CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 Vlissingen inspectierapport 2021-2022 met handtekening met omslag

Commissie Ruimte 20 april 2023, gemeente VlissingenBij agendapunt: Bestuurlijke reactie op het Inspectierapport 2021-2022 artikel 1253.441 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Dat neemt echter niet weg dat gezien de omvang van de reserve aan de ene kant en de omvang van de tekorten in Vlissingen aan de andere kant naar het oordeel van de inspecteur de regiogemeenten als blijk van solidariteit zouden kunnen instemmen met een tijdelijke inzet van een deel van de reserve voor de tekorten in Vlissingen. Daarnaast dient hierbij ook het belang van de collectiviteit der gemeenten via de aanvullende uitkering te worden meegewogen. 2. Het spanningsveld tussen de inzetbare bestemmingsreserve en onzekerheden en financiële risico’s ten aanzien van (de toekomstige kosten van) het overheidsbeleid. Het gaat dan om de volgende risico’s: a. De overgang van BW naar de Wlz. Dat betekent dat de komende jaren geleidelijk een groot aantal cliënten beschermd wonen overgaat naar de Wet langdurige zorg (Wlz). Landelijk gaat men uit van 1/3 deel van de cliënten. In Zeeland wordt uitgegaan van ‘ruim de helft’: ± 55%. Het risico bestaat dat de berekening van de uitname uit de integratie-uitkering Beschermd wonen ongunstig uitpakt voor Zeeland. b. De doordecentralisatie beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Dat betekent dat de individuele gemeenten (ook) in financieel opzicht zelf verantwoordelijk worden en er niet meer gewerkt wordt met centrumgemeente. Er wordt daarbij overgegaan naar een nieuw objectief verdeelmodel.

Daarnaast is er een ingroeipad waarin de regiogemeenten stapsgewijs meer verantwoordelijkheid

39

c.

krijgen. Het begint met het onderscheid dat de nieuwe cliënten onder verantwoordelijkheid van de regiogemeenten gaan vallen en de bestaande cliënten blijven onder verantwoordelijkheid van de centrumgemeente. Het is nog onbekend hoe dit precies uitpakt voor Zeeland als regio en Vlissingen in het bijzonder. Overigens is door VWS de financiële doordecentralisatie beschermd wonen uitgesteld. De reden is dat een aantal aandachtspunten op het vlak van uitvoeringskracht gemeenten, beschikbare woningaanbod, financiële risico’s en administratieve laten verder uitgewerkt moeten worden (zie ook paragraaf 4.4 en bijlage 4.3, opdracht 5.1). De transitie Dannenberg.

De omvang van deze risico’s is nu nog niet met zekerheid vast te stellen, echter naar het oordeel van de inspecteur is de omvang van de reserve dusdanig dat een deel besteed kan worden voor de huidige tekorten en er dan nog voldoende resteert. Of er daadwerkelijk een bedrag uit de reserve Centrumtaken gebruikt wordt voor de tekorten sociaal domein en werk & inkomen en zo ja welk bedrag, zal per jaar echter ook afhangen van de realisatie van de bezuinigingen en de ontwikkeling van het tekort. Met betrekking tot de Regiovisie beschermd wonen en maatschappelijke opvang Zeeland (zie ook paragraaf 4.4 en opdracht 5.1, bijlage 4.3) geldt dat de tot het definitief inwerkingtreden van deze regiovisie opgebouwde reserve Centrumtaken buiten de afspraken blijft. De artikel 12-inspecteur stelt zich op het standpunt dat Vlissingen (vooralsnog) de volledige zeggenschap houdt over de huidige reserve centrumtaken en eventuele stijging van deze reserve tot de start van de doordecentralisatie (regiovisie). Dit in verband met de onzekerheden en risico’s die samenhangen met de financiële doordecentralisatie beschermd wonen in combinatie met de nieuwe governance.

Ten aanzien van de nieuwe reserve die de 13 gemeenten gezamenlijk opbouwen vanaf de start van de financiële doordecentralisatie BW en de inwerkingtreding van de regiovisie stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de 13 Zeeuwse gemeenten gezamenlijk bepalen hoe deze gelden ingezet worden. Voorwaarde daarbij is wel dat er vooraf goede afspraken zijn gemaakt over de inzet van deze gelden en de Zeeuwse solidariteit (opvang van risico’s). Gezien de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen (zie hoofdstuk 5) en de omvang van deze reserve wordt geadviseerd om van deze reserve voor 2021 € 2 miljoen en voor 2022 € 3 miljoen in te zetten voor de sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Voor 2023 en verder zal deze afweging opnieuw dienen te worden gemaakt.

3.4

Conclusie De sanering van de negatieve algemene reserve wordt weergegeven in tabel 3.2 in paragraaf 3.2. Hierbij geldt: 1. Het te saneren deel van de algemene reserve als gevolg van de tekorten bij de grondexploitatie is het saldo van de algemene reserve ‘normale’ exploitatie en de algemene reserve grondexploitatie. Dit deel van de algemene reserve wordt gesaneerd via de uitgangspunten en bedragen zoals opgenomen in het inspectierapport 20172018 en het besluit van de beheerders van het gemeentefonds van 19 december 2019. In het actualisatieonderzoek en verbrede onderzoek in 2023 wordt onderzocht of de inschattingen die zijn gedaan en de adviezen die zijn gegeven in het inspectierapport 2017-2018 realistisch zijn gebleken en er aanleiding is voor aanpassing van de artikel 12-uitkering en de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve grondexploitatie op basis van het inspectierapport 2017-2018 en het besluit van de fondsbeheerders. Indien het jaarrekeningsaldo hoger is dan de

40

voorgeschreven passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering dan komt dit verschil ook ten goede aan dit deel van de algemene reserve. 2. De negatieve algemene reserve als gevolg van het tekort sociaal domein en werk & inkomen wordt gesaneerd via de besluiten van de beheerders van het gemeentefonds van 4 februari 2021 (bijlage 1.2 inspectierapport 2020) en van 10 februari 2022 (bijlage 1.3 voorliggende inspectierapport), via de in dit inspectierapport voorgestelde aanvullende uitkeringen over 2021 en 2022 en via de resultaatbestemmingen 2021 en 2022. Met betrekking tot de bestemmingsreserve Centrumtaken is de inspecteur van mening dat met ingang van 2020 voor de centrumgemeentemiddelen beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO) uit het gemeentefonds geldt dat deze door Vlissingen kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken. De redenen zijn: 1. In de Financiële verhoudingswet wordt bepaald dat de middelen uit het gemeentefonds vrij besteedbaar zijn voor de gemeente. Dit geldt ook voor de middelen beschermd wonen (BW), vrouwenpopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO). Formeel zijn de middelen MO, VO en BW dan ook van de centrumgemeente. De overschotten bij BW, MO en VO kunnen dan ook aan andere onderdelen van het sociaal domein worden uitgegeven door Vlissingen. 2.

Op dit moment zijn er met de Zeeuwse gemeenten geen afspraken gemaakt over risicoverevening. Vlissingen heeft aangegeven dat het onduidelijk is waarom deze afspraken niet zijn gemaakt. Het is dan ook niet te achterhalen of dat bewust niet is gebeurd of dat daar niet over is nagedacht. Dit betekent echter wel dat in geval van budgetoverschrijding op dat moment zal moeten blijken of de Zeeuwse gemeenten bereid zijn een deel van de last te dragen. Dat betekent naar het oordeel van de inspecteur dat de risico’s bij een overschrijding in de regio momenteel geheel bij Vlissingen liggen als centrumgemeente. Dat betekent echter ook dat overschotten ten goede kunnen komen aan Vlissingen. Of er daadwerkelijk een bedrag uit de reserve Centrumtaken gebruikt wordt voor de tekorten sociaal domein en werk & inkomen en zo ja welk bedrag, zal per jaar afhangen van de realisatie van de bezuinigingen en de ontwikkeling van het tekort op dit vlak en eventuele benodigde inzet van deze reserve voor onzekerheden en risico’s de komende jaren, zoals de doordecentralisatie beschermd wonen, transitie Dannenberg en de gedeeltelijke overgang beschermd wonen naar de Wet langdurige zorg.

Gezien de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen (zie hoofdstuk 5) en de omvang van deze reserve wordt geadviseerd om van deze reserve voor 2021 € 2 miljoen en voor 2022 € 3 miljoen in te zetten voor de sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Voor 2023 en verder zal deze afweging opnieuw dienen te worden gemaakt.

41

4

Onderzoek en maatregelen

4.1

Inleiding In het kader van het artikel 12-onderzoek over de periode 2019-2022 dient Vlissingen onderzoek uit te voeren en maatregelen te nemen op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Het belangrijkste doel hiervan is betere grip op de kostenontwikkeling en reduceren van de tekorten. Dit hoofdstuk wordt ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot de onderzoeken en de maatregelen op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. In paragraaf 4.2 worden de uitgangspunten van het artikel 12-onderzoek weergegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 ingegaan op het Plan van aanpak en in paragraaf 4.4 op de maatregelen voor het saneren van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. De daaraan gekoppelde taakstellingen en de tot nu toe gerealiseerde bezuinigingen zijn opgenomen in paragraaf 4.5. In paragraaf 4.6 wordt ingegaan op de landelijke ontwikkelingen en exogene factoren op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Paragraaf 4.7 staat vervolgens stil bij mogelijke risico’s voor het (tijdig) realiseren van de taakstelling. De conclusies volgen in paragraaf 4.8.

4.2

Uitgangspunten artikel 12-onderzoek In het artikel 12-onderzoek over de periode 2019 tot en met 2022 wordt alleen onderzoek gedaan naar het sociaal domein en werk & inkomen. In de inspectierapporten 2019 en 2020 is in paragraaf 4.2 ingegaan op de uitgangspunten hierbij. Voor de volledigheid en zelfstandige leesbaarheid worden deze uitgangspunten hieronder nogmaals vermeld. Uitgangspunt 4 is daarbij ter verduidelijking aangevuld. Daarnaast is uitgangspunt 10 toegevoegd. 1. Het belangrijkste doel binnen artikel 12 is betere grip op de kostenontwikkeling en reduceren van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen zodat Vlissingen meer toegroeit naar het niveau van de ontvangsten op dit vlak en weer op eigen benen kan staan. 2. Het sociaal domein en werk & inkomen zijn in zijn geheel onderwerp van onderzoek. De reden hiervoor is dat de middelen die de gemeente krijgt uit het gemeentefonds (dus ook voor het sociaal domein en werk & inkomen) ontschot en vrij besteedbaar zijn. Dat betekent dus dat ondanks dat deze middelen gelabeld zijn, de gemeente binnen de kaders van de wet zelf mag beslissen hoe ze deze middelen wil gebruiken. Met deze vrijheid is het mogelijk om één budget voor het sociaal domein te maken en financiële schotten weg te halen. Daarmee is het mogelijk integraal te werken en beleid en uitvoering te ontschotten.

Dat betekent dat de gemeentefondsclusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning in zijn geheel worden onderzocht. 3. Ook voor de centrumgemeentemiddelen beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO) uit het gemeentefonds geldt dat deze vrij besteedbaar zijn en dus kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken. 4. Als er meer geld komt vanuit het Rijk (gemeentefonds) voor sociaal domein en werk & inkomen dan dient dit gebruikt te worden voor opvangen van bestaande tekorten. Vlissingen dient via O&O (Onvermijdelijk en Onuitstelbaar) te onderbouwen als een deel betrekking heeft op loon-, prijs- of volumeontwikkelingen of gebruikt dient te worden voor nieuwe taken of intensiveringen van bestaande taken. Het per definitie een op een vertalen in ook hogere lasten of doorzetten naar samenwerkingsverbanden (gemeenschappelijke regelingen) is niet meer passend in de huidige situatie van Vlissingen en niet mogelijk binnen artikel 12. Daarnaast zijn extra Rijksmiddelen geen

42

(gedeeltelijke) realisatie van structurele taakstellingen. Extra Rijksmiddelen dienen rechtstreeks ten gunste te worden gebracht van het tekort sociaal domein en werk & inkomen. Op basis van de ontwikkeling van dit tekort zal bezien worden hoeveel taakstelling nodig is zodat Vlissingen weer op eigen benen kan staan. Indien Vlissingen extra Rijksmiddelen toch incidenteel wil inzetten voor de realisatie van de taakstelling in een bepaald jaar dan dient hier expliciet via O&O toestemming voor te worden gevraagd aan de inspecteur. 5. Alle intensiveringen, lastenstijgingen en nieuw beleid op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen (zoals opgenomen in begrotingen, jaarrekeningen, bestuursrapportages, begrotingswijzigingen en kadernota’s) moeten via O&O (Onvermijdelijk en Onuitstelbaar) beoordeeld worden. Vlissingen dient deze posten te onderbouwen, waarna deze door de provincie en de inspecteur beoordeeld en eventueel geaccordeerd worden. Uitgangspunt hierbij is dat de Rijksmiddelen toereikend moeten zijn voor de uitvoering van deze taken. Daarbij geldt dat zolang er (nog) geen O&O-akkoord ligt er ook daadwerkelijk geen uitgaven mogen worden gedaan op deze vlakken. 6. Naast de onderzoeken en maatregelen van Vlissingen zelf worden er ook landelijk een aantal onderzoeken en evaluaties uitgevoerd op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen.

De uitkomsten hiervan kunnen vanzelfsprekend van invloed zijn op Vlissingen en dienen dan ook te worden meegenomen in dit artikel 12-onderzoek. Van belang hierbij is ook te bezien in hoeverre bepaalde landelijke wet- en regelgeving en jurisprudentie effect hebben op de mate van invloed (grip) van Vlissingen op de beheersing van de lasten en de sturingsmogelijkheden van de gemeente zelf. Van belang is dus dat dit artikel 12-onderzoek inzicht geeft in wat aan de ene kant specifiek lokale vraagstukken zijn die Vlissingen al dan niet binnen de samenwerkingsverbanden moet oplossen en aan de andere kant wat landelijke problematiek is dat alleen landelijk kan worden opgelost. 7. Zoals aangegeven is het sociaal domein en werk & inkomen in zijn geheel onderwerp van onderzoek. Dat betekent ook dat de uit te voeren taken binnen dit beleidsterrein zo breed als mogelijk worden onderzocht en dat daarbij ook ingegaan moet worden op: a) Inkoop (inclusief bekostigingssystematiek, opdrachtgeverschap en aanbesteding). b) Toegang. c) Beleid, visie, ambitie en doelstellingen van de gemeente. d) Governance en aansturing en bijsturing door de gemeente (inclusief bij de samenwerkingsverbanden). e) Gebruik data, aanwezige kennis en inzicht m.b.t. sociaal domein. f) Uitvoering. g) Uitstroom. 8.

Aangezien het uitgangspunt is dat Vlissingen, behoudens het sociaal domein en werk & inkomen, weer financieel op eigen benen staat en eigen risicodrager is, wordt de ontwikkeling van het totale begrotingssaldo inclusief de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve ‘slechts’ op hoofdlijnen gevolgd. Dit met name omdat het van belang is om te bezien in hoeverre Vlissingen zelf kan bijdragen aan de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Er wordt hier echter geen onderzoek meer naar uitgevoerd. De afgelopen periode 2015-2018 is hier immers reeds uitgebreid naar gekeken. Vanaf begrotingsjaar 2023 wordt het artikel 12-onderzoek weer verbreed naar alle clusters van het gemeentefonds (zie ook paragraaf 1.1). 9. Vlissingen maakt op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen deel uit van een aantal samenwerkingsverbanden. Bij jeugd (provinciaal inkoopbureau), bij Wmo (bijvoorbeeld uitbesteding via het CZW-bureau en deelname GR GGD) en bij werk (deelname GR Orionis), is sprake van verplichtingen die voortvloeien uit (juridisch vastgelegde) afspraken en die een claim leggen op (een deel van) de middelen. Dit

43

betekent echter niet dat er hierdoor geen veranderingen te realiseren zijn. Ook hierbij dient te worden bezien of het op het vlak van organisatie, aansturing en kosten anders kan en of de afspraken die zijn gemaakt binnen de bestaande samenwerkingsverbanden aangepast kunnen worden. Vlissingen is hiervoor zelf aan zet. 10. De hoogte van de taakstelling is niet alleen afhankelijk van de cijfermatige ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & Inkomen. De hoogte van de taakstelling is gebaseerd op wat naar het oordeel van de inspecteur mogelijk is via de in paragraaf 4.4 beschreven maatregelen op basis van door Vlissingen aangeleverde informatie en cijfers. Het kan zijn dat daardoor op enig moment de resterende taakstelling hoger is dan nodig voor de sanering van het dan berekende resterende tekort sociaal domein en werk & Inkomen. Gezien de vele onzekerheden de komende jaren en risico’s die de hoogte en ook de tijdigheid van de realisatie van een deel van de taakstelling kunnen beïnvloeden, zoals beschreven in paragraaf 4.7, zal de taakstelling gebaseerd blijven op wat mogelijk is en vooralsnog niet gelijk naar beneden worden bijgesteld als het resterende tekort lager is dan de resterende taakstelling.

4.3

Plan van aanpak In het Plan van aanpak artikel 12 sociaal domein en werk & inkomen (verder PvA) worden de maatregelen van de gemeente Vlissingen om de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen te saneren beschreven. Het PvA geeft een overzicht en de stand van zaken van de aanpak van de problematiek en de aanpak van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Dit gebeurt aan de hand van concrete opdrachten van de artikel 12-inspecteur aan de gemeente Vlissingen. Het doel is dat de opdrachten leiden tot concrete maatregelen en bezuinigingen. De opdrachten zijn breed en behelzen het gehele sociaal domein en werk & inkomen. De opdrachten worden onderstaand kort beschreven. Opdracht 1: Onderbouwing via Onvermijdelijk en Onuitstelbaar (O&O) van alle intensiveringen vanaf 2019 op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen Alle intensiveringen, lastenstijgingen en nieuw beleid (ten opzichte van het niveau 2018) op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen (zoals opgenomen in begrotingen, bestuursrapportages, begrotingswijzigingen en kadernota’s) moeten via O&O (Onvermijdelijk en Onuitstelbaar) beoordeeld worden. Vlissingen dient deze posten te onderbouwen, waarna deze door de provincie en de inspecteur beoordeeld en eventueel geaccordeerd worden. Uitgangspunt hierbij is dat de Rijksmiddelen toereikend moeten zijn voor de uitvoering van deze taken.

Daarbij geldt dat zolang er (nog) geen O&O-akkoord ligt er ook daadwerkelijk geen uitgaven mogen worden gedaan op deze vlakken. Op dit onderdeel en ook welke consequenties dat heeft voor de begrotingssaldi wordt dieper ingegaan in hoofdstuk 5 van het voorliggende inspectierapport. Opdracht 2: Nettolasten vergeleken (clusteranalyse clusters gemeentefonds) Voor de clusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning wordt een clusteranalyse uitgevoerd. Het doel is niet zo zeer om te bepalen op welke terreinen onderzoek moet plaatsvinden. Dat is namelijk het sociaal domein en werk & in komen als geheel. Het doel is met name om te bezien of de nettolasten van Vlissingen toegroeien naar het niveau van het gemeentefonds en andere groepen gemeenten. Deze opdracht wordt gepresenteerd in hoofdstuk 2 van dit inspectierapport. Opdracht 3: Onderzoek effectiviteit en efficiency Deze opdracht bestaat uit vier delen, die niet los van elkaar kunnen worden gezien: a. Onderzoek naar effectiviteit en efficiency op het vlak werk & inkomen. Bezien of er mogelijkheden zijn om verbeteringen aan te brengen zodat de lasten structureel kunnen dalen.

44

b.

c. d.

Onderzoek naar effectiviteit en efficiency op het vlak sociaal domein. Bezien of er mogelijkheden zijn om verbeteringen aan te brengen zodat de lasten bij jeugd en Wmo structureel kunnen dalen. Vergelijkingsonderzoek op basis van (norm-)indicatoren in het sociaal domein en werk & inkomen (landelijk, regionaal, lokaal). Vergelijkingsonderzoek op basis van ‘best-practices’.

Deze opdracht is nader uitgewerkt in de opdrachten 3.1 t/m 3.13. Deze worden beschreven in bijlage 4.1. Opdracht 4: Mate van invloed van Vlissingen Onderzoek naar de mate van invloed van Vlissingen op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen. Hieronder valt o.a. in hoeverre bepaalde exogene factoren effect hebben op de mate van invloed van Vlissingen op de beheersing van de lasten. Ook zijn hierbij de Zeeuwse samenwerkingsverbanden van belang. De belangen van de samenwerkingsverbanden zijn immers niet ‘vanzelf’ gelijk aan die van de gemeente Vlissingen. Daarnaast wordt hier de nieuwe verdeling (herijking) van het gemeentefonds per 2023 meegenomen. De vragen die bij deze opdracht beantwoord moeten worden hebben o.a. betrekking op aspecten uit de bedrijfsvoering en/of de wijze waarop de gemeente invulling kan geven aan haar rol als regisseur en opdrachtgever in het sociaal domein. Deze vragen nodigen uit tot het maken van een aantal richtinggevende keuzes in de wijze waarop Vlissingen in de komende jaren samen met de uitvoeringsorganisaties de uitdagingen in het sociaal domein op wil pakken.

Deze keuzes bieden dan de aansturingskaders voor de realisatie van de ambities, waarbij voorop blijft staan het uitgangspunt dat Vlissingen betere grip krijgt op de kostenontwikkeling en meer wordt toegegroeid naar het niveau van de ontvangsten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Deze opdracht is nader uitgewerkt in de opdrachten 4.1 en 4.2. Deze worden beschreven in bijlage 4.2. Opdracht 5: Regiomiddelen sociaal domein Vlissingen is centrumgemeente voor de regio Zeeland met betrekking tot beschermd wonen (BW), maatschappelijke opvang (MO) en vrouwenopvang (VO). Op dit vlak zijn er een aantal ontwikkelingen die (financiële) consequenties kunnen hebben voor Vlissingen. Deze ontwikkelingen zijn de doordecentralisatie van BW en MO, de overgang van een deel van de cliënten BW naar de Wet langdurige zorg en de transitie Dannenberg, en in het verlengde hiervan een nieuw verdeelmodel m.b.t. de regiomiddelen en de verdere doorontwikkeling van BW en MO in het kader van de Norm voor Opdrachtgeverschap. In kaart dient te worden gebracht welke risico’s en (financiële) consequenties er zijn voor Vlissingen op dit vlak. Daarnaast dient te worden bezien of er (verdere) bezuinigingen zijn te realiseren. Ook de mogelijke inzet van de opgebouwde bestemmingsreserve Centrumtaken is onderdeel van deze opdracht. Deze opdracht is nader uitgewerkt in de opdracht 5.1.

Deze wordt beschreven in bijlage 4.3. Opdracht 6: Ondersteuning Vlissingen De gemeente heeft reeds gebruikt gemaakt van de Visitatiecommissie sociaal domein van de VNG. Zie hiervoor inspectierapport 2019, paragraaf 4.3. Daarnaast dient periodiek geïnventariseerd te worden of er nog trajecten zijn waarin gemeenten ondersteuning kunnen krijgen op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Waar wenselijk en nuttig moet de gemeente gebruik maken van deze mogelijkheden. Deze opdracht wordt nader uitgewerkt in opdracht 6.1 (bijlage 4.4). Opdrachten en maatregelen/ontwikkelingen Op basis van deze opdrachten zijn er de afgelopen periode een aantal maatregelen geformuleerd en (landelijke) ontwikkelingen in kaart gebracht. Deze maatregelen en ontwikkelingen worden in paragraaf 4.4 en 4.6 behandeld. In onderstaande tabel 4.1 worden de verschillende opdrachten en bijbehorende maatregelen en ontwikkelingen weergeven.

45

Tabel 4.1

Opdrachten Plan van aanpak artikel 12

Onderzoeksopdrachten Plan van aanpak artikel 12

Vindplaats inspectierapport

Maatregel/ontwikkeling

1) Onderbouwing via Onvermijdelijk en Onuitstelbaar (O&O)

Hoofdstuk 5

nvt

2) Clusteranalyse clusters gemeentefonds

Hoofdstuk 2

nvt

Opdracht 3.1 Onderzoek Werk & Inkomen (Orionis)

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

1. Herijking uitvoering participatiewet en invulling adviezen Orionis

Opdracht 3.2 Onderzoek Jeugd

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

2. Maatregelen jeugdzorg

Opdracht 3.3 Onderzoek Wmo & Welzijn

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

3. Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie

Opdracht 3.4 Zeeuwse samenwerking sociaal domein (ZSSD)

Paragraaf 4.4 en 4.6, bijlage 4.1 Financiële impact (exogene) factoren 9. Vergroten grip en sturing samenwerkingsverbanden

Opdracht 3.5 Ontwikkelagenda sociaal domein

Bijlage 4.1

nvt

Opdracht 3.6 Lokale toegang Wmo en Jeugd

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

4. Inrichten integrale toegang

Opdracht 3.7 Doelgroepenvervoer

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

8. Maatregelen doelgroepenvervoer

Opdracht 3.8 Gecertificeerde Instellingen

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

2. Maatregelen jeugdzorg

Opdracht 3.9 Verbeterplan hulpinstanties Zeeland

Bijlage 4.1

nvt

Opdracht 3.10 Aanvullende acties & maatregelen en bezuinigingen

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

5. Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021 6. Verbreden artikel 12-onderzoek en -reikwijdte

Opdracht 3.11 Vergelijkingsonderzoek algemeen (Benchmarks)

Bijlage 4.1

nvt

Opdracht 3.12 Vergelijkingsonderzoek gemeenten (Best Practices)

Bijlage 4.1

nvt

Opdracht 3.13 Informatiebeleid in het sociaal domein

Bijlage 4.1

nvt

Opdracht 4.1 Mate van invloed van Vlissingen (en exogene factoren)

Paragraaf 4.6, bijlage 4.2

Financiële impact landelijke ontwikkelingen sociaal domein Financiële impact (exogene) factoren

Opdracht 4.2 Herijking verdeelmodellen sociaal domein

Paragraaf 4.6, bijlage 4.2

Financiële impact landelijke ontwikkelingen sociaal domein

Paragraaf 3.3, bijlage 4.3

7. Inkoop beschermd wonen en inzet reserve centrumtaken

Bijlage 4.4

nvt

3) Onderzoek effectiviteit en efficiency

4) Mate van invloed van Vlissingen

5) Regiomiddelen sociaal domein Opdracht 5.1 Regiomiddelen (BW, VO en MO) 6) Ondersteuning Vlissingen Opdracht 6.1 Ondersteuning Vlissingen

4.4

Sanering tekorten Op basis van het Plan van aanpak zijn er een aantal concrete maatregelen uitgewerkt. Hieraan zijn voor zover mogelijk concrete taakstellingen gekoppeld om de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen te saneren. Op basis van de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen zal worden bezien of ook nog extra taakstellingen nodig zijn. Deze maatregelen zijn: 1. Herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis. 2. Maatregelen jeugdzorg. 3. Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie. 4. Inrichten integrale toegang. 5. Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021. 6. Verbreden artikel 12-onderzoek en -reikwijdte. 7. Inkoop beschermd wonen en inzet reserve Centrumtaken. 8. Maatregelen doelgroepenvervoer. 9. Vergroten grip en sturing samenwerkingsverbanden. Ten opzichte van de opgenomen maatregelen in het inspectierapport 2020 is de nummering aangepast. Dit omdat een aantal maatregelen zijn samengevoegd en een aantal maatregelen zijn gerealiseerd. Daarnaast zijn de ‘ontwikkelingen’ op het vlak van landelijke ontwikkelingen en exogene factoren opgenomen in paragraaf 4.6, omdat dat geen maatregelen zijn die Vlissingen moet nemen om de tekorten te saneren.

46

1) Herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis Orionis Walcheren voert voor de gemeente Vlissingen, Middelburg en Veere taken uit met betrekking tot de Participatiewet, de schuldhulpverlening en het minimabeleid. Voor het realiseren van een betaalbare, toekomstbestendige en zo optimaal mogelijk functionerende uitvoering van deze taken hebben twee onderzoeken plaatsgevonden: 1. Een quick scan uitgevoerd door Adlasz. 2. Een verdiepend onderzoek uitgevoerd door KplusV. Ad 1) Quick scan Adlasz Het gehele onderzoeksproces met betrekking tot Orionis is gestart met een quick scan welke is uitgevoerd door onderzoeksbureau Adlasz. Het door Adlasz uitgebrachte onderzoeksrapport biedt veel aanknopingspunten voor de gemeenten om concreet mee aan de slag te gaan. De potentiële efficiencywinsten zijn substantieel te noemen. In bijlage 4.2 van het inspectierapport 2019 worden de belangrijkste uitkomsten van de quick scan Orionis beschreven. Mede op basis van de inzichten en verbeteradviezen uit de quick scan en research naar best practices, worden op het vlak van werk & inkomen een aantal maatregelen geïmplementeerd. Deze maatregelen zijn een uitwerking van de 10 acties zoals genoemd in bijlage 4.2 van het inspectierapport 2019.

Vanwege de integraliteit van het sociaal domein en werk & inkomen hebben deze maatregelen sterke raakvlakken met de maatregelen zoals beschreven onder de punten 1 en 2. De maatregelen zijn: a) Beleidsregie. De gemeente Vlissingen (en de andere deelnemende gemeenten) haalt de beleidsregie t.a.v. de Participatiewet, schuldhulpverlening en minimaregelingen actief terug naar de eigen gemeente. Het bepalen van de doelen, resultaten, (financiële) middelen en voorwaarden, met de bijbehorende sturing en informatie, behoort toe aan de gemeente. b) Integrale toegang. Ook op het vlak van werk & inkomen wordt een onafhankelijke, integrale toegang sociaal domein in de gemeentelijke organisatie ingericht, waarin ook de (toegangs-)taken tot werk/re-integratie, (bijstands-)uitkeringen, schuldhulpverlening, minimaregelingen en activiteiten gericht op maatschappelijke dienstverlening worden belegd. (Zie ook maatregel 4, inrichten integrale toegang.) Zo kan een inwoner met al zijn ondersteuningsvragen in het sociaal domein en werk & inkomen terecht bij één toegangsorganisatie. c) SW-infrastructuur.

Om het rendement te verbeteren en de loonwaarde te verhogen wordt het bedrijfsconcept van het Werkleerbedrijf aangepast en de SW-infrastructuur versneld afgebouwd via transformatie van een productiegerichte omgeving naar een omgeving gericht op zoveel als mogelijk uitstroom/detacheren van de SW- en PWdoelgroep. Onrendabele werksoorten worden gestopt of afgestoten. d) Re-integratiebudget. Door een gerichte sturing op en monitoring van (lokale) doelstellingen en inzet van middelen en instrumenten (o.b.v. werkladder) wordt het reintegratiebudget gericht en adequaat ingezet. In de quick scan van Adlasz wordt onder andere geconstateerd dat de volgende bezuinigingen voor Orionis mogelijk zijn: • Bij Orionis Walcheren een gemiddelde loonwaarde geconstateerd van slechts 12% bij het SW-bedrijf (% van het wettelijk minimumloon). Door voor de korte/middellange termijn op de bestaande infrastructuur toe te groeien naar het branchegemiddelde van een gemiddelde loonwaarde van 26% kan een structurele besparing worden gerealiseerd van circa € 2 miljoen. Volgens het onderzoeksbureau is dit streven een eerste stap naar een toekomstbestendige situatie. De doelstelling zou daarvoor gesteld moeten worden op het realiseren van een loonwaarde van gemiddeld 50%, hetgeen op de wat langere termijn een structurele efficiencyverbetering oplevert van circa € 5 miljoen.

• Er is nog geen sprake van een integrale benadering van de doelgroep van de Participatiewet. Door de doelgroep in de Participatiewet integraal te benaderen en meer te sturen op het realiseren van loonwaarde zijn nog verdere besparingen mogelijk. Enerzijds door ervoor te zorgen dat de direct bemiddelbare doelgroep op eigen kracht

47

•

en tenminste binnen een jaar de uitkering weer verlaat en anderzijds door te sturen op het realiseren van loonwaarde bij de overige doelgroepen via het instrument loonkostensubsidie. Met een potentiële besparing van circa € 1 miljoen structureel. Via rendementsverbetering op de bestaande werksoorten zou nog eens circa € 2 miljoen haalbaar moeten zijn. Dat betekent een betere kosten-batenbalans in de zin van productiekosten en opbrengst.

Ad 2) Verdiepend onderzoek KplusV Het doel van het verdiepend onderzoek is dat op basis van de conclusies en aanbevelingen uit de quick scan van Adlasz concrete maatregelen worden geformuleerd zodat de door Adlasz geformuleerde mogelijke bezuinigingen zo veel als mogelijk maximaal worden gerealiseerd. Zie opdracht 3.1 in bijlage 4,1 voor geformuleerde uitgangspunten, reikwijdte en opdrachtformulering van dit onderzoek. KplusV heeft in juli 2021 het eindrapport opgeleverd. KplusV heeft haar verdiepend onderzoek met name gericht op de infrastructuur van het Werkleerbedrijf. De verbeteringen die KplusV adviseert kunnen in hoofdzaak onderverdeeld worden in de volgende maatregelen met ieder een eigen financieel effect: 1. Verloop van het subsidieresultaat WSW voor Orionis. 2. Ontwikkelen van de WSW-medewerkers. 3. Verhogen Netto Toegevoegde Waarde. 4. Verlagen van de beïnvloedbare kosten. 5. Kosten van werktrajecten in het Werkleerbedrijf. 6. Kosten en baten van arbeidsmatige dagbesteding. 7. Een toekomstbestendige portfolio. 8. Kosten van de krimp van de WSW-populatie. 9. Normalisatie van niet-beïnvloedbare kosten Bij opdracht 3.1 in bijlage 4.1 worden deze maatregelen uitgebreider beschreven. Niet alle maatregelen zullen een besparing opleveren.

Volgens KplusV zouden deze maatregelen het Werkleerbedrijf van Orionis in staat moet stellen om in 2025 op of boven het gemiddelde landelijk niveau van Werkleerbedrijven terecht te komen. Vanaf vertrekpunt 2019 met een horizon tot en met 2025 moet volgens KplusV een resultaatverbetering van het Werkleerbedrijf van Orionis gerealiseerd kunnen worden van € 3.275.000. Dit betreft een bezuiniging voor Orionis als totaal en dus niet alleen voor Vlissingen. Vanaf dat moment zou het Werkleerbedrijf Orionis winstgevend moeten kunnen zijn (zwarte cijfers). Op basis van de uitkomsten van het verdiepend onderzoek van KplusV is een implementatieplan Werkleerbedrijf opgesteld. Het implementatieplan richt zich specifiek op verbeteringen t.a.v. het Werkleerbedrijf (de SW-infrastructuur) als onderdeel van de GR Orionis Walcheren. In het implementatieplan worden, in navolging van en aansluitend op de adviezen van KplusV, verbeteracties voorgesteld die zich in hoofdlijn richten op 4 sporen: a. Medewerkers SW en beschut werk ontwikkelen. b. Doorontwikkeling re-integratie. c. Planmatige rendementsverbetering. d. Werkgeversdienstverlening. Taakstelling Op basis van bovenstaand beschreven onderzoeken en maatregelen is met betrekking tot Orionis en het cluster Inkomen en participatie een te realiseren structurele taakstelling ingeboekt voor Vlissingen.

In onderstaande tabel 4.2 wordt dit weergegeven. Deze taakstelling bestaat uit een aantal posten: a) Rendementsverbetering. Op basis van het onderzoek van KplusV en het implementatieplan Werkleerbedrijf dient een besparing gerealiseerd te worden ten aanzien van de totale bedrijfsvoering van GR Orionis Walcheren, inclusief het

48

Werkleerbedrijf (SW-bedrijf), van € 785.170 (2021), € 1.214.662 (2022), € 1.720.327 (2023) en € 2.110.979 (vanaf 2024). b) Re-integratiebudget. Hierop kan Vlissingen aan de voorkant ingrijpen en is het niet afhankelijk van besluitvorming in de gemeenschappelijke regeling. Gezien de huidige staat van de arbeidsmarkt moet het mogelijk zijn de Vlissingse bijdrage aan het Reintegratiebudget te verlagen met € 0,5 miljoen in 2023 en € 1 miljoen vanaf 2024. c) Efficiency en kostenbeheersing. Vlissingen dient de bijdrage die het levert aan de organisatorische lasten van Orions te verminderen met € 300.000 per jaar vanaf 2023. d) Integrale toegang. Zoals ook bij de Wmo en jeugd dient Vlissingen de integrale toegang terug te halen naar de eigen gemeentelijke organisatie. De verplichte wettelijke herziening van de GR per 1 juli 2022 is een goed startpunt om dit te doen8. Vanaf 2023 moet ten aanzien hiervan € 200.000 per jaar als besparing op de organisatorische lasten van de toegang gerealiseerd worden. e) BUIG-neutraal. Via een cijfermatige analyse van het klantenbestand waarbij een deel van het bestand uit de bijstand wordt gehaald door inzet op projecten, zodanig dat er weer sprake is van een BUIG-neutrale financiering kan structureel 800.000 bespaard worden.

Vlissingen dient deze analyse vanaf 2023 uit te voeren en hiervoor wordt een taakstelling ingeboekt van € 400.000 in 2023 en € 800.000 vanaf 2024. Tabel 4.2

Taakstelling maatregel 1: Herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis (bedragen x € 1.000)

Onderdeel a) Rendementsverbetering b) Re-integratiebudget c) Efficiency en kostenbeheersing d) Integrale toegang e) BUIG-neutraal

2021 785

2022 1.215

2023 1.720 500 300 200 400

2024 2.111 1.000 300 200 800

2025 2.111 1.000 300 200 800

2026 2.111 1.000 300 200 800

Totaal taakstelling

785

1.215

3.120

4.411

4.411

4.411

Voor een verdere toelichting en de stand van zaken van deze maatregel zie opdracht 3.1 in bijlage 4.1. 2) Maatregelen jeugdzorg Ook op het cluster Jeugd kampt Vlissingen met tekorten. Op basis van opdrachten 3.2 en 3.8 (bijlage 4.1) dient Vlissingen dan ook maatregelen in kaart te brengen die ervoor zorgen dat de lasten bij de jeugdzorg structureel dalen. Landelijk onderzoek Kijken naar de financiële vraagstukken bij jeugd betekent ook kijken naar de landelijke vraagstukken. Een deel van de problematiek doet zich namelijk ook bij andere gemeenten Per 1 juli 2022 is de wijziging op de wet Gemeenschappelijke Regelingen ingegaan: Met deze wetswijziging worden de mogelijkheden van volksvertegenwoordigers om de eigen controlerende en kader stellende rol bij gemeenschappelijke regelingen te versterken aangepast en uitgebreid. Ook wordt de democratische legitimatie van de besluitvorming binnen zo’n samenwerkingsverband vergroot. Voorbeelden zijn het recht een zienswijze in te dienen (onder meer bij het treffen van een regeling en bij besluiten), het instellen van een gemeenschappelijke adviescommissie voor raadsleden en afspraken hoe om te gaan met burgerparticipatie.

Ook krijgen volksvertegenwoordigers meer invloed op het functioneren van een regeling, bijvoorbeeld via verplichte afspraken over evaluatie van de regeling en de verplichting om afspraken te maken over (financiële) gevolgen van uittreding voor de uittredende deelnemers. Op deze manier bestaat vooraf al duidelijkheid bij alle deelnemers over de (financiële) gevolgen die een eventuele uittreding met zich meebrengt. Daarnaast komen er extra controlebevoegdheden, zoals de mogelijkheid om een gezamenlijke enquête uit te voeren naar het functioneren van de gemeenschappelijke regeling als geheel. Wel moeten alle betrokken raden in meerderheid met deze enquête instemmen.) Het deel van de wet dat rechten geeft aan volksvertegenwoordigers gaat direct per 1 juli 2022 in. Voor het andere deel (verplichtingen om bestaande gemeenschappelijke regelingen aan te passen, om zo scherpere afspraken te maken over bijvoorbeeld uittreding of evaluatie) geeft de wet een implementatieperiode van twee jaar. 8

49

voor. Daarom is een landelijk onderzoek uitgevoerd (door AEF) met betrekking tot de jeugdzorg om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra middelen nodig hebben. Op basis van dit AEF-onderzoek zijn er vijf maatregelen geformuleerd die mogelijk kunnen leiden tot besparingen bij gemeenten. Deze vijf maatregelen maken onderdeel uit van de Hervormingsagenda Jeugd 2022-2028 en zijn: 1. Invoering van een POH-jeugd bij huisartsen. 2. Tijdige doorstroming naar de Wlz als kinderen daarvoor in aanmerking komen. 3. Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar kinderopvang en bso. 4. Hulpverlening in lokale teams, waarbij hoogopgeleide medewerkers in de toegang een randvoorwaarde zijn. 5. Een duidelijker afbakening tussen jeugdhulp en onderwijs. Deze vijf maatregelen moeten ook voor Vlissingen en de regio Zeeland (veel taken op het vlak van jeugdzorg zijn regionaal belegd) resulteren in mogelijke bezuinigingsopties. Dat betekent echter niet dat op voorhand gezegd kan worden dat bovenstaande vijf maatregelen de enige mogelijke maatregelen zijn voor Vlissingen om bezuinigingen te kunnen realiseren op het vlak van de jeugdzorg. Voor een deel vinden bezuinigingen reeds plaats via het inrichten van een integrale toegang voor Wmo en jeugd, zie maatregel 4. Ook heeft Vlissingen een Regieteam ingericht.

Dit team heeft als belangrijkste taak het ‘afvangen’ van de meest complexe casussen. Dit vanuit de vooronderstelling dat deze aanpak goedkoper zou is dan uitbesteden en tevens dat de nauwe relatie met de Toegang en Beleid binnen de gemeente extra bijdraagt aan de resultaten. Onderzoek naar de effectiviteit en efficiency van aansturing en uitvoering binnen de Jeugdwet Dit onderzoek is een combi van onderzoek naar de lokale effecten van de landelijke ontwikkelingen, de lokale mogelijkheden voor bezuinigingen en onderzoek naar een mogelijk andere wijze van werken. Hierin begrepen is de vraag in welke mate de gemeente zich meer vrij moet/kan maken van de provinciale verplichtingen. Het onderzoek is in juli 2022 afgerond. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt de gemeente geadviseerd om zoveel als mogelijk de producten onder de Jeugdwet: a) Terug te halen naar de lokale gemeentelijke regie (voor zover niet de complexe casuïstiek); b) Vooruitlopend op besluitvorming in Den Haag te saneren op die producten die volgens het gemeentelijk beleid geen deel uit horen te maken van het lokale aanbod; c) Die producten die wel worden aangeboden onder te brengen binnen het geïntegreerd aanbod van de Vlissingse Zorg Driehoek, waardoor maximaal voordeel behaald kan worden door doelmatigheid (kostenbesparing) en doeltreffendheid (1 huishouden, 1 plan, 1 regisseur).

Taakstelling Gezien bovenstaande onderzoeken en maatregelen wordt een taakstelling opgenomen van € 1,5 miljoen in 2021 oplopend tot structureel € 2 miljoen vanaf 2023. Voor een verdere toelichting en de stand van zaken zie opdrachten 3.2 en 3.8 in bijlage 4.1. 3) Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie De maatregelen met betrekking tot de ombouw van de ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie zijn vooral gebaseerd op de uitkomsten van het in het kader van het Plan van aanpak uitgevoerde best practice onderzoek. De verschillende veranderelementen in de voorstellen hebben zich in de landelijke praktijk bewezen. Enkele voorbeelden zijn het werken met een zeer beperkt aantal leveranciers, integrale buurtteams die generalistische ondersteuning in de woonomgeving bieden, de inzet van budgetplafonds en populatiebekostiging.

50

Om doelmatiger en doeltreffender te kunnen werken en het aantal individuele maatwerkvoorzieningen terug te dringen, wordt de ondersteuning naar de inwoners in de eigen woonomgeving toegebracht. Afgestemd op de samenstelling van de wijk en buurt, is een team van medewerkers verantwoordelijk voor het oppakken van alle ondersteuningsvragen. Hiermee wordt ten eerste de versnippering en de overlap van de voorzieningen teruggebracht, ten tweede het aanbod beter georganiseerd en ingezet voor een generalistische en integrale aanpak van de aanwezige problemen binnen het totale sociale domein en werk & inkomen en ten derde het overzicht en de grip van de gemeente vergroot. Er wordt daarom een ondersteuningsnetwerk (buurtteams, buurtbedrijf)) gebouwd naar analogie van de best practices in het land en daarvoor wordt gebruik gemaakt van een deel van de bestaande kennis en expertise die al beschikbaar is in Vlissingen. De uitgangspunten voor de nieuwe aanpak zijn: • Minder aanbieders (nieuwe organisatie). • Eén zak met geld (lumpsum/budgetplafond). • Positionering buurtteams (generalistische basishulp) o.b.v. de specifieke problematiek in de wijk/buurt (Buurbedrijf). • Specialismen ondersteunen de buurtteams in de wijk/buurt. • Aanbieden van dagbesteding van aanbieders op fysieke locaties in de wijken, die zonder indicatie opengesteld worden voor de inwoners.

• Via ambulantisering met name de instroom in beschermd wonen in een instelling te beperken en de uitstroom te bevorderen. • Reflecteren, leren en onderling uitwisselen (o.b.v. casuïstiek). Het doel is: efficiënter en effectiever organiseren van preventie, participatie en vroegsignalering in de vertrouwde woonomgeving van onze inwoners en daarmee instroom in individuele maatwerkvoorzieningen (vanuit de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet) voorkomen. Het resultaat is: Generalistische basishulp is beschikbaar in de wijken/buurten, afgestemd op de samenstelling en de ondersteuningsvragen van de inwoners. Dit is stapsgewijs in 2021-2022 ingevoerd. Taakstelling Op basis van bovenstaande wordt de volgende taakstelling opgenomen: a) Gunning Wmo aanvullende zorg. In de periode juli tot en met december 2021 heeft de gemeente Vlissingen een aanbestedingsprocedure doorlopen voor de aanvullende zorg binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Besloten is de opdracht ‘Wmo aanvullende zorg’ te gunnen aan twee hoofdaannemers en de raamovereenkomst en de daaruit voortkomende ontwikkelovereenkomst ‘Wmo aanvullende zorg’ vast te stellen. Met ingang van de nieuwe raam- en ontwikkelovereenkomst vindt lumpsumfinanciering (budgetplafond) plaats aan de hoofdaannemers. Dit komt in de plaats van PxQfinanciering.

Aan het lumpsumbudget is een budgetplafond verbonden dat in principe niet overschreden mag worden. Hierdoor dient per 01-07-2022 een uiteindelijk structurele bezuiniging gerealiseerd te worden van € 2,6 miljoen per jaar. b) Buurteams (Buurtbedrijf). Per 1 januari 2023 is de uitvoering van de buurtteams in de gemeente Vlissingen georganiseerd vanuit een (overheids)-bv, het Buurtbedrijf. Door de buurtteams moet de instroom in individuele maatwerkvoorzieningen aanzienlijk dalen. Dit moet in 2023 reeds zichtbaar worden. Daarom dient hier een besparing gerealiseerd te worden van € 500.000 vanaf 2023. In onderstaande tabel 4.3 wordt dit weergeven.

51

Tabel 4.3

Taakstelling maatregel 3: Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie (bedragen x € 1.000)

Onderdeel a) Gunning Wmo aanvullende zorg b) Buurteams (Buurtbedrijf) Totaal

2021

2022 1.300 500

2023 2.600 500

2024 2.600 500

2025 2.600 500

2026 2.600 500

0

1.800

3.100

3.100

3.100

3.100

Voor een verdere toelichting en de stand van zaken zie opdracht 3.3 in bijlage 4.1. 4) Inrichten integrale toegang Ook deze maatregel vloeit voort uit het best practice onderzoek uit het Plan van aanpak. Daaruit blijkt dat de gemeente zoveel als mogelijk de indicatiestelling en het verstrekken van beschikkingen in eigen hand moet houden om werkelijk control te verkrijgen op de uitgaven. Dat vraagt om het bijeenbrengen van expertises in de integrale toegang. Daarom heeft Vlissingen een proces ingang gezet om te komen tot een betaalbare, toekomstbestendige en zo optimaal mogelijk functionerende uitvoering en organisatie van de toegang in de gemeente Vlissingen, mede in relatie tot het integrale sociaal domein. Om dit te bereiken is per 1 januari 2020 een integrale gemeentelijke toegang gestart waar de uitvoering is belegd van de Wmo, Jeugdwet, (een deel van de) Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, bijzondere bijstand, nieuwe Wet inburgering, openbare geestelijke gezondheidszorg (meldpunt), Wet gedwongen geestelijke gezondheidszorg (meldpunt), beschermd wonen en problematiek van verwarde personen (procesregie). De integrale gemeentelijke toegang heeft de volgende elementen: • De integrale toegang voert de regie op complexe en meervoudige hulpvragen. • De integrale toegang verleend de toegang tot individuele maatwerkvoorzieningen en controleert deze.

• De toegangsmedewerkers maken deel uit van en/of werken samen met de buurt/wijkteams met een specifieke taak en mandaat om toe en af te wijzen van individuele maatwerkvoorzieningen (Poortwachtersfunctie). • De integrale toegang heeft een regieteam dat een specifieke taak heeft bij domein overstijgende casussen waar risicofactoren en veiligheidsaspecten spelen. • Het doel is een kostenbesparing, zicht op de caseload, grip op uitgaven van individuele voorzieningen en een wettelijk vangnet alleen voor degenen waar het echt niet anders kan. • Aanpassen verordeningen en beleidsregels met als doel gezamenlijke integrale juridische kaders voor de integrale Toegang. • Vastellen meer regels, taxatie-instrumenten en beoordelingscriteria en vastleggen in de beleidsregels (per product). Dit om de toegang en de inwoner meer houvast te geven bij de brede uitvraag, voor het beoordelen van de noodzaak en ten behoeve van het vaststellen van een eigen aandeel. • Vergroten grip op die plekken waar de toegang tot de zorg ergens anders plaatsvindt en dus niet in eigen beheer kan worden genomen. Bijvoorbeeld via inzet praktijkondersteuners bij huisartsen. Taakstelling In onderstaande tabel 4.4 wordt weergeven welke taakstelling hieraan gekoppeld is.

Omdat reeds per 1 januari 2020 een integrale gemeentelijke toegang is gestart is de inspecteur van mening dat vanaf 2022 met deze maatregel een vermindering van het aantal (maatwerk) beschikkingen en het efficiënter werken (met minder FTE’s) zichtbaar moet zijn. Hiervoor wordt dan ook vanaf 2022 een bezuiniging ingeboekt van respectievelijk € 500.000 en € 400.000 structureel.

52

Tabel 4.4

Taakstelling maatregel 4: Inrichten lokale toegang (bedragen x € 1.000)

Onderdeel a) Daling aantal (maatwerk) beschikkingen b) Efficienter werken (aantal FTE) Totaal

2021

2022 500 400

2023 500 400

2024 500 400

2025 500 400

2026 500 400

0

900

900

900

900

900

Voor een verdere toelichting en de stand van zaken zie opdracht 3.6 in bijlage 4.1. 5) Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021 Op basis van de omvang van het tekort op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen dient per jaar bezien te worden of, naast de (structurele) bezuinigingen via de overige in deze paragraaf beschreven maatregelen, aanvullende bezuinigingen gerealiseerd moeten worden. Dit is ook nodig mochten in een bepaald jaar de bij de overige maatregelen ingeboekte taakstellingen niet geheel gerealiseerd kunnen worden. Jaarlijks moet in kaart worden gebracht welke maatregelen er in gang kunnen worden gezet om tot de aanvullende bezuinigingen te komen. Ook moet er jaarlijks een doorrekening plaatsvinden welke bezuinigen extra (incidenteel) te realiseren zijn, bijvoorbeeld via het niet benutten van bepaalde budgetten. Daarbij dient aangetekend te worden dat er uiteindelijk via de in deze paragraaf beschreven maatregelen structurele bezuinigingen gerealiseerd moeten worden, zodat Vlissingen t.a.v. het sociaal domein en werk & in komen weer op eigen benen kan staan. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat elk jaar een deel van de taakstelling via niet benutten van budgetten incidenteel gerealiseerd wordt als een soort lapmiddel.

Ook wordt aangetekend dat conform het uitgangspunt 4, zoals beschreven in paragraaf 4.2, de baten als gevolg van extra geld van het Rijk geen (gedeeltelijke) structurele realisatie van de taakstelling is. De taakstelling is gebaseerd op concrete maatregelen die de lasten moeten verminderen. Indien Vlissingen extra Rijksmiddelen toch incidenteel wil inzetten voor de realisatie van de taakstelling in een bepaald jaar dan dient hier expliciet via O&O toestemming voor te worden gevraagd aan de inspecteur. Taakstelling Op basis hiervan is voor 2021 een incidentele aanvullende bezuiniging ingeboekt van € 4,5 miljoen en voor 2022 van € 1 miljoen. Op basis van de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen en de realisatie van de taakstelling bij de andere maatregelen in deze paragraaf zal voor 2022 en voor 2023 en verder per jaar bekeken worden of aanvullende bezuinigingen noodzakelijk zijn. Voor een verdere toelichting en de stand van zaken zie opdracht 3.10 in bijlage 4.1.

6) Verbreden artikel 12-onderzoek en –reikwijdte In het besluit van de fondsbeheerders van 19 december 2019 is onder andere bepaald dat in 2019 en verder de inspecteur onderzoek zal uitvoeren op de het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen, onder de volgende voorwaarden: • Daarbij wordt gestart met de sanering van de als gevolg van grondexploitatieproblematiek ontstane negatieve algemene reserve via de artikel 12uitkering en via de passende bijdrage van Vlissingen. • Er wordt in eerste instantie alleen onderzoek gedaan naar het sociaal domein en werk & inkomen. • Op alle andere clusters blijft het uitgangspunt dat Vlissingen eigen risicodrager is van kracht tot het actualisatie-onderzoek in 2023.

53

•

De gemeente hoeft voor de periode 2020-2022 niet elk jaar een artikel 12-aanvraag in te dienen.

Met andere woorden in het artikel 12-onderzoek over de periode 2019-2022 wordt alleen onderzoek gedaan naar de clusters op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. De overige gemeentefondsclusters, de OZB en de eigen inkomsten blijven tot en met 2022 buiten beschouwing. Het uitgangspunt is dat Vlissingen, behoudens het sociaal domein en werk & inkomen, weer financieel op eigen benen staat en eigen risicodrager is. De ontwikkeling van het totale begrotingssaldo inclusief de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve wordt dan ook ‘slechts’ op hoofdlijnen gevolgd. Dit met name omdat het van belang is om te bezien in hoeverre Vlissingen zelf kan bijdragen aan de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Er wordt hier echter geen onderzoek naar uitgevoerd tot en met 2022. In de periode 20152018 is hier immers reeds uitgebreid naar gekeken. Gezien bovenstaande en gezien bijzonder voorschrift 4 uit het besluit van de fondsbeheerders van 10 februari 2022 zal vanaf begrotingsjaar 2023 het artikel 12onderzoek weer verbreed worden naar alle clusters van het gemeentefonds (zie ook paragraaf 1.1). Tot die tijd zal het huidige artikel 12-onderzoek naar alleen het sociaal domein en werk & inkomen voortgezet worden. Het onderzoek zal dan ook niet eerder verbreed worden naar de overige clusters van het gemeentefonds.

Wel wordt aan de fondsbeheerders geadviseerd om met ingang van 2022 de stijging van de OZB in te zetten voor het tekort sociaal domein en werk & inkomen. Op grond van het artikel 12-onderzoek 2015-2018 is het OZB-tarief van Vlissingen gestegen naar 140% van het landelijke gemiddelde per 2020. Deze stijging van het tarief en bijbehorende opbrengst was nodig zodat Vlissingen een passende eigen bijdrage kan leveren aan de sanering van de als gevolg van grondexploitatietekorten ontstane negatieve algemene reserve. Op basis van Programmabegroting 2022 is ten opzichte van het niveau 2021 de OZB-opbrengst echter verder gestegen. Daarom wordt geadviseerd om de OZB-opbrengststijging ten opzichte van het niveau in 2021 vanaf 2022 in te zetten voor het tekort sociaal domein en werk & inkomen. Zie hiervoor ook post G in tabel 5.3, paragraaf 5.4. Voor een verdere toelichting en de stand van zaken zie opdracht 3.10 in bijlage 4.1. 7) Inkoop beschermd wonen en inzet reserve Centrumtaken In paragraaf 3.3 van het inspectierapport 2020 zijn onder de noemer ‘inkoop beschermd’ wonen een aantal maatregelen beschreven ten aanzien van de centrumtaken (beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang). Deze maatregelen zijn 1 januari 2020 ingegaan en zorgen voor een overschot bij deze centrumtaken. Het jaarlijkse overschot wordt gestort in de bestemmingsreserve Centrumtaken.

Ook in paragraaf 3.3 is onderbouwd waarom de inspecteur van mening is dat met ingang van 2020 voor de centrumgemeentemiddelen beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO) uit het gemeentefonds geldt dat deze door Vlissingen kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken en de reserve Centrumtaken dus gebruikt kan worden voor (tijdelijke) sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Of dit nodig is zal jaarlijks worden beoordeeld aan de hand van de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen, de realisatie van de taakstellingen op dat vlak en de toekomstige risico’s ten aanzien van de centrumtaken. In paragraaf 5.4 bij de bepaling van het relevante tekort wordt dit verwerkt onder post E (inbreng reserves). Ten aanzien van beschermd wonen en maatschappelijke opvang spelen daarnaast o.a. de volgende punten (zie ook opdracht 5.1 in bijlage 4.3 voor verdere toelichting en stand van zaken van deze punten): Doordecentralisatie en nieuw verdeelmodel beschermd wonen Rijk en gemeenten zijn overeengekomen in tien jaar tijd tot een objectief verdeelmodel en algehele doordecentralisatie van beschermd wonen te komen. Dat betekent dat gemeenten

54

in die periode geleidelijk overstappen van de huidige historische verdeling over centrumgemeenten naar een volledig objectieve verdeling over alle gemeenten. Overigens is door VWS de financiële doordecentralisatie beschermd wonen uitgesteld. De reden is dat een aantal aandachtspunten op het vlak van uitvoeringskracht gemeenten, beschikbare woningaanbod, financiële risico’s en administratieve lasten verder uitgewerkt moeten worden. Herinrichting toegang beschermd wonen Ten aanzien van de toegang tot beschermd wonen en intensieve begeleiding thuis is in de regio Zeeland afgesproken dat deze lokaal wordt belegd en dat wordt (samen)gewerkt met een Zeeuwse onafhankelijk deskundige. In de nieuwe werkwijze zal de toegang (het proces van melding tot aan besluit) lokaal worden belegd, waarbij er desgevraagd ten behoeve van het onderzoek naar de best passende ondersteuning van de cliënt een expertteam kan worden ingeschakeld, waar de onafhankelijk deskundige vast deel van uit maakt. Met deze nieuwe werkwijze wordt conform visie commissie Dannenberg beoogd een betere aansluiting te realiseren bij de lokale zorginfrastructuur van de desbetreffende gemeente waar de cliënt woonachtig is. Norm voor opdrachtgeverschap / Regiovisie beschermd wonen en maatschappelijke opvang.

De gemeenten in Nederland hebben met het oog op de transformatie BW-MO en de doordecentralisatie BW medio 2020 ingestemd met het opstellen van de Norm voor Opdrachtgeverschap (NvO), waarin niet-vrijblijvende afspraken moeten worden opgenomen tussen gemeenten binnen een regio en tussen regio’s onderling. Hiermee nemen de gemeenten de verantwoordelijkheid om regionale samenwerking te verbeteren, het opdrachtgeverschap te versterken en de administratieve last te verminderen. Op basis van deze NvO is door de Zeeuwse regio de concept Regiovisie beschermd wonen en maatschappelijke opvang Zeeland opgesteld. Hiermee hebben de 13 Zeeuwse gemeenten invulling gegeven aan de nieuwe vorm van samenwerking in het kader van de doordecentralisatie BW. Op basis van de vastgestelde Regiovisie BW en MO wilden de Zeeuwse gemeenten een meerjarige aanbesteding 2023-2025 voor beschermd wonen starten. Publicatie van de aanbesteding BW 2023-2025 in juni 2022 was de uiterste datum om de contacten in werking te laten treden per 1-1-2023. Door het uitstellen van de doordecentralisatie door VWS kon deze datum niet meer gehaald worden. Dat betekent dat de aanbesteding dan voor de periode 2024-2026 van toepassing is. Dit natuurlijk onder voorbehoud van besluitvorming van het kabinet. Dit betekent ook dat de huidige contracten beschermd wonen met een jaar verlengd moesten wonen.

In deze Regiovisie beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn ook afspraken gemaakt om (vanaf 2023) te werken met een voor Zeeland gezamenlijk regionaal budget voor beschermd wonen, waarbij centrumgemeente Vlissingen de rijksbijdrage beschermd wonen geheel inbrengt in dit regionale budget. Van een volledige overgang naar een regionaal budget kan echter pas sprake zijn als er eerst meer duidelijkheid komt en afspraken gemaakt worden over ten minste de volgende zaken: • Hoe omgegaan wordt met de huidige structurele tekorten bij maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. • Afspraken over risicoverevening in de regio Zeeland in het kader van de Zeeuwse solidariteit en indien het regionale budget niet voldoende is bijdragen naar evenredigheid van alle Zeeuwse gemeenten in het tekort. • Hoe omgegaan wordt met de risico’s ten aanzien van de bestaande cliënten beschermd wonen waar Vlissingen verantwoordelijk voor is en blijft. • Wat er gebeurt indien de doordecentralisatie beschermd wonen en maatschappelijke opvang eventueel niet doorgaat of in een gewijzigd tempo. • Afspraken over gezamenlijk beleid, governance en uitvoering, onder andere ten aanzien van de toegang, uitstroom, transitie Dannenberg en overgang deel beschermd wonen naar de Wlz.

55

• • •

Afspraken over beheersing van de lasten, voorzetting huidig budgetplafond en inzet en maximale omvang eventuele reserve gevormd na overheveling naar regionaal budget. Verdere uitwerking ten aanzien van de inzet voor de lokale infrastructuur en bijbehorende objectieve verdeelsleutel tussen de gemeenten. Hoe omgegaan wordt met het risico dat bij de overgang van een deel van beschermd wonen naar de Wlz de overgang van ‘bestaande cliënten’ naar ‘nieuwe cliënten’ niet in hetzelfde tempo plaatsvindt.

8) Maatregelen doelgroepenvervoer Op basis van opdracht 3.7 dient Vlissingen in kaart te brengen in hoeverre het doelgroepenvervoer in de breedste zin beter en goedkoper kan. Hierbij dient vermeld te worden dat de provincie Zeeland plannen heeft gelanceerd voor een provinciale aanpak van het openbaar vervoer en het doelgroepenvervoer. Uit deze Regionale mobiliteitsstrategie maakt de inspecteur op dat deze kan botsen met de uitgangspunten voor het gemeentelijk doelgroepenvervoer en de artikel 12-uitgangspunten. Er zou mogelijk sprake kunnen zijn van extra kosten voor gemeenten en ook minder invloed van Vlissingen op indicatiestelling, tariefstelling en maximering kilometers. Ook is mogelijk sprake van gelijkblijvende budgetten de komende jaren voor Wmo-vervoer, leerlingenvervoer en jeugdzorgvervoer. Dit terwijl de kosten nu juist moeten dalen in het kader van artikel 12. Vlissingen dient hierover verder in gesprek te gaan met de provincie. Gezien bovenstaande wordt vooralsnog hier geen taakstelling opgelegd. Mocht echter blijken dat met de overige in deze paragraaf beschreven matregelen het tekort sociaal domein onvoldoende gesaneerd wordt de komende jaren dan zou dit heroverwegen kunnen worden. Voor een verdere toelichting en de stand van zaken zie opdracht 3.7 in bijlage 4.1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12603576/1