CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

5.16 rvs Verordenig Wmo en Jeugd bijlage 3 toelichting Integrale verordening

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente VlissingenBij agendapunt: Verordening Wmo en Jeugd24.441 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 22. Afstemming Gecertificeerde instellingen De gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. Dit artikel benoemt een aantal concrete onderwerpen waarover afspraken moeten worden gemaakt. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. De Jeugdwet stelt zo'n samenwerkingsprotocol ook verplicht (zie artikel 3.5 lid 3 Jeugdwet).

Artikel 23. Afstemming justitiedomein In de strafrechtelijke beslissing– in het kader van een taakstraf of (gedragsbeïnvloedende) maatregel – kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. Meestal zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen is de gecertificeerde instelling betrokken bij de uitvoering hiervan. Gaat het om taakstraffen, dan is dat de RvdK. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings‐ en trainingsprogramma in het nazorgtraject. De gemeente is betrokken in het trajectberaad. Het is van belang dat de gemeente afspraken maakt met deze instanties, zeker ook als het gaat om de afhandeling van de proces‐verbalen van leerplicht. Deze afspraken zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK. Tevens worden afspraken hierover vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen.

Artikel 24. Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht Veel kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf, waar ook voorschoolse educatie wordt geboden. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorziening en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de algemene (en individuele) voorzieningen op grond van deze verordening afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen. De Jeugdwet draagt de gemeente ook op te overleggen met het onderwijs bij het treffen van een individuele voorziening (zie artikel 2.7 Jeugdwet). Elke school heeft daarom een contactpersoon bij het gemeentelijke jeugdteam, zodat waar nodig makkelijk en snel afstemming gezocht kan worden. Bij schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten wordt hierbij tevens de leerplichtambtenaar betrokken (tweede lid). 19

Uiteraard worden de jeugdige/ouders betrokken bij dit overleg en de gemaakte afspraken worden vastgelegd in het individuele ondersteuningsplan van de jeugdige (derde lid).

Artikel 25. Afstemming Veilig Thuis Veilig Thuis (het advies‐ en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling) is beschikbaar voor advies en consult voor professionals. Hoogwaardige specialistische kennis is nodig bij bijvoorbeeld complexe situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling, eergerelateerd geweld, seksueel misbruik, verwaarlozing/achterlating of huwelijksdwang. Veilig Thuis kan onderzoek doen en passende hulp inschakelen. In het kader hiervan zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen.

Artikel 26. Afstemming Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, vallen na het 18e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo. De gemeente is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig, een half jaar of zelfs een jaar tevoren, bekeken wordt wat er gaat veranderen na het 18e jaar. Zodat de continuïteit van zorg geborgd is. Sommige ouders van jeugdigen zullen ook te maken hebben met Wmo-ondersteuning (omdat zij minder valide en zelfredzaam zijn). Ook in die gevallen is een goede afstemming tussen voorzieningen voor de jeugdige en voor de ouders gewenst. Het waarborgen van de continuïteit van de hulp en ondersteuning van een jeugdige die 18 jaar wordt, houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college begeleid wordt of dat verlengde jeugdhulp tijdig wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang te hebben van hulp voor het achttiende levensjaar, naar ondersteuning daarna, wordt al voor het achttiende jaar gekeken naar wat vanaf het achttiende jaar nodig is aan ondersteuning. Dit geldt voor jeugdigen die hulp ontvangen vanuit de Jeugdwet, niet voor alle jongeren. Ook wordt vanaf het zestiende jaar al gekeken welke hulp ingezet moet worden om vanaf het achttiende jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden.

Dit kan bijvoorbeeld gaan om opleiding om de kansen op werk te bevorderen, maar ook om het leren een eigen huishouden te runnen, als de jongere langdurig niet meer bij zijn ouders woont, of om individuele begeleiding om een opleiding af te kunnen ronden. Doel hiervan is een soepele overgang in regimes om te voorkomen dat er overgangsproblemen ontstaan die tot problemen leiden voor de jongere of die resultaten van ingezette hulp voor het achttiende levensjaar deels teniet zou doen. Ook is het doel om langdurige ondersteuning na het achttiende jaar zo minimaal als mogelijk te laten zijn. Wanneer inzet bij de minderjarige kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar, heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. De jeugdhulpaanbieder stelt een perspectiefplan op en betrekt hierbij de jeugdige, het gezin en het college. In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar.

Artikel 27. Afstemming werk en inkomen Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben, ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulpverlening kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang dit soort problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar de juiste hulp en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht.

Artikel 28. Het besluit Lid 1 en 3 20

Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) en de ingediende aanvraag. Lid 2 Deze bepaling regelt de besluitvorming rond crisissituaties, waarbij de jeugdhulpaanbieder zonder besluit jeugdhulp heeft ingezet (zie artikel 11 lid 6). Het besluit tot inzetten van de hulp moet binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Lid 4 Deze bepaling regelt dat van de jeugdige en/of ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen drie maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen drie maanden inzetten voor de toegekende jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn zo wijzigt dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen de jeugdige en/of ouder(s) niet aan deze voorwaarde, kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening (zie artikel 22, tweede lid onder d, van deze verordening).

Artikel 29. Inhoud beschikking Het college geeft een schriftelijke beschikking af bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of als in de het tussentijd de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening wijzigen. Hiertegen kan de jeugdige en/of ouder(s) bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer beschikkingen die inhouden dat gesloten jeugdhulp nodig is of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet (zie artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb). De jeugdige en/of ouder(s) moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige en/of ouder(s) goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.

Artikel 30. Regels voor persoonsgebonden budget Lid 1 Dit artikel spreekt voor zich. Lid 2 Als de jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking willen komen voor een pgb, moeten zij een budgetplan opstellen. In deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken vloeit rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Lid 3 Er is geen vrij besteedbaar bedrag. De budgethouder of budgetbeheerder moet over het gehele pgb verantwoording afleggen. 21

Lid 4 In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp. Lid 5 Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet (zie ook de toelichting bij lid 2). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling en vaktherapie die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling en vaktherapie kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik.

Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. Lid 6 In dit artikellid wordt uitgelegd wat verstaan wordt onder personen uit het sociaal netwerk. Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: • geboorte; • afstamming van dezelfde voorvader; • erkenning; • gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; • adoptie. Bloedverwanten zijn in de: Eerste graad: • (adoptie)ouders; • (adoptie)kinderen. Tweede graad: • grootouders; • kleinkinderen; • broers en zussen Lid 7 De in het zevende lid opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd: a. de jeugdige en/of ouder(s) zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van hun belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de jeugdige en/of ouder(s) kunnen beargumenteerd aangeven dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend vinden; en c.

de individuele voorziening die ze in willen kopen is van goede kwaliteit. 22

Lid 8 In het achtste lid wordt niet-limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Als deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie de kwaliteit niet geborgd kan worden. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. Lid 9 Een pgb wordt geweigerd als er een weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is, voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp) en voor pleegzorg. Lid 10 Deze bepaling regelt dat het college de mogelijkheid om nadere regels op te stellen over de aan een pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 31. Pgb-vaardigheid Lid 1 Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een pgbvertegenwoordiger/budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst. Het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb. Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf): 1. Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings- of hulpvraag) 2. Inkopen en aansturen van de hulp (ook als de hulpvraag wijzigt) 3. Goed werkgeverschap 4. Coördinatie van hulpverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg 5. Voeren van een administratie 6. Verantwoording afleggen en contact met de gemeente 7.

In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT-vaardig. Deze taken dienen als basis om op basis van een budgetplan de benodigde kennis en vaardigheden van de budgethouder of budgetbeheerder vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c274356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6 van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. 23

Mocht een budgethouder die zelf niet over deze vaardigheden beschikt alsnog een pgb wensen, dan moet er een pgb-vertegenwoordiger zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten. Lid 2 In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake. 1°. Problematische schuldenproblematiek: problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden mist. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.

Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’. Er is sprake van problematische schulden als voorzien kan worden dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. 2° Ernstige verslavingsproblematiek: ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam of expertiseteam jeugd.

Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij de budgethouder of budgetbeheerder zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat hij verslaving-gerelateerd gedrag vertoont. 3°. Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: als de budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer als de budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar hij werkt, dan wel de beoogde pgbaanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude. 4°. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die, zonder 24

ondersteuning, participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld. Soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. 5°. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: bij ggz-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde hulp doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet-wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Zorg in natura past vaak beter in het hulpbelang van de jeugdige en/of ouder(s). 6°. Vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis: als de budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat hij daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn diverse vormen van dementie en de gevolgen van niet-aangeboren hersenletsel. 7°. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer de budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst.

Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld hulpovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat de budgethouder of budgetbeheerder voldoende kennis moet hebben van de Nederlandse samenleving, zodat hij bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is en doet in relatie tot het pgb. 8°. Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder.

Artikel 32. Onderscheid formele en informele hulp Afhankelijk van de hulpvraag kan het college formele of informele hulp inzetten met een pgb. Met een goed vastgelegd onderscheid tussen formele en informele hulp in de verordening kan de gemeente voor informele hulp een ander tarief hanteren. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Wanneer het formele en wanneer het informele tarief geldt, moet de gemeenteraad in de verordening regelen. Formele hulp Van formele hulp is kortweg sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociale netwerk van de budgethouder komt (zie artikel 30 lid 6). Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIGgeregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp.

De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.

25

Informele hulp Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociale netwerk of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen.

Artikel 33. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en/of ouder(s).

Artikel 34. Hoogte pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. In deze verordening wordt het pgb-tarief voor informele hulp daarom vastgesteld op het wettelijk minimumloon (zie de toelichting bij het derde lid). Lid 1 en 2 Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, zal veelal aan deze voorwaarde zijn voldaan. Desalniettemin moet het college in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde hulp kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet zal gelden (zie CRvB 26-2-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:456). Voor een pgb waarmee de hulp wordt ingekocht bij een zelfstandige zonder personeel (zzp-er) geldt altijd lid 1.

Lid 3 Bij het inzetten van een pgb binnen het sociale netwerk kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Sindsdien wordt voor het tarief voor informele hulp hierbij aangesloten. Gemeenten die voor het pgb-tarief voor het sociale netwerk willen aansluiten bij het minimumloon geldt dat het tarief hoog genoeg moet zijn om ten minste het wettelijke minimumloon en vakantiegeld (8% vakantietoeslag) te betalen. Het geldende minimumloon staat op: Bedragen minimumloon | Minimumloon | Rijksoverheid.nl. Lid 4 In dit lid wordt het moment van het bepalen van de hoogte van het pgb-tarief vastgelegd met de duur dat het tarief geldt. Lid 5 en 6 Het kan zijn dat de kosten voor de gewenste jeugdhulp via een pgb hoger of lager is dan het vastgestelde pgb-tarief. Bij een hogere kostprijs kan de jeugdige en/of ouder(s) geld aan het budget toevoegen door de meerprijs over te maken aan de Sociale Verzekeringsbank. Dit is om te voorkomen dat er in de loop van een kalenderjaar geen budget meer over is voor het inzetten van jeugdhulp. Het college onderzoekt voordat zij tot toekenning overgaat of de jeugdige en/of ouder(s) in staat zijn om de hogere kosten te kunnen en willen betalen.

26

Bij (veel) lagere kosten voor de jeugdhulp dan het geldende pgb-tarief doet het college onderzoek of dit geen nadelige effecten heeft voor de kwaliteit van de jeugdhulp. Lid 7 De minister van VWS is van mening dat zorg en ondersteuning die vanuit sociale en morele overwegingen wordt verricht en via een pgb wordt betaald, niet aangemerkt zou moeten worden als een arbeidsrelatie waarop de Wml van toepassing is. Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociale netwerk bestaat daarom per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele hulp uit een pgb zó te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen budgethouders aan hun informele hulpverlener vanuit het pgb een tegemoetkoming of vergoeding voor gemaakte kosten geven. Deze tegemoetkoming/onkostenvergoeding valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht. De gemeente heeft ervoor gekozen om deze regeling toe te passen door aan budgethouders die geen arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht met hun informele hulpverlener wensen, per kalendermaand een vaste tegemoetkoming te verstrekken. De budgethouder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener.

Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De budgethouder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn informele hulpverlener of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is. Lid 8 Deze bepaling regelt dat het college dat het college minimaal jaarlijks de tarieven publiceert.

Artikel 35. Kwaliteitseisen individuele voorziening in natura Lid 1 en 2 De Jeugdwet kent geen verplichting om in de verordening de kwaliteitseisen voor voorzieningen nader uit te werken. In de Jeugdwet zelf staan namelijk al wettelijke kwaliteitseisen opgenomen (in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet). Toch is er in deze verordening in het kader van integraliteit voor gekozen om voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning een vergelijkbare bepaling op te nemen. Zie voor een nadere toelichting ook artikel 60 van deze verordening

Artikel 36. Privacy en gegevensverwerking Dit artikel benadrukt de verplichting van het college om bij uitvoering van deze verordening te handelen conform de bepalingen die volgen uit de Algemene Verordening Gegevensverwerking (AVG). Lid 2 schept de mogelijkheid voor het college om in het kader van gegevensverwerking een protocol op te stellen.

Artikel 37. Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoerig geregeld. Dit artikel is in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de

27

verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van de jeugdige en/of ouder(s) te geven. Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten de jeugdige en/of ouder(s) zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 en verder van de Jeugdwet.

Artikel 38. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de wet door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11 lid 1 van de Jeugdwet). De gemeente moet hiervoor regels maken over het waarborgen van een goede prijs en kwaliteitverhouding. Dit is opgenomen in artikel 2.11 van de wet. Sinds 1 juli 2024 is artikel 2.3 aan het Besluit Jeugdwet toegevoegd. Dit artikel helpt gemeenten en aanbieders om bij het opstellen van een contract tot een reële prijs te komen. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten (jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering) die derden verlenen in opdracht van het college. In artikel 2.3 van het Besluit Jeugdwet is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (tweede lid). Een vaste of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Uitgangspunt is dat de aanbieder personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten.

Het college moet rekening houden met een aantal aspecten, zoals de mate van deskundigheid van de beroepskrachten, de arbeidsvoorwaarden, waaronder de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie. Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college moet bij het vaststellen van de tarieven met deze aspecten (naast de prijs) rekening houden om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde ofwel een vaste, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs.

In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan is het tarief voor de inschrijvers gelijk aan de vaste prijs. Lid 2 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. 28

Lid 3 Hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van algemene voorzieningen.

Artikel 39. Herziening, intrekking, beëindiging, wijziging en terugvordering Lid 1 Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige en/of ouder(s) het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouder(s) met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of (nog steeds) terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. Lid 2 Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld.

Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling. Verder breidt de verordeningsbepaling de herzienings/intrekkings-bevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Lid 4 In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.

Artikel 40. Opschorting betaling uit het pgb Lid 1, 2 en 3 Met deze regeling legt de gemeente vast dat de gemeente in bepaalde gevallen de Sociale Verzekeringsbank (SVB) kan verzoeken om de betaling van het pgb nog niet te doen (geheel of gedeeltelijk opschorten). Soms is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie beter dan beëindiging of weigering of zelfs intrekken of herzien van het pgb. Door het opschorten is er tijd voor herstelmaatregelen of verder onderzoek. Deze bevoegdheid is afkomstig uit artikel 8b lid 6 onderdeel g van de Regeling Jeugdwet en is voor de duidelijkheid opgenomen in deze gemeentelijke verordening. Het verzoek tot opschorting zal schriftelijk worden meegedeeld aan de betrokkenen.

Artikel 41. Niet meewerken ouder(s) De jeugdige en/of ouder(s) hebben een medewerkingsplicht. Dit houdt in dat de benodigde informatie om een besluit te kunnen nemen op de hulpvraag op verzoek van het college verstrekt 29

moet worden. Als de jeugdige en/of ouder(s) dit weigeren, moet het college een besluit nemen op basis van de informatie die er is. Dit kan dan betekenen dat de aanvraag wordt afgewezen. Het college kan bijvoorbeeld medewerking vragen voor het afleggen van een huisbezoek en het observeren van de jeugdige (al dan niet binnen het gezin). NB: In artikel 2.7, eerste lid, van de wet staat dat het college waar nodig kan overleggen met het bevoegd gezag van een school bij het inzetten van een individuele voorziening. Hiervoor is medewerking van de ouder(s) niet vereist.

Artikel 42. Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura en met een pgb te waarborgen en fraude te voorkomen. In het eerste en tweede lid is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp (eerste lid). Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen (tweede lid). Het college beschikt tevens over een meldpunt, waar signalen, zorgen en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Een en ander kan dan leiden tot vervolgonderzoek, al dan niet door een toezichthouder.

3. Maatschappelijke ondersteuning Artikel 43. Definities Lid 1 Onderdeel a: algemeen gebruikelijk Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535): • • • •

niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het zorgen voor een situatie waarin de cliënt zelfredzaam kan zijn of kan participeren en; met een inkomen op minimumniveau financieel kan worden gedragen

Het is de vraag wat precies verstaan moet worden onder een 'inkomen op minimumniveau'. Zolang hier niet meer jurisprudentie over is verschenen, gaan we ervan uit dat het gaat om een inkomen op bijstandsniveau. Het is hierbij niet van belang of de betreffende cliënt een inkomen op minimumniveau heeft. Het draait om de vraag of de voorziening in algemene zin financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

30

Onderdeel b: algemene voorziening Een vrij-toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015. Onderdeel c: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de cliënt kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Onderdeel d: bijdrage Bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening of algemene voorziening. Onderdeel e: budgetbeheerder (pgb-vertegenwoordiger) De budgetbeheerder voert de taken verbonden aan een pgb uit voor de budgethouder die op grond van de wet een pgb ontvangt om daarmee maatschappelijke ndersteuning in te kunnen kopen. Als de budgethouder namelijk niet zelf de taken verbonden aan een pgb kan uitvoeren, kan hij dit een budgetbeheerder laten doen (artikel 2.3.6 lid 2 sub a van de Wmo). Onderdeel f: budgethouder De budgethouder is degene die op grond van de Wmo 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt om daarmee maatschappelijke ondersteuning in te kunnen kopen. Onderdeel g: budgetplan Een plan waarmee de budgethouder toelicht hoe hij het pgb wil gaan besteden. Mede op basis van dit plan kan het college toetsen of aan de voorwaarden voor een pgb voldaan wordt. Het college stelt een format beschikbaar voor het budgetplan.

Onderdeel h: cliëntondersteuning In de Wmo is vastgelegd dat de gemeente verantwoordelijk is voor het aanbieden van cliëntondersteuning (artikel 2.2.4 Wmo 2015). Voor cliëntondersteuning wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Onderdeel i: financiële tegemoetkoming een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag, al dan niet ineens uitbetaald, dat is bedoeld om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet persé een kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. Onderdeel j: hoofdverblijf Omdat er bij het begrip ingezetene wordt gesproken over hoofdverblijf, is hier verduidelijkt wat hier onder wordt verstaan. Onderdeel k: ingezetene Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 2209-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend.

Onderdeel l: melding Het verzoek om maatschappelijke ondersteuning van een cliënt. Een cliënt kan zich ‘vormvrij’ melden

31

bij de gemeente. Na het indienen van de melding begint voor het college de onderzoekstermijn te lopen. Het college bevestigt de ontvangst van de melding. Onderdeel m: ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is het resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de hulpvraag van de inwoner met een ondersteuningsvraag (cliënt). Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Het ondersteuningsplan beschrijft dus niet noodzakelijk welke maatwerkvoorziening wordt ingezet. Indien een maatwerkvoorziening niet noodzakelijk is volgens het college, dan beschrijft het ondersteuningsplan hoe de ondervonden belemmeringen opgelost kunnen worden door inzet van eigen kracht. Onderdeel n: persoonlijk plan Een plan waarin de cliënt zelf beschrijft wat volgens hem de maatschappelijke ondersteuning is die hij nodig heeft. Gedurende zeven dagen na de melding heeft de cliënt de mogelijkheid het plan bij het college in te dienen. Onderdeel o: pgb Een inwoner met een ondersteuningsvraag kan een maatwerkvoorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de inwoner zelf de benodigde hulp inkopen. Onderdeel p: sociaal netwerk In deze verordening wordt aangesloten bij de wettelijke definitie die de Wmo hanteert.

Voor de uitleg van het begrip is verder ook artikel 34 lid 4 van de verordening relevant. Onderdeel q: sociale basis Zie in de inleiding bij het uitgangspunt van deze verordening. Onderdeel r: Uitvoeringsbesluit Dit artikel spreekt voor zich. Onderdeel s: wet Dit artikel spreekt voor zich. Onderdeel t: woonvoorziening Voorzieningen waarmee een inwoner in staat wordt gesteld om langer thuis te kunnen blijven wonen. Lid 2 Het aantal definities van lid 1 is beperkt aangezien de Wmo 2015 al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Een deel van deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).

Artikel 44. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling regelt dat via nadere regels vastgelegd wordt op welke wijze de gemeente Vlissingen jaarlijks blijk geeft van de waardering voor mantelzorgers. Het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de wet). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Verder is het begrip ‘cliënten’ breder dan alleen personen die gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het kan ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben, maar waar geen Wmo-voorziening voor is toegekend. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook 32

die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. Zoals aangegeven wordt dit uitgewerkt via nadere regels.

Artikel 45. Melding en onderzoek Lid 1 De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij het buurtteam in de wijk. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. Lid 2 In lid 2 is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Vanwege de registratie en zorgvuldigheid kiest de gemeente hier wel voor. Lid 3,4 en 5 Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt ervan uitgegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In lid 4 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt.

Verder is wettelijk bepaald dat cliënten een persoonlijk plan in kunnen dienen als zij dit wensen. Het college zal dit persoonlijk plan betrekken bij het onderzoek. Lid 6 In de spoedeisende gevallen moet zonder het onderzoek af te wachten direct een voorziening ingezet worden. Dat volgt uit de wet (artikel 2.3.3 Wmo 2015). Om te benadrukken dat het college rekening houdt met spoedeisende gevallen is hiervoor ook in de verordening een bepaling opgenomen. Lid 7, 8 en 9 Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt. In lid 8 wordt benadrukt dat op cliënten een inlichtingenplicht rust. In lid 9 van dit artikel is concreet aangegeven dat een cliënt zijn medewerking dient te verlenen aan het onderzoek door een of meerdere deskundigen. Lid 10 In de wet is bepaald dat het college de cliënt de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken. Het ondersteuningsplan bevat ook een verslag van het gevoerde gesprek. Dit kan een beknopte weergave zijn van wat er besproken is.

Lid 11 Deze bepaling geeft het college de ruimte nadere regels vast te stellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze. 33

Artikel 46. Aanvraag Lid 1 Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verleningsbeschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en de ingediende aanvraag. Lid 2 In dit lid is bepaald dat ook een ondertekend ondersteuningsplan als aanvraag kan dienen. Lid 3 Een cliënt kan de maatwerkvoorziening in natura ontvangen, maar ook in de vorm van een pgb als hij dat wenst. Daarmee kan hij zelf bepalen bij wie hij de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil inkopen. Bij de aanvraag moet de cliënt een budgetplan indienen.

Artikel 47. Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening Lid 1 Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel adequaat als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip adequaat wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer compenserend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de gebruiker. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau, wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Als de cliënt een adequate voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening kan het college daarvoor een pgb verstrekken ter hoogte van de goedkoopst adequate voorziening. De cliënt kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen. Lid 2 Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt.

Lid 3 onderdeel a Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de wet). Hieronder valt ook het gebruik maken van een algemene voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Ook gebruikelijke hulp, inzet van mantelzorg en het sociale netwerk en/of mogelijkheden vanuit de sociale basis. Lid 3 onderdeel b Uit de wet blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo. Wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien.

34

De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is. Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de cliënt daar echt aanspraak op heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4456) of als vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0956). Lid 3 onderdeel c en d Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente (dit volgt uit CRvB 08-02-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:433).

Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Lid 3 onderdeel e Het college kan de aanvraag afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Lid 3 onderdeel f De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Voor het treffen van voorzieningen die gericht zijn op meerdere ingezetenen, zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten.

Lid 3 onderdeel g Van een cliënt mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een cliënt gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. De Wmo 2015 geeft ten aanzien van de voorzienbaarheid niet meer ruimte dan onder de Wmo 2007. Er mag nog steeds niet van een cliënt gevraagd worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22-08-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603). Lid 3 onderdeel h Van een cliënt mag, in het kader van de eigen kracht, worden verwacht dat hij gebruik maakt van de zijn ten dienste staande behandelmogelijkheden en dat hij zich ten volle inspant om de behandeling 35

optimaal te laten verlopen. Het college moet wel aannemelijk maken dat de behandeling succesvol kan zijn (CRvB 16-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1444 en CRvB 23-1-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:558). Als uit medisch advies blijkt dat het aannemelijk is dat de behandeling succesvol is, mag het college hier rekening mee houden bij het stellen van een indicatie. Het college kan dan bijvoorbeeld minder begeleiding toekennen en voor een bepaalde of kortere duur. Denk hierbij aan een indicatie voor 6 maanden en een heronderzoek na deze 6 maanden om te zien of er al vorderingen zijn gemaakt (CRvB 02-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:725). Lid 4 onderdeel a Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang.

Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Lid 4 onderdeel b en c Deze artikelen zijn opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Vlissingen en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie.

Voor opvang is verplicht dat de cliënt ingezetene is van Nederland. Lid 5 De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de cliënt in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972). Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Lid 6 onder a Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek.

36

Lid 6 onder b Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een cliënt twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader. Lid 6 onder c Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding. Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (zie o.a. Rechtbank Noord-Holland 30-3-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:3411). Lid 6 onder d Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is.

Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de cliënt te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Lid 6 onder e Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810).

Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Lid 6 onder f Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft 37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16370065/1