3.2 Vlissingen inspectierapport 2021-2022 met handtekening met omslag
Tekst van het document
Door de afwijking van deze nettolasten per cluster van Vlissingen met het gemeentefonds te confronteren met de afwijking van het gemiddelde van de nettolasten van de selectiegemeenten met het gemeentefonds ontstaat inzicht in de clusters met bijbehorende taakvelden waar Vlissingen overschrijdt of onderschrijdt ten opzichte van de selectiegemeenten. Bij deze analyse worden ook de vergelijkingen onder b inzichtelijk gemaakt voor de taakvelden welke behoren tot de clusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning. Dit zijn: 6.1 (Samenkracht en burgerparticipatie), 6.2 (Wijkteams), 6.3 (Inkomensregelingen), 6.4 (Begeleide participatie), 6.5 (Arbeidsparticipatie), 6.6 (Maatwerkvoorzieningen Wmo), 6.71 (Maatwerkdienstverlening 18+), 6.72 (Maatwerkdienstverlening 18-), 6.81 (Geëscaleerde zorg 18+) en 6.82 (Geëscaleerde zorg 18-). Vanaf 2017 wordt de overhead apart inzichtelijk gemaakt op taakveld 0.4. In het gemeentefonds is de overhead echter wel toegerekend aan de clusters en dus niet apart inzichtelijk. Om nu een goede clusteranalyse te doen dient taakveld 0.4 dan ook toegerekend te worden aan de andere taakvelden. Voor een goede vergelijkbaarheid met de andere groepen gemeenten is dat in deze clusteranalyse voor Vlissingen en de andere gemeenten gedaan op basis van de salarislasten zoals geboekt op categorie 1.1.
Aangetekend wordt bij dit hoofdstuk dat de gebruikte cijfers verschillen van de cijfers in hoofdstuk 5. Dit heeft de volgende oorzaken: 1. Bij deze analyse worden de Iv3-cijfers van het CBS gebruikt van de initiële begrotingen. De reden hiervoor is de vergelijkbaarheid met andere gemeenten waarvoor alleen de cijfers van de initiële begrotingen beschikbaar zijn. Daarnaast wordt op deze manier geabstraheerd van incidentele bezuinigingen in een bepaald jaar. Dat betekent dat de begrotingswijzigingen gedurende een begrotingsjaar niet zijn meegenomen voor dat jaar. In hoofdstuk 5 bij de bepaling van het relevant tekort worden deze begrotingswijzigingen vanzelfsprekend wel meegenomen. 2. Om goed te kunnen vergelijken met de groepen andere gemeenten wordt bij deze analyse de overhead voor iedere gemeente, dus ook voor Vlissingen, toegerekend aan de taakvelden op basis van de salarislasten zoals geboekt op categorie 1.1. In hoofdstuk 5 wordt de overhead echter toegerekend via door Vlissingen aangeleverde percentages.
20
De clusteranalyse wordt cijfermatig weergegeven in paragraf 2.2. De toelichting per cluster volgt in paragraaf 2.3. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met de conclusies in paragraaf 2.4
2.2
De analyse Het doel van de analyse is om te bezien welke afwijkingen er zijn tussen enerzijds de nettolasten van Vlissingen en anderzijds het niveau van het gemeentefonds en het niveau van een aantal groepen gemeenten bij de uitgavenclusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning en bijbehorende taakvelden. Dit is normaliter van belang om te bepalen of er terreinen zijn waar een vervolgonderzoek moet plaatsvinden om te bezien of bezuinigingen mogelijk zijn. Omdat in het artikel 12-onderzoek 2019-2022 alleen het sociaal domein en werk & inkomen onderwerp van onderzoek zijn en er niet gekeken wordt naar bezuinigingsmogelijkheden op de andere clusters van het gemeentefonds, zijn het sociaal domein en werk & inkomen geheel onderwerp van onderzoek. Ook op de clusters (taakvelden) waar Vlissingen lagere nettolasten heeft dan de ijkpunten van het gemeentefonds en/of andere groepen van gemeenten. Deze analyse is dan ook vooral van belang om te volgen of de in dit inspectierapport 2021-2022 beschreven onderzoeken uiteindelijk leiden tot lagere afwijkingen van de nettolasten van Vlissingen, ten opzichte van de ijkpunten van het gemeentefonds en andere groepen van gemeenten.
2.2.1
Vergelijking nettolasten met de ijkpunten gemeentefonds In tabel 2.1 is voor Vlissingen een overzicht gegeven van de afwijkingen van de nettolasten met het gemeentefonds voor de uitgavenclusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning voor 2018 t/m 2022. De cijfers 2021 en 2022 zijn voor de nettolasten gebaseerd op de gecorrigeerde3 Iv3 van respectievelijk de initiële begroting 2021 en de initiële begroting 2022. Voor het gemeentefonds zijn de cijfers 2021 en 2022 gebaseerd op respectievelijk de septembercirculaire 2020 (betaalmaand februari 2021) en de septembercirculaire 2021 (betaalmaand februari 2022). De cijfers 2018, 2019 en 2020 zijn overgenomen uit het inspectierapport 2020.
Gecorrigeerd is de door Vlissingen opgenomen taakstelling (post 3.5, begroting 2021). Hiervoor in de plaats zijn de daadwerkelijk structureel gerealiseerde bezuinigen 2021 en 2022 verwerkt bij de betreffende clusters. 3
21
Tabel 2.1
Vergelijking Vlissingen met het gemeentefonds op clusterniveau 2018-2022 Gemeente:
Vlissingen
Inwoners:
44.360
Nettolasten
Nettolasten per inwoner
( x € 1.000 )
( x € 1)
Clusters
a. Gemeentefonds
Uitkering per inwoner
Verschil per inwoner
Verschil absoluut
( x € 1.000 ) ( x € 1.000 )
( x € 1)
( x € 1.000 )
Uitkering
2018 Inkomen en participatie
-22.134
-499
19.476
439
-60
-2.664
Samenkracht en burgerparticipatie
-6.521
-147
1.504
34
-113
-5.017
Jeugd
-8.968
-202
11.064
249
47
2.087
Maatschappelijke ondersteuning
-63.619
-1.433
67.712
1.525
92
4.084
Totaal uitgavenclusters 2018
-101.242
-2.281
99.756
2.247
-34
-1.509
Inkomen en participatie
-23.881
-538
20.207
455
-83
-3.683
Samenkracht en burgerparticipatie
-10.498
-237
1.787
40
-197
-8.741
Jeugd
-14.255
-321
13.706
309
-12
-532
Maatschappelijke ondersteuning
-69.385
-1.564
74.521
1.679
115
5.103
Totaal uitgavenclusters 2019
-118.020
-2.660
110.221
2.483
-177
-7.854
Inkomen en participatie
-23.181
-522
19.817
447
-75
-3.328
Samenkracht en burgerparticipatie
-10.829
-244
1.761
40
-204
-9.052
Jeugd
-16.108
-363
13.903
313
-50
-2.219
Maatschappelijke ondersteuning
-73.568
-1.658
78.525
1.770
112
4.970
Totaal uitgavenclusters 2020
-123.685
-2.787
114.006
2.570
-217
-9.629
Inkomen en participatie
-21.820
-492
20.532
463
-29
-1.286
Samenkracht en burgerparticipatie
-10.676
-241
1.736
39
-202
-8.961
Jeugd
-16.517
-372
14.625
330
-42
-1.863
Maatschappelijke ondersteuning
-63.800
-1.438
70.614
1.592
154
6.831
Totaal uitgavenclusters 2021
-112.813
-2.543
107.507
2.424
-119
-5.279
Inkomen en participatie
-22.768
-513
20.822
469
-44
-1.952
Samenkracht en burgerparticipatie
-12.086
-272
2.067
47
-225
-9.981
Jeugd
-20.850
-470
20.325
458
-12
-532
Maatschappelijke ondersteuning
-60.756
-1.370
66.424
1.497
127
5.633
Totaal uitgavenclusters 2022
-116.460
-2.625
109.638
2.471
-154
-6.831
2019
2020
2021
2022
-/- is hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds 2021 en 2022 respectievelijk op basis van septembercirculaire 2020 en 2021 (betaalmaand februari 2021 en 2022) Nettolasten 2021 en 2022 respectievelijk op basis van gecorrigeerde Iv3 initiele begroting 2021 en 2022 C ijfers 2018, 2019 en 2020 conform Inspectierapport 2020 Inclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang
In de kolommen met het ‘verschil’ betekent een -/- hogere nettolasten voor Vlissingen. Uit de tabel blijkt dat Vlissingen in 2021 nog steeds fors meer uitgeeft dan de uitkering van het gemeentefonds. Dit is terug te zien bij de clusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie en Jeugd. Bij het cluster Maatschappelijke ondersteuning zijn de nettolasten minder dan de uitkering van het gemeentefonds. Uit de tabel blijkt dat na de stijgingen van de nettolasten in de jaren 2018 tot en met 2020 er vanaf 2021 een dalende trend te zien is. In 2022 zijn de nettolasten ten opzichte van 2020 met € 7,3 miljoen gedaald. Daar staat tegenover dat ook de uitkering uit het gemeentefonds in 2022 ten opzichte van 2020 daalt met € 4,4 miljoen. Dit wordt met name veroorzaakt door een daling op het cluster Maatschappelijke ondersteuning als gevolg van een daling van de centrumgemeentemiddelen (beschermd wonen). Wel is er extra geld als gevolg van het woonplaatsbeginsel en extra (incidenteel) geld op het cluster Jeugd. Aangetekend dient hierbij te worden dat de nettolasten op het cluster
22
Maatschappelijke opvang (taakveld 6.81) zijn gecorrigeerd met € 7,5 miljoen omdat de daling van de middelen beschermd wonen 2022 zoals opgenomen in de septembercirculaire 2021 door Vlissingen niet waren verwerkt in de initiële begroting 2022. In paragraaf 2.3 wordt een verdere toelichting per cluster gegeven.
2.2.2
Vergelijking nettolasten met groepen gemeenten In tabel 2.2 is voor Vlissingen voor de jaren 2018 t/m 2022 een overzicht gegeven van de afwijkingen van de nettolasten met de gemiddelde nettolasten van de gemeenten in 1) de selectiegroep4, 2) de groep met een zwakke sociale structuur en redelijke centrumfunctie, 3) de inwonersgroottegroep 20.000-50.000 en 4) de gemeenten in de provincie Zeeland. Omdat de uitkering uit het gemeentefonds voor beschermd wonen, vrouwenopvang en maatschappelijke opvang alleen aan een groep centrumgemeenten wordt uitgekeerd, waaronder Vlissingen, en dus niet aan alle gemeenten is voor een goede vergelijking van de nettolasten met de groepen gemeenten het cluster Maatschappelijke ondersteuning (het taakveld 6.81) verminderd met de bedragen voor beschermd wonen, vrouwenopvang en maatschappelijke opvang. De cijfers 2021 en 2022 zijn voor de nettolasten gebaseerd op de gecorrigeerde5 Iv3 van respectievelijk de initiële begroting 2021 en de initiële begroting 2022. De cijfers 2018, 2019 en 2020 zijn overgenomen uit het inspectierapport 2020
De selectiegroep bestaat t/m 2021 uit de gemeenten Den Helder, Heerenveen, Middelburg, Tiel, Uden en Zevenaar. In 2022 is de gemeente Uden samengegaan met de gemeente Landerd tot de nieuwe gemeente Maashorst en maakt dan ook geen onderdeel meer uit van de selectiegroep. 5 Gecorrigeerd is de door Vlissingen opgenomen taakstelling (post 3.5, begroting 2021). Hiervoor in de plaats zijn de daadwerkelijk structureel gerealiseerde bezuinigen 2021 en 2022 verwerkt bij de betreffende clusters. 4
23
Tabel 2.2
Vergelijking Vlissingen met groepen gemeenten op clusterniveau 2018-2022 Gemeente: Vlissingen Inwoners:
Clusters
b2. Soortgenoten
b1. Selectiegroep
44.360
Inwoners:
47.273
Nettolasten Nettolasten Nettolasten Nettolasten per inwoner per inwoner
Verschil per inwoner
( x € 1.000 )
( x € 1) ( x € 1.000 )
( x € 1)
( x € 1.000 )
( x € 1)
b3. Groottegroep
Sociale structuur:
Zwak
Centrumfunctie:
Redelijk
inwoners
Verschil Nettolasten absoluut per inwoner
Verschil per inwoner
Verschil Nettolasten absoluut per inwoner ( x € 1)
Verschil per inwoner
20001
( x € 1) ( x € 1.000 )
( x € 1)
-
b4. Gemeenten in provincie
50000
Zeeland Verschil Nettolasten absoluut per inwoner
( x € 1) ( x € 1.000 )
( x € 1)
Verschil per inwoner
Verschil absoluut
( x € 1) ( x € 1.000 )
2018 Inkomen en participatie
-22.134
-499
-18.055
-386
-113
-5.017
-569
70
3.108
-257
-242
-10.743
-293
-206
Samenkracht en burgerparticipatie
-6.521
-147
-6.988
-150
3
133
-174
27
1.199
-140
-7
-311
-169
22
977
Jeugd
-8.968
-202
-11.488
-246
44
1.953
-266
64
2.841
-186
-16
-710
-195
-7
-311
-9.145
Maatschappelijke ondersteuning
-13.831
-312
-9.354
-200
-112
-4.972
-260
-52
-2.308
-178
-134
-5.949
-203
-109
-4.839
Totaal uitgavenclusters 2018
-51.454
-1.160
-45.885
-982
-178
-7.902
-1.269
109
4.839
-761
-399
-17.713
-860
-300
-13.318
Inkomen en participatie
-23.546
-529
-16.636
-355
-174
-7.740
-563
34
1.512
-254
-275
-12.233
-299
-230
-10.232
Samenkracht en burgerparticipatie
-8.155
-183
-8.264
-177
-6
-267
-208
25
1.112
-148
-35
-1.557
-185
2
89
Jeugd
-10.791
-243
-12.477
-267
24
1.068
-307
64
2.847
-209
-34
-1.512
-217
-26
-1.157
2019
Maatschappelijke ondersteuning
-12.930
-291
-11.262
-241
-50
-2.224
-256
-35
-1.557
-192
-99
-4.404
-213
-78
-3.470
Totaal uitgavenclusters 2019
-55.423
-1.246
-48.639
-1.040
-206
-9.164
-1.334
88
3.915
-803
-443
-19.707
-914
-332
-14.769
Inkomen en participatie
-23.181
-522
-16.525
-352
-170
-7.543
-563
41
1.819
-250
-272
-12.069
-297
-225
-9.983
Samenkracht en burgerparticipatie
-10.829
-244
-8.220
-175
-69
-3.062
-212
-32
-1.420
-152
-92
-4.082
-187
-57
-2.529
Jeugd
-16.108
-363
-15.318
-326
-37
-1.642
-365
2
89
-243
-120
-5.325
-283
-80
-3.550
Maatschappelijke ondersteuning
-15.695
-354
-12.327
-263
-91
-4.038
-285
-69
-3.062
-209
-145
-6.434
-226
-128
-5.679
Totaal uitgavenclusters 2020
-65.812
-1.483
-52.390
-1.116
-367
-16.284
-1.425
-58
-2.574
-854
-629
-27.909
-993
-490
-21.742
Inkomen en participatie
-21.820
-492
-15.882
-336
-156
-6.920
-549
57
2.529
-253
-239
-10.602
-299
-193
-8.561
Samenkracht en burgerparticipatie
-10.676
-241
-8.315
-176
-65
-2.883
-204
-37
-1.641
-153
-88
-3.904
-183
-58
-2.573
Jeugd
-16.517
-372
-16.588
-351
-21
-932
-388
16
710
-265
-107
-4.747
-302
-70
-3.105
Maatschappelijke ondersteuning
-14.676
-331
-13.390
-283
-48
-2.129
-296
-35
-1.553
-227
-104
-4.613
-256
-75
-3.327
Totaal uitgavenclusters 2021
-63.689
-1.436
-54.174
-1.146
-290
-12.864
-1.437
1
44
-898
-538
-23.866
-1.040
-396
-17.567
Inkomen en participatie
-22.768
-513
-16.316
-337
-176
-7.807
-558
45
1.996
-253
-260
-11.533
-298
-215
-9.537
Samenkracht en burgerparticipatie
-12.086
-272
-8.698
-180
-92
-4.081
-204
-68
-3.016
-160
-112
-4.968
-201
-71
-3.149
Jeugd
-20.850
-470
-21.005
-434
-36
-1.597
-447
-23
-1.020
-280
-190
-8.428
-330
-140
-6.210
Maatschappelijke ondersteuning
-17.350
-391
-14.349
-296
-95
-4.214
-333
-58
-2.573
-243
-148
-6.565
-277
-114
-5.057
Totaal uitgavenclusters 2022
-73.054
-1.646
-60.367
-1.247
-399
-17.699
-1.542
-104
-4.613
-936
-710
-31.494
-1.106
-540
-23.953
2020
2021
2022
-/- is hogere nettolasten voor Vlissingen Nettolasten 2021 en 2022 respectievelijk op basis van gecorrigeerde Iv3 initiele begroting 2021 en 2022 Cijfers 2018, 2019 en 2020 conform Inspectierapport 2020 Exclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang
In de kolommen met het ‘verschil’ betekent een -/- hogere nettolasten voor Vlissingen. Uit de tabel blijkt dat de nettolasten per inwoner van Vlissingen op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen in 2021 en 2022 nog altijd hoger liggen de gemiddelden van de selectiegroep (b1), de soortgenoten (b2) de groottegroep (b3) en de gemeenten in Zeeland (b4) en bovendien blijven stijgen. Voor alle groepen gemeenten stijgen de nettolasten per inwoner. Voor Vlissingen stijgen die echter meer. In Paragraaf 2.3 is een verdere toelichting per cluster opgenomen.
2.2.3
Vergelijking afwijkingen nettolasten met ijkpunten gemeentefonds tussen Vlissingen en de selectiegroep In tabel 2.3 staat de vergelijking van aan de ene kant de afwijking van de nettolasten van Vlissingen met het gemeentefonds met aan de andere kant de afwijking van het gemiddelde van de nettolasten van de selectiegemeenten met het gemeentefonds voor
24
bovenstaande clusters uit het gemeentefonds op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Ook hier zijn de cijfers 2021 en 2022 voor de nettolasten gebaseerd op de gecorrigeerde 6 Iv3 van respectievelijk de initiële begroting 2021 en initiële begroting 2022. Voor het gemeentefonds zijn de cijfers 2021 en 2022 gebaseerd op respectievelijk de septembercirculaire 2020 (betaalmaand februari 2021) en de septembercirculaire 2021 (betaalmaand februari 2022). De cijfers 2018, 2019 en 2020 zijn overgenomen uit het inspectierapport 2020. Ook bij deze vergelijkingen is gecorrigeerd voor de bedragen voor beschermd wonen, vrouwenopvang en maatschappelijke opvang. Tabel 2.3
Vergelijking verschil met gemeentefonds van Vlissingen en verschil met gemeentefonds van de selectiegroep 2018 -2022
Clusters
c. gemiddelde selectiegroep
Vlissingen
verschil nettolasten met GF
verschil nettolasten met GF
per inwoner
per inwoner
Verschil per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2018 Inkomen en participatie
-59
-60
Samenkracht en burgerparticipatie
-121
-113
8
Jeugd
33
47
14
Maatschappelijke ondersteuning
173
91
-81
Totaal uitgavenclusters 2018
26
-34
-60
-1
2019 Inkomen en participatie
-23
-81
-58
Samenkracht en burgerparticipatie
-146
-147
-1
Jeugd
13
19
5
Maatschappelijke ondersteuning
155
135
-20
Totaal uitgavenclusters 2019
-1
-74
-73
2020 Inkomen en participatie
-21
-76
-55
Samenkracht en burgerparticipatie
-142
-204
-63
Jeugd
-12
-50
-38
Maatschappelijke ondersteuning
170
112
-58
Totaal uitgavenclusters 2020
-5
-218
-213
2021 Inkomen en participatie
12
-29
-41
Samenkracht en burgerparticipatie
-143
-202
-59
Jeugd
-34
-43
-9
Maatschappelijke ondersteuning
167
154
-13
Totaal uitgavenclusters 2021
3
-120
-123
2022 Inkomen en participatie
18
-44
-62
-139
-226
-87
-8
-12
-4
Maatschappelijke ondersteuning
191
128
-63
Totaal uitgavenclusters 2022
63
-154
-217
Samenkracht en burgerparticipatie Jeugd
-/- is hogere nettolasten dan gemeentefonds Gemeentefonds 2021 en 2022 respectievelijk op basis van septembercirculaire 2020 en 2021 (betaalmaand februari 2021 en 2022) Nettolasten 2021 en 2022 respectievelijk op basis van gecorrigeerde Iv3 initiele begroting 2021 en 2022 C ijfers 2018, 2019 en 2020 conform Inspectierapport 2020 Exclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijkle opvang
Gecorrigeerd is de door Vlissingen opgenomen taakstelling (post 3.5, begroting 2021). Hiervoor in de plaats zijn de daadwerkelijk structureel gerealiseerde bezuinigen 2021 en 2022 verwerkt bij de betreffende clusters. 6
25
Uit tabel 2.3 blijkt dat voor de vier clusters tezamen in 2018 de selectiegemeenten minder uitgeven dan de ijkpunten van het gemeentefonds. In 2019 en 2020 geven de selectiegemeenten vervolgens iets meer uit dan de ijkpunten. In 2021 wordt door de selectiegemeenten weer iets minder uitgeven en in 2022 fors minder. Vlissingen daarentegen geeft in alle jaren aanzienlijk meer uit dan de omvang van het gemeentefonds voor de vier clusters tezamen. Vanaf 2021 is er echter wel een dalende trend waarneembaar. In paragraaf 2.3 wordt per cluster een verdere toelichting gegeven.
2.3
Toelichting per cluster In deze paragraaf wordt dieper ingegaan op de uitgavenclusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt per cluster ingegaan op: • De geconstateerde verschillen tussen de nettolasten van Vlissingen enerzijds en het niveau van het gemeentefonds en de nettolasten van groepen gemeenten anderzijds. • De geconstateerde verschillen tussen de jaren. • In hoeverre er sprake is van een specifiek Vissings probleem of dat er ook sprake is van een bepaalde trend bij andere (groepen van) gemeenten. Voor de leesbaarheid worden de verschillende vergelijkingen zoals beschreven in paragraaf 2.2 en gepresenteerd in de tabellen 2.1, 2.2 en 2.3 per cluster ook bij elkaar één tabel gepresenteerd.
2.3.1
Uitgavencluster Inkomen en participatie Het uitgavencluster Inkomen en participatie bestaat uit de taakvelden 6.3 (Inkomensregelingen), 6.4 (Begeleide participatie) en 6.5 (Arbeidsparticipatie). Dat betekent dat tot dit cluster alle inkomens- en bijstandsvoorzieningen behoren. Daarnaast vallen de voorzieningen ter bevordering van maatschappelijke participatie die niet gericht zijn op doorstromen naar arbeid onder dit cluster. Tot slot zijn ook de op arbeid gerichte participatie- en re-integratievoorzieningen onderdeel van dit cluster. De vergelijkingen voor het cluster Inkomen en participatie worden weergegeven in onderstaande tabel 2.4.
26
Tabel 2.4
Vergelijkingen cluster Inkomen en participatie
Cluster Inkomen en participatie a
b1
b2
b3
b4
c
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Verschil Vlissingen met uitkering GF
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland
Verschil selectiegroep met uitkering GF
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2018
-60
-113
70
-242
-206
-1
2019
-83
-174
34
-275
-230
-58
2020
-75
-170
41
-272
-225
-55
2021
-29
-156
57
-239
-193
-41
2022
-44
-176
45
-260
-215
-62
Jaar
-/- is hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds 2021 en 2022 respectievelijk op basis van septembercirculaire 2020 en 2021 (betaalmaand februari 2021 en 2022) Nettolasten 2021 en 2022 respectievelijk op basis van gecorrigeerde Iv3 initiele begroting 2021 en 2022 Cijfers 2018, 2019 en 2020 conform Inspectierapport 2020 Vergelijking a: Inclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang Vergelijking b en c: Exclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang
Uit tabel 2.1 valt op te maken dat bij het cluster Inkomen en participatie over de periode 2018-2022 de nettolasten na een stijging in 2019 in 2021 zijn gedaald. In 2022 stijgen de nettolasten echter weer, met name door extra geld naar Orions als gevolg van tekorten op de BUIG in dat jaar. Daarnaast is het ijkpunt van het gemeentefonds over die periode per inwoner met 7% gestegen. Dit verklaart waarom de nettolasten per inwoner meer zijn toegegroeid naar het niveau van het gemeentefonds. Dat neemt niet weg dat de nettolasten in 2022 nog steeds € 44 per inwoner boven het gemeentefonds zitten. Uit tabel 2.2 blijkt dat er bij dit cluster bij de meeste andere groepen gemeenten in de periode 2018-2022 een daling van de nettolasten per inwoner heeft plaatsgevonden, een gemiddelde daling van 4%. Deze trend komt niet overeen met de ontwikkeling bij Vlissingen over die periode. Voor Vlissingen stijgen de nettolasten per inwoner over de periode 2018-2022 juist met 3%. In tabel 2.3 valt te zien dat bij het cluster Inkomen en participatie een geleidelijke daling van het verschil bij de selectiegroep geleid heeft tot een omslagpunt in 2021. In tegenstelling tot de voorgaande jaren zijn vanaf 2021 de nettolasten lager dan het ijkpunt van het gemeentefonds. Voor Vlissingen is dit niet het geval, de nettolasten zijn nog steeds hoger dan het ijkpunt van het gemeentefonds.
Wel is vanaf 2020 een daling van het verschil zichtbaar. Uit tabel 2.4 blijkt dat Vlissingen bij dit cluster hogere nettolasten heeft ten opzichte van het ijkpunt van het gemeentefonds (a), de selectiegroep (b1), de groottegroep (b3) en de gemeenten in Zeeland (b4). Alleen bij de vergelijking met de soortgenoten (b2) zijn de nettolasten van Vlissingen lager. Na een daling van de verschillen in 2021 stijgen de verschillen in 2022 weer. Ook blijkt dat Vlissingen in 2021 € 41 en in 2022 € 62 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds zit dan de selectiegemeenten (c). Ten aanzien van bovenstaande constateringen geeft Vlissingen het volgende aan: 1. Hoewel Vlissingen in omvang een hele gemiddelde gemeente is, speelt er ‘Randstedelijke problematiek’. Dat vertaalt zich specifiek voor werk en inkomen al
27
2.
3.
4.
5.
2.3.2
jarenlang in relatief gezien erg hoge werkloosheidscijfers. Zowel op het gebied van WW (uitgevoerd door UWV) als bijstand (uitgevoerd door Orionis) is Vlissingen al jarenlang in Zeeland koploper en scoort Vlissingen ook bovengemiddeld t.o.v. het landelijk gemiddelde beeld (in negatieve zin). Voor een groot deel is dit te relateren aan de zwakke sociale structuur. Het BUIG-budget is de afgelopen jaren ontoereikend gebleken voor het aantal bijstandsuitkeringen in de gemeente Vlissingen. De afgelopen jaren heeft de gemeente Vlissingen dan ook ruime tekorten op het BUIG-budget gekend, waardoor steeds een beroep moest worden gedaan op de vangnetuitkering BUIG. De BUIG-tekorten zijn de afgelopen jaren wel steeds verder afgenomen, hetgeen erin heeft geresulteerd dat Vlissingen geen beroep meer kon doen op de vangnetregeling. Als deze trend zich doorzet, zoals wordt verwacht en ook is begroot, zal m.i.v. 2023 het tekort bij de BUIG geheel zijn omgebogen, waarna een overschot ontstaat. Dit houdt direct verband met het feit dat het bijstandsbestand in de gemeente Vlissingen de afgelopen jaren in aantallen is gedaald, en daarbij dat het bijstandsvolume sneller is gedaald dan de landelijke ontwikkeling.
Hierdoor nam enerzijds het aantal uit te keren bijstandsuitkeringen af (minder beroep op het BUIG-budget) en anderzijds nam het relatieve aandeel van de gemeente Vlissingen in het macrobudget toe (relatief gezien meer BUIG-budget). Anders gesteld: het aantal bijstandsuitkeringen is meer in verhouding gekomen met het Rijksbudget voor de BUIG. Verwacht wordt dat het tekort BUIG van 2022 incidenteel is en gezien de arbeidsmarkt er meer uitstroom zal zijn. Ook wordt gewerkt aan een plan om meer uitstroom te genereren en wordt gezocht naar extra mogelijkheden om re-integratie te organiseren in het verlengde van het implementatieplan. Bijvoorbeeld re-integratie elders beleggen voor een deel, sturen op grotere caseloads bij Orionis en sturen op meer uitstroom ook bij de gemeenten. Het WSW-bedrijf van Orionis Walcheren (gemeenschappelijke regeling) presteert al jarenlang ondermaats t.o.v. branchegenoten. Uit de financiële resultaten van de WSW bij Orionis in de jaren 2017-2019 blijkt een het tekort in de orde van € 1 miljoen en de gemeentelijke bijdrage is opgelopen van € 1,8 naar bijna € 2,2 miljoen. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat het aantal WSW-medewerkers conform het landelijke beeld is afgenomen, waardoor het tekort in deze jaren is opgelopen van bijna € 5.000 naar boven de € 6.000 per WSW-medewerker. Het financieel tekort is landelijk gemiddeld € 3.000 per WSW-medewerker.
Als de financiële resultaten van de verschillende werkbedrijven onderling vergeleken worden dan ontstaat een beeld dat vrijwel alle werkbedrijven te maken hebben met een tekort, maar een tekort van € 6.000 betekent een zeer lage financiële performance. De oorzaken voor het negatieve financiële resultaat moeten vooral in de bedrijfsvoering gezocht moet worden. Orionis geeft aan dat acties gericht op ‘lean’ werken, terugdringen ziekteverzuim, terugdringen leegloop, meer handel (nieuwe opdrachtgevers), maximaal detacheren, bedrijfshallen vrijspelen en betere prijzen door samenwerking een zodanig bedrag oplevert dat op termijn de oorspronkelijke doelstelling die is opgenomen in het KplusVrapport en meerjarenraming begroting 2023 gehaald wordt Met andere woorden: de dip van € 1,44 miljoen die in 2022 optreedt, wordt de komende jaren weer geleidelijk ingehaald tot de oorspronkelijke rendementsverbetering. In 2025/2026 wordt dan weer het oorspronkelijk begrote niveau (gebaseerd op rapport KplusV) zoals in de meerjarenraming van de begroting 2023 is opgenomen bereikt. Dit is wel afhankelijk van de economische nationale én internationale situatie. Verbetering koopkracht consumenten, afkoeling internationale grondstofmarkt en klanten van de opdrachtgevers moeten meer orders gaan plaatsen.
Uitgavencluster Samenkracht en burgerparticipatie Het uitgavencluster Samenkracht en burgerparticipatie bestaat uit de taakvelden 6.1 (Samenkracht en burgerparticipatie) en 6.2 (Wijkteams). Tot dit cluster behoren dan ook algemene voorzieningen (waarvoor geen individuele beschikking van de gemeente nodig is) gericht op participatie en alle loketvoorzieningen gericht op het identificeren van eigen
28
kracht en het geleiden naar de juiste vorm van individuele ondersteuning (maatwerkvoorzieningen en -dienstverlening). De verschillende vergelijkingen voor het cluster Samenkracht en burgerparticipatie staan in tabel 2.5. Tabel 2.5
Vergelijkingen cluster Samenkracht en burgerparticipatie
Cluster Samenkracht en burgerparticipatie a
b1
b2
b3
b4
c
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Verschil Vlissingen met uitkering GF
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland
Verschil selectiegroep met uitkering GF
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2018
-113
3
27
-7
22
8
2019
-197
-6
25
-35
2
-1
2020
-204
-69
-32
-92
-57
-63
2021
-202
-65
-37
-88
-58
-59
2022
-225
-92
-68
-112
-71
-87
Jaar
-/- is hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds 2021 en 2022 respectievelijk op basis van septembercirculaire 2020 en 2021 (betaalmaand februari 2021 en 2022) Nettolasten 2021 en 2022 respectievelijk op basis van gecorrigeerde Iv3 initiele begroting 2021 en 2022 C ijfers 2018, 2019 en 2020 conform Inspectierapport 2020 Vergelijking a: Inclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang Vergelijking b en c: Exclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang
Uit tabel 2.1 blijkt dat op dit cluster voor Vlissingen het beeld van 2021 vergelijkbaar is met dat van 2020. In 2019 was er een forse stijging van de nettolasten per inwoner op dit cluster, in 2020 en 2021 is deze stijging afgevlakt en zijn de nettolasten iets gehaald. In 2022 stijgen de nettolasten echter weer. Dit heeft met name te maken met de inrichting van de buurtteams per 2022. Over de periode 2018-2022 is er een forse stijging van de nettolasten van 85%. Daar staat een stijging van het ijkpunt van het gemeentefonds per inwoner van 38% tegenover in die periode. In tabel 2.2 is te zien dat voor andere groepen gemeenten dat beeld er ook is. Met een gezamenlijke stijging van de nettolasten over de periode 2018-2022 van 13% wel in sterk mindere mate. Dit blijkt ook uit de vergelijking in kolom c van tabel 2.5. Vlissingen geeft in 2022 € 87 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds uit dan de selectiegemeenten. In 2018 was dat nog € 8 per inwoner minder. Tabel 2.3 geeft aan dat bij het cluster Samenkracht en burgerparticipatie sinds 2018 de nettolasten zowel bij de selectiegroep als bij Vlissingen flink hoger zijn dan het gemeentefonds. Bij de selectiegroep is vanaf 2020 wel een licht dalende trend te herkennen. Bij Vlissingen is er echter nog geen dalende trend in de cijfers te herkennen. In 2022 ten opzichte van 2021 stijgt het verschil weer.
Uit de tabel 2.5 blijkt dat Vlissingen bij dit cluster hogere nettolasten heeft ten opzichte van het ijkpunt van het gemeentefonds (a) en alle groepen gemeenten (b1 t/m b4). In 2021 ten opzichte van 2020 blijven de verschillen in nettolasten redelijk stabiel. In 2022 stijgen de verschillen echter weer. Ook is te zien dat Vlissingen in 2022 € 87 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds zit dan de selectiegemeenten (c). Dat is een forse stijging ten opzichte van 2021.
29
Bovenstaand geconstateerde stijgingen worden volgens Vlissingen vooral veroorzaakt door een hogere toerekening van de overhead als gevolg van een uitbreiding van de formatie binnen het sociaal domein en de positionering van buurtteams (generalistische basishulp) o.b.v. de specifieke problematiek in de wijk/buurt.
2.3.3
Uitgavencluster Jeugd Het uitgavencluster Jeugd is opgedeeld in de taakvelden 6.72 (Maatwerkdienstverlening 18-) en 6.82 (Geëscaleerde zorg 18-). Tot taakveld 6.72 behoren vormen van jeugdhulp die door de gemeente als individuele (niet vrij toegankelijke) voorziening worden aangemerkt. Tot taakveld 6.82 behoren maatregelen gericht op de opvang en het verbeteren van de veiligheid van kinderen en jeugdigen (jonger dan 18 jaar) met inbegrip van maatwerkdienstverleningsmaatregelen voor jeugdigen die in de desbetreffende opvangvoorzieningen verblijven. In tabel 2.6 staan de verschillende vergelijkingen voor dit cluster. Tabel 2.6
Vergelijkingen cluster Jeugd
Cluster Jeugd a Jaar
b1
b2
b3
b4
c
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Verschil Vlissingen met uitkering GF
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland
Verschil selectiegroep met uitkering GF
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2018
47
44
64
-16
-7
14
2019
-12
24
64
-34
-26
5
2020
-50
-37
2
-120
-80
-38
2021
-42
-21
16
-107
-70
-9
2022
-12
-36
-23
-190
-140
-4
-/- is hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds 2021 en 2022 respectievelijk op basis van septembercirculaire 2020 en 2021 (betaalmaand februari 2021 en 2022) Nettolasten 2021 en 2022 respectievelijk op basis van gecorrigeerde Iv3 initiele begroting 2021 en 2022 Cijfers 2018, 2019 en 2020 conform Inspectierapport 2020 Vergelijking a: Inclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang Vergelijking b en c: Exclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang
Via tabel 2.1 valt te berekenen dat over de periode 2018-2022 de nettolasten per inwoner op het cluster Jeugd met maar liefst 133% stijgen. Het ijkpunt van het gemeentefonds per inwoner stijgt in die periode voor Vlissingen daarentegen ook, maar met 84% aanzienlijk minder. De forse stijging in 2022 wordt veroorzaakt door de invoering van het woonplaatsbeginsel. Hiervoor ontvangt Vlissingen ook extra geld uit het gemeentefonds. De stijging van het ijkpunt van het gemeentefonds als gevolg van het woonplaatsbeginsel en als gevolg van extra geld op grond van Hervormingsagenda Jeugd 2022-2028 zorgt ervoor dat de nettolasten van Vlissingen vanaf 2021 meer zijn toegegroeid naar dat ijkpunt. Uit tabel 2.2 blijkt dat ook bij de selectiegroepen er een negatieve trend in de nettolasten te zien over de periode 2018-2022. Met een stijging echter van 46% is die wel een stuk lager. Voor de selectiegroep stijgt bovendien het ijkpunt van het gemeentefonds met 66%. Ook dat heeft te maken met het woonplaatsbeginsel en de Hervormingsagenda Jeugd.
30
Via tabel 2.3 is inzichtelijk dat voor het cluster Jeugd zowel de selectiegroep als Vlissingen in 2022 een negatieve trend lijken om te buigen. Het verschil met het gemeentefonds daalt in 2022 voor zowel Vlissingen als de selectiegroep. Zoals eerder aangeven komt dat echter met name door extra geld als gevolg van het woonplaatsbeginsel en het woonplaatsbeginsel en de Hervormingsagenda Jeugd 2022-2028. Op grond van tabel 2.6 kan geconcludeerd worden dat in 2021 Vlissingen bij het cluster Jeugd hogere nettolasten per inwoner heeft ten opzichte van het ijkpunt van het gemeentefonds, de selectiegroep (b1), en de groottegroep (b3) en de gemeenten in Zeeland (b4). Bij de vergelijking met de soortgenoten (b2) heeft Vlissingen in 2021, net als in voorgaande jaren, lagere nettolasten. In 2022 zien we echter een ander beeld. Ten opzichte van het ijkpunt van het gemeentefonds daalt het verschil. Echter, Vlissingen heeft dan wel ten opzichte van alle groepen gemeenten hogere nettolasten. De nettolasten per inwoner voor de verschillende groepen gemeenten stijgen minder hard dan die voor Vlissingen. Ook blijkt dat Vlissingen in 2022 € 4 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds uitgeeft dan de selectiegemeenten (c). Dat is een forse verbetering ten opzichte van 2020. Vlissingen geeft als verklaring aan dat bij de jeugdzorg de volgende zaken spelen: 1.
Toename van intensiteit en looptijd ingezette zorg. Het aantal unieke cliënten is sinds 2020 licht afgenomen van 1.768 (2020) naar 1.709 (2021). Deze trend lijkt in 2022 door te gaan. De kosten zijn echter niet altijd in lijn is met de ontwikkeling van het aantal unieke cliënten. Het is lastig hiervoor eenduidige factoren aan te wijzen. De oorzaak ligt in een combinatie van verschillende zaken. Onder meer heeft dit te maken met de gemiddelde duur van de zorg (in 2021 langer dan in 2020, in 2022 is sprake van een verder toename van de gemiddelde looptijd bij sommige producten) en de ontwikkelingen van maatwerkcontracten (zorg die eerder niet gecontracteerd was maar in een noodzakelijke behoefte voorziet, bijv. toename interculturele doelgroepen). Niet in het minst is het ook afhankelijk van eventuele ‘dure cliënten’, waar soms sprake is van stapeling van zorg. Inhoudelijk ziet Vlissingen dat de gemeente kwetsbaar is voor de producten jeugd ggz, externe verblijfszorg (uithuisgeplaatste jeugdigen) en het cluster ambulante hulp. Door vaste monitoring ontstaat wel steeds meer zicht op de actuele ontwikkelingen per maand en vindt overleg plaats om trends te verklaren en waar mogelijk actie te ondernemen om hierop invloed uit te oefenen. 2.
Gemeentelijke grip op de toegang tot jeugdhulp is lastig omdat een groot deel van de instroom tot stand komt via de doorverwijzing van huisartsen, jeugdartsen en medisch of uitspraken van de kinderrechter over de inzet van jeugdbescherming en jeugdreclassering. Het fenomeen van de andere wettelijke verwijzers (medisch of justitieel) is een lastig te beïnvloeden aspect van de Jeugdwet. Omdat dit rechtstreeks gaat speelt de gemeentelijke toegang vaak geen rol. De enige bron die de onderlinge verhouding tussen verwijzers benadert is CBS-statline. Hieruit blijkt dat van de 1470 verwijzingen in Vlissingen over het 1e halfjaar 2022 een aantal van 780 via de gemeentelijke toegang tot stand kwam. Via de medische weg was dat 425 via huisartsen, 35 via jeugdartsen en 90 via medisch specialisten. Daarnaast liepen 70 verwijzingen via de gecertificeerde instellingen en was dat van een aantal 60 niet bekend. Het is een belangrijke ontwikkelopgave om vooral met de huisartsen een goede samenwerking op dit terrein verder te ontwikkelen. 3. In de verschillende deelsectoren van de jeugdhulp is sprake van tariefstijging. De tarieven zijn in het algemeen gestegen conform de vastgelegde afspraken in de meerjarencontracten 2020-2023. Dit heeft mede te maken met een stijging van de lonen (cao’s). Door de inflatie wordt in de toekomst wel een claim op de gemeenten verwacht.
Vooralsnog heeft de Bestuurscommissie (mede daarom) besloten tot een verlenging van het bestaande contract. Bij die verlenging wordt ingezet om afspraken te maken die ons nog meer grip geven. Zo wordt ingezet om een einde te maken aan het verschijnsel van aspecifieke (c.q. onbepaalde) beschikkingen. Deze wil Vlissingen beperken in duur en maximaal bedrag.
31
2.3.4
Uitgavencluster Maatschappelijke ondersteuning Het uitgavencluster Maatschappelijke ondersteuning is opgebouwd uit de taakvelden 6.6 (Maatwerkvoorzieningen Wmo), 6.71 (Maatwerkdienstverlening 18+) en 6.81 (Geëscaleerde zorg 18+). Hiertoe behoren de materiële voorzieningen om zelfstandig te kunnen functioneren (Wmo) voor mensen met fysieke beperkingen die op basis van een beschikking verstrekt worden. Daarnaast is de dienstverlening aan individuele cliënten met een beperking (fysiek/psychisch) die zelfstandig wonen en die ondersteuning behoeven in de vorm van beschikbare uren op basis van een toekenningsbeschikking onderdeel van dit cluster. Tot slot valt alle opvang- en beschermd wonen voorzieningen met inbegrip van eventuele maatwerkdienstverlening en maatwerkvoorzieningen voor personen die in de betreffende opvangvoorzieningen verblijven onder het cluster Maatschappelijke ondersteuning. Onderstaande tabel 2.7 geeft inzicht in de verschillende vergelijkingen voor het cluster Maatschappelijke ondersteuning. Tabel 2.7
Vergelijkingen cluster Maatschappelijke ondersteuning
Cluster Maatschappelijke ondersteuning a
b1
b2
b3
b4
c
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Verschil Vlissingen met uitkering GF
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland
Verschil selectiegroep met uitkering GF
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2018
92
-112
-52
-134
-109
-81
2019
115
-50
-35
-99
-78
-20
2020
112
-91
-69
-145
-128
-58
2021
154
-48
-35
-104
-75
-13
2022
127
-95
-58
-148
-114
-63
Jaar
-/- is hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds 2021 en 2022 respectievelijk op basis van septembercirculaire 2020 en 2021 (betaalmaand februari 2021 en 2022) Nettolasten 2021 en 2022 respectievelijk op basis van gecorrigeerde Iv3 initiele begroting 2021 en 2022 Cijfers 2018, 2019 en 2020 conform Inspectierapport 2020 Vergelijking a: Inclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang Vergelijking b en c: Exclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang
Op grond van tabel 2.1 valt op te maken dat de nettolasten op dit cluster over de periode 2018-2022 met € 2,9 miljoen (4%) zijn gedaald. Dit is inclusief de centrumgemeente middelen. Het ijkpunt van het gemeentefonds daalt over die periode met € 1,3 miljoen (2%). Wel zit hier het effect in dat vanaf 2021 het gemeentefonds op dit cluster met € 12,1 miljoen is verlaagd door met name de uitname voor de centrumgemeentemiddelen (beschermd wonnen) als gevolg van de overgang van een deel van de cliënten naar de Wet langdurige zorg. Als we naar tabel 2.2 kijken zien we een ander beeld omdat deze tabel exclusief de centrumgemeentemiddelen is. Over het algemeen stijgen de nettolasten exclusief de centrumgemeentemiddelen over de periode 2018-2022 voor zowel Vlissingen als de groepen gemeenten. De nettolasten per inwoner voor Vlissingen op dit cluster stijgen met 25%. De nettolasten voor de groepen gemeenten gezamenlijk stijgen gemiddeld met 37%.
32
Tabel 2.3 is exclusief beschermd wonen, vrouwenopvang en maatschappelijke opvang en laat bij dit cluster voor de selectiegroep een overwegend stabiel beeld zien, waarbij de nettolasten lager zijn dan het ijkpunt van het gemeentefonds. In 2022 stijgt dat verschil wel. Ook bij Vlissingen zijn de nettolasten lager dan het ijkpunt van het gemeentefonds. Echter dit positieve verschil neemt wel af in 2022. Ook tabel 2.7 is exclusief beschermd wonen, vrouwenopvang en maatschappelijke opvang (behalve vergelijking a). Uit deze tabel blijkt dat Vlissingen alle jaren lagere nettolasten per inwoner heeft dan het ijkpunt van het gemeentefonds (a). Dit verschil daalt wel in 2022. Ten opzichte van de groepen gemeenten (b1 t/m b4) zijn de nettolasten van Vlissingen net als alle voorgaande jaren hoger. Dit verschil stijgt ook. Na een verbetering in 2019 ten opzichte van 2018, verslechtert het beeld in 2020, waarna het weer verbeterd in 2021. In 2022 worden de verschillen echter weer hoger. Ook blijkt dat Vlissingen in 2022 € 63 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds uitgeeft dan de selectiegemeenten (c). Dat is een forse stijging ten opzichte van 2021. Vlissingen geeft als verklaring aan dat bij dit cluster de volgende zaken spelen: 1. Binnen het taakveld 6.71 (Wmo-dienstverlening) stijgen zowel de kosten voor Wmo begeleiding als huishoudelijke hulp.
De toenames wordt veroorzaakt door een aantal ontwikkelingen zoals vergrijzing, overbelasting van mantelzorgers en de laagdrempeligheid voor huishoudelijke hulp vanwege het lage abonnementstarief. Anderzijds stromen er weinig cliënten uit doordat de toegang tot de Wet Langdurige Zorg (WLZ) strenger geworden is. 2. Tot de start van de COVID-19 pandemie in maart 2020 was een stijging van de kosten in het Wmo-vervoer waarneembaar. Het aantal ritten is tijdens de COVID-19 periode echter fors afgenomen. Wel zijn de vervoerders gecompenseerd voor niet-gereden ritten in zowel 2020 als 2021, echter betrof deze compensatie niet 100% van de reguliere ritprijzen. Er was in 2020, 2021 en 2022 dus sprake van lagere kosten dan in 2019. Het aantal ritten, aantal kilometers en aantal unieke personen die gebruik maken van het Wmo-vervoer is ook in 2022 niet terug op het niveau van voor COVID-19 gekomen. 3. Vanaf juli 2022 wordt wel met een lumpsumbudget gewerkt voor de Wmovoorzieningen. Zie hiervoor hoofdstuk 4 van dit inspectierapport.
2.4
Conclusie In dit hoofdstuk is inzichtelijk gemaakt welke afwijkingen er zijn tussen enerzijds de nettolasten van Vlissingen en anderzijds het niveau van het gemeentefonds en het niveau van een aantal groepen gemeenten bij de uitgavenclusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning en bijbehorende taakvelden. Dit is normaliter van belang om te bepalen of er terreinen zijn waar een vervolgonderzoek moet plaatsvinden om te bezien of bezuinigingen mogelijk zijn. In dit vanaf 2019 verlengde artikel 12-onderzoek zijn het sociaal domein en werk & inkomen echter in zijn geheel onderwerp van onderzoek, ook op de clusters (taakvelden) waar Vlissingen lagere nettolasten heeft dan de ijkpunten van het gemeentefonds en/of andere groepen van gemeenten. De analyse is dan ook vooral van belang om te volgen of de in dit inspectierapport beschreven onderzoeken en maatregelen uiteindelijk leiden tot lagere afwijkingen. Bij het cluster Inkomen en participatie wordt voorzichtig geconcludeerd dat de eerste effecten van de door Vlissingen genomen maatregelen zichtbaar zijn via de dalende verschillen met het gemeentefonds, alhoewel dit ook gedeeltelijk wordt veroorzaakt door een stijging van het ijkpunt. Echter ten opzichte van het gemeentefonds en de meeste groepen gemeenten geeft Vlissingen nog steeds fors meer uit per inwoner.
Er dient dan ook nog meer te worden toegegroeid naar het niveau van het gemeentefonds en andere groepen gemeenten, om het tekort sociaal domein en werk & inkomen verder te laten
33
dalen. In paragraaf 4.4 wordt ingegaan op de maatregelen die Vlissingen moet nemen om dit te bewerkstelligen. Daarnaast is er bij dit cluster het risico dat de komende jaren de verschillen weer gaan stijgen vanwege de geconstateerde onvoldoende voortgang van de herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis (zie hiervoor paragraaf 4.7). Bij het cluster Samenkracht en burgerparticipatie zijn er nog niet of nauwelijks verbeteringen zichtbaar waarbij meer wordt toegegroeid naar het niveau het gemeentefonds en andere groepen gemeenten. Sterker nog de verschillen stijgen in 2022 verder. Wel is het zo dat door een aantal genomen maatregelen, zoals de inrichting van buurtteams, de lasten op dit cluster stijgen terwijl de effecten daarvan in de vorm van een daling van de lasten voornamelijk zichtbaar zijn op andere clusters. Dat neemt echter niet weg dat ook op dit cluster de lasten meer dienen toe te groeien naar het niveau van de baten. In paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op de maatregelen die Vlissingen moet nemen om de lasten te laten dalen. Er is nog steeds een stijging van de nettolasten op het cluster Jeugd. In 2022 wordt die echter met name veroorzaakt door het woonplaatsbeginsel. Hier staat ook extra geld uit het gemeentefonds tegenover.
Weliswaar is het verschil met het gemeentefonds gedaald, maar dat heeft grotendeels te maken met extra incidenteel geld in het gemeentefonds op dit cluster op grond van Hervormingsagenda Jeugd 2022-2028. Dit extra geld zal de komende jaren afnemen omdat van de gemeenten verwacht wordt dat ze maatregelen treffen om de lasten te verminderen bij de jeugdzorg. Ook bij de jeugdzorg dienen dan ook de lasten meer toe te groeien naar de toekomstige baten. In paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op de maatregelen die Vlissingen moet nemen om de lasten te laten dalen. Ook bij dit cluster is er een risico dat de komende jaren de verschillen met het gemeentefonds en andere groepen gemeenten weer gaan oplopen door onvoldoende voortgang van maatregelen jeugdzorg, die op het ogenblik volledig ’gevangen’ zijn in de regionale samenwerking van de 13 gemeenten in Zeeland op dit vlak (zie ook paragraaf 4.7). Bij het cluster Maatschappelijke ondersteuning geeft Vlissingen al jaren minder uit dan het ijkpunt van het gemeentefonds. Dit heeft met name te maken met de maatregelen die Vlissingen heeft genomen op het vlak van de inkoop beschermd wonen (zie ook paragraaf 3.3 en 4.4). Dit verschil loopt wel terug. Exclusief de centrumgemeentemiddelen geeft Vlissingen ten opzichte van de groepen gemeenten echter meer uit op het cluster Maatschappelijke ondersteuning.
Dit verschil loopt bovendien weer op in 2022. De situatie op dit cluster exclusief de centrumgemeentemiddelen verslechterd dan ook in 2022. Ook op dit cluster moeten maatregelen worden genomen om de nettolasten te verminderen. In paragraaf 4.4 van het voorliggende inspectierapport 2021-2022 wordt ingegaan op de stand van zaken hiervan.
34
3
Reserves
3.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de stand en het verloop van de algemene reserve en de bestemmingsreserve Centrumtaken. De overige reserves en de voorzieningen vallen niet onder de scope van het artikel 12-onderzoek over de periode 2019-2022, dat zich concentreert op het sociaal domein en werk & inkomen. In het verbrede artikel 12onderzoek per 2023 zullen ook de overige reserves en de voorzieningen weer onderwerp van onderzoek zijn (zie ook paragraaf 1.1). Paragraaf 3.2 gaat in op de algemene reserve en paragraaf 3.3 op de reserve Centrumtaken. De conclusies staan in paragraaf 3.4.
3.2
Algemene reserve In tabel 3.1 staat een overzicht van het verloop van de algemene reserve voor de periode 2017 t/m 2022. De jaren 2017 t/m 2021 zijn op basis van de jaarrekening. Het jaar 2022 is op basis van de stand Tweede bestuursrapportage 2022. De algemene reserve is daarbij gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de grondexploitatie, een deel dat betrekking heeft op het sociaal domein en werk & inkomen en een deel dat betrekking heeft op de ‘normale’ exploitatie (het restant). Tabel 3.1
Verloop algemene reserve (bedragen x € 1.000)
Jaar
2017
2018
2019
2020
2021
2022
AR 'normale' exploitatie
15.803
21.400
29.422
45.220
45.830
49.628
AR grondexploitatie
-173.424
-166.467
-140.934
-122.013
-104.507
-95.790
Te saneren AR a.g.v. grondexploitatie
-157.621
-145.067
-111.512
-76.793
-58.677
-46.162
AR sociaal domein en werk & inkomen
0
0
0
-17.675
-11.476
-4.987
Te saneren AR a.g.v. SD en W&I
0
0
0
-17.675
-11.476
-4.987
-157.621
-145.067
-111.512
-94.468
-70.153
-51.149
Totaal algemene reserve 2017 t/m 2021 o.b.v. jaarrekening 2022: stand Tweede bestuursrapportage 2022
Het te saneren deel van de algemene reserve als gevolg van de tekorten bij de grondexploitatie is het saldo van de algemene reserve ‘normale’ exploitatie en de algemene reserve grondexploitatie7. Dit deel van de algemene reserve wordt gesaneerd via de uitgangspunten en bedragen zoals opgenomen in het inspectierapport 2017-2018 en het besluit van de beheerders van het gemeentefonds van 19 december 2019. In het actualisatieonderzoek en verbrede onderzoek in 2023 wordt onderzocht of de inschattingen die zijn gedaan en de adviezen die zijn gegeven in het inspectierapport 2017-2018 realistisch zijn gebleken en er aanleiding is voor aanpassing van de artikel 12-uitkering en de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve grondexploitatie op basis van het inspectierapport 2017-2018 en het besluit van de fondsbeheerders (zie ook paragraaf 1.1). Indien het jaarrekeningsaldo hoger is dan de voorgeschreven passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering dan komt dit verschil ook ten goede aan dit deel van de algemene reserve. In tegenstelling tot bij de bepaling van de aanvullende uitkering in het inspectierapport 2017-2018 is hier niet gecorrigeerd voor het niet meenemen opbrengsten na 10-jaars termijn. 7
35
De negatieve algemene reserve als gevolg van het tekort sociaal domein en werk & inkomen wordt gesaneerd via de besluiten van de beheerders van het gemeentefonds van 4 februari 2021 (bijlage 1.2 inspectierapport 2020) en van 10 februari 2022 (bijlage 1.3 voorliggende inspectierapport), via de in dit inspectierapport voorgestelde aanvullende uitkeringen over 2021 en 2022 en via de resultaatbestemmingen 2021 en 2022. De sanering van de negatieve algemene reserve wordt weergegeven in onderstaande tabel 3.2. 2021 is op basis van de Jaarrekening 2021 en 2022 is op basis van de stand Tweede bestuursrapportage 2022. Tabel 3.2
Sanering algemene reserve (bedragen x € 1.000) Sanering algemene reserve
Grondexploitatie
Te saneren algemene reserve 2021 (zie tabel 3.1)*
'Normale' exploitatie
Sociaal domein en werk & inkomen
Totaal
-104.507
45.830
-11.476
-70.153
1.953
1.845
6.474
10.272
Inzet bestemmingsreserve Centrumtaken
2.000
2.000
Voorgestelde aanvullende uitkering 2021 inspectierapport 2021-2022
3.002
3.002
Resultaatbestemming 2021
Stand algemene reserve na sanering 2021 Te saneren algemene reserve 2022 (zie tabel 3.1)**
-102.554
47.675
0
-54.879
-95.790
49.628
-4.987
-51.149
3.000
3.000
Inzet bestemmingsreserve Centrumtaken Voorgestelde aanvullende uitkering 2022 inspectierapport 2021-2022 Stand algemene reserve na sanering 2022
-95.790
49.628
1.987
1.987
0
-46.162
* Aanvullende uitkering beschikking fondsbeheerders 19-12-2019 m.b.t. 2021 van € 7 miljoen en passende bijdrage Vlissingen 2021 van € 1,690 miljoen opgenomen in de Primaire begroting 2021 * Aanvullende uitkering beschikking fondsbeheerders 10-02-2022 m.b.t. 2020 van € 5,265 miljoen opgenomen in de Tweede Berap 2021 o.b.v. inspectierapport 2020 ** Aanvullende uitkering beschikking fondsbeheerders 19-12-2019 m.b.t. 2022 van € 7 miljoen en passende bijdrage Vlissingen 2022 van € 1,717 miljoen opgenomen in de Primaire begroting 2022 2021: o.b.v. Jaarrekening 2021 2022: stand Tweede bestuursrapportage 2022
3.3
Reserve Centrumtaken Verloop reserve Centrumtaken Vlissingen is centrumgemeente voor Zeeland voor de taken beschermd wonen (BW), maatschappelijke opvang (MO) en vrouwenopvang (VO). Via het gemeentefonds ontvangt Vlissingen dan ook de gelden voor de uitvoering van deze taken. Eventuele overschoten hierbij worden toegevoegd aan de bestemmingsreserve Centrumtaken. In tabel 3.3 staat een overzicht van het verloop van de bestemmingsreserve Centrumtaken voor de periode 2017-2022. 2021 is op basis van de Jaarrekening 2021 en 2022 is op basis van stand Tweede bestuursrapportage 2022.
36
Tabel 3.3
Verloop bestemmingsreserve Centrumtaken (bedragen x € 1.000)
Omschrijving (bedragen x 1000) Stand per 1 januari
2017
2018
2019
2020
2021
0
3.376
2.903
4.502
7.298 22.003
2022
Totaal
1 Overschot op basis van Jaarrekening 2016 (via resultaatbestemming)
2.379
2 Beschermd wonen Zeeuwse gronden
-311
-311
3 Overschot op basis van Jaarrekening 2017
1.308
1.308
4 Tekort op basis van Jaarrekening 2018
2.379
-473
5 Overschot op basis van Jaarrekening 2019
-473 1.599
6 Overschot op basis van Jaarrekening 2020
1.599 2.796
7 Overschot op basis van Jaarrekening 2021
2.796 14.705
14.705
8 Niet bestede middelen beschermd wonen
9.026
Totaal mutatie
3.376
-473
1.599
2.796 14.705
Stand per 31 december
3.376
2.903
4.502
7.298 22.003 31.029
9.026 31.029
2021: o.b.v. Jaarrekening 2021 2022: stand Tweede bestuursrapportage 2022
Toelichting bij de tabel: 1-6) Diverse posten Deze posten zijn toegelicht in de inspectierapporten 2019 (paragraaf 3.4) en 2020 (paragraaf 3.3). 7) Overschot/tekort op basis van jaarrekening 2021 Het overschot op basis van Jaarrekening 2021 betreft de volgende posten: • Niet bestede middelen beschermd wonen 2021 (zie onderstaand): € 12.488.000 • Niet bestede incidentele middelen Dak en thuisloosheid: € 2.515.000 • Restant budget dak- en thuisloosheid: € 121.000 • Meer bestede middelen vrouwenopvang 2021: € -50.000 • Extra bedrag MO/VO: € -369.000 8) Niet bestede middelen beschermd wonen Omdat de financiële grenzen ten aanzien van de betaalbaarheid van beschermd wonen in Zeeland waren bereikt, zijn er vanaf 2020 een aantal maatregelen genomen die een rem zetten op de ongebreidelde uitbreiding van beschermd wonen. Deze maatregelen zijn beschreven in het inspectierapport 2020 (paragraaf 3.3). Door deze maatregelen is er een overschot ontstaan bij beschermd wonen die in de reserve Centrumtaken wordt gestort. In onderstaande tabel 3.4 staat een overzicht van de baten en lasten ten aanzien van beschermd wonen. Uit de tabel blijkt dat er in 2021 (o.b.v. Jaarrekening 2021) een overschot beschermd wonen van € 12,488 miljoen is. In 2022 (stand Tweede bestuursrapportage 2022) is er een overschot van € 9,026 miljoen.
Aangetekend hierbij dient te worden dat dit beleidsterrein erg in ontwikkeling is (gedeeltelijke overgang naar de Wet langdurige zorg, doordecentralisatie, ontwikkeling objectieve verdeelmodellen en transitie Dannenberg), waarbij nu nog geen rekening kon worden gehouden met alle financiële consequenties daarvan in de tabel.
37
9.026
Tabel 3.4
Beschermd wonen (bedragen x € 1.000)
Omschrijving (bedragen x 1.000)
2021
2022
Rijksbijdrage be sche rmd w one n*
34.115
34.614
Koste n W LZ ove rgangsclie nte n
-1.229
PGB
-400
-400
Eige n bijdrage
700
700
Hoge re e ige n bijdrage 2021
206
Corre ctie e ige n bijdrage 2020
-296
Budge tplafond
-17.000
Ophoging budge tplafond
-19.500
-500
Compe nsatie fonds
-900
Transformatie fonds
-2.009
-2.000
Budge tove rhe ve ling transformatie midde le n 2021-2022
1.000
-1.000
Transformatie midde le n 2020
1.000
Koste n be drijfsvoe ring
-598
-582
Dive rse koste n
-35
-35
Be richte nve rke e r be sche rmd w one n
-50
-50
-100
-100
Onafhanke lijke de skundige be sche rmd w one n Inhuur Significant
-45
Programmabe groting CZW -bure au (te kort MO e n VO)
-316
Te kort de kking inde xatie tarie ve n MO/VO 2022
-1.080 -262
Contractbe he e r be sche rmd w one n januari-me i 2021
-38
Tijde lijk ve rblijf clie nt BW W e st-Brabant
-22
Onde rzoe k uitvoe ring ce ntrumtake n
-25
W alk-Inn e n doorstroomhuis
-212
Tijde lijk ve rblijf clië nt BW Bre da
-36
Accountantsonde rzoe k be sche rmd w one n
-14
Be le idsontw ikke ling be sche rmd w one n (Nautus)
-81
Re gio-ove rstijge nde casuïstie k
-500
Clië ntparticipatie be sche rmd w one n
-10
Subsidie sociale pe nsions 2021
-60
Inhuur Nautus BW e n MO
-32
Programmacoördinator MO
-50
Inhuur going conce rn ce ntrumtake n Toe gang tot BW e n inte nsie ve be ge le iding thuis
-35
-90
-204
-204
Ele os me e rkoste nre ge ling 2020 be sche rmd w one n
-16
Be sche rmd w one n nabe taling Juve nt
-94
Re giovisie be sche rmd w one n – maatschappe lijke opvang
-12
Afre ke ning Be sche rmd w one n 2020 Zorgsaam
93
Contractbe he e r be sche rmd w one n juni-de ce mbe r 2021
-61
Contractbe he e r e n aanbe ste ding be sche rmd w one n 2022
-151
Inhuur aanbe ste ding be sche rmd w one n
-10
Hoge re compe nsatie BW 2021
-314
Onde rzoe k inrichting gove rnance e n inkoop
-11
Clië nt- e n naaste npe rspe ctie f 2022
-14
Programmacoördinator MO
-25
Evaluatie toe gang be sche rmd w one n
-13
Onde rzoe k ide aal zorglandschap be sche rmd w one n
-65
W UP-portaal
-6
Be richte nve rke e r be sche rmd w one n
-250
Programmacoördinator be sche rmd w one n
-36
Me e r PGB-be ste dinge n be sche rmd w one n
-86
Corre ctie JR 2021 nie t be ste de midde le n be sche rmd w one n 2020
704
Contractbe he e r BW okt-de c 2022
-38
BW iEb 2.0 bij CAK Uitvoe ringskoste n W lz
-79
Nabe taling BW 2021
-237
Overschot
12.488
* 2021 o.b.v decembercirculaire 2021, 2022 o.b.v. septembercirculaire 2022 2021: o.b.v. Jaarrekening 2021 2022: stand Tweede bestuursrapportage 2022
38
9.026
Inzet reserve Centrumtaken De inspecteur is van mening dat met ingang van 2020 voor de centrumgemeentemiddelen beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO) uit het gemeentefonds geldt dat deze door Vlissingen kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken. De redenen zijn: 1. In de Financiële verhoudingswet wordt bepaald dat de middelen uit het gemeentefonds vrij besteedbaar zijn voor de gemeente. Dit geldt ook voor de middelen beschermd wonen (BW), vrouwenpopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO). Formeel zijn de middelen MO, VO en BW dan ook van de centrumgemeente. De overschotten bij BW, MO en VO kunnen dan ook aan andere onderdelen van het sociaal domein worden uitgegeven door Vlissingen. 2. Op dit moment zijn er met de Zeeuwse gemeenten geen afspraken gemaakt over risicoverevening. Vlissingen heeft aangegeven dat het onduidelijk is waarom deze afspraken niet zijn gemaakt. Het is dan ook niet te achterhalen of dat bewust niet is gebeurd of dat daar niet over is nagedacht. Dit betekent echter wel dat in geval van budgetoverschrijding op dat moment zal moeten blijken of de Zeeuwse gemeenten bereid zijn een deel van de last te dragen. Dat betekent naar het oordeel van de inspecteur dat de risico’s bij een overschrijding in de regio momenteel geheel bij Vlissingen liggen als centrumgemeente.
Dat betekent echter ook dat overschotten ten goede kunnen komen aan Vlissingen. In de deelovereenkomst beschermd wonen voor de Zeeuwse regio wordt bepaald dat voor de vaststelling van de bekostiging in 2018 en 2019 als budgetplatfond geldt het totaal van de uitkering die hiervoor jaarlijks door het Rijk aan de gemeente Vlissingen beschikbaar wordt gesteld (macro budgettair kader). Dat betekent naar het oordeel van de inspecteur dat in 2019 nog niet gebruik kon worden gemaakt van de reserve Centrumtaken voor het opvangen van de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen als geheel. Voor 2020 en verder geldt deze overeenkomst echter niet meer. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag dat uit de reserve Centrumtaken kan worden gebruikt voor de sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen is het volgende meegewogen: 1. Het spanningsveld tussen het juridisch eigendom van de bestemmingsreserve en de regio. De andere 12 Zeeuwse gemeenten zien de reserve Centrumtaken als gemeenschappelijk eigendom. Indien de gemeente Vlissingen eenzijdig besluit het geld in te zetten ten behoeve van haar eigen tekorten, dan kan dat de samenwerking met de overige gemeenten een forse knauw geven. Gezien de grote hoeveelheid samenwerkingsverbanden in het Zeeuwse zou dat tot ongewenste spanningen kunnen leiden.