspraken met de psycholoog of pleegzorgbegeleider of als er in de woongroep een stemming plaatsvindt om gezamenlijk ergens over te beslissen. De 15-jarige Joep zegt hierover: ‘Elke twee maanden is er een huiskameroverleg en kan je alles indienen wat je wilt. Het wordt gewoon serieus besproken aan de eettafel en dan wordt er gestemd: wie wil het wel, wie wil het niet?’
Er zijn verschillende situaties waarin er geen rekening wordt gehouden met de mening van jeugdigen. Daarbij is het belangrijk dat er ook niet altijd een terugkoppeling wordt gegeven over het besluit. Op die manier is voor jeugdigen niet duidelijk wat er met hun mening of wens gedaan is. In sommige gevallen wordt niets gedaan met een voorval dat de jeugdige als onprettig heeft ervaren. De 14-jarige Olivia heeft meegemaakt dat een vrouwelijke hulpverlener vervelende dingen had gezegd waardoor zij van slag raakte. Ze heeft geprobeerd daar iets mee te doen: ‘Mijn moeder heeft gebeld naar die vrouw, maar er is niks mee gedaan. (...) We hebben niets terug gehoord.’ Voor andere jeugdigen geldt dat zij iets moeten doen wat zij zelf niet willen. Zelfs nadat zij dit hebben aangegeven. Zo vertelt de 15-jarige Thijs dat hij door moet gaan met een psychologische behandeling waarvan hij zelf het gevoel heeft dat die niet zou helpen zolang zijn thuissituatie niet stabieler wordt. De 16-jarige Vince, die een niet-aangeboren hersenletsel heeft, vertelde iets soortgelijks: ‘Ik wilde in het begin thuis geen les, ik wilde alleen maar naar de buitenschoolse opvang en met blokken spelen. Ik vond het heel lastig dat ik toch thuis lessen moest volgen.’
Jeugdigen vinden het prettig als ze een terugkoppeling krijgen met wat de afwegingen waren voor een besluit. Dat maakt dat ze dat besluit kunnen accepteren, ook als dat niet gunstig voor hen uitpakt. Zo vertelt Thijs ook dat hij het niet helemaal eens is met de uitkomst van een advies over zijn jeugdzorg, maar dat hij door het adviesrapport dat hij gekregen heeft wel kan begrijpen waar het vandaan kwam. De 15-jarige Joep vertelt hoe dit in zijn woongroep gaat: ‘Kijk, dan geven ze natuurlijk de nodige redenen, maar ze doen er wel wat mee. Ze hoeven het niet gelijk aan te passen, maar ze laten wel goed weten dat ze het niet zomaar wegwuiven.’
Participatie vanaf de zijlijn
38
kinderombudsman
nationale ombudsman
5 Invloed van jongeren- en adviesraden op beleid en uitvoering in de Jeugdwet 5.1
Inleiding
In de Jeugdwet is bepaald dat gemeenten verplicht zijn om een regeling op te stellen over ‘de wijze waarop ingezetenen inspraak en medezeggenschap hebben op de beleidsvorming en -uitvoering binnen de Jeugdwet’.31 Vaak is dat een adviesraad sociaal domein, aangesteld door het college van burgemeester en wethouders, die de gemeente gevraagd en ongevraagd adviseert over het beleid rondom de Jeugdwet, de Wmo en de Participatiewet. Inspraak voor jeugdigen is in Nederland nog niet wettelijk vastgelegd. Zoals in artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag staat, heeft ieder kind het recht zijn of haar mening te geven in beslissingen die gevolgen hebben voor zijn of haar leven.32 Die mening moet serieus genomen worden. Toch is het in de Jeugdwet niet als verplichting opgenomen om jeugdigen te betrekken bij het tot stand komen van beleid dat hen aangaat. Ook zijn jeugdigen niet als een eigenstandige categorie opgenomen in de Wet versterking participatie op decentraal niveau, waarmee hun betrokkenheid versterkt had kunnen worden. Enkele gemeenten kiezen ervoor een jongerenraad in te stellen. Meestal gebeurt dit door de gemeenteraad. Leden van de jongerenraden lopen in leeftijd uiteen van 12 tot 27 jaar. Ze hebben veelal een theoretische opleiding. Het is moeilijk om aan leden met een praktische opleiding te komen. De reikwijdte van de jongerenraad is vaak ruimer dan alleen de Jeugdwet.
Zo komen ook vraagstukken rond openbaar vervoer, veiligheid, evenementen en wonen aan de orde.
5.2
Ervaringen van adviesraden
Adviesraden ervaren ruimte en krijgen ondersteuning als zij de gemeente adviseren In het algemeen ervaren de adviesraden ruimte in hun gemeente om die te adviseren over beleid rond de Jeugdwet. De meerderheid van de adviesraden geeft aan vaker gevraagd dan ongevraagd advies te geven aan het college van burgemeester en wethouders. Hierdoor voelen zij zich betrokken in het proces van beleidsvoorbereiding. De gemeenten ondersteunen de adviesraden in het algemeen goed. De adviesraden stellen ambtelijke ondersteuning zeer op prijs en ervaren die als nuttig, bijvoorbeeld een vast contactpersoon en de aanwezigheid van deze contactpersoon bij commissievergaderingen. Zo is er bij de adviesraden regelmatig contact met wethouders en ambtenaren die betrokken zijn bij het onderwerp, soms als vaste contactpersoon. Een lid van de adviesraad zegt hierover: ‘Als we dat willen, is er altijd een ambtenaar die langskomt om zaken toe te lichten aan de adviesraad. Ook als stukken lastig te lezen zijn vanwege het taalgebruik kunnen we de gemeente vragen om een B1-versie ervan te geven. Dat doet de gemeente dan ook.’ Enkele adviesraden geven aan dat de adviesraad soms op heel korte termijn advies moet geven. Dat ervaren ze als onprettig, omdat ze dan minder tijd hebben om zich voldoende te verdiepen in het betreffende onderwerp.
Zo wordt aangegeven: ‘Op tijd geïnformeerd worden over de onderwerpen waarover de gemeente in de aankomende tijd om advies zal vragen, zou adviesraden helpen zich vooraf te kunnen inlezen en voorbereiden.’
31
Artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015.
32
https://www.kinderrechten.nl/kinderrechten-vw/artikel-12-betrekken-kind/.
Participatie vanaf de zijlijn
39
kinderombudsman
nationale ombudsman
Adviesraden hebben een beperkt invloed bij de (regionale) inkoop en uitbesteding van jeugdzorg De Jeugdwet is geen gemakkelijk beleidsterrein om over te adviseren, vinden de adviesraden. Zo is er altijd geldtekort en is de druk op de jeugdhulp enorm. Daardoor is het voor adviesraden lastig om invloed uit te oefenen op dit terrein. De meeste adviesraden ervaren dat ze op afstand staan bij besluitvorming rond de inkoop en aanbesteding van jeugdzorg. Een meerderheid van hen benadrukt dat aanbestedingen complex zijn. En aanbestedingen zijn veelal juridisch en financieel dichtgetimmerd. Een lid van een adviesraad verwoordt het zo: ‘Met de decentralisaties zou de gemeente de regie hebben. Hoe doe je dit met de marktwerking in de jeugdzorg? Hoe wil je dan nog regie houden als gemeente? Gemeenten kunnen moeilijk sturing geven in de markt. En hoe wil je daar als adviesraad invloed op hebben?’
Een bijkomstig knelpunt voor adviesraden is dat gemeenten meestal gezamenlijk regionaal inkopen, waardoor er veel verschillende gemeenten bij betrokken Zijn. Adviesraden ervaren dat hoe meer gemeenten betrokken zijn bij het beleid, hoe meer adviesraden op afstand komen te staan. Adviesraden staan daardoor vaak buitenspel, geven ze aan. Adviesraden hebben weinig tot geen contact met ouders en jeugdigen Alle adviesraden geven aan dat ze niet gemakkelijk zicht krijgen op de jeugdproblematiek, omdat ze weinig tot geen contact hebben met jeugdigen. Hun achterbannen zijn vaak onderdeel van individuele netwerken van adviesraadleden, en daarin zitten meestal geen jeugdigen. Jongeren erbij betrekken gaat daardoor moeizaam. Er is veelal geen jongerenraad in de gemeente. Een lid van de adviesraad zegt hierover: ‘Wij ervaren dat jongeren zich niet vanzelf aansluiten en dat we ook niet vanzelf in contact komen met kinderen en jongeren. Dit zou de adviesraad graag willen, maar het lukt niet. We hebben al verschillende zaken geprobeerd, zoals de vraag uitzetten via jongerenwerkers. Maar daar komt geen respons op. Dat komt hoogstwaarschijnlijk door het gesloten karakter van onze lokale gemeenschap.’
Het contact met ouders verloopt iets beter, maar is alsnog veel te beperkt om te kunnen spreken van een representatieve vertegenwoordiging van hun behoeften in de advisering over de Jeugdwet. Hierdoor is het de adviesraden niet altijd duidelijk welk effect het jeugdbeleid heeft op ouders en gezinnen. Ze hebben weinig informatie over de afnemers van jeugdhulp, ook niet via de cliëntenraden van de zorginstellingen. Een aantal keer werd geopperd dat het instellen van een cliëntenraad door de gemeente een oplossing zou zijn. Een lid van de adviesraad zegt hierover: ‘Het contact met de achterban is eigenlijk het belangrijkste verbeterpunt. Daar heeft de gemeente ook een rol in. Gemeenten moeten inwoners beter informeren over het bestaan van adviesraden, zodat de adviesraden beter de verbinding kunnen leggen met ouders en jeugdigen. Het zou goed zijn als de gemeente regelt dat inwoners zaken mee kunnen geven aan de adviesraad.’
Participatie vanaf de zijlijn
40
kinderombudsman
nationale ombudsman
Adviesraden voelen zich gehoord en serieus genomen door de gemeente en de raad In het algemeen voelen adviesraden zich gehoord en serieus genomen in de advisering aan hun gemeente. Bijna allemaal geven ze aan dat ze standaard terugkoppeling krijgen van hun gemeente over wat er met hun advies wordt gedaan, dus welke onderdelen van hun advies worden overgenomen en welke niet. Vaak gebeurt dat met een onderbouwing. Een groep samenwerkende adviesraden zegt hierover: ‘De mate van invloed is veelal afhankelijk van de welwillendheid van de medewerkers van de gemeente en van het gemeenteraadslid dat over het onderwerp gaat. Het is belangrijk dat zij de adviesraad serieus nemen. Samenwerking met de gemeente moet een cocreatie zijn.’
De fase waarin adviesraden invloed kunnen uitoefenen op beleid wisselt: soms geven zij advies voordat de gemeente beleid opstelt, soms daarna. Een veelgehoord bezwaar tegen de adviserende rol achteraf is dat de adviesraden dan niet tot nauwelijks invloed kunnen uitoefenen. De mogelijkheid om zaken aan te passen is beperkt, laat staan om het beleid op een andere manier vorm te geven. Ook merken ze dat hoe complexer het onderwerp en hoe meer ambtenaren en wethouders erbij betrokken zijn, hoe later adviesraden invloed kunnen uitoefenen op het proces van beleidsvorming. Voor zover dat überhaupt nog kan. De adviesraden geven aan dat de mate van invloed ook afhangt van de afstand: bij regionale samenwerking wordt de afstand met de adviesraad groter door de regionale voorbereiding, afstemming en besluitvorming. De lokale invloed is dan minder. Dit wordt wel opgelost met regionale adviesraden, maar dan nog is de invloed van de lokale adviesraad minder, omdat er meer belangen en perspectieven spelen in het proces van beleidsvorming.
5.3
Ervaringen van jongerenraden
Jongerenraden hebben behoefte aan meer ondersteuning vanuit de gemeente Jongerenraden geven gevraagd en ongevraagd advies, meestal aan de gemeenteraad of raadscommissie. In tegenstelling tot de ervaringen van adviesraden missen jongerenraden ambtelijke ondersteuning van de griffie of een beleidsmedewerker. Het is voor de jongeren namelijk lastig zoeken in de jungle van ambtelijk taalgebruik, formele procedures, wetten en protocollen. Zij ervaren verordeningen, beleid, inkoop enzovoort op het beleidsterrein Jeugd als taaie kost. Het vergt dan ook tijd en kennis om op dit beleidsterrein te adviseren, iets wat de meeste jongerenraden niet hebben. Ze adviseren nu vooral op laagdrempelige onderwerpen, zoals het jongerenspreekuur. Een lid van een jongerenraad vertelt bijvoorbeeld: ‘We zouden meer ondersteuning van de medewerker van de griffie willen. Dan bedoelen we niet per se dat diegene alles moet uitzoeken voor ons, maar bijvoorbeeld hulp bij het opstellen van een conceptmotie. Wij hebben het nu zelf uitgezocht. We hebben gewoon een exemplaar gevraagd en zelf aangepast. Dat soort kleine dingetjes zou wel helpen als we daarmee op weg worden geholpen door een medewerker van de griffie.’
De meeste gemeenten ondersteunen de jongerenraden wel met geld en een vergaderlocatie. Jongerenraden hebben daarnaast vooral behoefte aan goede informatieverstrekking. Ze ervaren het als onprettig als ze vergaderstukken of de agenda van de raadsvergadering laat ontvangen. Ze willen eerder in het proces gevraagd worden om mee te denken. Het liefst vanaf het begin van het beleidsproces, zodat ze nog ruimte hebben om iets in te brengen. Ook geven ze aan dat het zou helpen als er toegankelijke en begrijpelijke taal wordt gebruikt in communicatie met hen.
Participatie vanaf de zijlijn
41
kinderombudsman
nationale ombudsman
De jongerenraden geven aan dat zij weinig contact hebben met de adviesraden sociaal domein. Uit de gesprekken die we met jongerenraden gevoerd hebben, wordt duidelijk dat er wel voorzichtige pogingen gedaan worden om elkaar te vinden, maar die zijn niet structureel van aard. De jongerenraden staan hier wel open voor. Zo zegt een jongerenraadslid hierover: ‘Met de adviesraad sociaal domein hebben we sinds kort persoonlijk contact. We moeten samen nog bekijken hoe we elkaar kunnen versterken.’
Jongerenraden zijn creatiever in het benaderen van de achterban dan adviesraden Het merendeel van de jongerenraden die we hebben gesproken, steekt veel energie in het bereiken van hun achterban, de jongeren zelf. Daarbij ervaren zij dat alleen het gebruik van sociale media niet voldoende is. Ze bezoeken de jongeren daarom op scholen, bij verenigingen enzovoort. Een voordeel daarbij is dat jongerenraadsleden zelf ook jong zijn. Ook creatief zijn en activiteiten ontplooien, zoals spelletjes, warming-up of ludieke dingen als bierpong zonder bier, helpt jongerenraden in contact te komen met jongeren. Hiermee proberen ze een veilige omgeving te creëren waarin jeugdigen wel hun stem laten horen. Een jongerenraadslid zegt hierover: ‘Het bereiken en meenemen van jongeren via sociale media is lastig. Sinds vorig jaar focussen we meer op panelgesprekken op scholen. Zo kunnen we de jongeren beter vertegenwoordigen in gesprekken met partijen zoals de gemeente. Wij hebben dit contact bijvoorbeeld door echt naar scholen toe te gaan en een les maatschappijleer te kapen.’
Jongerenraden willen er niet alleen zijn voor de bühne De jongerenraden vinden het voor hun motivatie heel belangrijk dat ze door de gemeente gehoord en gezien worden, en serieus genomen worden. Een aantal ervaart dat dat geen vanzelfsprekendheid is. Jongerenraden die de weg naar de gemeente minder goed kennen, ervaren minder invloed. Een lid van een jongerenraad zegt hierover: ‘We voelen ons niet altijd serieus genomen. Sommige politieke partijen hebben hun eigen denkrichting en zitten niet op ons advies te wachten. Zij willen het even afvinken. Vaak krijgt de jongerenraad iets toegestuurd met de vraag: “Is het zo goed?” Het is vooral reactief. We denken niet mee in de beginfase.’ Een uitzondering hierop is één jongerenraad die zich heel actief profileert. Dat vergde een lange adem en enige brutaliteit, maar daarmee hebben zij wel hun plek opgeëist in de gemeente.
Jongerenraden geven op allerlei wijzen hun adviezen. Dat kan in de vorm van een motie in de gemeenteraad zijn, maar ook een presentatie aan de raad of een gesprek met raadsleden. Dit gebeurt gevraagd en ongevraagd. Een lid van een jongerenraad zegt hierover: ‘Wij presenteren conceptmoties aan de gemeenteraad. Wij denken met de presentaties de gemeenteraadsleden persoonlijk aan te spreken. Hiermee hopen we gelijk feedback te krijgen en ook een stempel te drukken.’
Het is niet altijd duidelijk wat er met hun advies gebeurt. Een enkele jongerenraad krijgt via de contactpersoon van de gemeente een terugkoppeling. Maar het komt evengoed voor dat ze niets meer horen van de gemeente. De jongerenraden die we spraken hebben wel behoefte aan een terugkoppeling. Het liefst schriftelijk, want dan kunnen de leden het met elkaar bespreken en ervan leren. Het mooiste zou volgens hen zijn als er contact is met de burgemeester of een wethouder. Tijdens een gesprek met hen zou de terugkoppeling besproken kunnen worden.
Participatie vanaf de zijlijn
42
kinderombudsman
nationale ombudsman
Maaike over de hulp aan haar zoon Luuk Mijn naam is Maaike, ik ben 39 jaar, alleenstaand en heb één zoon, Luuk van 9 jaar. Op jonge leeftijd was al duidelijk dat Luuk moeite had met prikkels. Hij kreeg regelmatig woedeuitbarstingen en paniekaanvallen. Al vrij snel werd bij hem PTSS, ADHD en ASS vastgesteld. Met vier jaar is Luuk naar een medisch kinderdagverblijf gegaan. Inmiddels zit hij op het speciaal onderwijs. Via een consulent van de gemeente die mij hielp bij mijn financiën ben ik in contact gekomen met jeugdhulp. Deze consulent zag dat ik meer hulp nodig had en heeft mij doorverwezen naar de jeugdhulp. Inmiddels heb ik alweer zo’n vier jaar dezelfde jeugdconsulent van de gemeente. Deze regelt de hulp die nodig is. Daarnaast is er een team van zo’n zes hulpverleners, waaronder een docent en intern begeleider van Luuks school, een psycholoog, psychiater, logopedist en hondentherapeut. De jeugdconsulent neemt deel aan de teamoverleggen. Ik ben uitermate tevreden met de vrijwillige jeugdhulp die ik krijg. Alle betrokken professionals vormen één team. Zij hebben periodiek online overleg zodat iedereen op één lijn zit. Verslagen van de teamoverleggen worden gedeeld, doelen worden in overleg met elkaar gesteld en samen maken we afspraken over wie wat doet. Ik ervaar veel steun. We staan met z’n allen om Luuk heen. Zo fijn dat ik er niet alleen voor sta.