CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 rvs Reactie inspectierapport art 12 2023-2024 bijlage 1 rapport

Commissie Algemeen en Sociaal 3 april 2025, gemeente VlissingenBij agendapunt: Reactie inspectierapport artikel 12 2023-2024.52.756 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

In 2020 was er daarnaast een onttrekking van € 25.000 voor de kosten voor uitvoering van onderhoudswerkzaamheden. In 2021 was er wederom geen mutatie. Ten slotte is de voorziening in 2022 ter grootte van € 192.000 in zijn geheel vrijgevallen omdat niet werd voldaan aan artikel 44 van het BBV. Deze voorziening kan dan ook niet meer worden ingezet voor sanering van mogelijke tekorten en de negatieve algemene reserve. Voorziening WW De gemeente is risicodrager voor de medewerkers die werkloos worden na ontslag en hiervoor een UWV-uitkering ontvangen. Hiervoor is in 2020 een voorziening gevormd voor € 100.000. In 2020 waren geen mutaties. Per eind 2021 had de gemeente nog een toekomstig risico voor ww-gelden van € 26.000 en is de voorziening verlaagd met € 74.000. Met de betalingen in 2022 is de voorziening leeg en omdat er geen actuele risico's zijn, is de voorziening vervallen. Deze voorziening kan dan ook niet meer worden ingezet voor sanering van mogelijke tekorten en de negatieve algemene reserve. Voorziening Leges In 2021 is een voorziening gevormd omdat Vlissingen leges ontving voor een groot aantal projecten waarvoor het werk in latere jaren ligt. Dit betreft voornamelijk de bouw van de zeelandtoren en hotel Brittania.

Vanwege onvoldoende capaciteit bij de bestaande organisatie in relatie tot de doorloopsnelheid van grote projecten is in 2022 geen gebruik gemaakt van deze voorziening. In 2023 was er een aanwending van € 70.000 omdat een deel van de werkzaamheden is uitgevoerd. In 2024 zijn er geen mutaties voorzien. Omdat

54

het deel van de voorziening nog ingezet gaat worden, kan er geen vrijval plaatsvinden ten gunste van de artikel 12-status. Voorziening Regeling Vervroegd Uittreden (RVU) Als medewerkers gebruikmaken van de Regeling Vervroegd Uittreden, dan moet de gemeente daarvoor een voorziening treffen. Deze verplichting loopt tot en met de AOWdatum van de desbetreffende medewerker. De toevoeging aan de nieuwe voorziening in 2023 bedroeg € 85.000. Op grond van een herberekening van de verplichtingen is in 2024 een onttrekking begroot van € 48.000. Als een medewerker die gebruik maakt van de regeling voor vervroegd uittreden geen werkzaamheden meer uitvoert voor de organisatie, dan moet er op het moment dat de medewerker stopt met het leveren van werk/prestaties een toereikende voorziening aanwezig zijn. Dus dit betekent dat voor medewerkers van wie bekend is dat ze stoppen, een voorziening aanwezig moet zijn op de datum dat de betreffende medewerker stopt. Derhalve stellen de inspecteurs zich op het standpunt dat deze voorziening behouden moet blijven. Egalisatievoorziening afval Deze voorziening is bij Jaarrekening 2023 gevormd om grote fluctuaties in de kostenontwikkeling en verrekening op te vangen met de tarieven in de toekomst. Dit vanuit het streven van de gemeente naar 100% kostendekkendheid op de afvalstoffenheffing.

De werkelijk gerealiseerde opbrengsten en kosten, zoals verantwoord in de jaarrekening, zijn volgens Vlissingen in de praktijk niet altijd 100% kostendekkend. Als bij de berekening van de afvalstoffenheffing op basis van de realisatie blijkt dat er een overschot is ontstaan, dan wordt dit overschot in de egalisatievoorziening afval gestort. Hiermee vloeit het geld terug naar de burger. Zodoende worden de gelden (middelen) derden met een bestedingsklem niet vermengd met middelen van de gemeente zelf. Dit is een werkwijze conform het BBV als gerealiseerde afwijkingen niet het gevolg zijn van voordelige aanbestedingsresultaten, efficiency voordelen of een hogere gerealiseerde capaciteit. De toevoeging in 2023 was € 706.000 en in 2024 € 56.000. Dit voordeel is ontstaan door verschillende componenten. De grootste hiervan waren de gedeeltelijke vrijval van de kapitaallasten, lagere kosten voor de milieustraat en lagere kosten op restafval (en grofvuil). Omdat het in dit geval beklemde middelen van derden betreft, zien de inspecteurs geen wettelijke mogelijkheden om (een deel van) de voorziening voor artikel 12 in te zetten. Voorziening Groot onderhoud kades In 2023 heeft Vlissingen een Meer Jaren Onderhoud Programma (MJOP) Kades opgesteld en om de daaruit voortvloeiende kosten te egaliseren is een voorziening ingesteld.

Het budget van het onderhoud beheer kades, zijnde € 597.800, is in 2023 in het kader van de MJOP Kades overgeheveld naar de voorziening groot onderhoud kades. In 2024 is een storting voorzien van € 268.000 en een onttrekking van € 644.000. In paragraaf 7.3 en bijlage 7.1 wordt nader ingegaan op de havens en kades. Daarbij is deze voorziening geheel meegenomen als beschikbar budget. De inspecteurs stellen dan ook dat deze voorziening in stand kan blijven ten behoeve van het bekostigen van een deel van de investeringen die uit het Havenbeheerplan en het MJOP voortvloeien. Voorziening Groot onderhoud accommodaties In 2023 heeft Vlissingen een Meer Jaren Onderhoud Programma (MJOP) Accommodaties opgesteld en om de daaruit voortvloeiende kosten te egaliseren is een bijbehorende voorzieningen ingesteld. Besluitvorming over het MJOP Accommodaties heeft in 2024 plaatsgevonden. De voeding bestond uit het niet gebruikte budget uit hoofde van het beheerplan accommodaties in 2023 voor groot onderhoud van € 916.175. In 2024 is er een storting voorzien van € 2.975.000. Daarnaast zijn in 2024 door Vlissingen onttrekkingen voorzien van € 763.000 en 2.157.000. In paragraaf 7.3 en bijlage 7.2 wordt nader ingegaan op het onderhoud van de accommodaties.

Hierbij is bij het beschikbare budget geen rekening gehouden met jaarlijkse inzet van deze voorziening en daarnaast concluderen de inspecteurs dat er jaarlijks meer budget beschikbaar is dan naar het

55

oordeel van de inspecteurs nodig is voor accommodaties. De inspecteurs zien dan ook geen onderbouwing van de onttrekkingen in 2024. Deze zijn dan ook niet akkoord. Tabel 3.7 is hiervoor dan ook gecorrigeerd ten aanzien van deze voorziening. Daarnaast is naar oordeel van de inspecteurs deze voorziening niet nodig voor het egaliseren van extra kosten boven het beschikbare budget bij de accommodaties. Deze voorziening dient dan ook geheel vrij te vallen ten gunste van de algemene reserve.

3.6

Stille reserves Stille reserves zijn activa (materiële vaste activa met economisch nut en financiële vaste activa) waarvan de boekwaarde lager is dan de marktwaarde. Om stille reserves op korte termijn te gebruiken voor het verminderen van een mogelijk tekort moeten de betreffende activa direct verkoopbaar zijn. Ook moeten de directe baten hoger zijn dan eventuele nadelen, zoals het mislopen van dividenden bij de verkoop van aandelen. In het inspectierapport 2017-2018 is opgenomen dat de hoogte en mogelijke aanwending van de stille reserves in het actualisatieonderzoek 2023 opnieuw beoordeeld dient te worden. Deze beoordeling (onderzoek) is opgenomen in bijlage 8.1. De conclusie is dat er op het ogenblik geen materiële stille reserves zijn die op korte termijn te gelde kunnen worden gemaakt ter aanvulling van de negatieve algemene reserve.

3.7

Inzet reserves en voorzieningen voor sanering van tekorten Op basis van hetgeen beschreven in de bovenstaande paragrafen 3.4 t/m 3.6 zijn de inspecteurs dat een aantal reserves en voorzieningen geheel of gedeeltelijk kunnen worden ingezet voor de sanering van de negatieve algemene reserve (hoofdstuk 8) en voor het relevant begrotingssaldo (hoofdstuk 9). Onderstaande tabel 3.8 geeft een overzicht van de reserves en voorzieningen die moeten worden ingezet voor de sanering van de negatieve algemene reserve in 2024. In hoofdstuk 8 bij de sanering van de negatieve algemene reserve (paragraaf 8.6) wordt inzicht gegeven wat dit betekent voor de algemene reserve. Tabel 3.8

Inzet reserves en voorzieningen t.b.v. sanering negatieve algemene reserve (bedragen x € 1.000)

Reserves en voorzieningen

2024

Re s e rve Bomme nruiminge n

1.778

Re s e rve Frictie ko ste n a lge me e n

834

Re s e rve Re vita lis e ring a ccommoda tie s

464

Re s e rve W ind in de ze ile n

5.000

Re s e rve Orga nisa tie dooro ntw ikke ling Re s e rve Opva ng vluchte linge n

485 2.000

Re s e rve Inve s te ringsfo nds s ocia a l do me in

360

Re s e rve Doo rde ce ntra lisa tie be sche rmd w one n Vlissinge n

3.000

Voo rzie ning Groo t o nde rho ud a ccommo da tie s

3.891

Totaal

17.812

Onderstaande tabel 3.9 geeft een overzicht van de reserves die worden ingezet voor het relevante begrotingssaldo. Dit betreft de inzet van de reserve Sociaal domein voor de dekking van de benodigde investeringen op het vlak van het sociaal domein de komende jaren. In hoofdstuk 9 bij de bepaling van het relevant begrotingssaldo (paragraaf 9.4) wordt inzicht gegeven wat dit betekent voor het begrotingssaldo. Hierbij wordt wel aangeven dat omdat Vlissingen vanaf 2025 een positief meerjarenperspectief heeft, dit vanaf 2025 niet in de vorm van een saneringsbegroting gebeurt met daarin inzet van reserves, verhoging van baten en taakstellingen die Vlissingen moet realiseren. Dit gebeurt

56

vanaf 2025 in de vorm van mogelijke alternatieven die ingezet kunnen worden, zodat bij niet of niet tijdig realiseren van de nu in Begroting 2025 ingeboekte niet gerealiseerde bezuinigingen er niet gelijk weer een tekort ontstaat en mogelijk zelfs terugval in artikel 12. Tabel 3.9

Inzet reserves t.b.v. relevante begrotingssaldo (bedragen x € 1.000)

Reserve

3.8

2024

2025

2026

2027

2028

Re se rve Socia al dome in

805

3.675

2.199

1.770

1.150

Totaal

805

3.675

2.199

1.770

1.150

Conclusie Het te saneren deel van de algemene reserve als gevolg van de tekorten bij de grondexploitatie is het saldo van de algemene reserve ‘normale’ exploitatie en de algemene reserve grondexploitatie. Op de sanering van dit deel van de algemene reserve wordt nader ingegaan in hoofdstuk 8 (Grondexploitaties) van dit inspectierapport. In het actualisatieonderzoek en verbrede onderzoek vanaf 2023 is onderzocht of de inschattingen die zijn gedaan en de adviezen die zijn gegeven in het inspectierapport 2017-2018 realistisch zijn gebleken en er aanleiding is voor aanpassing van de artikel 12-uitkering en de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve grondexploitatie op basis van het inspectierapport 2017-2018 en het besluit van de fondsbeheerders De inspecteurs zijn van mening dat de onderbouwing van het geclaimde bedrag van € 16,07 miljoen uit de reserve Centrumtaken voor risico’s en investeringen voor de regio niet bijzonder hard is. Echter het is wel duidelijk dat er financiële armslag voor de Zeeuwse gemeenten nodig is. Enerzijds voor het dekken van incidentele financiële risico’s voor de dertien regiogemeenten. En anderzijds voor de ambities in de Regiovisie Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang Zeeland 2022-2025 voor de transformatie van beschermd wonen naar een beschermd thuis en innovatie.

Daarom zijn de inspecteurs akkoord met een eenmalige uitname uit reserve Centrumtaken van € 16,07 miljoen ten gunste van een nieuwe bestemmingsreserve Regiobudget centrumtaken. Voorwaarde daarbij is wel dat de discussie over de inzet van de reserve Centrumtaken in Zeeland stopt en de overige 12 Zeeuwse gemeenten geen aansprak meer maken op het restant van de reserve Centrumtaken. Vlissingen heeft daarbij aangegeven dat alle Zeeuwse gemeenten zich in het eerste kwartaal van 2024 akkoord hebben verklaard met het voorstel om € 16,07 miljoen uit de historische reserve vrij te maken en te storten in het vanuit de partnerschapsafspraken nieuwgevormde regiobudget. Tevens hebben alle Zeeuwse gemeenten een ondertekende verklaring gestuurd naar Vlissingen waarin zij aangeven dat zij geen aanspraak meer zullen maken op het restant van de reserve Centrumtaken. Ook zijn de inspecteurs akkoord met het reserveren in een nieuwe bestemmingsreserve Doordecentralisatie beschermd wonen Vlissingen van € 8,058 miljoen voor risico’s voor specifiek Vlissingen ten laste van de reserve Centrumtaken. Het resterende deel van de reserve Centrumtaken na storting van € 5 miljoen in de algemene reserve op grond van het besluit van de fondsbeheerders van 23-05-2024 is overgeheveld naar de reserve Sociaal domein door Vlissingen.

De inspecteurs zijn van oordeel dat de volgende bestemmingsreserves en voorzieningen geheel of gedeeltelijk gebruikt moeten worden voor de sanering van de negatieve algemene reserve: reserve Bommenruimingen, reserve Frictiekosten algemeen, reserve Revitalisering accommodaties, reserve Wind in de zeilen, reserve Organisatie doorontwikkeling, reserve Opvang vluchtelingen, reserve Investeringsfonds sociaal domein, reserve Doordecentralisatie beschermd wonen Vlissingen en de voorziening Groot onderhoud accommodaties. In totaal een bedrag van € 17,8 miljoen.

57

Daarnaast zijn de inspecteurs van mening dat de reserve Sociaal domein gedeeltelijk gebruikt kan worden voor het relevante begrotingssaldo. Dit betreft de inzet van de reserve Sociaal domein voor de dekking van de benodigde investeringen op het vlak van het sociaal domein de komende jaren. Hierbij wordt wel aangeven dat omdat Vlissingen vanaf 2025 een positief meerjarenperspectief heeft, dit vanaf 2025 niet in de vorm van een saneringsbegroting gebeurt met daarin inzet van reserves, verhoging van baten en taakstellingen die Vlissingen moet realiseren. Dit gebeurt vanaf 2025 in de vorm van mogelijke alternatieven die ingezet kunnen worden, zodat bij niet of niet tijdig realiseren van de nu in Begroting 2025 ingeboekte niet gerealiseerde bezuinigingen er niet gelijk weer een tekort ontstaat en mogelijk zelfs terugval in artikel 12. In het inspectierapport 2017-2018 is als bijzonder voorschrift opgenomen dat in het actualisatieonderzoek 2023 een onderzoek dient plaats te vinden naar de aanwezigheid van de stille reserves en de eventuele verkoopbaarheid van de betreffende activa en de consequenties daarvan. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden. De conclusie is dat er op het ogenblik geen stille reserves zijn die op korte termijn te gelde kunnen worden gemaakt ter aanvulling van de negatieve algemene reserve.

58

4

Eigen inkomsten

4.1

Inleiding Het actualisatie-onderzoek vanaf 2023 (bijzonder voorschrift 3 in het besluit van de fondsbeheerders d.d. 19 december 2019 voor de jaren 2019 t/m 2029) moet ten aanzien van de eigen inkomsten van Vlissingen ingaan op:  De benodigde hoogte van de OZB en lastendekkendheid riolering en reiniging.  De consequenties voor Vlissingen van de rechtszaak (Hulst-Enduris) m.b.t. precario kabels en leidingen en van de wegvallende precario op kabels en leidingen vanaf 2022. In dit hoofdstuk komen de belangrijkste eigen inkomstenbronnen van de gemeente aan bod en wordt dan ook onder andere ingegaan op bovenstaande. Specifiek wordt behandeld:  Het belastingpakket 2023 en het redelijk peil (paragraaf 4.2).  De hoogte van de OZB en de ontwikkeling daarin (paragraaf 4.3).  Inzicht in de kostendekkendheid van de reiniging (paragraaf 4.4).  Inzicht in de kostendekkendheid van de riolering (paragraaf 4.5).  De vergelijking van de overige heffingen (waaronder precario) met de selectiegemeenten en de ontwikkeling daarin (paragraaf 4.6).  De vergelijking van de belastingdruk/woonlasten met de selectiegemeenten en de ontwikkeling daarin (paragraaf 4.7).  De kwijtscheldingen (paragraaf 4.8).  Verhoging eigen inkomsten voor de sanering van tekorten (paragraaf 4.9) Paragraaf 4.10 sluit vervolgens af met enkele conclusies.

4.2

Belastingpakket Een van de vereisten om in aanmerking te komen voor een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds op grond van artikel 12 van de Fvw is dat de eigen heffingen uit het belastingpakket voldoen aan het redelijk peil. Jaarlijks wordt het redelijk peil voor het begrotingsjaar bekend gemaakt in de aan het begrotingsjaar voorafgaande meicirculaire van het gemeentefonds. Bij het onderdeel OZB van het redelijk peil geldt een percentage van de WOZ-waarde. Hiermee wordt aangesloten bij het verdeelsysteem van het gemeentefonds. Bij de onderdelen reiniging en riolering geldt een norm van 100% kostendekkendheid.

59

Tabel 4.1

Vergelijking van tarieven gemeente met rekentarief en normtarief artikel 12 van de Fvw en de daarbij behorende opbrengsten 2024 woningen

niet-woningen gebruikers

niet-woningen eigenaren

totaal

5.503.500.000

1.175.000.000

1.242.500.000

7.921.000.000

0,1214

0,3490

0,4393

6.681.249

4.100.750

5.458.303

0,0890

0,2231

0,2933

Opbrengst bij rekentarieven

4.898.115

2.621.425

3.644.253

11.163.793

Meeropbrengst ten opzichte van de rekentarieven

1.783.134

1.479.325

1.814.050

5.076.509

Vlissingen

Waarde onroerende zaken

1

Tarief als percentage van de WOZ-waarde

2

Opbrengst op basis van waarde gemeentefonds Rekentarieven gemeentefonds als percentage van de WOZ-waarde

16.240.302

Gemiddeld tarief OZB gemeente als percentage van de WOZ-waarde

0,2050

Normtarief OZB voor toelating tot artikel 12 van de Fvw als percentage van de WOZ-waarde

0,1614

Correctie normtarief voor onderdekking reiniging

0,0000

Correctie normtarief voor onderdekking riolering

0,0000 0,1614

Gecorrigeerd normtarief OZB voor toelating tot artikel 12 van de Fvw Normopbrengst OZB op basis van gecorrigeerd normtarief OZB voor toelating tot artikel 12 van de Fvw Opbrengst OZB volgens begroting

12.784.494

3

16.029.000

Meeropbrenst ten opzichte van normopbrengst

3.244.506

1. gegevens algemene uitkering gemeentefonds 2. gegevens website COELO-atlas gemeentelijke woonlasten 3. geraamd op taakvelden 0.61 en 0.62

Voor 2024 gelden de volgende minimumnormen:  OZB : 0,1614% van de WOZ-waarde  Reinigingsheffing : volledig lastendekkend  Rioolheffing : volledig lastendekkend Let op: de in deze tabel gebruikte WOZ-waarden zijn de waarden zoals gebruikt bij de berekening van de algemene uitkering uit het gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2024. Dit zijn andere WOZ-waarden dan waarover Vlissingen werkelijk OZB heeft geheven (tabel 4.5). Een gemeente voldoet ook aan het belastingpakket als een tekort bij de reiniging en/of de riolering wordt gecompenseerd door een hoger percentage bij de OZB. In tabel 4.1 wordt aangegeven of, en in hoeverre, de gemeente Vlissingen aan deze eisen voldoet in 2024. Voor de toelating tot artikel 12 wordt voor wat betreft de reiniging en riolering gekeken naar de lasten en baten geboekt op de taakvelden 7.2 (riolering) en 7.3 (reiniging). In onderstaande tabel 4.2 staan voor de jaren 2018 t/m 2024 de lasten (inclusief de kwijtscheldingen) en baten van de reiniging. Dit betreffen de bedragen op basis van de begroting zoals door Vlissingen geboekt op taakveld 7.3, inclusief een toerekening van overhead op basis van de economische categorie 1.1 (salarislasten). Uit de tabel blijkt dat in alle jaren de lasten van de reiniging volledig worden gedekt door de baten via de afvalstoffenheffing. Tabel 4.2

Lasten en baten reiniging Vlissingen 2018-2024 (bedragen x € 1.000)

Reiniging (bedragen x € 1000)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024 5.906

Lasten

4.835

5.141

5.068

5.033

5.509

6.096

Baten

6.942

7.371

7.212

7.218

7.851

8.488

8.392

Dekking

2.107

2.230

2.144

2.185

2.342

2.392

2.486

60

In onderstaande tabel 4.3 zijn voor de jaren 2018 t/m 2024 de lasten (inclusief veegkosten, af- en ontwateringssystemen en kwijtscheldingen) en de baten van de riolering opgenomen. Dit betreffen de bedragen op basis van de begroting zoals door Vlissingen geboekt op taakveld 7.2, inclusief een toerekening van overhead op basis van de economische categorie 1.1 (salarislasten). In de tabel zien we dat in alle jaren de nettolasten volledig worden gedekt door de opbrengst van het rioolrecht en er sprake is van een overdekking. Tabel 4.3 Lasten en baten riolering Vlissingen 2018-2024 (bedragen x € 1.000) Riolering (bedragen x € 1000) 2018 2019 2020 2021 2022

2023

2024

Lasten

5.826

6.369

6.277

5.507

5.495

5.271

5.351

Baten

6.977

7.501

7.329

6.731

6.669

6.680

6.812

0

0

0

0

0

0

0

1.151

1.132

1.052

1.224

1.174

1.409

1.461

Baten (verfijning riolering en maatstaven cluster GF) Dekking

Opvallend is wel de daling van de lasten en baten in de periode 2020-2023. Vlissingen geeft aan dat de belangrijkste redenen hiervoor zijn:  Het werken vanuit de ‘wijkgerichte aanpak’ en de ‘toekomstbestendige openbare ruimte (TOR)’ leidt tot ‘winst’ vanwege gunstige aanbestedingen (schaalgrootte, integraliteit, enz.). Doelmatiger werken vraagt minder kosten.  De planning van de werkzaamheden is uitgelopen/vertraagd als gevolg van onder meer covid 19, toegenomen en langere participatietrajecten, afstemming derden (o.a. nutsbedrijven) en beperkt beschikbare menskracht binnen de organisatie. Dit leidt tot lagere uitgaven, omdat de investeringen doorgeschoven zijn en dus pas later de gelden worden uitgegeven.  Gecombineerd met lagere uitgaven (aanbestedingsvoordeel), lagere rentestanden en een toename van het aantal heffingseenheden is de omvang van de rioolvoorziening sterker gaan stijgen dan vooraf verwacht.  De hoogte van de rioolheffing bepaalt de totale omvang van de binnenkomende baten en daaropvolgend weer het niveau van de rioolvoorziening. De heffing is in de afgelopen periode verlaagd, omdat de voorziening sterk is gestegen. Die stijging kwam voort uit de bovengenoemde oorzaken. Het niveau van de heffing wordt jaarlijks vastgesteld en daarbij is ook gekeken naar de dan actuele ontwikkelingen.

Daardoor is besloten om de heffing naar beneden bij te stellen (vanaf 2021). Vanaf 2024 gaat de heffing (tarieven, zie ook tabel 4.9) weer gestaag iets omhoog, mede in het kader van de inzichten uit het vastgestelde GRP 2023 en het scherper sturen op de voornoemde ontwikkelingen om ervoor te zorgen dat projecten (en dus investeringen en uitgaven) minder uit gaan lopen en er ‘meer meters’ kunnen worden gemaakt. Omdat bij zowel de reiniging (exclusief BTW) als de riolering (exclusief BTW) sprake is van een volledige lastendekking, is er in tabel 4.1 geen correctie nodig op het normtarief OZB voor onderdekking reiniging en riolering en volstaat in 2024 bij de OZB een percentage van 0,1614% van de WOZ-waarde. Als we rekening houden met de BTW dan ontstaat een ander beeld wat betreft de lastendekkendheid bij de reiniging en riolering. Zie hiervoor de paragrafen 4.4 en 4.5. Vlissingen maakt bij de OZB gebruik van de mogelijkheid te differentiëren bij de percentages. Voor woningen bedraagt het percentage 2024 voor de eigenaren 0,1214%. Voor de niet-woningen ligt het percentage in 2024 voor de gebruikers op 0,3490% en voor de eigenaren op 0,4393%. Het gewogen gemiddelde percentage 2024 komt in Vlissingen, rekening houdend met de waardeverhoudingen tussen woningen en niet-woningen, zoals blijkt uit tabel 4.1, uit op 0,2050%.

Dit percentage van 0,2050% ligt ruim boven de norm van 0,1614% (120% van het landelijk gewogen gemiddelde). Daarmee voldoet de gemeente Vlissingen voor wat betreft het belastingpakket dus aan de toelatingseis voor artikel 12 Fvw.

61

4.3

Onroerend Zaakbelasting (OZB) In tabel 4.4 staat een overzicht van de opbrengsten (baten) op basis van de begroting van de OZB van Vlissingen voor de periode 2018-2024, zoals geboekt op de taakvelden 0.61 en 0.62. Tabel 4.4

Baten OZB Vlissingen 2018-2024 (bedragen x € 1.000)

OZB (bedragen x € 1000) Baten Vlissingen onroerendezaakbelasting1

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

12.538

12.993

13.347

13.317

13.536

14.770

16.029

Inwoners Vlissingen

44.394

44.485

44.371

44.360

44.358

44.585

45.150

Baten Vlissingen per inwoner

282

292

301

300

305

331

355

Indexcijfers Vlissingen per inwoner (2018 is 100)

100

103

107

106

108

117

126

Stijging indexcijfers Vlissingen per inwoner t.o.v. voorgaand jaar

3,4%

3,0%

-0,2%

1,6%

8,6%

7,2%

Stijging indexcijfers Vlissingen per inwoner in periode 2018 t/m jaar t

3,4%

6,5%

6,3%

8,0%

17,3%

25,7%

4.121.575

4.316.564

4.563.272

4.776.283

5.128.900

5.507.376

Baten landelijk1

3.961.455

Inwoners landelijk

17.081.507 17.181.084 17.282.163 17.407.585 17.475.415 17.590.672 17.811.291

Baten landelijk per inwoner

232

Indexcijfers baten per inwoner (2018 is 100)

100

240

250

262

273

292

309

103

108

113

118

126

133

Stijging indexcijfers landelijk per inwoner t.o.v. voorgaand jaar

3,4%

4,1%

5,0%

4,3%

6,7%

6,0%

Stijging indexcijfers landelijk per inwoner in periode 2018 t/m jaat t

3,4%

7,7%

13,0%

17,9%

25,7%

33,3%

1. geraamd op taakvelden 0.61 en 0.62

Uit de tabel blijkt dat in de periode 2018-2024 de geraamde baten per inwoner met 25,7% zijn gestegen (o.b.v. indexcijfers). Dit is minder dan de landelijke stijging van 33,3% over die periode. Voor Vlissingen is het van belang om vanaf 2020 de passende eigen bijdrage te leveren aan de sanering van de negatieve algemene reserve, conform bijzonder voorschrift 1 uit het besluit van de fondsbeheerders van 19 december 2019. Hieraan is gekoppeld dat Vlissingen vanaf 2020 elk jaar een gemiddeld OZB-tarief heeft van tenminste 140% van het landelijk gemiddelde. Dit wordt weergegeven in tabel 4.5.

62

Tabel 4.5

Gewogen gemiddelde OZB-tarief Vlissingen ten opzichte van het landelijk gewogen gemiddelde 2018-2024 2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Woningen

1.646.132.500.000

1.761.606.500.000

1.930.029.000.000

2.121.879.000.000

2.294.926.000.000

2.534.544.500.000

2.991.097.500.000

Niet woningen gebruik

407.947.000.000

413.687.500.000

419.293.500.000

437.895.500.000

449.081.500.000

415.441.000.000

426.802.500.000

Niet woningen eigendom

427.370.500.000

432.066.500.000

437.313.500.000

455.908.500.000

466.594.500.000

430.604.500.000

442.453.000.000

0,1587

0,1544

0,1507

0,1500

0,1441

0,1345

0,1329

Woningen

0,1510

0,1577

0,1658

0,1441

0,1389

0,1283

0,1214

Niet woningen gebruik

0,3008

0,3142

0,3304

0,3072

0,3219

0,3495

0,3490

Niet woningen eigendom

0,3788

0,3957

0,4160

0,3867

0,4052

0,4399

0,4393

Woningen

3.485.873.000

3.623.617.000

3.822.530.000

4.184.973.000

4.669.679.000

5.507.180.000

5.971.247.000

Niet woningen gebruik

1.162.640.000

1.164.197.000

117.701.700

1.189.146.000

1.215.682.000

1.251.613.000

1.237.739.000

Niet woningen eigendom

WOZ-waarden landelijk (GF betaalmaand feb jaar t) 1 :

Landelijk gewogen gemiddelde OZB-tarief OZB-tarief Vlissingen:

WOZ-waarden gemeente Vlissingen (GF betaalmaand feb jaar t) 2 :

1.095.222.200

1.098.741.000

1.095.949.000

1.113.162.000

1.118.758.000

1.155.656.000

1.133.628.000

Gewogen gemiddelde OZB-tarief Vlissingen

0,2248

0,2331

0,2241

0,2156

0,2132

0,2088

0,1984

Tarief Vlissingen als percentage van het landelijke gemiddelde OZB-tarief

142%

151%

149%

144%

148%

155%

149%

1. gegevens algemene uitkering gemeentefonds 2. gegevens gemeente Vlissingen

Let op: in tegenstelling tot andere tabellen in dit hoofdstuk zijn hier de WOZ-waarden weergegeven waarover Vlissingen werkelijk OZB heeft geheven op basis van opgave van Vlissingen. Deze zijn immers van belang om te bepalen of Vlissingen voldoet aan een gemiddelde OZB-tarief van tenminste 140%. Uit de tabel blijkt dat in de periode 2018-2024 in alle jaren het gewogen gemiddelde OZBtarief van Vlissingen meer dan 140% is van het landelijk gewogen gemiddelde OZB-tarief en dat het verschil tot en met 2023 bovendien stijgt. Dit komt met name omdat het landelijk gewogen gemiddelde OZB-tarief procentueel meer is gedaald dan het gewogen gemiddelde OZB-tarief van Vlissingen. Overigens betekent dit niet dat dan ook de OZB-opbrengsten van Vlissingen procentueel meer stijgen dan de landelijke stijging. Zoals uit tabel 4.4 blijkt is de OZB-opbrengst van Vlissingen juist minder gestegen dan de landelijke OZB-opbrengst. Dit komt omdat de landelijke WOZ-waarden procentueel juist meer zijn gestegen dan de WOZwaarden in Vlissingen.

4.4

Reiniging Zoals aangegeven dient er bij de reiniging sprake te zijn van tenminste 100% lastendekkendheid. De in tabel 4.2 gepresenteerde overdekking bij de reiniging is ook het gevolg van de BTW. Bij de berekening van de tarieven mag de BTW immers als last worden meegerekend. De in deze tabel gepresenteerde baten zijn dan ook inclusief BTW. De lasten echter zijn exclusief BTW. Als het BTW-aandeel wordt meegerekend bij de totale lasten van de reiniging dan ontstaat voor 2023 en 2024 het beeld in onderstaande tabel 4.6.

63

Tabel 4.6

Lastendekking reiniging bij doorrekening BTW 2023-2024 Onderdeel reiniging

2023 Begroting

2024

BTW

Totaal

Begroting

BTW

Totaal

2.520.290

440.240

2.960.530

2.508.817

435.208

2.944.025

608002 Inzameling huisafval groente/fruit/tuin

385.000

51.810

436.810

446.700

63.735

510.435

608003 Inzameling huisafval grofvuil

101.915

11.250

113.165

58.730

1.833

60.563

608004 Inzameling huisafval papier

289.205

32.960

322.165

277.670

29.541

307.211

608005 Inzameling huisafval glas

27.590

3.590

31.180

48.980

7.997

56.977

608006 Inzameling huisafval KGA/KCA

9.770

840

10.610

10.110

863

10.973

608001 Inzameling huisafval restafval

608007 Inzameling huisafval Wit- en Bruingoed

12.850

12.850

13.300

13.300

608008 Inzameling huisafval metalen

23.870

23.870

24.700

24.700

608013 Inzameling huisafval kunststoffen

120.210

4.560

124.770

108.328

1.413

109.741

608018 Wagenpark inzameling huisafval

532.930

111.270

644.200

471.917

99.103

571.020

608019 Inzameling huisafval textiel

29.310

1.740

31.050

24.750

641

25.391

608020 Inzameling huisafval matrassen

11.620

2.440

14.060

11.480

2.411

13.891

608021 Project grondstoffenbeleid

166.000

34.860

200.860

134.000

28.140

162.140

Toerekening kosten samenwerking

100.074

100.074

103.377

Overhead

999.581

999.581

896.195

9.110

1.277.518

1.184.678

48.199

22.300

23.250

333.604

310.409

607901 Milieustraat

1.268.408

607902 Ontruimingen

48.199

600901 Straatreiniging*

310.354

103.377 896.195 248.782

1.433.460

23.860

334.269

22.300

600904 Straatreiniging evenementen*

5.041

1.050

6.091

5.156

1.083

6.239

600905 Wagenpark straatreiniging*

81.771

17.030

98.801

106.154

22.292

128.446

600906 Wagenpark SOR*

3.297

690

770

605102 Kw ijtschelding**

609.680

Totaal lasten op basis van begroting

7.656.966

607902 Ontruimingen

746.690

3.987

3.666

609.680

609.683

8.403.656

7.381.100

967.671

7.620

7.620

8.348.770 0

0

608001 Inzameling huisafval restafval

4.436 609.683

16.000

16.000

608003 Inzameling huisafval grofvuil

8.000

8.000

8.000

8.000

608004 Inzameling huisafval papier

172.000

172.000

140.000

140.000

608005 Inzameling huisafval glas

66.117

66.117

64.767

64.767

608008 Inzameling huisafval metalen

5.500

5.500

5.500

5.500

7.951.999

7.951.999

7.910.526

7.910.526

608009 Inzameling huisafval afvalstoffenheffing 608010 Inzameling huisafval Algemeen inkomsten

23.550

23.550

24.120

24.120

608013 Inzameling huisafval kunststoffen

155.030

155.030

158.070

158.070

608019 Inzameling huisafval textiel

8.310

8.310

20.230

20.230

600904 Straatreiniging evenementen*

5.530

5.530

1.557

1.557

Totaal baten op basis van begroting

8.403.656

8.403.656

8.348.770

8.348.770

Dekkingspercentage reiniging

100,00%

100,00%

Op basis van de begroting is er in zowel 2023 als 2024 een dekkingspercentage van 100%. Overigens sluiten de lasten exclusief BTW en baten niet aan op de in tabel 4.2 gepresenteerde lasten en baten Dit wordt verklaard omdat de volgende onderdelen niet worden geboekt op taakveld 7.3: Toerekening kosten samenwerking, 600901 Straatreiniging, 600904 Straatreiniging evenementen, 600905 Wagenpark straatreiniging, 600906 Wagenpark SOR en 605102 Kwijtschelding. Daarnaast is de overhead in tabel 4.2 toegerekend op basis van de economische categorie 1.1 (salarislasten), terwijl in tabel 4.6 wordt uitgegaan van de werkelijk begrote overhead voor de reiniging. In tabel 4.7 staat de ontwikkeling van de tarieven van de reinigingsheffing. Tabel 4.7

Ontwikkeling tarieven reiniging 2011-2018

Reiniging tarieven

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Reiniging eenpersoonshuishouden

305,99

312,42

307,89

316,97

332,80

353,77

323,86

Reiniging meerpersoonshuishouden

305,99

312,42

307,89

316,97

332,80

353,77

394,62

Vanaf 2021 is er een stijging van de tarieven voor de reiniging. Deze stijging heeft verschillende oorzaken, namelijk toename van personeelskosten bij afvalinzameling, milieustraat en straatreiniging (in verband met stijging loonkosten, extra personeel voor afval scheiden en uitbreiding woningvoorraad), hogere kosten verwerking afvalstromen, toename kosten vuilafvoer door regelgeving, kosten uitvoering van het Grondstoffenbeleid 2020-2024 en nieuw inzamelsysteem en jaarlijkse indexering.

64

In 2024 hanteert Vlissingen voor het eerst een onderscheid tussen het tarief voor eenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuishoudens. Vlissingen geeft hierbij aan dat dit tariefstelsel en een gedifferentieerd aantal openingen voor fijn huishoudelijk restafval beter passen bij de omvang van het huishouden en het geproduceerde afval. Dit stelsel moet in de toekomst de mogelijkheid bieden de beperkingen op restafval gerichter uit te kunnen voeren, zodat in de toekomst het huishoudelijk restafval op een realistische wijze verder kan worden beperkt.

4.5

Riolering Ook voor de riolering geldt dat de in tabel 4.3 gepresenteerde overdekking voor een deel het gevolg is van de BTW. Als het BTW-aandeel wordt meerekenend in de totale lasten van de riolering dan ontstaat het beeld zoals gepresenteerd in tabel 4.8 voor de jaren 2023 en 2024 op basis van begroting. Tabel 4.8

Lastendekking riolering bij doorrekening BTW 2023-2024 2023

Onderdeel riolering

Begroting

2024

BTW

Totaal

Begroting

BTW

Totaal

1.978.470

352.250

2.330.720

2.040.005

388.081

2.428.086

608202 Rioolbeheer/ kolkaansluitingen

139.100

15.660

154.760

122.535

11.788

134.323

608203 Rioolbeheer huisaansluitingen

67.730

14.140

81.870

88.903

18.670

107.573

608204 Rioolbeheer rioolgemalen

369.430

63.970

433.400

453.876

75.637

529.513

Toerekening kosten samenwerking

202.253

202.253

208.927

600901 Straatreiniging*

282.140

21.130

303.270

282.190

21.691

600904 Straatreiniging evenementen*

4.583

890

5.473

4.688

984

5.672

600905 W agenpark straatreiniging*

74.338

15.490

89.828

96.504

20.266

116.770

600906 W agenpark SOR*

2.998

620

3.618

3.333

700

4.032

605102 Kwijtschelding**

87.090

87.090

87.098

0

87.098

608201 Doelmatig onderhoud riool (exclusief baggerkosten)

208.927 303.881

416.144

416.144

408.870

408.870

Dotatie voorziening riolering

2.571.500

2.571.500

2.478.734

2.478.734

Totaal lasten op basis van begroting

6.195.774

6.679.924

6.275.661

Overhead

484.150

600904 Straatreiniging evenementen*

537.817

6.813.478 1.415

1.415

608203 Rioolbeheer huisaansluitingen

1.958

1.958

1.998

1.998

608206 Aansluitvergunning riolering

26.722

26.722

27.372

27.372

608205 Baten riolering

6.651.244

6.651.244

6.782.693

6.782.693

Totaal baten op basis van begroting

6.679.924

6.679.924

6.813.478

6.813.478

Dekkingspercentage riolering

100,00%

100,00%

* Kosten straatreiniging worden voor 25% doorbelast aan de riolering ** Kosten kwijtschelding worden voor 12,5% doorbelast aan de riolering

Op basis van de begroting is er in 2023 en 2024 in beide jaren een dekkingspercentage van respectievelijk 100%. Ook hier sluiten de lasten exclusief BTW en baten niet geheel aan op de in tabel 4.3 gepresenteerde lasten en baten Dit wordt verklaard omdat de volgende onderdelen niet worden geboekt op taakveld 7.2: Toerekening kosten samenwerking, 600901 Straatreiniging, 600904 Straatreiniging evenementen, 600905 Wagenpark straatreiniging, 600906 Wagenpark SOR en 605102 Kwijtschelding. Daarnaast is de overhead in tabel 4.3 toegerekend op basis van de economische categorie 1.1 (salarislasten), terwijl in tabel 4.8 wordt uitgegaan van de werkelijk begrote overhead voor de riolering. In tabel 4.9 staat de ontwikkeling van de tarieven van de rioolheffing. Tabel 4.9

Ontwikkeling tarieven riolering 2011-2018

Riolering tarieven

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Riool gebruikers eenpersoonshuishouden

72,56

76,84

75,23

68,80

60,54

60,54

62,96

Riool gebruikers meerpersoonshuishouden

72,56

76,84

75,23

68,80

60,54

60,54

62,96

Riool eigenaren

221,63

234,71

229,78

210,13

210,13

201,13

209,18

65

Uit de tabel blijkt dat de tarieven voor de riolering in de periode 2020-2022 dalen. Voor de verklaring hiervoor zie paragraaf 4.2, onder tabel 4.3. In 2014 is door Vlissingen besloten extra te sparen voor het toegroeien naar een ideaalcomplex bij de riolering. Hierdoor drukken dubbele lasten op de begroting, namelijk van de afschrijvingen van de investeringen voor de vervangingsachterstand en daarnaast de lasten om toe te groeien naar het ideaalcomplex. Zie ook inspectierapport 2015 paragraaf 4.2 voor een uitgebreidere verklaring. Zoals ook aangegeven in het inspectierapport 2015 (paragraaf 4.2) zijn de inspecteurs van mening dat het opmerkelijk is om juist in een artikel 12-situatie toe te willen groeien naar een ideaalcomplex. De rioollasten zijn daardoor voor de periode 2014-2028 hoger dan strikt gezien noodzakelijk. Als er alleen voor gekozen zou worden om de vervangingsachterstand in 10 jaar in te lopen en niet ook voor het sparen voor toekomstige vervangingsinvesteringen (ideaalcomplex) kunnen de riooltarieven lager zijn. Een deel van deze lastenverzwaring kan naar het oordeel van de inspecteurs beter via de OZB worden gebruikt voor de door Vlissingen gewenste opbouw van de weerstandscapaciteit na de sanering van negatieve algemene reserve.

Vlissingen stelt zich op het standpunt dat hiertegenover als voordeel vooral staat dat zodra het ‘omslagpunt’ is bereikt (jaarlijks de investeringen geheel dekken uit de jaarlijkse opbrengsten rioolheffing) in de begroting er geen nieuwe rentelasten voor rioolinvesteringen meer zijn.

4.6

Overige heffingen Naast OZB, riool- en afvalstoffenheffing/reinigingsrechten (belastingpakket) is er bij gemeenten sprake van andere heffingen. Deze heffingen zijn, samen met die van het belastingpakket, voor Vlissingen vergeleken in tabel 4.10 met het gemiddelde van de selectiegroep voor 2023 en 2024 op basis van begrotingen. Vergeleken wordt de geraamde opbrengst per inwoner. Voor deze vergelijking bestaat de selectiegroep uit de gemeenten Beverwijk, Kerkrade, Middelburg, Rijswijk, Zutphen en Zwijndrecht. Dit zijn de gemeenten die op basis van verdeelmaatstaven gemeentefonds, die het grootste aandeel hebben in de verdeling van de middelen uit het gemeentefonds, het meest op Vlissingen lijken. Bij de opbrengsten in de tabel is geen rekening gehouden met eventuele bijdragen uit tariefegalisatievoorzieningen en/of andere mogelijke inkomsten. Het gaat uitsluitend om de heffingsopbrengst van belastingen en rechten. De diverse opbrengsten zijn uitgedrukt in een bedrag per inwoner.

66

Tabel 4.10

Gemeentelijke heffingen Vlissingen per inwoner vergeleken met de selectiegroep 2023 en 2024

2023

Vlissingen

Beverwijk

Kerkrade

Middelburg

Rijswijk

Zutphen

Zwijndrecht

Gemiddelde selectiegroep

Vlissingen

Absoluut

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

Verschil per inwoner

( x € 1.000 )

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

Parkeerheffingen

3.160

35

15

134

61

56

5

53

71

Precariobelasting

196

4

1

5

1

2

2

2

4

2

Toeristenbelasting

888

4

4

21

8

4

0

7

20

13

Overige belastingen

775

9

10

9

2

6

7

7

17

10

Secretarieleges burgerzaken

557

13

9

10

10

9

14

11

12

2

Begraafplaatsrechten

601

13

1

44

0

4

18

13

13

0

Leges wonen en bouwen

948

13

7

26

37

30

28

24

21

-3

Overige leges

511

15

6

12

2

6

8

8

11

4

Subtotaal overige heffingen

7.636

106

54

261

121

118

81

125

171

46

Riolering

6.680

102

124

124

100

123

159

121

150

29

Afval

8.488

150

139

151

192

136

165

157

190

34

Onroerendezaakbelastingen

14.770

230

303

344

232

294

241

274

331

57

Subtotaal belastingpakket

29.938

482

566

618

525

553

566

552

671

119

Totaal-generaal

37.574

588

620

879

646

670

647

678

843

165

2024

Vlissingen

Beverwijk

Kerkrade

Middelburg

Rijswijk

Zutphen

Zwijndrecht

Gemiddelde selectiegroep

Vlissingen

Absoluut

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

Verschil per inwoner

( x € 1.000 )

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

Parkeerheffingen

3.265

34

12

132

83

58

5

57

72

Precariobelasting

203

4

2

6

0

2

2

3

4

2

Toeristenbelasting

1.080

4

4

24

5

4

0

7

24

17

Overige belastingen

885

5

3

12

2

0

2

4

20

16

Secretarieleges burgerzaken

649

19

18

10

22

18

13

17

14

-2

Begraafplaatsrechten

645

14

1

45

0

4

18

14

14

1

2.134

18

8

31

44

31

37

29

47

18

Leges wonen en bouwen Overige leges

15

406

15

7

14

5

6

8

9

9

0

Subtotaal overige heffingen

9.267

113

56

274

162

123

85

139

205

66

Riolering

6.812

100

125

127

101

102

161

119

151

32

Afval

8.392

155

147

162

220

138

170

167

186

18

Onroerendezaakbelastingen

16.029

244

308

354

240

302

253

283

355

72

Subtotaal belastingpakket

31.233

500

580

643

561

541

584

570

692

122

Totaal-generaal

40.500

613

636

918

724

664

670

709

897

188

Overige heffingen Bij het totaal van de heffingen, onderdeel overige heffingen, in de gemeente Vlissingen en de selectiegroep blijkt dat de gemeente Vlissingen gemiddeld per inwoner meer aan inkomsten genereert. Dit verschil wordt vooral veroorzaakt door de parkeerheffingen, toeristenbelasting, overige belastingen en leges bouwen en wonen. Precario (rechtszaak Hulst-Enduris) Zoals blijkt uit tabel 4.10 heft de gemeente Vlissingen precariobelasting. Dit betreft precario voor terrassen en dergelijke van € 196.000 in 2023 € 203.000 in 2024. Daarnaast heeft de gemeente Vlissingen een voorziening Precario kabels en leidingen. Dit heeft te maken met de rechtszaak Hulst-Enduris over de precario kabels en leidingen. Op deze voorziening en deze rechtszaak wordt nader ingegaan in hoofdstuk 3. Belastingpakket Bij de heffingen die tot het belastingpakket worden gerekend is er in 2023 en 2024, evenals in voorgaande jaren, sprake van aanzienlijk hogere belastingen per inwoner dan het gemiddelde van de selectiegroep. Dit komt door alle drie de heffingen: riolering, afval en OZB. Op deze drie heffingen is in de paragrafen 4.2 t/m 4.5 reeds nader ingegaan.

4.7

18

Belastingdruk Woonlasten In de Atlas van de lokale lasten, samengesteld door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO), wordt onder andere een overzicht gegeven van de woonlasten per gemeente (in euro’s per jaar per huishouden). In het overzicht wordt de totale opbrengst van de OZB, op basis van de gemiddelde waarde van een woning

67

(in de betreffende gemeente), de reinigingsheffing en de rioolheffing op basis van eenpersoons- en meerpersoonshuishouden, uitgedrukt in een bedrag per huishouden. De navolgende gegevens zijn uit de Atlas van de lokale lasten overgenomen. Het gaat daarbij om de in de (digitale) Atlas van de lokale lasten opgenomen bedragen (in euro’s) van Vlissingen en de selectiegroep. Via deze gegevens kan de ontwikkeling in de belastingdruk van Vlissingen ten opzichte van de selectiegroep worden geschetst. In tabel 4.11 wordt de lastendruk van Vlissingen vergeleken met de selectiegroep voor de jaren 2023 en 2024. Tabel 4.11

Lastendruk Vlissingen per inwoner vergeleken met de selectiegroep 2023-2024 (in euro’s per huishouden)

Rioolrecht Reinigingsrecht Reinigingsrecht Rioolrecht meerpersoons eenpersoons meerpersoons eenpersoons huishouden* huishouden* huishouden* huishouden* (1)

Gemeenten

(2)

(3)

(4)

Rioolrecht eigenaren* (5)

Gemiddelde OZB-tarief Gemiddelde OZB eigenaren OZB-waarde opbrengst woningen** woningen woningen (6)

(7)

(8=6x7)

Woonlasten meerpersoons huishouden

Woonlasten eenpersoons huishouden

(1+3+5+8)

(2+4+5+8)

Gemiddelde selectiegroep 2023

357

283

151

148

68

0,0987

248.473

245

820

Vlissingen 2023

354

354

61

61

201

0,1283

197.996

254

869

869

Verschil 2023

-3

71

-90

-88

133

0,0296

-50.477

9

49

126

Gemiddelde selectiegroep 2024

366

289

157

147

70

0,0986

291.891

287

880

793

Vlissingen 2024

395

324

63

63

209

0,1214

231.941

282

948

878

Verschil 2024

28

35

-94

-84

139

0,0228

-59.950

-6

68

85

* Bron: Digitale COELO-atlas van de lokale lasten ** Berekend via OZB-waarde op basis van gemeentefonds en aantal woningen op basis van gegevens CBS

Uit tabel 4.11 blijkt dat voor een gemiddeld meerpersoonshuishouden de lokale woonlasten in 2023 € 49 hoger liggen dan het gemiddelde van de selectiegroep. Voor een eenpersoonshuishouden is dat in 2023 € 126. Voor 2024 zijn de verschillen respectievelijk € 68 en € 85. De daling van het verschil in 2024 bij eenpersoonshuishoudens komt met name door een daling van het reinigingstarief eenpersoonshuishoudens. De hogere woonlasten ten opzichte van het gemiddelde van de selectiegroep worden in 2024 voornamelijk veroorzaakt door de woonlastendruk bij het reinigingsrecht eenpersoonshuishouden, reinigingsrecht meerpersoonshuishouden en rioolrecht eigenaren. Daar staan tegen over lagere woonlasten bij rioolrecht meerpersoonshuishouden, rioolrecht eenpersoonshuishouden en OZB-woningen in 2024. Gemiddeld OZB-tarief woningen en niet-woningen In tabel 4.12 staat een overzicht van de OZB-tarieven en waarden woningen en nietwoningen voor de periode 2023 t/m 2024 van Vlissingen en het gemiddelde van de selectiegroep.

68

744

Tabel 4.12

OZB-tarieven woningen en niet-woningen Vlissingen vergeleken met de selectiegroep 2023-2024

Waarde Waarde Waarde niet-woningen niet-woningen woningen* gebruikers* eigenaren* Waarde totaal Aantal (x € 1 miljoen) (x € 1 miljoen) (x € 1 miljoen) (x € 1 miljoen) inwoners

Gemeenten Gemiddelde selectiegroep 2023

OZB-tarief OZB-tarief OZB-tarief Totaalwaarde woningen niet-woningen niet-woningen per inwoner eigenaar (% gebruik (% eigendom (% (x € 1) WOZ-waarde) WOZ-waarde) WOZ-waarde)

Gemiddeld OZBtarief woningen en niet-woningen (% WOZ-waarde)

Vlissingen 2023

5.845 4.663

963 1.157

986 1.216

7.794 7.036

47.778 44.585

163.130 157.800

0,0987 0,1283

0,2321 0,3495

0,4035 0,4399

0,1537 0,2185

Verschil 2023

-1.182

194

230

-759

-3.193

-5.330

0,0296

0,1174

0,0364

0,0648

Vlissingen 2024

6.934 5.504

980 1.175

1.005 1.243

8.919 7.921

48.302 45.150

184.649 175.437

0,0986 0,1214

0,2314 0,3490

0,4068 0,4393

0,1479 0,2050

Verschil 2024

-1.431

195

238

-998

-3.152

-9.212

0,0228

0,1176

0,0325

0,0571

Gemiddelde selectiegroep 2024

* gegevens algemene uitkering gemeentefonds

Uit de tabel blijkt dat het gemiddelde OZB-tarief voor woningen en niet-woningen in Vlissingen hoger is dan dat van de selectiegemeenten. Dit komt door hogere tarieven bij alle drie de categorieën (eigenaren woningen, gebruikers niet-woningen en eigenaren nietwoningen). Bij de WOZ-waarden blijkt dat de waarde van de woningen in Vlissingen lager ligt dan het gemiddelde van de selectiegroep. Dit heeft dus een dempend effect op de OZB-opbrengst en woonlasten per huishouden. Daarentegen zijn de waarden van niet-woningen hoger in Vlissingen. Uit de tabel 4.10 blijkt dat Vlissingen meer OZB-opbrengsten per inwoner heeft dan het gemiddelde van de selectiegroep. Op basis van tabel 4.12 kan worden berekend dat het OZB-tarief woningen van Vlissingen in 2023 30% en in 2024 23% hoger ligt dan dat van de selectiegemeenten. De gemiddelde woningwaarde in Vlissingen ligt daarentegen in 2023 20% en in 2024 21% lager dan in de selectiegemeenten. Dat heeft vanzelfsprekend een dempend effect op de OZB-opbrengst bij de woningen. Ondanks dit dempende effect van de gemiddelde woningwaarde heeft Vlissingen in 2023 4% meer OZB-opbrengst woningen dan het gemiddelde van de selectiegroep. In 2024 is er echter sprake van 2% lagere OZBopbrengst woningen dan het gemiddelde van de selectiegroep.

4.8

Kwijtschelding Voor mensen met de laagste inkomens bestaat de mogelijkheid van een gedeeltelijke of volledige kwijtschelding van de geheven belasting. In de gemeente Vlissingen is kwijtschelding mogelijk voor reinigingsheffing en rioolheffing. Er is geen kwijtschelding mogelijk voor de OZB-woningen. Voorwaarde voor de kwijtschelding is dat de aanslag betrekking heeft op een “natuurlijk persoon”. Voor kwijtschelding van aanslagen in de zakelijke sfeer is geen ruimte. De gemeente Vlissingen hanteert voor de kwijtschelding de maximale norm die door het Rijk aan gemeenten wordt gegeven: 100% van de norm voor de bijstand. Gemeenten mogen in principe wel een strenger beleid voeren dan de Rijksregeling toestaat, maar geen soepeler beleid. In tabel 4.13 staan de kwijtscheldingsbedragen van de gemeente Vlissingen voor 2023 en 2024. Tabel 4.13

Begrote kwijtscheldingsbedragen Vlissingen 2023-2024 (bedragen x € 1.000)

2023

2024

Afvalstoffenheffing

610

610

Rioolheffing

87

87

697

697

Gemeentelijke belasting (bedragen x 1.000)

Totaal

69

In de tabel is rekening gehouden met de regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden (voorheen besluit nadere regels kwijtschelding). Met de regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden wordt gemeenten en waterschappen de mogelijkheid geboden voor een generieke verhoging van de vermogensnorm bij kwijtschelding met € 2.000 tot € 4.000. Tevens is de mogelijkheid geschapen deze regeling met terugwerkende kracht te laten ingaan per 1-1-2022. Het argument voor deze generieke verhoging is dat huishoudens met een laag inkomen hiermee beter kunnen sparen voor tegenvallers en daarmee schulden voorkomen, zonder dat dit kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen in de weg staat. Het invoeren van deze regeling is een beleidskeuze van de gemeente. Gemeenten kunnen kiezen voor de maximale verhoging van de vermogensnorm met € 2.000 (artikel 4 uit de regeling), maar ook voor een lagere verhoging van de vermogensnorm. Het tijdstip van invoering kan met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2022 worden ingevoerd of op een later tijdstip. Vlissingen heeft besloten de maximale verhoging van de vermogensnorm van € 2.000 te hanteren en dit in te voeren vanaf 1 januari 2023. Jaarlijks wordt bezien of het begrote budget voor kwijtschelding als gevolg hiervan bijgesteld moet worden.

4.9

Verhoging eigen inkomsten voor sanering van tekorten Op basis van hetgeen beschreven in de bovenstaande paragrafen 4.2 t/m 4.8 concluderen de inspecteurs dat de eigen inkomsten reeds van voldoende omvang zijn en dat er weinig mogelijkheden zijn voor verdere verhoging boven die van de inflatie. Daarnaast is er door het positieve meerjarenperspectief nu ook geen noodzaak voor verdere verhoging van de lokale belastingen en heffingen boven de inflatie. Het OZB-tarief is in 2024 reeds 149% van het landelijke gemiddelde OZB-tarief. Bij de reiniging en riolering is sprake van 100% lastendekking. Bij de overige heffingen heft Vlissingen in 2024 € 66 per inwoner meer dan de selectiegroep. Ook bij de lastendruk zien we dit beeld. Voor eenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuishoudens is de lastendruk in 2024 respectievelijk € 85 en € 68 hoger dan die bij de selectiegroep. Indien in de toekomst wel nodig, bijvoorbeeld omdat een deel van de in Begroting 2025 opgenomen bezuinigingen niet of niet tijdig wordt gerealiseerd, dan zou mogelijk de OZBopbrengst van het Justitieel Complex Vlissingen (JCV) verder naar voren kunnen worden gebracht. Het JCV staat gepland geheel in gebruik te worden genomen in het jaar 2029. In Begroting 2025 heeft Vlissingen aangegeven dat verwacht wordt de eerste OZB voor het JCV vanaf 2028 in rekening te kunnen brengen voor een bedrag van € 779.000.

Dit betekent dat de verwachte OZB-opbrengst vanaf 2029 (na lasten areaaluitbreiding) van indicatief circa € 1,5 miljoen, welke een relevante impact heeft op het meerjarig financieel perspectief, buiten de huidige begrotingshorizon valt. Het is mogelijk deze structurele opbrengst reeds (gedeeltelijk) te betrekken bij het relevante financiële meerjarenperspectief onder de voorwaarde dat gedurende de jaren (2025-2027) deze opbrengst nog niet wordt gerealiseerd er tijdelijke dekking beschikbaar is. Deze dekking kan naar het oordeel van de inspecteurs gevonden worden bij de bestemmingsreserves. In hoofdstuk 9 bij de bepaling van het relevant begrotingssaldo (paragraaf 9.4) wordt inzicht gegeven wat deze mogelijkheid betekent voor het begrotingssaldo. Omdat Vlissingen vanaf 2025 een positief meerjarenperspectief heeft, gebeurt dit vanaf 2025 niet in de vorm van een saneringsbegroting met daarin inzet van reserves, verhoging van baten en taakstellingen die Vlissingen moet realiseren. Dit gebeurt vanaf 2025 in de vorm van mogelijke alternatieven die ingezet kunnen worden, zodat bij niet of niet tijdig realiseren

70

van de nu in Begroting 2025 ingeboekte niet gerealiseerde bezuinigingen er niet gelijk weer een tekort ontstaat en mogelijk zelfs terugval in artikel 12.

4.10

Conclusie Met betrekking tot het belastingpakket voldoet Vlissingen aan de toelatingseisen tot artikel 12. Het gewogen gemiddelde OZB-percentage 2024 komt in Vlissingen, rekening houdend met de waardeverhoudingen tussen woningen en niet-woningen en op basis van de waarden zoals gebruikt bij de berekening van de algemene uitkering uit het gemeentefonds van betaalmaand februari 2024, zoals blijkt uit tabel 4.1, uit op 0,2050%. Dit percentage van 0,2050% ligt ruim boven de norm van 0,1614% (120% van het landelijk gewogen gemiddelde). Ook bij de reiniging en riolering, zoals geboekt op de taakvelden 7.3 en 7.2 (exclusief BTW) is er sprake van volledige lastendekking. Als ook rekening wordt gehouden met de BTW dan is er voor beide sprake van 100% lastendekking. Bij het totaal van de heffingen, onderdeel overige heffingen, in de gemeente Vlissingen en de selectiegroep blijkt dat de gemeente Vlissingen gemiddeld per inwoner meer aan inkomsten genereert. Voor 2024 is dat € 66 per inwoner. Dit verschil neemt ten opzichte van 2023 bovendien toe. Dit verschil wordt vooral veroorzaakt door hogere parkeerheffingen, toeristenbelasting, overige belastingen en Leges wonen en bouwen. Bij de belastingdruk blijkt dat bij een gemiddeld meerpersoonshuishouden de lokale woonlasten in 2023 € 49 hoger liggen dan het gemiddelde van de selectiegroep. Voor een eenpersoonshuishouden is dat in 2023 € 126.

Voor 2024 zijn de verschillen respectievelijk € 68 en € 85. De daling van het verschil in 2024 bij eenpersoonshuishoudens komt met name door een daling van het reinigingstarief eenpersoonshuishoudens. De hogere woonlasten ten opzichte van het gemiddelde van de selectiegroep worden in 2024 voornamelijk veroorzaakt door de woonlastendruk bij het reinigingsrecht eenpersoonshuishouden, reinigingsrecht meerpersoonshuishouden en rioolrecht eigenaren. Bij de vergelijking van de OZB-tarieven woningen en niet-woningen blijkt dat het gemiddelde OZB-tarief voor woningen en niet-woningen in Vlissingen hoger is dan dat van de selectiegemeenten. Dit komt door hogere tarieven bij alle drie de categorieën (eigenaren woningen, gebruikers niet-woningen en eigenaren niet-woningen). Bij de WOZ-waarden blijkt dat de waarde van de woningen in Vlissingen lager ligt dan het gemiddelde van de selectiegroep. Dit heeft dus een dempend effect op de OZB-opbrengst en woonlasten per huishouden. Daarentegen zijn de waarden van niet-woningen hoger in Vlissingen. Op basis van hetgeen beschreven in hoofdstuk 4 concluderen de inspecteurs dat de eigen inkomsten reeds van voldoende omvang zijn en dat er weinig mogelijkheden zijn voor verdere verhoging boven die van de inflatie.

Daarnaast is er door het positieve meerjarenperspectief nu ook geen noodzaak voor verdere verhoging van de lokale belastingen en heffingen boven de inflatie. Indien in de toekomst wel nodig, bijvoorbeeld omdat een deel van de in Begroting 2025 opgenomen bezuinigingen niet of niet tijdig wordt gerealiseerd, dan zou mogelijk de OZB-opbrengst van het Justitieel Complex Vlissingen (JCV) verder naar voren kunnen worden gebracht, via extra inzet van de aanwezige bestemmingsreserves.

71

5

De nettolasten vergeleken

5.1

Inleiding Zoals aangegeven in hoofdstuk 1 wordt op basis van bijzonder voorschrift 3 uit de beschikking van de fondsbeheerders d.d. 19 december 2019, bijzonder voorschrift D uit het besluit van de fondsbeheerders d.d. 10 februari 2022 en bijzonder voorschrift 5 uit het besluit van de fondsbeheerders d.d. 23 mei 2024 vanaf 2023 een verbreed artikel 12onderzoek uitgevoerd. Dat betekent dat vanaf 2023 alle clusters uit het gemeentefonds weer onderwerp van artikel 12-onderzoek zijn. Dit betekent ook voortzetting van het onderzoek op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen, waarbij de maatregelen en taakstelling ter sanering van de tekorten en de O&O-correcties op dit vlak onverkort blijven gelden (zie ook hoofdstuk 6). Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar de clusters van het gemeentefonds op het vlak van het klassieke domein, waarbij ook op deze clusters gekeken wordt of meer toegegroeid kan en moet worden naar het niveau van de ijkpunten van het gemeentefonds en het niveau van de nettolasten van andere gemeenten. Op het klassieke domein wordt nader ingegaan in hoofdstuk 7. In dit hoofdstuk wordt dan ook voor alle clusters voor begrotingsjaar 2023 en 2024 een clusteranalyse uitgevoerd. Deze analyse bestaat uit de volgende onderdelen: a) Vergelijking van de nettolasten (lasten min baten) met de ijkpunten van het gemeentefonds voor alle clusters van het gemeentefonds.

Door het toerekenen van de gemeentelijke lasten en baten van de taakvelden aan de clusters van het gemeentefonds ontstaat een indeling van nettolasten per cluster. Door de afwijking van deze nettolasten per cluster van Vlissingen met het niveau van het gemeentefonds ontstaat inzicht of de gemeente Vlissingen naar het oordeel van de inspecteurs voldoende is toegegroeid naar het niveau van het gemeentefonds, of dat er mogelijk nog ruimte is voor bezuinigingen b) Vergelijking van de nettolasten van Vlissingen met de gemiddelde nettolasten van de gemeenten in 1) de selectiegroep, 2) de groep met een zwakke sociale structuur en redelijke centrumfunctie, 3) de inwonersgroottegroep 20.000-50.000 en 4) de provincie Zeeland. c) Vergelijking van aan de ene kant de afwijking van de nettolasten van Vlissingen met het gemeentefonds met aan de andere kant de afwijking van het gemiddelde van de nettolasten van de selectiegemeenten met het gemeentefonds voor alle clusters uit het gemeentefonds. Door de afwijking van deze nettolasten per cluster van Vlissingen met het gemeentefonds te confronteren met de afwijking van het gemiddelde van de nettolasten van de selectiegemeenten met het gemeentefonds ontstaat inzicht in de clusters met bijbehorende taakvelden waar Vlissingen overschrijdt of onderschrijdt ten opzichte van de selectiegemeenten.

Ten aanzien van de gebruikte gegevens zijn er nog drie relevante opmerkingen. Ten eerste wordt per 1 januari 2023 een compleet herzien verdeelmodel voor het gemeentefonds gebruikt, met gedeeltelijk andere maatstaven en andere clusters. Het doel van deze aanpassing was om de verdeling weer aan te laten sluiten bij de kosten van gemeenten. De nieuwe verdeling beoogt daarnaast recht te doen aan de geconstateerde knelpunten die de afgelopen jaren in verschillende adviezen zijn benoemd, bijvoorbeeld ten aanzien van de verdeling sociaal domein en de mate waarin de eigen inkomsten van gemeenten een rol spelen. Door deze aanpassing is het niet meer goed mogelijk om te vergelijken met voorgaande jaren en daarom wordt de clusteranalyse alleen voor de jaren 2023 en 2024 uitgevoerd en worden de afwijkingen niet met voorgaande jaren vergeleken. Ten tweede wordt vanaf 2017 de overhead apart inzichtelijk gemaakt op taakveld 0.4. In het gemeentefonds is de overhead echter wel toegerekend aan de clusters en dus niet

72

apart inzichtelijk. Om nu een goede clusteranalyse te maken dient taakveld 0.4 dan ook toegerekend te worden aan de andere taakvelden. Voor een goede vergelijkbaarheid met de andere groepen gemeenten is in deze clusteranalyse voor Vlissingen en de andere gemeenten de overhead verdeeld over taakvelden op basis van salarislasten (economische categorie 1.1). Ten derde is het belangrijk te vermelden dat de gebruikte cijfers verschillen van de cijfers in hoofdstuk 9. Dit heeft de volgende oorzaken: 1) Bij deze analyse worden de Iv3-cijfers van het CBS gebruikt van de initiële begrotingen. De reden hiervoor is de vergelijkbaarheid met andere gemeenten waarvoor alleen de cijfers van de initiële begrotingen beschikbaar zijn. Daarnaast wordt op deze manier geabstraheerd van incidentele bezuinigingen in een bepaald jaar. Dat betekent dat de begrotingswijzigingen gedurende een begrotingsjaar niet zijn meegenomen voor dat jaar. In hoofdstuk 9 bij de bepaling van het relevant saldo zijn deze begrotingswijzigingen vanzelfsprekend wel meegenomen. 2) Om goed te kunnen vergelijken met de groepen andere gemeenten wordt bij deze analyse de overhead voor iedere gemeente, dus ook voor Vlissingen, toegerekend aan de taakvelden op basis van de salarislasten zoals geboekt op categorie 1.1. In hoofdstuk 9 wordt de overhead echter toegerekend via door Vlissingen aangeleverde percentages.

Overigens wordt hier benadrukt dat dit hoofdstuk niet dient om geconstateerde verschillen tussen de nettolasten van Vlissingen enerzijds en de ijkpunten van het gemeentefonds en de nettolasten van groepen andere gemeenten anderzijds te verklaren. Dit hoofdstuk heeft met name tot doel in kaart te brengen waar mogelijk nog ruimte aanwezig is om te bezuinigen voor zover nog niet eerder in kaart is gebracht de afgelopen jaren. Op concrete maatregelen en bezuinigingen wordt ingegaan in hoofdstuk 6 voor het sociaal domein en hoofdstuk 7 voor het klassieke domein. De clusteranalyse wordt cijfermatig weergegeven in paragraaf 5.2. De toelichting per cluster volgt in paragraaf 5.3. In paragraaf 5.4 wordt het begrote saldo vergeleken met het gerealiseerde saldo. Ten slotte wordt in paragraaf 5.5 de conclusie weergegeven.

5.2

De analyse Het doel van de analyse is om te bezien welke afwijkingen er zijn tussen enerzijds de nettolasten van Vlissingen en anderzijds het niveau van het gemeentefonds, en het niveau van een aantal groepen gemeenten op alle uitgavenclusters van het gemeentefonds. Voor het sociaal domein, dat geheel onderwerp van onderzoek bleef in 2023 en 2024, is deze analyse vooral van belang om te volgen of de maatregelen en onderzoeken (zie ook hoofdstuk 6) uiteindelijk leiden tot lagere afwijkingen van de nettolasten van Vlissingen ten opzichte van de ijkpunten van het gemeentefonds en andere groepen van gemeenten. Voor het klassieke domein is deze analyse van belang om te bezien of er nog clusters zijn waar een vervolgonderzoek moet plaatsvinden voor mogelijke bezuinigingen en er aanleiding is voor aanpassing van de artikel 12-uitkering en de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve op basis van het inspectierapport 2017-2018 en het besluit van de fondsbeheerders van 19 december 2019. De clusters klassieke domein waarvoor dit geldt, worden verder uitgewerkt in hoofdstuk 7.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15260689/1