Inkomend - Ombudsman - Aanbieding rapport Participatie vanaf de zijlijn bijlage
Tekst van het document
Dat er mensen zijn die me helpen en begrijpen. Het heeft wel enige tijd geduurd voordat er een team stond. In het begin waren er te veel wisselingen van hulpverleners. Nu heeft Luuk al een tijdje vaste hulpverleners. Dit is essentieel voor de communicatie en het maken van afspraken. Wat ook heel belangrijk is, is dat ik goed in staat ben om mijn verhaal te doen en mij niet laat ondersneeuwen. Op een gegeven moment was het zo dat iedereen langs elkaar heen werkte. Toen heb ik met de hand op tafel geslagen en gezegd dit gaan we anders doen want zo gaat het niet. Dat had effect Met name over de jeugdconsulent ben ik zeer te spreken. Ik heb echt goud in handen met haar. Exemplarisch voor de jeugdconsulent is een hondentraining. Ik had aangegeven dat ik graag een hulphond wilde voor Luuk. Die zijn we samen gaan uitzoeken. In eerste instantie was een deze hulphondenorganisatie te duur voor de gemeente. Vervolgens is de jeugdconsulent actief op zoek gegaan naar alternatieven en heeft zij deze ook gevonden. Wat maakt de jeugdconsulent zo goed? Ze neemt me serieus, luistert naar me, gaat mee in de ideeën die ik aandraag en regelt alles samen met mij. Mijn jeugdconsulent is niet iemand die zegt: ‘Ik ben de professional en ik zeg wel even wat je moet doen.’ Nee, zij vraagt: ‘Hoe zie jij dat dan?’ En gaat daarover met mij in gesprek. Niet alles wat ik wil, gebeurt ook. Dat snap ik.
Maar ze probeert dan wel alternatieven te zoeken. Niet van: ‘Het gaat niet. Punt. Klaar.’ Nee: ‘We gaan verder kijken.’ Volgens mij zijn veel professionals niet geschikt omdat zij alleen – of in ieder geval te veel – volgens het boekje werken. Ik pleit voor professionals die buiten de kaders kunnen denken. Situaties zijn niet zwart of wit. Ieder gezin heeft een kleurrijk verhaal. Kijk daarnaar. Kijk naar wat nodig is. Verkoop geen harde nee en doe vervolgens niets. Zoek proactief naar alternatieven.
Participatie vanaf de zijlijn
43
kinderombudsman
6
nationale ombudsman
Als een jeugdige of ouder een klacht heeft 6.1
Inleiding
Eén manier om invloed uit te oefenen op het hulpverleningsproces, is door een formele klacht in te dienen. Iedereen heeft daartoe het recht en iedere instantie behoort een klachten procedure te hebben. Klachtrecht zou laagdrempelig moeten zijn en gericht op het oplossen van problemen.33 Voor ouders en jeugdigen is het belangrijk dat goed naar hen wordt geluisterd en dat zij serieus genomen worden als zij een klacht uiten. De hulp inroepen van een onafhankelijke vertrouwenspersoon of cliëntondersteuner kan daarbij helpen. Informatie over de klachtenprocedure behoort toegankelijk en begrijpelijk te zijn voor zowel ouders als jeugdigen. Hierbij hoort dat jeugdigen deze informatie op hun eigen niveau krijgen. Toegankelijke en begrijpelijke informatie zou ouders en jeugdigen moeten ondersteunen om een stem te hebben in het hulpverleningsproces. Deze theorie klinkt eenvoudig, maar uit de gesprekken met ouders en jeugdigen blijkt dat de praktijk weerbarstig is.
6.2
Ervaringen van jeugdigen en ouders
Klachtenprocedure is te belastend voor ouders Uit de gesprekken met jeugdigen blijkt dat ze zelf bijna geen klachten indienen. Van de geïnterviewde ouders heeft wel een aantal een klacht ingediend. Doorgaans is de klacht echter niet naar tevredenheid afgehandeld. Ouders hebben niet het gevoel dat er iets met de klacht gedaan wordt of dat die hun situatie verandert. Zo vertelt Anna, een van de ouders: ‘Onze klacht ging over de hulpverlening die basi sjeugdhulp biedt en dat die volhoudt dat de hulp die werd geboden past bij wat wij nodig hebben. Wij ervaren dat helemaal niet zo ... De klachtenprocedure ging vooral over de bejegening, over hoe er met ons omgegaan werd als klant en mens. Ik kreeg te horen dat het contract van de persoon die ons toen begeleidde niet verlengd was, maar onze klacht was niet tegen die persoon gericht. Daarmee hebben ze dus wel erkend dat er dingen fout zijn gegaan, maar ze hebben op de inhoud geen veranderingen doorgevoerd.’
Uit het verhaal van een andere ouder, Marloes, komt een vergelijkbaar beeld naar voren: ‘Ik heb klachtprocedures gehad over die onderzoeken. Het komt er steeds op neer dat ze alles afwijzen en zich nergens in herkennen of geen onderzoek kunnen doen, of dat het jouw woord tegen hun woord is enzovoorts, enzovoorts. Maar ik kan, en dat is het ergste, aantonen op welke momenten mijn rechtsbescherming mij is onthouden, waar die is geschonden, waar de checks-and-balances niet zijn opgevolgd. En toch raast de trein door en denderen ze over je heen, want zij weten het beter.’
De belangrijkste reden om geen klacht in te dienen, is dat ouders en jeugdigen dat emotioneel te belastend vinden en het te veel negatieve energie kost. Energie die ouders, gelet op hun situatie, vrijwel niet hebben. Bovendien hebben ouders en jeugdigen geen vertrouwen in de uitkomst. Hierdoor ontstaat er een soort van gelatenheid en blijft de situatie zoals die is. Een van de ouders, Annelies, verwoordt dit zo: ‘Ik heb nooit bedacht om een klacht in te dienen. Ik ben al zo vaak teleurgesteld door zoveel verschillende partijen. Wie kan mij dan nog helpen? Ik heb me neergelegd bij mijn lot.’
33
Ombudsvisie professionele klachtbehandeling, 19 maart 2018, rapportnummer 2018/005
Participatie vanaf de zijlijn
44
kinderombudsman
nationale ombudsman
Een andere reden om geen klacht in te dienen, is dat ouders en jeugdigen bang zijn voor de gevolgen. Ze bevinden zich in een kwetsbare positie, omdat ze afhankelijk zijn van de gemeente of de hulpverlening. Zonder hen is er geen hulp en ondersteuning. Daarbij wordt enkele keren aangegeven dat ze bang zijn om als boeman gezien te worden. Een moeder, Charlotte, zegt hierover: ‘Je voelt aan alles dat jouw kind afhankelijk is van deze hulpverleners. En als wij onze mond opentrekken, denk je voortdurend dat dat ten koste van ons kind kan gaan.’
Ouders ervaren een doolhof aan regels bij het indienen van een klacht Ouders die geen klacht hebben ingediend, hebben veelal wel met het idee gespeeld of hadden redenen om dat wel te doen. Dat ze het dan toch niet doen, komt doordat ze niet altijd weten waar ze terechtkunnen met een klacht. Anderen die die weg ook niet kennen, komen daar wel uit als ze daadwerkelijk een klacht willen indienen. De 22-jarige Siem, die een klacht over de jeugdinstelling van zijn broertje wil indienen, zegt hierover: ‘Ik ga het eerst bij de instelling proberen. Ik wilde dus een mail gaan sturen. Ik vind dat niet prettig, ik wil bellen. Dan ga ik vragen naar een hoge functie.’
Dat het klachtrecht binnen de Jeugdwet complex is, wordt bevestigd door verschillende belanghebbenden die we hebben geraadpleegd.34 Zij zien ook dat ouders en jeugdigen verdwalen in het doolhof aan klachtregelingen en het dan maar laten. Klachtenprocedures zijn complex en ontoegankelijk. Daar liggen meerdere oorzaken aan ten grondslag. Zo zijn er verschillende wetten en klachtenregelingen van toepassing. De Jeugdwet, Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz), Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) hebben elk een eigen klachtenregime en bevatten van elkaar verschillende bepalingen over klachtbehandeling. Daarbij komt dat ouders en jeugdigen te maken hebben met verschillende organisaties die de Jeugdwet uitvoeren, zoals gemeenten, wijkteams, CJG’s, Veilig Thuis, jeugdbeschermingstafels en jeugdhulpverlenende organisaties. Ook kregen we van enkele belanghebbenden te horen dat gemeenten soms een knip maken tussen klachten over de toegang tot hulpverlening en klachten over de hulpverlening zelf. Zo moeten inwoners zich met een klacht over de toegang wenden tot de gemeente en inwoners met een klacht over de hulpverlening tot de zorgaanbieder. Deze knip brengt verwarring met zich mee voor ouders en jeugdigen die een klacht willen indienen.
Jeugdigen dienen niet snel een klacht in als ze ontevreden zijn over de geboden hulp Uit de gesprekken met jeugdigen blijkt dat zij het tijdens het hulpverleningstraject moeilijk vinden om hun eigen mening te geven, al hangt dit voor een deel ook af van de klik met degene die tegenover hen zit. Zeker jongere kinderen vertrouwen erop dat hun ouders namens hen goed kunnen aangeven wat voor hen belangrijk is.35 Ook als er naar hun mening wordt gevraagd, vinden ze het lastig om een eerlijk antwoord te geven. Jeugdigen zullen dan ook niet snel een klacht indienen als ze over iets niet tevreden zijn. Dit komt ook naar voren uit een rapport van Jeugdstem (voorheen: Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg, AKJ).36 De auteurs ervan schrijven hierover:
34
In bijlage 3 staat met wie we hebben gesproken.
35 Zie rapport De weg kwijt in een oerwoud van klachtregelingen. Praktijkonderzoek naar de toegang tot en behandeling van jeugdklachten in de gemeente Den Haag. Den Haag: Jeugdombudsman Den Haag, juni 2022. 36 Hellinga, J., & Reub, C. Help, een klacht! Praktijkonderzoek naar een betere klachtbehandeling voor cliënten en professionals in de jeugdbeschermingsketen. Amsterdam: AKJ, mei 2021.
Participatie vanaf de zijlijn
45
kinderombudsman
nationale ombudsman
‘Jeugdige cliënten dienen minder klachten in, maar dit betekent niet dat de onvrede kleiner is. Jeugdigen ervaren een opeenstapeling van drempels in de klachtenprocedures, leidend tot een gevoel van machteloosheid en de herhaalde bevestiging dat men niet ontvankelijk is voor wat zij te zeggen hebben.’
Uit de gesprekken die wij hebben gevoerd met jeugdigen, maken we op dat ze een aantal factoren belangrijk vinden. Ze vinden het belangrijk dat er naar hen geluisterd wordt. Ze geven aan dat ze goed weten wat ze niet willen. Een van de jeugdigen vertelt bijvoorbeeld expliciet dat hij een klacht liever telefonisch zou doen dan schriftelijk, wat vereist wordt. Bovendien voelen jeugdigen heel goed aan of hun klacht of melding serieus wordt genomen, oftewel of ze echt gezien en gehoord worden. De 15-jarige Thijs heeft hiermee geen positieve ervaring: ‘Het lijkt alsof de organisatie alle klachten herleidt tot het feit dat ik transgender ben.’ Voor Isa was het in eerste instantie niet duidelijk hoe de klachtenprocedure werkte. Daarna werd ze in haar beleving niet serieus genomen met haar klachten. Ze heeft de moed toen opgegeven om nog andere klachten in te dienen.
Participatie vanaf de zijlijn
46
kinderombudsman
nationale ombudsman
Sam over zijn hulp Mijn naam is Sam. Ik ben 13 jaar oud. Op de basisschool had ik soms een beetje last als ik met veel kinderen in de klas zat. De eerste klassen had ik een leraar waar ik het niet mee kon vinden, toen was ik nog heel jong. Daarna had ik drie jaar lang een heel fijne leraar die was gespecialiseerd in hoogbegaafdheid. Zij was ook drie jaar lang de leraar van mijn oudere broer. Er werd toen niet echt met mij gepraat; ik vond dat wel fijn, want anders zou ik gaan stressen. Toen ik 11 was, ben ik naar de middelbare school gegaan. Na een paar maanden bleek dat ik niet goed tegen veel prikkels kan en ook moeite heb met het wisselen van klaslokaal en wisselende leraren. Ik raakte heel erg gestrest. Toen het niet zo goed ging op school, heb ik met mijn moeder gepraat en heeft ze gevraagd wat ik wilde. Dat is heel fijn. Zij bespreekt altijd dingen met mij en ik vertrouw haar ook heel goed. Mijn nieuwe school heeft een apart gebouw met maar één lokaal, daar hoef ik dus niet van lokaal te wisselen. Er zitten maximaal vijf leerlingen in de klas. Dat is dus best rustig. De andere leerlingen zijn ook hoogbegaafd of autistisch. De begeleider in dat lokaal geeft me op maandag een weekplanning. Die bekijken we samen en als iets te veel is, kan ik dat met haar overleggen en vaak past ze de planning aan. Het werkt heel goed zoals het nu gaat, want ze luistert heel goed naar mij.
Het gaat nu erg goed op school. Ik heb ook nog een paar andere begeleiders, die kijken hoe het mentaal met mij gaat. Twee van die begeleiders heb ik twee jaar gehad, maar die gingen toen weg. Mijn moeder zei dat ik het moest zeggen als ik het niet fijn vond bij hun vervanger. Dat heb ik gedaan en toen is die begeleider niet meer gekomen. Ik vond het fijn dat er naar me geluisterd werd. Er zijn wel een aantal dingen waarover ik mijn moeder laat beslissen. Ik wil bijvoorbeeld niet bij overleggen zijn die gaan over dingen aan de binnenkant, daar word ik niet blij van. De gemeente wilde dat ik jeugdhulp kreeg, maar mijn moeder was het niet eens met wat de gemeente aanbood. Er is ook een rechtszaak tegen de gemeente geweest, daar was ik niet bij betrokken en dat wilde ik ook niet. Dat gaf wel veel stress voor mijn moeder, dat vond ik niet fijn om te zien. Ik ben blij met hoe het nu gaat, maar we hebben wel heel veel moeten strijden. Ik zou alleen willen dat mijn moeder minder stress heeft. Daar heb ik nog een beetje moeite mee.
Participatie vanaf de zijlijn
47
kinderombudsman
7
nationale ombudsman
Conclusies en aanbevelingen 7.1
Belang van participatie en invloed
De geest van de Jeugdwet onderstreept het belang van participatie van ouders en jeugdigen. De wet heeft als doel om jeugdigen en ouders meer invloed te geven op de kwaliteit van zorg die hun geboden wordt. Het was immers de gedachte achter de decentralisaties van 2015 dat burgers beter en sneller zouden worden geholpen, omdat gemeenten dichter bij de burger staan dan het Rijk en de provincies. Vanuit het burgerperspectief en het kinderrechtenperspectief hechten de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman belang aan betekenisvolle participatie van ouders en jeugdigen. Betekenisvolle participatie betekent dat zij hun mening kunnen geven, waarna de besluitvormer die mening meeweegt in het te nemen besluit. Dit laatste is wat wij verstaan onder invloed hebben, en dat is een voorwaarde voor betekenisvolle participatie. In dit onderzoek hebben de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman gekeken naar hoe ouders en jeugdigen de mate van participatie ervaren in de huidige context van de Jeugdwet. Daarbij hebben we specifiek gekeken naar de uitvoering van, het beleid rond en de klachtenprocedure binnen het vrijwillige kader van de Jeugdwet. Voorwaarden voor betekenisvolle participatie: ruimte – stem – publiek – invloed Zoals we in hoofdstuk 2 beschreven, hebben we het Lundy-model gebruikt om de participatie van ouders en jeugdigen te toetsen.
De voorwaarden die het Lundy-model stelt aan een goede betrokkenheid van jeugdigen en, in dit onderzoek, van ouders, komen voort uit artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag. Zij komen ook overeen met een aantal van de behoorlijkheidsnormen van de Nationale ombudsman, die gaan over goede participatie van volwassenen. In hoofdstuk 2 hebben we ook uiteengezet dat deze voorwaarden te maken hebben met het recht om een mening te geven (ruimte en stem) en met het recht dat aan die mening een passend belang wordt gehecht (publiek en invloed). Ook zit er een volgorde in deze voorwaarden. Pas als aan de eerste twee voorwaarden is voldaan, is het mogelijk om aan de laatste twee voorwaarden te voldoen. En alleen als ook aan de laatste twee voorwaarden is voldaan, kan er sprake zijn van betekenisvolle participatie. Op basis van de resultaten van dit onderzoek constateren we dat er weinig mogelijkheden zijn voor ouders en jeugdigen om hun mening te geven (ruimte en stem). Ook zien we dat er daardoor amper een passend belang wordt gehecht aan die mening (publiek en invloed). Dit geldt in het bijzonder voor jeugdigen, zowel in individuele trajecten als bij beleidsvorming waar het jongerenraden betreft. Dit betekent dat participatie voor jeugdigen minder betekenisvol is dan voor ouders, al bestaan ook voor ouders grote knelpunten. In dit hoofdstuk gaan we verder in op deze conclusie.
Daarvoor leggen we de resultaten van het onderzoek naast de vier voorwaarden van Lundy.
7.2
Participatie en invloed in individuele hulptrajecten vanuit de Jeugdwet
Ruimte om een mening te geven is essentieel om invloed te hebben op de toegang tot jeugdhulp Veel van de ouders spreken over onvoldoende ruimte, informatie en (cliënt)ondersteuning van de gemeente om hun mening te geven bij de toegang tot jeugdhulp. Dit gebrek aan ruimte werkt bij ouders door in de mate waarin ze zich serieus genomen voelen door de gemeente en invloed kunnen uitoefenen tijdens het aanvraagproces. Voor de jeugdigen die we in dit
Participatie vanaf de zijlijn
48
kinderombudsman
nationale ombudsman
onderzoek gesproken hebben, gelden deze punten des te meer: zij worden in deze fase van het traject zelden gehoord en hebben daarmee überhaupt geen ruimte om hun mening te geven. Het gevolg daarvan is dat ze geen enkele invloed hebben op de aanvraag van hun hulp. Verschillende factoren maken dat ouders beperkte invloed ervaren in het aanvraagproces. Een daarvan is het gebrek aan betrokkenheid van de jeugdconsulent. Daarnaast versterkt de dreiging met drang in sommige situaties (de ‘opschaling van casuïstiek’) het gevoel van beperkte invloed op het traject. Dat zorgt ervoor dat ouders de relatie met de gemeente in dergelijke situaties als extreem ongelijkwaardig ervaren en geen ruimte voelen om nog enige invloed uit te oefenen. Verder werken de lange wachttijden voor de hulpverlening belemmerend. Er zijn verschillende redenen waarom er tijdens het aanvraagproces zelden met jongeren gesproken wordt. De belangrijkste is dat gemeente hen er niet bij betrekt. Daarnaast komt het voor dat jeugdigen zelf deze keuze maken of dat zij erop vertrouwen dat hun ouders dat goed voor hen kunnen doen. Via hun ouders krijgen zij dan wel indirect mee hoe moeizaam de aanvraag van hulp gaat. Dit alles betekent dat vooral jeugdigen maar ook ouders weinig tot geen ruimte krijgen om hun mening te geven en te merken dat deze mening ook gehoord wordt.
Daarmee hebben zij weinig tot geen invloed op de toegang tot hun hulpverleningstraject, terwijl het juist een doel van de Jeugdwet was om hen hier beter bij te betrekken. Geïnformeerd worden en serieus genomen worden zijn belangrijke factoren voor invloed op het hulpverleningstraject Ook als hulpverlening eenmaal ingezet is, is het voor ouders en jeugdigen belangrijk dat zij invloed kunnen uitoefenen op hun hulpverleningstraject. Ouders en jeugdigen hebben hierbij andere behoeften. Voor ouders zijn een goede communicatie, overleg en samenwerking met de hulpverlener voorwaarden voor invloed. Jeugdigen geven aan veel waarde te hechten aan een vertrouwensband en een gelijkwaardige relatie met de hulpverlener. Ook vinden zij het belangrijk dat de hulpverlener de tijd neemt om bij hen door te vragen naar wat zij echt willen. Daarnaast hebben jeugdigen er behoefte aan dat ze gedurende de hulpverlening tijdig en voldoende geïnformeerd worden over hun traject, bijvoorbeeld over wat er gebeurt als de hulp bijna stopt. Verder is het voor jeugdigen van belang dat een hulpverlener na een besluit altijd terugkoppelt hoe er rekening is gehouden met hun mening en wat de andere afwegingen zijn geweest. In de praktijk blijkt dat aan deze behoeften van ouders en jeugdigen niet altijd wordt voldaan. Dat zorgt voor onvrede over de mogelijkheden voor participatie bij de hulpverlening.
Daarnaast spelen factoren mee zoals de voortdurende wisselingen in, onervarenheid van en gebrek aan deskundigheid bij professionals. Als we het aanvraagtraject vergelijken met de hulpverlening zelf, zijn ouders en jeugdigen positiever over hoeveel ruimte zij krijgen om hun mening te geven en in welke mate er naar hun mening geluisterd wordt. Zij hebben meer invloedmogelijkheden tijdens het hulpverleningstraject dan bij de aanvraag daarvan. Maar ook gedurende het traject zien we dat ouders en jeugdigen onvoldoende hun mening kunnen geven en dat deze mening onvoldoende gehoord wordt. En dat staat weer in contrast met het doel van de Jeugdwet. In termen van het Lundy-model betekent dit voor zowel de aanvraag als de hulp zelf dat ouders en jeugdigen de behoefte hebben aan meer mogelijkheden om hun mening te geven (ruimte en stem) en dat aan deze mening een passend belang gehecht wordt (publiek en invloed).
Participatie vanaf de zijlijn
49
kinderombudsman
nationale ombudsman
Aanbevelingen aan gemeenten, wijkteams en zorgaanbieders: 1. Zorg voor een vast aanspreekpunt voor ouders en jeugdigen in het aanvraag- en hulpverleningsproces Dit versterkt het vertrouwen dat ouders en jeugdigen hebben in de jeugdhulpprofessional, waardoor zij meer ruimte ervaren om hun mening te geven. Het verbetert ook de continuïteit van de hulp, wat eveneens bijdraagt aan het vertrouwen van ouders en jeugdigen. Voorkom daarom wisselingen in jeugdhulpprofessionals. Met erkenning voor het feit dat de druk op de jeugdhulp hoog is, werden tijdens het rondetafelgesprek in dit onderzoek enkele mogelijkheden benoemd om jeugdhulpprofessionals langer te kunnen behouden. Het gaat dan bijvoorbeeld om meer regie over hun loopbaanontwikkeling en mogelijkheden om domeinoverstijgend te werken, waardoor variatie ontstaat in het werk. Verder is essentieel dat met name de professional die een vast aanspreekpunt is, beschikt over passende gespreksvaardigheden. Dat kan de ruimte vergroten voor ouders en kinderen om hun mening te geven. Zet dan ook in op de ontwikkeling van de communicatievaardigheden en gesprekstechnieken van deze professionals. 2. Informeer ouders en jeugdigen over het proces, hun rechten en hun mogelijkheden vanuit de Jeugdwet Informeer hen bijvoorbeeld over het bestaan van een onafhankelijke cliëntondersteuner.
Vertel hen ook bij welke organisaties zij hiervoor terechtkunnen. Regel dit ook voor ouders en jeugdigen die niet via de gemeente, maar via een andere route worden doorverwezen voor jeugdhulp. Stem de nodige informatie af op taalgebruik, leeftijd en ontwikkelingsniveau van de jeugdigen. Dit kan via een brochure of door een gesprek met jeugdigen, afzonderlijk van of gezamenlijk met ouders. Vraag hierbij aan de jeugdige specifiek wat zijn of haar voorkeur heeft. Bied jeugdigen tijdig en voldoende informatie over het hulpverleningstraject, zodat zij weten waar ze aan toe zijn. Dit is cruciaal als er grote veranderingen gaan plaatsvinden in het hulpverleningstraject, zoals het afronden van de hulp of de overgang van 18- naar 18+. 3. Vraag jeugdigen altijd, vanaf het begin en gedurende het hulpverleningstraject, of ze hun mening willen geven Bedenk daarbij dat jeugdigen meestal eerst een (gelijkwaardige) band willen opbouwen. Pas in zo’n veilige situatie ervaren zij genoeg ruimte om te vertellen wat zij vinden. Wil een jeugdige geen mening geven? Vraag dan expliciet wie zijn of haar belangen het best kan vertegenwoordigen. Dat kunnen ouders zijn, of – zoals gesuggereerd in het rondetafelgesprek van dit onderzoek – een JIM (een door Jou Ingebrachte Mentor). Laat dan weten dat ze ook in een latere fase hun mening mogen geven, als ze dat willen.
Het belang hiervan werd ook onderstreept in hetzelfde rondetafelgesprek, waarin naar voren kwam dat dit veel beter kan dan nu gebeurt. Als jeugdigen hun mening willen geven, kan de brochure Het beste besluit voor het kind van de Kinderombudsman handvatten bieden om het gesprek procesmatig en inhoudelijk aan te gaan.37 4. Leg ouders en jeugdigen uit welke afwegingen zijn gemaakt om tot de beslissing te komen Dit zorgt ervoor dat ouders en jeugdigen zich serieus genomen voelen en dat zij veelal meer begrip hebben voor de beslissing die is genomen. Het maakt inzichtelijk op welke wijze hun mening gehoord en meegewogen is. Vraag na de onderbouwing van de beslissing aan ouders en jeugdigen hoe zij tegen de beslissing aankijken en of zij zich erin kunnen vinden. Dit creëert een gevoel van gelijkwaardigheid, waardoor ouders en jeugdigen bij volgende beslissingen meer ruimte zullen ervaren om hun mening te geven. Een gezamenlijk gesprek over de afwegingen maakt ook duidelijk op welke punten er mogelijk sprake is van een meningsverschil over wat het beste is voor de jeugdigen en eventuele gezinsleden. Zo kan daar tijdig op ingespeeld worden, wat escalatie naar drang kan helpen voorkomen.
37 De brochure is in twee versies beschikbaar. Een versie voor professionals voor een goed onderbouwd besluit, waarbij rekening wordt gehouden met wat het best is voor het kind en welke andere belangen meespelen. En een versie voor kinderen waarin wordt uitgelegd waarom het belangrijk is dat ze hun mening geven en die hen helpt met de voorbereiding van het gesprek.
Participatie vanaf de zijlijn
50
kinderombudsman
7.3
nationale ombudsman
Participatie en invloed bij beleidsvorming rond de Jeugdwet
Participatie en invloed op beleidsvorming is voor adviesraden beter geregeld dan voor jongerenraden Net als in de individuele hulpverleningstrajecten zien we dat de positie van jeugdigen ook bij participatie en invloed op beleidsniveau minder stevig is dan die van volwassenen. Adviesraden voelen zich door hun gemeente serieus genomen: hun adviezen worden waar mogelijk overgenomen en er is vrijwel altijd een terugkoppeling aan adviesraden over wat de gemeente gedaan heeft met hun advies. Daarnaast zijn adviesraden in het algemeen tevreden over de informatie die zij van de gemeente ontvangen en worden zij goed ondersteund. Daarmee wordt feitelijk voldaan aan de voorwaarden vanuit het Lundy-model en kunnen adviesraden daadwerkelijk invloed uitoefenen op het jeugdbeleid in hun gemeente. Een punt van aandacht is dat adviesraden minder gewicht hebben bij een regionale samenwerking, bijvoorbeeld bij de inkoop van jeugdhulp. Dit is extra urgent vanwege het wetsvoorstel en besluit Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. Een ander punt waar adviesraden mee worstelen is het contact met ouders en jeugdigen, met wie zij ondanks allerlei pogingen weinig contact hebben. In tegenstelling tot adviesraden ervaren jongerenraden weinig ruimte bij de gemeente om mee te praten en mee te denken over kwesties rond de Jeugdwet.
Zij moeten deze ruimte opeisen bij de gemeente, waardoor zij zich niet altijd gehoord en gezien voelen. Ook krijgen jongerenraden te weinig ondersteuning van de gemeente bij het bestuderen van de voor hen ontoegankelijke stukken. Daardoor wordt niet voldaan aan de voorwaarde ‘stem’ uit het Lundy-model. Jongerenraden geven aan dat dit niet alleen hun invloed beperkt, maar dat dit ook drukt op hun motivatie om deel te nemen aan de jongerenraad. Daarnaast koppelt de gemeente onvoldoende terug wat er wel of niet met de adviezen van deze jongeren gebeurt. In tegenstelling tot adviesraden hebben jongerenraden goed contact met jongeren. Zij zijn hier creatief in en steken er veel energie in. Voor zowel de adviesraden als de jongerenraden geldt dat zij niet altijd tevreden zijn over de tijdigheid van informatie waarin zij verzocht worden advies te geven. En die informatie is ook niet altijd toegankelijk. Dit beperkt beide partijen om zich goed te verdiepen in de materie en de gemeente goed advies te geven. Aanbevelingen aan gemeenten: 1. Zorg voor tijdige en toegankelijke informatie voor adviesraden en jongerenraden Dit zorgt ervoor dat zij zich op tijd en grondig kunnen voorbereiden om hun mening te geven en de gemeente advies te geven over beleid rond de Jeugdwet. Maak afspraken over de termijnen voor het aanleveren van stukken aan de raden en leg deze afspraken vast.
Geef de jongeren toegankelijke en begrijpelijke informatie en de begeleiding die past bij hun kennis en ervaring. Zorg er ook voor dat zij goed contact hebben met de ambtelijke ondersteuning, de betrokken wethouder en de gemeenteraad. Dit alles draagt bij aan het voldoen aan de Lundy-voorwaarde ‘stem’ en daarmee aan het daadwerkelijk geven van invloed aan de raden. 2. Stimuleer jongerenparticipatie en neem die serieus Maak jongerenparticipatie minder vrijblijvend. Dit kan door een jongerenraad in te stellen of op een andere manier ruimte te creëren voor jeugdigen om hun mening te geven en hen actief te betrekken bij beleid dat hen raakt. Een voorbeeld hiervan kwam ter sprake bij het ons rondetafelgesprek waarbij via een Speaking Minds-traject jongeren op
Participatie vanaf de zijlijn
51
kinderombudsman
nationale ombudsman
scholen gestimuleerd worden om hun gemeente te adviseren. Een ander voorbeeld is het Friese Tienskip, waarin via verschillende activiteiten de kloof tussen jongeren en de (lokale) politiek verkleind wordt.38 Voor welke vorm van jongerenparticipatie ook gekozen wordt, neem de adviezen serieus en zorg ervoor dat ze een rol spelen in de besluitvorming over beleid. 3. Stimuleer samenwerking tussen adviesraden en jongerenraden Omdat zij ieder een andere achterban hebben, kunnen adviesraden en jongerenraden elkaar aanvullen en versterken, en daarmee een sterkere bijdrage leveren aan, en invloed uitoefenen op gemeentelijk beleid rond de Jeugdwet. Daarnaast kunnen gemeenten helpen adviesraden en jongerenraden bekender te maken onder de ouders en jeugdigen in hun gemeente.
7.4
Participatie en invloed met klachtbehandeling binnen de Jeugdwet
Zowel ouders als jeugdigen ervaren klachtenprocedures als belastend en ingewikkeld Voor ouders is het emotioneel belastend om een klacht in te dienen. Ook is de klachten procedure veelal een doolhof. Vaak is niet duidelijk waar ouders een klacht kunnen indienen als gemeenten jeugdtaken laten uitvoeren door derde (private) partijen. Voor jeugdigen geldt dat zij zich niet altijd durven te uiten als ze ontevreden zijn over de geboden hulp en dat zij klachten liever mondeling bespreken dan schriftelijk. Ouders en jeugdigen zijn voor hun hulp afhankelijk van de instantie waartegen de klacht zich richt. Dat belemmert hen om een klacht in te dienen. Ten slotte hebben zowel ouders als jeugdigen weinig vertrouwen in de uitkomst van een klachtenprocedure en denken zij niet dat een dergelijke procedure hen verder helpt. De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman vinden dat het niet moet uitmaken of een gemeente taken zelf uitvoert of die laat uitvoeren door derden. Gemeenten blijven altijd verantwoordelijk. Gemeenten behoren daarbij goede afspraken te maken over de wijze waarop de klachtbehandeling vorm krijgt. Komen ouders of jeugdigen met hun klacht niet verder bij de derde partij, dan moeten zij met hun klacht terechtkunnen bij de gemeente.
Als zij niet tevreden zijn over de reactie van de gemeente op hun klacht, dan moeten zij vervolgens bij de bevoegde ombudsvoorziening terechtkunnen.39 Aanbevelingen aan gemeenten, wijkteams en zorgaanbieders: 1. Informeer tijdens en na het aanvraag- en hulpverleningsproces bij ouders en jeugdigen naar hun ervaringen. Gebruik die bevindingen voor verbeteringen Wacht niet op klachten achteraf, maar evalueer al tijdens het aanvraagproces en het hulpverleningstraject wat ouders en jeugdigen vinden van hoe het gaat. Op deze manier ontstaat in een vroeg stadium ruimte voor ouders en jeugdigen om hun mening te delen met de mensen die ook daadwerkelijk iets kunnen veranderen aan toegang tot hulp en de hulpverlening zelf. In ons rondetafelgesprek werden suggesties gedaan om proactief na te gaan hoe ouders en jeugdigen hun hulpverleningstraject ervaren, die overeenkomen met de aanbeveling in het rapport Burger in zicht. Dit kan bijvoorbeeld door simpelweg telefonisch contact op te nemen om te vragen wat er volgens hen goed gaat en wat er beter kan. Hierdoor wordt een cultuur gestimuleerd waarin klachten gezien worden als leermomenten en verbetermogelijkheden.
38
ttps://speakingminds.nl/contact-2/speaking-minds-voor-scholen/; https://vng.nl/praktijkvoorbeelden/ h tienskip-jongeren-maken-jongeren-wegwijs-in-de-lokale-democratie.
39 Dit standpunt sluit aan op de ‘Principles on the Protection and Promotion of the Ombudsman Institution’ (de Venice principles) die de Raad van Europa in 2019 heeft vastgesteld. Hierin staat dat het mandaat van een nationaal ombudsmaninstituut moet gaan over het openbaar bestuur op alle niveaus. Ook moet het mandaat van toepassing zijn op alle diensten van algemeen belang en de openbare diensten die aan het publiek worden verleend, ongeacht of deze worden verleend door de staat, door de gemeenten, door andere overheidsinstanties of door particuliere organisaties.
Participatie vanaf de zijlijn
52
kinderombudsman
nationale ombudsman
2. Zorg voor één loket waar ouders en jeugdigen terechtkunnen met hun klacht Vereenvoudig het systeem voor ouders en jeugdigen om een klacht in te dienen. Maak zo min mogelijk een knip tussen de klachten over toegang tot hulpverlening en over de hulpverlening zelf, zodat ouders en jeugdigen niet in een ingewikkeld klachtensysteem belanden waarin ze van het kastje naar de muur worden gestuurd. Informeer ouders en jeugdigen over hun recht om een klacht in te dienen. De informatie moet op tijd verstrekt worden en begrijpelijk zijn, ook voor jeugdigen. Laat ouders en jeugdigen weten dat ze voor vragen of klachten over jeugdhulp terechtkunnen bij een vertrouwenspersoon die hen helpt bij het indienen van een klacht. Dat is belangrijk omdat zowel ouders als jeugdigen een klacht indienen als te belastend ervaren.
Participatie vanaf de zijlijn
53
kinderombudsman
Bijlage 1
nationale ombudsman
De Jeugdwet in historisch perspectief
In deze bijlage staat een beknopt overzicht van de historie van het jeugdstelsel. Hiervoor hebben we verschillende bronnen geraadpleegd.40 Inleiding In Nederland werd in 1874 het ‘kinderwetje’ van Kamerlid Van Houten aangenomen. Voor die tijd waren er geen speciale voorzieningen of wetten voor kinderen en jongeren. Het doel van de wet was om werkende kinderen te beschermen. In het begin van de twintigste eeuw volgden meer wetten. De leerplicht wordt in 1901 ingevoerd en in 1905 volgt de Burgerlijke Kinderwet, die het mogelijk maakt om ouders uit de ouderlijke macht te ontzetten. Als ‘lichter’ alternatief hiervoor wordt in 1922 de maatregel ondertoezichtstelling (OTS) ingevoerd. In deze periode ontstaat een systeem van kinderbeschermingsinstanties, die weliswaar in toenemende mate door de overheid gefinancierd worden, maar vooral door private, verzuilde instellingen uitgevoerd worden. Het jeugdstelsel kenmerkt zich door versnippering en een gebrek aan samenhang. Na de Tweede Wereldoorlog begint de discussie over het jeugdstelsel. In deze periode is er sprake van professionalisering en groei, mogelijk gemaakt door meer geld van de overheid.
Er vindt een verschuiving plaats van de doelgroep: waar de kinderbescherming zich eerst vooral richtte op het disciplineren van kinderen van ‘onmaatschappelijke ouders’, wordt de focus nu verlegd naar kinderen met problemen, uit alle lagen van de bevolking. Er volgt een enorme toename van particuliere jeugdzorgorganisaties, die worden gefinancierd door de overheid. Van samenwerking tussen deze instellingen is nauwelijks sprake en de bestuurlijke coördinatie in de sector ontbreekt. Al snel neemt de kritiek op het stelsel dan ook toe. Wet op de jeugdhulpverlening, 1989 In de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt de term jeugdzorg gangbaar als alternatief voor de term kinderbescherming. Jeugdhulp moet zo licht (liefst thuis), zo dichtbij (liefst regionaal), zo kortdurend (maximaal twee jaar) en zo tijdig (liefst preventief) mogelijk georganiseerd worden. Dit uitgangspunt wordt in 1989 vastgelegd in de Wet op de jeugdhulpverlening. Deze wet decentraliseert de jeugdzorg van het Rijk naar het niveau van provincies of grootstedelijke regio’s. Regionale samenwerkingsverbanden en jeugdhulp adviesteams worden wettelijk verankerd. Wet op de jeugdzorg, 2005 Na de Wet op de jeugdhulpverlening blijken de beoogde samenwerkingsverbanden en jeugdhulp adviesteams niet van de grond te zijn gekomen. In 2005 wordt de Wet op de jeugdzorg ingevoerd.
In deze wet wordt het recht op jeugdzorg vastgelegd en krijgt het zogeheten Bureau Jeugdzorg een wettelijke basis. Bureau Jeugdzorg moet de toegangspoort zijn naar alle vormen van jeugdzorg. Maar achter die ene toegangspoort blijven de sectoren jeugdbescherming, jeugdhulpverlening en jeugd-ggz van elkaar gescheiden. De provincies zorgen ervoor dat inwoners van Nederland toegang hebben tot jeugdzorg en dat jeugdzorg geleverd wordt. Jeugdwet, 2015 Een gevolg van de Wet op de jeugdzorg is dat de bureaucratie en daarmee het gebruik en de kosten van de voorzieningen alleen maar toenemen. In 2015 gaat het stelsel op de schop. De Jeugdwet wordt ingevoerd. De Jeugdwet decentraliseert de jeugdzorg verder en maakt de gemeenten verantwoordelijk. De Jeugdwet moet leiden tot een eenvoudiger, efficiënter en
40 https://www.nji.nl/impact-maken-met-jeugdbeleid/geschiedenis-jeugdstelsel; Boer, R de, & Bruning, M.R (2018) Eerste evaluatie Jeugdwet vanuit juridisch perspectief. FJR 46; De Jeugdautoriteit (juni 2023), De Stand van de Jeugdzorg: hoe staat het met de continuïteit van de jeugdzorg? (hoofdstuk 13).
Participatie vanaf de zijlijn
54
kinderombudsman
nationale ombudsman
effectiever jeugdstelsel. Er wordt meer ingezet op preventie en het eerder bieden van de juiste hulp op maat, waarbij de eigen kracht van gezinnen het uitgangspunt is. Hierdoor wordt het beroep op dure gespecialiseerde hulp verminderd. Ook moet er beter worden samengewerkt, waardoor integrale hulp tot stand komt en er meer ruimte wordt geboden aan professionals door vermindering van de regeldruk. De decentralisatie van de jeugdhulp naar gemeenten in 2015 hangt samen met andere decentralisaties in het sociale domein. Die zouden moeten leiden tot meer participatie van burgers in de samenleving. Ook moeten ze ervoor zorgen dat burgers eerst hun eigen kracht en sociale netwerk aanspreken, voordat ze een beroep doen op publieke voorzieningen.
Participatie vanaf de zijlijn
55
kinderombudsman
Bijlage 2
nationale ombudsman
Aanpak van het onderzoek
Ervaringen Dit onderzoek is gebaseerd op ervaringen van jeugdigen en hun ouders met participatie en invloed bij individuele hulpverlening in de Jeugdwet en op hun ervaren participatie en invloed bij beleidsvorming rond de Jeugdwet. Daarvoor hebben we met individuele ouders en jeugdigen gesproken, en met leden van adviesraden sociaal domein en van jongerenraden. Daarvoor hebben we gekozen omdat adviesraden en jongerenraden van gemeenten in de advisering van hun gemeente bij beleidsvorming rond de Jeugdwet de belangen van ouders en jeugdigen vertegenwoordigen. Verder hebben we met verschillende belanghebbenden gesproken. Zij hebben ons met hun kennis en expertise inzicht gegeven in hoe zij participatie en invloed van jeugdigen en hun ouders of wettelijke verzorgers41 op individuele hulpverlening en beleidsvorming rond jeugdhulp ervaren. In de volgende bijlage geven we een overzicht van onze gesprekspartners. Werving en selectie In totaal hebben 27 ouders (waarvan twee grootouders) en 13 jeugdigen deelgenomen aan het onderzoek. Daarnaast hebben we gesprekken gevoerd met leden van 8 adviesraden en leden van 6 jongerenraden. De uitkomsten van het onderzoek zijn op 19 september 2024 besproken in een rondetafelsessie met 4 gemeenteambtenaren Jeugd en 3 professionals die werkzaam zijn bij wijkteams.
Aan de hand van hun feedback hebben we onze conclusies en aanbevelingen verder aangescherpt. De gesprekken met ouders zijn uitgevoerd door onderzoeks- en adviesbureau EMMA.42 Dat heeft samen met het onderzoeksteam van de ombudsmannen de werving op zich genomen. Voor de werving van deelnemers hebben we gebruikgemaakt van verschillende kanalen. Er zijn allereerst berichten geplaatst op sociale media. Zo hebben we een oproep geplaatst die ook verspreid is via de communicatiekanalen van EMMA. Daarnaast zijn ongeveer 30 contact- of lotgenotengroepen, community’s of platforms op Facebook benaderd met het verzoek een bericht op hun kanaal te plaatsen. Een derde wijze van werven was een verzoek aan professionals en organisaties uit het netwerk van EMMA en de Nationale ombudsman en Kinderombudsman om ouders te vragen mee te doen aan het onderzoek. Via EMMA zijn ook 6 Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) aangeschreven met het verzoek of zij ouders konden benaderen. Verder hebben we zo’n 45 cliëntenraden aangeschreven van jeugdhulpinstellingen. De werving van ouders liep van februari tot en met april 2024. De voorwaarde om als jeugdige of ouder deel te nemen aan het onderzoek was dat hij of zij tot op heden gebruikmaakt van een of meer voorzieningen die worden geboden vanuit de Jeugdwet, of recent daarvan gebruik heeft gemaakt.
Wij hebben ernaar gestreefd om een goede representatie van adviesraden, jongerenraden en deelnemers voor de rondetafelsessie te bereiken, binnen de kaders van kwalitatief onderzoek. Hiervoor hebben wij bij het selecteren van deelnemers voor elk van deze groepen gekeken naar drie kenmerken van de gemeenten waar deze deelnemersgroepen adviseren of werken. Het eerste kenmerk betrof geografische spreiding over het land. Hiervoor hebben wij gekeken naar in welke provincie een gemeente ligt.43 Daarnaast hebben wij gekeken naar het inwonersaantal44 en het
41 Hierna verstaan wij onder ouders de ouders of de wettelijke verzorgers van een kind. 42 EMMA is een onderzoeks-, advies- en participatiebureau dat zich bezighoudt met maatschappelijke vraagstukken met onder andere (toegepast) wetenschappelijk onderzoek. 43 O.b.v. de gemeentelijke indeling op 1 januari 2024 zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS). https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/classificaties/overig/gemeentelijke-indelingen-per-jaar/ indeling-per-jaar/gemeentelijke-indeling-op-1-januari-2024. 44 O.b.v. de voorlopige cijfers van het CBS over bevolkingsaantallen per gemeente per 1 januari 2023. https://www.cbs.nl/ nl-nl/maatwerk/2023/09/voorlopige-bevolkingsaantallen-per-gemeente-1-1-2023.
Participatie vanaf de zijlijn
56
kinderombudsman
nationale ombudsman
aandeel jeugdigen dat jeugdzorg krijgt45 in elke gemeente. Voor de rondetafelsessie geldt verder dat gemeenten zich ook zelf konden aanmelden. De adviesraden die wij uiteindelijk gesproken hebben, waren qua geografische spreiding en inwonersaantal redelijk verdeeld. Voor het aandeel jeugdigen met jeugdzorg geldt dat we vooral raden uit gemeenten met een gemiddeld of relatief hoog aandeel jeugdigen met hulp gesproken hebben. De groep jongerenraden die wij geïnterviewd hebben, was matig verdeeld op alle drie de kenmerken doordat wij veel moeite hebben gehad om jongerenraden te vinden die zich bezighouden met de jeugdwet. Daarom hebben wij voor de jongerenraden vooral ingezet op zo veel mogelijk deelnemers includeren en hebben wij het streven naar een representatieve spreiding losgelaten. Als laatste geldt voor de deelnemers aan de ronde tafel dat zij redelijk verdeeld waren qua inwonersaantal en aandeel jeugdigen met jeugdzorg. Voor de geografische spreiding geldt dat de deelnemers in totaal maar uit vier provincies kwamen. Interviews Alle gesprekken met jeugdigen zijn door medewerkers van de Kinderombudsman en de Nationale ombudsman gevoerd. EMMA voerde de gesprekken met ouders. Medewerkers van de ombudsmannen hebben los daarvan ook met drie ouders gesproken. In bijna alle gevallen zijn ouders en jeugdigen afzonderlijk van elkaar gesproken.
Dit was alleen niet het geval als jeugdigen daar zelf de voorkeur aan gaven. Ook als het om een gezin ging, spraken we apart met de leden ervan, zodat de jeugdige de vrijheid voelde om zijn of haar ervaringen te delen. In enkele gevallen is soms extra informatie aan ouders gevraagd om het verhaal van de jeugdige in context te kunnen plaatsen. Bijna alle gesprekken met jeugdigen hebben fysiek plaatsgevonden, op één na. De gesprekken met ouders hebben online plaatsgevonden. De gesprekken hebben ongeveer één tot anderhalf uur geduurd. Met zowel ouders als jeugdigen hebben we semigestructureerde interviews gehouden met acht onderdelen. De onderdelen waren voor de ouders en jeugdigen hetzelfde. De specifieke vraagstelling was afgestemd op de specifieke doelgroep. De acht onderdelen zijn: 1. Achtergrond van de deelnemers (denk aan leeftijd, gender, woonplaats, gezinssamenstelling, dagelijkse bezigheden school, werk, hobby’s, hulpvraag, duur hulpverlening enzovoort) 2. Ervaren participatie en invloed in aanvraag van hulp en opstellen van een (hulp)plan 3. Ervaren participatie en invloed in hulpverlening zelf 4. Ervaren participatie en invloed in afronding hulp (wanneer van toepassing) 5. Ervaren participatie en invloed in het algemeen (rapportcijfer, wat ging goed en wat kan beter, waar is daadwerkelijk behoefte aan?) 6.
Ervaren participatie en invloed bij (het starten van) een klachtenprocedure 7. Kennis van of ervaring met een adviesraad of jongerenraad 8. Afsluiting met ruimte voor eigen inbreng jeugdige of ouder De gesprekken met adviesraden hebben digitaal plaatsgevonden in twee rondetafelsessies van elk anderhalf uur. Slechts met één adviesraad is afzonderlijk gesproken. De gesprekken met jongerenraden waren zowel online als fysiek. Ook aan deze gesprekken is anderhalf uur besteed. In tegenstelling tot de adviesraden zijn de jongerenraden alle afzonderlijk van elkaar gesproken. Ook deze gesprekken betroffen semigestructureerde (groeps)interviews, maar hier met vier onderdelen: 1. Over de raad zelf (denk aan duur van bestaan, samenstelling, voorwaarde om lid te worden enzovoort) 2. Hoe het adviseren van de gemeente in de praktijk gaat, en in hoeverre zij daarbij de achterban – ouders en jeugdigen – betrekken 3. Ervaren participatie en invloed van de raden in advisering aan hun gemeente 4. Tips voor gemeenten hoe om te gaan met de raden
45 O.b.v. de voorlopige cijfers van het CBS over het aandeel jongeren (tot 23 jaar) met jeugdzorg in de eerste helft van 2023. https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/44/meer-jongeren-met-jeugdzorg-in-eerste-helft-van-2023.
Participatie vanaf de zijlijn
57
kinderombudsman
nationale ombudsman
Zoals we hiervoor al aangaven, hebben we ook gesproken met verschillende belanghebbenden over hoe zij participatie en invloed van ouders en jeugdigen ervaren bij individuele hulpverlening en beleidsvorming rond jeugdhulp. In deze gesprekken hebben we gevraagd naar hun indruk van participatie en invloed in de Jeugdwet in het algemeen, hoe dit volgens hen gaat in het individuele aanvraagproces van hulp, in de verleende maatwerkvoorziening en ten slotte wat zij zien als ouders of jeugdigen een klacht hebben over het individuele jeugdhulptraject. Analyse en toetsingskader Voor de analyse van participatie en invloed binnen de Jeugdwet, zowel voor individuele hulpverlening als beleidsvorming, hebben we de verkregen data langs de kaders van het Lundy-model gelegd. Dit model is gebaseerd op het participatierecht (artikel 12) in het Kinderrechtenverdrag en past daarmee goed bij het doel van dit onderzoek. In hoofdstuk 2 hebben we dit model toegelicht. Hoewel het Lundy-model met name gericht is op participatie van jeugdigen, zijn de vier voor waarden uit het model net zo van belang voor participatie van volwassenen oftewel ouders.
De vier voorwaarden raken namelijk ook aan de behoorlijkheidsnormen die de Nationale ombudsman heeft opgenomen in de participatiewijzer voor behoorlijk omgaan met inbreng en inspraak van burgers.46 Afbakening van het onderzoek en waarborging van anonimiteit Het is een bewuste keuze geweest om het burger- en kinderperspectief centraal te stellen in het onderzoek. Gemeenteambtenaren, waaronder beleidsmakers en coördinatoren van wijkteams, zijn wel in een later stadium van het onderzoekstraject gehoord. In een rondetafelsessie hebben gesprekspartners hun inzichten gedeeld over de uitkomsten van het onderzoek en de conclusies die we daaruit trekken. De inzichten van gesprekspartners zijn meegewogen in de voorbereiding van aanbevelingen om participatie en invloed te bevorderen bij individuele hulpverlening en beleidsvorming rond de Jeugdwet. Een andere bewuste keuze was om dit onderzoek te richten op het vrijwillige kader van de Jeugdwet. Zoals we hebben beschreven, zijn daarvoor minder waarborgen voor participatie en klachtbehandeling opgenomen in de Jeugdwet.
Bovendien hebben de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman in 2022 in een brief over de klachtbehandeling in de jeugdbeschermingsketen gezamenlijk aandacht gevraagd voor de problemen in het gedwongen kader van de Jeugdwet.47 Daarnaast is in een recent onderzoek van de Adviescommissie Rechtsbescherming en Rechts statelijkheid in het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming zeer uitgebreid aandacht besteed aan rechtsbescherming van kinderen en ouders binnen de jeugdbescherming. Daarbij is naast tijdige informatie en ondersteuning gekeken naar participatie van kinderen en ouders in het proces van vrijwillige jeugdhulpverlening tot en met een gedwongen maatregel.48 Ten slotte hebben we de deelnemende jeugdigen, ouders, leden van adviesraden sociaal domein en jongerenraden anonimiteit toegezegd. Vanuit het oogpunt van anonimiteit van de geraadpleegde leden van adviesraden en jongerenraden vermelden we dan ook niet de namen van de gemeenten waarin zij actief zijn. In verhalen en citaten van jeugdigen hebben we gebruikgemaakt van gefingeerde namen.
46
Zie Participatiewijzer Nationale Ombudsman.
47
Zie brief over klachtenafhandeling binnen de jeugdbeschermingsketen.
48 Zie Adviescommissie rechtsbescherming en rechtsstatelijkheid in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming (2024). Kinderen en ouders met recht goed beschermd. Utrecht.
Participatie vanaf de zijlijn
58
kinderombudsman
nationale ombudsman
Bijlage 3 Met wie de Nationale Ombudsman en de Kinderombudsman hebben gesproken Voor dit onderzoek hebben de ombudsmannen gesproken met: • Lokale Kinderombudsmannen (Den Haag, Rotterdam en Amsterdam) • Ieder(in) • Jeugdstem • Per Saldo • Stichting MEE • SGL-zorg • In totaal vier gemeenten, verdeeld over de provincies Utrecht (2), Noord-Holland (1) en Noord-Brabant (1) • Drie wijkteams, waarvan één uit de provincie Noord-Brabant, één uit de provincie Flevoland en één uit de provincie Utrecht.
Participatie vanaf de zijlijn
59
Nationale ombudsman Postbus 93122 2509 AC Den Haag Telefoon 070 356 35 63 nationaleombudsman.nl
Kinderombudsman Antwoordnummer 10870 2501 WB Den Haag Telefoon: 070 876 54 32 kinderombudsman.nl
rapportnummer: 2024/121 en KOM006/2024 is een uitgave van de Nationale ombudsman, 6 november 2024