CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

5.9 rvs vaststelling bestemmingsplan Scheldkwartier-Timmerplein bijlage 1 bestemmingsplan

Raadsvergadering 1 juli 2021, gemeente VlissingenBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingplan 'Scheldekwartier - Timmerplein"29.752 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

• • • • • •

Monumentenwet 1988; Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; Wet tot behoud van cultuurbezit; Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; Regeling materieel beheer museale voorwerpen.

In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. De uitgangspunten uit dat verdrag blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De belangrijkste verandering voor archeologen is de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering. Ook beschermt de Erfgoedwet het maritieme archeologische erfgoed beter. In het kader van het project 'modernisering monumentenzorg' (MoMo) hebben per 1 januari 2012 enkele wijzigingen in de wet- en regelgeving plaatsgevonden. Voor het bestemmingsplanproces is de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de belangrijkste: gemeenten dienen in hun bestemmingsplannen rekening te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Relatie met het bestemmingsplan In dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van de Timmerfabriek welke als Rijksmonument is aangewezen en daarmee in het projectgebied ligt. Dit aspect wordt in paragraaf 5.11 nader toegelicht. 4.2

Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Zeeland 2018 en Provinciale Omgevingsverordening 2018 Het Omgevingsplan en de omgevingsverordening Zeeland zijn op 21 september 2018 vastgesteld en op 7 november 2018 in werking getreden. In het omgevingsplan verankert de provincie haar visie op de toekomstige ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Zeeland. Voor een krachtig Zeeland zijn economische groei, ontwikkeling, structuurverbetering en innovatie nodig. De Provincie Zeeland draagt daar als regionaal bestuur met haar eigen taken en verantwoordelijkheden actief aan bij. Wonen In zowel het Omgevingsplan als Omgevingsverordening wenst de provincie Zeeland nog steeds de Zeeuwse burger en zijn of haar woonwensen centraal te stellen. Het is van provinciaal belang dat de regionale woningmarkten in Zeeland goed functioneren, het woonbeleid is hierop afgestemd. Gestreefd wordt naar een woningvoorraad die qua omvang, locatie en type is afgestemd op de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens. De keuzes moeten worden gemaakt in regionale woningmarktafspraken. Ruimtelijk staan bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik voorop. Daarnaast speelt verstedelijking een steeds grotere rol. Daar komen de ruimtelijke, economische en maatschappelijke opgaven samen.

Ook ten aanzien van het voorzieningenstelsel zet de provincie zich nog steeds in op het concentreren, behouden en versterken van de vitaliteit van binnensteden. Daar waar mogelijk worden ontbrekende kwalitatief hoogwaardige voorzieningen gerealiseerd. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling van functies en versterking van de vitaliteit van binnensteden wil de Provincie de leefbaarheid bevorderen. Voor het 25

bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik is in het rijksbeleid de 'ladder' voor duurzame verstedelijking opgenomen. Deze wordt verankerd in het Bro en is ook van provinciaal belang. De duurzaamheidsladder is een procesvereiste en houdt in dat bij vaststelling van een ruimtelijk plan wordt gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt over het ruimtegebruik. Het beleid is voor ontwikkelingen als hier beoogd dan ook niet gewijzigd door het in werking treden van het Provinciale Omgevingsplan en de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Toetsing Met het voorliggende project worden zowel de doelstellingen voor het wonen als voor de voorzieningen bereikt. Bij stedelijke ontwikkelingen wordt ingezet op bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik, waarbij de ladder van duurzame verstedelijking wordt ingezet, zoals door de rijksoverheid geïntroduceerd. Hiermee sluit het project naadloos aan bij het Rijks- en provinciale beleid, waarbij de hoofdlijn is dat bij nieuwe ontwikkelingen ingespeeld wordt op een concrete behoefte en dat ontwikkeling binnen bestaande bebouwingsstructuren plaatsvindt. In paragraaf 4.1 is deze ladder nader toegelicht. Vrijetijdseconomie; badplaatsen De Provincie zet met betrekking tot de vrijetijdseconomie sterk in op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden.

Doel is de Zeeuwse Kwaliteitskust te beschermen, versterken en waar nodig herstellen. Meer concreet; de provincie wenst Zeeland nog sterker dan tot op heden, als een unieke bestemming te positioneren. Samenwerking met verschillende sectoren en partners is daarbij essentieel. De kaart met daarop aangegeven de vrijetijdseconomie vormt de onderlegger voor het gebiedsgerichte beleid. De gemeente Vlissingen ligt binnen de kustzone en is aangeduid als badplaats. Met de uitgangspunten van de Zeeuwse Kustvisie wordt de Zeeuwse Kwaliteitskust beschermd, versterkt en waar nodig hersteld. Er wordt ingezet op kwaliteit en niet op kwantiteit. Hierbij horen de volgende samenhangende uitgangspunten die ook gelden voor overig Zeeland: • symbiose: met de omgeving, de accommodaties en de onderliggende organisatie; • Zeeuwse identiteit: ontwikkel en versterk het regionale DNA en het overkoepelende Land in Zee; • herstel van kwaliteit: verblijfsrecreatieve ontwikkelingen combineren met nieuwe landschappelijke kwaliteiten; verbinding met de samenleving en andere sectoren • differentiatie en toekomstwaarde: benutten van de bestaande kwaliteiten; inzetten op unieke productontwikkeling.

Om de beoogde Zeeuwse Kwaliteitskust dichterbij te brengen wordt ingezet op een tweezijdige ontwikkelingsstrategie: • beschermen, versterken en beleven van bestaande kwaliteiten (natuur en landschap, (verblijfs)recreatie, water/strand en infrastructuur); • gebiedsgericht ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten. De Zeeuwse Kustvisie is ruimtelijk beleid gekoppeld aan ontwikkelstrategieën. De ontwikkelstrategieën beschermen, versterken en beleven van bestaande kwaliteiten en het ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten zijn gekoppeld aan diverse gebieden.

26

Zeeuwse badplaatsen De Zeeuwse badplaatsen zijn dé locaties waar het toerisme in Zeeland zich concentreert. De Zeeuwse badplaatsen zijn divers en hebben elk hun eigen kwaliteit en geschiedenis. Dit komt mede tot uitdrukking in het lokale DNA dat voor elke Zeeuwse badplaats is opgesteld. Voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen binnen de grenzen van de badplaatsen wordt ingezet op herstructurering en kwaliteitsverbetering van het bestaande product. Binnen de benoemde grenzen zijn nieuwe ontwikkelingen mogelijk. In alle gevallen wordt aansluiting gezocht bij het lokale DNA en de bijbehorende kwaliteiten. Belangrijke uitgangspunten voor de badplaatsen zijn ruimtelijke kwaliteit en het aspect leefbaarheid. Het is van belang dat het verblijfsrecreatieve aanbod zich in gelijke mate ontwikkelt met de behoefte daaraan, wat niet uitsluitend geldt voor de badplaatsen. Om dit te borgen wordt verkend op welke manier de balans tussen vraag en aanbod in evenwicht kan worden gebracht. Hierbij is oog voor de dynamiek in de recreatiesector, de veranderende wens van de gast en de steeds verdere vervaging van de scheiding tussen de woon- en recreatiefunctie in de badplaatsen.

In stedelijke en toeristische gebieden wordt voorts de mogelijkheid tot de realisatie van nieuwe hotels in het luxere (3-, 4-, en 5 sterren) segment geboden, daar dit goed aansluit bij de toeristische en zakelijke marktvraag. Bovendien voorkomt dit ontwikkelingen in het landelijk gebied. Uitbreiding in eenheden en/of oppervlakte van de bestaande verblijfrecreatiebedrijven binnen en buiten het bestaand stedelijk gebied is mogelijk indien deze voldoet aan de hoofdlijnen van het ‘ontwikkelkader’ van de kustvisie. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: • Nieuwvestiging, kwaliteitsverbetering en herstructurering zijn mogelijk binnen de begrenzing bestaand bebouwd gebied; • De aspecten ruimtelijke kwaliteit, waterveiligheid en leefbaarheid worden geborgd; • Ontwikkelingen vinden plaats op basis van een businessplan en voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie. • Ontwikkelingen zetten qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in de Zeeuwse kust. Het lokale DNA en het principe van LAND IN ZEE! staan hier centraal. Met oog op de dynamiek en verdere vernieuwing in de sector, wordt ingezet op circulair bouwen. • Ontwikkelingen leveren een bijdrage aan de werkgelegenheid, behoud van voorzieningen en zijn een toegevoegde waarde voor de (leef)omgeving.

Vlissingen heeft verder twee unique selling points waarmee de stad zich onderscheidt van andere badplaatsen in de regio: 1. Vlissingen is de enige stedelijke badplaats in Zeeland en biedt hoogwaardige verblijfsaccommodaties aan of nabij zee. 2. Vlissingen heeft de enige zuidelijk gelegen boulevard van Nederland die strand en stad met elkaar verbindt. Door deze schakel verder te verbeteren kan Vlissingen zijn karakter verder versterken. Het recreatiebeleid in de provincie biedt voldoende aanknopingspunten en beleidsruimte voor de ontwikkeling van recreatieappartementen in de Zeelandtoren. Door het onderscheidende concept (recreatieappartementen in de stad, van hoge kwaliteit) komt de Zeelandtoren tegemoet aan het provinciale beleid.

27

Verblijfsrecreatie in de kustzone Binnen bestaand bebouwd gebied heeft de gemeente grote vrijheid bij de regie van ruimtelijke ontwikkelingen. In dit geval, waarin sprake is van herontwikkeling naar een attractief (hoog-)stedelijk milieu in bestaand stedelijk gebied van de badplaats Vlissingen, wordt het algemene provinciale belang van duurzame verstedelijking niet geraakt. Specifieke provinciale belangen die binnen het stedelijk gebied van toepassing zijn, zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Zeeland. De provinciale belangen voor verblijfsrecreatie wordt voor onderhavige ontwikkeling bepaald in de artikelen: • 2.10, verblijfsrecreatie in de kustzone, en; • 2.13 Centraal bedrijfsmatige exploitatie en verbod permanent wonen. Aan de realisatie van nieuwe recreatieappartementen met een verblijfsrecreatieve bestemming zijn op grond van de Verordening (artikel 2.10 en 2.13) specifieke voorwaarden gekoppeld, waaronder een centrale exploitatie voor bedrijfsmatige verhuur en beheer, die bestemmingsplanmatig en contractueel dient te worden vastgelegd. De financiële haalbaarheid van bouw, beheer en verhuurexploitatie moet worden aangetoond. Verder is het provinciale beleid gericht op het voorkomen van permanente bewoning van tot verblijfsrecreatie bestemde complexen.

Doelstelling van deze verplichting is dergelijke complexen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze complexen ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijke weg extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd. In de praktijk blijkt, dat er ook behoefte is aan verblijfsrecreatieve complexen die niet verplicht worden verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie, het zogenaamde deeltijd wonen. Om in deeltijd wonen te kunnen voorzien kan worden afgeweken van bovengenoemde hoofdregel. Hiervan is sprake wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden, zoals opgenomen in Bijlage E van de Verordening: 1. De ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied van de badplaatsen waaronder begrepen Vlissingen; 2. De ontwikkeling maakt deel uit van een bredere visie op de betreffende badplaats en in het verlengde daarvan een bijdrage levert aan het versterken van de leefbaarheid, de ruimtelijke kwaliteit en de herstructurering/transformatie van het bestaand stedelijk gebied ter plaatse; 3. Aan de ontwikkeling ligt een actuele prognose ten grondslag op basis waarvan de specifieke behoefte aan deeltijd wonen wordt onderbouwd; 4.

De desbetreffende gemeente hanteert een door gedeputeerde staten geaccordeerde programmering/contingentering, waarmee ze in de aangetoonde behoefte kan voorzien. Toetsing Verblijfsrecreatie In paragraaf 4.1.1 is aangegeven, dat de voorgenomen ontwikkeling en realisatie van de toren in de badplaats met een gevarieerd (verblijfs-)recreatief aanbod een vernieuwend marktproduct is, dat uitdrukkelijk aansluit op het groeiende verwachtingspatroon van de hedendaagse verblijfsrecreatieve bezoekers in Zeeland. Het hotel maakt bovendien integraal onderdeel uit van het totaalproject. Dit sluit goed aan bij het beleid ten aanzien van hotels. Tevens voorziet het plangebied in de behoefte aan overnachtingsplaatsen voor werknemers en expats die in het gebied (gaan) werken. Deze zakelijke bezoeken wensen en dienen in de directe nabijheid van 28

deze voorzieningen te overnachten. De ontwikkeling is daarmee kansrijk in de markt en sluit tevens goed aan bij het beleid ten aanzien van verblijfsrecreatie. Ten aanzien van de centrale bedrijfsmatige verhuur van hotelappartementen en van de recreatieappartementen en het voorkomen van permanente bewoning daarvan, wordt opgemerkt, dat een centrale bedrijfsmatige verhuur nadrukkelijk onderdeel uitmaakt van het concept. Permanente bewoning van de recreatieappartementen wordt vanuit het recreatieve concept ook door initiatiefnemer niet wenselijk geacht. Om dit juridisch‐planologisch extra te borgen, wordt dit naast de overeenkomsten tevens als voorwaarde in de omgevingsvergunning opgenomen. Voor een beperkt aantal recreatieappartementen; concreet 25, wordt voorts de mogelijkheid geboden, dat deze gebruikt kunnen worden als tweede woning (niet permanent) en ook recreatief verhuurd mogen worden, zonder dat er een verplichting geldt. Aan de voorwaarden hiervoor, zoals gesteld in Bijlage E van de Verordening, wordt voldaan: 1. Het plangebied ligt volledig binnen het bestaand stedelijk gebied van Vlissingen; 2. Er ligt een brede visie (Ontwikkelingsvisie) op de badplaats die uitgaat van het versterken van de leefbaarheid, de ruimtelijke kwaliteit en de herstructurering/transformatie van bestaand vastgoed in het algemeen en het Scheldekwartier in het bijzonder.

De herontwikkeling past daar naadloos in; 3. Er is een actuele door de provincie en gemeente Vlissingen opgestelde prognose voor de behoefte aan deeltijd wonen opgesteld; 4. De gemeente Vlissingen heeft een programmering, waarin deze ontwikkeling zal worden opgenomen. In par.4.1.1 is het borgen van de behoefte en programmering van deze categorie in onderhavig bestemmingsplan met instemming van de provincie verantwoord. De ontwikkeling heeft ook een economische meerwaarde voor het gebied vanwege de werkgelegenheid die wordt gecreëerd met de bouw en exploitatie van het project. De ontwikkeling zorgt bovendien voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en een verdere stap in de uitwerking van het totale Scheldekwartier. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd, dat de beoogde ontwikkeling een toegevoegde waarde voor de (leef)omgeving en de (beleving van) het Scheldekwartier met zich meebrengt; niet alleen het Scheldekwartier, maar het imago van heel de stad Vlissingen alsmede de regio krijgt een impuls waar ook andere toekomstige ontwikkelingen van kunnen profiteren. Gelet hierop is onderhavig gebied een zeer geschikte locatie voor het toestaan van verblijfsrecreatie met bijbehorende voorzieningen. Aan de voorwaarden vanuit de Omgevingsverordening wordt derhalve voldaan.

Conclusie Op basis van het voorgaand beschreven provinciale beleid valt de concluderen, dat de ontwikkeling goed binnen de actuele beleidskaders past. 4.3

Gemeentelijk beleid De onderstaande, vastgestelde, beleidsnota’s betreffen relevante beleidsterreinen, die de ontwikkeling van het plangebied raken.

29

Structuurvisie ‘Vlissingen stad aan zee - een zee aan ruimte’ De gemeentelijke structuurvisie ‘Vlissingen een stad aan zee – een zee aan ruimte’ is door de gemeenteraad van Vlissingen in haar vergadering van 17 december 2009 vastgesteld. Op 30 mei 2013 heeft de raad een actualisatie van deze visie vastgesteld. In de structuurvisie wordt het ruimtelijke beleid op hoofdlijnen geschetst. Als toekomstperspectief wordt ingezet op ‘Anticiperen en Transformeren’. Dit perspectief vertaalt zich voor het Scheldekwartier in het toevoegen van een divers woon-, werken voorzieningenprogramma, waardoor zij weer onderdeel van de stad wordt. Voor woningbouw wordt in Vlissingen prioriteit gegeven aan herstructurering van de bestaande voorraad en aan de ontwikkeling van het Scheldekwartier. Voor werken en voorzieningen wordt ingezet op een verbetering van de vestigingscondities, zoals de ruimtelijke kwaliteit, routing en concentratie van detailhandel in de binnenstad, maar ook op de verbetering van de stadsentree. Voorts geeft de visie aan, dat Vlissingen zich inzet op het versterken van de diversiteit en kwaliteit van het toeristisch aanbod in combinatie met het verbeteren van de ruimtelijke beleving, ruimtelijke kwaliteit en attractiviteit van de stad.

Zo voegt de transformatie van het gebied ‘Stadshavens’ een nieuwe dimensie toe aan het maritieme karakter van de stad en vergroot tegelijkertijd het toeristisch aanbod (uitbreiding jachthavenareaal, levendig waterfront, vermaak, detailhandel, cultuurhistorie, uitbreiding van toeristische routes etc). Dit als aanvulling op de bestaande kwaliteiten, zoals de aanwezigheid van water, duinen, jachthaven, jachtenbouw en de sluizen. Woonvisie ‘Vlissingen stad aan zee - een zee aan woonkwaliteit’ Het doel van de woonvisie, eveneens vastgesteld op 17 december 2009 en geactualiseerd op 30 mei 2013, is het formuleren van het beleidskader voor de toekomstige ontwikkelingen op het gebied van wonen. De visie is het toetsingskader voor initiatieven van derden en leidraad voor het handelen van de Gemeente Vlissingen.

In de woonvisie is een aantal doelstellingen geformuleerd: • kwaliteit boven kwantiteit: herstructurering met verdunning en vergroening; nieuwbouw inzetten voor vergroten van de kwalitatieve differentiatie in de woningvoorraad en van de woonmilieus; • integrale wijkaanpak: samen met maatschappelijke organisaties en burgers vanuit een fysiek en sociaal perspectief werken aan de leefbaarheid in buurten; • doelgroepen aanbod: beschikbaar hebben van voldoende kwalitatief goede huisvesting voor alle doelgroepen (wonen-welzijn-zorg, starters, gezinnen, deeltijd wonen, studenten, CPO/PO/Kluswoningen, arbeidsmigranten); • woningvoorraad van morgen: samenstelling van de woningvoorraad en woonmilieus zo goed mogelijk aansluiten op de huidige en veranderende woonbehoeften van de bevolking; • wonen boven winkels stimuleren; • complementariteit en samenwerking: actief inzetten voor samenwerking in de regio. De focus van de woonvisie ligt op de bestaande voorraad, hierin is een aanzienlijke kwaliteitsslag te behalen. Tot 2020 heeft de gemeente zich een herstructureringsopgave gesteld van 1.450 woningen. Om ook kwaliteitsverbetering in de woonomgeving te bereiken gaat dit gepaard met een verdunningsopgave van 320 woningen.

Speerpunt van het nieuwbouwbeleid is het Scheldekwartier, dat kansen biedt voor meer diversiteit aan woningtypen en woonvormen, waardoor tevens aanvullende woonmilieus ontstaan. Specifiek wordt het Scheldekwartier ook ingezet voor deeltijd wonen.

30

Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan 2012-2020 (GVVP) Op 19 april 2012 heeft de gemeenteraad het GVVP vastgesteld. Het doel van dit plan is het vastleggen van het verkeers- en vervoersbeleid voor de gemeente Vlissingen voor de periode tot 2020 met inachtneming van de ruimtelijke, demografische en verkeerskundige ontwikkelingen alsmede met het rijks-, provinciale- en regionale beleid. Uitgangspunt van het GVVP vormt een goede bereikbaarheid van de binnenstad zonder de leefbaarheid in de binnenstad aan te tasten. Aan de rand van de binnenstad zijn parkeervoorzieningen gerealiseerd van waaruit de binnenstad en boulevards lopend te bereiken zijn. De uitwisseling tussen de binnenstad en boulevards wordt (en is inmiddels) geoptimaliseerd door de aanleg van De Willem Ruysstraat, die de verbinding naar het centrum en de ontsluiting voor het Scheldekwartier vormt. Met deze verbinding is de bereikbaarheid van de binnenstad voor zowel het gemotoriseerd verkeer, het langzaam verkeer als het openbaar vervoer sterk verbeterd. De aanleg had ook tot doel de overlast van het vrachtverkeer in de binnenstad te verminderen, de Scheldestraat en Paul Krugerstraat te ontlasten en de verkeersdruk in de Gravestraat en omgeving, als gevolg van doorgaand verkeer, te verminderen. De ontsluiting draagt ook bij aan de veiligheid in de binnenstad om deze bij calamiteiten sneller te kunnen verlaten.

In 2005 is over de Dokhaven via een brug een tweede ontsluiting van de binnenstad gerealiseerd. Deze zal in 2020 verlegd worden in westelijke richting. Oplegnotitie Actualisatie Structuurvisie & Woonvisie 2013 In 2013 heeft een actualisatie van de Structuurvisie plaatsgevonden met de vaststelling van de oplegnotitie “Actualisatie structuur- en woonvisie 2013”. In deze notitie worden vooral woonprogramma’s in het stedelijk gebied onderzocht. Verder wordt op het gebied van recreatie, toerisme en cultuur aangegeven, dat een toenemende behoefte ontstaat aan een luxer en gevarieerder aanbod. Met name de markt voor ondernemende energieke senioren die kiezen voor gemak en luxe is toegenomen. Daarnaast is er ook meer vraag naar zeer specifieke en bijzondere vormen van recreatieve en toeristische voorzieningen en worden meer eisen gesteld aan de digitale toegankelijkheid Beleidsnota toerisme 2011-2015 In de nota Toerisme heeft de Gemeente Vlissingen haar doelstelling voor de toeristische ontwikkeling van de stad vastgelegd. De gemeente beoogt haar stad aantrekkelijker te maken voor bezoekers en inwoners, met als doel een langere verblijfsduur en herhaalbezoek. Aandacht voor de belevingswaarde van de gemeente voor bezoekers is daarbij nodig. Ook de opkomst van het “thema-toerisme” is een ontwikkeling die bijdraagt aan de versterking van de aantrekkelijkheid van de gemeente.

Maritiem, kleurrijk en ongepolijst zijn voor Vlissingen de thema’s. Om haar toeristisch-recreatieve aantrekkelijkheid te vergroten heeft de Gemeente voor de komende beleidsperiode onderstaande hoofddoelen. • Het ontwikkelen van een hoogwaardig en concurrerend toeristisch aanbod in gemeente Vlissingen; • Het stimuleren van initiatieven voor verblijfs- en dagtoerisme in gemeente Vlissingen; • Het stimuleren van een verlenging van het toeristisch seizoen; • Het stimuleren van initiatieven voor watersport, dagvaarten en (rivier-) cruises in gemeente Vlissingen. De Gemeente streeft naar een versterking van het toeristisch en recreatief aanbod. Hierbij wordt gestreefd naar kwaliteitsverbetering van het huidige aanbod en het uitbreiden van het aantal overnachtingsplaatsen. Een uitbreiding van het aantal overnachtingsplaatsen kan 31

bijdragen aan de activiteiten en levendigheid in de stad in de avonduren. Uitbreiding kan in de vorm van hotelkamers, bungalows, ligplaatsen, campings/ camperplaatsen of liberalisering van deeltijd wonen. Een nieuwe nota is in voorbereiding en wordt naar verwachting in 2020 opgesteld. Sociale Veiligheid Eind 2015 heeft de raad de nota ‘Integraal Veiligheidsbeleid 2015-2018’ vastgesteld. Deze nota bevat beleid met betrekking tot de integrale sociale veiligheid voor Vlissingen voor de periode 2015-2018. Bij de inrichting van het terrein van de Ketelmakerij wordt rekening gehouden met dit beleid. Om de sociale veiligheid te borgen wordt bij de inrichting van het terrein en het aangrenzende openbaar gebied rekening gehouden met zichtbaarheid, aantrekkelijkheid en criminaliteitspreventie. Het gaat om ‘zien’ en ‘gezien worden’. Mensen willen zien en weten wat er in hun omgeving gebeurt. Zichtbaarheid wordt voor een groot deel bepaald door overzichtelijkheid, zichtlijnen en verlichting. De inrichting van het gebied zal moeten voldoen aan de algemeen gestelde eisen en normen in de beleidsnota. Mocht de praktijk uitwijzen of gebruikers in het plangebied menen, dat verbeteringen, maatregelen of aanvullende voorzieningen gewenst zijn, dan zal dat nader bezien worden. Daarnaast is het plangebied goed bereikbaar voor nood- en hulpdiensten. De noodzakelijke voorzieningen (bijv.

bluswatervoorzieningen) zijn aanwezig. Ontwikkelingsvisie Scheldekwartier Vlissingen Het gebied maakt onderdeel uit van de in ontwikkeling zijnde nieuwe wijk ‘Scheldekwartier’, het voormalige terrein van de Scheldewerf dat wordt ontwikkeld tot een levendige, duurzame en maritieme woonwijk, waar de rijke industriële geschiedenis voelbaar en beleefbaar is. Op 22 december 2016 zijn de ‘Ontwikkelingsvisie Scheldekwartier Vlissingen’ en het ‘Beeldkwaliteitsplan Scheldekwartier Vlissingen’ door de gemeenteraad vastgesteld. Deze documenten vervangen de eerdere voor het transformatiegebied Scheldekwartier vastgestelde beleidsvisies en vormen de basis voor verdere uitwerkingen van de diverse deelgebieden, waarvan het plangebied van het Timmerplein er één is. De Ontwikkelingsvisie heeft als ambitie om de drie pijlers van de Vlissingse identiteit te tonen: de maritieme stad, de stad van welzijn en de creatieve stad. Hierbij wordt uitgegaan van een differentiatie in woonmilieus, waarbij drie deelgebieden worden onderscheiden die elk een eigen karakter hebben, gebaseerd op het aanwezige erfgoed, de ligging ten opzichte van de bestaande stad en de hoofdstructuur. Dit komt tot uitdrukking in een eigen stedenbouwkundige typologie, karakter en dichtheid. Het plangebied is gesitueerd in het deelgebied Scheldewerf; het gebied ten noorden van het Dok en ten zuiden van De Willem Ruysstraat.

Naast de Scheldewerf krijgen ook het gebied aan de zuidkant van het Dok (Scheldestad) en het gebied ten noorden van de Willem Ruysstraat (Scheldewijk) een eigen ruimtelijke identiteit. Voor het deelgebied Scheldewerf heeft de visie als uitgangspunt dat de identiteit van dit deelgebied is gebaseerd op de gebiedskenmerken van de voormalige scheepswerf en de stille getuigen uit deze periode. De werf wordt gekenmerkt door de schaal en maat van de grote, vaak tijdelijke, functionele bouwvolumes op een ‘open’ terrein dat werd doorgesneden door functionele infrastructuur. Voor de sloop van het grootste deel van de werfbebouwing toonde dit gebied zich als een lappendeken van verhardingen waarop op autonome en functionele wijze gebouwen waren gesitueerd. 32

Zowel de grote ‘korrel’ van bebouwing als de ruime maat van het water eromheen, vormen de aanleiding voor een gemengd (hoog-)stedelijk woonmilieu met daarin enkele hoogteaccenten. Diverse autonome volumes naast elkaar, historisch naast nieuw, wisselen elkaar af. Ieder bouwblok heeft zijn eigen karakter, met een krachtige gebouwcontour en een maritieme uitstraling. De architectonische eenheden sluiten aan op de korrelgrootte van de voormalige werfbebouwing. Samenhang ontstaat door eenheid in verscheidenheid. Het industrieel erfgoed krijgt een prominente positie en rondom deze monumentale panden ontstaan karaktervolle plekken. Het openbaar gebied vormt als doorlopende kade (van Dok tot de Willem Ruysstraat) een sterke ruimtelijke eenheid. Hiermee worden autonome en soms contrasterende architectonische eenheden bij elkaar gebracht. De doorlopende kade-vloer is primair op voetgangers en fietsers afgestemd. De auto is te gast en parkeren gebeurt uit het zicht binnen of onder de bouwblokken (of in de Machinefabriek). Het stoere maritieme karakter wordt letterlijk ondersteund door de industriële elementen in de openbare ruimte (kraan, spoorlijnen, stelconplaten). De industriële kade biedt een ultieme beleving van het water en de maritieme sfeer en sluiten aan op de straten van de binnenstad en het winkelgebied en bieden naast flaneren, ruimte aan terrassen, evenementen en festivals.

De regionale waterkering vormt onderdeel van het raamwerk van openbare ruimte zoals in de visie omschreven. De regionale waterkering zal na kadeherstel, naast de waterkeringsfunctie, tevens onderdeel zijn van de langzaamverkeersroute binnen het Scheldekwartier en tevens de toegang vormen tot o.a. de ligplaatsen in Het Dok. Het project Timmerplein past binnen de Ontwikkelingsvisie Scheldekwartier Vlissingen 2016. Verder worden in de visie de stappen in het ontwikkelproces beschreven. Beeldkwaliteitsplan Scheldekwartier Vlissingen Waar de Ontwikkelingsvisie met betrekking tot de ruimtelijke aspecten de hoofdstructuren, de belangrijkste ruimtelijke karakteristieken en de onderscheidende woonmilieus vastlegt, evenals de programmatische invulling op hoofdlijnen, biedt het bijbehorende beeldkwaliteitsplan handvatten om te sturen op het nieuwe stadsbeeld en de samenhang binnen het Scheldekwartier. In woord en beeld legt het beeldkwaliteitsplan de ambities vast met betrekking tot de gewenste beeldkwaliteit voor zowel de bebouwing als de openbare ruimte. Het beschrijft de gewenste relatie tussen gebouwen en hun omgeving, de korrelgrootte, de bouwhoogte, de architectonische uitstraling, de schaal en maat en kleur- en materiaalkeuze. Besloten is het beeldkwaliteitsplan deel uit te laten maken van de welstandsnota.

Binnen de drie deelgebieden zijn locaties benoemd waar sterker wordt gestuurd op beeldkwaliteit. Dit zijn locaties die zich aan de hoofdstructuur presenteren, zoals de omgeving van het Dok, langs De Willem Ruysstraat, rondom het industrieel erfgoed en rondom het Vesting Park. Ook het plangebied behoort hiertoe. Dit betekent dat in het Beeldkwaliteitsplan in overzichtelijke tabellen (zowel in woord als beeld) de beeldkwaliteitseisen vorm worden gegeven, zoals in de keuze van kleuren en materialen.

33

5

MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN

5.1

Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.

5.2

Milieueffectrapport Voor de ontwikkeling van het Scheldekwartier en Edisongebied – waar het projectgebied Timmerplein deel van uitmaakt – is, op basis van de op 21 december 2006 door de gemeenteraad vastgestelde richtlijnen, een ‘projectmer’ opgesteld, die tevens als ‘planmer’ vigeert. In zijn vergadering van 24 april 2008 heeft de gemeenteraad deze aanvaard. Op 3 juli 2008 heeft de Commissie voor de mer het toetsingsadvies uitgebracht. In bijlagen 3 en 4 zijn het MER en het toetsingsadvies opgenomen. In de rapportage zijn de milieueffecten onderzocht van de ontwikkeling van beide projectgebieden t.w. bodem en water, natuur, verkeer en leefbaarheid. Het thema leefbaarheid is uitgesplitst in de onderwerpen geluidhinder, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook aan de thema’s en aspecten grondbalans, bouwhinder, cultuurhistorie, groen, landschap en energie is nadrukkelijk aandacht besteed in de beschrijving van de voorgenomen activiteiten. De beoordeling heeft plaatsgevonden door per thema en per criterium in eerste instantie de effecten in kwantitatieve zin te bepalen. Deze effecten zijn vergeleken met de situatie, die zou zijn ontstaan zonder realisatie van de plannen, de zgn. autonome ontwikkeling. De tweede stap in de beoordeling betreft de waardering: de effecten worden vertaald in plussen en minnen.

De uitkomsten van dit rapport moeten worden meegenomen in de planologische besluitvorming. In principe geldt de MER voor de planperiode van 10 jaar. Het gegeven dat er tussen het opstellen van het besluit- MER en het vaststellen van het m.e.r.-plichtige besluit een periode van ongeveer 10 jaar is gelegen is volgens de ABRvS geen reden dat het MER niet meer gebruikt mag worden. Wel zal moeten worden bezien of het MER nog voldoende actueel is en zo nee, of de oorzaak daarvan is gelegen in een (aanmerkelijke) wijziging van de omstandigheden. Daarbij is nog van belang, dat als die situatie zich voordoet de Afdeling heeft geoordeeld dat die actualisatie vormvrij kan, ofwel deze hoeft niet tot stand te komen via de in de hoofdstuk 7 Wet milieubeheer verankerde besluit m.e.r.-procedure (geen toetsing commissie m.e.r., geen inspraakmogelijkheden). Verder heeft de AbRvS overwogen, dat een MER inzicht geeft in de gevolgen voor het milieu maar dat deze gevolgen voor het milieu niet veranderen vanwege gewijzigde wet- en regelgeving. Voor onderhavig plan wordt geconcludeerd, dat de planwijzigingen en wijzigingen in wet- en regelgeving niet hebben geleid tot een andere en/of significantere gevolgen voor het milieu. Voor het overige wijzigen de destijds onderzochte activiteiten/varianten niet. Hiermee houden de bevindingen uit de bestaande MER gestand. 34

5.3

Geluid Op grond van de Wet geluidhinder moeten bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan, waarbinnen nieuwbouw van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen worden toegelaten, de van belang zijnde akoestische aspecten worden onderzocht. Dit betreft geluid vanwege wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Wegverkeerslawaai In het kader van het MER is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor zowel het gehele gebied Scheldekwartier als het aangrenzende Edisongebied, waarin alle ontwikkelingen tot 2020 zijn opgenomen. Voor onderhavig bestemmingsplan is een aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd door Goudappel Coffeng. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport ‘Timmerplein Vlissingen, Akoestisch onderzoek’ van 11 juni 2020 met projectnummer 003451.20190220.R1.03, dat als Bijlage 5 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. De nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de geluidszone van De Willem Ruysstraat. Deze weg kent een maximumsnelheid van 50 km/h. De zonebreedte bedraagt 200 meter. Er geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wanneer de geluidsbelasting op de nieuwe woningen hoger is, dient de toepassing van geluidsreducerende maatregelen te worden beschouwd. Wanneer geen maatregelen kunnen worden toegepast, of deze onvoldoende effect sorteren, is ontheffing voor een hogere waarde mogelijk.

De maximale ontheffingswaarde bedraagt in dit geval 63 dB. Het plangebied ligt tevens binnen het invloedsgebied van de Dokwerker. Op deze weg geldt een maximumsnelheid van 30 km/h. Deze weg is daarmee niet gezoneerd en behoeft geen formele toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidssituatie ten gevolge van het verkeer op de Dokwerker wel beschouwd. De normen uit de Wet geluidhinder zijn hierbij als richtwaarde gehanteerd. Voor de berekeningen is een geluidsmodel opgesteld in het softwarepakket Geomilieu, versie 5.21. Dit model rekent volgens standaard rekenmethode 2 uit het Reken- en Meetvoorschrift Geluid (RMG 2012). De in het rapport vermelde geluidsbelastingen zijn inclusief de correctie van -5 dB zoals is bepaald in artikel 110 Wet geluidhinder en welke correctie mag worden toegepast voor het in de toekomst stiller worden van het wagenpark. Onderzoeksresultaten Uit het onderzoek is gebleken, dat ten gevolge van het verkeer op De Willem Ruysstraat sprake is van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 61 dB. Deze waarde is berekend op de gevels aan de noordzijde, direct langs De Willem Ruysstraat. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt in geen geval overschreden.

Geluidsreducerende maatregelen zijn niet eenvoudig inpasbaar en ontmoeten bezwaren van technische, stedenbouwkundige en verkeerskundige aard. Dit daar een geluidsreducerend wegdek, de geluidsbelasting met circa 2 dB kan worden teruggebracht ten opzichte van de huidige asfaltverharding van het type SMA-NL8. Deze maatregel sorteert dus onvoldoende effect om de geluidsbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Wel zorgt de maatregel voor een betere geluidssituatie. Ter hoogte van het plangebied is geluidsreducerend asfalt ook niet goed inpasbaar vanwege het kruispuntvlak De Willem Ruysstraat-Koningsweg. Door wringingskrachten van optrekkend en afremmend verkeer worden geluidsreducerende wegdekken doorgaans snel kapotgereden omdat dergelijke wegdekken een beperkere 35

slijtvastheid kennen. Daarnaast zijn overdrachtsmaatregelen, in de vorm van geluidswallen of geluidsschermen, in voorliggende situatie niet goed inpasbaar. Dergelijke elementen vormen doorgaans bezwaren vanuit stedenbouwkundige aard voor situaties binnen de bebouwde kom. Ter hoogte van kruispunten is het tot slot vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid niet wenselijk om afschermende constructies te realiseren. Bovendien sorteert een afscherming beperkt effect voor hoger gelegen bouwlagen. Ontheffing voor een hogere waarde is derhalve benodigd. Hierbij gelden eisen ten aanzien van de maximale binnenwaarde uit het Bouwbesluit. In de praktijk wordt vaak de gecumuleerde geluidsbelasting hiervoor gehanteerd. De hoogst berekende gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt 66 dB. Deze geluidsbelastingen zijn berekend op de meest noordelijke gevels in het plangebied, direct langs De Willem Ruysstraat. Om te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33dB, dient het geluidsreducerend vermogen van de gevels ten minste 33 dB te zijn. Bij de realisatie van de woningen dient rekening gehouden te worden met deze eis. Ook voor het verkeer op De Dokwerker is sprake van overschrijdingen van de richtwaarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 55 dB. Hiermee wordt de in gezoneerde situaties geldende maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet overschreden.

Tevens zijn voor deze situatie geluidsreducerende maatregelen niet eenvoudig inpasbaar. Voor 30 km/h-wegen sorteert een geluidsreducerend wegdek weinig effect. Bij lage rijsnelheden is het motorgeluid overheersend ten opzichte van het bandengeluid. Zoals hiervoor beschreven worden overdrachtsmaatregelen als niet reëel inpasbaar beschouwd vanwege bezwaren vanuit stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt. Het verlenen van ontheffing van hogere waarden is niet van toepassing voor situaties langs 30 km/h-wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden overwogen om ook hier de binnenwaarde uit het Bouwbesluit te beschouwen. Conclusie Voor diverse gebouwen moet een hogere waarde vastgesteld worden. De gebouwen en waarden zijn in de aangehechte rapportage aangegeven. Het ontwerpbesluit hogere waarden, welk besluit op de rapportage is gebaseerd is als Bijlage 6 aan de toelichting gehecht. Verder wordt geadviseerd om voor de benodigde gevelisolatie uit te gaan van de gecumuleerde geluidsbelasting van alle beschouwde wegen samen, zonder correctie conform artikel 110 Wgh. De hoogst berekende gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt 66 dB, zodat het geluidsisolerend vermogen van de betreffende gevel 33 dB dient te bedragen om te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB.

Naast wegen worden de woningen in de directe nabijheid van diverse andere geluidbronnen geprojecteerd. Deze geluidbronnen betreffen industrie, scheepvaart, bedrijvigheid en afgemeerde riviercruiseschepen. Door Rho adviseurs is in dat kader akoestisch onderzoek uitgevoerd en is de geluidsbelasting als gevolg op de gevels berekend. Deze rapportage d.d. 17-12-2020 is als Bijlage 7 aan de toelichting gehecht. In de bij het akoestisch onderzoek gevoegde tabel zijn de resultaten van de berekeningen weergegeven. Industrielawaai De transformatie van dit industrieterrein tot stedelijk gebied heeft het noodzakelijk gemaakt de geluidzonering van het industrieterrein ‘de Schelde/Buitenhaven’ te herzien. De uit 1990 daterende geluidzone was voor een belangrijk deel gebaseerd op de industriële activiteiten, die plaatsvonden op het terrein van de Koninklijke Schelde Groep. 36

Op 19 november 2009 is het bestemmingsplan ‘Parapluherziening geluidzone de Schelde/Buitenhaven’ in werking getreden. In dit bestemmingsplan is de geluidzone vanwege het industrielawaai van het industrieterrein ‘de Schelde/Buitenhaven’ verankerd. Een klein deel van het plangebied ligt binnen de vastgestelde geluidzone van het industrieterrein ‘de Schelde/Buitenhaven’ Uit dit onderzoek blijkt, dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) op diverse plaatsen wordt overschreden. De maximale waarde van 55 dB(A) wordt echter niet overschreden, rekening houdend met de redelijke sommatie. De redelijke sommatie is van toepassing vanwege het niet altijd gelijktijdig in werking zijn van de bedrijven binnen het gezoneerde gebied. Dit houdt in dat de berekende geluidsbelasting op de gevels van de woningen maximaal 57 dB(A) mag zijn. Voor onderhavige ontwikkeling bedraagt de geluidbelasting op de hoger gelegen zuidelijke en oostelijke gevels van de Zeelandtoren ten gevolge van industrieterrein Schelde Buitenhaven maximaal 53 dB(A) etmaalwaarde, na aftrek van 2 dB(A) vanwege redelijke sommatie. Op de noordgevels en westgevels wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Bij de blokken C en D wordt ook niet bij alle gevels voldaan aan de voorkeursgrenswaarde en bedraagt de hoogste geluidbelasting 51 dB(A). Industrielawaai vormt dan ook geen belemmering voor de realisering van dit plan.

Overigens dient vanwege de (vast te stellen) hogere waarde onderzoek te worden uitgevoerd naar de benodigde geluidwerende voorzieningen aan de gevels van de nieuwe bebouwing. Een dergelijk onderzoek maakt geen onderdeel uit van de ruimtelijke procedure, maar komt aan de orde bij omgevingsvergunningprocedure onderdeel bouwen. Geadviseerd wordt om de hogere waarden 2 dB(A) hoger vast te stellen dan berekend. Deze waarden voldoen nog steeds aan de maximale ontheffingswaarde. Wettelijk is dit toegestaan. De ruimere waarden zorgen ervoor dat de bedrijven zeker weten dat de ontwikkeling niet betekent dat de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Bij een hogere waarde van 55 dB(A) zijn ook geen extra maatregelen aan de gevel nodig om aan de maximale binnenwaarde van 35 dB(A) uit het Bouwbesluit te voldoen. Conclusie Voor diverse gebouwen moet een hogere waarde vastgesteld worden. De gebouwen en waarden zijn in de aangehechte rapportage aangegeven. Bedrijvigheid Naast het beoordelen van de omgevingskwaliteit, dient ook te worden beoordeeld of de aanwezige bedrijven, zowel binnen als het buiten het plangebied, door de komst van nieuwe woningen, niet in de bedrijfsvoering worden belemmerd.

Dit betekent dat de bedrijven bij de nieuwe woningen nog steeds aan de geldende grenswaarden van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) moeten kunnen voldoen. Binnen het plangebied bevindt zich de Timmerfabriek, welke zal worden aangewend voor hotel met bijbehorende horecavoorzieningen. De richtafstand voor een hotel of een café bedraagt 10 meter voor woningen in een rustige woonwijk. Voor woningen in gemengd gebied hoeft, volgens de systematiek, geen afstand te worden aangehouden. De minimale afstand tussen de Timmerfabriek en de te ontwikkelen woningen bedraagt circa 18 meter. Aan de richtafstanden wordt ruim voldaan. Ook zal de inrichting op deze afstand kunnen voldoen aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Aanvullend akoestisch onderzoek is niet nodig.

37

Verder is in de directe nabijheid de Timmerfabriek gelegen. In de machinefabriek zal een parkeergarage worden gerealiseerd. De richtafstand voor een parkeergarage bedraagt 30 meter tot woningen in een rustige woonwijk en 10 meter voor woningen in gemengd gebied. De minimale afstand tussen de te ontwikkelen woningen en de Machinefabriek bedraagt meer dan 100 meter. De inrichting zal, gezien deze afstand, ook kunnen voldoen aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Aanvullend akoestisch onderzoek is niet nodig. Ten oosten van het plangebied aan de andere zijde van het Kanaal is een lasloods gelegen. De lasloods wordt gebruikt voor evenementen, waaronder feesten met versterkte livemuziek. De richtafstanden lijst van de VNG biedt geen passende activiteit om de juiste richtafstand te bepalen. In het kader van de oprichting van de evenementenlocatie is eerder akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt, dat de Lasloods in de representatieve bedrijfssituatie bij de woningen aan het Timmerplein voldoet aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat geen nader akoestisch onderzoek nodig is voor de geluidbelasting van deze inrichting. Het is mogelijk dat in de Lasloods incidenteel een evenement wordt gehouden waarbij meer geluid wordt geproduceerd, bijvoorbeeld voor een groot dancefeest met hoge geluidniveaus.

De gemeente Vlissingen dient hiervoor dan een ontheffing te verlenen. Scheepvaartlawaai Voor deze geluidbron geldt geen wettelijk toetsingskader. De dosis‐effectrelatie van scheepvaartlawaai lijkt op die van spoorweglawaai. Dit betekent dat een bepaalde geluidbelasting van scheepvaartverkeer ongeveer even hinderlijk is als dezelfde geluidbelasting afkomstig van een spoorweg. Om deze reden wordt in dit rapport aangesloten bij de grenswaarden uit de Wet geluidhinder voor spoorweglawaai, namelijk een richtwaarde van 55 dB en een maximale aanvaardbare waarde van 68 dB. De geluidbelasting van scheepvaartverkeer bedraagt bij de geprojecteerde woongebouwen maximaal 41 dB Lden. Dit is ruim lager dan de richtwaarde van 55 dB. Hieruit blijkt dat scheepvaartlawaai geen relevant aspect is voor dit plan. Afgemeerde riviercruiseschepen In onderhavige ontwikkeling wordt een deel van het bestemmingsplan Stadshaven Scheldekwartier opgenomen. In dit bestemmingsplan is onder andere geregeld dat (rivier)cruiseschepen mogen afmeren. Hiervoor is bepaald dat voor de energievoorziening van (rivier)cruiseschepen uitsluitend het gebruik van walaansluiting voor stroomgebruik (walstroom) is toegestaan is en niet het gebruik van generatoren of aggregaten. Deze maatregel zorgt ervoor dat de geluiduitstraling van de schepen wordt gereduceerd.

Het is echter niet uitgesloten dat andere geluidbronnen dan aggregaten of generatoren relevante geluidemissie veroorzaken. De ligplaatsen zijn daarom betrokken bij het onderzoek. De ligplaatsen zijn geen inrichting in de zin van de Wet milieubeheer en er bestaat geen toetsingskader voor het beoordelen van de geluidbelasting. In dit rapport wordt aangesloten bij de richtwaarden die in de VNG‐handreiking Bedrijven en milieuzonering voor de beoordeling van geluid van bedrijven zijn aanbevolen voor woningen in een gemengd gebied, namelijk 50/45/40 dB(A) in respectievelijk de dag‐/avond‐/nachtperiode. Aangezien de berekeningen zijn uitgevoerd met een relatief luidruchtig schip als uitgangspunt, zullen de luidruchtige riviercruiseschepen kunnen afmeren op de meest noordelijk gelegen ligplaats, zonder de richtwaarden te overschrijden. Schepen met een emissierelevant 38

bronvermogen dat 7 dB(A) of meer lager is dan het beoordeelde schip, zullen ook op de ligplaatsen 1 of 2 kunnen afmeren. Teneinde een goed woon- en leefklimaat voor de direct aangrenzende woningen te kunnen garanderen, wordt dit in de planregels geborgd. Vanwege het onregelmatige karakter van de aanwezigheid van cruiseschepen, is het geluid van cruiseschepen niet meegerekend bij de gecumuleerde geluidbelasting. Spoorweglawaai Het plangebied ligt buiten de wettelijk van toepassing zijnde invloedssfeer van de spoorlijn Vlissingen-Roosendaal. Om die reden kan onderzoek naar het spoorweglawaai achterwege blijven en vormt dit aspect geen belemmering voor de realisering van dit project. Cumulatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn niet alleen de geluidbronnen meegerekend die vallen onder de werkingssfeer van de Wgh, maar ook de overige bronnen. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van relevante samenloop van geluidbelastingen, omdat de westzijde van het plangebied voornamelijk wordt belast door wegverkeerslawaai en het industrielawaai voornamelijk uit oostelijke en zuidoostelijke richting afkomstig is. 5.4

Luchtkwaliteit Wettelijk kader De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de 39

zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. De plannen voor de woningbouwlocatie Timmerplein zijn niet als project opgenomen in het NSL. Onderzocht is of wordt voldaan aan de vigerende normen uit de Wet milieubeheer. Onderzoeksresultaten Het aspect luchtkwaliteit kan uitsluitend in samenhang met het programma van de andere voorziene ontwikkelingen van het grotere projectgebied Scheldekwartier worden bezien.

In het MER is naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek geconcludeerd, dat de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit nergens worden overschreden. De Commissie voor de mer heeft echter geadviseerd het onderzoek naar de luchtkwaliteit ten behoeve van de besluitvorming over uitwerkingsplannen te actualiseren, waarbij rekening moet worden gehouden met de emissies van de scheepvaart en de dan geldende wetgeving. Naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de mer is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de emissies van de scheepvaart op het Kanaal door Walcheren. Dit onderzoek is uitgevoerd door TNO (rapportnr. TNO-034-UT-2009-01232_RPT-ML, juni 2009). Uit het onderzoek blijkt, dat de bijdrage van de scheepvaart aan de lokale concentraties NO2 en PM10 (fijn stof) zeer laag is en zeker niet tot een overschrijding van de normen zal leiden. Tevens is aanvullend onderzoek verricht naar de luchtkwaliteit binnen het projectgebied als gevolg van het verkeer. De gegevens uit de onderzoeken ten behoeve van het MER zijn daarbij geactualiseerd. Uit het onderzoek (rapport gemeente Vlissingen, 4 mei 2010) blijkt, dat er weliswaar een kleine toename van de concentraties NO2 en PM10 voor 2020 plaatsvindt, maar dat er geen overschrijdingen van de normen plaatsvinden. In de ontwikkelingsvisie is uitgegaan van de realisatie van circa 1.400 tot 1.800 woningen in het Scheldekwartier.

Voor de overige beoogde functies in het Scheldekwartier, zoals zorg, recreatie, detailhandel, (watersportgerelateerde) bedrijvigheid, horeca en maatschappelijke functies, zijn geen exacte gegevens bekend, en is daarom een inschatting gemaakt van het aantal personen dat zich in het Scheldekwartier gaat bevinden. In de ontwikkelingsvisie zijn, ten opzichte van het Masterplan Dokkershaven, enkele functies, waarin zich een groot aantal personen zou kunnen bevinden, komen te vervallen. Het gaat hierbij om functies als grootschalige detailhandel en een casino. Dit betekent ook minder vervoersbewegingen en daardoor minder emissies NO2 en PM10. De onderzoeken t.b.v. het MER worden daarmee nog adequaat geacht en geven eerder een over- dan een onderschatting.

40

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd, dat er vanuit luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan voor de ontwikkeling van dit project in het gebied Scheldekwartier. Om toch zekerheid te hebben over het woon- en leefklimaat ten aanzien van de nieuw te bouwen woningen is door Goudappel Coffeng een locatie specifiek onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport ‘Timmerplein, Onderzoek luchtkwaliteit’ van 22 maart 2019, dat als Bijlage 8 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. Het onderzoek luchtkwaliteit is uitgevoerd met de NSL-rekentool, versie Monitoring NSL 2018. Deze rekent volgens standaard rekenmethode I en standaard rekenmethode II uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl 2007). De berekeningen zijn uitgevoerd met achtergrondconcentraties en emissiefactoren voor de jaren 2017, 2020 en 2030 en de verkeerscijfers voor het jaar 2030. Voor de zichtjaren 2017 en 2020 is hiermee een worst-case scenario beschouwd. In alle jaren wordt ruim aan de normen voldaan. Kort samengevat wordt het navolgende geconcludeerd: • De hoogst berekende jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide bedraagt 22,4 μg/m3. Hiermee wordt ruim aan de norm van 40 μg/m3 voldaan. Deze concentratie is berekend langs De Willem Ruysstraat (wegvak 3). De hoogst berekende concentratie fijn stof PM10 bedraagt 17,4 μg/m3, eveneens langs De Willem Ruysstraat.

Ook voor fijn stof wordt ruim aan de normen voldaan; • Ook in 2020 is geen sprake van normoverschrijdingen. De jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide ligt iets lager dan in 2017. Dit komt met name door lagere achtergrondconcentraties naar de toekomst. De concentraties fijn stof liggen in 2020 iets hoger dan in 2017. Echter wordt in alle gevallen ruim aan de normen voldaan; • Tot slot liggen de concentraties in 2030 lager dan in 2020. Dit komt door een verbetering van de luchtkwaliteit naar de toekomst toe. Conclusie Uit het onderzoek is gebleken dat in alle beschouwde situaties en langs alle beschouwde wegen ruim wordt voldaan aan de normen uit de Wet milieubeheer. Hiermee vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van de plannen. Verder wordt door de beperkte omvang van de uitvaarpercentages van de pleziervaartuigen en het feit dat ook op dit moment al riviercruiseschepen aanmeren, het effect van dit deel van het plangebied op de luchtkwaliteit zodanig laag geacht, dat voor dit deel van het plangebied nader onderzoek achterwege is gelaten. In navolging van artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer, waarin is bepaald dat een ruimtelijke ontwikkeling doorgang kan vinden indien geen sprake is van normoverschrijdingen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5.5

Externe veiligheid In juni 2007 heeft TNO Bouw en Ondergrond rapport uitgebracht over het onderzoek naar externe veiligheid voor het gehele projectgebied Scheldekwartier. Dit rapport is genaamd “TNOrapport Onderzoek externe veiligheid Dokkershaven en Edisongebied te Vlissingen” (hierna TNO rapport) en is opgesteld ten behoeve van het MER. Uit het rapport is gebleken, dat de ontwikkeling van het projectgebied Scheldekwartier tot gevolg heeft dat er een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico vereist is.

41

Door het project Scheldekwartier in fasen op te delen is per fase wellicht geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico vereist. Echter, omdat deze planontwikkeling onlosmakelijk deel uitmaakt van de ontwikkeling van het totale plangebied Scheldekwartier, is hiervoor ook een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. De verantwoording van het groepsrisico vindt zijn grondslag in het TNO-rapport, met dien verstande dat ten behoeve van de herijkte plannen voor het Scheldekwartier opnieuw onderzoek in 2011 en 2013 is uitgevoerd door Det Norske Veritas (DNV) naar de gevolgen voor het groepsrisico. Op basis van enkele gewijzigde populatiegegevens in het kader van recente ontwikkelingen is eind 2020 door DNV het rapport van 2013 opnieuw geactualiseerd. Daarnaast is er ook een nieuwe versie van het rekenprogramma beschikbaar. De impact van deze wijzigingen op het berekende groepsrisico zoals bepaald in 2013 is kwalitatief opnieuw beoordeeld. Zowel het onderzoek uit 2013 als de actualisatie in de vorm van een notitie zijn als Bijlage 9 aan deze toelichting gehecht. Wettelijk kader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen.

In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Normstelling Wat betreft normstelling, begrippenkader en rekenmethodiek voor het bepalen van de risico’s, wordt in het beleidsveld voor externe veiligheid gewerkt met twee begrippen: • het plaatsgebonden risico (PR), en; • het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is omschreven als de kans dat een persoon, die gedurende een heel jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, ten gevolge van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof komt te overlijden. De PR-contour met kans 10-6 geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten. Dat wil zeggen dat in het gebied binnen deze contour geen kwetsbare objecten voor mogen komen.

Kwetsbare objecten zijn gebouwen waar personen zich gedurende een dag langere tijd bevinden (zoals woningen) of gebouwen, waarin grote groepen van kwetsbare personen verblijven (zoals verpleeghuizen). De contour met kans 10-6 geldt als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour met kans 10-5 als grenswaarde. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen, die niet als kwetsbaar object worden aangemerkt (zoals bedrijfsgebouwen). Ook objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefooncentrale voor hulpdiensten, worden als beperkt kwetsbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het GR is de cumulatieve kans dat een groep personen van 10, 100 en 1.000 personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof. Het GR kan grafisch worden weergegeven in een curve, de zogenaamde fN-curve. Het GR is niet 42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10323990/1