65. RIB Bijlage Definitieve beschikking d.d. 9 maart 2026 van DCMR Milieudienst Rijnmond voor opslag ammoniak
Tekst van het document
Beschikking
Vesta Terminal Flushing B.V. Maltaweg 5 4389 PV Ritthem
Parallelweg 1 Postbus 843 3100 AV Schiedam T 010 – 246 80 00 F 010 – 246 82 83 E info@dcmr.nl W www.dcmr.nl
Ons kenmerk
Uw kenmerk
Datum
2406998_5551474
OLO 8070051
9 maart 2026
Contact
Afdeling
Bijlagen
info@dcmr.nl
Reguleren Advies en Omgeving
6
Onderwerp
Beschikking op aanvraag voor gebruik bestaande tanks en oprichten nieuwe tank voor opslag van ammoniak BESLUIT van Gedeputeerde Staten van Zeeland Onderwerp Op 21 december 2023 hebben wij van Antea Nederland B.V., namens Vesta 3 Terminal Flushing BV, een aanvraag ontvangen om een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag gaat over de locatie Maltaweg 5 te Ritthem en is geregistreerd onder OLO-nummer 8070051. De aanvraag is gefaseerd aangevraagd en heeft betrekking op het onderdeel milieu. Het bouwdeel wordt in een later stadium aangevraagd. Vesta Terminal Flushing 3 (VTF3) is een logistieke terminal voor de opslag van vloeistoffen. De aangevraagde veranderingen zijn: − Tankput 5: het gebruik van twee bestaande PGS-klasse 3 en 4 opslagtanks (401 en 402), naar opslagtanks van ammoniak met per tank een opslagcapaciteit van 19.846 ton (32.000 m3).
Deze tanks zijn ontworpen en gebouwd voor de opslag van ammoniak onder atmosferische druk bij een temperatuur van circa -33 graden Celsius; − Tankput 5: op verzoek intrekken vergunning voor twee opslagtanks (T501 en T502) voor de opslag van PGS-klasse 3 of 4; − Tankput 5: Nieuwbouw opslagtank (T403) voor de opslag van ammoniak onder atmosferische druk bij een temperatuur van circa -33 graden Celsius, met een opslagcapaciteit van 50.000 ton (78.000 m3); − Tankput 6: op verzoek intrekken vergunning voor vier opslagtanks (T601 t/m T604) voor de opslag van PGS-klasse 3 of 4; − Uitbreiden van de scheepsverlading met ammoniak;
Blad 1 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
− − −
−
− − − − −
Een maximale doorzet van ammoniak over de terminal van 2.000.000 ton/jaar (2.000.000 ton/jaar aanvoer en 2.000.000 ton/jaar afvoer); Realiseren van een nieuwe steiger met vier afmeerplaatsen voor overslag van zowel aardolieproducten PGS-klasse 3 of 4 als ammoniak. Realiseren van een ammoniak-verlaadplaats voor spoorketelwagons en de verlading naar spoorketelwagons van maximaal 350.000 ton (warme circa 5 graden Celsius) ammoniak/jaar; Realiseren van een 16” pijpleiding voor koude ammoniak (circa -33 graden Celsius) en een 10” pijpleiding voor warme (circa 5 graden Celsius) ammoniak met bijbehorende pompen voor intern transport; Realiseren van een koelsysteem (drie koelcompressoren) ten behoeve van de opslag van ammoniak; Realiseren van een scrubber voor verwerking van ammoniakgas tot aqua-ammonia; Realiseren van opslagtanks voor aqua-ammonia (16 m3) en demi-water (15 m3); Afvoeren of in noodgevallen onder voorschriften lozen van maximaal 150 ton aquaammonia (<25%)/jaar. Realiseren van een gasgestookte (nood)fakkelinstallatie;
Voor de veranderingen het lozen van niet verontreinigd hemelwater (paragraaf 3.1.3), behandelen van huishoudelijk afvalwater (paragraaf 3.1.4), in werking hebben van een koelinstallatie (paragraaf 3.2.6), moet de aanvraag om vergunning worden gezien als een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). Besluit Wij besluiten, gelet op de aanvraag en de hierop gebaseerde overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op het gestelde in de Wabo, de omgevingsvergunning te verlenen voor de volgende veranderingen (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo): • Het veranderen van opslag in de bestaande tanks 401 en 402 van aardolie producten naar ammoniak op het moment dat de opslag van K3/K4 daadwerkelijk is beëindigd. • Het realiseren en in gebruik nemen van een nieuwe tank 403 voor opslag van ammoniak; • Op grond van art. 5.4 Besluit Omgevingsrecht vaststellen dat de richtlijn PGS 12 versie 1.0, december 2025 de best bestaande techniek is voor de aangevraagde activiteit. • Geluid voorschriften actualiseren door voorschrift 7.1.1 en 7.1.2 uit de vergunning van 10 juni 2010 met kenmerk 10 juni 2010 met kenmerk 10021416 in te trekken en voorschrift 7.1.1 t/m 7.1.5 aan onderhavige vergunning te verbinden. • Van deze beschikking kan pas gebruik worden gemaakt als de Ambtshalve beschikking met kenmerk 2406998_7012820 in werking is getreden.
Blad 2 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden. De aanvraag en de daarbij ingediende stukken zoals in bijlage 3 geselecteerd maken onderdeel uit van deze vergunning, tenzij de aan de vergunning verbonden voorschriften anders bepalen. Gedeputeerde Staten van Zeeland, namens dezen,
D.R. van Bloppoel teammanager afdeling Reguleren, Advies en Omgeving DCMR Milieudienst Rijnmond DCMR maakt gebruik van digitaal vaststellen, daarom ontbreekt een zichtbare handtekening
Blad 3 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Inwerkingtreding en rechtsmiddelen Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop het besluit ter inzage is gelegd. Beroep De termijn voor het indienen van een beroepschrift vangt aan met ingang van de dag na de dag dat het besluit ter inzage is gelegd en duurt zes weken. Indien belanghebbenden, of indieners van een zienswijze, beroep willen aantekenen, dient hun beroepschrift in tweevoud te worden ingediend bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, t.a.v. het Team bestuursrecht, Postbus 90006, 4800 PA Breda. Het beroepschrift heeft geen schorsende werking. Voorlopige voorziening Indien u, indieners van een zienswijze of derde belanghebbenden er tevens veel belang bij hebben dat dit besluit niet in werking treedt, dan kan een voorlopige voorziening worden gevraagd bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, t.a.v. het Team bestuursrecht, Postbus 90006, 4800 PA Breda. Het verzoek om voorlopige voorziening schorst niet de werking van dit besluit. U kunt ook digitaal een verzoek om een voorlopige voorziening en/of beroepschrift indienen bij bovengenoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de voorwaarden.
Verzonden op: 9 maart 2026
Blad 4 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
INHOUDSOPGAVE 1.0
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN...................................................................................... 8
1.1 Algemeen ............................................................................................................................. 8 2.0
AFVALWATER ................................................................................................................ 10
2.1 Potentieel vervuild bedrijfsafvalwater dat in noodgevallen niet afgevoerd maar geloosd wordt ......................................................................................................................................... 10 2.2 Individuele Behandeling Afvalwater (IBA) .......................................................................... 10 3.0
BODEM ........................................................................................................................... 12
3.1 Bodemrisico Inventarisatie (BRI) ........................................................................................ 12 3.3 Bedrijfsriolering ................................................................................................................... 13 3.4 Beheermaatregelen ............................................................................................................ 14 4.0 EXTERNE VEILIGHEID ......................................................................................................... 15 4.1 Ammoniak: opslag en verlading in nieuwe tank T 403 ...................................................... 15 4.2 Ammoniak: opslag en verlading in bestaande tanks T401 en T402 .................................. 16 4.2 Noodstroomvoorziening ammoniakopslag ......................................................................... 19 5.0 LUCHT ................................................................................................................................... 20 5.1 Scrubber ............................................................................................................................. 20 5.2 Fakkel .................................................................................................................................
21 5.3 Storing en onderhoud ......................................................................................................... 21 6.0
BRANDVEILIGHEID ....................................................................................................... 22
6.1 Brandveiligheid algemeen .................................................................................................. 22 6.2 Integraal Plan Brandveiligheid ........................................................................................... 23 6.3 Brandbestrijding ................................................................................................................. 24 7.0. GELUID ................................................................................................................................. 25 8.0 VOORZIENINGEN ................................................................................................................. 27 8.1 Controlegebouw ................................................................................................................. 27 9.0 PROCEDURELE OVERWEGINGEN .................................................................................... 28
Blad 5 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
9.1 Overgangsrecht .................................................................................................................. 28 9.2 Projectbeschrijving ............................................................................................................. 28 9.3 Procedure ........................................................................................................................... 31 9.4 Adviezen ............................................................................................................................. 32 9.5 Zienswijzen ......................................................................................................................... 35 9.6 M.e.r-beoordelingsbesluit ................................................................................................... 62 10.0 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN MILIEU........................................ 65 10.1 Toetsingskader ................................................................................................................. 65 10.2 Milieu onderdelen ............................................................................................................. 67 Afvalwater ...............................................................................................................................
67 Afvalstoffen ............................................................................................................................. 68 Bodem ..................................................................................................................................... 68 Brandveiligheid....................................................................................................................... 71 Controle gebouw .................................................................................................................... 73 Externe veiligheid ................................................................................................................... 73 PGS opslagen ......................................................................................................................... 80 Energie .................................................................................................................................... 84 Geluid....................................................................................................................................... 87 Geur .........................................................................................................................................
92 Lucht ........................................................................................................................................ 92 Luchtkwaliteit.......................................................................................................................... 95 Licht ......................................................................................................................................... 96 Natuur ...................................................................................................................................... 96 Eindconclusie ......................................................................................................................... 97 Bijlage 1 Mer beoordeling......................................................................................................... 98 Bijlage 2 Controlepunten geluid ............................................................................................. 110 Bijlage 3 Documenten aanvraag ............................................................................................ 112 Bijlage 4 Overzicht verandering tank opslagen ...................................................................... 115 Bijlage 5 Begrippenlijst ...........................................................................................................
115 Bijlage 6 Opmerkingen herbeoordelingsplan ......................................................................... 125
Blad 6 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 1.1 Algemeen 1.1.1 Tot het moment van de beëindiging van de activiteiten voor het gebruik van de opslagtanks T 401 en T 402 voor de opslag van PGS klasse 3 of 4 stoffen, dient de vergunninghouder aan de voorschriften van de revisievergunning van 10 juni 2010 met kenmerk 10021416 te voldoen. Op het moment dat de opslag van PGS klasse 3 of 4 stoffen in tank T401 en T402 daadwerkelijk is beëindigd moet de vergunninghouder aan de in deze vergunning opgenomen voorschriften voldoen. Het bevoegd gezag dient vooraf door middel van een melding te worden geïnformeerd over deze beëindigingdatum alsmede het tijdspad tot ombouw. 1.1.2 Vergunninghouder mag de tabel 1 en 2 genoemde opslagcapaciteit per product niet overschrijden. Tabel 1 maximale opslag hoeveelheid Product Hoeveelheid* (in m3 bij -33°C) Hoeveelheid* (in ton) Ammoniak 142.000 96.560 3 *Bij de omrekening is een soortelijk gewicht 0,68 kg/m gehanteerd. Tabel 2 maximale opslag hoeveelheid Product Hoeveelheid* (in m3 bij 15°C) Hoeveelheid* (in ton) K3/K4 224.000 199.360 3 *Bij de omrekening is een soortelijk gewicht 0,89 kg/m gehanteerd. 1.1.3 Vergunninghouder mag de totale ammoniak doorzet van in totaal 2.941.176 m3 (2.000.000 ton) per jaar niet overschrijden. Voor import is enkel scheepsverlading toegestaan.
Voor export is naast scheepsverlading ook spoorwagonverlading overeenkomstig voorschrift 1.1.4 toegestaan. 1.1.4 Vergunninghouder mag niet meer dan 42.892 m3 (29.166 ton) ammoniak per maand verladen naar spoorketelwagons. Er wordt een uitzondering gemaakt in het geval er aantoonbaar (zie voorschrift 1.1.5) sprake is van een grote eigen onderhoudstop of aantoonbare tijdelijke blokkering ten gevolge van weersomstandigheden, lage waterstanden of meerdaagse spoorstremmingen. Alleen in deze gevallen mag de betreffende maand hoeveelheid voor ammoniak verladingen naar spoorketelwagons overschreden worden. Het totaal op jaarbasis van maximaal 350.000 ton ammoniak verlading naar spoorketelwagons mag in geen enkel geval overschreden worden.
Blad 7 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
1.1.5 Vergunninghouder informeert het bevoegd gezag jaarlijks middels een overzicht over de hoeveelheden ammoniak (in m3 en ton) die per maand zijn verladen naar het aantal spoorketelwagons en het aantal binnenvaartschepen. Bij overschrijding van een maandhoeveelheid uit voorschrift 1.1.4 dienen bewijsstukken dat er aantoonbaar sprake is van een grote eigen onderhoudstop of aantoonbare tijdelijke blokkering ten gevolge van weersomstandigheden, lage waterstanden of meerdaagse spoorstremmingen, aan het overzicht te worden toegevoegd. 1.1.6 Het verlaaddebiet van zeevaartschepen met ammoniak mag de hoeveelheid van 1600 ton per uur niet overschrijden. 1.1.7 Het verlaaddebiet van coasters met ammoniak mag de hoeveelheid van 1167 ton per uur niet overschrijden. 1.1.8 Het maximale debiet van de warmtewisselaars E401 en E402 bedraagt 191 ton per uur
Blad 8 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
1.0
AFVALWATER
2.1 Potentieel vervuild bedrijfsafvalwater dat in noodgevallen niet afgevoerd maar geloosd wordt 2.1.1 De aqua ammonia afvalwaterstroom die in noodgevallen vrijkomt mag alleen in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan: a. de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool of de bij een zodanig openbaar vuilwaterriool of zuivering technisch werk behorende apparatuur; b. de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar vuilwaterriool of een zuivering technisch werk; c. de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. 2.1.2 Bedrijfsafvalwater dat overeenkomstig voorschrift 2.1.1 op het riool wordt geloosd moet aan de volgende eisen voldoen: a. de temperatuur in enig steekmonster mag niet hoger zijn dan 30°C, bepaald volgens NEN 6414 (2008); b. de zuurgraad, uitgedrukt in pH-eenheden, mag niet lager dan 6,5 en niet hoger zijn dan 10 in een steekmonster, bepaald volgens NEN-ISO 10523 (2012); c. het sulfaatgehalte in enig steekmonster mag niet meer dan 300 mg/l bedragen, bepaald volgens NEN-ISO 22743:2006 of NEN-ISO 22743:2006/C1:2007.
2.1.3 Als de vergunninghouder gebruik wil maken van een andere analyse of methode, moet deze geaccrediteerd zijn door de Raad van Accreditatie of moet door de vergunninghouder worden aangetoond dat verkregen analyseresultaten vergelijkbaar zijn met de analyse volgens de NENnorm. 2.1.4 De volgende stoffen mogen niet worden geloosd: a. stoffen die brand- en explosiegevaar kunnen veroorzaken; b. stoffen die stankoverlast buiten de inrichting kunnen veroorzaken; c. stoffen die verstopping of beschadiging van een openbaar vuilwaterriool of van de daaraan verbonden installaties kunnen veroorzaken; d. grove afvalstoffen en snel bezinkende afvalstoffen. 2.2 Individuele Behandeling Afvalwater (IBA)
Blad 9 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
2.1.5 Uiterlijk 6 maanden voorafgaande aan de bouw dient het definitieve ontwerp van de individuele behandeling afvalwater (IBA) waaronder de spiltank ter goedkeuring aan het Bevoegd Gezag te worden voorgelegd waarin de volgende aspecten beschreven moeten worden: • technische gegevens en ontwerpcriteria; • toegepaste normering voor spiltank; • toets aan de BREF CWW voor IBA. 2.1.6 Goedkeuring wordt verleend indien de in voorschrift 2.1.5 genoemde aspecten voldoen aan BBT. 2.1.7 Verwijderd 2.1.8 Nadat het IBA ontwerp is goedgekeurd, dient vergunninghouder overeenkomstig bouwplanning uitvoering te geven aan de uitvoering. De bouwplanning dient voorafgaande aan de werkzaamheden ter informatie aan het Bevoegd Gezag te worden toegestuurd. 2.1.9 Indien het bevoegd gezag geen goedkeuring verleent, moet het IBA ontwerp worden herzien op de punten op grond waarvan het is afgekeurd met inachtneming van hetgeen ten grondslag ligt aan de afkeuring, en moet het aangepaste ontwerp binnen de bij het afkeuringsbesluit opgenomen termijn, opnieuw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd.
Blad 10 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
2.0 BODEM 3.1 Bodemrisico Inventarisatie (BRI) 3.1.1 Uiterlijk 1 jaar voor het realiseren van de verandering moet door of namens de vergunninghouder een aangepaste bodem risico inventarisatie (BRI) ter goedkeuring worden overgelegd waarin de volgende aspecten beschreven moeten worden: • voldoende informatie alsmede uitleg over het toepassen van een lekbak • voldoende informatie alsmede een onderhoud programma bij een kerende voorziening • voor het aanwezige aqua ammonia de scrubber, buffervat en overslag opnemen • indien er veranderingen door detail engineering zijn dient dit te worden beschreven. • BRI door de introductie van de Omgevingswet waaronder BBCVM toetsen aan actuele regelgeving. 3.1.2 Goedkeuring wordt verleend indien: • de bodem risico inventarisatie (BRI) volledig is; • de bodem risico inventarisatie (BRI) in overeenstemming is met Wet- en Regelgeving; • de aspecten uit voorschrift 3.1.1 in voldoende mate zijn meegenomen. 3.1.3 Verwijderd 3.1.4 Nadat de Bodem Risico Inventarisatie (BRI) is goedgekeurd, dient vergunninghouder alle relevante bodem gerelateerde onderdelen binnen de scope van de aanvraag hiermee in overeenstemming te brengen.
3.1.5 Indien het bevoegd gezag geen goedkeuring verleent, moet de Bodem Risico Inventarisatie (BRI) worden herzien op de punten op grond waarvan het is afgekeurd met inachtneming van hetgeen ten grondslag ligt aan de afkeuring, en moet het aangepaste document binnen de bij het afkeuringsbesluit opgenomen termijn, opnieuw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd.
Blad 11 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
3.3 Bedrijfsriolering 3.3.1 Nieuw aan te leggen rioolsystemen voor het afvoeren van bodembedreigende vloeistoffen moeten vloeistofdicht zijn ontworpen en aangelegd volgens de criteria genoemd in de BRL SIKB 7700. 3.3.2 Rioolsystemen moeten aantoonbaar vloeistofdicht zijn volgens de criteria genoemd in AS SIKB 6700 en bestand tegen de daardoor afgevoerde (vloei)stoffen. Uitgezonderd hierop zijn rioolsystemen voor de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater van huishoudelijke aard. 3.3.3 De bedrijfsriolering moet op de volgende tijdstippen aan de hand van NEN-EN 135082:2003+A1:2011+CNL1:2021/NEN-EN 13508-1:2012NEN worden geïnspecteerd op gebreken: a. voor ingebruikname; b. binnen tien jaar na ingebruikname; c. eenmaal per vijf jaar na de onder b. genoemde inspectie. Bij afkeur van de hierboven genoemde inspectie door een deskundige moet zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen zes maanden voldaan worden aan de eisen als genoemd in de NENEN 13508-2:2003+A1:2011+CNL1:2021/NEN-EN 13508-1:2012NEN. 3.3.4 Minimaal zes maanden voorafgaande aan de aanleg van de riolering dient door vergunninghouder of namens de vergunninghouder een inspectieplan ter beoordeling worden overgelegd waarin de eisen en normen uit voorschrift 3.3.1 t/m 3.3.3 beschreven worden.
3.3.5 Verwijderd 3.3.6 Minimaal zes maanden voorafgaande aan de aanleg van de riolering moet door of namens de vergunninghouder een onderhoudsplan ter beoordeling worden overgelegd waarin de volgende aspecten beschreven moeten worden: • aard van de onderhoudswerkzaamheden; • doel van de onderhoudswerkzaamheden; • frequentie van onderhoudswerkzaamheden 3.3.7
Blad 12 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Verwijderd 3.3.8 Verwijderd 3.3.9 Nadat het onderhoudsplan en/of inspectieplan is beoordeeld, dient vergunninghouder uitvoering te geven aan de plannen. 3.3.10 Verwijderd 3.4 Beheermaatregelen 3.4.1 Overeenkomstig bouwplanning en voor de daadwerkelijke bouw moet door vergunninghouder een inspectie- en onderhoudsprogramma voor de bodem beschermende voorzieningen ter beoordeling aan het bevoegd gezag worden toegezonden. In dit plan moet ten minste het volgende zijn uitgewerkt: a. welke voorzieningen geïnspecteerd en onderhouden worden; b. de inspectie- en onderhoudsfrequentie; c. de wijze van inspectie (visueel, monsterneming, metingen etc.); d. waaruit het onderhoud bestaat; e. hoe de resultaten van inspectie en onderhoud worden gerapporteerd en geregistreerd; f. de verantwoordelijke functionaris voor inspectie, onderhoud; g. Indien er geen sprake is van vloeistofdichte voorzieningen moet inzichtelijk zijn met welke extra maatregelen invulling wordt gegeven aan de NRB artikelen 1.3, 1.4, 1.5, 1.9, 2.3.1)
Blad 13 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
4.0 EXTERNE VEILIGHEID 4.1 Ammoniak: opslag en verlading in nieuwe tank T 403 4.1.1 De opslag en verlading van ammoniak moet voldoen aan de volgende maatregelen van de richtlijn PGS 12 versie 1.0 december 2025. Basisveiligheid • MW1 Terrein inrichting • M2 t/m M5 Veiligheidsafstanden • M6 t/m M8 Constructie van stationaire opslagtanks voor gekoelde vloeibare ammoniak • M9 t/m M15 Instrumentatie en beveiliging systemen bij atmosferische opslag • M16 t/m M24 Aarding en bliksembeveiliging bij atmosferische opslag • M25 Systeem voor afkoelen bij atmosferische opslag • M26 Boil off gas (BOG)-compressie bij atmosferische opslag • M27 t/m M29 Aansluitingen op de atmosferische opslagtank • M30 t/m M33 Constructie van product leidingen bij atmosferische opslag • M34 t/m M38 De laad- en losplaatsen • M59 t/m M64 Constructie verlaadinstallatie • M65, MW67, M68 en M69 Voorzieningen op de laad en losplaats • M70 t/m M73 Warmtewisselaar voor opwarmen van vloeibar ammoniak • M75 t/m M77 Ammoniakgasdetectie bij ammoniakopslaginstallatie • M78 t/m M81 Appendages en Pakkingen • M82 t/m M84 Bediening bij atmosferische opslag • M85 t/m M93 Laden en lossen bij atmosferische opslag • M94 t/m M102 Keuring onderhoud en inspectie van de atmosferische ammoniak opslaginstallatie • M113 t/m M120 Registratie en documentatie bij atmosferische opslag
Blad 14 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
• M121 Inspectie van de laad en losinstallatie • M125 t/m M127 Incidenten • M128 t/m M147 4.2 Ammoniak: opslag en verlading in bestaande tanks T401 en T402 4.2.1 Verwijderd 4.2.1 Vergunninghouder moet, uiterlijk op de beëindigingsdatum (zie voorschrift 1.1.1) van de opslag van PGS klasse 3 of 4 stoffen in T401 en T402 of zoveel eerder, ter goedkeuring een vernieuwde versie van het herbeoordelingsplan versie 29 juli 2024 final (bijlage 3 kenmerk 8315140) voor Tank 401 en 402 indienen bij het bevoegd gezag. Het herbeoordelingsplan moet ten minste de volgende onderdelen bevatten: • Een overzicht van de processtappen waarbij het overzicht uit het herbeoordelingsplan versie 29 juli 2024 final het uitgangspunt is; • Indien er nieuwe onderzoeken naar materiaalkundige eigenschappen zoals de vloeigrens en rekgrens uitgevoerd gaan worden dient de plaats in het herbeoordelingsproces inzichtelijk te zijn. • Een vergelijking met bestaande resultaten uit de vergunningaanvraag (bijlage 3 kenmerk 5529353, 5870413, 5870409, 5870445, 5870447, 5870449, 5870459, 5870461, 5870451) als mede het interpreteren van verschillen maakt onderdeel van het herbeoordelingsproces; • In het herbeoordelingsplan dienen afkeurcriteria en de afleiding ervan inzichtelijk te zijn; • De opmerkingen zoals verwoord in bijlage 6 van deze vergunning dienen in het herbeoordelingsplan te worden verwerkt.
• Van de geselecteerde onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks, de benodigde accreditatie/certificatie voor drukapparatuur vallend onder het Warenbesluit drukapparatuur behorende bij de ingebruikname en gebruiksfase en de onderbouwing van de aantoonbare kennis van ammoniak opslagtanks (conform de definitie voor een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025); • Een planning voor de uitvoering van het herbeoordelingsplan inclusief overzicht van de momenten waarop de verplichtingen uit de voorschriften 4.2.3 t/m 4.2.6 worden toegestuurd. Goedkeuring wordt verleend indien aan alle hierboven genoemde eisen is voldaan.
Blad 15 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
4.2.2 Na het goedkeuren van het herbeoordelingsplan van voorschrift 4.2.1 worden wijzigingen in de planning ten aanzien van de momenten voor het toesturen van de verplichtingen uit de voorschriften 4.2.3 t/m 4.2.6 binnen 1 week middels een toegestuurde hernieuwde planning ter beoordeling aan het bevoegd gezag door gegeven. 4.2.3 Overeenkomstig processtap 3 van het herbeoordelingsplan versie 29 juli 2024 final dient het resultaat van uitgevoerde goedkeuring door onafhankelijke deskundige ammoniak ter informatie aan het bevoegd gezag te worden toegestuurd. 4.2.4 Overeenkomstig processtap 8 uit het herbeoordelingsplan versie 29 juli 2024 final informeert vergunninghouder schriftelijk het bevoegd gezag over de resultaten van de inspecties, de voorgestelde reparatie scope van zowel T401 als T402 en het voorlopige oordeel hierover van de onafhankelijk deskundige ammoniak opslagtanks voordat de eventuele reparaties gaan worden uitgevoerd. 4.2.5 De ammoniak opslagtanks T401 en T402 mogen pas in gebruik worden genomen na een afgegeven Verklaring van ingebruikneming (VVI) door een onafhankelijk deskundige ammoniak opslagtanks (processtap 11 uit het herbeoordelingsplan versie 29 juli 2024 final). De onafhankelijk deskundige ammoniaktanks heeft alle resultaten en bevindingen uit het goedgekeurde herbeoordelingsplan overeenkomstig voorschrift 4.2.1 tot zijn beschikking en beoordeeld.
4.2.6 Overeenkomstig processtap 14 uit het herbeoordelingsplan versie 29 juli 2024 final dient de Verklaring van ingebruikneming (VVI) en het totale inspectie boek ter beoordeling te worden toegestuurd aan het bevoegd gezag. 4.2.7 De opslag en verlading van ammoniak in de bestaande tanks T401 en T402 moet voldoen aan de hieronder opgesomde maatregelen van de richtlijn PGS 12 versie 01, december 2025 aangevuld met voorschrift 4.2.8. Basisveiligheid • M1 Terrein inrichting • M2 t/m M5
Blad 16 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Veiligheidsafstanden • M6 t/m M8 Constructie van stationaire opslagtanks voor gekoelde vloeibare ammoniak • M11 t/m M12 Instrumentatie en beveiligingssystemen bij atmosferische opslag • M16 t/m M24 Aarding en bliksembeveiliging bij atmosferische opslag • M25 Systeem voor afkoelen bij atmosferische opslag • M26 Boil-offgas (BOG)-compressie bij atmosferische opslag • M27 t/m M29 Aansluitingen op de atmosferische opslagtank • M30 t/m 33 Constructie van productleidingen bij atmosferische opslag • M34 t/m M38 De laad- en losplaats • M59 t/m M64 Constructie verlaadinstallatie • M65, MW67, M68 en M69 Voorzieningen op de laad- en losplaats • M70 t/m M73 Warmte wisselaar voor opwarmen van vloeibaar ammoniak • M75 t/m M77 Ammoniakgasdetectie bij ammoniakopslaginstallatie • M78 t/m M81 Appendages en Pakkingen • M82 t/m M84 Bediening bij atmosferische opslag • M85 t/m M93 Laden en lossen bij atmosferische opslag • M94 t/m M102 Keuring, onderhoud en inspectie atmosferische ammoniak opslaginstallatie • M113 en M117 t/m M120 Registratie en documentatie bij atmosferische opslag • M121 Inspectie van laad- en losinstallatie • M125 t/m M127 Incidenten • M128 t/m M147 Alternatieve maatregelen bestaande atmosferische opslagtanks • M148 t/m M151 4.2.8 (M12) Binnen drie maanden na de beëindigingsdatum (zie voorschrift 1.1.1) van de opslag van PGS klasse 3 of 4 stoffen in de opslagtanks T401 en T402
of zoveel eerder moet een rapport ter goedkeuring worden ingediend waarin aantoonbaar wordt gemaakt dat de technische integriteit van de betonnen wand(en) voldoet aan de eisen waarvoor deze primair zijn ontworpen. Dit
Blad 17 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
voorschrift is een nadere uitwerking van M12 uit de PGS 12 versie 1.0 december 2025. Goedkeuring kan worden verleend wanneer uit de rapportage blijkt wat de ontwerpspecificaties voor de betonnen wanden waren ten tijde van de bouw ten aanzien van: • de statische drukbelasting als gevolg van een drukgolf; • de impact van fragmenten; • de warmtestralingsbelasting; • de koudeschok bij een lekkage. En dat middels inspecties, simulaties en berekeningen kan worden aangetoond dat de betonnen wanden voldoen aan deze ontwerpspecificaties. 4.2.9 t/m 4.2.27 Verwijderd 4.2 Noodstroomvoorziening ammoniakopslag 4.2.1 Om een veilige en milieu hygiënisch verantwoorde bedrijfsvoering te waarborgen, in- en uitbedrijf name inbegrepen, moet ten minste voor de hieronder genoemde installatieonderdelen voor ammoniakopslag een noodstroomvoorziening met voldoende capaciteit aanwezig zijn: • gasdetectiesysteem; • brandblussysteem; • branddetectie systeem; • Boil Off Gas (BOG) system overeenkomstig M28 overeenkomstig voorschrift 4.1.1 en 4.2.7) • alarmeringen en instrumentele beveiligingen met meldsysteem en besturing.
Blad 18 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
5.0 LUCHT 5.1 Scrubber 5.1.1 De emissie van ammoniak (NH 3) afkomstig van de scrubber dient te voldoen aan afdeling 5.4.4 uit het BAL en mag niet meer bedragen dan 5 mg/Nm3 met een ondergrens van 75 kg/jaar. 5.1.2 Ter controle dient jaarlijks een meting te worden uitgevoerd. De analysemethodiek is NEN 2826 overeenkomstig artikel 5.31 in het BAL. De meting dient uitgevoerd te worden tijdens representatieve verladingsomstandigheden. Voor de ondergrens in artikel 5.30 dient het debiet als emissie relevante parameter (ERP) te worden vastgesteld. Het bevoegd gezag dient te worden geïnformeerd over het resultaat van deze controlemetingen. 5.1.3 Uiterlijk zes maanden voorafgaande aan het uitvoeren van verladingactiviteiten waarbij de scrubber toegepast wordt dient een rapport met technische detailgegevens ter goedkeuring aan het Bevoegd Gezag te worden overlegd. In het rapport dient minimaal het volgende te worden beschreven: - Detailenginering gegevens over volume en capaciteit; - Werkwijze monitoring van emissie relevante parameters om bedrijfszekerheid te garanderen; - Noodzaak en toepassing backup voorzieningen. 5.1.4 Goedkeuring wordt verleend indien voldaan wordt aan voorschrift 5.1.3 en als de conclusie uit het document naar oordeel van het bevoegde gezag gedragen wordt door de inhoud.
5.1.5 Het bevoegd gezag kan in geval van goedkeuring nadere eisen stellen aan de wijze van waarop de uitvoering van het scrubber systeem op grond van de minimale onderzoekseisen uit voorschrift 5.1.3 is voorzien. 5.1.6 Nadat het rapport met technische detailgegevens is goedgekeurd dient vergunninghouder zo snel mogelijk uitvoering te geven aan het goedgekeurde document alsmede aan de op grond van voorschrift 5.1.5 gestelde nadere eisen. 5.1.7
Blad 19 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Indien het bevoegd gezag geen goedkeuring verleent, moet het rapport met technische detailgegevens worden herzien op de punten op grond waarvan het is afgekeurd met inachtneming van hetgeen ten grondslag ligt aan de afkeuring, en moet het aangepaste het rapport met technische detailgegevens binnen de bij het afkeuringsbesluit opgenomen termijn, opnieuw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd. 5.2 Fakkel 5.2.1 t/m 5.2.5 Verwijderd 5.3 Storing en onderhoud 5.3.1 Indien ten gevolge van een storing of anderszins de luchtemissie boven de in deze vergunning genoemde maxima komt, moeten onmiddellijk maatregelen worden getroffen om de overschrijding van deze maxima teniet te doen.
Blad 20 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
6.0
BRANDVEILIGHEID
6.1 Brandveiligheid algemeen 6.1.1 Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandbeveiligingssystemen moeten steeds: a. bedrijfszeker zijn; b. voor onmiddellijk gebruik gereed zijn; c. goed bereikbaar zijn; d. als zodanig herkenbaar zijn; e. geschikt zijn voor de beheersing of de blussing van een bepaald type brand; f. en waar van toepassing tegen aanrijden beschermd zijn. Toelichting: Hiermee wordt ook bedoeld dat elektrische, hydraulische en pneumatische stuurleidingen voor de bediening en het functioneren van stationaire blus- en koelvoorzieningen zodanig moeten zijn uitgevoerd dat deze bij blootstelling aan stralingswarmte en/of contact met lekvloeistof blijven functioneren. 6.1.2 In de inrichting mag, behoudens in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing indien werkzaamheden moeten worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-) vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan.
6.1.3 Het terrein en het wegenstelsel moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen te bereiken is. 6.1.4 Binnen de inrichting moeten windvanen of gelijkwaardige technische voorzieningen zijn aangebracht. De windvanen moeten zodanig gepositioneerd (aantal/locatie) zijn dat direct zichtbaar is wat de heersende windrichting is. 6.1.5 Inspecties, testen en onderhoud van de brandbeveiligingssystemen moeten bij oplevering en vervolgens ten minste eenmaal per jaar of zoveel vaker als de leverancier voorschrijft aan de
Blad 21 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
hand van NFPA 25 of gelijkwaardig, door een ter zake deskundige worden uitgevoerd. Voor brandkranen geldt een frequentie van eenmaal per jaar voor inspecties, testen en onderhoud. 6.1.6 Stationaire brandbeveiligingsinstallaties (sprinkler, deluge) die tijdens operatie niet nat getest kunnen worden zonder dat daardoor schade wordt aangebracht, kunnen op een alternatieve wijze beproefd worden indien daarvoor een Plan van Aanpak ter goedkeuring is overgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van dit Plan van Aanpak nadere eisen stellen. De registratie van de testresultaten moet zodanig zijn dat bij het bedrijf inzichtelijk is wat de staat van alle installaties (sprinkler en deluge) zijn en met welke frequentie de testen worden uitgevoerd. 6.1.7 Dragende constructies van installatie(s) (-delen) en brandbeveiligingsinstallaties die ten gevolge van hittestraling van een brand kunnen falen en daardoor escalatie van de ontstane brand kunnen veroorzaken, moeten tegen falen worden beschermd. Dit kan door middel van een koeling en/of door brandwerende bekleding aan te brengen. Hierbij moet worden uitgegaan van de warmteoverdracht die plaatsvindt bij de, onder de constructie en/of installatie, maximaal te verwachten duur van de vloeistofbrand ('spill-fire').
De eigenschappen van de brandwerende bekleding moeten aan de hand van brandtestrapporten voor het te beschermen type ondergrond aangetoond zijn. De doelmatigheid van de koeling moet door middel van een berekening (gebaseerd op de NFPA 15) aangetoond zijn. 6.2 Integraal Plan Brandveiligheid 6.2.1 Vergunninghouder moet, uiterlijk zes maanden voor het inwerkingtreden van een gekoelde ammoniakopslagtank (T401, T402 of T403), ter goedkeuring een Integraal Plan Brandveiligheid indienen bij het bevoegd gezag. Dit plan moet ten minste de volgende onderdelen bevatten: • Locatiebeschrijving van de inrichting • Procesbeschrijving (inclusief blusmiddelen) • Mogelijke scenario’s waaronder maximale brandscenario (PGS 6) • Risico beoordeling en kwantificering • Beschrijving beheers maatregelen (inclusief overzichten blusmiddelen) • Restrisico • Opgave periodieke inspectie en onderhoud • Het onderwerp veroudering installaties (Ageing) beschouwen (analyse en maatregelen) • Organisatorische maatregelen • Veiligheidsopleiding personeel • Verwijzing Bedrijfsnoodplan • Het tijdpad voor aanleg van brandveiligheid systemen
Blad 22 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Vergunninghouder mag pas nadat goedkeuring van het Integraal Plan Brandveiligheid is verleend starten met de opslag- en verladingsactiviteiten van (gekoelde) ammoniak. 6.2.2 Vergunninghouder moet werken conform het goedgekeurde Integraal Plan Brandveiligheid. 6.2.3 Wijzigingen in het Integraal Plan Brandveiligheid moeten voordat zij worden doorgevoerd schriftelijk zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag. 6.2.4 Bij nieuwbouw en/of vernieuwing van bestaande brandbeveiligingsinstallaties moet voor aanleg een uitgangspuntendocument (UPD) ter goedkeuring bij het bevoegd gezag worden ingediend voor scheepsverlading, spoorwagonverlading, bluswaternet- en hydranten en ammoniakdetectie. Het UPD dient te voldoen aan de PGS 12 versie 1.0 december 2025. De inhoudelijke eisen zijn beschreven in maatregel M138. Na goedkeuring moet de installatie conform dit plan worden aangelegd. 6.2.5 Het bevoegd gezag kan in geval van goedkeuring van het Integraal Plan Brandveiligheid (IPB) nadere eisen stellen aan de wijze van uitvoering van met betrekking tot aspecten van de criteria zoals genoemd in voorschrift 6.2.1, 6.2.2 en 6.2.3.
6.2.6 Indien het bevoegd gezag geen goedkeuring verleent, moet het Integraal Plan Brandveiligheid (IPB) worden herzien op de punten op grond waarvan het is afgekeurd met inachtneming van hetgeen ten grondslag ligt aan de afkeuring, en moet het aangepaste IPB binnen de bij het afkeuringsbesluit opgenomen termijn, opnieuw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd. 6.3 Brandbestrijding 6.3.1 Verwijderd
Blad 23 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
7.0. GELUID 7.1.1 Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de aan de inrichting gebonden geluidbronnen (installaties, toestellen, werkzaamheden, activiteiten, vervoersbewegingen, laad- en losactiviteiten), bedraagt op de in tabel 1 genoemde controlepunten en tijdstippen niet meer dan de in die tabel aangegeven waarden. Tabel 3 Controlepunt
Rijksdriehoek-coördinaat
1 2 3
x=36852, y=386131 x=36479, y=386299 x=36979, y=386452
Dag 07.00-19.00 uur 45 dB(A) 60 dB(A) 44 dB(A)
Avond 19.00-23.00 uur 45 dB(A) 60 dB(A) 44 dB(A)
Nacht 23.00-07.00 uur 45 dB(A) 60 dB(A) 44 dB(A)
De ligging van de controlepunten is aangegeven op figuur 1 van bijlage 1 De in tabel 1 vermelde waarden gelden in de perioden 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur op een hoogte van 5 meter ten opzichte van het plaatselijke maaiveld. 7.1.2 Het meten, berekenen en beoordelen van de in voorschrift 7.1.1 aangegeven geluidsniveaus moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999. 7.1.3 In afwijking van de in voorschrift 7.1.2 genoemde Handleiding wordt bij het bepalen van de overdrachtsdemping gerekend met een luchtabsorptiecoëfficiënt (alu,TNO), zoals weergegeven in tabel 4. Tabel 4 Octaafband (Hz) alu, TNO (dB/km)
31,5 0,14
63 0,27
125 0,55
250 0,94
500 1,90
1000 3,80
2000 7,80
4000 19,00
8000 55,00
7.1.4 Binnen zes maanden nadat de inrichting in overeenstemming met de vergunning in werking is gebracht, moet de vergunninghouder een rapportage van een akoestisch onderzoek overleggen waarin, door middel van geluidmetingen en geluidberekeningen, wordt aangetoond dat de geluidgrenswaarden zoals opgenomen in voorschrift 7.1.1 niet worden overschreden. De geluidmetingen, ter bepaling van de geluidbronsterktes, dienen in ieder geval te worden uitgevoerd aan: de in tabel 3.1 en tabel 4.1 van het geluidrapport ’Akoestisch onderzoek industrielawaai
Blad 24 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
-
-
Vesta Terminal Flushing B.V.’, projectnummer 0476275.100, definitief revisie 03, 7 augustus 2024’ vermelde geluidbronnen, behoudens rijdende en manoeuvrerende personen- en vrachtwagens; de in het hiervoor vermelde geluidrapport als niet relevant beschouwde geluidbronnen vermeld op de, bij de aanvraag gaande, ‘Equipment list’, documentnummer PV2301-MLI-01 revisie 0G; de in het hiervoor vermelde rapport als niet relevant beschouwde elektrische lospompen op schepen.
7.1.5 Indien niet wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden zoals opgenomen in voorschrift 7.1.1, moet in het geluidrapport dat genoemd is in voorschrift 7.1.4 zijn opgenomen welke aanvullende maatregelen zijn getroffen of worden getroffen nadat de inrichting in overeenstemming met de vergunning in werking is gebracht om aan de gestelde grenswaarden te voldoen. Deze afwijking en de motivatie dient vooraf ter goedkeuring aan het Bevoegd Gezag te worden voorgelegd.
Blad 25 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
8.0 VOORZIENINGEN 8.1 Controlegebouw 8.1.1 Het controlegebouw en ruimtes t.b.v. ondersteunende functies zoals beschreven in hoofdstuk 4.2 van bijlage van de aanvraag moeten voldoen aan de volgende eisen: • Er dient een overdruk te worden gehandhaafd. • Het kanaal waardoor de luchttoevoer voor de ventilatie plaatsvindt, moet zijn gemaakt van onbrandbaar materiaal, bepaald overeenkomstig de norm NEN 6064 vigerende tijdens de bouw van het controlegebouw. • Alle buitendeuren van het controlegebouw moeten zelfsluitend zijn en een brandwerendheid bezitten van ten minste 30 minuten, bepaald overeenkomstig de norm NEN 6069. • In het kader van brandwerendheid kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de vermelde maatregelen en de uitvoering van deze maatregelen. • Uiterlijk zes maanden voorafgaande aan de bouw van de controle kamer dient de vergunninghouder een overzicht van de gehanteerde milieu- en veiligheidsnormen alsmede alle relevante maatregelen ter goedkeuring aan het Bevoegd Gezag te overleggen. 8.1.2 Goedkeuring wordt verleend indien aan de eisen uit voorschrift 8.1.1 wordt voldaan. 8.1.3 Het bevoegd gezag kan in geval van goedkeuring van het overzicht van gehanteerde milieu- en veiligheidsnormen alsmede alle relevante maatregelen nadere eisen stellen aan de wijze van uitvoering.
8.1.4 Nadat het overzicht van gehanteerde milieu- en veiligheidsnormen is goedgekeurd, dient vergunninghouder uitvoering te geven aan het goedgekeurde document alsmede aan de eventuele op grond van voorschrift 8.1.3 gestelde nadere eisen. 8.1.5 Indien het bevoegd gezag geen goedkeuring verleent, moet het overzicht van gehanteerde milieu- en veiligheidsnormen alsmede alle relevante maatregelen worden herzien op de punten op grond waarvan het is afgekeurd met inachtneming van hetgeen ten grondslag ligt aan de afkeuring, en moet het aangepaste overzicht van gehanteerde milieu- en veiligheidsnormen alsmede alle relevante maatregelen binnen de bij het afkeuringsbesluit opgenomen termijn, opnieuw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd.
Blad 26 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
9.0 PROCEDURELE OVERWEGINGEN 9.1 Overgangsrecht Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag van onderhavige vergunning dateert van vóór 1 januari 2024. Gelet op het bijbehorende overgangsrecht geldt voor onderhavige vergunningprocedure het recht zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Omdat in onderhavig geval sprake is van een aanvraag om een gefaseerde omgevingsvergunning (fase 1) wijzen wij, voor zover relevant, op het specifieke overgangsrecht in artikel 4.79 van de Invoeringswet Omgevingswet, dat aanvullend geldt. Hieruit volgt, kort gezegd, dat de (procedurele) samenhang tussen de eerste en tweede fase omgevingsvergunning (waaronder de inwerkingtreding) wordt losgelaten. Hierdoor kunt u geen fase twee aanvraag meer indienen, maar vraagt u een omgevingsvergunning onder het regime van de Omgevingswet aan. Pas vanaf het moment dat dit besluit onherroepelijk is, wordt deze omgevingsvergunning, gelet op artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet. Naast de verplichtingen uit dit besluit kunnen er voor u sinds 1 januari 2024 ook (nieuwe) verplichtingen gelden op grond van de nieuwe Omgevingswet.
Deze kunnen voortvloeien uit de nieuwe regels van het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap. U kunt daarbij denken aan (nieuwe) algemene regels waaraan u moet voldoen, vergunningplichten, meldingsplichten of informatieplichten. Wij adviseren u daarom de nieuwe regelgeving te raadplegen. 9.2 Projectbeschrijving Vesta 3 is een terminal voor de op- en overslag van vloeibare bulk in Vlissingen Oost. Op de locatie worden in negen tanks stoffen van organische aard voor klanten op- en overgeslagen. Een zestal tanks is aangevraagd maar nooit gebouwd. Deze zijn vergund in de revisievergunning van 10 juni 2010 (kenmerk10021416). Het vergunning onderdeel voor deze niet gebouwde tanks wordt daarom nu ingetrokken. Het project waarvoor nu vergunning wordt gevraagd gaat over gekoelde ammoniak opslag in tanks. Het is te omschrijven als het ombouwen van twee bestaande tanks T401 en T402 voor ammoniakopslag en het realiseren van één nieuwe tank voor dit doel. De bestaande tanks zijn in 1992 gebouwd voor deze functie (gekoelde ammoniakopslag) maar zijn de laatste jaren gebruikt voor opslag van organische stoffen. In voorschrift 6.2.2 van de revisievergunning (kenmerk10021416) is deze klasse 3 en 4 (K3/K4) opslag gereguleerd. De om te bouwen tanks hebben elk een volume van 32.000 m3 (16.666 ton ammoniak) en zijn gesitueerd in tank put TP5.
Naast de twee bestaande tanks wordt ook één nieuwe tank (T403) met een volume van 78.000 m3 (54.000 ton ammoniak)
Blad 27 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
aangevraagd. Uit de plattegrond volgt dat deze tank noordwestelijk van T401/T402 is geprojecteerd. In verband met het logistieke proces worden er nieuwe overslagfaciliteiten gerealiseerd voor scheeps- en spoorverlading. De ammoniak wordt enkel aangevoerd middels zeeschepen. Voor de afvoer zijn naast zeeschepen ook binnenvaartschepen en spoorketelwagons voorzien. De opgegeven afvoer verhouding is zeevaart (50%), binnenvaart (32,5%) en spoor (17,5%). De aangevraagde doorzet per jaar bedraagt 2.000.000 ton ammoniak. De steiger zal zowel gebruikt worden voor de op- en overslag van zowel aardolieproducten (vergund) als ammoniak (uitbreiding). Voor de nieuwe tank alsmede de overslagfaciliteiten is fase 1 uit de nieuwste PGS 12 versie 1.0, december 2025 het kader. Voor bestaande tanks is er ook een PGS 12 richtlijn opgesteld. Dit wordt fase 2 genoemd. De bestaande tanks T401 en T402 worden zodanig omgebouwd dat ze aan deze PGS 12 fase 2 eisen voor bestaande tanks (PGS 12 versie 1.0, december 2025) kunnen voldoen. Voor het opslaan van ammoniak worden ook utiliteiten aangevraagd. Aangezien ammoniak een laag kookpunt heeft (-33 graden Celsius) dient de opslag middels koeling te worden beheerst. Dit is onder meer aan de orde bij verlading vanuit een zeeschip. Andersom is opwarming van ammoniak nodig als spoorketelwagons en binnenvaartschepen geladen worden vanuit de gekoelde opslagtank.
Concreet is de aanvraag onder te verdelen in de volgende activiteiten: • Ombouwen twee bestaande tanks T401 en T402 voor ammoniak opslag; • Realiseren één nieuwe tank T403 voor ammoniakopslag in de bestaande tankput 4; • Het gehele leidingwerk en alle appendages op de tank T401 en T402 vernieuwen; • Verlagen van de totale opslagcapaciteit K3/K4 stoffen. • Realisatie van een nieuwe steiger aan de Sloehaven met 4 jetties inclusief laadarmen voor de verlading ter vervanging van de bestaande steiger. • Realisatie nieuwe koelinstallatie en boil off gas systeem • Realisatie verlaadplaats en laadfaciliteiten voor spoorketelwagens voor warme ammoniak; • Realisatie van nieuwe pompen voor het transport van vloeibare ammoniak (warm en koud); • Realisatie nieuwe pijpleidingen voor intern transport met vloeibare ammoniak (warm en koud); • Realisatie van een opwarmsysteem met bijbehorende warmtewisselaars, zeewaterpompen en compressoren; • Realisatie van een scrubber voor het verwerken van ammoniakgas tot aqua-ammonia; • Realisatie opslagtanks en verlaad faciliteit voor aqua-ammonia en demiwater; • Realisatie van gasgestookte (nood)fakkelinstallatie; • Diverse ondersteunende functies zoals nieuwe controleruimte, transformatorruimte, en kantoor Het volgende verzoek tot intrekking maakt onderdeel uit van de aanvraag:
Blad 28 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
-
Vergunde maar niet gerealiseerde activiteiten met K3 / K4 opslagtanks in T501 en T502 (tankput 5) en T601, T602, T603 en T604 (tankput 6) in trekken.
Gelet op de leeftijd van de revisievergunning en de wezenlijke verandering die nu aangevraagd wordt bestaat er noodzaak een actualisatie door te voeren. Voor deze ambtshalve actualisatie is de Omgevingswet van toepassing, omdat het ontwerpbesluit na de inwerkingtreding van de omgevingswet ter inzage zal worden gelegd. Daarom is overwogen hiervoor een apart besluit te nemen (kenmerk 3812173). Tabel 5 Overzicht eerder verleende vergunning en/of geaccepteerde melding Datum Vergunning onderwerp Kenmerk 15-06-2010 Revisievergunning 10021416 13-05-2014 Trafostation W-AOV140151/00052096 25-07-2016 Blusbootaansluiting en bedrijfsbeëindiging W-AOV160041/00117676 29-03-2017 Watervergunning RWS-2017/13038 08-09-2017 Inrichtingsgrens aanpassen W-AOV160512/00147169 23-06-2022 Energievoorschriften 9999230315_99991145966 Bevoegd gezag Uit de aanvraag volgt dat binnen de inrichting zowel organische als anorganische stoffen worden opgeslagen. We constateren dat er meerdere BOR categorieën van toepassing zijn. Uit de kennisgeving volgt dat de inrichting onder categorie 4.3a en 5.3b van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) valt.
Op grond van de in de inrichting aanwezige hoeveelheid gevaarlijke stoffen die de hoge drempelwaarde uit Bijlage I van de Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 behorend bij het Besluit risico's zware ongevallen 2015 overschrijdt, is dat besluit van toepassing op uw inrichting. Gezien artikel 2.4 van de Wabo en artikel 3.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn wij het bevoegd gezag om de omgevingsvergunning te verlenen. Besluit risico's zware ongevallen 2015 (BRZO 2015) Op grond van de in de inrichting aanwezige hoeveelheid gevaarlijke stoffen die de (hoge/lage) drempelwaarde uit Bijlage I van de Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 behorend bij het Besluit risico's zware ongevallen 2015 overschrijdt, is dat besluit van toepassing op uw inrichting. Dit is onder meer gebaseerd op de aanwezigheid van een acuut toxische stof volgens categorie 3 gebaseerd op giftig bij inademing (H zin 331). Richtlijn Industriële Emissies (RIE)
Blad 29 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
Uit de aanvraag blijkt dat de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (RIE) niet op de inrichting van toepassing is. Vesta valt niet onder de genoemde categorieën vermeld in bijlage I Richtlijn Industriële Emissies (RIE). Hiermee is de inrichting geen RIE-plichtige inrichting en daarmee hoeft bij het vaststellen van de Best Beschikbare Technieken (BBT) in beginsel alleen rekening gehouden te worden met de Nederlandse BBT documenten. 9.3 Procedure De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.3 van de Wabo, de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Volledigheid en ontvankelijkheid Volgens artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo dient de aanvrager er voor zorg te dragen dat de aanvraag betrekking heeft op alle activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Gebleken is dat alle onlosmakelijke onderdelen zijn aangevraagd. Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid aan de indieningsvereisten uit de ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor) en op inhoud beoordeeld. Daarbij is gebleken dat een aantal gegevens ontbrak. Wij hebben de aanvrager per brief op vier momenten in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens te leveren. In tabel 6 is dit weergegeven.
Tabel 6 overzicht aanvullingen aanvraag Verzoek om aanvullingen Datum Kenmerk 07-03-2024 07-05-2024 27-06-2024 19-07-2024 Totaal
5679810 6001649 6134840 6256906
Ontvangst aanvullingen Datum Opschorting (dagen) 04-04-2024 31 07-06-2024 30 12-07-2024 18 29-07-2024 10 89
Wij hebben de aanvullende gegevens tijdig ontvangen. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag samen met de aanvullingen volledig is en voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is zowel volledig als ontvankelijk en daarom in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
Blad 30 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
9.4 Adviezen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26, eerste en derde lid, van de Wabo, alsmede de artikelen in § 6.1 van het Bor, hebben wij burgemeester en wethouders van gemeente Vlissingen, Rijkswaterstaat Zee en Delta, Veiligheidsregio Zeeland en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de gelegenheid geboden om te adviseren op de aanvraag. Daarnaast hebben wij de aanvraag ter kennisname doorgestuurd naar Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Naar aanleiding hiervan hebben wij adviezen ontvangen van Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) en Rijkswaterstaat. De adviezen worden hieronder samengevat en voorzien van onze beoordeling voor deze vergunning.
Waterwet De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een handeling waarvoor een watervergunning als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, van de Waterwet vereist is. Het betreft het onttrekking en lozen van zeewater. Hiervoor is een vergunning noodzakelijk op grond van de Waterwet. Daarom is samen met deze aanvraag een aanvraag om een vergunning op grond van de Waterwet ingediend. De definitieve Waterwet vergunning zal gelijktijdig worden gepubliceerd. Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) De VRZ heeft op 16 augustus 2024 geadviseerd. De grondslag voor advisering is gelegen in art. 10, 17, 25, 31 en 48 van de Wet Veiligheidsregio’s, Brzo 2015, art.12 Bevi, art. 2.26, eerste en derde lid Wabo en het Bouwbesluit 2012. Er wordt onderscheid gemaakt in fysieke en externe veiligheid. Advies fysieke veiligheid Veiligheidsregio Zeeland kan instemmen met het herbeoordelingsdocument van 29 juli 2024.
Op de volgende punten is er eveneens sprake van instemming: • Het geschikt maken van de bestaande opslagtanks T 401 en T402; • Het oprichten een nieuwe opslagtank voor koude vloeibare ammoniak (T403); • Het voorzien in de benodigde beheer- en veiligheidssystemen en voorzieningen voor controle en monitoring van de hoogwaardige installatie systemen; • Het aanleggen van de benodigde infrastructuur voor laden en lossen; • Het voorzien van nieuwe laad en los faciliteiten voor scheepvaart en spoorketel vervoer, Bij het advies stelt VRZ de volgende voorwaarden:
Blad 31 van 127
Ons kenmerk
2406998_5551474
•
•
• •
•
• • •
•
•
• •
De aanvraagdocumenten, waarbij de voorwaarden volgens oude versies van de PGSvan toepassing zijn verklaard worden niet als zodanig aanmerkt worden als zijnde definitieve aanvraagdocumenten; Vesta Terminals Flushing B.V schriftelijk kenbaar maakt dat voor de inrichting enkel en alleen de nieuwe BBT-voorwaarden, waaronder PGS-12 versie 01 december 2025, van toepassing wordt verklaard voor T403; Vesta Terminals Flushing B.V. schriftelijk verklaart alles in het werk te zullen stellen om emissie van ammoniak naar de directe omgeving en het milieu te voorkomen; De installaties moeten aantoonbaar geschikt bevonden worden om de oorzaak- en gevolgscenario’s zoals benoemd in hoofdstuk 4 van PGS-12 versie 01 december 2025 te kunnen beheersen; Met het toepassen van de maatregelen en voorzieningen moeten de doelen, zoals benoemd in hoofdstuk 5 van PGS-12 versie 01 december 2025 worden nageleefd waarmee beoogd wordt het risico zoveel mogelijk te beperken; De van toepassing zijnde maatregelen, zoals beschreven in hoofdstuk 7 van PGS-12 versie 01 december 2025, te voorzien waardoor beheersbare installaties ontstaan; Tijdig de veiligheidsstudies (HAZOP & LOPA of gelijkwaardig) laat beoordelen door het bevoegd gezag; Tijdig de beheersmaatregelen, waarbij repressief optreden noodzakelijk is, inzichtelijk maakt in een Bedrijfsbrandweerrapport ter beoordeling aan het bevoegd gezag (Artikel 31
Wvr); In afstemming met het bevoegd gezag en Veiligheidsregio Zeeland de voorzieningen en organisatorische maatregelen voor het beheersen van incidenten, calamiteiten en rampbestrijding worden vastlegt; Voor de gasdetectie (hoofdstuk 7.6.5 ammoniakdetectie), overige branddetectie en stationaire beheerssystemen (hoofdstuk 7.10) moeten uitgangspuntendocumenten (UPD) onder toezicht van een geaccrediteerde inspectie A-instelling worden opgesteld. De betreffende UPD’s moeten ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. Voor operationele beheersing moeten goedgekeurde procedures worden opgesteld; Een planning voor periodieke inspectie, onderhoud en keuring is essentieel voor een goede bedrijfsvoering van de installaties. (hoofdstuk 7.15 van PGS-12 versie 01 december 2025).