CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

5.16 rvs Verordenig Wmo en Jeugd bijlage 3 toelichting Integrale verordening

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente VlissingenBij agendapunt: Verordening Wmo en Jeugd24.441 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting op de Integrale verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlissingen 2026 Inleiding Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo). De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente: de jeugdhulpplicht. Deze houdt in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet verstrekken als de jeugdige en/of ouder(s) dit nodig hebben bij problemen met het veilig opgroeien, groeien naar zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze jeugdhulpplicht wordt grotendeels door de gemeente bepaald (maatwerk). De Wmo 2015 geeft de gemeente de opdracht om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is uiteengezet in drie hoofdelementen waarop van de gemeente inzet wordt verwacht. De eerste is het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en het vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld.

In de tweede plaats gaat het om het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving. En als laatst het bieden van beschermd wonen en opvang. Zowel de Jeugdwet (artikel 2.9) als de Wmo (artikel 2.1.3) schrijven voor dat de gemeente per verordening regels moet vaststellen. Uitgangspunt van deze verordening Het uitgangspunt van deze verordening is het Beleidsplan sociaal domein 2026-2031 met hierin verschillende beleidsopgaven. Eén van de beleidsopgaven is het benutten en versterken van de sociale basis. Deze beleidsopgave is een integraal onderdeel van alle beleidsopgaven uit het beleidsplan en van daaruit ook een onderdeel voor deze verordening, gericht op de preventieve en collectieve aanpak. De sociale basis is de plek waar inwoners elkaar vinden, ontmoeten en waar sociale cohesie ontstaat. In de sociale basis werken inwoners, vrijwilligers en professionals samen aan een breed, laagdrempelig en vrij toegankelijk aanbod van activiteiten en voorzieningen in de buurt. Dit aanbod is gericht op preventie, het versterken van de eigen kracht en de samenredzaamheid.

De voorzieningen binnen de sociale basis raken dan ook aan álle aspecten van het dagelijkse leven van onze inwoners: ontmoeting, onderwijs, opvoeding, opgroeien, werk, gezondheid, wonen, bewegen, cultuur, veiligheid, familie, vrienden, buren, mantelzorgers en vrijwilligers. Een inclusieve en toegankelijke sociale basis vraagt om versterking van eigen kracht, netwerkvorming en samenwerking tussen inwoners en organisaties. Een persoonlijke sociale basis gaat over de inwoner en diens netwerk. Daarnaast is er een gemeenschappelijke sociale basis. Inwoners maken immers deel uit van gemeenschappen en netwerken, in allerlei vormen. Inwoners zijn lid van formele netwerken (zoals verenigingen) en nemen deel aan informele verbanden (denk aan een bureninitiatief). Inwoners zetten zich zowel incidenteel als structureel vrijwillig in (zowel via georganiseerd vrijwilligerswerk als in onderling verband). Dit doen zij op diverse ontmoetingsplekken in de wijk en in de stad. Tot slot is er een institutionele sociale basis. Inwoners maken gebruik van accommodaties, bijvoorbeeld buurthuizen, bibliotheken, verenigingsgebouwen en gezondheidscentra, om samen te komen. De institutionele sociale basis bestaat verder uit collectieve

en/of algemene voorzieningen, vrijwilligerssteunpunten, mantelzorgondersteuning, vrijwilligersorganisaties en betaalde krachten: sociaal werkers, onderwijzers, woonconsulenten van woningcorporaties, huisartsen, wijkverpleegkundigen, wijkagenten, et cetera. Daarnaast zijn normaliseren en de reikwijdte van de jeugdhulpplicht belangrijke onderwerpen in het beleidsplan en de regiovisie jeugdhulp Zeeland 2023-2028. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen (te begrenzen). Alhoewel dit vooral betrekking heeft op de Jeugdwet, geldt dit in zekere mate ook voor de Wmo. Het uiteindelijke doel is in beide wetten hetzelfde. We moeten ervoor zorgen dat jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning beschikbaar blijft voor de meest kwetsbare inwoners en gezinnen. De verordening voorziet in: • het scherper verwoorden en uitwerken van criteria voor individuele- en maatwerkvoorzieningen; • een verbeterde afstemming tussen de Jeugdwet en de Wmo en andere wetgeving; • het uitwerken van de eigen kracht, (boven)gebruikelijk hulp, de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen en de andere mogelijkheden, waaronder de sociale basis; • duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de wetten.

Nadere regels en beleidsregels In deze verordening wordt diverse malen aangegeven dat het college nadere regels kan stellen. Daarnaast zijn er beleidsregels voor Jeugd en Wmo. De nadere regels en de beleidsregels van de gemeente Vlissingen ten aanzien van Jeugd en Wmo zijn te vinden op Overheid.nl.

Artikelsgewijze toelichting

1. Algemeen deel Artikel 1. Zorgplicht college voor integrale toegang en intake Lid 1 en 2 De afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken voorzien niet in een wettelijke basis voor een uniforme en integrale, domeinbrede taakuitoefening met een uniforme en integrale, domeinbrede procedure. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om zo veel mogelijk integraal te werken is het college hier de zorgplicht opgelegd om te zorgen voor een integrale toegang en intake. Deze integrale intake moet onderscheiden worden van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van een onderzoek dat uitgevoerd wordt als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein in de eerste plaats een oplossing gevonden kan worden. Het is aan het college om te bepalen hoe aan deze zorgplicht precies invulling gegeven wordt. In ieder geval moet bereikt worden dat inwoners op laagdrempelige wijze – en onafhankelijk van hun specifieke ondersteuningsbehoefte – bij de gemeente aan kunnen kloppen. Zowel voor informatie als voor hulp bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte. Het college wijst de cliënt jeugdige en/of ouder(s) hiervoor onder meer op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning of een vertrouwenspersoon.

2

Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning door middel van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van onder andere jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Dit volgt uit artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Op grond van artikel 2.5 van de Jeugdwet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 4.1.1 van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en, • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. Zodra de ondersteuningsbehoefte duidelijk is, worden ze doorgeleidt naar de passende instantie voor het verdere ondersteuningstraject. In die fase scheiden de wegen; er zijn aparte wettelijke kaders en daarom aparte trajecten met een eigen toegang voor jeugdhulp (hoofdstuk 2) en maatschappelijke ondersteuning (hoofdstuk 3).

Inwoners met een ondersteuningsvraag Met de begrippen ‘ouders, jeugdigen en cliënten’ wordt aangesloten bij de betreffende definities die volgen uit de Jeugdwet en de Wmo 2015. Voor wat betreft deze verordening wordt met de begrippen gedoeld op inwoners van de gemeente Vlissingen met een ondersteuningsvraag.

Artikel 2. Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning Lid 1 Daar waar sprake is van een ondersteuningsbehoefte van een persoon of gezin die voortvloeit uit meerdere wetten, draagt het college de verantwoordelijkheid de hulp en ondersteuning op elkaar af te stemmen. Het doel hiervan is effectieve ondersteuning vorm te geven en onnodige of dubbele uitgaven aan ondersteuning te vermijden. Lid 2 Om specifieker aan te geven over welke wettelijke kaders het gaat, is in het tweede lid een opsomming opgenomen. Enerzijds is dit bedoeld om de afstemming in te kaderen, zodat het niet ondersteuning betreft bij bijvoorbeeld de aanvraag van een rijbewijs of omgevingsvergunning. Anderzijds is het tweede lid bedoeld om de afstemming nadrukkelijk breder te leggen dan alleen de wetten waarover deze verordening gaat. Ook andere wettelijke kaders zijn van belang in het bevorderen van zelfredzaamheid en mogelijkheden mee te doen in de samenleving; zo is bij veel kwetsbare huishoudens sprake van schuldproblematiek die een belemmering kan vormen bij aanpak van andere ondersteuningsvraagstukken. De Wet langdurige zorg (Wlz) is genoemd omdat afstemming hiermee noodzakelijk is bij zeer kwetsbare inwoners, die mogelijk te zwaar zijn om onder gemeentelijk regime te worden ondersteund.

Om een voor de inwoner goede overgang van gemeentelijk regime naar Wlz mogelijk te maken, is afstemming noodzakelijk. Lid 3 Het derde lid geeft een volgordelijkheid aan in de urgentie van hulp en ondersteuning. Dat wil zeggen dat wanneer hulp en ondersteuning vanuit verschillende wettelijke kaders met elkaar conflicteren, of onduidelijk is wat eerst ingezet moet worden, de in dit lid genoemde volgorde bepaalt welke hulp en ondersteuning prevaleert. Hierbij staat veiligheid voorop. Ook zal een crisis eerst gestabiliseerd moeten worden, voordat andere vormen van hulp en ondersteuning enig effect kunnen hebben. 3

Hierom is stabilisatie van crisis belangrijker dan inzet van andere hulp en ondersteuning wanneer sprake is van samenloop. Als de situatie is gestabiliseerd is zelfredzaamheid het belangrijkste doel van hulp en ondersteuning, zoals het verkrijgen van eigen inkomen, het kunnen zorgen voor je eigen kinderen of het kunnen voeren van een eigen huishouden. Meedoen in de samenleving is ook een doel, dat veelal gelijktijdig met hulp en ondersteuning voor zelfredzaamheid wordt ingezet. Het is echter van onderschikt belang aan het verkrijgen van voldoende zelfredzaamheid. Dus mochten hier conflicten ontstaan, dan wijken hulp en ondersteuning voor meedoen in de samenleving ten gunste van eerder genoemde doelen. Lid 4 Bij het bepalen welke hulp en ondersteuning wanneer nodig is, beziet het college in ieder geval de in het vierde lid genoemde zaken. Dat betekent dat gekeken wordt wat iemand zelf kan, of eventueel met behulp van zijn eigen netwerk kan oplossen. De volgorde van hulp en ondersteuning is ook van belang, omdat een voorziening randvoorwaardelijk kan zijn voor succes van een andere voorziening. Daar waar hulp en ondersteuning gelijktijdig ingezet kunnen worden, gebeurt dit, tenzij dit de effectiviteit van de totale inspanningen vermindert. Daar waar voorzieningen gelijktijdig ingezet moeten worden, bijvoorbeeld om voldoende zelfredzaamheid te houden, gebeurt dit uiteraard.

Ook wordt gekeken naar welke hulp op lange termijn de minste kosten met zich meebrengt. Als lange termijn moet gezien worden een tijdspanne van in ieder geval enkele jaren. Onder kosten wordt verstaan die kosten die de lokale samenleving moet dragen. Het college is immers verantwoordelijk voor de lokale samenleving. Dit betekent dus niet dat ernstig beperkte personen onthouden moet worden een beroep te doen op de Wet langdurige zorg. Sterker, het regime van de Wlz moet worden toegepast wanneer dit kan, omdat hierdoor middelen voor de lokale samenleving beschikbaar komen. Inwoners met zware zorg, drukken immers sterk op het gemeentelijk budget in het sociaal domein en wanneer zij onder de Wlz kunnen vallen, kan dit budget anders worden ingezet ten gunste van inwoners van Vlissingen. Dat is geen afwenteling, aangezien de Wlz een eigen toegang kent met een strenge selectie die niet door het college kan worden beïnvloed. Alleen personen die ook echt aan de criteria van de Wlz voldoen, zullen worden toegelaten. Lid 5 De onder lid 4 opgenomen motivering is ook reden voor het opnemen van het vijfde lid van deze verordening. Het is geen keuzevrijheid van inwoners in hoeverre zij gebruik maken van de Wlz. De Wlz is voorliggend, ook al is het een voorziening voor de meest hulpbehoevenden.

Uiteraard is het ingaan van een traject voor aanvraag van Wlz een ingrijpende beslissing, die veelal afweging vergt. Vandaar dat het college de in het vijfde lid genoemde ondersteuning biedt. Tevens is een aanvraag een ingewikkeld traject en heeft het college belang bij een goed onderbouwde aanvraag. De ondersteuning is daarom ook niet vrijblijvend. Als de ondersteuning nodig geacht wordt, wordt deze ingezet. In de praktijk zijn inwoners vaak blij met de geboden ondersteuning in dit ingewikkelde traject. Lid 6 De in het zesde lid genoemde bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de inwoner zelf bepaalt of gebruik wordt gemaakt van de Wlz of van gemeentelijke hulp of ondersteuning. In dit lid staat de mogelijkheid van het college om, ongeacht dat er behoefte is aan ondersteuning, deze toch niet te bieden omdat op een andere wettelijk kader een beroep zou kunnen worden gedaan. Uiteraard kan niet lichtzinnig een beroep worden gedaan op dit lid en zal voorafgaand aan dit besluit een uitgebreid traject moeten zijn doorlopen. Ook zullen de gegronde redenen op basis waarvan wordt verondersteld dat recht is op Wlz goed moeten worden onderbouwd.

4

Artikel 3. Betrekken van ingezetenen bij beleid Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid. Lid 1 In het eerste lid is vastgelegd dat het college de Adviesraad Wmo en Jeugd raadpleegt wanneer het college voornemens is nieuw beleid op te stellen over jeugdhulp en/of maatschappelijke ondersteuning.. Via een Samenwerkingsovereenkomst is met de Adviesraad overeengekomen hoe de inspraak precies vormgegeven wordt. Lid 2 Deze bepaling verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier waarborgt het college dat dezelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugd- en Wmo-beleid als het beleid op andere terreinen. Lid 3 en 4 In het derde en vierde lid zijn mogelijkheden opgenomen over het meedenken van inwoners bij het beleid en de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo. Dit sluit aan bij de Participatie- en inspraakverordening Vlissingen. Lid 5 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de exacte invulling van de medezeggenschap.

Artikel 4. Toezichthouders Artikel 2.1.3 van de Wmo en artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet verplichten de gemeente om bij verordening regels vast te stellen in verband met de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een jeugdhulp- of maatwerkvoorziening (in natura of een pgb) en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wetten. In dit artikel wordt hier uitvoering aan gegeven. Lid 1 Het is van belang dat de cliënt, jeugdige en/of ouder(s) zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulp- of maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 39 en 72, eerste lid, van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en/of ouder(s) hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke gevolgen het kan hebben als zij zich niet houden aan deze verplichtingen. Lid 2 In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015. Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen.

Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). De opgenomen verwijzing naar de kwaliteitscriteria heeft betrekking op de kwaliteitscriteria die vanuit de wetten gekoppeld zijn aan 5

aanbieders, aan wat contractueel is afgesproken met aanbieders en wat hierover in de verordening is bepaald (artikel 33, 35, 58 en 60). Het toezicht op de kwaliteit voor jeugdhulp wordt gedaan door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie hoofdstuk 9 van de wet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg stuurt de gemeente deze door naar het TSD. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder voor Jeugd ziet onder andere op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders. Lid 3 De toezichthouder mag de gemeente gevraagd en ongevraagd advies geven over de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015. Deze adviezen kunnen het college helpen bij de recht- en doelmatige uitvoering van de wetten. Lid 4 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie bijvoorbeeld artikel 5:14 van de Awb). De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Awb.

Artikel 5. Meldcode Met dit artikel maakt het college kenbaar dat zij bij uitvoering van deze verordening rekening houdt met de uit de Wet verplichte meldcode voortvloeiende verplichtingen.

Artikel 6. Machtiging Een inwoner met een ondersteuningsvraag (jeugdige en/of ouder(s) of cliënt) dient in de eerste plaats zelf zijn ondersteuningsvraag in bij het college. Als de inwoner hiertoe niet in staat is dan kan hij zich laten machtigen conform artikel 2:1 Awb. Het college verlangt hiervoor een schriftelijke machtiging. Als volgens het college ernstige bezwaren bestaan tegen de gemachtigde persoon, dan kan het college besluiten deze gemachtigde te weigeren, tenzij sprake is van een advocaat (artikel 2:2 Awb).

2. Jeugdhulp Artikel 7. Definities Onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats. Dit betekent dat voorafgaand geen onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of ouder(s). Voor een algemene voorziening is in beginsel geen verleningsbeschikking nodig (zie ook artikel 11 lid 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever alleen over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene of vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat 6

'algemene voorziening' de meest gangbare term is en bovendien ook binnen de Wmo 2015 wordt gehanteerd, is deze term overgenomen in de verordening. Onderdeel b: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Onderdeel c: budgetbeheerder (pgb-vertegenwoordiger) De budgetbeheerder voert de taken verbonden aan een pgb uit voor de budgethouder die op grond van de wet een pgb ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Als de budgethouder namelijk niet zelf de taken verbonden aan een pgb kan uitvoeren, kan hij dit een budgetbeheerder laten doen. In artikel 8.1.1 van de wet staat wie als budgetbeheerder kunnen optreden, namelijk het sociale netwerk, de curator, de bewindvoerder, de mentor, een gemachtigde, de gecertificeerde instelling of een aanbieder van gesloten jeugdhulp. Onderdeel d: budgethouder De budgethouder is degene die op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Aangezien zowel jeugdigen als ouders jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige of om de ouder(s). Onderdeel e: budgetplan Een plan waarmee de budgethouder toelicht hoe hij het pgb wil gaan besteden.

Mede op basis van dit plan kan het college toetsen of aan de voorwaarden voor een pgb voldaan wordt. Zie ook de toelichting bij artikel 16 lid 2. Het college stelt een format beschikbaar voor het budgetplan. Onderdeel f: cliëntondersteuning In de Wmo is vastgelegd dat de gemeente verantwoordelijk is voor het aanbieden van cliëntondersteuning (artikel 2.2.4 Wmo 2015). Uit de definitie van cliëntondersteuning volgt dat de cliëntondersteuner ook een rol heeft bij de toegang tot jeugdhulp. Onderdeel g: familiegroepsplan Het familiegroepsplan zoals bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet. Onderdeel h: gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. Voor de interpretatie van het begrip gebruikelijke hulp wordt een richtlijn opgesteld. Onderdeel i: hulpvraag Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. Onderdeel j: individuele voorziening Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp.

Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is een individuele beoordeling en ook een verleningsbeschikking nodig. Het gaat hierbij om het aanbod van jeugdhulp dat door het college is gecontracteerd. Onderdeel k: ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is het resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de 7

hulpvraag van jeugdigen en/of ouders. Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Het ondersteuningsplan beschrijft dus niet noodzakelijk welke individuele voorziening wordt ingezet. Indien een individuele voorziening niet noodzakelijk is volgens het college, dan beschrijft het ondersteuningsplan hoe de ondervonden belemmeringen opgelost kunnen worden door inzet van eigen kracht van de jeugdige en ouders. Onderdeel l: persoonsgebonden budget (pgb) Een jeugdige of ouder kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige of ouder zelf de benodigde hulp inkopen. Onderdeel m: sociaal netwerk De Jeugdwet kent geen definitie van ‘sociaal netwerk’. In deze verordening wordt aangesloten bij de wettelijke definitie die de Wmo hanteert. Voor de uitleg van het begrip is verder ook artikel 34 lid 4 van de verordening relevant. Onderdeel n: sociale basis Zie in de inleiding bij het uitgangspunt van deze verordening. Onderdeel o: Veilig thuis Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. Onderdeel p: wet Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting.

onderdeel q: zorg in natura Als het college aan de jeugdige en/of ouder(s) een individuele voorziening toekent, gaat het meestal om zorg in natura. De toegekende jeugdhulp wordt dan verleend door een aanbieder waarmee de gemeente een contract heeft.

Artikel 8. Vormen van jeugdhulp Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Het college geeft hiervoor geen beschikking af. Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat een algemene voorziening beschikbaar en passend is. Het college verwijst dan naar de algemene voorziening en wijst de aanvraag voor een individuele voorziening dan af. Zie hiervoor ook artikel 12, eerste lid onder g, van deze verordening. Soms is een algemene voorziening niet passend of niet voldoende compenserend. Dan kan de jeugdige en/of ouder(s) misschien gebruik maken van een individuele voorziening. Hiervoor is voorafgaand diepgaand onderzoek naar de hulpvraag en de behoefte en persoonskenmerken van de jeugdige nodig. In lid 2 staan de beschikbare individuele voorzieningen. Dit artikel is gebaseerd op het gecontracteerde aanbod van de dertien Zeeuwse gemeenten vanaf 1 januari 2026. Lid 3 Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen.

Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. 8

Lid 4 Op grond van artikel 2.6, eerste lid onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het derde lid is bepaald dat het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket.

Artikel 9. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Artikel 10. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Artikel 11. Toegang jeugdhulp via het college De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: • na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; • via de gecertificeerde instellingen, de rechter, het Openbaar Ministerie of de justitiële jeugdinrichting; • via de gemeente; en, • via Veilig Thuis (geen rechtstreekse toegang tot jeugdhulp). Toegang via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts (artikel 9) De wet regelt dat jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts (artikel 2.6 lid 1 onderdeel g van de Jeugdwet). Dit geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. In de praktijk bepalen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet zelf welke specifieke vorm van hulp nodig is. Zij verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract heeft.

De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij moet de jeugdhulpaanbieder zich houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening en in het Zeeuws medisch verwijsprotocol. Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden. Toegang via de gecertificeerde instelling, de strafrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële inrichting (artikel 10) Lid 1 In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is.

Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet).

9

Lid 2 Er geldt als uitgangspunt dat jeugdhulp wordt ingezet die de gemeente heeft ingekocht. Lid 3 Wanneer toegang tot jeugdhulp bestaat via het in lid 1 bedoelde kader, heeft het college geen bevoegdheid om een beschikking af te geven. Vandaar dat hier voor de duidelijkheid is opgenomen dat het college in bovengenoemde situaties geen beschikking afgeeft. Toegang jeugdhulp via de gemeente (artikel 11) Lid 1, 2 en 3 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een hulpvraag van een jeugdige en/of ouders kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam onderzoekt of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college daartoe een besluit (beschikking) af. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. Met ouder wordt hier bedoeld de ouder met gezag of een ouder zonder gezag, die de jeugdige verzorgt en opvoedt. Alleen dan is de ouder belanghebbende bij het jeugdhulpbesluit. Een jeugdige is belanghebbende bij een jeugdhulpbesluit als die in staat is tot een redelijke waardering van diens belangen. In de praktijk wordt ervan uitgegaan dat kinderen van 12 jaar of ouder daartoe in staat zijn.

Het college beoordeelt per individueel geval of de betreffende jeugdige in staat is om een eigen mening te vormen. Dat kan ook het geval zijn bij jeugdigen die jonger zijn dan 12 jaar. Een belanghebbende is op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Naast de ouder(s) en de jeugdige kan dit ook een ander zijn die de jeugdige verzorgt en opvoedt. Zoals een pleegouder, een familielid waar de jeugdige woont of een partner van de ouder waar de jeugdige woont. In dat geval is hun belang rechtstreeks bij het besluit betrokken, omdat het jeugdhulpbesluit de opvoeding(ssituatie) raakt. In de Awb staan regels over de aanvraag(procedure). Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat, op grond van artikel 4:1 van de Awb, een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college. Lid 4 Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouder(s) opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. De jeugdhulpaanbieder moet de jeugdige en/of ouder(s) bij het leveren van hulp als eerste de mogelijkheid bieden een familiegroepsplan op te stellen. Dat geldt ook voor de gecertificeerde instelling als sprake is van een ondertoezichtstelling.

Aanbieders en instellingen kunnen het familiegroepsplan gebruiken bij het bieden van hulp. De bedoeling van het familiegroepsplan is dat de ouder(s), familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid krijgen mee te denken en te helpen aan een oplossing voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp. Het familiegroepsplan is erop gericht om de ouder(s) en hun netwerk (met eventuele ondersteuning) in eigen kring de problemen op te kunnen laten lossen, in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd.

10

Lid 5 Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verleningsbeschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. Lid 6 Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. Het gaat hier om spoedgevallen, waar onmiddellijke start van de hulp nodig is en het besluit niet kan worden afgewacht. In die gevallen kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet door de aanbieder de eerstvolgende werkdag bij de gemeentelijke toegang gemeld worden zodat het college de noodzaak kan onderzoeken. Lid 7 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de aanvraagprocedure. Toegang via Veilig Thuis Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Op basis van een melding onderzoekt Veilig Thuis als dat nodig is of er sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, Als uit dit onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is, motiveert Veilig Thuis de ouder(s) tot het accepteren van jeugdhulp en legt contacten met de toegang van de gemeente.

Artikel 12. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of zijn ouders plaatsvindt. Lid 1 De onderdelen a tot en met l zijn de onderwerpen waar het college in ieder geval onderzoek naar moet doen. Indien de jeugdige en/of ouder(s) al bij de gemeente bekend zijn, zullen een aantal zaken niet meer uitgediept hoeven te worden en kan alleen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige en/of ouder(s) voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en/of ouder(s) en hun situatie te krijgen. De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en/of ouder(s) er zelf niet uitkomen.

De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en/of ouder(s) te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1: inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s)? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1 van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder(s) zelf in aanmerking kunnen komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige en/of ouder(s) nu een beroep doen op de gemeente.

11

Stap 2: breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Stap 3: stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, welke hulp en met welke omvang, wordt aan de hand van de bevindingen uit de eerste twee stappen beantwoord. Hierbij wordt rekening gehouden met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige en met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en/of ouder(s). Het doel van de noodzakelijke hulp moet zijn dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, kan groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4: kijk welk deel van de noodzakelijke hulp onder de eigen kracht valt. Onderzoek de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en de vraag of de op basis van de eerste drie stappen bepaalde noodzakelijke hulp hiermee (deels) kan worden opgelost. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is.

De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5: stel vast welke voorziening nodig is voor de hulp waarin de ouder(s) of het sociale netwerk niet kunnen voorzien. Het verschil tussen de noodzakelijke hulp en de eigen kracht bepaalt uiteindelijk jeugdhulpplicht die op het college rust. Het college wijst de jeugdige en/of ouder(s) op de mogelijkheid een pgb aan te vragen (lid 1 sub j). Het college moet hen dan volledig, objectief en in begrijpelijke woorden inlichten over de gevolgen van de keuze voor een pgb in plaats van zorg in natura (artikel 8.1.6 van de wet). De jeugdige en/of ouder(s) moet bij het maken van de keuze voor een pgb de relevante informatie van het college hebben gekregen. Alleen dan kan hij een verantwoorde keuze maken en instemmen met de verplichtingen bij een pgb. De jeugdige en/of ouder(s) moeten volledig en correct geïnformeerd zijn over alle gevolgen en risico’s van een pgb. Het college kan zelf bepalen hoe het invulling wil geven aan deze informatieplicht (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p.233). Lid 2 en 3 Uit het gesprek tussen de jeugdige en/of zijn ouder(s) en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals (vanuit andere domeinen) betrokken zijn.

In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of ouder(s). Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professionals of kan de jeugdige en/of ouder(s) zelf voor de nodige informatie uit deze domeinen zorgen. Lid 4 Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt.

12

Lid 5 Het college is op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en inzet van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Het zesde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Lid 6 Het is mogelijk dat de jeugdige en/of ouder(s) na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komen dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige en/of ouder(s) zelf een oplossing hebben gevonden, of geholpen zijn met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college. Lid 7 Mocht in het gesprek tussen de gemeente en de jeugdige en/of ouder(s) blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn.

Lid 8 Een gesprek hoeft niet plaats te vinden als zowel het college als de jeugdige en/of ouder(s) dit niet nodig achten. Lid 9 De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht worden. De in lid 1 van deze bepaling genoemde onderzoeksvragen moeten ook terugkomen in het ondersteuningsplan. Lid 10 Het is van belang dat de gemeente tussentijds kan heronderzoeken of de beoogde resultaten van de ondersteuning behaald worden. Met dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat via het ondersteuningsplan afspraken gemaakt kunnen worden over de momenten waarop de resultaten geëvalueerd kunnen worden. Uiteraard gebeurt dit altijd in overleg en met instemming van de jeugdige en zijn ouders. Lid 11 Deze bepaling geeft het college de ruimte nadere regels vast te stellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze.

Artikel 13. Identificatie Het college stelt de identiteit vast van de jeugdige en/of ouder(s). Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vaststellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht? Deze bepaling voorziet hierin. Het college kan beleidsregels vaststellen over hoe het de identiteit kan vaststellen en/of dit opnemen in de werkinstructie voor de toegang.

13

Artikel 14. Criteria voor individuele voorziening In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Lid 1 Het college stelt vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (artikel 2.3 van de wet). Als daar sprake van is, moet het college concreet maken om welke problemen en/of stoornissen het gaat. Daarna onderzoekt het college welke hulp de jeugdige gelet op deze problematiek nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (artikel 2.3 van de wet). Vervolgens onderzoekt het college wat de jeugdige en/of ouder(s) zelf kunnen doen. Dit noemen we ook wel eigen kracht (zie meer hierover onder artikel 15). Tot slot kijkt het college of er een algemene voorziening, een andere voorziening en/of mogelijkheden vanuit de sociale basis een oplossing biedt voor de hulpvraag. Een algemene voorziening gaat voor op een individuele voorziening. Dus als er een algemene voorziening passend is voor de hulpvraag van de jeugdige hoeft het college geen individuele voorziening te verstrekken.

Hetzelfde geldt als de jeugdige en/of ouder(s) gebruik kunnen maken van een andere voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (artikel 1.2 van de wet). Lid 2 en 3 Voorwaarde van de inzet van een algemene of andere voorziening is dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Als een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Dit betekent dat niet aan alle wensen tegemoet gekomen hoeft te worden. Het is wel van belang dat de jeugdige tijdig gebruik kan maken van de voorziening. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Lid 4 en 5 Het vierde en vijfde lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden als deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv.

CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/ en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). Lid 6 en 7 Een opgave in de Hervormingsagenda Jeugd is dat jeugdhulp beschikbaar moet blijven voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu 14

onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda Jeugd presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor de jeugdige en/of ouder(s) helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet. In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet alleen aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin die met name bij de ouder(s) liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit de jeugdige, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar de ouder(s) via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen.

In het zevende lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht. Lid 8 De gemeente kan beleid vaststellen over hoe om te gaan met verzoeken om jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) al hebben ingezet en daarna pas een aanvraag indienen. Dan ligt er een duidelijke toetsingsmaatstaf voor zowel de uitvoering, als uiteindelijk de rechter. In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor de betreffende hulp. Het artikel benadrukt dat het college niet gehouden is om met terugwerkende kracht een individuele voorziening toe te kennen voor hulp die al is ingezet voordat er een aanvraag is ingediend. Hulp die is ingezet na het indienen van een aanvraag, maar voor het nemen van het besluit, kan onder de voorwaarden genoemd in het artikel wel toegekend worden.

Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige/ouder op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft het college namelijk ook geen jeugdhulpplicht. Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Indien het college na onderzoek concludeert dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Evenmin hoeft het college nog iets te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld. Lid 9 Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening verder uit te werken in nadere regels. Specifieke voorwaarden en

15

weigeringsgronden van individuele voorzieningen zullen in de nadere regels verder worden uitgewerkt.

Artikel 15. Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht In de wetgeving is niet bepaald wat precies onder eigen kracht moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat de kern is dat de ouder(s) op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.). Het is aan gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Conform rechtspraak van de CRvB (CRvB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, CRvB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en CRvB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097) moet dit in de verordening. De gemeenteraad moet in de verordening uitleggen wat eigen kracht is, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen. Artikel 15 geeft uitleg over wanneer sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijk (afwegings)kader voor het college.

Artikel 16. Vervoer In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld. Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (eerste lid). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken. Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (derde lid). Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde en vijfde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655).

Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen.

Artikel 17. Dyslexie Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie (ED) onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3 van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Toegang tot dyslexiezorg is alleen aangewezen nadat in overleg tussen de school, jeugdhulpaanbieder en gemeente is vastgesteld dat dit noodzakelijk is. Daarbij worden het geldende Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (https://www.nkd.nl/professionals/protocol-dyslexie-diagnose-en-behandeling) en factsheet dyslexie Zeeland gehanteerd. 16

Het college is alleen verantwoordelijk voor dyslexiezorg die nodig is voor kinderen met ED vanaf 7 jaar die basisonderwijs volgen (CRvB 24-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454). Voor de overige dyslexiezorg is het onderwijs verantwoordelijk.

Artikel 18. Vaktherapie De wet sluit niet uit dat vaktherapie, als die passend is, ingezet wordt als jeugdhulp. De wet schrijft namelijk niet voor welke vormen van hulp onder jeugdhulp vallen. De wettelijke opdracht is resultaatgericht geformuleerd. De in te zetten voorziening moet de jeugdige in staat stellen gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Voor de vraag wie welke jeugdhulp nodig heeft, moet de gemeente zich baseren op het oordeel van een ter zake deskundige en de professionele standaarden te respecteren. Lid 1 Er is een aantal vaktherapieën waarvan het effect (nog) niet wetenschappelijk is aangetoond. Deze therapieën worden meestal ook niet door de zorgverzekeraar vergoed. In die situaties geldt het uitgangspunt dat de voorziening in beginsel ook niet door het college vanuit de Jeugdwet wordt verstrekt, tenzij er geen passend alternatief beschikbaar is. Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines. Lid 2, 3, 4 en 5 Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding.

Het gaat om een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie erkende opleiding op hbo-/masterniveau voor vaktherapie. Ook beoordeelt het college of de inzet van vaktherapie als losse interventie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint zij daartoe advies in bij de behandelaar of medewerker van de toegang met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat vaktherapie alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Lid 6 Soms is het mogelijk om enkele sessies vergoed te krijgen vanuit een aanvullende verzekering. In dat geval wordt dit als eigen mogelijkheden beschouwd als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet die de ouders eerst moeten aanspreken voordat het college aan zet is (zie ook artikel 15, elfde lid). Het maximale aantal behandelingen dat aan vaktherapie door het college wordt vergoed, wordt in dat geval verminderd met het aantal sessies dat door de zorgverzekeraar wordt vergoed.

Artikel 19. Kinderopvang en buitenschoolse opvang In dit artikel wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van de ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van medewerkers van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van de ouder(s) en kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.

17

Alleen als er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door medewerkers kan worden geboden en niet van de ouder(s) kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek. Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum of BSO+.

Artikel 20. Afstemming met andere voorzieningen Lid 1 en 2 Op grond van artikel 1.2, eerste lid onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van een van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing. Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit de Wlz of zorg als bedoeld in de Zvw, maar ook jeugdhulp vanuit de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet.

Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127). Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht, duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt. Lid 3 Op het moment dat een aanvraag wordt gedaan terwijl aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling, worden de jeugdige en/of ouder(s) dan wel een wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen wal en schip vallen.

Artikel 21. Afstemming Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg Lid 1 De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente – namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, en (licht)verstandelijk gehandicaptenzorg. De gemeente is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medisch specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet. Langdurige (24-uurs) zorg vanwege (voornamelijk) verstandelijke en/of lichamelijke handicap, valt evenmin onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. De aanspraak op deze zorg is geregeld in de Wet 18

langdurige Zorg (Wlz) en, voor zover het vooral somatische problematiek van minderjarigen betreft, in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Gelet op deze afbakening is het van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg, zoals de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (zie artikel 2.7 lid 4 en 5 Jeugdwet). Dit artikel beschrijft een aantal onderdelen waarop afspraken nodig zijn, namelijk op het gebied van de doorverwijzing naar (algemene en individuele) jeugdhulpvoorzieningen en op welke wijze een doorverwijzing uiteindelijk wordt vastgelegd in een schriftelijke beschikking voor de jeugdige en/of zijn ouders. Lid 2. Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert veelal het wettelijk kader van waaruit zorg geleverd wordt. GGZ-zorg bijvoorbeeld komt na het 18e jaar voor rekening van de Zvw. Om zoveel mogelijk continuïteit van zorg te kunnen bieden, maakt het college afspraken met de zorgverzekeraars en het CIZ (uitvoerder van de Wlz).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16370065/1