5.9 rvs vaststelling bestemmingsplan Scheldkwartier-Timmerplein bijlage 1 bestemmingsplan
Tekst van het document
wettelijk genormeerd. Voor het GR geldt enkel de oriënterende waarde als richtlijn. Het invloedsgebied is het gebied, waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt vaak bepaald door de berekening van het grootste mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt (1%-letaliteitsgrens). Bij een overschrijding van de oriënterende waarde en/of toename van het groepsrisico is een verantwoording van het groepsrisico verplicht. In de Beleidsvisie externe veiligheid is aangegeven, dat bij een toename van het groepsrisico van meer dan 10% van de oriënterende waarde, een uitgebreide verantwoording noodzakelijk is, waarbij aandacht wordt besteed aan de criteria zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. Inventarisatie risicobronnen Ten tijde van de oplevering van het TNO-rapport waren er voor de ontwikkeling van het totale projectgebied Scheldekwartier twee risicobronnen relevant, te weten: • de bovengrondse propaantank met inhoud van 18 m3 van de Koninklijke Schelde Groep B.V.; • het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde. Propaantank Eind 2009 is de bovengrondse propaantank van 18 m3 vervangen door een kleinere propaantank van 9,1 m3. Doordat de inhoud van de huidige propaantank kleiner is dan 13 m3, is de propaantank niet langer Bevi-plichtig.
Op de huidige propaantank is het Activiteitenbesluit wet milieubeheer van toepassing. Op grond van het Activiteitenbesluit geldt een veiligheidsafstand van 25 meter vanuit het vulpunt en de opslagtank. Het project is op meer dan 25 meter vanaf het vulpunt en de opslagtank gelegen. De propaantank is dan ook niet langer een relevante risicobron voor de ontwikkeling van dit plan in het Scheldekwartier. Vervoer gevaarlijke stoffen over de Westerschelde Ten aanzien van de nieuw te bouwen woningen is de enige relevante risicobron het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde. Het gehele Scheldekwartier is gelegen in het invloedsgebied hiervan. Uit het onderzoek van DNV blijkt, dat de 10-6 contour niet op het land komt. Dit geeft dus geen beperking voor de bouw van de woningen. Uit het onderzoek van DNV van december 2013 blijkt, dat het GR wel toeneemt, maar de oriënterende waarde niet wordt overschreden. Op basis van de actualisatie uit 2020 blijkt, dat de uitgangspunten uit 2013, met uitzondering voor de Timmerfabriek, voor het merendeel conservatief zijn. Echter, deze toename is gelet op de omvang daarvan (80 personen) zeer beperkt van aard en leidt daarmee niet tot significante wijzigingen op het groepsrisico. Zoals in het gemeentelijk Externe veiligheidsbeleid en de toelichting daarop is vastgelegd, is in dit geval een uitgebreide verantwoording noodzakelijk.
In het TNO-rapport wordt aangegeven in welke gevallen (scenario’s) de effecten kunnen reiken. Toename groepsrisico DNV heeft berekend wat de gevolgen voor het groepsrisico zijn ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde, waarbij rekening is gehouden met de geplande ontwikkeling van het Scheldekwartier. Voor een gedetailleerde beschrijving wordt verwezen naar het als Bijlage 9 toegevoegde onderzoeksrapport en notitie van DNV uit 2013 en 2020. DNV concludeert dat de oriënterende waarde voor het groepsrisico niet wordt overschreden en op basis van de meest actuele populatiegegevens aannemelijk lager zal liggen dan oorspronkelijk berekend. De resultaten, welke conservatief van aard zijn, geven wel aan, dat de ontwikkeling
43
van het Scheldekwartier leidt tot een toename van het groepsrisico. Om die reden is een verantwoording van de toename van het groepsrisico vereist. Verantwoording groepsrisico (GR) In maart 2006 is door de gemeente de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Vlissingen vastgesteld. Een toelichting daarop is door de Gemeente Vlissingen op 28 september 2010 vastgesteld. Vervolgens heeft de provincie op 10 april 2012 de Beleidsvisie Externe Veiligheid “Verantwoorde Risico’s” vastgesteld. Deze beleidsvisies vormen een uitwerking van het rijksbeleid met betrekking tot externe veiligheid. Hierin is bepaald op welke wijze de provincie Zeeland en de gemeente Vlissingen invulling geven aan het aspect externe veiligheid. In de gemeentelijke beleidsvisie is aangegeven, dat de gemeente risicosituaties beoordeelt aan de hand van de volgende veiligheidscriteria: plaatsgebonden risico, groepsrisico, zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffect. In beide beleidsvisies wordt gesteld, dat de motivatieplicht ten aanzien van het groepsrisico zich beperkt tot relevante gevallen. Dit betreft gevallen waarin het GR de oriënterende waarde (bijna) overschrijdt of wanneer sprake is van een aanzienlijke toename (>10%) van het aantal slachtoffers.
Voor die gevallen vereist de gemeente een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij aandacht wordt besteed aan de criteria zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffect. Motieven voor de acceptatie van (een verslechtering van) een risicosituatie kunnen zijn: a. Het opvullen van kleine open gaten of vervangende nieuwbouw in bestaand stedelijk gebied; b. Een voor de specifieke locatie belangrijke ontwikkeling; c. Een situatie waarbij anders de externe veiligheidsproblematiek (elders) zou toenemen. Ten aanzien van het Scheldekwartier is, evenals voor het plangebied, punt b, en in mindere mate punt a van toepassing. Ten aanzien van voorliggende deelontwikkeling zijn zowel punt a als punt b van toepassing. Het plan voorziet in het opvullen van een open gat in bestaand stedelijk gebied. Het Scheldekwartier, en dit daarvan deel uitmakende deelproject, zijn van zeer groot belang voor de ontwikkeling van de stad, vanuit zowel economisch, maatschappelijk, ruimtelijk als sociaal perspectief. Uit het DNV-rapport volgt, dat het groepsrisico met betrekking tot het vervoer op de Westerschelde iets toeneemt. In beide gevallen blijft het groepsrisico zowel in de situatie met de ontwikkeling van het Scheldekwartier als in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde (OW), maar ligt wel boven de lijn 0,1 x OW.
Dit geldt ook ten aanzien van de prognoses 2015-2030 voor risico’s transport gevaarlijke stoffen Westerschelde. Op grond van de gemeentelijke en provinciale beleidsvisie ‘Externe Veiligheid’ betekent dit, dat er een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico vereist is. Ook voor dit plan dient derhalve een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid van personen bij rampen en zware ongevallen heeft betrekking op de mogelijkheid van personen zichzelf en anderen in veiligheid te brengen. De mate van zelfredzaamheid van een persoon hangt af van zijn eigen fysieke en psychische mogelijkheden en daarnaast van de omgeving. Een goede ontsluiting, beperking van hoogbouw, de ligging van kwetsbare objecten ten opzichte van de bron en aanvullende maatregelen aan gebouwen kan eraan 44
bijdragen dat de effecten van de ramp beperkt blijven. In het TNO-rapport is een beschrijving gegeven van het gehele plan Scheldekwartier. Daarin is aangegeven dat het plan als geheel tot een verbetering leidt van de bereikbaarheid van de binnenstad. Het te realiseren plan voorziet niet specifiek in de huisvesting van verminderd zelfredzame personen, hoewel van de aanwezigheid hiervan wel sprake kan zijn. Vanuit de mogelijke ongeval scenario’s met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde, zijn de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en ook de vereisten die hieraan zouden kunnen worden gekoppeld zeer beperkt. De grootste bedreiging wordt gevormd door een grote ontsnapping van brandbaar gas, gevolgd door een wolkbrand of een gaswolkexplosie. In beide gevallen zal het ongeval binnen 5 tot 10 minuten na het initiële ongeval tot schadelijke effecten in het Scheldekwartier kunnen leiden. Deze tijd is onvoldoende voor een snelle alarmering en duidelijke instructies voor de bevolking. De aanwezigen in het plangebied kunnen dan ook tijdig worden gewaarschuwd bij een ongeval. Extra investeringen in vluchtwegen leveren geen bijdrage voor de beperking van het aantal slachtoffers ten gevolge van de eerste “klap”. Wel zal het daarna ook nog noodzakelijk zijn om het gebied te ontruimen, gewonden op te vangen en secundaire branden te blussen.
Naast ongevallen met brandbare gassen zijn ook ongevallen met ammoniak relevant voor het gebied. Afhankelijk van de weersomstandigheden (en de grootte van de ontsnapping) kunnen de gevolgen ook tot in (en voorbij) het Scheldekwartier reiken. Bij een dergelijk scenario zal er over het algemeen voor worden gekozen om de bevolking te alarmeren en instructies te geven naar binnen te gaan en ramen en deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Dit is een aandachtspunt in de bouwplannen. Voor de publieke gebouwen in het Scheldekwartier is het van belang, dat de beheerder en het personeel weet hoe te handelen bij een dergelijke calamiteit. Dit geldt overigens ook voor de rest van Vlissingen. Voor de ontwikkeling van het Scheldekwartier is voorzien in een goede verkeersontsluiting. Hulpverleningsdiensten kunnen snel ter plaatse zijn om het potentiële schadegebied snel te ontruimen. Verder zijn er voldoende vluchtmogelijkheden om het gebied te verlaten. Door de gerealiseerde oostelijke ontsluiting van de binnenstad en de aanleg van De Willem Ruysstraat, is de bereikbaarheid, maar ook de vluchtroute van de binnenstad sterk verbeterd. In 2012 is het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan en het Verkeerscirculatieplan voor de binnenstad vastgesteld. Hulpdiensten (ambulancedienst, politie, brandweer) zijn betrokken geweest bij de totstandkoming hiervan.
In dit kader hebben zij aangegeven tevreden te zijn met de destijds beoogde - en inmiddels gerealiseerde - verbetering van de bereikbaarheid van de binnenstad en het Scheldekwartier. Gezien het bovenstaande is de bereikbaarheid van de binnenstad als gevolg van de ontwikkeling van het Scheldekwartier verbeterd. Met de genoemde maatregelen is de bereikbaarheid en ontsluiting van de binnenstad verder geoptimaliseerd. Dit komt de zelfredzaamheid en beheersbaarheid bij een calamiteit ten goede. In het plangebied is hoogbouw voorzien. De realisatie van deze hoogbouw appartementen vormt een specifiek aandachtspunt in die zin dat bij de inrichting van de openbare ruimte niet alleen rekening dient te worden gehouden met opstelpunten voor blusvoertuigen, maar tevens
45
voor redvoertuigen. Het bouwplan wordt dan ook ter beoordeling aan de Veiligheidsregio voor gelegd. Daarnaast wordt in zijn algemeenheid informatie verstrekt aan Vlissingse bewoners over op welke wijze te handelen in risicosituaties bij calamiteiten. Dit kan ertoe bijdragen dat ze beter in staat zijn om te gaan met informatie die ze tijdens een calamiteit van de hulpdiensten krijgen. In het plangebied worden geen specifieke functies/voorzieningen mogelijk gemaakt voor verminderd zelfredzame personen. Er kan dan ook geconcludeerd worden, dat zich geen knelpunten voordoen ten aanzien van de aspecten ‘ontvluchting’ en ‘bereikbaarheid’. Beheersbaarheid en resteffect Ongevallen met ammoniak en brandbare stoffen kunnen tot grote slachtofferaantallen leiden. De mogelijkheden van de hulpverleningsdiensten om deze ongevallen te bestrijden zijn beperkt. Bij ongevallen met toxische stoffen is het van belang, dat de alarmering snel verloopt en dat er snel voor wordt gekozen om de bevolking te waarschuwen met het advies: ramen en deuren en ventilatieopeningen sluiten. Daarbij is het tevens van belang dat de brandweer snel ter plaatse van het ongeval is om een inschatting te maken van de situatie. Het vrijkomen van een brandbaar gas dat vertraagd ontstoken wordt, heeft warmtestraling en eventueel drukeffecten tot gevolg.
Door de vertraagde ontsteking kan de wolk zich verspreiden wat indien de wolk zich richting Vlissingen verspreidt, kan leiden tot een grote toename van het aantal slachtoffers. De mogelijkheden voor de hulpverleningsdiensten zijn beperkt. Detectie en alarmering heeft hierbij minder effect dan bij ammoniak aangezien het advies dat gegeven moet worden niet op voorhand duidelijk is, omdat het (vrijwel) niet te voorspellen is of een wolkbrand of wolkexplosie op zal treden. Personen die zich binnenshuis bevinden worden in grote mate beschermd tegen warmtestraling. Bij het optreden van drukeffecten kan het verblijf binnenshuis echter ook tot extra gewonden of zelfs doden leiden (als gebouwen instorten, of door brokstukken, gesprongen ramen). Met de huidige middelen is het voor de hulpverleningsdiensten niet mogelijk om de effecten van een wolkbrand of wolkexplosie te voorkomen. Bij de concrete invulling van de openbare ruimte zal aansluiting worden gezocht bij de handleiding ‘Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR.) Deze invulling wordt in overleg met de gemeentelijke brandweer/Veiligheidsregio Zeeland bepaald. Conclusie De mogelijkheden van de hulpverlening om de gevolgen te beperken die worden veroorzaakt door een ongeval op de Westerschelde zijn zeer beperkt.
Met name bij de ongevallen met brandbare gassen kunnen honderden slachtoffers vallen. De ontwikkelingstijd hiervan is zo snel dat er onvoldoende tijd is om met repressief optreden de gevolgen te beperken. Tevens zijn ongevallen met ammoniak van belang. Afhankelijk van de weersomstandigheden kan het noodzakelijk zijn om grote delen van Vlissingen (ook het Scheldekwartier) te alarmeren en te instrueren om ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Dit vereist een zeer snel handelen van de hulpverleningsdiensten. Voorwaarde daarbij is uiteraard dat de hulpverleningsdiensten zelf ook snel gealarmeerd zijn.
46
De hulpdiensten zijn in Zeeland op het overgrote deel van de rampen voorbereid. Echter bij een bepaald aantal rampen zal de hulpverleningscapaciteit niet toereikend zijn. Het schadebeeld dat bij deze rampen op kan treden vergt meer van de hulpverleningsdiensten dan waar zij toe uitgerust zijn. De realisatie van het Scheldekwartier en dit plan kan bij een calamiteit zorgen voor een toename van het aantal gewonden. De hulpverleningsdiensten zijn bij een worst-case-scenario onvoldoende in staat te voldoen aan de hulpvraag. Afweging Het Scheldekwartier, en dit daarvan deel uitmakende plan, is van zeer groot belang voor de ontwikkeling van de stad, vanuit zowel economisch, maatschappelijk, ruimtelijk als sociaal perspectief. Het is een stadsdeel, dat gezien moet worden als uitbreiding van de binnenstad. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid en intensief ruimtegebruik, worden bestaande terreinen en bestaande gebouwen getransformeerd tot nieuwe bestemmingen en daarmee nieuw gebruik. Dit belang moet afgewogen worden tegen de toename van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde. Indien zich een calamiteit voordoet, waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, kunnen de gevolgen groot zijn.
Echter door het treffen van maatregelen in het kader van zelfredzaamheid en beheersbaarheid (zoals hiervoor beschreven), in combinatie met de zeer kleine kans op een calamiteit, wordt dit niet als een belemmering voor de realisering van dit project gezien. 5.6
Bodem en niet gesprongen conventionele explosieven Wettelijk kader Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan, onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de beoogde nieuwe functie. Per 1 januari 2008 is het Besluit Bodemkwaliteit in werking getreden. Op grond van dit besluit wordt de verplichting gesteld om een bodemfunctieklassenkaart op te stellen. Op 26 juni 2013 is de Nota bodembeheer, inclusief herziene bodemfunctieklassenkaart, voor het grondgebied van de gemeente Vlissingen vastgesteld door de gemeenteraad. Op deze kaart heeft het plangebied de functie ‘wonen’. Bij het uitvoeren van een bodemsanering dient teruggesaneerd te worden tot de bodemkwaliteit ‘wonen’. Wanneer grond toegepast wordt binnen het gebied zal deze de kwaliteit ‘wonen’ of schoner moeten hebben. Onderzoeksresultaten (Woning-)bouwprogramma De geplande ontwikkeling valt binnen de grenzen van het ‘Saneringsplan plangebied Scheldekwartier (KSG-werf) te Vlissingen’ (MWH, september 2008). In dit saneringsplan wordt de aanpak van de al bekende verontreinigingen beschreven. Het saneringsplan is ter beschikking voorgelegd aan Gedeputeerde Staten van Zeeland.
Gedeputeerde Staten heeft bij besluit van 11 november 2008 ingestemd met het saneringsplan. Op basis van het saneringsplan moet, vooraf aan de geplande ontwikkeling, een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd worden. De resultaten van dit bodemonderzoek en de bouwplannen vormen de basis voor het op te stellen uitvoeringsplan. Voordat gestart kan worden met de werkzaamheden moet het uitvoeringsplan
47
ter beoordeling en goedkeuring aan Gedeputeerde Staten worden voorgelegd. Het saneringsplan en het instemmingsbesluit zijn als Bijlagen 10 en 11 bij dit plan gevoegd. Maritiem programma Voor de waterbodem in het Kanaal door Walcheren heeft te gelden, dat deze sterk verontreinigd is met zware metalen. Wanneer werkzaamheden in de waterbodem plaats moeten vinden, zal vooraf aan het verplaatsen van de sliblaag overleg moeten plaatsvinden met het bevoegd gezag over de uit te voeren werkwijze. Voor het vernieuwen van de kade heeft overleg als hiervoor bedoeld plaatsgevonden. Omdat slechts vervuild slib wordt afgevoerd, is het treffen van maatregelen niet nodig Niet-gesprongen conventionele explosieven Normstelling Op 3 oktober 2013 heeft de gemeenteraad het beleid met betrekking tot niet gesprongen conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog (CE), inclusief beleidskaart vastgesteld. In dit beleid en op de bijbehorende kaart is vastgelegd in welke deelgebieden wel of geen nader onderzoek naar CE uitgevoerd moet worden voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden. Op de CE-beleidskaart wordt het gebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, aangeduid als verdacht gebied voor de aanwezigheid van CE. Bij alle grondroerende werkzaamheden dieper dan 0,4 m –mv, dient daarom onderzoek naar CE uitgevoerd te worden.
Onderzoeksresultaten In 2017 is in opdracht van de gemeente Vlissingen een risicoanalyse uitgevoerd naar CE binnen het plangebied Scheldekwartier (Expload, 17/04/2017). De burgemeester van de gemeente Vlissingen is akkoord gegaan met de conclusies uit dit rapport, dat als Bijlage 12 is bijgevoegd. Uit deze risicoanalyse blijkt, dat de te ontwikkelen locatie niet meer verdacht is op de aanwezigheid van CE. Er hoeft daarom geen aanvullend detectieonderzoek uitgevoerd te worden. De uitkomsten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 5.7
Water Wettelijk kader Door de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is het instrument van de watertoets geïntroduceerd. De watertoets is inmiddels verankerd op alle ruimtelijke planniveaus, die Nederland kent. De watertoets is een beoordeling van de invloed, die ontwikkelingen of beheer van een projectgebied hebben op het watersysteem in dat gebied. Het is noodzakelijk de gevolgen van de beoogde ontwikkelingen voor de waterhuishoudkunde en het watersysteem na te gaan. De provincie Zeeland heeft het beleid voor de bescherming van het grond- en oppervlaktewater opgenomen in het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 en zijn daarover regels opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening In de Waterverordening Zeeland zijn regels opgenomen ter bescherming van kwetsbare (natuur)gebieden, die gevoelig zijn voor verdroging. In het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2012-2017 (GRP) heeft de gemeente Vlissingen de verbrede zorgplicht uit de Waterwet vastgelegd. Dit plan geeft aan hoe de gemeente invulling geeft aan de zorgplicht voor de door haar te behartigen aspecten: afvalwater, hemelwater en grondwater. 48
Voor het Scheldekwartier is in het MER aandacht besteed aan de waterhuishouding, de riolering en de waterkwaliteit in het plangebied. Geconcludeerd is, dat de waterhuishoudkundige maatregelen, die zijn voorzien, voldoen aan de normen, die worden gesteld door de provincie en het waterschap. Voor het Scheldekwartier is op 27 juli 2017 het ‘Herziene rioleringsplan Scheldekwartier’ vastgesteld, dat als Bijlage 13 is bijgesloten. Dit plan is afgestemd op het grondstromenplan, dat is ontwikkeld. Het rioleringsplan geeft weer op welke wijze met de (afval)waterstromen binnen het Scheldekwartier wordt omgegaan, waarbij aandacht is besteed aan de hoogteligging, de waterscheiding en waterkering en de afwatering vuilwaterriool en regenwater. Ook is er aandacht besteed aan de afvoercapaciteit in het kader van de klimaatbestendigheid en de fasering van de aanleg van de riolering. Waterkering Alle kaden binnen het Scheldekwartier doen dienst als regionale waterkering. Gedeputeerde Staten hebben een normhoogte vastgesteld, waaraan deze moet voldoen. Deze normhoogte wordt het grenspeil genoemd. Voor Vlissingen is dit grenspeil vastgesteld op NAP +3.40 meter, verhoogd met 0,50 meter voor Noordzee en Westerschelde, waarmee de dijkkruinhoogte in het Scheldekwartier moet voldoen aan een hoogte van NAP +3.90 meter.
Bij de provincie is een nieuwe normering in voorbereiding voor de regionale waterkeringen. Vooruitlopend op deze nieuwe normering is gesteld, dat de nieuwe normhoogte voor het Scheldekwartier op NAP +3.10 meter vastgesteld zal worden en dat de hoogwaterveiligheid met deze hoogte niet in het geding is. Voor locaties, waarvan de hoogte momenteel NAP +3.90 meter bedraagt, geldt consolidatie. Dit is bevestigd bij brief van het Waterschap Scheldestromen d.d. 15 september 2014. Tevens is bij besluit van het dagelijks bestuur van het waterschap d.d. 27 augustus 2014 besloten om door middel van een bebouwingscontour in de beschermingszone A, die op de kaden langs het Dok is gelegen, bebouwing toe te laten, mits het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkering niet worden aangetast. Door kadeherstel zal de ligging van de regionale waterkering wijzigen. De waterkering komt verder het Dok in te liggen. De wijziging van de ligging van de regionale waterkering behoeft aanpassing van het tracé in zowel de Waterverordening als de Legger. Watertoets Met het Waterschap Scheldestromen wordt overleg gevoerd over de wateraspecten in bestaande wijken. In bestaande wijken zal, indien herinrichting aan de orde is, aandacht besteed worden aan de mogelijkheden ter verbetering van de wateraspecten.
Bij nieuwe ontwikkelingen zal vanaf het begin van de inrichting van de te ontwikkelen locatie, het waterschap betrokken worden om een waterhuishoudkundig aanvaarbare situatie te creëren. Voor de watertoets is gebruik gemaakt van de door het waterschap aanbevolen tabel. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen
Het plangebied ligt binnen het waterstaats-
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening
werk en beschermingszones A en B van de
houden met de daarvoor benodigde ruimte.
waterkering.
49
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het bebouwd oppervlak ten opzichte van de
Het plan biedt voldoende ruimte voor het
situatie waarin het terrein als bedrijfsterrein in
vasthouden, bergen en afvoeren van water.
gebruik en geheel verhard was neemt af, zo-
Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstro-
dat watercompensatie niet aan de orde is.
ming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de ge-
Dit aspect is in het kader van gehele heront-
volgen van klimaatverandering en de kans op ex-
wikkeling van het Scheldekwartier met het
treme weersituaties.
Waterschap kortgesloten en goedgekeurd.
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Het hemelwaterafvoer en vuilwaterafvoeren wor-
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/
den gescheiden aangelegd.
RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in
Het hemelwater wordt afgekoppeld, zodat kan
verband met de reductie van hydraulische belasting
worden afgevoerd naar omliggende oppervlakte-
van de RWZI, het transportsysteem en het beper-
wateren. Voor de pleziervaartuigen geldt
ken van overstorten.
voorts een lozingsverbod voor toiletwater.
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Er wordt geen grondwater onttrokken. Regenwa-
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast
ter wordt -ook voor de drijvende voorzieniungen-
en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen
afgekoppeld en kan worden afgevoerd naar om-
van klimaatverandering. Beschermen van infiltratie-
liggende oppervlaktewateren De beoogde ont-
gebieden en –mogelijkheden.
wikkeling is niet nadelig voor de watervoorziening. De ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de waterkwaniteit. De beoogde woningbouw leidt niet tot het onttrekken van grondwater of het infiltreren van grondwater met als doel het later weer op te pompen. Verdroging is dan ook niet aan de orde.
Grondwaterkwaliteit
Er wordt niet gebouwd in of nabij een natuur- of
Behoud of realisatie van een goede grondwater-
infiltratiegebied of een gebied voor drinkwater-
kwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebie-
voorziening. Door het gebruik van duurzame niet
den.
uitlogende bouwmaterialen heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het plan veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem of grondwaterbeschermingsgebieden in de omgeving.
Oppervlaktewaterkwaliteit
Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied of
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewater-
natuurgebied. De beoogde ontwikkeling heeft
kwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het wa-
derhalve geen nadelige gevolgen voor de water-
tersysteem. Toepassing van de trits schoonhou-
kwaliteit. Door het gebruik van duurzame niet
den, scheiden, zuiveren.
uitlogende bouwmaterialen wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater de bodem en het grondwater verontreinigt. Ingrepen voortkomend uit dit plan tasten geen bodemlagen aan als gevolg waarvan het grondwatersysteem verandert. 50
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Volksgezondheid
In het plangebied wordt geen nieuw oppervlakte-
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en
water gerealiseerd. Er zijn dus ook geen over-
plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-ri-
storten die uitkomen op het oppervlaktewater. Er
sico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
is mogelijk een beperkt risico ten aanzien van verdrinking. Voor bewoners/toeristen wijzigt dit niet ten opzichte van de bestaande situatie, omdat de steigers niet openbaar toegankelijk zijn. Gebruikers van de haven worden geacht de risico’s te kennen en passende maatregelen te treffen. Er worden derhalve geen water gerelateerde consequenties voor de volksgezondheid verwacht
Bodemdaling
Het peilregiem van het plangebied is afgestemd
Voorkomen van maatregelen die (extra)
op bebouwd gebied. Er is geen sprake van een
maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden
peilverlaging en/of bodemdaling. Derhalve is
kunnen veroorzaken.
deze problematiek niet aan de orde. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht.
Natte natuur
Een deel van het plangebied betreft open water
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevari-
en grenst direct buiten het sluizencomplex aan
eerde en natuurlijk karakteristieke aquatische na-
natte natuur. Het treffen van maatregelen is ech-
tuur.
ter, gelet op de uitgevoerde onderzoeken, niet nodig.
Onderhoud oppervlaktewater
Onderhoud kan overeenkomstig de bestaande
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
situatie worden uitgevoerd.
worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder
De ontwikkeling werkt niet belemmerend.
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen)
Nee
plaats over waterschapswegen? *na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
Ja, door het realiseren van onderhavige ontwikkeling met bijbehorende voorzieningen zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. Hierbij overwegen wij, dat het plangebied in twee richtingen direct op de bestaande
51
infrastructuur kan worden ontsloten. De toename van het verkeer zal derhalve voor de nabije omgeving snel in de bestaande verkeersstromen worden opgenomen en niet tot onevenredige overlast leiden. na realisatie: bereikbaarheid
Het plangebied zal voor alle bezoekers, bewo-
Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voet-
ners en werknemers via de nieuw te leggen
gangers uw plan kunnen bereiken.
hoofdinfrastructuur (Dokbrugroute) bereikbaar zijn. Hiertoe zal binnen de grenzen van het
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw
plangebied een nieuwe doorgaande weg wor-
aangelegd?
den gerealiseerd.
Na realisatie: parkeren
Grotendeels; parkeren vindt plaats in de aan
Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?
te leggen ondergrondse parkeervoorzieningen, alsmede in de directe omgeving van de locatie. In dat kader zal in de Machinefabriek een parkeervoorziening voor met name bezoekers worden gerealiseerd. Deze ligt binnen een redelijke en acceptabele loopafstand van het plangebied.
Na realisatie: (ver)bouwen
Ja, het plangebied sluit aan op vaarwegen of
Bent u voornemens om binnen 20 meter van een
wegen in eigendom van het waterschap,
waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen?
Rijkswaterstaat of de provincie, te weten de
(zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
Keersluisbrug en het omliggende water van het Kanaal door Walcheren. Dit zijn bestaande elementen waarvoor geen wijzigingen worden voorzien. De voorgenomen ontwikkeling werkt niet belemmerend voor de waterschapswegen en functies daarvan. De beperkte toename van het aantal schepen zorgt niet voor wijzigingen in bereikbaarheid of onderhoudsmogelijkheden.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg. De vaststelling van het bestemmingsplan heeft nauwelijks tot geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied.
52
5.8
Natuurwaarden Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden, waarin de bescherming van de natuur, ten opzichte van de voorheen geldende wetgeving, gemoderniseerd en vereenvoudigd is. Op provinciaal niveau is het Natuurnetwerk Zeeland (voorheen EHS), als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018. Hierbij is een onderverdeling gemaakt in soortenbescherming en gebiedsbescherming. Bij de wetgeving ten aanzien van de soortenbescherming gaat het erom, dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt, terwijl de gebiedsbescherming gericht is op het veiligstellen van grotere gebieden om bijzondere ecosystemen of leefgebieden (habitats) te kunnen beschermen en behouden. Door Econsultancy is een quickscan en een natuurtoets voor zowel het (woning-)bouw als het maritieme programma uitgevoerd. De conclusies en aanbevelingen zijn neergelegd in de ‘Rapportage quickscan flora en fauna Maritieme gebied te Vlissingen’ van 6 juli 2018 en de rapportage Natuurtoets Timmerplein van 25 juni 2019 (Bijlagen 14 en 15). De onderzoeksresultaten luiden als volgt: Onderzoeksresultaten Soortenbescherming Op basis van de quicscan en de natuurtoets is aanvullend veldonderzoek naar de aanwezigheid van verschillende soortgroepen niet noodzakelijk.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Tevens is er geen sprake van het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen. Gebiedsbescherming (Woning-)bouwprogramma De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Wel is het in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de Natura 2000 is het Vogelrichtlijngebied (VRG) alsook het Habitatricht-lijngebied (HRG) de “Westerschelde & Saeftinghe” en ligt op circa 500 meter afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie. Verder zijn verschillende Natura 2000-gebieden op grotere afstand gelegen. Dit betreft de “Vlakte van de Raan” (HRG) op circa 13 kilometer ten westen van de onderzoekslocatie, “Manteling van Walcheren” (HRG) op circa 14 kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie en het “Groote Gat” (HRG) op circa 14 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie.
Vanwege de grote afstand tot de onderzoekslocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat habitattypes en/of habitatrichtlijnsoorten verstoord zullen worden door de voorgenomen ingreep. Derhalve zullen deze verder gelegen gebieden niet meegenomen worden in de analyse. De onderzoekslocatie ligt binnen de invloedssfeer van het Natura-2000 gebied Westerschelde & Saeftinghe. Op basis van de oriënterende fase van de toetsing aan de Wet natuurbescherming (de zogenaamde “voortoets”) kan worden geconcludeerd, dat er op basis van de 53
voorgenomen plannen, welke zijn getoetst aan de mogelijke verstoringsfactoren, geen sprake zal zijn van negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. Dit mede doordat de voorgenomen realisatie van het programma met bijbehorende ontsluitingsstructuur op afdoende afstand van het habitattype van het Natura 2000-gebied ligt. Daarnaast kan worden geconcludeerd dat er op basis van de voorgenomen plannen geen sprake zal zijn van negatieve gevolgen ten aanzien van habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten. De voorgenomen woningbouw is op basis hiervan niet vergunningsplichtig op grond van de Wet Natuurbescherming. Er is geen aanleiding om vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een verstorings- of verslechteringstoets. Verstoring is door de afstand tot het plangebied en het feit dat dit hiervan gescheiden is, uitgesloten. Verder is beoordeeld of de stikstofdepositie als gevolg van het plan mogelijk effect heeft. Met behulp van het daartoe ontwikkelde rekenprogramma Aerius Calculator is de stikstofdepositie voor dit project berekend. De berekening heeft uitgewezen dat het projecteffect kleiner is dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. De rapportage en berekening is als Bijlage 16 aan de toelichting gehecht. Maritiem programma Voor het maritieme deel is in het kader van het bestemmingsplan ‘Stadshaven Scheldekwartoer’ Arcadis gevraagd de toetsing zoals uitgevoerd in 2013 te actualiseren. Deze actualisatie is opgenomen in het rapport ‘Stadshaven Scheldekwartier Vlissingen, Natuurtoets Wet natuurbescherming – onderdeel Gebiedenbescherming’ van 3 oktober 2018 met kenmerk 079999054 A (Bijlage 17). In deze actualisatie is het navolgende beoordeeld: - het actualiseren van de toetsing voor de Wet natuurbescherming; - een actualisatie van de instandhoudingsdoelen van de relevante Natura 2000-gebieden; - een actualisatie van informatie rond recreatievaart op de Westerschelde; - een actualisatie van de effectbeschrijving; - het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening met Aerius Calculator. Kort samengevat wordt overwogen, dat de beperkte toename van aantal vaartuigen op de Hooge Platen (en Hooge en Lage Springer en Middelplaten) niet tot gevolg heeft, dat de instandhoudingsdoelstellingen van gewone en grijze zeehond of bergeend in gevaar komen.
Het ‘nieuwe’ toegangsbeperkingsbesluit (mitigerende maatregel), verantwoordelijk voor een betere zonering, zorgt ervoor dat verstoring van zeehonden en ruiende bergeenden kleiner wordt dan voor de inwerkingtreding hiervan. De toegang tot bepaalde delen van het Hooge Platen gebied is verboden of slechts onder voorwaarden of ten behoeve van specifieke handelingen toegestaan. Er zal daarmee geen extra toenemende recreatieve druk op ligplaatsen van zeehonden en ruigebied van bergeenden optreden. Significante negatieve effecten op gewone en grijze zeehond of bergeend kunnen daarmee worden uitgesloten. Uit de depositieberekeningen met AERIUS komt naar voren, dat er geen significante negatieve effecten op de meest nabijgelegen stikstofgevoelige habitattypen in Westerschelde & Saeftinghe optreden. Conclusie Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd, dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de realisatie van dit project. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen 54
overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uit te voeren. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene zoogdieren en amfibieën. 5.9
Windhinder Wettelijk kader In Nederland geldt geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Het beoordelen van het aspect windhinder is noodzakelijk in het belang van een goede ruimtelijke ordening (art. 3.1 Wet ruimtelijke ordening). De, inmiddels algemeen en ook in de jurisprudentie, aanvaarde norm NEN 8100 geeft normen voor het beoordelen en onderzoeken van windhinder en windgevaar in de bebouwde omgeving. In deze norm is een beslismodel weergegeven, wanneer windhinderonderzoek nodig is: • gebouwen, hoger dan 30 meter: windonderzoek; • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15-30 meter: een deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is; • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: een deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is. Onderzoeksresultaten Binnen het plangebied zijn gebouwen in bovengenoemde categorieën aanwezig, Derhalve is onderzoek uitgevoerd naar het windklimaat in het plangebied. Het eerste deel van het onderzoek heeft plaats gevonden in 2016 en is in 2018 geactualiseerd. Voor een overzichtelijk beeld van de te verwachten windsituatie is een selectie van de resultaten van beide onderzoeksperioden weergegeven.
Naast de situatie met de Zeelandtoren zijn ter referentiesituaties ook de huidige onbebouwde situatie en de geplande situatie zonder de aanwezigheid van de toren onderzocht In Bijlage 18 zijn de resultaten van het uitgevoerde windhinderonderzoek zoals verwerkt in de rapportage 2018 opgenomen. Het windtunnelonderzoek is uitgevoerd aan de hand van een schaalmodel van het stedenbouwkundig plan Scheldekwartier en omgeving te Vlissingen. De geplande bebouwing omvat onder meer een appartemententoren van circa 100 meter hoogte (t.o.v. maaiveld). Doel van het onderzoek was het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat rondom de Zeelandtoren en in de verdere omgeving. In dat kader zijn 6 scenario’s onderzocht. Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • In de huidige onbebouwde situatie is er overwegend sprake van een matig tot slecht windklimaat, met op de Koningsweg lokaal een beperkt risico op windgevaar; • Gezien de aanzienlijke bouwhoogte en de ligging aan het water en nabij zee, is zonder additionele windafschermende maatregelen een zeer ongunstige windklimaatsituatie rondom de toren te verwachten. In een vroeg stadium van de stedenbouwkundige ontwikkeling (2016) is vastgesteld, dat een aanzienlijke verbetering van het windklimaat te verkrijgen is met een relatief grote luifel rondom de toren.
Deze maatregel is in het ontwerp doorgevoerd hetgeen een positief effect op het windklimaat met zich meebrengt; • Wegens stedenbouwkundige redenen zijn de positie en oriëntatie van de Zeelandtorenrecent gewijzigd. Aan de hand van een actualisatie van het windklimaatonderzoek is 55
•
•
vastgesteld dat het windklimaat in de nieuwe situatie op hoofdlijnen overeenkomt met de situatie van 2016. Het gebied met een slecht windklimaat bevindt zich wel op een andere positie en kan zich, mede afhankelijk van de configuratie van de toekomstige omgevingsbebouwing, enigszins uitbreiden. Vastgesteld is dat met name de hoogte en vormgeving van het bouwdeel ten zuidwesten van de toren bepalend is voor de mate dat de optredende valwind van de toren onder de luifel slaat; Aanvullend is het windklimaat op stedenbouwkundig niveau in de windtunnel geoptimaliseerd door middel van een rotatie van de toren. De toren is (inclusief luifel) 19° om z'n as gedraaid, waarmee de as van de luifel is uitgelijnd met de noordelijk gesitueerde bebouwing. Ten gevolge van deze aanpassing stroomt de wind op een andere manier om de toren en slaat deze minder onder de luifel. Het windklimaat onder de luifel komt hiermee op een beoordeling matig tot goed met het criterium voor doorlopen. Voor windgevoelige functies blijven aanvullend plaatselijke windafschermende voorzieningen nodig. Bij het gebouwontwerp en de terreininrichting kan hiermee rekening gehouden worden. De aanpassing van de oriëntatie van de Zeelandtoren (conform scenario 5) wordt overgenomen in het stedenbouwkundig plan; Op enkele plaatsen in de omgeving blijft sprake van een ongunstig windklimaat.
Uitgaande van scenario 5 is zeer plaatselijk sprake van een beoordeling slecht in enkele doorgangen tussen de bouwdelen aan de Jan Weugkade. Op het eigen terrein tussen 2 van de bouwdelen gaat dit samen met een beperkt risico op windgevaar. Op de aansluiting van de Jan Weugkade en de Koningsweg is eveneens een slecht windklimaat vastgesteld met een beperkt risico op windgevaar. Het windklimaat krijgt hier ook in de bestaande onbebouwde situatie een beoordeling slecht. Het beperkt risico op windgevaar is een lichte overschrijding welke in de uitwerking verder geoptimaliseerd kan worden, bijvoorbeeld door het gebouw ten zuidwesten van de toren getrapt opgebouwd vorm te geven.
Vervolgens is de stedenbouwkundige invulling van het plangebied nader uitgewerkt en zijn een vijftal wijzigingen doorgevoerd die opnieuw aan Peutz ter beoordeling zijn voorgelegd. Deze wijzigingen betreffen: - Blok A: de oppervlakte en hoogte zijn toegenomen; - Blok B; de oppervlakte is iets vergroot; - Blok C: de oppervlakte is verkleind en de hoogte is toegenomen; - Toren D: de oriëntatie is aangepast in lijn met scenario 5; - Blok E: is iets in hoogte toegenomen. Ten aanzien van deze wijzigingen wordt het navolgende geconcludeerd. De wijziging van de Zeelandtoren is de opvolging van het advies, en heeft derhalve een positief effect op het windklimaat. De wijzigingen van de 2 ten noorden van de toren gesitueerde bouwblokken hebben geen noemenswaardig effect op het windklimaat. Een toename van het bouwdeel ten zuidwesten van de toren heeft zowel beperkte positieve als beperkte negatieve effecten tot gevolg. De ophoging van de bebouwing ten noordoosten van de toren sorteert naar verwachting een beperkt negatief effect, er blijft een matig windklimaat te verwachten.
Conclusie Er is gekozen om planregels op te nemen die erin voorzien dat burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen aan bouwplannen met betrekking tot de plaatsing en vormgeving van bouwwerken ter voorkoming of beperking van windhinder in relatie tot stedenbouwkundig plan waar het onderzoek op is gebaseerd. Hiermee wordt geborgd, dat bij de aanvraag 56
omgevingsvergunning windhinder een aandachtspunt is dat nadrukkelijk wordt betrokken. Dit betekent dat de voorgestelde maatregelen planologisch mogelijk worden gemaakt. Binnen de bestemming ‘Gemengd-2’ vallen de maatregelen onder de bij deze bestemming opgenomen bouwregels. De maatregelen krijgen verder vorm in het uiteindelijke bouwplan voor de nieuwbouw. Voor zover nodig, wordt op deze wijze tevens voorzien in de juridische middelen om eventuele noodzakelijke maatregelen af te dwingen. 5.10
Schaduwwerking Door architecten WTS is een bezonningsstudie uitgevoerd om de toekomstige schaduwval van de nieuw te bouwen Zeelandtoren in het plangebied op de nabije omgeving inzichtelijk te maken. Deze bezonningsstudie is als Bijlage 19 aan deze toelichting gehecht. Met betrekking tot bezonning, of een afname hiervan door in de nabijheid gesitueerde bouwplannen, gelden geen wettelijke normen. Het staat het bevoegd gezag vrij om hieraan eisen te stellen. De gemeente Vlissingen heeft dergelijke eisen niet. Aangesloten is bij de zogenaamde ‘lichte norm’ van TNO. Hieraan wordt voldaan als gedurende minimaal twee uren per dag bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Deze bezonning behoeft niet aansluitend plaats te vinden. Voor onderhavig plangebied zijn de gevolgen door het bureau voor de bezonning van de nieuw te realiseren toren voor de directe omgeving over diverse deelgebieden verdeeld. In dit kader wordt aangegeven dat in werkelijkheid de woningen per deelgebied meer zonuren zullen hebben. Voor de overige bebouwing is geen bezonningsonderzoek uitgevoerd, omdat deze bebouwing geen effecten heeft op de bestaande omliggende bebouwing.
Onderzoeksresultaten Hoewel de duur van de bezonning per deelgebied verschilt, is de verwachte bezonningssituatie zo dat voor alle deelgebieden wordt voldaan aan de grenswaarde van 2 zonuren per dag, zoals gesteld in de lichte TNO-norm. Conclusie Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd, dat het aspect schaduwwerking geen belemmering vormt voor de realisatie van dit project.
5.11
Archeologische en cultuurhistorische waarden Archeologie Wettelijk kader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed was tot voor kort vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988, met een nadere uitwerking in de Wet op de Archeologische MonumentenZorg (Wamz) uit 2007. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 is vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat 57
over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Belangrijke uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988, zoals de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en het inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening en de financiering van onderzoek (‘de verstoorder betaalt’), blijven dus onverminderd van kracht. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden moet dan ook rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Daarom is het voor het opstellen van een bestemmingsplan noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre in betreffende gronden archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Gebieden waar resten aanwezig zijn, kunnen middels een dubbelbestemming voor archeologie door het bestemmingsplan worden beschermd.
Voorafgaand aan werkzaamheden waarbij bodemingrepen plaatsvinden, dient dan in bepaalde gevallen nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Op 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad de ‘Nota Archeologische Monumentenzorg Walcheren 2006’ vastgesteld. De provincie Zeeland heeft met de inhoud van deze nota ingestemd. De Nota archeologische monumentenzorg Walcheren 2006 is in 2008 geëvalueerd. De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 24 april 2008 de nieuwe ‘Nota archeologische monumentenzorg Walcheren evaluatie 2008’ vastgesteld. Op 28 januari 2016 heeft de gemeenteraad een actualisatie van deze nota vastgesteld in de ‘Nota archeologische monumentenzorg Walcheren 2016-2022’. Onderdeel van de nota vormt een vrijstellingsregeling, waarbij is bepaald, dat in gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde grondwerkzaamheden zonder archeologisch onderzoek mogen plaatsvinden tot een diepte van 0,40 m en een oppervlakte van 500 m2. Voor gebieden ter hoogte van (AMK)terreinen met een vastgestelde archeologische waarde en voor gebieden ter hoogte van een zogenaamde verwachtingszone op basis van historische kaarten en voor gebieden binnen een straal van 50 meter rondom een vindplaats geldt, dat uitsluitend bodemingrepen, die niet dieper gaan dan 0,40 meter onder huidig maaiveld en geen grotere oppervlakte hebben dan 30 m2, vrijgesteld zijn van archeologisch onderzoek.
Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. In het op basis van deze wet uitgevaardigde Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald, dat voor vergunningsvrije bouwwerken tot 50 m2 geen beperkingen ten aanzien archeologie gelden. Dat betekent, dat de vrijstellingsregeling tot 30 m2 geen betekenis meer heeft. Afstemming van deze wetgeving op de regels van het bestemmingsplan verdient aanbeveling. De vrijstellingsregeling van 30 m2 is om die reden opgetrokken tot 50 m2. De archeologische waarden- en verwachtingskaart Walcheren en de archeologische beleidsadvieskaart Walcheren maken onderdeel uit van dit beleid. De verwachtingskaart is een nadere detaillering van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) die tot stand is gekomen door nader bureauonderzoek. De kaart is op maat gesneden op de Walcherse schaal en geeft de verwachting weer ten aanzien van archeologische vondsten. Op de beleidsadvieskaart is de 58
vrijstellingsregeling gekoppeld aan de archeologisch waardevolle gebieden en verwachtingszones. Dit resulteert in een overzicht van de beleidsadviezen per gebied. In bovenstaande figuur zijn de gebieden weergegeven.
Figuur 5 rode rechthoek geeft de indicatieve ligging van het plangebied weer
Het meest zuidelijke deel van het projectgebied ligt binnen een gebied van archeologische waarde. Onderzoeksresultaten Door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. is een bureauonderzoek uitgevoerd voor het gehele gebied van het project Scheldekwartier, dus inclusief het projectgebied ‘Timmerplein’, om te beoordelen of realisatie van het plan zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van 59
mogelijk aanwezige archeologische resten. In februari 2006 is de rapportage van het archeologische vooronderzoek – een bureauonderzoek – uitgebracht. Uit dit onderzoek kwam onder meer naar voren dat het gebied rond de Dokhaven een archeologisch waardevol gebied is. Als gevolg hiervan is, in het kader van de eerstgeplande ontwikkelingen aldaar, een grootschalige opgraving uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten aan de zuidzijde van de Dokhaven. Hier is in de toekomst geen verder archeologisch onderzoek noodzakelijk. Alle archeologische resten zijn hier opgegraven, gedocumenteerd en vervolgens verwijderd. Uit hetzelfde onderzoek kwam naar voren dat het plangebied ‘Timmerplein’ in de noordoosthoek van de Dokhaven ter hoogte van voormalige scheepswerfterreinen van archeologische waarde is. Om deze reden is toen geadviseerd dit gebied verder archeologisch te onderzoeken. De Walcherse Archeologische Dienst (WAD) en de gemeente Vlissingen hebben besloten dit advies te volgen. Archeologische voorwaarden Het is het gevolg van het gevoerde selectiebeleid ten behoeve van de ontwikkeling van het Scheldekwartier dat, in lijn met het advies op basis van het bureauonderzoek, in het projectgebied ‘Timmerplein’ graafwerkzaamheden, alwaar nog archeologische waarden kunnen worden aangetroffen, plaats moeten vinden onder archeologische begeleiding.
De archeologische begeleiding moet uitgevoerd worden door een onderzoeksbureau/instantie met certificaat. Voor de begeleiding moet een programma van eisen opgesteld worden dat is goedgekeurd door de WAD als archeologisch adviseur van de gemeente. Afhankelijk van de diepte van de graafwerkzaamheden wijst de WAD delen van het plangebied aan waar de graafwerkzaamheden onder archeologische begeleiding plaats moeten vinden. Voor het maritieme deel heeft te gelden dat niet of nauwelijks schade aan eventueel aanwezige archeologische waarden zal worden toegebracht. Het is bovendien ondoenlijk om dit door middel van een onderzoek afdoende te monitoren. Het advies van de Walcherse Archeologische Dienst is daarom om in het bestemmingsplan voor de tot water bestemde gronden geen dubbelbestemming archeologie op te nemen. De geplande werkzaamheden, namelijk het uitvoeren van het onderzoek naar niet-gesprongen explosieven, het plaatsen van damwanden en palen voor steigers en vlonders, en mogelijk in de toekomst het baggeren van slib uit de haven, zijn daarmee vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Cultuurhistorie Wettelijk kader Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is de Bro per 1 januari 2012 (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd.
Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed: in de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Zeeland sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. 60
Onderzoeksresultaten Er bevindt zich één Rijksmonument binnen het plangebied. Ook staan rondom het plangebied industriële gebouwen. Timmerfabriek Binnen het plangebied is een cultuurhistorisch waardevol gebouw gelegen. Het betreft de Timmerfabriek wat als Rijksmonument is aangewezen. Door de voorgenomen ontwikkeling is echter geen sprake van negatieve effecten op dit gebouw, anders dan dat het kansen biedt om deze nadrukkelijker bij de stad te betrekken. Het gebouw zal het in ere herstellen van het Rijksgebouw en planologisch verankeren van de reeds toegestane en vergunde activiteiten omvatten. Overige cultuurhistorische aspecten Door Lantschap is in januari 2005 een cultuurhistorische verkenning uitgebracht voor het projectgebied van het project Scheldekwartier. In die verkenning is, voor wat dit projectgebied betreft, het werfterrein in relatie tot de stad relevant: de stedelijke structuur van de oude binnenstad, de maatvoering van de gebouwen, de bouwstijl en de scherpe grens tussen stad en Scheldeterrein. Gezien vanuit de huidige oude binnenstad zijn de bouwblokken in het Scheldekwartier gebaseerd en geïnspireerd op de oude en oorspronkelijke situatie. Door een bij de bestaande binnenstad passende stedenbouwkundige herontwikkeling worden oude straten en routes weer hersteld. De straten beschikken weer over een begin en eindpunt en over sterk aanpalende functies.
Tevens wordt het Dok weer verbonden met de historische binnenstad van Vlissingen. Het gebied wat tot de Koninklijke Schelde Groep behoorde, krijgt zijn aansluiting weer bij de binnenstad en gaat als één gebied functioneren. Oranjemolen Van de 23 stadsmolens in Nederland is de Oranjemolen als enige overgebleven en deze is onder meer om die reden als rijksmonument aangewezen. Overeenkomstig het bepaalde in de provinciale ruimtelijke verordening is rondom de molen een vrijwaringszone opgenomen. Deze zogenaamde molenbiotoop reikt niet tot het plangebied, zodat deze niet van invloed is op de gewenste bouwhoogte. 5.12
Bedrijven en milieuzonering Kader Voor het behoud van de kwaliteit van de woonomgeving is afstemming tussen de verschillende in de omgeving voorkomende functies en de functie wonen noodzakelijk. Om dit aspect inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG; versie 2009). Deze zonering gaat uit van richtafstanden tussen potentieel hinderlijke functies per milieuaspect (gevaar, geluid, geur en stof) en gevoelige functies (wonen) in relatie tot het heersende omgevingstype (rustige woonwijk of gemengd gebied).
61
Richtafstanden per milieucategorie Richtafstand tot rustige woonwijk Richtafstand tot gemengd gebied. Het gebied en de omgeving kan dan ook aangemerkt worden als een gebied met veel functiemenging. Binnen een gemengd gebied mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd (bijvoorbeeld van 50 naar 30 meter).
De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of plaatsvinden, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de werkelijk te verwachten milieubelasting in plaats van de veronderstelde milieubelasting bij de richtafstanden. Onderzoeksresultaten Het plangebied Scheldekwartier betreft, op grond van de in de VNG-brochure omschreven typering, een gemengd gebied. Dit betekent, dat in beginsel de richtafstanden uit kolom 3 van de relevant zijn. Onderstaande bedrijven zijn relevant voor het Scheldekwartier. Adres en bedrijfsnaam
SBI-code/bedrijfsactiviteit
Grootste in acht te nemen afstand
Milieu-categorie
1. Amels Holland, Koningsweg 2
301, 3315 Scheepsbouw- en reparatiebedrijven; metalen schepen >= 25 meter 5221 Autoparkeerterreinen, parkeergarages 231 Glasbewerkingsbedrijven 471, 4722, 4723, 561 Detailhandel, supermarkten, di-verse vormen (lichte) horeca
Geluid; 300 meter
5.1
Geluid; 10 meter
2
Geluid; 30 meter
3.1
Geluid; 0 meter
1
35 - D3 Gasreduceerstation 941, 942 Bedrijfsorganisaties (kantoren)
Geluid en gevaar; 0 meter Geluid; 0 meter
1
2. Parkeergarage Scheldeplein 3. Prins Glas, Paul Krugerstraat 288 4. Winkels/supermarkt/ lichte horeca Walstraat, Aagje Dekenstraat en Scheldestraat e.o. 5. Gasreduceerstation Delta 6. KSG; hoofdkantoor Glacisstraat 165
62
1
7. Machinefabriek
8. Timmerfabriek 9. Stadshaven (ligplaatsen en riviercruiseschepen)
5221 Autoparkeerterreinen, parkeergarages 55.10.1, 56.10.1, Hotel-restaurants 926 Jachthavens met diverse voorzieningen
Geluid 10 meter
2
Geluid 10 meter
2
30 meter
3.1
Geluid betreft -zoals uit bovenstaande tabel blijkt- het maatgevende aspect. Geconcludeerd kan worden, dat -met uitzondering van Amels Holland en de stadshaven- aan de richtafstanden wordt voldaan en nader akoestisch onderzoek achterwege kan blijven. Dit heeft niet voor Amels Holland en de stadshaven te gelden. Daarom is aanvullend akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting op de omgeving. In dit onderzoek is rekening gehouden met alle verschillende geluidbronnen die in de directe nabijheid van de woningen en andere gevoelige objecten aanwezig zijn. In het rapport is het geluid afkomstig van industrie, scheepvaart, bedrijvigheid en afgemeerde riviercruiseschepen beoordeeld. Voor een nadere onderbouwing en beoordeling wordt verwezen naar par. 5.3, waaronder het aspect geluid al deze bronnen zijn beschouwd. Conclusie Met inachtneming van de conclusies vormen geluidbelasting van de nieuwe activiteiten geen belemmering voor de uitvoering van het project. 5.13
Luchtvaartverkeer Op het terrein van KSG/Amels nabij de Koningsweg bevindt zich een landplaats voor helikopters. Deze helihaven heeft een luchtvaartverkeerzone, waarbinnen bouwbeperkingen van kracht zijn. Dit betekent dat in de in- en uitvliegsectoren geen obstakels door een denkbeeldig vlak mogen steken. Op basis daarvan zijn de in- en uitvliegsectoren berekend. Het plangebied valt hierbuiten en dit aspect vormt dus geen belemmering voor de realisatie van het beoogde programma.