5.16 rvs Verordenig Wmo en Jeugd bijlage 3 toelichting Integrale verordening
Tekst van het document
gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2868. Lid 6 onder g Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.
Artikel 48. Uitgangspunten van een algemene voorziening Uit de wet volgt wat onder een algemene voorziening verstaan wordt (artikel 1.1.1 en artikel 2.2.3 Wmo 2015). Voor duidelijkheid richting de inwoners van de gemeente Vlissingen is ook in de verordening uitgewerkt wat onder een algemene voorziening verstaan wordt. Blijkt dat een algemene voorziening een passende oplossing is voor de cliënt, dan heeft dit voorrang op een maatwerkvoorziening.
Artikel 49. Aanbod van algemene voorzieningen Deze bepaling legt uit waar de algemene voorzieningen van de gemeente Vlissingen op zijn gericht. Het gaat om huishoudelijke hulp (hulp gericht op een schoon en leefbaar huis), verschillende vormen van dagbesteding en de was- en strijkservice. Daarnaast bieden de vrijwillige burgeradviseurs en de buurtteams laagdrempelige ondersteuning, zoals het verstrekken van informatie en het geven van advies, (korte) ambulante ondersteuning, (groeps)trainingen en sociaal werk.
Artikel 50. Beschermd wonen en opvang Op grond van de Wmo 2015 ligt de verantwoordelijkheid voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen bij alle gemeenten. De doelgroep is niet beperkt tot inwoners van de gemeente Vlissingen. Alle ingezetenen van Nederland kunnen zich in principe melden bij het college. Er geldt een zogenaamde landelijke toegankelijkheid. Meldt een cliënt zich bij de gemeente Vlissingen, dan zal het college onderzoeken in welke gemeente het opvangtraject de meeste kans van slagen heeft.
Artikel 51. Afstemming met voorliggende voorzieningen In artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015 is bepaald dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op enige andere wetten. Dit artikel regelt de afstemming met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor de zorg die valt onder de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg (Wlz). In de Wmo 2015 is wettelijk geregeld dat de gemeentelijke taak op grond van de Wmo ophoudt als de cliënt aanspraak maakt op Wlz-zorg. Het gaat hier dus om elkaar uitsluitende systemen. Op basis van lid 2 kan het college de cliënt ondersteunen richting het CIZ voor de aanvraag van een Wlzindicatie.
Artikel 52. Afstemming Jeugdwet Bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, vallen na het 18e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo. De gemeente is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig, minimaal een half jaar tevoren, bekeken wordt wat er gaat veranderen na het 18e jaar. Zodat de continuïteit van zorg geborgd is. Soms kan het gezin ook te maken hebben met zowel ondersteuning vanuit de Wmo als vanuit de Jeugdwet. Ook in die gevallen is een goede afstemming tussen de voorzieningen gewenst. Lid 3 en 4 Om de overgang voor een jeugdige met een individuele jeugdhulp voorziening naar de Wmo soepel mogelijk te maken, is er een mogelijkheid om vanaf 17 jaar (en 6 maanden) een melding te doen voor 38
begeleiding of beschermd wonen op grond van de Wmo, eventueel gevolgd door een aanvraag en een besluit. Dit kan alleen op basis van een perspectiefplan van de jeugdhulpaanbieder (artikel 26 lid 4 van deze verordening). De ingangsdatum van de Wmo-ondersteuning wordt vastgesteld op de dag dat de jeugdige 18 jaar wordt. Een vroegtijdig Wmo-besluit maakt een warme overdracht en/of het plaatsen op een wachtlijst mogelijk.
Artikel 53. Het besluit Lid 1 en 3 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat na de melding heeft plaatsgevonden, de door de cliënt ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde criteria voor de maatwerkvoorziening. Lid 2 Deze bepaling regelt de besluitvorming in een spoedeisende situatie, waarbij de ondersteuning zonder een besluit is ingezet (zie artikel 45 lid 6). Het besluit tot inzetten van de hulp moet binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Lid 4 Deze bepaling regelt dat van een cliënt wordt verwacht dat binnen 3 maanden de indicatie wordt ‘verzilverd’ door zich te melden bij de aanbieder of het pgb te besteden. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig gewijzigd is, dat eigenlijk een nieuwe beoordeling nodig is. Voldoet de cliënt niet aan deze voorwaarde, dan kan dit aanleiding zijn om de maatwerkvoorziening in te trekken. De cliënt voldoet dan niet aan de voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb (artikel 2.3.10 van de Wmo).
Artikel 54. Inhoud beschikking Bij het al dan niet toekennen van ondersteuning, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een maatwerkvoorziening, zal het college een schriftelijke beschikking afgeven. Hiertegen kan de jeugdige of zijn ouders bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. De cliënt moet met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.
Artikel 55. Regels voor persoonsgebonden budget Lid 1 en 2 Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelfs toe verplicht. Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan opstellen. In lid 2 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6. namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
39
Lid 3 en 4 In lid 4 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel (lid 3). Lid 4 Op basis van lid 4 is het mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen of voor langere tijd in het buitenland verblijft. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stop gezet. Lid 5 en 7 Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 2.3.6 Wmo 2015 (zie ook de toelichting bij lid 1). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken (vijfde lid), beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd.
Lid 6 In dit lid wordt uitgelegd wat verstaan wordt onder personen uit het sociaal netwerk. Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: • geboorte; • afstamming van dezelfde voorvader; • erkenning; • gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; • adoptie. Bloedverwanten zijn in de: Eerste graad: • (adoptie)ouders; • (adoptie)kinderen. Tweede graad: • grootouders; • kleinkinderen; • broers en zussen. Lid 8 In het achtste lid wordt niet-limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de maatschappelijke ondersteuning. Hierin volgen we de voorwaarden vanuit de Jeugdwet. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Als deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie de kwaliteit niet geborgd kan worden. Lid 9 Een pgb wordt geweigerd als er een weigeringsgrond uit artikel 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo van toepassing is en voor hulp die direct ingezet moet worden vanwege een spoedeisend belang. 40
Lid 10 Het college heeft ruimte om nog nadere regels te stellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Zo kunnen er bijvoorbeeld regels opgesteld worden op basis waarvan het college beoordeelt of de beheerstaken die horen bij het pgb met voldoende afstand en kritisch uitgevoerd kunnen worden.
Artikel 56. Pgb-vaardigheid Zie de toelichting bij artikel 31.
Artikel 57. Onderscheid formele en informele hulp Lid 1 en 2 Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociale netwerk van de budgethouder komt (zie artikel 55 lid 6). Er is dan altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp is alle hulp die geboden wordt vanuit het sociale netwerk van de ciënt of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen.
Artikel 58. Kwaliteitseisen maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb Om te waarborgen dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb, evenals Zorg in Natura, verantwoord is voor de cliënt, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Lid 1 en lid 2 hebben betrekking op maatwerkvoorzieningen in de vorm van diensten. Het derde lid gaat over hulpmiddelen en woningaanpassingen.
Artikel 59. Hoogte pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel b van de wet). In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Hiermee heeft de gemeente Vlissingen de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Lid 1 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor een zaak. Met de definitie van zaak wordt aangesloten bij de definitie uit artikel 3:2 BW: ‘Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten’. In de zin van deze verordening kan dan bijvoorbeeld gedacht worden aan een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. 41
Als de cliënt aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald. Lid 2 Het pgb voor vervoer wordt afgeleid van de natura-voorziening die hiervoor beschikbaar is, namelijk het collectief vervoer. Lid 3 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele hulp. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Lid 4 Voor huishoudelijke ondersteuning geldt een afwijkend tarief. Er wordt aangesloten bij het laagste tarief waarvoor huishoudelijke ondersteuning geboden kan worden door een particuliere aanbieder. Lid 5 Voor de hoogte van het pgb voor informele hulp voor hulp bij het huishouden en persoonlijke verzorging wordt aangesloten bij het uurloon van de hoogste periodiek van de tabel Salaris Hulp bij het Huishouden, plus vakantietoeslag en tegenwaarde van verlofuren. Voor het tarief pgb informele begeleiding wordt uitgegaan van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 in de cao VVT plus vakantietoeslag en tegenwaarde van verlofuren (zie CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580).
Lid 6 In deze bepaling is vastgelegd dat voor de ondersteuning ‘kortdurend verblijf’ maximaal 50% van het tarief geldt dat dat is afgesproken met de aanbieder waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten. Lid 7 Het college moet bij ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde voorziening kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen voorziening bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Dit kan ook de gecontracteerde aanbieder van de gemeente zijn. Dit uitgangspunt sluit aan bij jurisprudentie (CRvB 26-2-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:456). Lid 8 Deze bepaling regelt dat het college dat het college minimaal jaarlijks de tarieven publiceert.
Artikel 60. Kwaliteitseisen maatwerkvoorzieningen in natura Lid 1 en 2 De gemeente moet in de verordening bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135). De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
42
In lid 1 zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Op grond van lid 2 kan het college dit verder uitwerken door nadere regels te stellen. Lid 3 Het in lid 3 genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de wet.
Artikel 61. Financiële tegemoetkoming voor verhuizing, inrichting en vervoer Met dit artikel is geregeld dat het college de mogelijkheid heeft om een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor verhuizing, inrichting (verhuiskostenvergoeding) en vervoer. In artikel 43 lid 1 sub i is de definitie van een financiële tegemoetkoming opgenomen: 'een geldbedrag dat een inwoner van Vlissingen krijgt als niet kostendekkende (forfaitaire) tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een geïndiceerde voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren, zoals een verhuiskostenvergoeding'. Het college biedt met dit artikel ruimte om maatwerk te leveren middels een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt vastgesteld in de nadere regels. Dit betekent dat de hoogte van elke voorziening die op grond van dit artikel wordt verstrekt wordt vastgesteld bij collegebesluit. De financiële tegemoetkoming moet een passende bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager (o.a. CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395. Dit betekent dat de verstrekte vergoeding in de buurt moet komen van de werkelijke kosten. Is dit niet het geval, dan kan namelijk niet gesproken worden van een compenserende voorziening, waardoor geen sprake is van een maatwerkvoorziening (ook CRvB 6-112019, ECLI:NL:CRVB:2019:3610).
Bij het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt rekening gehouden met het door de gemeente Vlissingen vastgestelde minimabeleid en de regels ten aanzien van bijzondere bijstand. Maatwerk blijft altijd mogelijk.
Artikel 62. Bijdrage in de kosten voor voorzieningen en pgb’s Lid 1 en 2 Het college vraagt een bijdrage in de kosten aan de cliënt, zolang hij gebruik maakt van de algemene voorziening, maatwerkvoorziening of het pgb. Lid 3 Aan jeugdigen tot 18 jaar kan uitsluitend een bijdrage in de kosten worden opgelegd voor een woningaanpassing. Voorwaarde voor het kunnen vragen van deze bijdrage in de kosten, is dat dit door de gemeenteraad als zodanig in de verordening is bepaald. Deze bepaling geeft invulling aan die verplichting.
Artikel 63. Hoogte bijdrage in de kosten Lid 1 In lid 1 is geregeld voor welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen het zogenaamde abonnementstarief uit het Uitvoeringsbesluit per maand geldt. Uit de wet volgt dat het abonnementstarief verplicht is voor algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie is er in belangrijke mate sprake van persoonlijke hulpverlening, is arbeid verreweg de grootste kostencomponent, is de continuïteit van de band tussen cliënt en hulpverlener belangrijk voor de ondersteuning van de cliënt en wordt er langdurig gebruik gemaakt van de voorziening. Voorbeelden zijn begeleiding, dagbestedig en huishoudelijke hulp. Lid 2, 3, 4 en 5
43
Daarnaast kan het vervoer op grond van het Uitvoeringsbesluit worden uitgezonderd van het abonnementstarief. Het gaat hierbij in de meeste gevallen om collectief vervoer en in enkele gevallen individueel vervoer. Het gaat niet om (mobiliteits)hulpmiddelen zoals een aangepaste fiets of een scootmobiel. Reden voor deze uitzondering is dat er bij deze vormen van vervoer per rit lage prijzen worden gevraagd en het gebruik in veel gevallen incidenteel is. In lid 2 t/m 5 zijn daarom afzonderlijke bepalingen opgenomen over de hoogte van de bijdrage in de kosten voor het vervoer. Lid 6 Het abonnementstarief is verder verplicht voor alle maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van beschermd wonen, de maatwerkvoorziening opvang of andere bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorzieningen. De bijdragen voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang worden vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit. Op grond van het Uitvoeringsbesluit is er voor een rolstoel geen bijdrage verschuldigd. Lid 7, 8 en 9 Vanaf 2020 hoeft er, vanwege de invoering van het abonnementstarief, niet meer voor alle voorzieningen gecontroleerd te worden of de bijdrage de kostprijs te boven gaat. In lid 7 is geregeld voor welke voorzieningen deze controle nog wel geldt. In lid 8 en 9 is uitgelegd hoe de kostprijs tot stand komt.
Artikel 64. Bijdragen in de kosten van een algemene voorziening, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen. In deze bepaling is geregeld wat de eigen bijdrage is voor het gebruik van de was- en strijkservice binnen de gemeente Vlissingen.
Artikel 65. Anti-speculatiebeding Ingeval een eigen woonruimte na een besluit op grond van deze verordening wordt verbouwd/vergroot en door deze verbouwing/vergroting de waarde van het huis stijgt, wordt door middel van een anti-speculatiebeding voorkomen dat de meerwaarde ten goede komt aan de cliënt. Dit artikel biedt de grondslag voor het college om de eventuele meerwaarde terug te vorderen bij de cliënt. De vaststelling van de hoogte van de meerwaarde kan het college laten vaststellen door een beëdigd taxateur. Bij de vaststelling van de terug te vorderen meerwaarde, houdt het colege rekening met de reeds geïnde bijdrage in de kosten voor de woningaanpassing.
Artikel 66. Privacy en gegevensverwerking Dit artikel benadrukt de verplichting van het college om bij uitvoering van deze verordening te handelen conform de bepalingen die volgen uit de Algemene Verordening Gegevensverwerking (AVG). Lid 2 schept de mogelijkheid voor het college om in het kader van gegevensverwerking een protocol op te stellen.
Artikel 67. Meldingsregeling calamiteiten en geweld De aanbieder moet bij de toezichthoudend ambtenaar onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Onder 'calamiteit' wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid. Onder 'geweld bij de verstrekking van een voorziening' wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt en lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een
44
andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft.
Artikel 68. Klachtregeling aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Op grond van de wet (artikel 2.1.3 lid 2 onder e) is het verplicht in de verordening te bepalen voor welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of een gebrek aan deskundigheid. Daarvoor staat de klachtenprocedure van de gemeente open. Is de cliënt echter niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan moet hij zich in beginsel tot die aanbieder wenden.
Artikel 69. Medezeggenschap In de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3 lid 2 onder e van de wet). In dit artikel is bepaald dat de aanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn een regeling vast stellen.
Artikel 70. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Algemeen Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, lid 1 van de wet). In artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. De verplichting in het Uitvoeringsbesluit om een reële prijs te hanteren, ziet alleen op diensten. Het kan daarbij zowel gaan om diensten in het kader van een algemene voorziening als diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. Het college moet bij de prijsstelling o.a. rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening. Die specifieke eis geldt alleen voor diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. In het Uitvoeringsbesluit is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs. Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht.
Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing. Daarmee gelden die bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. 45
Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs moet gebruiken. De vastgestelde reële prijs moet daarvoor zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Het college moet de overheidsopdracht gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet). Overigens kan het college in afwijking hiervan een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4 lid 3van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012).
Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis, zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college moet ongeldige inschrijvingen ter zijde leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen.
Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2 Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel.
De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. 46
Lid 3 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.
Artikel 71. Herziening, intrekking, beëindiging, wijziging en terugvordering Lid 1 Deze bepaling berust op artikel 2.3.8 lid 1 van de Wmo, waarin is vastgelegd dat de cliënt mededeling met doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing voor maatschappelijke ondersteuning. Lid 2 Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 2.3.10 van de Wmo die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Wmo enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is ook beëindigen of wijzigen expliciet benoemd in deze bepaling. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.
Lid 3 In de Wmo is geregeld dat het college de geldswaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget kan vorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 2.4.1 lid 1 Wmo).
Artikel 72. Opschorting betaling uit het pgb De Sociale verzekeringsbank kan een betaling uit het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk beëindigen, weigeren of opschorten indien het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, bedoeld in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, de Sociale verzekeringsbank daarom verzoekt. Deze bevoegdheid van de SVB volgt uit artikel 2b lid 6, aanhef en onder g van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015.
Artikel 73. Niet meewerken van de cliënt en meerderjarige huisgenoten In dit artikel is benadrukt dat het college een maatwerkvoorziening kan afwijzen wanneer de cliënt niet voldoet aan de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsplicht (zie ook (de toelichting bij) artikel 45 lid 8 en 9 van deze verordening).
Artikel 74. Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en met een pgb te waarborgen en fraude te voorkomen. In het eerste lid is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde maatwerkvoorzieningen. Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of
47
de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid. Het college beschikt tevens over een meldpunt, waar signalen, zorgen en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de Wmo 2015 (tweede lid). Een en ander kan dan leiden tot vervolgonderzoek, al dan niet door een toezichthouder.
Slotbepalingen Artikel 75. Evaluatie In dit artikel is vastgelegd dat het college het gevoerde beleid op het gebied van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning minimaal eens per vier jaar evalueert.
Artikel 76. Hardheidsclausule In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening (niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken cliënt. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.
Artikel 77. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. In lid 2 is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten en plichten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Op basis van lid 3 worden aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van de oude verordening beoordeeld. Op basis van lid 4 wordt op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Integrale verordening Wmo en Jeugd 2024 gemeente Vlissingen beslist op basis van die verordening.
Artikel 78. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening wordt aangehaald.
48