65. RIB Bijlage Definitieve beschikking d.d. 9 maart 2026 van DCMR Milieudienst Rijnmond voor opslag ammoniak
Tekst van het document
Advies externe veiligheid In het bijzonder gaat de VRZ in op de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) en de overschrijding van het groepsrisico dat hieruit volgt. Hieronder is het advies opgenomen. De in de QRA benoemde leidingdiameters 14 of 16 inch kan in de uitwerking van de berekening een significant verschil maken. Vesta Terminal Flushing B.V. moet met een verklaring of een
Blad 32 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
aangepaste berekening komen om hierin duidelijkheid te scheppen. Uit de berekening van het groepsrisico (GR) in versie 3.0 blijkt dat de toename van GR significant is. Vesta Terminal Flushing B.V. moet volgens de PGS-12 passende voorzieningen en organisatorische maatregelen opstellen. Belangrijke maatregelen voor schuilen en vluchten moeten aangevuld worden tot en met het bergen van een ammoniakplas, dit om de gevolgen van een toxische wolk voor de inrichting en de omgeving te beperken. Uit de QRA-berekeningen van het Groepsrisico blijkt dat door het falen van het omhulsel van tank 403 er een toxische ammoniakwolk kan ontstaan in een windrichting (segment) met een reikwijdte van meer dan 7 km. Daarnaast zijn er andere faalkansen aanwezig waarbij een toxische wolk met een reikwijdte van meer dan 1.5 tot 6 km kan ontstaan. Het bereik van een toxische wolk overschrijdt hiermee zowel de inrichtingsgrens als de in het bestemmingsplan vastgestelde veiligheidszone. De toxiciteit van de ammoniak zal naar mate de hoogte in de lucht en de windkracht in verloop van de wolklengte afnemen. Veiligheidsregio Zeeland adviseert met betrekking tot het aspect externe veiligheid dat het bedrijf voor binnen de inrichting aanwezige personen volgens voorschrift van PGS-12 versie 01 december 2025 een noodprocedure voor het scenario toxische wolk opstelt.
In de procedure moet voor, de binnen de inrichting aanwezige personen, een alarmprocedure, het gebruik van veiligheidsmiddelen en een geschikte schuilplaats met communicatiemiddelen voor minimaal acht* uur aanwezig zijn. De noodprocedure (rampscenario) voor personen en dieren buiten de inrichting, die zich binnen de toxische wolk kunnen bevinden, moet gericht zijn op snelle communicatie en informatievoorziening met handelingsperspectieven. Zo moet Vesta onderbouwde informatie kunnen verstrekken aan de hulpdiensten over het verloop, de richting en toxiciteit van de ammoniakwolk. De informatievoorziening met betrekking tot handelingsperspectief moet gericht zijn op het tijdig en veilig vluchten naar een veilige plaats, het schuilen van personen en dieren (ramen en deuren sluiten en ventilatie uit). In een voortraject voor start van de activiteit opslag atmosferische ammoniak, moet Vesta in overleg met Veiligheidsregio Zeeland het rampscenario afstemmen en proefberekeningen opstellen waarmee snel richtinggevende en essentiële informatie over de aard en omvang van de toxische wolk inzichtelijk kan worden gemaakt. Beoordeling Advies VRZ Aan de voorwaarden voor het advies fysieke veiligheid wordt in voldoende mate voldaan. Ten aanzien van het advies externe veiligheid heeft de aanvrager de QRA op ons verzoek aangepast.
Uit het resultaat blijkt dat de eindconclusie onveranderd blijft. In M79 van de PGS 12 versie 01 december 2025 staan de eisen aan een UPD. VRZ vraagt terecht aandacht voor verouderde versies van de PGS 12 in relatie tot de vergunning. In voorschrift 6.1.1 wordt expliciet verwezen naar de laatste versie van de PGS 12 versie namelijk versie 01, december 2025. Ook de gevraagde noodprocedure is in deze PGS richtlijn geregeld. Dit onderdeel vormt een voorwaarde in het positieve advies van de VRZ t.a.v. de groepsrisico overschrijding.
Blad 33 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
*De acht uur genoemd in M94 staat de PGS 12 versie 0.3 van juli 2024 voor een schuillocatie. In de versie PGS 12 december 2025 is de acht uur uit de schuillocatie M131 gehaald. De tijdafhankelijkheid zit nu in het noodplan M128. De schuillocatie is voor korte termijn. In het noodplan is een locatie verplicht waarin er bescherming moet zijn tot het moment dat de brandweer veilig de mensen uit deze locatie kan halen. Dat kan korter of langer dan acht uur zijn. Advies Rijkswaterstaat Gelet op artikel 3.21 van de Wabo dienen wij in te gaan op de invloed die de samenhang tussen de omgevingsvergunning enerzijds en de watervergunning anderzijds heeft gehad op de inhoud van de omgevingsvergunning. Hierbij is de advisering van Rijkswaterstaat van belang. Er is op twee momenten geadviseerd namelijk ten aanzien van de volledigheid en ten aanzien van de inhoud. Op 7 augustus 2024 is er advies ontvangen. Uit dit bericht blijkt dat met name de Milieu Risico Analyse (MRA) is beoordeeld. Er wordt gerefereerd aan het vooroverleg dat op dit punt heeft plaatsgevonden. De opmerkingen zijn voldoende verwerkt in het MRA. Beoordeling Advisering Rijkswaterstaat Het advies van RWS geeft geen aanleiding tot aanvullende maatregelen. 9.5 Zienswijzen
Zienswijze Vesta 29-8-2025 Algemene opmerkingen Inwerkingtreden afhankelijk van een andere vergunning namelijk de ambtshalve wijziging is onvoldoende onderbouwd. Reactie De ambtshalve wijziging (kenmerk 2406998_7012820) ziet onder meer op verlichting, terreininrichting, meldingen en instructies voor de gehele inrichting. Op grond hiervan wordt de zienswijze niet geaccepteerd. Daarnaast merken wij op dat de inwerkingtreding van onderhavige omgevingsvergunning niet afhankelijk is van de ambtshalve wijziging, maar dat gebruik van onderhavige omgevingsvergunning mogelijk is als deze inwerking is getreden. Goedkeuring Indiener heeft bezwaar tegen de goedkeuring voorschriften omdat het volgens indiener niet duidelijk is met welk doel het wordt gevraagd/voorgeschreven en wat welk rechtsgevolg is beoogd. Reactie
Blad 34 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
DCMR heeft kennisgenomen van de zienswijze. Op grond hiervan is overwogen in een aantal gevallen goedkeuring te vervangen door beoordelingsvoorschriften. Dit is aan de orde bij voorschrift 3.3.6 en 3.4.1 waar dit met concrete eisen aan de voorkant in voldoende mate is geregeld. In het algemeen geldt dat goedkeuringsconstructies worden gehanteerd als op het moment van vergunnen nog onvoldoende inzicht bestaat op het betreffende aspect, maar als op voorhand voldoende informatie beschikbaar is om met de vergunning, in samenhang met de goedkeuringsconstructies, een voldoende niveau van bescherming van het belang van het milieu tot stand te brengen. In geval van goedkeuring weet vergunninghouder dat het onder de gegeven omstandigheden conform de ter goedkeuring ingediende documenten mag handelen, zonder dat het in overtreding van de vergunning is. Ten aanzien van het rechtsgevolg van een goedkeuring, geldt dat de goedkeuring is gericht op rechtsgevolg, namelijk het vaststellen of Vesta wel of niet in overeenstemming met de (uitgestelde) vergunning handelt en of handhavend optreden wel of niet noodzakelijk is. Daarmee wordt de juridische status van het bedrijf vastgesteld (vergelijk de uitspraken van de ABRvS met kenmerken ECLI:NL:RVS:2023:1851, ECLI:NL:RVS:2008:BC3065 en ECLI:NL:RVS:2014:99).
Aangezien deze goedkeuring schriftelijk plaatsvindt is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, waartegen bezwaar en beroep open staat. Nadere eisen Nadere eisen zijn volgens indiener te onbepaald en voldoen niet aan het criterium dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is geformuleerd. Reactie Nadere eisen kunnen bij een goedkeuring aan de orde zijn. De noodzaak zal per voorschrift worden bekeken nadat we kennis hebben genomen van aangehaalde jurisprudentie. Volgens jurisprudentie is het volgende geoordeeld: “mogen voorschriften op grond waarvan nadere eisen kunnen worden gesteld niet zodanig algemeen en onbepaald zijn dat met het stellen van nadere eisen in feite nieuwe voorschriften aan de vergunning worden verbonden respectievelijk voorzieningen worden verlangd die in de voorschriften zelf dienen te zijn vastgelegd.” In onderhavige vergunning is er sprake voorschriften die niet algemeen en onbepaald zijn. Daarnaast geven wij aan dat er nadere eisen kunnen worden gesteld binnen de kaders van de goedkeuringsvoorschriften. Hiermee voldoen wij aan de voorwaarden uit de rechtspraak inzake de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen. Identieke vergunningvoorschriften Indiener wijst op overlap tussen de ontwerp beschikking en ambtshalve wijziging en vraagt deze gelijk te behandelen.
Het is indiener niet duidelijk hoe gelijkluidende voorschriften moeten worden opgevat en met welk doel deze moeten gelden.
Blad 35 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Reactie De zienswijze wordt niet geconcretiseerd met voorschriftnummers waar dit aan de orde is. In voorkomende gevallen zullen we hier zoveel mogelijk rekening mee houden. Aanvraag onderdeel van de vergunning Indiener vraag een zevental genoemde documenten geen onderdeel uit te laten maken van de vergunning. Reactie In bijlage 3 kolom 5 is reeds voldaan aan het verzoek. De zienswijze is op dit punt daarom niet terecht. Voorschrift 1.1.4 Indiener wil tot 55.000 ton per maand over het spoor kunnen transporteren. Reactie De gevraagde extra ruimte is binnen de vaste jaarvracht beschikbaar als er sprake is van een uitzonderingsituatie zoals genoemd in voorschrift 1.1.4. Het aspect verladen naar spoorketelwagons waar deze vergunning op ziet zal explicieter worden gemaakt in de tekst van voorschrift 1.1.4. Aangezien er voor uitzonderingsituaties al wordt voorzien in extra ruimte gaan we niet akkoord met de zienswijze. Voorschrift 1.1.5 Vesta wil dit voorschrift geschrapt zien omdat het Ministerie van I&W er over gaat en het bovendien al geregeld is door handhaven van voorschrift 1.1.4. De vorm van bewijsvoering is onduidelijk. Reactie Dit voorschrift is opgenomen om de uitzonderingsituaties in voorschrift 1.1.4 te kunnen vergunnen. Als het gaat om bevoegdheid zijn we het niet eens met de indiener.
Het onderdeel verladen binnen de inrichting behoort volgens ons wel tot de bevoegdheid van het Wabo Bevoegd Gezag. De vervolgvraag is dan of bewijsstukken gevraagd mogen worden. Aangezien het hier om uitzonderingsituaties gaat zijn we van mening dat vormvrije bewijsvoering ter informatie hier gerechtvaardigd en redelijk is. Voorschrift 1.1.6 t/m 1.1.8 a. indiener voorziet extra procedures bij overschrijden van het debiet en verzoekt daarom tot het schrappen of het wijzigen van het voorschrift door het toestaan van een ruimer laaddebiet binnen de vergunde risico ruimte. b. indiener is van mening dat een andere milieubelasting niet aan de orde hoeft te zijn bij
Blad 36 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
overschrijden de verlaadsnelheid en verzoekt daarom tot het schrappen of het wijzigen van het voorschrift door het toestaan van een hoger laaddebiet binnen de vergunde risicoruimte. Reactie a. Het voorgeschreven debiet is overeenkomstig de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag. In tabel 5.7 zijn de uitgangspunten voor de verlading met laad- en losarmen opgenomen. Het bevoegd gezag heeft beoogd dit uitgangspunt voor milieu en veiligheid in een voorschrift vast te leggen. Extra procedures kunnen daarom enkel aan de orde zijn wanneer de aanvrager een groter laaddebiet wenst dan in de onderhavige omgevingsvergunning is verleend, waarvoor dan een aanvraag moet worden ingediend met de bijbehorende QRA. Overeenkomstig artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit zal dan een passende procedure worden gevolgd. Vanwege een verschil t.o.v. genoemde tabel is binnenvaartschepen veranderd in coasters (voorschrift 1.1.7). b. De zienswijze geeft aan dat milieubelasting en verlaadsnelheid niet met elkaar in verband hoeven te staan. Een concrete motivatie en bewijsvoering op dit punt ontbreekt maar er wordt gerefereerd aan de vergunde ruimte in de QRA. Omdat de laadsnelheden afkomstig zijn uit deze QRA zien wij dit anders. Vesta heeft een bepaald laaddebiet aangevraagd dat is opgenomen in de QRA.
Dit hebben wij beoordeeld volgens het beoordelingskader geregeld in artikel 2.14 van de Wabo. Omdat er geen aanvraag is ingediend voor een hoger laaddebiet, beschikken wij niet over de benodigde gegevens om de gevolgen voor de risicocontour en het groepsrisico te beoordelen. Zonder een beoordeling kunnen wij hierover geen besluit nemen. Mocht Vesta een hoger laaddebiet willen, dan moet een aanvraag worden ingediend voor deze verandering, zodat wij de aanvraag kunnen beoordelen volgens de wettelijke beoordelingskader. Aangezien het om maatgevende scenario’s gaat en bewijsvoering ontbreekt kunnen wij niet meegaan in de zienswijze. Voorschrift 2.1.5 Indiener verzoekt een toetsnorm en termijn toe te voegen omdat deze ontbreekt. Voor de termijn wordt verzocht een termijn van vier weken te hanteren. Reactie Allereerst merken we op dat de term Individuele Afvalwater Behandeling (IBA) gekozen is door de indiener en door ons overgenomen in het voorschrift. Vaak wordt deze term gekoppeld aan behandeling van huishoudelijk afvalwater maar hier gaat het om potentieel verontreinigd afvalwater afkomstig van scheepsverlading. De huidige steiger voor het verladen van olieproducten wordt vervangen. Een wezenlijk verschil is dat op de nieuwe steiger naast olieproducten ook ammoniak verladen zal worden.
Het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat gelet op deze aangevraagde verandering ook uitwerking van de IBA nodig is. Met dit voorschrift is beoogd de aanvrager enige ruimte te bieden voor enginering. Nu de indiener ons
Blad 37 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
vraagt dit aan de voorkant te regelen geven wij hier invulling aan. De IBA dient te voldoen aan de Best Bestaande Technieken (BBT) met een doorkijk naar de nieuwste ontwikkelingen. In dit kader dient minimaal getoetst te worden aan de BREF CWW. In hoofdstuk 1.6.3.3 staat een overzicht (tabel 1.2) met alle reinigingstechnieken. In het vervolg worden deze verder beoordeeld en ingedeeld naar toepassingsgebied. We verwachten dat in de beoordeling nadrukkelijk naar de combinatie olieproducten en ammoniak wordt gekeken. De termijn van vier weken kunnen wij niet overnemen omdat dit strijdig zou kunnen zijn met het zorgvuldig uitvoeren van de taak. Voorschrift 2.1.7 Indiener beschouwt dit als een oneigenlijk voorschrift omdat het verder gaat dan wel of geen goedkeuring. Reactie Met het toevoegen van de BREF CWW toets aan voorschrift 2.1.5 is het aan de voorkant voldoende geregeld en kan de mogelijkheid tot stellen van nadere eisen komen te vervallen. Voorschrift 2.1.7 zal worden verwijderd. Voorschrift 2.1.8 Indiener is van mening dat ‘zo snel mogelijk uitvoering’ geven niet overeenkomstig de Nederlandse vergunning systematiek is. Reactie Het Bevoegd Gezag heeft hier beoogd ruimte te geven voor enginering. We constateren dat er op dit punt een verschil van inzicht bestaat. Op zichzelf is werken volgens een bouwplanning ook aanvaardbaar.
Echter omdat er nog geen bouwplanning is overlegd kan hier ook niet bij aangesloten worden. Daarom zal het voorschrift ‘zo snel mogelijk’ worden veranderd in ‘overeenkomstig bouwplanning’ Het is dan wel noodzakelijk dat deze bouwplanning ter informatie wordt overlegd. Dit zal toegevoegd worden aan het voorschrift. Het onderdeel nadere eisen zal door het vervallen van voorschrift 2.1.7 uit voorschrift 2.1.8 worden verwijderd. Voorschrift 3.1.1 Indiener heeft bezwaar tegen goedkeuring en gestelde criteria. Daarnaast stelt indiener dat als het bevoegd gezag meent dat een aanvraag niet voldoende duidelijk is, dan behoort deze verduidelijking te worden gevraagd gedurende het aanvraagproces. Volgens indiener was daar alle gelegenheid, nu de aanvraag al in december 2023 is ingediend. Reactie Het aanvraagdocument is onvolledig ingevuld er staan namelijk vraagtekens in de toetsingstabel. Daarom vragen wij om een volledige toets. Door deze aanleiding blijft ook
Blad 38 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
goedkeuring noodzakelijk. Verder verwijzen wij naar onze reactie op de zienswijze tegen voorschriften over goedkeuring en nadere eisen. Voorschrift 3.1.2 Indiener heeft bezwaar tegen het voorschrift en beschouwd dit als “opmerking constatering”. Indiener verzoekt het voorschrift te verwijderen. Reactie Met dit voorschrift is beoogd de voorwaarden voor goedkeuring aan te geven. Nu de goedkeuring in stand blijft bestaat er geen aanleiding dit voorschrift te verwijderen. Omdat er in de zienswijze geen inhoudelijke motivatie staat nemen we dit ter kennisgeving aan. Voorschrift 3.1.3 Indiener heeft bezwaar tegen de mogelijkheid om nadere eisen te stellen. Reactie Omdat dit aan de voorkant is geregeld met een norm (BBCVM) alsmede opgesomde criteria hebben wij overwogen dat op dit punt tegemoet kan worden gekomen aan de indiener. Voorschrift 3.1.3 zal worden verwijderd. Voorschrift 3.1.4 Indiener ziet een aantal onduidelijkheden in het voorschrift. Het is voor de indiener onduidelijk welke nieuwe installaties bedoeld worden. Ook is het voor de indiener onduidelijk hoe deze in overeenstemming te brengen met een BRI. Reactie Dit voorschrift ziet op de aqua ammonia installatie die in het geheel niet is beschouwd in de aanvraag. Daarnaast op alle bodem gerelateerde onderdelen binnen de scope van de bodem risico-inventarisatie die worden aangevraagd.
In het voorschrift zal het woord installaties hierdoor vervangen worden. Het onderdeel nadere eisen zal worden geschrapt. Voorschrift 3.3.3 a. Indiener vraagt zich af welke afkeur hier bedoeld wordt. b. Indiener vraagt zich af waarom de termijn van 6 maanden is opgenomen. Reactie a. In bijlage 4 van NEN norm 13508 staan de technische eisen en te volgen werkwijze. Uit de toetsing door een deskundige van de meetgegevens aan dit kader zal volgen of er sprake is van afkeur. Dit is verduidelijkt in het voorschrift. b. We achten dit noodzakelijk omdat een defect riool een potentieel milieurisico oplevert. De termijn is opgenomen om te borgen dat het risico daadwerkelijk wordt weggenomen.
Blad 39 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Voorschrift 3.3.4 Inspectieplan riool Indiener maakt bezwaar tegen goedkeuring. Reactie Dit voorschrift ziet op inspectie van het riool. Er zit een verschil in de vigerende NEN normen (NEN 3398 en NEN 3399) en de actuele NEN norm (NEN 13508). Het standpunt van DCMR is dat een nieuw riool dient te voldoen aan de meest actuele normen. Omdat het aan de voorkant geregeld is met een NEN norm kan goedkeuring veranderd worden in beoordeling. Voorschrift 3.3.5 Indiener maakt bezwaar tegen voorwaarden goedkeuring. Reactie Aangezien goedkeuring is vervangen door beoordeling is dit voorschrift niet meer noodzakelijk. Het zal worden verwijderd. Voorschrift 3.3.6 Onderhoudsplan riool a. Indiener is van mening dat vigerende vergunningvoorschriften volstaan. b. Indiener is van mening dat goedkeuring niet nodig is. Reactie a. Aangezien het hier om een specifiek onderdeel gaat namelijk een onderhoudsplan voor het riool volstaan de algemene inspectie en onderhoudsvoorschriften uit de revisievergunning niet. Dit betreft namelijk een onderdeel uit het milieuzorgsysteem waarvan de scope wezenlijk anders is. b. Omdat drie criteria in het voorschrift staan genoemd kan goedkeuring door beoordeling vervangen worden. Voorschrift 3.3.7 Indiener maakt bezwaar tegen voorwaarden goedkeuring. Reactie Aangezien goedkeuring is vervangen door beoordeling is dit voorschrift niet meer noodzakelijk.
Het zal worden verwijderd. Voorschrift 3.3.8 Indiener heeft bezwaar tegen de mogelijkheid om nadere eisen te stellen. Reactie
Blad 40 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Omdat dit aan de voorkant is geregeld hebben wij overwogen dat op dit punt tegemoet kan worden gekomen aan de indiener. Voorschrift 3.3.8 zal worden verwijderd. Voorschrift 3.3.9 a. Indiener betwist de eis “zo snel mogelijk uitvoering geven aan” b. Indiener is van mening dat hoofdstuk 2.2 uit de revisievergunning volstaat voor onderhoud. Reactie a. De termijnen zijn voldoende geborgd. Genoemde eis zal worden verwijderd. b. Aangezien we een nieuw onderhoudsplan vragen in voorschrift 3.3.6 kan geen beroep worden gedaan op de algemene voorschriften uit de revisievergunning. Het onderdeel nadere eisen achten we niet meer noodzakelijk en wordt geschrapt uit voorschrift 3.3.9. Voorschrift 3.4.1 In de zienswijze wordt verwezen naar het onderdeel riool. Indiener is verder van mening dat voorschriften 2.2.1 t/m 2.2.3 uit de revisie vergunning hierop van toepassing zijn. Er wordt gevraagd om een onderbouwing van de gestelde termijn. Reactie Aangezien het aan de voorkant geregeld is door criteria kan hier ook volstaan worden met beoordeling. Goedkeuring zal vervangen worden door beoordeling. De termijn van 6 maanden zal worden vervangen door “overeenkomstig bouwplanning”. Met het voorstel om aan te sluiten bij de revisievergunning kunnen wij niet akkoord gaan. De genoemde algemene inspectie en onderhoudsvoorschriften voorschriften uit de revisievergunning zijn onderdeel van milieuzorg.
Aangezien de scope anders is zijn ze niet toereikend. Voorschriften hoofdstuk 4 PGS 12 Er is één zienswijze binnengekomen op de nieuwe tank (T403). Dit betreft voorschrift 4.1.1. Er zijn meerdere zienswijzen binnengekomen op de bestaande tanks (T401 en T402) Dit betreft voorschrift 4.2.1, 4.2.4, 4.2.5 (M8, M33, M39, M46, M82, M102), 4.2.7, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.11, 4.2.12, 4.2.14, 4.2.15, 4.2.17, 4.2.18, 4.2.19, 4.2.22 t/m 4.2.26, 4.2.27. Voorschrift 4.1.1 Nieuwe tank T403 Indiener geeft aan dat er naar verwachting eind 2025 een definitieve versie is voor alle fasen. Er wordt een voorstel gedaan om de versie niet expliciet vast te leggen en aan te sluiten bij de op het moment van bouw geldende PGS 12 richtlijn. Reactie Allereerst merken we op dat deze zienswijze niet eenduidig is als het gaat om het voorschriftnummers. Er staat namelijk zowel 4.1.1 als 4.4.1. Uit de tekst menen we af te kunnen leiden dat het gaat om voorschrift 4.1.1. Het voorschrift beoogd om BBT voor te schrijven. Het
Blad 41 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
zoveel mogelijk concreet maken is hiervoor een vereiste. Daarom heeft een concreet versienummer de voorkeur en kunnen wij het voorstel niet overnemen. We gaan hieronder uitvoerig in op het proces van PGS 12 vaststelling en de huidige status van de voor te schrijven versie. Voorschrift 4.2.1, 4.2.4, 4.2.5, 4.2.7 t/m 4.2.9, 4.2.11, 4.2.12, 4.2.14, 4.2.16 t/m 4.2.19, 4.2.22 t/m 4.2.27 Reactie Begin december 2025 is de definitieve 1.0 versie verschenen van de PGS12 voor fase 1, 2 & 3 voor de opslag van ammoniak. Met de versie 1.0 van de PGS 12 is de gehele herziening van de PGS 12 afgerond. De versie 0.3 van juli 2024 betrof alleen de nieuwbouw van gekoelde ammoniakopslagtanks (fase 1). In de versie 1.0 van PGS 12 worden naast eisen voor de nieuwbouw van gekoelde ammoniakopslagtanks (fase 1) ook maatregelen voorgeschreven voor bestaande gekoelde ammoniakopslagtanks (fase 2) en voor bestaande/nieuwbouw ammoniak drukopslagtanks (fase 3). Hiermee is een beoordelingskader beschikbaar die zowel de eisen voor de bestaande opslagtanks T401 en T402 beschrijft als mede die voor de nieuwbouw tank T403. Naast het voorschrijven van een eenduidig pakket aan voorschriften voor de bestaande opslagtanks als mede de nieuw te bouwen tank, verzoekt Vesta of de versie van de PGS 12 kan worden voorgeschreven die gaat gelden bij de bouw van opslagtank T403 (voorschrift 4.2.1).
Het bevoegd gezag verwacht dat in de termijn dat de bestaande opslagtanks weer gereed worden gemaakt voor ammoniak opslag en de bouwtijd voor de nieuwe opslagtank T403 er geen herzieningsproces van de PGS 12 zal worden opgestart. Hiermee worden concreet benoemd en in de beschikking vastgelegd wat de meest actuele BBT is voor de opslag van gekoelde ammoniak. In deze beschikking stellen we daarom de PGS 12 versie 1.0 van december 2025 vast als BBT en komen wij niet tegemoet aan de zienswijze van Vesta om de versie van de PGS 12 voor te schrijven bij het moment van de bouw van opslagtank T403. Daarnaast gaan veel van de zienswijze van Vesta over de voorschriften voor T401 en T402 dan wel direct over de maatregelen uit de PGS 12 versie 0.3 van juli 2024. Het betreft de zienswijzen tegen M8, M33, M39, M46, M82 en M102 uit de PGS 12 versie 0.3 juli 2024 en de zienswijze tegen de voorschriften 4.2.1, 4.2.7 t/m 4.2.12, 4.2.14, 4.2.16 t/m 4.2.19, 4.2.22 t/m 4.2.27. Met het voorschrijven van de 0.5 versie van de PGS 12 versie 1.0 december 2025 wordt tegemoetgekomen aan de zienswijze van Vesta. Hiermee worden de voorschriften 4.2.7 t/m 4.2.9, 4.2.11, 4.2.12, 4.2.14, 4.2.16 t/m 4.2.19, 4.2.22 t/m 4.2.27 verwijderd en opgenomen in
Blad 42 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
de opsomming van maatregelen uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025 zoals voorgeschreven in voorschrift 4.2.1. Ten aanzien van de zienswijzen tegen de maatregelen M8, M33, M39, M46 en M102 uit de PGS 12 versie 0.3 juli 2024 gaan we per maatregel in op de zienswijze. Voor M8 geeft Vesta aan, dat het niet direct gaat om de veiligheidsafstanden omdat risico’s ontbreken met betrekking tot explosie/brand maar dat het gaat om dat verblijfsgebouwen zodanig zijn geconstrueerd dat deze bescherming bieden in het geval van het vrijkomen van ammoniak. Voorschrift M8 is in de PGS 12 versie 1.0 van december 2025 iets aangepast ten opzichte van de versie 0.3 van juli 2024. M8 PGS 12 versie 0.3 juli 2024 De afstanden tussen de ammoniakopslaginstallatie en (verblijfs)gebouwen voldoen, voor het scenario van vrijkomen en verspreiding van een toxische ammoniakwolk, minimaal aan de CCPS 'Guidelines for evaluating process plant buildings for external explosions, fires and toxic releases'. M8 PGS 12 versie 1.0 december 2025 De verblijfsgebouwen zijn zo gesitueerd ten opzichte van de ammoniakopslaginstallatie, dat voor het scenario van vrijkomen en verspreiding van een toxische ammoniakwolk, minimaal wordt voldaan aan de CCPS 'Guidelines for evaluating process plant buildings for external explosions, fires and toxic releases'.
In beide versies gaat het specifiek alleen over het scenario van een toxische ammoniakwolk waarvoor voldaan moet worden aan de CCPS 'Guidelines for evaluating process plant buildings for external explosions, fires and toxic releases'. Deze Guideline behandeld meer dan alleen toxische scenario’s zoals de titel aangeeft maar de inperking van maatregel M8 geeft aan dat het alleen om de toxische scenario’s gaat en dat is voldoende afbakening. De Guideline beschrijft een risico benadering vanuit scenario’s waarbij vergunninghouder de betreffende verblijfsgebouwen dient te beschermen voor de specifieke functie van het gebouw. Dit kan middels afstand en of een combinatie van constructieve of bouwkundige eisen. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de zienswijze Vesta. Ten aanzien van M33 over het gebruik van schroefdraadverbindingen is in versie 1.0 december 2025 van de PGS 12 een wijziging doorgevoerd dat het alleen schroefdraadverbindingen betreft aan productleidingen en opslagtanks. Niet meer aan compressoren en pompen omdat die zonder schroefdraad verbindingen niet beschikbaar zijn. Voorschrift M39 over een lekdetectiesysteem voor productleidingen is in versie 1.0 december 2025 omgedoopt tot maatregel M37 en daarin is minimum debiet in opgenomen van 20 ton/uur.
Omdat er nog geen geaccrediteerde inspectie A-instellingen beschikbaar zijn voor het goedkeuren van zowel het gasdetectiesysteem uit M46 en/of het UPD uit M102 vraagt Vesta
Blad 43 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
om deze maatregelen te vervangen door respectievelijk M80 en M139 uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025. Door het voorschrijven van PGS 12 versie 1.0 van december 2025 in voorschrift 4.2.1 wordt tegemoetgekomen aan de zienswijze van Vesta ten aanzien van de bezwaren op de maatregelen M8, M33, M39, M46 en M102 uit de PGS 12 versie 0.3 juli 2024. Voor M82 geeft Vesta aan dat er ten aanzien van goedkeuring van het aangepaste inspectie en onderhoudsprogramma er geen toegevoegde waarde is om naast het oordeel van de onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks dit door het bevoegd gezag te laten plaatsvinden. Omdat een AET-systeem pas op 1 gekoelde atmosferische ammoniak tank in de wereld (USA) is toegepast en er nog op het gebied van de praktische uitvoering nog onduidelijkheden zijn is het bevoegd gezag van mening dat extra een toestemmingstap noodzakelijk is. Hierbij zal zeker het oordeel van de onafhankelijk deskundige worden meegewogen. M82 is nu als M116 uit versie 1.0 december 2025 van PGS 12 via voorschrift 4.2.1 aan de beschikking verbonden. Voor de eenduidigheid worden de voorschriften 4.2.13, 4.2.15, 4.2.20 en 4.2.21 waartegen Vesta geen zienswijze heeft ingebracht eveneens verwijdert, deze maken onderdeel uit van voorschrift 4.2.1.
Zo is voorschrift 4.2.13 voorgeschreven als onderdeel van M31, voorschrift 4.2.15 als M149, voorschrift 4.2.20 en 4.2.21 als onderdelen van M151 uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025. Voor de eenduidigheid wordt in voorschrift 6.2.4 de verwijzing naar maatregel M101 versie 0.3 juli 2024 over de vereiste voor het UPD vervangen door een verwijzing naar M138 versie 1.0 december 2025. Daarnaast volstaat voorschrift M19 uit de PGS 12 versie 1.0 van december 2025 voor het beschrijven van de eisen aan de fakkelinstallatie. In combinatie met de maatregelen M27 t/m M29 voor BOG installatie en de maatregelen M65, M87 en M97 wordt geborgd dat voorzienbare emissies naar de lucht moeten worden behandeld in een dampverwerkingsinstallatie en dat alleen in onvoorziene situaties als gevolg van drukopbouw in een ammoniakopslagtank de fakkelinstallatie wordt aangesproken. Dit maakt dat de voorschriften 5.2.1 t/m 5.2.5 ten aanzien van de fakkelinstallatie kunnen komen te vervallen. De borging van de werking van de dampverwerkingsinstallatie is vastgelegd in voorschrift 5.1.1. Voorschrift 4.2.10 in de ontwerpbeschikking nu omgenummerd naar 4.2.8 en is een uitwerking van M12 uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025.
Nu de opslagtanks T401 en T402 in bedrijf gaan worden genomen voor ammoniak opslag is dit het moment om zeker te stellen dat de betonnen wanden nog steeds geschikt zijn waarvoor deze zijn ontworpen. Daarom wordt de aantoonbaarheidsverplichting uit M12 voorgeschreven in voorschrift 4.2.8 ter goedkeuring zodat eventuele aanpassingen/reparaties nog kunnen worden doorgevoerd voor de ingebruikname van de ammoniak opslagtanks. Dit aspect van de ingebruikname van de opslagtanks T401 en
Blad 44 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
T402 maakt geen onderdeel uit van de scope van het herbeoordelingsplan en valt buiten de expertise van de onafhankelijke deskundige ammoniak opslagtanks. Het aantonen van het voldoen aan de ontwerpspecificaties is een handeling die bestaat uit twee delen. Het achterhalen van de ontwerptekeningen en ontwerpspecificaties en het toetsen van de huidige betonnen wanden aan diezelfde specificaties. Hiervoor kan vergunninghouder gebruikmaken van een externe partij met specialistische kennis over betonwerken die op basis van inspecties, metingen en berekeningen inzichtelijk kan maken dat de technische integriteit van de betonnen wand voldoet aan de eisen waarvoor deze primair is ontworpen. Voor de ombouw van de bestaande opslagtanks T401 en T402 naar de opslag van gekoelde ammoniak moet een herbeoordelingsplan worden opgesteld. Het bij de aanvraag gevoegde herbeoordelingsplan versie 29 juli 2024 final moet nog worden aangepast met de voorwaarden uit voorschrift 4.2.1. Zodra het herbeoordelingsplan is goedgekeurd is de onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks die de uitvoering bewaakt qua inhoud. Het is daarom niet nodig om elke processtap in het herbeoordelingsplan ter goedkeuring in te dienen bij het bevoegd gezag. In de te doorlopen herbeoordeling zijn er vier momenten/processtappen waarop het bevoegd gezag wil worden geïnformeerd om het ombouw proces actief te kunnen volgen.
De verplichtingen om over deze processtappen te worden geïnformeerd zijn opgenomen in de voorschriften 4.2.3 t/m 4.2.6. De voorwaarde dat de opslagtanks T401 en T402 pas in gebruik mogen worden genomen na een Verklaring van ingebruikneming (VVI) door de onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks blijft als harde voorwaarde bestaan conform voorschrift 4.2.5. Voorschrift 5.1.1 a. Indiener wil aansluiting bij voorschrift 5.1.1 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) b. Op grond hiervan wil indiener enkel een vracht in het voorschrift. Reactie a. De normering is gebaseerd op de vergunningaanvraag. In de zienswijze vraagt de indiener aan te sluiten bij de meest actuele regelgeving uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). Wij kunnen hiermee akkoord gaan. Het betreft afdeling 5.4.4 van het Bal. In artikel 5.30 van het Bal staat tabel 5.30 waarin voor ammoniak een emissie grenswaarde van 5 mg/Nm3 is opgenomen met een ondergrens van 75 kg/jaar. Het controle regime in artikel 5.31 t/m 5.35 is eveneens van toepassing. b. Het is te voorbarig om nu al een beroep te doen op de ondergrens. Dit zal namelijk moeten blijken uit berekeningen overeenkomstig het controleregime. We stellen vast dat punt b uit de zienswijze niet gegrond is. Aan het voorschrift zal de verwijzing naar het BAL worden toegevoegd. Voorschrift 5.1.3
Blad 45 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Indiener wil de termijn veranderen van 1 jaar voor uitvoeren naar 6 maanden voor uitvoeren. Reactie Het termijn voorstel van zes maanden is akkoord. Het voorstel uit de zienswijze wordt overgenomen. Voorschrift 5.1.4 Indiener heeft bezwaar tegen de vage eisen in het voorschrift en de goedkeuring. Volgens indiener is het niet duidelijk vastgelegd wat bedoeld wordt met “voldoende” en ook is onduidelijk hoe “naar het oordeel van” gezien moet worden. Indiener wil dat het dusdanig wordt aangepast dat het voor eenieder duidelijk is. Reactie Aangezien de aanvraag voor dit onderwerp nog niet volledig is blijft goedkeuring volgens ons noodzakelijk. Daarnaast beschikt het bevoegd gezag over een zekere beoordelingsruimte binnen de gestelde criteria van het goedkeuringsvoorschrift. De omschrijving van het voorschrift zal worden aangepast zodat het ziet op de drie criteria uit voorschrift 5.1.3. Voorschrift 5.1.5 Indiener heeft bezwaar tegen de mogelijkheid om nadere eisen op te nemen. Reactie Aangezien de aanvraag op dit punt onvolledig is zijn we van mening dat deze mogelijkheid gerechtvaardigd is. We stellen vast dat nadere eisen nodig kunnen zijn in de volgende stap richting daadwerkelijke uitvoering. Op grond hiervan gaan we niet akkoord met de zienswijze.
In voorschrift 5.1.5 zal nader worden gespecificeerd dat de nadere eisen betrekking hebben op de minimale onderzoek eisen uit voorschrift 5.1.3. Voorschrift 5.2.1 t/m 5.2.5 Indiener heeft bezwaar tegen deze fakkelvoorschriften. Reactie De zienswijze is gegrond deze vijf voorschriften worden verwijderd. Voorschrift 6.1.5 en 6.1.7 Berekening NFPA 15 Indiener heeft bezwaar tegen de tekst "is gebaseerd" omdat niet de benodigde ruimte wordt geboden die nodig is voor dit complexe en omvangrijke onderdeel. Daarnaast vraagt indiener om duidelijkheid over wat ‘aan de hand van’ betekent. Reactie
Blad 46 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Allereerst stellen we vast dat het omvangrijke en complex karakter van het gevraagde document geen reden is de indiener tegemoet te komen. Het is aan de vergunninghouder zelf om hier invulling aan te geven. De Veiligheidsregio Zeeland staat open voor vooroverleg en afstemming op dit punt. Verder zit er in de voorschriften voldoende ruimte aangezien in voorschrift 6.1.5 ook gelijkwaardigheid mogelijk is. In 6.1.7 is gekozen voor de term “is gebaseerd” om de doelmatigheid van de koeling aan te tonen. Dit vormt namelijk de kern van het voorschrift. Ook hier is het aan de vergunninghouder zelf om invulling te geven aan de aantoonplicht. Op grond van deze vaststelling en verduidelijking geeft de zienswijze geen aanleiding teksten aan te passen. Voorschrift 6.2.1 Indiener wil zes maanden voor inwerkingtreding i.p.v. zes maanden na verlenen beschikking. Reactie Dit wordt aangepast naar 6 maanden voor ingebruikname. Voorschrift 6.2.3 Integraal Plan Brandveiligheid Indiener wil dat het enkel om wezenlijke wijzigingen gaat. Reactie De term wezenlijk is te onbepaald en kunnen we daarom niet overnemen in het voorschrift. Het gaat om wijzigingen, waaronder o.a.
wijzigingen conform voorschrift 6.2.4 of de ingebruikname van een gekoelde ammoniak opslagtank (T401, T402 of T403), in het Integraal Plan Brandveiligheid moeten voordat zij worden doorgevoerd schriftelijk zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag. Praktisch gezien zouden kleinere wijzigingen in overleg met de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) eerst verzameld kunnen worden alvorens ter goedkeuring te worden aangeboden. Voorschrift 6.3.1 Vangrail Indiener wil het voorschrift vervangen door M74 uit de PGS 12 Reactie We stellen vast dat de scope van M74 uit de PGS 12 versie 0.3 juli 2024 anders is dan het gevraagde in voorschrift 6.3.1. De maatregel ziet namelijk enkel op de operationele beheersing van een laad- en losplaats. Echter M2 en M62 uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025 voorzien wel in de bescherming zoals genoemd. Daarnaast is dit aspect voor de inrichting als geheel ook geregeld in voorschrift 1.2.2 van de ambtshalve wijziging. Op grond hiervan bestaat er voldoende reden om voorschrift 6.3.1 uit de veranderingsvergunning te schrappen. Voorschrift 7.1.5
Blad 47 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
a. Indiener voorziet een risico op handhaving als niet wordt voldaan aan het voorschrift. Indiener geeft aan dat geregeld dient te worden dat geen handhaving plaatsvindt. b. Indiener is van mening dat geen termijn gesteld kan worden als niet duidelijk is welke maatregelen getroffen moeten worden. Als dit onder motivatie valt, dan kan het voorschrift blijven staan volgens de indiener. Reactie Met het voorschrift is beoogd dat maatregelen worden genomen om te voldoen aan de gestelde geluidsnormen. Over de te volgen route maakt vergunninghouder concrete afspraken met het bevoegd gezag. a. Als voldaan wordt aan voorschrift 7.1.5 zien wij dit risico niet omdat dan maatregelen en route direct overlegd dienen te worden en dus bekend zijn bij het Bevoegd Gezag. b. Aangezien het hier om goedkeuring vooraf gaat is de gestelde termijn in het voorschrift niet nodig. Deze zal worden verwijderd. Voorschrift 8.1.1 a. goedkeuring wordt bestreden b. indiener stelt voor om toe te voegen dat het bevoegd gezag binnen 4 weken zal reageren. c. indiener vraagt zich af in hoeverre de genoemde eisen zich verhouden tot de eisen in het besluit bouwwerken leefomgeving. Reactie a. In de vergunningaanvraag is de nieuwe controlekamer technisch niet uitgewerkt. Uit navraag bij Vesta blijkt dat hiervoor nog enginering nodig is.
Om dit onderdeel toch te kunnen vergunnen heeft het Bevoegd Gezag zelf een aantal eisen geformuleerd in voorschrift 8.1.1 maar dit is niet uitputtend. Aangezien er nog enginering nodig is zijn niet alle uitgangspunten, randvoorwaarden en technische gegevens bekend. Omdat dit onvoldoende aan de voorkant is geregeld kan worden is goedkeuring hier gerechtvaardigd. b. Bij het uitvoeren van de taak is zorgvuldigheid leidend. Het bevoegd gezag kan zich daarom niet binden aan een termijn van vier weken. Wel kan er zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. Het staat de indiener overigens vrij het betreffende document eerder in te dienen dan de genoemde 6 maanden. Ook staat het bevoegd gezag open voor informele afstemming vooraf. c. Aangezien deze aanvraag over het milieudeel gaat kunnen wij niet ingaan op bouwaangelegenheden. Er is ook nog geen bouwaanvraag ingediend. Voorschrift 8.1.3
Indiener wil de mogelijkheid tot stellen van nadere eisen geschrapt zien.
Blad 48 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Reactie Er bestaat ruimte voor enginering en dat is ook nodig voor een specifiek onderdeel als de controlekamer. Dit brengt wel met zich mee dat er een mogelijkheid moet zijn om vanuit de bevoegdheid voor milieu en veiligheid nadere eisen te kunnen stellen. Om deze reden kunnen wij niet akkoord gaan met het volledig schrappen. Om de zorg over “carte blance” weg te nemen zal het voorschrift op het punt van bevoegdheid nader gespecificeerd worden door “milieu en veiligheid” toe te voegen. Verder verwijzen wij naar de reactie onder de zienswijze over nadere eisen. Overig Voorschrift 5.3.1 over storingen en onderhoud bij luchtreiniging installaties is nieuw toegevoegd naar aanleiding van de zienswijzen op de andere procedure (ambtshalve wijziging kenmerk 2406998_7012820). In voorschrift 6.2.1 is de termijn aangepast.
Zienswijze gemeente Borsele 01-10-2025 De zienswijze is op 1 oktober 2025 ingediend en heeft als kenmerk D25.678157. De zienswijze is tekstueel van opzet en bestaat uit zeven hoofdstukken. Uiteindelijk wordt een conclusie getrokken op drie punten. Wij hebben de zienswijze samengevat in concrete punten (a t/m i). Deze zijn hieronder weergegeven. Na deze opsomming volgt onze weerlegging per punt. a. Dit punt gaat over de gevolgen van de energietransitie. De zienswijze begint met een betoog over veelheid aan planvorming van voornamelijk rijksprojecten in de energiesector en de mogelijk negatieve impact van het Vesta project hierop. Concreet wordt gewezen op het maken van de juiste afwegingen en dat projecten elkaar niet in de weg zitten. Er zijn zeven bijlages toegevoegd die zien op gerelateerde projecten. b. Er is een zienwijze over zee-en binnenvaart. Hieruit blijkt dat transportrisico’s de belangrijkste zorg vormt. Indiener ziet op dit punt onvoldoende onderbouwing in de documenten die bij de aanvraag zitten. Concreet wordt aangegeven dat de berekening een uitkomst van 624.000 ton heeft en niet 650.000 ton. Verder bestaat er zorg over de transportroutes. Er wordt gevraagd naar de route en om aanvullende berekeningen in RBM II en Safeti. c. Er is een zienswijze over spoortransport. Het gaat over het in kaart brengen van het effect van de toename.
Daarnaast is er een zienswijze over beveiligingen op het spoor. Beveiligingen op spoor worden geoptimaliseerd maar niet op eerste deel spoor dat in de gemeente Borsele ligt. d. Uitgangspunten QRA zijn opgenomen in vergunning daarom neemt Wabo bevoegd gezag ook verantwoordelijkheid voor transport. Risico’s dienen daarom te worden afgewogen.
Blad 49 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
e. De afweging in zowel de QRA als de MER aanmeldnotitie is op onderdelen onvoldoende. f. Indiener vraagt aandacht voor modaliteit buisleidingen als alternatief voor (spoor)transport. g. Bestaande tanks zijn niet in overeenstemming met PGS 12. h. Er wordt gevraagd overeenkomstig actuele regelgeving een voorschrift voor financiële zekerheidstelling op te nemen. i. De conclusie bestaat uit een drietal punten. Ten eerste wordt gesteld dat de monitoringscijfers in de QRA niet overeenkomstig basisnet zijn. Deze afstemming is volgens indiener noodzakelijk. Ten tweede constateert indiener dat buisleiding niet zijn onderzocht. Tenslotte wordt gevraagd de vergunning te actualiseren op basis van de gehele zienswijze. Reactie a. De procedure bestaat uit een Wabo vergunningaanvraag voorafgegaan door een m.e.r. beoordeling. De scope beperkt zich tot deze twee onderdelen. De aanvraag is getoetst aan de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO). De m.e.r.-beoordeling uitgevoerd conform paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer en de criteria van bijlage III uit de Europese m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU gewijzigd bij 2014/52/EU). Aangezien de strekking van de zienswijze op dit punt geen concrete vraag bevat kunnen wij niets anders dan het gevraagde ter kennisgeving aannemen.
Uit bijlage 5 t/m 7 van de zienswijze blijkt dat er verdere ontwikkelingen gaande zijn en dat hierin meegedacht kan worden (klankbordgroep). Het bevoegd gezag kan dit onderschrijven. Op bijlage 4 kunnen wij geen reactie geven omdat het om een ander bedrijf gaat waarvoor nog een procedure loopt. b. Er is een m.e.r. beoordeling en Wabo vergunningprocedure doorlopen overeenkomstig paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer, het besluit milieueffectrapportage en de criteria van bijlage III uit de Europese M.e.r.-richtlijn In de zienswijze staat geen wettelijke grondslag voor uitgebreidere risicoberekeningen. Er wordt wel een relatie gelegd met vergunningvoorschrift 1.1.3 en 1.1.4. Dit zijn voorschriften die gebaseerd zijn op de QRA en dus gerelateerd aan verlading binnen de inrichting zelf. We stellen vast dat het beoordelingskader (zie a) in deze procedure niet om uitgebreidere risicoberekeningen vraagt. Overigens staat het bevoegd gezag achter risicoberekeningen los van deze vergunningprocedure. Uit bijlage 5 van de zienswijze blijkt dat indiener hiervan op de hoogte is. Tenslotte gaan we in op het geconstateerde verschil in doorzet. Uit tabel 4.2 van de beschrijving van de vergunning aanvraag (bijlage 1 uit de aanvraag) blijkt dat binnenvaartschepen een belading kunnen hebben variërend van 4.000 ton tot 5.600 ton.
Modaliteitkeuze is binnen de grenzen van de vergunning en andere wet en regelgeving aan de vergunninghouder.
Blad 50 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
c.
d.
e.
f.
g.
h.
Het gevraagde over beveiligingen valt onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en buiten de scope van deze vergunning. Overeenkomstig de genoemde wet- en regelgeving zal het Bevoegd Gezag dit aspect aandragen bij de bevoegde instanties. Zie verder punt a voor de scope van deze vergunning. Het is juist dat het Bevoegd gezag uitgangspunten uit de QRA heeft overgenomen in de voorschriften. Voor transport ziet dit op verlading binnen de inrichting. Voorschrift 1.1.4 is op het punt van verladen explicieter worden gemaakt in onderhavige vergunning. Uit de zienswijze kunnen wij niet concreet opmaken welke onderdelen uit de QRA en aanmeld notitie als onvoldoende worden bestempeld. De vervolgvraag op grond waarvan de indiener deze mening is toegedaan komt ook niet aan de orde. Op grond van deze vaststelling kunnen wij niets anders dan dit punt uit de zienswijze ter kennisgeving aannemen. We delen de visie van de indiener dat transport met buisleiding een positief effect kan hebben op de omgevingsrisico's. Echter het maakt geen onderdeel uit van de aanvraag en valt daarom buiten de scope van deze vergunning. Daarom nemen we dit ter kennisgeving aan. Overigens zal het bevoegd gezag binnen haar takenpakket meewerken aan innovatieprojecten die spoortransport reduceren. In dit kader noemen we ook het kraken van ammoniak in de directe nabijheid van de ammoniakopslag.
De bestaande opslagtanks T401 en T402 zijn overeenkomstig de definitie uit de PGS 12 versie 1.0 van december 2025 bestaande opslagtank omdat zij zijn ontworpen, gebouwd, vergund en in gebruik zijn genomen voor de opslag van ammoniak voor 1 januari 2025. Het klopt dat beide opslagtank de afgelopen 10 jaar zijn gebruikt voor de opslag van koolwaterstoffen (K3/K4) maar omdat de opslagtanks zijn ontworpen en gebouwd met het juiste materiaal dat geschikt is voor de opslag van ammoniak is de her ingebruikname van de tanks voor de opslag van gekoelde ammoniak mogelijk (zie hiervoor ook paragraaf 1.2.1 uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025). Voor deze opslagtanks T401 en T402 gelden de eisen voor bestaande opslagtanks. Voor bestaande dubbelwandige opslagtanks wordt de configuratie van externe pompen met een doorvoering door de primaire stalenwand en de secundaire betonnen wand beschouwd als BBT in combinatie met aanvullende maatregelen, zoals bescherming tegen vallende objecten en een verbeterde betrouwbaarheid van de beveiligingsloop, voor het voorkomen van uitstroom uit de opslagtank, zie M148 en M150 uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025. Onderhavige aanvraag is nog ingediend onder de Wabo.
Op grond van het overgangsrecht geldt dat op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, die is ingediend voor 1 januari 2024, dus onder de Wabo, moet worden beschikt op grond van het oude recht (Wabo) voor de behandeling van die aanvraag. Dit is geregeld in artikel 4.3 het invoeringswet Omgevingswet. De Wabo blijft dus van toepassing op de aanvraag zolang die nog in behandeling is, ook als de beoordeling pas na 1 januari 2024 plaatsvindt. De mogelijkheid voor het bevoegd gezag om middels een
Blad 51 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
i.
vergunningvoorschrift financiële zekerheid voor te schrijven bestond niet onder de Wabo, wel bestaat er de mogelijkheid om vooruitlopend op toekomst voorschriften te verbinden aan een omgevingsvergunning, zoals de Ow die nadat onderhavige omgevingsvergunning onherroepelijk wordt van toepassing wordt, Echter, bevind het financiële zekerheid op landelijk niveau in de pilot fase, waardoor er nog geen voorschriften hiervoor opgenomen kunnen worden in omgevingsvergunningen. Het punt buisleiding is onder f besproken. Het punt externe veiligheid is onder b besproken. De zienswijze geeft geen aanleiding wijzigingen aan te brengen in de teksten. Het bevoegd gezag zal zich overeenkomstig haar taak binnen de wettelijke kaders inzetten voor het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen. Uit de bijlagen bij de zienswijzen blijkt dat indiener hiervan op de hoogte is.
Zienswijze gemeente Goes 02-10-2025 De zienswijze bestaat uit diverse onderdelen namelijk gevolgen energietransitie, uitgangspunten, zee- en binnenvaart, spoor, beveiligingen op het spoor, buisleidingen. Uiteindelijk komt de indiener tot een drietal conclusies. De punten zullen worden samengevat (a t/m i) in voorzien van een reactie. a. Dit punt gaat over de gevolgen van de energietransitie. De zienswijze begint met een betoog over veelheid aan planvorming van voornamelijk Rijksprojecten in de energiesector en de mogelijk negatieve impact van het Vesta project hierop. Concreet wordt gewezen op het maken van de juiste afwegingen en dat projecten elkaar niet in de weg zitten. Er zijn zeven bijlages toegevoegd die zien op gerelateerde projecten. b. Er is een zienwijze over Zee-en Binnenvaart. Transportrisico’s is de belangrijkste zorg. Indiener ziet op dit punt onvoldoende onderbouwing in de documenten die bij de aanvraag zitten. Concreet wordt aangegeven dat de berekening een uitkomst van 624.000 ton heeft en niet 650.000 ton. Verder bestaat er zorg over de transportroutes. Er wordt gevraagd om aanvullende berekeningen in RBM II en Safeti. c. Er is een zienswijze over spoortransport. Het gaat over het in kaart brengen van het effect van de toename. Daarnaast is er een zienswijze over beveiligingen op het spoor. d.
Uitgangspunten QRA zijn opgenomen in vergunning daarom ook verantwoordelijkheid Wabo Bevoegd gezag voor transport. Risico’s dienen daarom te worden afgewogen. e. De afweging in zowel de QRA als de m.e.r. aanmeldnotitie is op onderdelen onvoldoende. f. Indiener vraagt aandacht voor modaliteit buisleidingen als alternatief voor (spoor)transport. g. De bestaande tanks niet in overeenstemming met de actuele PGS 12. h. Er wordt gevraagd overeenkomstig actuele regelgeving een voorschrift voor financiële zekerheidstelling op te nemen. i. De conclusie bestaat uit een drietal punten. Ten eerste wordt gesteld dat de monitoringscijfers in de QRA niet overeenkomstig basisnet zijn. Deze afstemming is
Blad 52 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
volgens indiener noodzakelijk. Ten tweede constateert indiener dat buisleiding niet zijn onderzocht. Tenslotte wordt gevraagd de vergunning te actualiseren op basis van de gehele zienswijze. Reactie a. De procedure bestaat uit een Wabo vergunningaanvraag voorafgegaan door een m.e.r. beoordeling. De scope beperkt zich tot deze twee onderdelen. De aanvraag is getoetst aan de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO). De m.e.r.-beoordeling uitgevoerd conform paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer en de criteria van bijlage III uit de Europese M.e.r.-richtlijn (2011/92/EU gewijzigd bij 2014/52/EU). Aangezien de strekking van de zienswijze op dit punt geen concrete vraag bevat kunnen wij niets anders dan het gevraagde ter kennisgeving aannemen. Uit bijlage 5 t/m 7 van de zienswijze blijkt dat er verdere ontwikkelingen gaande zijn en dat hierin meegedacht kan worden (klankbordgroep). Het bevoegd gezag kan dit onderschrijven. Op bijlage 4 kunnen wij geen reactie geven omdat het om een ander bedrijf gaat waarvoor nog een procedure loopt. b. Er is een MER beoordeling en Wabo vergunningprocedure doorlopen overeenkomstig vigerende Wet en Regelgeving. In de zienswijze staat geen wettelijke grondslag voor uitgebreidere risicoberekeningen. Er wordt wel een relatie gelegd met vergunningvoorschrift 1.1.3 en 1.1.4.
Dit zijn voorschriften die gebaseerd zijn op de QRA en dus gerelateerd aan verlading binnen de inrichting zelf. We stellen vast dat het beoordelingskader in deze procedure niet om uitgebreidere risicoberekeningen vraagt. Overigens staat het Bevoegd Gezag achter risicoberekeningen los van deze vergunningprocedure. c. Het gevraagde over beveiliging van het spoor valt onder de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen en buiten de scope van deze vergunning. Overeenkomstig deze wet- en regelgeving zal het bevoegd gezag dit aspect aandragen bij de bevoegde instanties. Voor de scope van deze vergunning verwijzen we naar punt a. d. Het is juist dat het bevoegd gezag uitgangspunten uit de QRA heeft overgenomen in de voorschriften. Voor transport ziet dit op verlading binnen de inrichting. Voorschrift 1.1.4 is op het punt van verladen explicieter worden gemaakt in onderhavige vergunning. e. Uit de zienswijze kunnen wij niet concreet opmaken welke onderdelen uit de QRA en aanmeld notitie als onvoldoende worden bestempeld. De vervolgvraag op grond waarvan de indiener deze mening is toegedaan komt ook niet aan de orde. Op grond van deze vaststelling kunnen wij niets anders dan dit punt uit de zienswijze ter kennisgeving aannemen. We verwijzen naar de gegeven uitleg onder a over de scope van deze vergunningprocedure. f.
We delen de visie van de indiener dat transport met buisleiding een positief effect kan hebben op de omgevingsrisico's. Echter het maakt geen onderdeel uit van de aanvraag en valt daarom buiten de scope van deze vergunning. Daarom nemen we dit ter kennisgeving aan. Overigens zal het Bevoegd Gezag binnen haar takenpakket
Blad 53 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
g.
h.
i.
meewerken aan innovatieprojecten die spoortransport reduceren en/of veiligheid bevorderen. In dit kader noemen we ook het kraken van ammoniak ter plaatse van de ammoniakopslag. De bestaande opslagtanks T401 en T402 zijn overeenkomstig de definitie uit de PGS 12 versie 1.0 van december 2025 bestaande opslagtank omdat zij zijn ontworpen, gebouwd, vergund en in gebruik zijn genomen voor de opslag van ammoniak voor 1 januari 2025. Het klopt dat beide opslagtank de afgelopen 10 jaar zijn gebruikt voor de opslag van koolwaterstoffen (K3/K4) maar omdat de opslagtanks zijn ontworpen en gebouwd met het juiste materiaal dat geschikt is voor de opslag van ammoniak is de her ingebruikname van de tanks voor de opslag van gekoelde ammoniak mogelijk (zie hiervoor ook paragraaf 1.2.1 uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025). Voor deze opslagtanks T401 en T402 gelden de eisen voor bestaande opslagtanks. Voor bestaande dubbelwandige opslagtanks wordt de configuratie van externe pompen met een doorvoering door de primaire stalenwand en de secundaire betonnen wand beschouwd als BBT in combinatie met aanvullende maatregelen, zoals bescherming tegen vallende objecten en een verbeterde betrouwbaarheid van de beveiligingsloop, voor het voorkomen van uitstroom uit de opslagtank, zie M148 en M150 uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025. Onderhavige aanvraag is nog ingediend onder de Wabo.
Op grond van het overgangsrecht geldt dat op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, die is ingediend voor 1 januari 2024, dus onder de Wabo, moet worden beschikt op grond van het oude recht (Wabo) voor de behandeling van die aanvraag. Dit is geregeld in artikel 4.3 het invoeringswet Omgevingswet. De Wabo blijft dus van toepassing op de aanvraag zolang die nog in behandeling is, ook als de beoordeling pas na 1 januari 2024 plaatsvindt.. De mogelijkheid voor het bevoegd gezag om middels een vergunningvoorschrift financiële zekerheid voor te schrijven bestond niet onder de Wabo en derhalve kan aan de omgevingsvergunning die Vesta onder de Wabo heeft aangevraagd, nu niet een dergelijk voorschrift worden verbonden. Het punt buisleiding is onder f besproken. Het punt externe veiligheid is onder b besproken. De zienswijze geeft geen aanleiding wijzigingen aan te brengen in de teksten. Het bevoegd gezag zal zich overeenkomstig haar taak binnen wet en regelgeving inzetten voor het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen.
Zienswijze gemeente Vlissingen 01-10-2025 De zienswijze bestaat uit een opsomming van vijf punten. Hieronder zijn deze punten samengevat (a t/m e). Vervolgens wordt onze reactie weergegeven. a. Indiener vraagt om een analyse van de consequenties van scheepvaart toename voor de gemeente
Blad 54 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
b. Indiener vraagt om verduidelijking van aantallen scheeptransport. Verder wordt gevraagd om een analyse van de voorziene verschuiving van spoor naar zeetransport. c. Indiener vraagt de transportroutes over water inzichtelijk te maken. d. Indiener vraagt om een modelmatige analyse van de risico’s van scheepstransport e. Indiener vraagt om een beschouwing van transport via buisleidingen. Reactie a. Aanvrager Vesta heeft de vervoersbewegingen van en naar haar inrichting in kaart gebracht en in de aanvraag beschreven. Onderzocht zijn de gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de inrichting die aan de inrichting kunnen worden toegerekend. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden de gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de inrichting niet aan de inrichting toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval indien dit verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken (spoor- en vaar)weg kan bevinden. Deze jurisprudentie geldt voor alle nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de inrichting.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1861), 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:3022), 4 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013-2215) en 14 april 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AO7513) en uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 maart 2020 (ECLI:NL:RBLIM:2020:2508). Met betrekking tot de opmerking over het Basisnet wordt gesteld dat de verantwoordelijkheid voor het Basisnet ligt bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, maar dat dit echter niet betekent dat de impact daarop niet op voorhand hoeft te zijn afgestemd. Het is bevoegd gezag niet duidelijk waaruit die verplichting volgt. Het betreft hier een besluit op aanvraag op grond van de Wabo, die uitsluitend aan de hand van het wettelijke toetsingskader, dat is opgenomen in de Wabo (artikel 2.14 als kernbepaling), wordt beoordeeld. Het vervoer van gevaarlijke stoffen, per weg, spoor en vaarweg wordt gereguleerd via andere wetgeving, namelijk de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Dit valt buiten het toetsingskader van de te verlenen milieuvergunning. Het bevoegd gezag staat open voor risicoberekeningen los van deze vergunningprocedure. Er loopt reeds een onderzoek waarbij het adviesbureau Oostkracht 10 is betrokken. b. In de aanvraag is met verwachte doorzetten per vervoersmodaliteit gerekend. In voorschrift 1.1.3 is de totale doorzet als maximum opgenomen.
Het is verder aan de vergunninghouder zelf om dit verder in te vullen binnen de kaders van wet en regelgeving waaronder deze vergunning en basisnet. Of er daadwerkelijk een verschuiving van spoor naar water plaatsvindt kunnen wij op dit moment daarom niet bevestigen. c. Voor de beantwoording van dit punt verwijzen we naar b. Ook het bepalen van routes is aan de vergunninghouder die bij de keuze rekening dient te houden met wet en regelgeving op dit punt. d. De risico’s voor externe veiligheid vanuit de inrichting zijn beschouwd in deze vergunning. Ook het advies van VRZ is hierin meegenomen. Risico’s voor transport routes vallen buiten de scope van deze vergunning. Overigens staat het Bevoegd Gezag positief tegenover