CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

65. RIB Bijlage Definitieve beschikking d.d. 9 maart 2026 van DCMR Milieudienst Rijnmond voor opslag ammoniak

Informatiebijeenkomst 12 juni 2026, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken35.138 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Er is sprake van onder belading met acht laadarmen waarmee gelijktijdig evenveel wagons kunnen worden geladen. Relevant is dat koude ammoniak moet worden opgewarmd met indirect glycol systeem. De warmtebron is zeewater. Het Bevoegd Gezag heeft de bevoegdheid om voorschriften in de vergunning op te nemen op grond van artikel 2.14 Wabo. Op grond van de aanvraag en het belang voor de omgeving wordt hier gebruik van gemaakt. Het is van belang de overlast voor de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Voor het verladen en de transportbewegingen vanuit het verlaad station en het emplacement (raccordement) is voorschrift 1.1.4 opgenomen. Door een hoeveelheid per maand voor te schrijven wordt ingezet op een zoveel mogelijk gelijkmatige belasting van het spoornet. Er zijn twee uitzonderingen waarin door overmacht de maandhoeveelheid overschreden mag worden. Of hier gebruik van wordt gemaakt dient te blijken uit een overzicht met bewijsstukken. De vergunde hoeveelheid per jaar mag nooit overschreden worden. Dit betekent dat er bij overschrijding van een maandhoeveelheid compensatie nodig is in een andere maand. PGS opslagen Uit de aanvraag volgt dat er sprake is van een verschuiving van PGS 29 naar PGS 12 opslag. Er wordt ook PGS 29 opslag ingetrokken waardoor het opslagvolume van organische producten (klasse 3/4) verminderd. In tabel 1 en 2 is dit weergegeven.

Het resultaat is als maximale opslag capaciteit voorgeschreven in voorschrift 1.1.2. PGS richtlijnen algemeen

Blad 79 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor het aspect externe veiligheid wordt gerealiseerd. Deze PGS richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag is de PGS 12 Ammoniak- opslag en verlading richtlijn relevant. In totaliteit bedraagt de opslag in de aangevraagde situatie 142.000 m3 ammoniak en 228.000 m3 K3/K4. Ten opzichte van de bestaande situatie is er vanwege het intrekken van tank 601 t/m 604 en verandering in tank 401 en 402 sprake van een vermindering van 188.000 m3 opslag van K3/K4. In bijlage 4 is een overzicht van bestaande en toekomstige opslagen opgenomen waaruit de verandering volgt. Tabel 7 Verandering in totale opslag per product Oud (in m3) Ammoniak 0 K3/K4 416.000 Totaal 416.000

Nieuw (in m3) 142.000 228.000 370.000

Op de opslag van ammoniak is de PGS 12 van toepassing. Op de opslag van K3/K4 is de PGS29 van toepassing. Per saldo is er sprake van een afname in de totale vergunde opslag van 46.000 m3. PGS 12 Opslag van ammoniak Wijziging tijdens procedure In december 2025 is versie 1.0 verschenen van de PGS12 voor fase 1, 2 & 3 over de opslag van ammoniak. In de overwegingen was de versie PGS 12 fase 1 versie 03 juli 2024 opgenomen. N.a.v. de actualisatie hebben we deze versie aanpassing doorgevoerd. De inhoudelijke consequenties worden beschreven bij de reactie op de zienswijze. Dit heeft ook geleid tot aanpassingen in de voorschriften. Daarom zijn de verwijzingen in deze overwegingen ook veranderd. Aanvraag PGS 12 De opslag van ammoniak vormt de kernactiviteit van deze vergunning aanvraag. Er wordt in de PGS richtlijn onderscheid gemaakt in het aanpassen van twee bestaande tanks en het realiseren van één nieuwe tank. Hiervoor zijn twee aparte kaders opgesteld namelijk fase 1 (nieuw) en fase 2 (bestaand) Beide zijn in deze aanvraag aan de orde. In deze vergunning wordt fase 1 en fase 2 apart beoordeeld.

Blad 80 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Nieuwe tank (fase 1) Er wordt een nieuwe tank aangevraagd met een volume van 78.000 m3. Deze tank gaat volledig voldoen aan de eisen die beschreven staan in de PGS 12 fase 1 versie 05 oktober 2025 richtlijn. Aangezien dit document actueel is en gebaseerd op laatste inzichten kan dit op onze instemming als best bestaande techniek (BBT) rekenen. Bestaande tanks (fase 2) De tanks zijn in 1992 ontworpen en gebouwd voor gekoelde ammoniak opslag. De tanks hebben een inhoud van 32.000 m3 De laatste 10 jaar zijn ze in gebruik geweest voor de opslag van koolwaterstoffen (K3/K4). Vesta is voornemens de tanks opnieuw gereed te maken voor ammoniak. Er is een plan van aanpak (herbeoordelingsplan) opgesteld dat de te nemen stappen beschrijft. Uit het herbeoordelingsplan blijkt dat er sprake is van een groot aantal onderliggende technische rapporten en inspectieplannen die in het plan verwerkt zijn. Verder blijkt uit dit plan dat met uitzondering van de tank constructie zelf alles wordt vernieuwd. Leidingen, pompen en het Boil Off Gass (BOG) zijn enkele voorbeelden. In het plan staan een drietal review (beoordeling) stappen voor het Bevoegd Gezag. In voorschrift 4.2.3 t/m 4.2.6 zijn deze stappen vastgelegd. In voorschrift 4.2.5 is de noodzaak tot beoordeling door een onafhankelijk deskundige ammoniak vastgelegd.

We voorzien dat het herbeoordelingsplan nog zal veranderen door nieuwe inzichten, ontbrekende gegevens en enginering. Daarom nemen we voorschrift 4.2.1 op. Omdat tijdens het herbeoordelingsproces diverse toetsingen worden uitgevoerd is overwogen om de afkeurcriteria en de afleiding ervan expliciet op te nemen in het voorschrift. Dit geldt ook voor het interpreteren en vergelijken van bestaande en nieuwe onderzoeksresultaten over materiaalkundige eigenschappen. Een aantal opmerkingen zoals verwoord in bijlage 6 dienen te worden verwerkt. Fase 1 Uit de aanvraag volgt dat de nieuw te bouwen tank T403 volledig gaat voldoen aan de eisen zoals opgesteld in de PGS 12 versie 05, fase 1, oktober. De tank wordt als “full-containment” uitgevoerd. Met een full-containment tank wordt bedoeld een dubbelwandige tank welke zodanig is ontworpen en gebouwd dat zowel de binnentank als de buitentank, onafhankelijk van elkaar, de vloeistof en damp kunnen opslaan. Op basis hiervan schrijven we de maatregelen uit deze PGS 12 versie 05, fase 1, oktober 2025 volledig voor. Dit is vastgelegd in voorschrift 4.1.1. GAP analyse Onderdeel van de aanvraag is toetsing van de activiteit aan het eisenpakket de vigerende PGS 12 richtlijn. Dit wordt een GAP (tekortkoming) analyse genoemd.

Vanwege samenloop tussen deze aanvraag en actualisering van de PGS 12 richtlijn (versie 03, fase 1, juli 2024) is de analyse niet actueel. Omdat de nieuwste PGS 12 richtlijn (versie 05, fase 1, oktober 2025) volledig wordt geïmplementeerd in deze vergunning bestaat er geen noodzaak opnieuw een GAP analyse uit te voeren.

Blad 81 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Fase 2 In de periode tussen het publiceren van de ontwerpbeschikking en het definitief publiceren van deze vergunning is de PGS geactualiseerd naar versie december 1.0, 2025. Verder uitleg op dit punt is opgenomen bij het behandelen van de zienswijze van Vesta. De tekst in de ontwerpbeschikking (zie onder) is daarom niet correct meer op het punt van versie nummer en conceptstatus. De integrale tekst in hieronder nog cursief weergegeven omdat dit inzicht geeft in het proces van PGS ontwikkeling en onze beoordeling hierin. Tekst ontwerpbeschikking PGS 12 versie 0.4 fase 1,2 & 3 december 2024 is een nieuwe concept versie die ook BBT beschrijft voor bestaande gekoelde ammoniak tanks en drukopslag. De tanks 401 en 402 betreffen bestaande ammoniaktanks waarvoor in deze concept versie 0.4 van de PGS 12 BBT wordt beschreven. Fase 2 voor bestaande ammoniaktanks zal samen met fase 3 (ammoniak drukopslag) naar verwachting in 2025 vastgesteld door het Bestuurlijk Omgevingsberaad VRH en worden gepubliceerd. Voor bestaande opslagtanks 401 en 402 geldt dat alleen de tank constructie met een betonnen buitenwand weer in ammoniak service zal worden genomen. Voor de leidingen, pompen, ammoniakdetectie, afsluiters, boil off gas verwerkingssysteem en andere systeem geldt dat die geheel nieuw zullen worden aangelegd.

Voor deze onderdelen schrijven we dezelfde eisen voor als voor nieuwbouw gedefinieerd in fase 1. Voor de specifieke configuratie van de bestaande double containment tank 401 en 402 nemen we aanvullende voorschriften waarin wordt afgeweken van PGS 12 richtlijn versie 03, juli 2024 voor nieuwbouw. Aangezien de PGS 12 fase 2 richtlijn (concept PGS 12 fase 1,2 & 3 december 2024) voor bestaande tanks nog niet definitief is vastgesteld wordt hier in deze vergunning op voorgesorteerd door specifiek BBT vast te stellen conform art. 5.4 lid 2 en 3 van het Besluit Omgevingsrecht (BOR). Indien uit verdere besluitvorming blijkt dat relevante veranderingen in deze PGS fase 2 voor bestaande tanks komen zal het Bevoegd Gezag overwegen de voorschriften op dit punt ambtshalve te wijzigen. Materiaal T401 en T402 Voor de bestaande opslagtanks T401 en T402 ontworpen voor de atmosferische opslag van ammoniak geldt dat de materiaal soorten P275NL2 en P355NL2 nog niet beschikbaar waren tijdens de constructie. Deze zijn gebouwd door voorlopers hiervan TTStE29 en TTStE36 waarbij de minimale vloeigrenzen respectievelijk 290 MPa en 360 MPa bedragen. Omdat gekeken wordt naar een minimale vloeigrens om een bepaalde sterkte te garanderen ligt de daadwerkelijke vloeigrens van het gebruikte plaatmateriaal hoger dan de 290 of 360 MPa. Hier kunnen uitschieters tussen zitten tot 420 MPa.

Dit is inherent aan het productieproces van het plaatmateriaal. De RBI inspectiemethodiek voorgeschreven conform voorschrift 4.2.16/17 neemt de aanwezigheid van een dergelijk materiaalplaat mee in de afweging van Probability of Faillure. Hier wordt een hogere score aan toegekend in de RBI methodiek uit Appendix 2 van de Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks 2008 edition.

Blad 82 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Dit zelfde geldt voor het toegepaste lastoevoegmateriaal daarvoor staat in Appendix 1 van de Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks 2008 edition een beschrijving van de indeling die leidt tot een score overeenkomstig het toegepaste lastoevoegmateriaal. Deze is onafhankelijk van de genoemde hardheid van 225HV voor lassen bij nieuwbouw tanks. Deze hardheideis voor nieuwbouw kan door een juiste lasmethodiek en het gebruik van het juiste lastoevoegmateriaal worden gegarandeerd en geldt als borging bij de nieuwbouw voor het reduceren van spanningen in het materiaal en daarmee Stress Corrossion Cracking (SCC). Bij een bestaande atmosferische opslagtank kan niet meer op deze parameter (hardheid) worden gestuurd en worden afwijkingen daarom meegewogen in de RBI methodiek. PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen Voor wat betreft de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen wordt in de aanvraag aangesloten bij de Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen 15: Richtlijn opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15). Gevaarlijke (afval)stoffen dienen op een veilige manier te worden opgeslagen conform deze PGS 15. Binnen de inrichting van Vesta zijn bestaande voorzieningen aanwezig voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Dit blijkt uit vs. 6.9.1 van de revisievergunning. Deze zijn toereikend voor de aangevraagde verandering.

Aangezien nieuwe versies van deze PGS 15 richtlijn zijn opgenomen in bijlage 2 van de Omgevingsregeling zal actualisatie worden beschouwd in de actualisatievergunning. De meest recente versie is PGS 15:2025 versie 1.0 (januari 2025). Conclusie PGS 15 Aangezien er geen sprake is van een wezenlijke verandering in de PGS 15 opslag zijn er geen nieuwe voorschriften nodig. Actualisatie naar de laatste versie van de PGS 15:2025 versie 1.0 (januari 2025) zal in het actualisatiebesluit worden beschouwd. PGS 29: Opslag gevaarlijke stoffen in bovengrondse tanks Er is sprake van een vermindering in de vergunde PGS 29 opslag. De verandering op zichzelf vormt geen aanleiding voorschriften op te nemen. Omdat we constateren dat ten opzichte van bijlage 2 van de Omgevingsregeling een verouderde PGS 29 richtlijn vergund is wordt dit aspect in het parallel lopende actualisatietraject nader beschouwd. De aanvraag bevat een verzoek tot intrekken van niet gerealiseerde activiteiten in tank 501, 502 en 601 t/m 604. Ook dit wordt in de ambtshalve actualisatie meegenomen. Energie Kader Op 20 april 2022 zijn de energie voorschriften in een vergunning (kenmerk 9999230315_99991145966) geactualiseerd. In deze vergunning is een paragraaf opgenomen over inwerkingtreding van de omgevingswet. Deze is per 1 jan. 2024 in werking getreden. Voorschriften uit genoemde vergunning blijven behouden.

In die voorschriften is onder meer de

Blad 83 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

verplichting opgenomen om, voor het eerst op 31 december 2022 en vervolgens iedere 4 jaar, een energieonderzoek uit te voeren waarmee inzicht wordt gegeven in het energiegebruik bij het bedrijf en de mogelijkheden om energiebesparende maatregelen uit te voeren. Er is door Vesta inmiddels een energiebesparingsonderzoek ingediend. De definitieve versie van dat onderzoek is van 15 juli 2023. De conclusie van het energiebesparingsonderzoek is dat er geen maatregelen te nemen zijn in de periode 2022-2025 en dat de meeste maatregelen zijn uitgevoerd. Dit onderzoek is door DCMR beoordeeld en over dat onderzoek is een advies opgesteld (documentnummer 5033710 bij zaaknummer 2230118 van 10 augustus 2023). De conclusie van het advies is dat door een wijziging in het activiteitenbesluit vanaf 1 juli 2023 de energiebesparingsplicht van toepassing is en dat uiterlijk per 1 december 2023 over de voorgang van de maatregelen moet worden gerapporteerd. De aangevraagde verandering heeft betrekking op een aantal wijzigingen op de locatie VTF3 in verband met de gewenste uitbreiding voor de op- en overslag van ammoniak. VTF3 is geen deelnemer aan het systeem van emissiehandel. Tot op heden is er sprake van een grote energiegebruiker met een jaarlijks gebruik van circa 200.000 kWh elektriciteit. Er wordt geen aardgas en/of warmte gebruikt maar wel een beperkte hoeveelheid gasolie (circa 2 ton).

De onderneming moet voldoen aan de auditplicht in het kader van de EED (het verslag is niet gevoegd bij de aanvraag). Er zijn geen IPPC installaties binnen de inrichting en daarmee is een toetsing aan de BREF’s niet nodig. Door de aangevraagde wijziging zal het elektriciteitsgebruik naar verwachting toenemen met 5.152 MWh. Voor de beoordeling van de energiesituatie is een recente wijziging in de wetgeving van belang en de ambtshalve wijziging van de vergunning in 2022. Dit wordt hieronder beschreven alvorens in te gaan op de aangevraagde verandering. Per 1 juli 2023 is het activiteitenbesluit gewijzigd waardoor voor het aspect energie type C bedrijven rechtstreeks onder de bepalingen van het activiteitenbesluit vallen. Vesta Terminal Flushing B.V. (hierna VTF3) betreft een inrichting voor het op- en overslaan van vloeibare (aard)olieproducten. Een voorbeeld hiervan is diesel / gasolie. VTF3 is in werking op basis van de omgevingsvergunning verleend op 15 juni 2010, met kenmerk 10021416, voor de locatie gelegen aan de Maltaweg 5, 4389 PV te Ritthem. In deze vergunning wordt voor het aspect energie verwezen naar het convenant MJA3, waardoor de inrichting de resultaatsverplichting op zich heeft genomen om maatregelen te nemen die de energie-efficiency verhogen.

Bij Besluit van de Gedeputeerde Staten van Zeeland zijn op 23 juni 2022 (kenmerk 9999230315_99991145966) de voorschriften betreffende energie in de vergunning ambtshalve gewijzigd. Beoordeling verandering VTF3 is voornemens de inrichting uit te breiden met de op- en overslag van ammoniak. Hiertoe worden de 2 bestaande tanks in TP5 geschikt gemaakt voor ammoniak en wordt er 1 nieuwe tank bijgebouwd. De ammoniak wordt aangevoerd middels zeeschepen en wordt afgevoerd

Blad 84 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

middels zeeschepen en binnenvaartschepen. Daarnaast is men voornemens ammoniak af te voeren in spoorketelwagens, hiertoe wordt een nieuwe spoorketel-verlaadplaats voorzien. Tevens wordt een nieuwe steiger aangelegd. Uit de aanvraag wordt voldoende duidelijk wat de gevolgen zijn van de uitbreiding voor de energiesituatie van het bedrijf. De uitbreiding zal zorgen voor een forse stijging van het elektriciteitsgebruik ten opzichte van de huidige situatie. Er is een berekening uitgevoerd (bijlage 11) om een inschatting te kunnen maken van dat toekomstig gebruik. De compressoren van de koeling zullen voor meer dan 50% bijdragen aan het gebruik. Pompen en ventilatoren leveren ook een grote bijdrage. Het toekomstig elektriciteitsgebruik is berekend op 5.152 MWh bij een geïnstalleerd elektrisch vermogen van ruim 5 MW. In paragraaf 6.6 van de aanvraag is beschreven dat de gevraagde wijziging zo energiezuinig mogelijk zal worden gerealiseerd. Daarbij wordt verwezen naar bijlage 11 maar uit die bijlage blijkt niet op welke wijze het energiegebruik zal worden beperkt door keuzes in het ontwerp. Er is in paragraaf 5.7 van bijlage 1 van de aanvraag ook aangegeven dat op basis van voorschrift 5.1.1 van de revisievergunning (kenmerk 10021416, 15 juni 2010) en 4-jaarlijks energie onderzoek wordt verlangd.

Per 1 juli 2023 is het activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing op VTF3 en moet er voldaan worden aan de bepalingen in dat besluit. Dat is niet aangegeven in de paragraaf 5.3 “activiteitenbesluit milieubeheer” van de aanvraag. Deze paragraaf moet op dat onderdeel worden aangevuld. De grondslag volgt uit het Activiteitenbesluit dat rechtstreeks werkend is. Nu het activiteitenbesluit rechtstreeks werkend is (de aanvraag is van 21 september 2023 dus na 1 juli 2023) zijn er slechts beperkte mogelijkheden voor bevoegd gezag om voorschriften energie aan de vergunning te verbinden. VTF3 valt in de categorie grote energiegebruikers en dat betekent dat op dit moment de informatieplicht en energiebesparingsplicht van toepassing zijn. Als het elektriciteitsgebruik toeneemt met 5.152 MWh dan zal die verplichting na de uitbreiding nog steeds bestaan. Pas als het elektriciteitsgebruik zou stijgen tot boven 10.000 MWh of als er in de toekomst sprake is van een equivalent aardgasverbruik van meer dan 170.000 m3 zal er op dat moment een energie onderzoek plicht ontstaan. Onder het activiteitenbesluit is er nu geen mogelijkheid meer om zo’n onderzoek nu al te verlangen. Aangezien er vrij recent een energieonderzoek is uitgevoerd voor de bestaande inrichting is er nu bovendien geen noodzaak een nieuw onderzoek te verlangen.

Zoals hierboven aangegeven is het duidelijk welke gevolgen de uitbreiding heeft. Omdat er in bijlage 11 niet is aangegeven wat er is gedaan om het energiegebruik te beperken (dat werd wel gesuggereerd in paragraaf 6.6) verzoeken wij om dat alsnog te doen als onderdeel van paragraaf 6.6 (en niet in de bijlage). Die toelichting mag op hoofdlijnen, bijvoorbeeld door aan te geven welke keuzes zijn er gemaakt om bepaalde technieken toe te passen (en andere niet) en voor de energie-efficiëntie van pompen, koeling, ventilatoren, perslucht en eventueel gebruik van restwarmte. Conclusie energie

Blad 85 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Uit de beoordeling volgt dat wordt gewezen op verplichtingen die volgen uit het Activiteitenbesluit. Voor de aangevraagde verandering is het niet nodig om energie voorschriften op te nemen in de vergunning. Geluid Algemeen Vesta Terminal Flushing B.V., hierna: Vesta, is gelegen aan de Maltaweg 5 te Ritthem (gemeente Vlissingen), op het (geluid) gezoneerde industrieterrein Vlissingen-Oost. Het bedrijf heeft op 21 december 2023 een aanvraag omgevingsvergunning (verandering) ingediend vanwege de uitbreiding van de inrichting met de op- en overslag van ammoniak. Naar aanleiding van de (veranderings)aanvraag om een omgevingsvergunning is voor de gehele inrichting een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Antea Group. Dit akoestisch onderzoek is verwoord in de rapportage ’Akoestisch onderzoek industrielawaai – Vesta Terminal Flushing B.V.’, projectnummer 0476275.100, definitief revisie 03, 7 augustus 2024, hierna geluidrapport. In dit geluidrapport, dat de eerdere bij de aanvraag ingediende rapportages vervangt, zijn de diverse geluidbronnen, de representatieve bedrijfssituatie en de rekenresultaten opgenomen. Het rekenmodel, onderliggend aan dit geluidrapport, is door de opsteller digitaal aan ons ter beschikking gesteld.

Voor de aangevraagde situatie geldt het hierna genoemde toetsingskader voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau zoals dat geldt voor de representatieve bedrijfssituatie. Er is geen incidentele noch een regelmatig afwijkende bedrijfssituatie aangevraagd. Toetsingskader Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Omgevingsvergunning met geluidgrenswaarden Vanwege de veranderingsvergunningaanvraag wordt de berekende geluidbelasting in de aangevraagde situatie in eerste instantie getoetst aan de geldende geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Deze zijn opgenomen in (geluid)voorschrift 7.1.1 van de op 15 juni 2010 aan Vesta verleende omgevingsvergunning met kenmerk 10021416. In dit voorschrift zijn op twee controlepunten in de directe omgeving van de inrichting specifieke geluidgrenswaarden opgenomen voor zowel de dag-, avond- en nachtperiode. Geluid gezoneerd industrieterrein Vlissingen-Oost

Blad 86 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

De Wet geluidhinder stelt dat de gezamenlijke geluidsbelasting van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein Vlissingen-Oost buiten de geluidzone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Verder mogen vastgestelde hogere waarden en maximaal toelaatbare grenswaarden (hierna kortweg MTG) voor woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen in de geluidzone niet worden overschreden. Op 1 januari 2007 is het onderdeel ‘redelijke sommatie’ toegevoegd aan de Wet geluidhinder. Redelijke sommatie is bedoeld om de werkelijke geluidsbelasting beter in overeenstemming te brengen met de vergunde geluidsbelasting die gehanteerd wordt voor de toets aan de geluidszone. Het komt in de praktijk niet voor dat alle bedrijven gelijktijdig volgens de vergunde situatie in bedrijf zijn. Om die reden blijkt de geluidsbelasting op de grens van de zone in werkelijkheid lager te zijn dan de optelling van alle vergunde geluidsbelastingen. Voor het bepalen van de aftrek is in het Meet- en rekenvoorschrift hoofdstuk 5 Wet geluidhinder een tabel opgenomen.

Door de colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Middelburg, Vlissingen en Borsele en het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland is besloten dat deze aftrek van 1 dB voor de bedrijven mag worden toegepast Sinds 1 januari 2007 biedt de Wet geluidhinder op grond van artikel 164 zonebeheerders de mogelijkheid om een beleidsregel/beheersplan vast te stellen waarin kan worden aangegeven hoe de beschikbare geluidsruimte verdeeld wordt. Op basis hiervan heeft het college van Gedeputeerde Staten de beleidsregel zonebeheersysteem industrieterrein Vlissingen-Oost 2008 vastgesteld (herzien in 2014). Bij deze beleidsregel hoort een akoestisch inrichtingsplan. Daarin staat concreet hoeveel dB(A) per vierkante meter op bepaalde (deel)gebieden c.q. terreinen is toegestaan, de zgn. gebiedswaarde. Bij volledige invulling van deze (deel)gebieden bedraagt de gezamenlijke geluidsbelasting van de bedrijven 50 dB(A) op de rond het industrieterrein vastgestelde zonegrens en wordt tevens voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting op geluidsgevoelige objecten binnen de zone. Maximale geluidsniveaus In de omgevingsvergunning uit 2010 zijn geen geluidvoorschriften met grenswaarden voor maximale geluidniveaus opgenomen.

De berekende maximale geluidniveaus in de aangevraagde situatie worden in eerste instantie getoetst aan de grenswaarden zoals vermeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, hierna Handreiking. Het betreft grenswaarden van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Deze waarden gelden ter plaatse van de gevel(s) van woningen (of andere geluidgevoelige bestemmingen). Voor specifieke bedrijfsomstandigheden acht de Handreiking niveaus van 75 en 65 dB(A) in respectievelijk de dag- en nachtperiode toelaatbaar. Als ondergrens beveelt de Handreiking waardes aan van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode.

Blad 87 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Indirecte hinder De circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van Vrom, getiteld “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting, beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer”, is niet van toepassing op voertuigpassages buiten inrichtingsgrenzen op gezoneerde industrieterreinen. Toets Algemeen Om te toetsen of de door VTF3 veroorzaakte geluidniveaus passen binnen de uit de Wet geluidhinder voortvloeiende normen (geluidzone, MTG) beschikken wij over een digitaal rekenmodel van het gehele geluidgezoneerde industrieterrein, hierna te noemen zonebeheermodel. In dit zonebeheermodel zijn alle geluidbronnen van de op het industrieterrein gevestigde bedrijven, samen met andere voor de geluidemissie relevante gegevens (gebouwen, bodemgebieden e.d.), opgenomen. De gegevens uit de aanvraag i.c. het geluidrapport zijn door de aanvrager tevens digitaal aan ons ter beschikking gesteld. Deze hebben wij na controle toegevoegd aan het model. Op deze wijze kunnen wij de geluidsuitstraling van Vesta en de overige op het gezoneerde industrieterrein gevestigde bedrijven op elk punt in de omgeving berekenen (o.a. zonegrens, geluidsgevoelige objecten en controlepunten vergunningen). Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Geluidvoorschrift 7.1.1 van de op 15 juni 2010 aan Vesta verleende omgevingsvergunning is niet meer toereikend.

Immers, op de twee controle-/vergunningpunten is sprake van een toename van de geluidbelasting. Dit is te verklaren gezien het feit dat de activiteiten veranderen. Er is hier sprake van een veranderingsvergunning. In het kader en belang van zonebeheer en handhaving is het niet wenselijk voorschriften op te stellen voor puur de verandering, maar wordt geadviseerd alle (geluid)voorschriften uit de vigerende vergunning(en) te vervangen door de (geluid)voorschriften zoals opgenomen in onderhavige vergunning. Dit is juridisch mogelijk en niet in strijd met de wet. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, sub b, Wabo kan het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning voor een inrichting wijzigen. Naast de wijziging van de geluidgrenswaarden van de vergunning-/controlepunten (hierna controlepunten) zijn tevens de locaties van controlepunten 1 en 2 gewijzigd. Controlepunt 1 is in zuidoostelijke richting, verder van de aangevraagde inrichtingsgrens af, verplaatst. Controlepunt

Blad 88 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

2 is, gelet op de aangevraagde geluidbronnen, circa 70 meter in zuidwestelijke richting verplaatst. Verder is een nieuw controlepunt, controlepunt 3, ten noordoosten van Vesta toegevoegd. Dit ter bewaking van de geluidimmisie van VTF, vanwege de aangevraagde situatie, in die richting. In bijlage 3 is een overzichtskaart met controlepunten opgenomen. De geluidgrenswaarden op de drie controlepunten, zoals opgenomen in voorschrift 7.1.1, zijn door ons bepaald op basis van de, in het zonemodel verwerkte, aangevraagde (akoestische) bedrijfsvoering van Vesta en zijn derhalve gebaseerd op de aangevraagde situatie. De hoogste geluidsbelasting van Vesta op de zonegrens en geluidsgevoelige objecten binnen de zone bedraagt respectievelijk 36 en 40 dB(A). Tezamen met de geluidsbijdrage van de overige bedrijven is de hoogste geluidsbelasting op de zonegrens en geluidsgevoelige objecten binnen de zone niet hoger dan de vastgestelde grenswaarden (Deze laatste waardes zijn inclusief aftrek redelijke sommatie). Dit betekent dat Vesta past binnen de beschikbare geluidsruimte van het industrieterrein. Beleidsregel zonebeheersysteem Vlissingen-Oost Volgens de beleidsregel en het daarbij behorende akoestisch inrichtingsplan ligt Vesta in verschillende deelgebieden. Het betreft de deelgebieden 7, 7a (3x), 7c en 7d. Niet aan ieder deelgebied zijn aan Vesta gerelateerde geluidbronnen verbonden.

In tabel 2 zijn uitsluitend de relevante deelgebiedswaarden en de daaruit berekende gemiddelde gebiedswaarden voor Vesta weergegeven. Tabel 8 Model

Oppervlakt e (m2)

Gebiedsnaam in akoestisch inrichtingsplan

dB(A)/m2 Dagperiode

Aangevraagd 30.750,61 7a 69,1 (zuidelijk deel inrichting) Toegestaan 230.000 73,5 1 Aangevraagd 7416,2 7a 70,3 (noordelijk deel inrichting) Toegestaan 230.000 73,5 1 Aangevraagd 24.571,1 7d 62,6 Toegestaan 326.000 83,4 1 In het akoestisch rekenmodel aangehouden oppervlakte.

Avondperiod e

Nachtperiode

69,1

69,1

73,5 70,3

71,5 70,3

73,5 62,6 72,5

71,5 62,3 66,4

Blad 89 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Uit tabel 2 blijkt dat de door Vesta gevraagde geluidsruimte past binnen de in de beleidsregel vermelde gebiedswaarden voor de desbetreffende (deel)gebieden. Maximale geluidniveaus Uit het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport volgt dat de optredende maximale geluidniveaus (LAmax) op de gevels van de meest nabijgelegen gevoelige gebouwen ten hoogste 29, 29 en 27 dB(A) bedragen in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Derhalve wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in deze beoordelingsperiodes. Voorts zijn deze optredende maximale geluidniveaus ruim lager dan de ondergrenzen van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode zoals vermeld in de Handreiking. Vanwege de afstand tussen de inrichting en de gevoelige gebouwen (ruim meer dan 1.500 meter) zijn geen ontoelaatbare verhogingen van het heersende geluidniveau ter plaatse van deze gevoelige gebouwen te verwachten, als gevolg van de activiteiten van Vesta. Gelet op voorstaande en vanwege het feit dat in het verleden ook geen normen zijn opgenomen voor het maximaal geluidniveau wordt om deze redenen ook nu geen voorschrift met geluidgrenswaarden voor maximale geluidniveaus opgenomen.

Onderzoek verplichting De geluidbronsterktes van de geluidbronnen die de activiteiten binnen de inrichting (akoestisch gezien) vertegenwoordigen, betreffen geprognosticeerde geluidbronsterktes. Deze zijn gebaseerd op huidige en bij vorige vergunningsprocedures gedane aannames en op bij de opsteller van het geluidrapport bekende kentallen en/of geluidbronsterktes van vergelijkbare geluidbronnen binnen de inrichting van Vesta. Gelet hierop hebben wij voorschrift 7.1.4 opgenomen om eenmalig een geluidonderzoek uit te voeren ter controle van de veronderstellingen en aannames met betrekking tot de aangehouden geluidbronsterktes. Reken en meetvoorschrift In voorschrift 7.1.2 en 7.1.3 hebben wij aangegeven op welke wijze het meten, berekenen en beoordelen van in de voorschriften aangegeven geluidsniveaus moet plaatsvinden. Daarbij merken wij op dat: de in de voorschriften aangegeven geluidsniveaus op de controlepunten mede gezien de invloed van verschillende andere bedrijven op het industrieterrein, niet altijd per bedrijf afzonderlijk zijn te meten. Naast het uitvoeren van immissiemetingen zal controle van deze geluidsniveaus daarom plaats kunnen vinden door het verrichten van

Blad 90 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

-

metingen op bronniveau aangevuld met overdrachtsberekeningen. de controlepunten niet ter plaatse van geluidsgevoelige objecten zijn gesitueerd de in de voorschriften aangegeven geluidsniveaus door ons zijn berekend met behulp van het computerprogramma Geomilieu van DGMR raadgevende ingenieurs b.v.

De in de handleiding “Meten- en Rekenen Industrielawaai” module C methode II voorgeschreven luchtabsorptiecoëfficiënt (alu) blijkt voor grote industrieterreinen met open procesinstallaties op grotere afstand van het industrieterrein een te conservatieve inschatting van de optredende luchtdemping te geven. Uit een onderzoek van TNO-TPD voor het Rijnmondgebied blijkt de werkelijkheid voor dit soort industrieterreinen beter benaderd te worden met een aangepaste luchtabsorptiecoëfficiënt (alu, TNO). De Directie Ruimte, Milieu en Water van de Provincie Zeeland heeft aan de Inspectie Milieuhygiëne om toestemming verzocht tot toepassing van deze aangepaste luchtabsorptiecoëfficiënt op het industrieterrein VlissingenOost. Bij brief van 17 juli 2001, kenmerk 30701012T/LC heeft de Inspectie Milieuhygiëne toestemming gegeven voor het gebruik van deze aangepaste luchtabsorptiecoëfficiënt voor dit industrieterrein. Bij het bepalen van de in de vergunning opgenomen geluidsniveaus is gebruik gemaakt van deze aangepaste luchtdemping. Conclusie geluid Op grond van het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport en de daarin opgenomen geluidbronsterktes van de verschillende transportmiddelen, machines, installaties en activiteiten hebben wij geconcludeerd dat, met betrekking tot de geluidemissie, voldoende rekening is gehouden met toepassing van de Best Beschikbare Technieken (BBT).

Hieraan wordt naar onze mening dan ook recht gedaan. Geur Uit par. 5.5 van de aanvraag volgt dat de op- en overslag van ammoniak met uitzondering van de scrubber een gesloten systeem is. Uit de aanvraag volgt dat er tijdens normale bedrijfsomstandigheden geen geuremissies zijn. Voor de scrubber is een emissiegrenswaarde opgenomen in voorschrift 5.1.1. Hierdoor is geborgd dat ook voor lucht ten gevolge van de verdringingsverliezen als gevolg van verladen maatregelen worden genomen. Lucht In de revisievergunning is in hoofdstuk 6.7 het kader voor lucht beschreven. Er zijn enkel voorschriften opgenomen voor diffuse emissies. Deze verandering gaat over uitbreiding met ammoniak en afname van organische stoffen. We beoordelen enkel deze verandering ten opzichte van de vergunde situatie. Nieuwe ammoniak opslag

Blad 91 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Uit de aanvraag volgt dat het gehele ammoniak systeem gesloten is. Dit betekent dat er geen emissie punten worden aangevraagd anders dan de scrubber bij verladingsactiviteiten. Er is wel sprake van een fakkel voor noodsituaties. Dit wordt beoordeeld als niet reguliere emissie. Afname bestaande opslag K3 en K4 Omdat er sprake is van een vermindering van opslag van organische stoffen is er een positief effect voor diffuse emissie vanwege de afname in transport en verdringing verliezen. Toetsingskader Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer. In de revisievergunning wordt in hoofdstuk 2.5 ingegaan op de algemene regels. Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Zo bevat Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit regels voor stoffen met een minimalisatieverplichting, emissiegrenswaarden, geur en monitoring. Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels.

Schone Lucht akkoord Dit doel is verwoord in de Zeeuwse Omgevingsvisie, zoals deze in werking is getreden per 24 augustus 2023. Hierin is onder andere beschreven dat deelnemers aan het Schone Lucht Akkoord (SLA) streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland om gezondheidswinst voor iedereen te realiseren. Verder wordt als subdoel genoemd; het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit door het streven naar de WHO-norm met als uitgangspunt een verwaarloosbaar risico. Onder de actie “Reguleren van emissies” wordt gesteld dat door inzet op het SLA een verbetering van luchtkwaliteit zal worden gerealiseerd. Dit streven is verder uitgewerkt in het Zeeuwse “Milieuprogramma 2023-2027” van 3 februari 2023. Beoordeling Schone Lucht akkoord Vanwege de beperkte emissie is de inrichting minder relevant voor het SLA. De bestaande opslag bevat namelijk stoffen met een hogere dampspanning. Verdringingsverliezen worden gereguleerd onder diffuse emissies. De nieuw aangevraagde stof ammoniak leidt niet tot emissies aangezien het om een gesloten systeem gaat. Afwijkingen worden gereguleerd onder niet reguliere emissies. Diffuse emissies

Blad 92 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Uit de revisievergunning par. 6.7.3 volgt dat binnen de inrichting sprake is van diffuse emissies. Er is een onderzoeksvoorschrift (vs. 8.1.1) in de revisievergunning dat gaat over onderzoek bij herhaaldelijke klachten. Verder staan in deze vergunning geen voorschriften voor diffuse emissies. De huidige aanvraag zorgt voor een vermindering van de opslag van organische stoffen. De nieuwe stof ammoniak zit met uitzondering van de scrubber in een gesloten systeem. Ten aanzien van diffuse emissies worden in de PGS 12 versie 01, december 2025 eisen gesteld aan toe te passen pakkingen, flenzen, gesloten pompen en lekdichtheidseisen ten aanzien van afsluiters in maatregel M83 van PGS 12 (versie 01, december 2025). In voorschrift 4.1.1 en 4.2.7 zijn deze eisen opgenomen. Op basis hiervan zijn er tijdens reguliere procesvoering geen nieuwe diffuse emissies te verwachten. Beoordeling diffusie emissies Inhoudelijk vormt de aanvraag geen aanleiding de vergunning aan te scherpen. We constateren wel dat de regelgeving is veranderd. Er dient eerst naar preventie te worden gekeken. Dit vormt aanleiding om dit in de ambtshalve actualisatie die parallel aan deze procedure loopt mee te nemen.

Niet-reguliere emissies/storingen Niet reguliere emissies zijn incidentele emissies veroorzaakt door bijzondere omstandigheden, zoals: • onderhoud; • schoonmaak; • ongelukken; • start- en stopprocedures die weinig voorkomen (bijvoorbeeld voor continue processen); • storingen. Emissies veroorzaakt door gebruikelijke start- en stopprocedures waarvoor het bedrijf de reguliere emissiebeperkende voorzieningen gebruiken kan, vallen onder de reguliere emissies. Op basis van artikel 5.7, eerste lid, onder f van het Bor worden voorschriften opgenomen met betrekking tot het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden. Het bevoegd gezag kan ook maatwerkvoorschriften stellen om niet reguliere emissies te beperken op grond van de technische kenmerken van de installatie. Dit op grond van artikel 2.7, eerste lid van het Activiteitenbesluit. In het parallel lopende Actualisatiebesluit zijn voorschriften voor niet reguliere emissies opgenomen voor alle activiteiten inclusief deze verandering. Scrubber / aqua ammonia Bij het verladen van ammoniak wordt gasvormig ammoniak geabsorbeerd middels demiwater in een scrubber. Er is sprake van een emissiepunt. Voor het beoordelen van deze emissie wordt

Blad 93 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

aansluiting gezocht bij artikel 5.30 uit het Besluit Omgevingsrecht (BAL). Op grond van dit artikel wordt overeenkomstig par. 5.4.4 in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) een emissie concentratie van 5 mg/nm3 voorgeschreven met een ondergrens van 75 kg vastgelegd in voorschrift 5.1.1. Jaarlijks dient een luchtmeting te worden uitgevoerd (voorschrift 5.1.2). De analysemethodiek is NEN 2826. Aangezien voor de ondergrens debietgegevens van belang zijn dient deze emissie relevante parameter (ERP) ook te worden gemeten. Omdat nog detail enginering uitgevoerd dient te worden ontbreken er nog technische gegevens. Om dit in een later stadium te kunnen beoordelen is voorschrift 5.1.3 t/m 5.1.7 opgenomen. Fakkel Er wordt een fakkel geïnstalleerd die ammoniak damp kan verwerken tijdens noodsituaties. Uit de aanvraag volgt dat er geen sprake is van een waakvlam. Het gebruik van de fakkel wordt gereguleerd in de PGS 12. Eerder opgenomen voorschriften zijn n.a.v. een zienswijze verwijderd. Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS) Bij Vesta zijn geen ZZS stoffen aanwezig. Met de verandering blijft dit onveranderd omdat ammoniak geen ZZS stof is. Dit volgt uit toetsing in de ZZS navigator die hiervoor ingericht is. Luchtkwaliteit De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in ‘Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer (Wm).

In artikel 5.16, lid 1 van de Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: a. Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden; b. Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Het besluit draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10); d. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Voor de wijzigingsvergunning van Vesta Terminal zijn onderzoeken uitgevoerd naar de luchtkwaliteit ten gevolge van luchtverontreinigende stoffen, waarbij er gekeken is welk effect de uitstoot van fijnstof (zowel PM10 als PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) hebben. De onderzoeken zijn bijgevoegd in bijlage 7 en 7.1 van de aanvraag. De concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn berekend op de locaties in en direct rondom de inrichting waar (langdurige) blootstelling plaats kan vinden. De berekeningen van de concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn uitgevoerd met de module STACKS in het

Blad 94 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

programma Geomilieu (versie 2023), STACKS+ is een door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat gevalideerd rekenprogramma. Stikstofdioxide (NO2) De eventuele depositie van deze stikstof op omliggende natuurgebieden is in beeld gebracht middels een stikstofdepositie onderzoek. Uit de tabel blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 (ruim) onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie liggen (40 μg/m3). De berekende uurgemiddeldeconcentratie NO2 mag niet meer dan 18 keer per jaar groter zijn dan 200 μg/m3. Uit de berekeningen blijkt dat de uurgemiddelde concentratie NO 2 op alle beoordelingspunten nooit groter is dan 200 μg/m3. Fijnstof (PM10 en PM2,5) Uit de het onderzoek blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 (ruim) onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie liggen (40 μg/m 3). De berekende 24uursgemiddelde concentratie PM10 mag niet meer dan 35 keer per jaar groter zijn dan 50 μg/m3. Uit de berekeningen blijkt dat de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 op alle beoordelingspunten 6 keer per jaar groter is dan 50 μg/m3 Eindconclusie aspect lucht Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De aangevraagde verandering heeft geen wezenlijke gevolgen voor lucht.

Voor K3/K4 is er sprake van een vermindering van de vergunde hoeveelheden. De vigerende vergunning volstaat hiervoor. Voor ammoniak is er tijdens reguliere bedrijfsvoering sprake van een gesloten systeem. Voor verladingsactiviteiten is een scrubber voorzien. Niet reguliere situaties en diffuse zijn voldoende geïnventariseerd en beschreven. Er is aandacht voor het aspect preventie zoals verwacht mag worden bij vernieuwen van installaties die voldoen aan de stand der techniek. De aangevraagde uitbreiding van de activiteiten zal niet leiden tot benaderen of overschrijden van enige grenswaarde voor de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor verlenen van de vergunning. Licht In par. 5.6 van de aanvraag wordt ingegaan op het tegengaan van lichthinder naar de omgeving. Hieruit maken we op dat dit aspect meegenomen wordt in de engineering. Op basis hiervan en gelet op het feit dat het een bestaande inrichting betreft bestaat er geen noodzaak voorschriften op te nemen. Natuur Het onderdeel natuur maakt geen onderdeel uit van deze aanvraag omdat deze onthaakt is. Voor de beoordeling is een natuurvergunning aangevraagd bij de Provincie Zeeland. Deze

Blad 95 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

aanvraag heeft kenmerk 2025070200668: 0467275 Vesta omgevingsvergunning Natura 2000 proforma aanvraag. Conclusie natuur Aangezien een natuurvergunning is aangevraagd wordt het onderdeel natuur in het kader van deze Wabo vergunning niet inhoudelijk beoordeeld. De beoordeling wordt uitgevoerd in deze natuurvergunning. Eindconclusie Vanuit het toetsingskader zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. Wel bestaat de noodzaak om voorschriften voor het onderdeel milieu en veiligheid aan deze beschikking te verbinden. Deze voorschriften zijn de onderhavige vergunning opgenomen.

Blad 96 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Bijlage 1 Mer beoordeling Onderbouwing van het m.e.r.-beoordelingsbesluit aan de hand van de relevante kenmerken van de voorgenomen activiteit volgens Bijlage III van de Europese M.e.r.-richtlijn (2011/92/EU gewijzigd bij 2014/52/EU). 1. Kenmerken van de voorgenomen activiteit Aard en omvang activiteit Vesta terminal Flushing B.V. is voornemens de bestaande tankterminal op het industrieterrein Vlissingen Oost uit te breiden met de op- en overslag van ammoniak. Hiertoe worden de twee bestaande ‘double containment’ tanks in tankput 5 geschikt gemaakt voor de oorspronkelijke toepassing van ammoniakopslag en wordt er één nieuwe ‘full containment’ ammoniaktank bijgebouwd. De bestaande tanks hebben elk een volume van 32.000 m 3. De nieuwe tank krijgt een volume van 78.000 m3. Bij een soortelijk gewicht van de opgeslagen ammoniak van 0,68 kg/m3 en een maximale benutting van circa 95% krijgen de drie tanks een gezamenlijke opslagcapaciteit krijgen van circa 92.000 ton ammoniak. Er zal eerst gestart worden met de ombouw van de twee bestaande tanks waarmee de doorzet naar verwachting 1.000 kiloton ammoniak op jaarbasis zal zijn. Naar verwachting zal de bouw van de nieuwe tank binnen drie jaar na opstart van de omgebouwde tanks gerealiseerd worden, waarna de totale doorzet naar verwachting 2.000 kiloton per jaar zal bedragen.

De insteek is dat de derde tank gerealiseerd zal worden nadat een deel van de ammoniak kan worden afgevoerd naar een externe kraker, die de ammoniak zal omzetten (kraken) in waterstof. Momenteel is de technologie die hiervoor nodig is nog in ontwikkeling en het kraken vormt dan ook geen onderdeel van het huidige voornemen. De ammoniak zal worden aangevoerd via zeeschepen en deels via coasters of barges worden afgevoerd. Hiervoor wordt gebruikt gemaakt van de nieuwe steiger die door North Sea Port zal worden gerealiseerd en waar de schepen door middel van laad- en losarmen worden bediend. De ammoniak wordt aangevoerd met naar verwachting ongeveer 30 schepen met een inhoud van 65.000 ton en circa 44 schepen met een inhoud van 45.000 ton per jaar, totaal 2.000.000 ton per jaar. Het losdebiet bedraagt 1.600 ton/uur. De afvoer van ammoniak vindt plaats met ongeveer 40 coasters met een inhoud van 25.000 ton en 130 binnenvaartschepen met een inhoud van ongeveer 5.000 ton, totaal 1.650.000 ton per jaar. Deze worden beladen aan jetty 1 of 2. Het laaddebiet bedraagt 1.167 ton/uur. Tevens zal er een spoorketel-wagenverlading worden gerealiseerd, waarmee ten hoogste 350.000 ton ammoniak via spoorketelwagens per jaar zal worden afgevoerd. Deze zal bestaan uit twee sporen met in totaal acht laadarmen. Elk spoor krijgt daarmee acht opstelplaatsen voor de ketelwagenverlading.

Per jaar zullen er maximaal 9.722 wagons met een inhoud van 36 ton elk

Blad 97 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

worden beladen. Het laaddebiet bedraagt 21,5 ton/uur. Hiervoor wordt ook een koelsysteem, een boil-off-gas- systeem en een systeem voor dampverwerking bij het verladen gerealiseerd. De opslag in de bestaande tanks en de nieuwe tanks, alsmede het laden en lossen van de ammoniak zal plaatsvinden volgens de nieuwste PGS 12 richtlijn. De Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) is een handreiking voor bedrijven die gevaarlijke stoffen produceren, transporteren, opslaan of gebruiken. Dit geeft borging dat aan de meest recente eisen voor ammoniak op- en overslag wordt voldaan. Cumulatie met andere projecten Er bestaan plannen om naast Vesta eveneens een bulkterminal te ontwikkelen voor onder meer de op- en overslag van ammoniak, dit betreft het voornemen van Evolution Terminals BV. Analyse van de plaatsgebonden 10-6 risicocontouren van beide voornemens toont aan dat deze contouren elkaar niet overlappen. Daarmee is er geen sprake van mogelijke cumulatie van veiligheidseffecten. Er zijn geen andere activiteiten of voornemens in de omgeving waarmee cumulatie van omgevingseffecten zou kunnen optreden. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen De activiteiten worden gerealiseerd binnen de inrichting van Vesta 3, op het industrieterrein Vlissingen Oost. In de directe omgeving van de inrichting zijn meerdere industriële bedrijven gelegen of gepland.

De grondwerkzaamheden en benodigde bouwactiviteiten leiden niet tot uitputting van natuurlijke hulpbronnen zoals land, bodem, water of biodiversiteit. Productie van afvalstoffen Tijdens de bouwfase zal een geringe hoeveelheid afvalstoffen worden gegenereerd, zoals verpakkingsmaterialen en restanten van bouwmaterialen. Tijdens de uitvoeringsfase worden er geen reguliere afvalstromen verwacht. Wel bestaat er een mogelijkheid dat er af en toe beperkte hoeveelheden aqua ammonia afgevoerd zullen worden naar een externe verwerker. De hoeveelheid en kwaliteit van de afvalstromen van Vesta als geheel zullen niet wijzigingen ten opzichte van de reeds vergunde situatie. Verontreiniging Aspect

Luchtkwaliteit

Toetsingskader of beleidskader De grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn voor stikstof (NO2): 40 μg/m3 en fijnstof PM10 en PM2,5: 25 μg/m3 voor het jaargemiddelde. Effecten

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn de concentraties van stikstofoxiden (NOX) en fijn stof (PM10 enPM2,5) maatgevend, aangezien voor deze stoffen de kans het grootste is dat de

Blad 98 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

grenswaarden worden overschreden. In het kader van de veranderingsvergunningaanvraag is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd, waarin de emissies van NO2 op maximaal 15,5 μg/m3 is berekend. Voor PM10 is dit maximaal 13,6 μg/m3 en voor PM2,5 is dit maximaal 7,0 μg/m3 , waarmee de grenswaarden niet worden overschreden. Conclusie van de toetsing

Op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden.

Potentieel effect

Nee

Aspect

Waterkwaliteit

Toetsingskader of beleidskader De Waterwet; op basis daarvan worden drempelwaarden omschreven voor verschillende toxiciteitsklassen op inrichtingsniveau. Voor de relevante stoffen ammoniak, aquaammonia en natriumhypochloriet is dat volgens de MRA 1 ton elk. Aangezien er water wordt ingenomen en geloosd en er stoffen worden geloosd, is een watervergunning benodigd op basis van artikel 6.2 en 6.5 van de Waterwet. Effecten

Voor dit voornemen wordt zeewater ingenomen voor het verwarmen van de vloeibare ammoniak. Het verwarmen gebeurt door middel van een warmtewisselaar. Het koelere zeewater wordt vervolgens weer geloosd op het oppervlaktewater. Van emissie van warmte naar het oppervlaktewater is daarom geen sprake. Uit de Proteusanalyse blijkt dat er binnen de inrichting van Vesta voor alle installaties met ammoniak met uitzondering van de opslagtanks verhoogde risico’s voor het oppervlaktewater worden berekend, waarvoor passende maatregelen worden getroffen.

Conclusie van de toetsing

De voorgenomen activiteit voldoet aan de eisen ten aanzien van oppervlaktewater-risico’s. De in de MRA benoemde restrisico’s naar het oppervlaktewater zijn acceptabel, gezien de voorziene maatregelen die geïmplementeerd zullen worden.

Potentieel effect

Nee

Aspect

Bodemkwaliteit

Toetsingskader of beleidskader De actuele achtergrond-, streef- en interventiewaarden uit de Regeling Bodemkwaliteit en de Circulaire bodemsanering Effecten

De opslag en doorzet van ammoniak zullen geen risico vormen voor de bodemkwaliteit vanwege de getroffen bodembeschermende maatregelen.

Blad 99 van 127

Ons kenmerk

2406998_5551474

Conclusie van de toetsing

De getoetste bodem- en grondwatermonsters voldoen aan de achtergrondwaarden en streefwaarden. Er is ter plaatse van de voorgenomen activiteit geen sprake van een verontreinigende situatie.

Potentieel effect

Nee

Hinder Aspect

Geluidbelasting op de omgeving

Toetsingskader en/of beleidskader

De inrichting is gesitueerd op een geluid-gezoneerd industrieterrein. In het kader van de Wet geluidhinder is om het industrieterrein een zone vastgesteld, waarbuiten de geluidbelasting van de gezamenlijke bedrijven op het industrieterrein niet meer mag bedragen dan: 50 dB(A) tussen 07.00 uur en 19.00 uur; 45 dB(A) tussen 19:00 uur en 23.00 uur; 40 dB(A) tussen 23:00 uur en 07.00 uur.

Effecten

Uit de berekeningsresultaten volgt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) op controlepunt 1 in de dagperiode 51 dB(A), in de avondperiode 52 dB(A) en in de nachtperiode 50 dB(A) bedraagt. De geluidnorm uit de vigerende vergunning voor de dag- avond- en nachtperiode op dit punt (48 dB(A) wordt hiermee overschreden. Op controlepunt 2 bedraagt het geluid 61 dB(A) in zowel de dag-, avond- en nachtperiode. De geluidnorm van 55 dB(A) uit de vigerende vergunning op dit punt voor de dag, avond- en nachtperiode wordt hiermee ook overschreden.

Conclusie

De veranderingen binnen de inrichting en de toevoeging van activiteiten leiden tot overschrijdingen van de geluidnormen uit de vigerende vergunning waarvoor extra geluidruimte is aangevraagd. De veranderingen hebben geen negatieve impact op de MTG punten. Uit de zonetoets is gebleken dat de aangevraagde geluidsruimte op immissieniveau inpasbaar is binnen de geluidszone.

Potentieel effect

Ja

Aspect

Geurhinder bij geurgevoelige objecten

Toetsingskader en/of beleidskader

Activiteitenbesluit milieubeheer: het voorkomen van geurhinder bij geurgevoelige objecten

Effecten

In de afgelopen jaren zijn over Vesta geen geurklachten ontvangen. De op- en overslag van ammoniak vinden in een

Blad 100 van 127

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17079574/1