CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

65. RIB Bijlage Definitieve beschikking d.d. 9 maart 2026 van DCMR Milieudienst Rijnmond voor opslag ammoniak

Informatiebijeenkomst 12 juni 2026, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken35.138 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Blad 55 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

e.

risico onderzoeken los van deze vergunningprocedure. Wij verwijzen in dit kader naar studies die door adviesbureau Oostkracht 10 worden uitgevoerd. We delen de visie van de indiener dat transport met buisleiding een positief effect heeft op de omgevingsrisico's. Echter het maakt geen onderdeel uit van de aanvraag en valt daarom buiten de scope van deze vergunning. Daarom nemen we dit ter kennisgeving aan. Overigens zal het bevoegd gezag binnen haar takenpakket meewerken aan innovatieprojecten die transport reduceren en/of veiligheid bevorderen. In dit kader noemen we ook het kraken van ammoniak ter plaatse van de ammoniakopslag.

Zienwijze gemeente Reimerswaal 30-09-2025 De zienswijze bestaat uit 7 hoofdstukken, namelijk externe veiligheid, uitgangspunten, zee- en binnenvaart, spoor, beveiligingen op spoor, buisleidingen en financiële zekerheid. De zienswijze wordt afgesloten met een drietal conclusies. Hieronder geven we per hoofdstuk een samenvatting gevolg door onze reactie. Externe veiligheid Kern van de zienswijze is dat indiener van oordeel is dat op onderdelen geen volledige afweging heeft plaatsgevonden in de vergunning en dat de alternatieve vervoersmodaliteit “buisleidingen” hierin ten onrechte ontbreekt. Reactie Uit de zienswijze kunnen wij niet concreet opmaken welke onderdelen uit de QRA en aanmeld notitie als onvoldoende worden bestempeld. De vervolgvraag op grond waarvan de indiener deze mening is toegedaan komt ook niet aan de orde. Op grond van deze vaststelling kunnen wij niets anders dan dit punt uit de zienswijze ter kennisgeving aannemen. We delen de visie van de indiener dat transport met buisleiding een positief effect kan hebben op de omgevingsrisico's. Echter het maakt geen onderdeel uit van de aanvraag en valt daarom buiten de scope van deze vergunning. Daarom nemen we dit ter kennisgeving aan. Overigens zal het gevoegd gezag binnen haar takenpakket meewerken aan innovatieprojecten die spoortransport reduceren.

In dit kader noemen we ook het kraken van ammoniak ter plaatse van de ammoniakopslag. Uitgangspunten Indiener is van mening dat de vergunning ook ziet op spoortransport omdat hoeveelheden zijn voorgeschreven Reactie Het is juist dat het Bevoegd gezag onderdelen uit de QRA heeft overgenomen in de voorschriften. We noemen dit vastleggen van uitgangspunten. Voor transport ziet dit op verlading binnen de inrichting. Voorschrift 1.1.4 is op het punt van verladen explicieter

Blad 56 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

gemaakt. De externe veiligheidsrisico’s zijn gewogen overeenkomstig de scope van deze vergunning. Overigens staat het bevoegd gezag open voor risicoberekeningen los van deze procedure. In dit kader reeds een onderzoek opgestart waarvan indiener op de hoogte is of kan worden gebracht. Daarnaast hebben wij de voorschriften 1.1.3 en 1.1.4 aangepast, zodat het ziet op de verlading van de spoorketelwagons binnen de inrichtingsgrens. Zee- en binnenvaart Indiener uit zorg over route en risico’s. Reactie Er is een m.e.r. beoordeling en Wabo vergunningprocedure doorlopen overeenkomstig vigerende wet en regelgeving. In de zienswijze staat geen wettelijke grondslag voor uitgebreidere risicoberekeningen. Er wordt wel een relatie gelegd met vergunningvoorschrift 1.1.3 en 1.1.4. Dit zijn voorschriften die gebaseerd zijn op de QRA en dus gerelateerd zijn aan verlading binnen de inrichting zelf. We stellen vast dat het beoordelingskader in deze procedure niet om uitgebreidere risicoberekeningen vraagt. Overigens staat het bevoegd gezag achter risicoberekeningen los van deze vergunningprocedure. In dit kader is reeds een onderzoek opgestart door adviesbureau Oostkracht 10 waarvan indiener op de hoogte is of kan worden gebracht. Spoor Kern van de zienswijze is dat het effect van spoor toename niet in beeld is gebracht. Geluid en trillingen worden als voorbeeld genoemd.

Reactie De procedure bestaat uit een Wabo vergunningaanvraag voorafgegaan door een m.e.r. beoordeling. De scope beperkt zich tot deze twee onderdelen. De aanvraag is getoetst aan de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO). De m.e.r.-beoordeling uitgevoerd conform paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer en de criteria van bijlage III uit de Europese M.e.r.-richtlijn (2011/92/EU gewijzigd bij 2014/52/EU). Het gevraagde over toename in bepaalde categorieën valt onder de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen en buiten de scope van deze vergunning. Dit geldt eveneens voor de milieuaspecten die hier mee samenhangen. Beveiligingen op spoor Indiener wijst op de relatie tussen spoor toename en risico’s voor de omgeving. Reactie Het gevraagde over beveiligingen valt onder de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen en buiten de scope van deze vergunning. Overeenkomstig Wet- en Regelgeving zal het bevoegd gezag dit

Blad 57 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

aspect aandragen bij de bevoegde instanties. Zie verder bovenstaande reactie voor de scope van deze vergunning. Buisleidingen Indiener vraagt aandacht voor buisleidingen als alternatief. Reactie We delen de visie van de indiener dat transport met buisleiding een positief effect kan hebben op de omgevingsrisico's. Echter het maakt geen onderdeel uit van de aanvraag en valt daarom buiten de scope van deze vergunning. Daarom nemen we dit ter kennisgeving aan. Overigens zal het bevoegd gezag binnen haar takenpakket meewerken aan innovatieprojecten die spoortransport reduceren en/of veiligheid bevorderen. In dit kader noemen we ook het kraken van ammoniak ter plaatse van de ammoniakopslag. Financiële zekerheid Er wordt gevraagd overeenkomstig actuele regelgeving een voorschrift voor financiële zekerheidstelling op te nemen. Reactie Onderhavige aanvraag is nog ingediend onder de Wabo. Op grond van het overgangsrecht geldt dat op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, die is ingediend voor 1 januari 2024, dus onder de Wabo, moet worden beschikt op grond van het oude recht (Wabo) voor de behandeling van die aanvraag. Dit is geregeld in artikel 4.3 het invoeringswet Omgevingswet. De Wabo blijft dus van toepassing op de aanvraag zolang die nog in behandeling is, ook als de beoordeling pas na 1 januari 2024 plaatsvindt.

De mogelijkheid voor het bevoegd gezag om middels een vergunningvoorschrift financiële zekerheid voor te schrijven bestond niet onder de Wabo en derhalve kan aan de omgevingsvergunning die Vesta onder de Wabo heeft aangevraagd, nu niet een dergelijk voorschrift worden verbonden. Conclusies De conclusies gaat over toepassen van actuele monitoringcijfers m.b.t. basisnet, een beschouwing van het alternatief buisleidingen. Tenslotte wordt om actualisatie van de vergunningvoorschriften op basis van de ingediende zienswijze gevraagd. Reactie Het punt buisleiding en externe veiligheid is bij andere reacties hierboven besproken. De zienswijze geeft geen aanleiding wijzigingen aan te brengen in de teksten omdat veel van ingebrachte punten buiten de scope vallen. Het bevoegd gezag zal zich overeenkomstig haar taak binnen de geldende wet en regelgeving wel inzetten voor het overdragen van informatie en mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen.

Blad 58 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Zienswijze Kaan De zienswijze van Kaan is gerelateerd aan de Sloecentrale. Deze inrichting is de nabije omgeving van Vesta gelegen. De zienswijze bestaat uit een viertal punten. Hieronder worden ze samengevat met daaronder onze reactie. De aanleiding voor de zienswijze staat in het volgende citaat: “in of grenzend aan het gebied waarop de wijziging ziet, bevinden zich essentiële onderdelen van de infrastructuur van de centrale, waaronder koelwaterleidingen en een koelwateruitlaat” EP NL Sloe Centrale B.V. hecht veel waarde aan een veilige en ongestoorde bedrijfsvoering van haar assets en om haar belangen te verdedigen brengt zij graag de navolgende punten met deze zienswijze onder uw aandacht.”. A. De kernvraag is hoe de assets van Sloecentrale zoals weergegeven op de kaart beschikbaar blijven voor tijdens en na de bouw. B. In het Veiligheidsrapport van Vesta Terminal is uiteengezet welke risicocontouren er geïntroduceerd worden waarbij de Sloecentrale valt binnen de 10-7 contour, net buiten de 10-6 contour. De kernvraag is of de elektriciteitscentrale nog op een veilige wijze geëxploiteerd kan worden. Met een drietal deelvragen wordt dit nader gespecificeerd. - Is de toename van het risicoprofiel acceptabel voor de aanwezige medewerkers, ingehuurde contractors en contractorhuisvesting.

Het is nu onduidelijk of rekening gehouden is in de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) met deze groep en of deze zomaar blootgesteld kunnen worden aan deze additionele risico’s. - Kunnen de huidige kantoorgebouwen van EP NL Sloe Centrale B.V. en technische installaties, inclusief de gasturbines en de koelwatersystemen, binnen verantwoorde veiligheidsmarges blijven functioneren? - Er wordt een vraag gesteld over gemaakte kosten bij evacueren vanwege een calamiteit / toxische wolk en afschakelen elektriciteitscentrale. Wij verzoeken daarom om een gedetailleerde onderbouwing en kwantitatieve risicoanalyse waarin specifiek de effecten op de aanwezige personen, de elektriciteitscentrale en haar bedrijfsvoering in kaart worden gebracht. C. Er worden drie onderwerpen opgesomd die volgens indiener onvoldoende zijn uitgewerkt in de ontwerpvergunning. Dit zijn: - Impact op bedrijfsvoering: mogelijke beperkingen of extra maatregelen die de bedrijfsvoering van de gasturbines beïnvloeden. - Calamiteiten en noodscenario’s: Hoe de elektriciteitscentrale zich moet voorbereiden op incidenten, waaronder toxische wolk, brand, explosies, of lozingen naar water en lucht. - Detectie en veiligheidsafschakelingen: of en hoe de bestaande detectiesystemen en veiligheid-afschakelvoorzieningen van de gasturbines moeten worden aangepast om rekening te houden met de ammoniakopslag

Blad 59 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

D. Dit punt gaat over mitigerende maatregelen en kostenverdeling. Het betreft de volgende punten: - Deze maatregelen door initiatiefnemer dienen te worden bekostigd, conform het beginsel dat de veroorzaker de kosten draagt; - Een transparant overzicht wordt gegeven van de benodigde voorzieningen, tijdsplanning en verantwoordelijkheden; - EP NL Sloe Centrale B.V. proactief betrokken wordt bij de aanvullende studies en de te nemen mitigerende maatregelen. E. Volgens indiener biedt de huidige ontwerpbeschikking onvoldoende duidelijkheid en borging voor de veilige en continue exploitatie van de elektriciteitscentrale. Daarom is er een verzoek op de volgende punten: - Een aanvullende risicoanalyse te eisen waarin de gevolgen van de ammoniakopslag voor de elektriciteitscentrale, het personeel, de contractors en installaties expliciet zijn meegenomen; - De ontwerpbeschikking pas definitief vast te stellen nadat de veiligheid en bedrijfscontinuïteit van EP NL Sloe Centrale B.V. aantoonbaar zijn geborgd; - Te bepalen dat alle noodzakelijke mitigerende maatregelen en kosten hiervan ten laste van de initiatiefnemer komen. Reactie A. Bereikbaarheid gerelateerd aan bouwwerkzaamheden is geen onderdeel van het toetsingskader voor de beoordeling van een omgevingsvergunning milieu en derhalve kan hierover ook niets in deze omgevingsvergunning worden voorgeschreven.

Het is aan de vergunninghouder om dit verder af te stemmen met buurbedrijven. Overigens heeft Vesta kennisgenomen van deze zienswijze en aangegeven afstemmen met buurbedrijven als vanzelfsprekend te beschouwen. B. In de zienswijze gaat de indiener uit van de mogelijkheid dat een calamiteit zich voordoet. Aangezien deze vergunning is gebaseerd op een doorrekening van veiligheidsrisico’s en toetsing aan vigerende wetgeving kunnen wij hier niet in meegaan. In de vergunning is namelijk aangetoond dat het risico op grond van het besluit veiligheid inrichtingen (bevi) aanvaardbaar is. Ook de veiligheidsregio heeft een advies opgesteld met dezelfde strekking. De toegestane grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) ter plaatse van een (geprojecteerd) kwetsbaar object is 10-6 per jaar. Dit is eveneens de richtwaarde voor een (geprojecteerd) beperkt kwetsbaar object. Voor het Sloegebied is een veiligheidscontour op grond van artikel 14 van het Bevi vastgesteld. De inrichting is gelegen binnen deze veiligheidscontour. Dit betekent dat de toetsing van de PR 10-6 contour niet meer plaatsvindt aan (beperkt) kwetsbare objecten, maar aan de ligging van de veiligheidscontour. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 ligt voor de opslag van ammoniak in bestaande en nieuwe tanks geheel binnen de vastgestelde veiligheidscontour.

Blad 60 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

De vergunninghouder Vesta werkt volgens een veiligheidsbeheersysteem (VBS) waarin vastgelegd wordt hoe omgegaan wordt met calamiteiten. Ook een noodplan maakt hier onderdeel vanuit. Bovenstaande is tevens onze reactie op deelvraag 1 t/m 3 De in deelvraag 3 genoemde financiële aspecten vallen buiten de scope van deze vergunning. C. Onder B is vastgesteld dat het risico aanvaardbaar is binnen wet en regelgeving. Het eerder genoemde noodplan waarbij buurbedrijven betrokken worden is de mogelijkheid om de ingebrachte punten met vergunninghouder te bespreken. We stellen vast dat de drie punten uit de zienswijze niet binnen de scope van deze vergunning vallen maar dat de verplichtingen uit BRZO regelgeving hier op zien. D. Bij het opstellen van deze vergunning is getoetst aan Wet en Regelgeving. Met voorschriften zijn de benodigde maatregelen geborgd. Wij stellen vast dat de ingebrachte punten vooral operationeel en financieel van aard zijn en buiten de scope van deze vergunning vallen. Het is aan de vergunninghouder zelf om hier afspraken over te maken. E. Met het uitvoeren van risicotoetsingen volgens daarvoor bedoelde wet en regelgeving zoals het Bevi zijn de risico’s geïnventariseerd en getoetst. Hieruit blijkt dat de risico’s aanvaardbaar zijn om deze vergunning te verlenen.

De zienswijze bestaat uit algemene kritiekpunten en richt zich niet inhoudelijk op aspecten uit de toetsingen. De voornamelijk toxische risico’s van ammoniak zijn omschreven onder het plaatsgebonden en groepsrisico. Vesta is geen dominoveroorzakende inrichting. Beschadiging van de installaties van naburige bedrijven is niet aan de orde. Er zal verder een aangepast bedrijfsnoodplan zijn welke vooraf wordt afgestemd met zowel buurbedrijven als met de overheidshulpverlening. Onder andere zal hierin zijn omschreven hoe de alarmering en communicatie tijdens een incident verloopt. Ook omvat dit communicatie met overheidshulpverlening. Hierdoor zijn de procedures en communicatielijnen rond een incident vooraf inzichtelijk.

9.6 M.e.r-beoordelingsbesluit In het kader van voorliggende ontwerpbeschikking is door het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit genomen conform paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer en de criteria van bijlage III uit de Europese M.e.r.-richtlijn (2011/92/EU gewijzigd bij 2014/52/EU). Dit m.e.r.beoordelingsbesluit is noodzakelijk, volgens artikel 2 lid 5 onder b van het Besluit m.e.r., omdat het voornemen het oprichten van een installatie voor de opslag van chemische producten betreft volgens categorie D25.1 in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De opslagcapaciteit van drie tanks met gekoelde ammoniak bedraagt circa 92.000 ton en ligt daarmee onder de drempelwaarde van categorie D25.1, te weten van 100.000 ton of meer. Dit besluit is gebaseerd op de aanvraag omgevingsvergunning en de aanmeldnotitie m.e.r.beoordeling van 21 december 2023 onder projectnummer 0476275.100 en de Oplegnotitie Aanmeldnotitie m.e.r-beoordeling van 30 mei 2024 onder hetzelfde projectnummer. Op basis

Blad 61 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

hiervan is besloten dat er geen belangrijke nadelige effecten te verwachten zijn voor het milieu en er daarom geen MER opgesteld hoeft te worden. Dit m.e.r.-beoordelingsbesluit is een voorbereidingsbesluit zoals bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht waardoor hiertegen geen bezwaar of beroep mogelijk is, tenzij dit besluit een belanghebbende (los van de aangevraagde omgevingsvergunning) rechtstreeks in zijn belang treft. In bijlage 1 van deze ontwerpbeschikking is het m.e.r.-beoordelingsbesluit in zijn geheel opgenomen, inclusief een onderbouwing aan de hand van de relevante kenmerken van de voorgenomen activiteit volgens Bijlage III van de Europese M.e.r.-richtlijn (2011/92/EU gewijzigd bij 2014/52/EU). Op het punt van groepsrisico volgt hieronder een aanvullende toelichting. Groepsrisico in het MER besluit In het m.e.r. beoordelingsbesluit (zie bijlage 1 bij dit besluit) staat dat het groepsrisico niet overschreden wordt. Dit is niet correct weergegeven als uitgegaan wordt van de populatie inclusief werknemers van omliggende bedrijven. In figuur 6.3 van de kwantitatieve risico analyse (QRA) is de FN curve weergegeven. Hieruit valt op te maken dat het groepsrisico boven de oriëntatie waarde ligt. De verhouding is hier maximaal 5,5 maal de oriëntatiewaarde bij 115 slachtoffers per jaar.

In bijlage 6 van genoemde QRA is de FN curve weergegeven zonder werknemers van omliggende bedrijven. Hieruit valt op te maken dat het groepsrisico onder de oriëntatie waarde ligt. We stellen vast dat er in de QRA twee beoordelingen staan waarin vanuit twee perspectieven de berekeningen van het groepsrisico zijn uitgevoerd. De eerdere conclusie in het MER beoordelingsbesluit is op dit punt onvolledig. De conclusie van het m.e.r.-beoordelingsbesluit dat geen MER gemaakt hoeft te worden blijft ongewijzigd, omdat ook met inachtneming van de maatregelen op het gebied van externe veiligheid mogelijke belangrijke nadelige milieueffecten niet zullen optreden vanwege de voorgenomen activiteit. Activiteitenbesluit milieubeheer In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voor bepaalde activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, algemene regels opgenomen. Op vergunningplichtige (type C) inrichtingen kunnen bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen. In de omgevingsvergunning kan van het Activiteitenbesluit worden afgeweken voor zover dat in het Activiteitenbesluit is aangegeven.

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, wordt aangemerkt als een type-C inrichting.

Blad 62 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

In de aanvraag zijn activiteiten opgenomen zoals genoemd in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 5 van het Activiteitenbesluit en daarin uitputtend geregeld zijn. De voorschriften die in deze beschikking zijn opgenomen, zijn voorschriften voor aspecten en activiteiten die deels zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling. Op basis van artikel 1.9b en 1.10 van het Activiteitenbesluit geldt een meldingsplicht bij vergunningplichtige (type C) inrichtingen voor het verandering van activiteiten waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. Voor de aangevraagde activiteiten houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de betreffende artikelen uit de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling: § 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; § 3.2.6 In werking hebben van een koelinstallatie; § 5.1.7 Installatie voor de op- en overslag van vloeistoffen; § 5.2.1 Opslaginstallaties Voor het overige is in het Activiteitenbesluit per hoofdstuk, dan wel per afdeling, aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is.

Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.6, artikel 2.12, afdeling 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Gezien de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit kunnen naast de vergunning uitsluitend aanvullende maatwerkvoorschriften worden opgenomen ten aanzien van deze activiteiten voor zover dat in het Activiteitenbesluit is aangegeven. Er worden in dit geval geen aanvullende maatwerkvoorschriften vastgesteld voor genoemde activiteiten. De voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen voor deze situatie. Wet natuurbescherming De Wet Natuurbescherming (Wnb) beschermt kwetsbare natuur en soorten voor onder andere de gevolgen van stikstofdepositie. In de Wnb is opgenomen dat het verboden is zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat significante negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb). Er is een natuurvergunning aangevraagd bij de Provincie Zeeland. Het onderdeel natuur is onthaakt van deze Wabo vergunning.

Blad 63 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

10.0 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN MILIEU In dit hoofdstuk wordt eerst het toetsingskader beschreven. Onderdeel hiervan is de BBT toets. Vervolgens wordt voor de relevante milieuaspecten afzonderlijk de aanvraag beoordeeld. 10.1 Toetsingskader Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het veranderen en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieu hygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Toetsing verandering Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij: - de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder a, van de Wabo betrokken; - met de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder b, van de Wabo rekening gehouden; - de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder c, van de Wabo in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

Beste beschikbare technieken BBT In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBTconclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. De meest relevante richtlijn voor BBT is de PGS 12 richtlijn. Deze kent drie fasen waarvan enkel fase 1 voor nieuwe tanks is vastgesteld. Fase 2 voor bestaande tanks is nog niet vastgesteld. Hieronder gaan wij hier op in. Fase 3 voor druktanks is niet relevant en laten we buiten beschouwing Voor grootschalige ammoniak opslag in bestaande tanks is een nieuwe richtlijn geschreven die breed gedragen is. Dit is de PGS 12 versie 01 december 2025 die is gepubliceerd op de

Blad 64 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

publicatiereeks gevaarlijke stoffen website. Hierdoor sluit dit volledig aan bij het doel zoals verwoord in art. 5.4 lid 1 van het Besluit Omgevingsrecht (BOR). Om ervoor te zorgen dat onderhavige vergunning na onherroepelijkheid aansluit bij het door de Omgevingswet vastgestelde BBT informatiedocument stellen wij onder oud recht op basis van artikel 5.4 lid 2 van het BOR de BB-CVM als BBT vast. Op grond van art. 5.4 derde lid van het Bor verklaren we de nieuwste PGS 12 namelijk versie 01 december 2025. Op grond van art. 5.4 derde lid van het Bor verklaren we de BB-CVM van toepassing op deze aanvraag. Concrete bepaling BBT Uit de aanvraag volgt dat de aangevraagde activiteiten niet genoemd worden in bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissie (RIE). Dit betekent dat toetsen aan BREF documenten geen verplichting is. Uit de vigerende vergunning volgt dat wel rekening gehouden is met een drietal BREF’s namelijk de BREF Emissies uit opslag en Common waste water and waste gas treatment. Verder zijn twee informatiedocumenten opgesomd. Hieraan wordt PGS richtlijn 12 versie 01, december 2025 toegevoegd.

Hieronder staat de actuele opsomming: In onderstaande opsomming staan de belangrijkste richtlijnen en beleidsdocumenten die van toepassing zijn: • Richtlijn voor ammoniakopslag (PGS 12) • Richtlijn voor opslag verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15) • Richtlijn opslag in bovengrondse tanks (PGS 29) • Nederlandse Bodem Richtlijn (NRB) • Integrale aanpak van risico’s van onvoorziene lozingen (Water) In hoofdstuk 4.2 van de vigerende vergunning (kenmerk 10021416, 15 juni 2010) is rekening is gehouden met een drietal BREF documenten. Voor zover relevant is dit ook op deze verandering van toepassing. Het betreft de volgende BREF’s: • BREF Op- en overslag bulkgoederen; • BREF monitoring • BREF Energy Efficiency Conclusies BBT De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan de BBT ter voorkoming van emissies naar de lucht, de bodem en het water, geluidemissies, externe veiligheid en energiebesparing. De nieuwste inzichten voor grootschalige ammoniakopslag worden in deze vergunning geïmplementeerd. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Blad 65 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

10.2 Milieu onderdelen In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de onderdelen afvalwater, afvalstoffen, bodem, brandveiligheid, controlegebouw, PGS Richtlijnen, energie, geluid, geur, lucht, luchtkwaliteit, licht, en natuur besproken. Afvalwater In de vigerende vergunning uit 2010 zijn geen voorschriften opgenomen voor hemelwater dat afgekoppeld is. De reden is dat het Activiteitenbesluit rechtstreeks werkend is. Verder is er sprake van een vergunde lozing naar de Sloehaven. Dit betreft de afvoer van het regenwaterriool dat voorzien is van een olie water afscheider. Hiervoor is een vergunning in het kader van de Waterwet verleend. In het kader van deze wetgeving komt er een nieuwe aanvraag namelijk voor het innemen en lozen van zeewater. In de huidige aanvraag tot verandering worden de volgende afvalwaterstromen beschreven: - Huishoudelijk afvalwater (afvoer via bestaand rioolstelsel) - Bedrijfsafvalwater (aqua ammonia naar afvalverwerker of riool) - Hemelwater (schoon en afkomstig van piekbelasting en potentieel verontreinigd) - Bluswater - Nieuwe lozing naar de Sloehaven - Doorstroomkoeling zeewater Hieronder gaan wij inhoudelijk op de toetsing per relevante stroom in.

Bedrijfsafvalwater Er komt een aqua ammonia stroom vrij die als reststof afgevoerd wordt. Uit de aanvraag volgt uit het hoofdstuk scrubbers / aqua ammonia (bijlage 1, doc.nr. 5529326) dat in noodgevallen lozing op het riool noodzakelijk is. Voor deze situatie nemen we voorschrift 2.1.1 t/m 2.1.4 op. Hemelwater De stroom wordt onderverdeeld in schoon zoveel mogelijk afgekoppeld hemelwater en potentieel verontreinigd hemelwater. Schoon hemelwater op onverhard terrein De stroom zal in de bodem infiltreren en voor een klein deel aflopen naar het regenwaterriool en via een olie-waterafscheider naar de Sloehaven. Potentieel verontreinigd hemelwater In hoofdstuk 5.2 van de aanvraag wordt ingegaan op hemelwaterafvoer afkomstig van bodem beschermende voorzieningen. Aangezien er een nieuwe jetty voor nieuwe (ammoniak) als

Blad 66 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

bestaande (k3/k4) aangevraagd wordt is ook dit relevant voor deze verandering. Op de nieuwe steiger wordt potentieel vervuild water opgevangen. Hier is een maatregel in de vorm van een individueel behandeling systeem (IBA) en een olie water afscheider. Hierna wordt geloosd richting de Sloehaven. Dit volgt uit tekening PV2301-PR-UFD-001 in bijlage 16 van de aanvraag. Uit de aanvraag en uitleg maken wij op dat ontwerp nog in de voorfase zit en verandering mogelijk zijn. Daarom nemen we een goedkeuring voorschriften 2.1.5, 2.1.6,2.1.8 en 2.1.9 op voor het definitieve ontwerp. Er dient getoetst te worden aan de BREF CWW. In de BREF staat in hoofdstuk 1.6.3.3 een overzicht (tabel 1.2) van alle reinigingstechnieken. Deze worden vervolgens verder beoordeeld en ingedeeld in een toepassingsgebied. Op het toepassen van ondergrondse leidingen is voorschrift 3.3.1 t/m 3.3.4, 3.3.6, 3.3.9 van toepassing. Bluswater Gebruikt bluswater wordt opgevangen in de tankput, pompput of op de steiger en na bemonstering afgelaten naar het regenwaterriool of afgevoerd door een erkend afvalverwerkingsbedrijf. Het regenwaterriool dat loost op de Sloehaven is voorzien van een oliewaterafscheider. Nieuwe lozing Sloehaven Deze lozing wordt evenals de bestaande gereguleerd in de Waterwet vergunning die parallel aan deze Wabo vergunning in procedure is gebracht.

Doorstroomkoeling (warmtewisselaar) Aangezien de ammoniak gekoeld wordt opgeslagen is voor het verladen in spoorwagons verwarming nodig. Hiervoor wordt een twee fasen verwarmingsproces toegepast. Er is sprake van een intern gesloten systeem met koelmedium. In de eerste fase wordt dit medium verwarmd met zeewater. Hieruit volgt dat het zeewater met lagere temperatuur geloosd wordt dan ingenomen. Afvalstoffen In de vigerende vergunning zijn in hoofdstuk 3 afvalvoorschriften opgenomen. Het gaat over het scheiden en opslaan van afvalstoffen. Uit de overwegingen in hoofdstuk 6 volgt dat er sprake is van in totaliteit 370 ton. Het overgrote deel hiervan ca. 350 ton is gevaarlijk afval. Uit hoofdstuk 5.8 van de aanvraag volgt dat de verandering geen wezenlijke invloed heeft op de afvalstoffen die binnen de inrichting ontstaan. Bodem Activiteitenbesluit milieubeheer In de vigerende vergunning zijn voorschriften opgenomen voor een bodemrisico inventarisatie alsmede voor bedrijfsrioleringen en vloeistofdichte verhardingen. Het relevante kader is nu het

Blad 67 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Activiteitenbesluit. Uit art. 2.8b, lid1 onder b volgt dat voor type C bedrijven zonder IPPCinstallatie voorschriften worden opgenomen voor activiteiten die niet in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn geregeld. Dit is in deze aanvraag aan de orde. Voor de verandering dient de stof ammoniak beschouwd te worden. Gezien het kookpunt gaat het hier om een gasvormige stof. Uit bijlage 2 van de Nederlandse bodemrichtlijn (NRB) volgt dat gassen niet intrinsiek bodembedreigend zijn. Als ammoniak in het grondwater terecht komt is er wel sprake van een bodem bedreigende stof. Ammonia is namelijk wel in de niet limitatieve lijst van bodembedreigende stoffen opgenomen. Daarom dient de focus te liggen op preventie waarmee voorkomen wordt dat de stof in het grondwater terecht kan komen. Hiervoor is het nodig dat contact met hemelwater voorkomen wordt. In het kader van deze vergunning worden aanvullend daarom voor de volgende activiteiten voorschriften opgenomen voor het de bodemrisico inventarisatie (BRI), bedrijfsriolering, beheermaatregelen en bodemonderzoek. Het kader voor de bescherming van de bodem Aangezien de revisievergunning dateert uit 2010 is zowel het Activiteitenbesluit als de Omgevingswet nog niet geïntegreerd. Aangezien deze vergunning onder de Wabo wordt verleend is overwogen voor deze verandering aan te sluiten bij het Activiteitenbesluit.

In de parallel verleende actualisatievergunning wordt voorgesorteerd op de Omgevingswet die voor toekomstige aanvragen geldt. Het begrip BB-CVM is een uitzondering omdat hiervoor in deze verandering vergunning een toets wordt gevraagd (zie onderdeel BRI) in voorschrift 3.1.1. Het (nationale) preventieve bodembescherming beleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico. Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteitenvijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld.

Nulsituatieonderzoek Kader Het preventieve bodembescherming beleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt.

Blad 68 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen. Het nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindsituatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over: • de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt; • de locatie van bemonsteringspunten, rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de locale grondwaterstroming; • de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd; • de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties. De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. In het Activiteitenbesluit zijn in afdeling 2.4 de eisen vastgesteld. Uit art. 2.8b art. 1 onder b volgt dat deze afdeling van toepassing is.

Uit afdeling 2.4 artikel 2.11 volgt dat voor een type C inrichting binnen 3 maanden een nul situatie onderzoek naar de bodemkwaliteit stuurt aan het bevoegd gezag. Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden, als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit, moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Beoordeling nul situatie onderzoek De aanvraag is op het punt van bodem niet eenduidig. In het aanvraagformulier wordt bij onderdeel 9 gevraagd een voorschrift voor een nulsituatie onderzoek op te nemen. Vervolgens blijkt uit de beschrijving van de aanvraag (bijlage 1 aanvraag) dat geen onderzoek nodig is omdat ammoniak niet intrinsiek bodembedreigend is. Omdat dit gelet op het kookpunt bij -33 graden Celsius terecht is hebben we overwogen voor deze verandering geen nul situatie onderzoek te vragen. Bodemrisico inventarisatie (BRI) De bodemrisico inventarisatie (BRI) is toegevoegd aan de aanvraag als bijlage 10 (NRB) Uit het resultaat volgt dat de BRI is uitgevoerd volgens de methodiek van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012. Uit het resultaat blijkt dat er geen sprake van tekortkomingen ten opzichte van het benodigde. Op een aantal punten is het document onvoldoende concreet en/of onvolledig. De opslagtanks voor het opslaan van ammoniak vallen onder paragraaf 1.3 van de

Blad 69 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

NRB. In deze paragraaf is opgenomen dat de bodemrisicofactor inwendige en uitwendige corrosie betreft. Conform de NRB is ammoniak intrinsiek niet bodembedreigend daar het een gasvormige stof betreft bij 0°C. Hierdoor hoeven er in beginsel geen cvm’s te worden toegepast om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen ten behoeve van de nieuwe opslagtanks. Hieronder gaan we verder in op de beoordeling. Beoordeling BRI We stellen vast dat toetsing aan het vigerende kader heeft plaatsgevonden. Als activiteiten niet ingevuld zijn in de BRI maken deze geen onderdeel uit van deze vergunning. Voor het hoofdstuk verladen van vloeistoffen in bulk is er aanleiding een voorschrift op te nemen. De reden is dat 2.2.1 niet eenduidig is ingevuld. Daarnaast is er onduidelijkheid over het toepassen van een lekbak in relatie tot de NRB. Dit geldt eveneens voor 2.1.1. Voor de twee kerende voorziening onder 2.3.1 is informatie over het onderhoudsprogramma noodzakelijk. Uit de aanvraag volgt dat er een scrubbersysteem met tank voor aqua ammonia wordt aangelegd. In de BRI staat geen CVM toetsing waaruit blijkt dat er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. Aangezien dit relevant is zijn we van mening dat er dit alsnog moet gebeuren. Hiervoor is voosschrift 3.1.1 t/m 3.1.5 opgenomen.

Aangezien de BRI in het kader van deze verandering is ingediend wordt toetsing aan het actuele kader (BBCVM) hier gevaagd (voorschrift 3.1.1) Beoordeling en conclusie Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument (BRI) beoordeeld en stemmen niet in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Voorschrift 3.1.1, 3.1.2, 3.1.4 en 3.1.5 is opgenomen om het document aan te vullen. Brandveiligheid In de vigerende vergunning zijn brandveiligheidsvoorschriften opgenomen. Aangezien de opslag van gekoelde ammoniak aangevraagd wordt is er sprake van een wezenlijke verandering. De voorschriften dienen daarom geactualiseerd te worden. In deze vergunning wordt de PGS 12 richtlijn versie 01, december 2025 voor ammoniak opslag voorgeschreven. In deze richtlijn zijn in hoofdstuk 7.10.2.1 eisen gesteld aan brandveiligheid. Aangezien dit voorgeschreven is in deze vergunning gaat dit gelden. Van belang is ook het advies van de wettelijke adviseur Veiligheidsregio Zeeland. Bouwbesluit 2012 De regels ten aanzien van het brandveilig gebruik van bouwwerken, de brandveilige opslag van kleine hoeveelheden brandbare, milieugevaarlijke stoffen en de brandveilige opslag van brandbare, niet-milieugevaarlijke stoffen, zoals hout, rubberbanden en kunststoffen zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Binnen de inrichting worden brandbare, milieugevaarlijke

Blad 70 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

stoffen opgeslagen die niet onder de werkingssfeer van het Bouwbesluit vallen. Hiervoor zijn voorschriften opgenomen. Advies Brandveiligheid Veiligheidsregio Zeeland In het kader van de advisering en afstemming is de aanvraag voorgelegd aan de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) voorgelegd met het verzoek om advies uit te brengen. Het advies is beschreven en beoordeeld bij de procedurele overwegingen. Voor de gasdetectie (hoofdstuk 7.6.5 ammoniakdetectie), overige branddetectie en stationaire beheerssystemen (hoofdstuk 7.10) moeten uitgangspuntendocumenten (UPD) onder toezicht van een geaccrediteerde inspectie A-instelling worden opgesteld. De betreffende vier UPD’s moeten ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. De beheersmaatregelen, waarbij repressief optreden noodzakelijk is dienen tijdig inzichtelijk te worden gemaakt. Het bedrijfsbrandweerrapport dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd (Artikel 31 Wvr); Integraal Plan Brandveiligheid Om het gewenste brandveiligheid niveau te realiseren moet de vergunninghouder in een Integraal Plan Brandveiligheid (IPB) beschrijven welke de brandveiligheidsvoorzieningen en maatregelen zijn of worden gerealiseerd, die passend zijn voor de specifieke bedrijfssituatie.

Ten tijde van de aanvraag was in onderhavig situatie de mate van detailontwerp nog niet bekend en konden derhalve de brandveiligheidsmaatregelen niet worden afgestemd op de specifieke procesvoering. De informatie die in de aanvraag is opgenomen over het onderwerp brandveiligheid is nog niet voldoende gedetailleerd om een volledige toetsing uit te voeren met betrekking tot dit onderwerp en/of voldoende passende maatregelen in de vergunning voor te schrijven. Om deze reden is voorschrift 6.2.1 opgenomen dat de vergunninghouder uiterlijk binnen zes maanden na het van kracht worden van de vergunning een IPB moet indienen. In dit voorschrift worden onze eisen geformuleerd. In de vergunning worden nu alleen standaardmaatregelen voorgeschreven die bij de activiteiten van de inrichting, zoals beschreven in de aanvraag, gebruikelijk zijn. Naar aanleiding van het IPB kan het bevoegd gezag in overleg met de brandweer besluiten aanvullende eisen aan de vergunning te verbinden. Uitgangspuntendocumenten In het uitgangspuntendocument (UPD) zijn eisen opgenomen voor onder andere het ontwerp, aanleg, gebruik, onderhoud en periodieke inspectie van een brandbeveiligingsinstallatie. In artikel M101 van de PGS 12 versie 01, december 2025 is de verplichting opgenomen om een uitgangspunten document op te nemen.

Uit bijlage 17 (incidentenfilosofie) van de aanvraag volgt dat er vier UPD’s nodig zijn namelijk: - scheepsverlading - spoorketelverlading - bluswaternet en hydranten

Blad 71 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

-

ammoniakdetectie

We nemen voorschrift 6.2.4 om het moment voor het indienen van de UPD’s vast te leggen. Overige normen Bij het opstellen van de voorschriften is aangesloten bij de standaarden van de NFPA en andere normen voor brandveiligheid van procesinstallaties. Controle gebouw Vesta heeft een nieuw controlegebouw aangevraagd. Omdat technische gegevens in de aanvraag ontbreken wordt Vesta gevraagd dit later te overleggen. Het Bevoegd Gezag stelt hiervoor een aantal uitgangspunten vast die in voorschrift 8.1.1 worden vastgelegd. Er kan enige overlap bestaan met de bouwvergunning en het Integraal Brand Veiligheidsplan (IPB). Externe veiligheid Inleiding Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Zoals in het Vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer: - het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd; - de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico). De grootschalige op- en overslag van ammoniak is voor de externe veiligheid bepalend omdat het een risico kan vormen voor de omgeving.

Na de bestemmingsplantoets volgt de inhoudelijke beoordeling. Bestemmingsplan toets De aangevraagde activiteiten en de hierdoor veroorzaakte risico’s zijn getoetst aan het bestemmingsplan (vanwege de koppeling met de Wabo en Wro). Omdat er geen consequenties zijn voor de ruimtelijke ordening is er geen afstemming geweest met de afdeling RO van de gemeenten Borsele en Vlissingen. De inrichting ligt binnen bestemmingsplan Zeehaven- en industrieterrein Sloe 2018. De aangevraagde activiteiten en risico’s zijn hiermee niet strijdig. Kader Externe veiligheid Het Besluit Risico’s Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015) en het BEVI zijn een relevant kader.

Blad 72 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Besluit Risico’s Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015) Met het in werking treden van het Brzo 2015 is de Europese Seveso III-richtlijn uit 2012 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo 2015 richt zich op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (proactie, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie). Op grond van de ingediende kennisgeving blijken de aangevraagde hoeveelheden gevaarlijke stoffen de hoge drempelwaarde uit Bijlage 1 van de Seveso III-richtlijn te overschrijden. Op basis hiervan is de inrichting een hoge drempel inrichting onder het Brzo 2015. Als gevolg hiervan moet de inrichting bij de vergunningaanvraag een beperkt veiligheidsrapport indienen. Voor de te realiseren wijziging van de inrichting is bij de aanvraag een beperkt veiligheidsrapport (*VR) gevoegd. Het beperkt veiligheidsrapport bevat voldoende beschrijvingen en voldoet aan de indieningsvereisten zoals vermeld in artikel 4.13 van de Regeling omgevingswet (Mor). Wij hebben bij onze beoordeling ook rekening gehouden met het oordeel van Rijkswaterstaat over de bij de aanvraag gevoegde Milieu Risico Analyse (MRA).

Deze MRA maakt onderdeel uit van het veiligheidsrapport. Opgemerkt wordt dat op het moment dat de inrichting in werking is er een actueel volledig VR aanwezig moet zijn. Het geactualiseerde VR moet vervolgens aan ons toegezonden worden. Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) Zoals vermeld in de aanvraag zijn binnen de inrichting gevaarlijke stoffen aanwezig. De processen, de aard en hoeveelheid van deze gebruikte gevaarlijke stoffen kunnen effecten veroorzaken naar de omgeving. Daarom worden de activiteiten van de inrichting opgenomen in het Registratiebesluit externe veiligheid (REV) Het REV geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het besluit en de regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie. De inrichting valt onder de criteria van het Registratiebesluit en/of de Regeling; na afronding van de vergunningprocedure actualiseert het bevoegd gezag de gegevens in het risicoregister. Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu).

Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.

Blad 73 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Zoals in het NMP 4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer: - het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd; - de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico). Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het groepsrisico (GR) voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Bij het onderdeel kwantitatieve risico analyse worden de begrippen PR en GR nader toegelicht waarna de toetsing volgt. Kader Sloegebied Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting gelegen in een gebied waarvoor een veiligheidscontour op grond van art. 14 van het Bevi is vastgesteld dan zijn de grens- en richtwaarden uit art. 6, 7 en 8 niet van toepassing. De toegestane grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) ter plaatse van een (geprojecteerd) kwetsbaar object is 10-6 per jaar. Dit is eveneens de richtwaarde voor een (geprojecteerd) beperkt kwetsbaar object. Voor het Sloegebied is een veiligheidscontour op grond van artikel 14 van het Bevi vastgesteld. De inrichting is gelegen binnen deze veiligheidscontour.

Dit betekent dat de toetsing van de PR 10-6 contour niet meer plaatsvindt aan (beperkt) kwetsbare objecten, maar aan de ligging van de veiligheidscontour. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 ligt voor de opslag van ammoniak in bestaande en nieuwe tanks geheel binnen de vastgestelde veiligheidscontour. Op basis van bovenstaande vormt het plaatsgebonden risico voor ammoniak geen belemmering voor het verlenen van de vergunning. Borging uitgangspunten De QRA maakt deel uit van de vergunning en daarmee zijn relevante uitgangspunten hierin ook handhaafbaar. Voor de duidelijkheid worden de relevante uitgangspunten echter in voorschriften voldoende geborgd. Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) In de Handleiding Risicoberekeningen Bevi is vastgelegd op welke wijze het PR (middels een kaart met contouren) en GR (een FN-curve) dienen te worden gepresenteerd. De toetsing van de QRA aan het Bevi wordt hierna beschreven. Eerst geven we de definitie van het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarna volgt de beoordeling van de ingediende QRA.

Blad 74 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Beoordeling plaatsgebonden risico De essentie van een veiligheidscontour is dat binnen de veiligheidscontour ruimte wordt gereserveerd voor risicovolle activiteiten. Buiten de veiligheidscontour is dan ruimte voor bestaande, geplande en nieuwe (kwetsbare) ontwikkelingen. Op deze manier wordt voorkomen dat ruimtelijke initiatieven onbedoeld doorkruist worden door bedrijfsuitbreidingen en/of vestigingen van risicovolle activiteiten en vice versa. Het instrument veiligheidscontour houdt meer concreet in dat alleen op de veiligheidscontour wordt getoetst of aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico (10-6 /jaar) voor inrichtingen wordt voldaan. Binnen de contour wordt niet meer getoetst. Binnen een veiligheidscontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig of geprojecteerd zijn, tenzij deze functioneel gebonden zijn aan het gebied waarvoor de veiligheidscontour is vastgesteld of de daarbinnen gelegen Bevi-inrichtingen. De toegestane grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) ter plaatse van een (geprojecteerd) kwetsbaar object is 10-6 per jaar. Dit is eveneens de richtwaarde voor een (geprojecteerd) beperkt kwetsbaar object. Voor Zeehaven- en industrieterrein Sloe 2018 is een veiligheidscontour op grond van artikel 14 van het Bevi vastgesteld. De inrichting is gelegen binnen deze veiligheidscontour.

Dit betekent dat de toetsing van de PR 10-6 contour niet meer plaatsvindt aan (beperkt) kwetsbare objecten, maar aan de ligging van de veiligheidscontour. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 ligt geheel binnen de vastgestelde veiligheidscontour. Op basis van bovenstaande vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor het verlenen van de vergunning. Uit de QRA blijkt dat de volgende scenario('s) bepalend zijn voor het plaatsgebonden risico: - Breuk van de losarm bij scheepsverlading; - Warmtewisselaar E402 A/B/C als gevolg van breuk van 10 pijpen; -Treinverlading als gevolg van vrijkomen van de gehele inhoud uit de grootste aansluiting. Om deze reden zijn de relevante uitgangspunten van deze scenario‘s in de voorschriften van deze vergunning vastgelegd door de PGS 12 versie 01 december 2025 op te nemen. Beoordeling groepsrisico Het groepsrisico voegt daar als maatstaf aan toe: de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is geprobeerd een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd.

Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Blad 75 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Verantwoording Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is verantwoord aan de hand van de volgende punten: - de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting; - de vergelijking van groepsrisico met de oriëntatiewaarde; - de verandering van het groepsrisico; - maatregelen om het (groeps)risico te beperken; - mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en van beperking van een ramp; - de zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. Het door de inrichting veroorzaakte groepsrisico is vastgesteld in de QRA. Het groepsrisico is maximaal 5.5 maal de oriëntatiewaarde (bij 115 slachtoffers per jaar). De maatgevende scenario(‘s) zijn: - Breuk van 10 pijpen bij warmtewisselaars E401/402 A/B/C; - Breuk van de leiding (bij export van koude ammoniak); - Breuk van de leiding (bij import van koude ammoniak); - Breuk van laad/losarm tijdens zowel export als import van ammoniak. Om deze reden zijn de relevante uitgangspunten van deze scenario‘s voldoende in deze vergunning geborgd door de maximale hoeveelheid van opslag en doorzet vast te leggen in voorschrift 1.1.2 t/m 1.1.4 en verlading en warmtewisseling in 1.1.6 t/m 1.1.8. Ook de beperking en voorkoming van het groepsrisico is hierdoor in een bepaalde mate geborgd.

Voor het bepalen van de bevolkingsdichtheid dient uitgegaan te worden van de feitelijke populatie in bestaande bebouwde omgeving aangevuld met kentallen voor de nog niet gerealiseerde delen van het bestemmingsplan. Deze informatie kan verkregen worden uit de BAG-populatieservice. In de QRA is voor de berekening van het groepsrisico gebruik gemaakt van de BAG populatieservice (13 maart 2024, selectiebasis 202401). Verantwoording groepsrisico De uitgevoerde berekening toont aan dat het groepsrisico van de inrichting van Vesta een factor 5.5 boven de oriëntatiewaarde ligt. Het groepsrisico wordt grotendeels bepaald door personen die werkzaam zijn binnen en derhalve bekend zijn met het industriegebied en zich daarom per definitie in een gebied met verhoogde veiligheidsrisico’s bevinden. In een berekening zonder deze personen ligt het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. In het bestemmingsplan “Zeehaven- en industrieterrein Sloe 2018” wordt in artikel 20.2 “veiligheidszone Bevi” aangegeven dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde moet liggen. Hier kan van afgeweken worden met een positief advies van de veiligheidsregio.

Bij de beoordeling van het groepsrisico heeft het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Zeeland, waarbij getoetst is op een aantal kwalitatieve aspecten, zoals de mogelijkheid van zelfredzaamheid van de bevolking en de mogelijkheid tot hulpverlening.

Blad 76 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Het advies van de veiligheidsregio was positief onder de volgende voorwaarden: • Het bedrijf moet voor binnen de inrichting aanwezige personen volgens voorschrift van PGS-12:2024 een noodprocedure voor het scenario toxische wolk opstellen. In de noodprocedure moet voor de binnen de inrichting aanwezige personen een alarmprocedure, het gebruik van veiligheidsmiddelen en een geschikte schuilplaats met communicatiemiddelen voor minimaal 8 uur aanwezig zijn. • Deze noodprocedure (rampscenario) voor personen en dieren buiten de inrichting, die zich binnen de toxische wolk kunnen bevinden, moet gericht zijn op snelle communicatie en informatievoorziening met handelingsperspectieven. Zo moet Vesta onderbouwde informatie kunnen verstrekken aan de hulpdiensten over het verloop, de richting en toxiciteit van de ammoniakwolk. • De informatievoorziening met betrekking tot handelingsperspectief moet gericht zijn op het tijdig en veilig vluchten naar een veilige plaats, het schuilen van personen en dieren (ramen en deuren sluiten en ventilatie uit). • In een voortraject voor start van de activiteit opslag atmosferische ammoniak, moet Vesta in overleg met Veiligheidsregio Zeeland het rampscenario afstemmen en proefberekeningen opstellen waarmee snel richtinggevende en essentiële informatie over de aard en omvang van de toxische wolk inzichtelijk kan worden gemaakt.

Conclusie GR Op basis van bovenstaande vormt het groepsrisico geen belemmering voor het verlenen van de vergunning. In het advies van de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) onder procedurele overwegingen is reeds ingegaan op de maatregelen. Seveso en natuur Uit de Seveso regelgeving volgt de eis dat er bij vergunningverlening getoetst moet worden of er voldoende afstand is tussen de inrichting en aangewezen natuurgebieden. Er is geen vastgestelde methode om deze toets uit te voeren. Vanuit de gedachte van de Seveso lijkt het primair om irreversibele effecten op de natuurgebieden tegen te gaan. Bij irreversibele effecten kan gedacht worden aan een 10kW/m2 (bosbrand) of een grote vloeistofuitstroming waardoor de bodem van een natuurgebied wordt verpest. Door ammoniak gevormde toxische wolken zullen dus zelden relevant zijn tenzij er specifieke beschermde diersoorten zijn waar de populatie niet eenvoudig te vervangen is. Domino aanwijzing Met behulp van het instrument domino-effecten en/of rekenfiles (psux) wordt onderzocht bij welke inrichtingen (veroorzaker) een zwaar incident mogelijk kan leiden tot een secundair zwaar incident bij een buur-BRZO bedrijf (blootgestelde). Deze inrichtingen (veroorzakers en blootgestelde) worden aangemerkt als domino-inrichting en moeten ingevolge

Blad 77 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

artikel 8 van het Brzo 2015 worden aangewezen. Het onderdeel domino aanwijzing is voldoende onderzocht in het kader de aanmeldnotitie (bijlage 1). Hier wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een domino-veroorzakende inrichting is Beoordelen effecten natuurgebied Op grond van artikel 8, eerste lid van het Brzo 2015 kan het bevoegd gezag groepen BRZO inrichtingen (veroorzakers en blootgestelde) aanwijzen waar een zwaar incident bij één bedrijf mogelijk kan leiden tot een secundair zwaar incident bij een ander bedrijf. Deze inrichtingen (veroorzakers en blootgestelde) worden aangemerkt als een domino-inrichting. Als gevolg van de grootte concentratie van Brzo inrichtingen binnen de veiligheidscontouren (artikel 1 van het Bevi) heeft het bevoegd gezag ervoor gekozen gebruik te maken van deze groepsaanwijzing. Binnen het invloed gebied van de inrichting ligt het volgende aangewezen natuurgebied: - Westerschelde & Saeftinghe In artikel 2.14, tweede lid van de Wabo jo. artikel 5.11 van het Bor is aangegeven dat het bevoegde gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning die van toepassing is op een inrichting die onder het Brzo 2015 valt, moet zorgen dat er voldoende afstand wordt gehouden ten opzichte van een beschermd natuurgebied. Bij de beoordeling van de afstand moet rekening worden gehouden met ongewone voorvallen binnen de inrichting.

Beoordeeld is of effecten van een zwaar ongeval kunnen leiden tot irreversibele effecten op dit natuurgebied. Gebaseerd op de resultaten van de QRA concluderen wij dat voor de aangevraagde activiteit vanwege de berekende contour er geen irreversibele effecten kunnen optreden. Tracéwet Binnen de PR 10-6 contour van de inrichting liggen geen (spoor)wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Tracéwet. In artikel 4, achtste lid van het Bevi wordt aangegeven dat het bevoegd gezag bij de vergunningverlening van een Brzo inrichting rekening moet houden met de aanwezige personen die gebruikmaken van een hoofdweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Tracéwet Koeling Om de juiste temperatuur van circa -33,6 graden Celsius te borgen worden de ammoniak opslagtanks gekoeld door middel van drie koelcompressoren. Het systeem wordt uitgevoerd met een back-up systeem welke bij stroomuitval de stroomvoorziening verzorgt van de kritische onderdelen. De eisen aan koelinstallaties worden gereguleerd in de PGS 12 versie 01, december 2025 richtlijn.

Blad 78 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Verlading en transport In de bestaande vergunning is een jetty vergund. Uit de aanvraag volgt dat deze jetty wordt vervangen. Daarnaast is het nieuw dat er ook spoorverlading bij komt. Hiervoor wordt een verlaadstation aangevraagd. In deze vergunning zullen enkel transportbewegingen op het raccordement (spoorweg dat binnen de inrichting ligt) worden beoordeeld aangezien dit onder de scope van de Wabo valt. In hoofdstuk 7 van de PGS 12 versie 01, december 2025 wordt ingegaan op veiligheidsmaatregelen voor laden en lossen. Vanwege de aanwezigheid van vier jetty’s is het volgens de aanvraag mogelijk verschillende stoffen tegelijk te verladen. Overslag Schepen In figuur 2 van aanvraagdocument 5529326 (zie bijlage 3) wordt de scheepsverlading omschreven. Er wordt voldaan aan de eisen uit de PGS 12. De overzicht tekeningen geven een duidelijk beeld van de nieuw situatie. Jetty 1 is voor zeeschepen met koude ammoniak en jetty 2 en 3 voor binnenvaart met warme ammoniak. Uit de aanvraag valt op te maken dat jetty 4 voor de k3/k4 producten is. Vanwege gelijktijdig verladen is er terecht aandacht voor brandveiligheid. Op dit punt is advisering van Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) relevant en hebben wij een positief advies ontvangen. Overslag Treinen In figuur 2 van aanvraagdocument 5529326 (zie bijlage 3) is het verlaadstation weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17079574/1