3.1 rvs Reactie inspectierapport art 12 2023-2024 bijlage 1 rapport
Tekst van het document
5.2.1
Vergelijking nettolasten met de ijkpunten gemeentefonds In tabel 5.1 is voor Vlissingen een overzicht gegeven van de afwijkingen van de nettolasten met het gemeentefonds voor alle uitgavenclusters van het gemeentefonds over 2023 en 2024. Deze cijfers zijn voor de nettolasten gebaseerd op Iv3-data van de initiële
73
begrotingen 2023 en 2024. Voor het gemeentefonds zijn de cijfers gebaseerd op de betaalmaanden februari 2023 en 2024. In dit hoofdstuk worden de inkomstenclusters buiten beschouwing gelaten (zie hiervoor hoofdstuk 4 eigen inkomsten). Tabel 5.1
Vergelijking Vlissingen met het gemeentefonds op clusterniveau
Clusters
Gemeente:
Vlissingen
Nettolasten
Nettolasten per inwoner
( x € 1.000 )
( x € 1)
a. Gemeentefonds Uitkering per inwoner
Verschil per inwoner
Verschil absoluut
( x € 1.000 ) ( x € 1.000 )
( x € 1)
( x € 1.000 )
Uitkering
2023 Bestuur en ondersteuning
-12.590
-282
15.354
344
62
2.764
Sociale basisvoorzieningen
-19.792
-444
12.081
271
-173
-7.711
Participatie
-22.628
-508
21.186
475
-33
-1.442
Wmo
-62.292
-1.397
61.527
1.380
-17
-765
Jeugd
-19.500
-437
21.768
488
51
2.268
Orde en veiligheid
-6.199
-139
6.352
142
3
153
Onderw ijs
-5.727
-128
5.599
126
-2
-128
Sport, cultuur en recreatie
-11.577
-260
14.974
336
76
3.397
Infrastructuur, ruimte en milieu
-15.716
-352
14.255
320
-32
-1.461
Overig Totaal uitgavenclusters 2023
0
0
4.611
103
103
4.611
-176.021
-3.947
177.707
3.985
38
1.686
2024 Bestuur en ondersteuning
-13.581
-301
16.737
371
70
3.156
Sociale basisvoorzieningen
-21.473
-476
13.186
292
-184
-8.287
Participatie
-25.153
-557
22.346
495
-62
-2.807
Wmo
-65.730
-1.456
66.464
1.472
16
734
Jeugd
-21.469
-476
24.443
541
65
2.974
Orde en veiligheid
-6.399
-142
7.023
156
14
624
Onderw ijs
-5.697
-126
6.152
136
10
455
Sport, cultuur en recreatie
-11.402
-253
16.315
361
108
4.913
Infrastructuur, ruimte en milieu
-14.513
-321
15.527
344
23
1.014
0
0
5.277
117
117
5.277
-185.417
-4.108
193.470
4.285
177
8.053
Overig Totaal uitgavenclusters 2024 -/- hogere nettolasten voor Vlissingen
Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024 Inwoners 2023: 44.585, inwoners 2024: 45.150
In de kolommen met het ‘verschil’ betekent een -/- hogere nettolasten voor Vlissingen. Uit de tabel volgt dat alle uitgavenclusters van Vlissingen in 2024 optellen tot € 185 miljoen aan nettolasten. In 2023 was dat nog € 176 miljoen. Uit de tabel blijkt ook dat Vlissingen in 2023 en 2024 op totaalniveau minder nettolasten heeft dan de uitkering van het gemeentefonds. Dit verschil is in 2024 totaal circa € 8 miljoen. In 2023 was dat verschil nog circa € 1,7 miljoen. Onderliggend zijn er voor de clusters van het gemeentefonds wel verschillen tussen de nettolasten per inwoner en de uitkering uit het gemeentefonds per inwoner. In 2023 zijn voor de clusters Bestuur en ondersteuning, Jeugd, Orde en veiligheid, Sport, cultuur en recreatie en Overig de verschillen positief. Daarentegen geeft Vlissingen in 2023 aan Sociale basisvoorzieningen, Participatie, Wmo, Onderwijs en Infrastructuur, ruimte en milieu meer uit dan de uitkering uit het gemeentefonds. In 2024 is dat beeld wel gewijzigd. In dat jaar geeft Vlissingen alleen op de clusters Sociale basisvoorzieningen en Participatie meer uit dan de uitkering uit het gemeentefonds. Op de andere clusters geeft Vlissingen in 2024 minder uit. Ten slotte draagt het uitgavencluster Overig met € 103 per inwoner (2023) en € 177 per inwoner (2024) positief bij aan het verschil van de nettolasten van Vlissingen met het gemeentefonds.
Dit verschil is tweeledig. Het is het nettoresultaat van de suppletieuitkering voor de nieuwe verdeling van het gemeentefonds van - € 2,39 miljoen (2023) en
74
- € 1,72 miljoen (2024) en de aanvullende uitkering van € 7 miljoen (2023 en 2024) als gevolg van de beschikking van de fondsbeheerders d.d. 19 december 2019 in het kader van de artikel 12-status van Vlissingen. Dit heeft samengenomen in 2023 een positief resultaat van € 4,61 miljoen, ofwel € 103 per inwoner, en in 2024 van € 5,27 miljoen, ofwel € 117 per inwoner. Op dit cluster wordt verder niet ingegaan in dit hoofdstuk. In paragraaf 5.3 wordt een verdere toelichting per cluster gegeven.
5.2.2
Vergelijking nettolasten met groepen gemeenten In tabel 5.2 is voor Vlissingen voor 2023 en 2024 een overzicht gegeven van de afwijkingen van de nettolasten met de gemiddelde nettolasten van de gemeenten in 1) de selectiegroep8, 2) de groep met een zwakke sociale structuur en redelijke centrumfunctie, 3) de inwonersgroottegroep 20.000-50.000 en 4) de gemeenten in de provincie Zeeland. De cijfers zijn voor de nettolasten gebaseerd op Iv3-data van de initiële begrotingen 2023 en 2024. Tabel 5.2 Gemeente:
Clusters Nettolasten
Vergelijking Vlissingen met groepen gemeenten op clusterniveau Vlissingen
Nettolasten Nettolasten Nettolasten per inwoner per inwoner
( x € 1.000 )
( x € 1)
b2. Soortgenoten
b1. Selectiegroep
( x € 1.000 )
( x € 1)
Verschil per inwoner ( x € 1)
b3. Groottegroep
Sociale structuur:
Zwak
Centrumfunctie:
Redelijk
Verschil absoluut
Nettolasten per inwoner
Verschil per inwoner
( x € 1.000 )
( x € 1)
( x € 1)
20001
b4. Gemeenten in provincie
50000 inwoners
Verschil absoluut
Nettolaste n per inwoner
Verschil per inwoner
( x € 1.000 )
( x € 1)
( x € 1)
Zeeland
Verschil absoluut
Nettolaste n per inwoner
Verschil per inwoner
Verschil absoluut
( x € 1.000 )
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1.000 )
2023 Bestuur en ondersteuning
-12.590
-282
-12.173
-255
-27
-417
-277
-5
-223
-268
-14
-624
-255
-27
-1.204
Sociale basisvoorzieningen
-19.792
-444
-13.732
-287
-157
-6.060
-304
-140
-6.242
-235
-209
-9.318
-298
-146
-6.509
Participatie
-22.628
-508
-19.538
-409
-99
-3.090
-564
56
2.497
-263
-245
-10.923
-312
-196
-8.739
Wmo
-62.292
-1.397
-15.724
-329
-1.068
-46.568
-498
-899
-40.082
-261
-1.136
-50.649
-406
-991
-44.184
Jeugd
-19.500
-437
-18.685
-391
-46
-815
-445
8
357
-293
-144
-6.420
-327
-110
-4.904
Orde en veiligheid
-6.199
-139
-7.309
-153
14
1.109
-122
-17
-758
-112
-27
-1.204
-136
-3
-134
Onderwijs
-5.727
-128
-5.575
-117
-11
-152
-122
-6
-268
-101
-27
-1.204
-111
-17
-758
Sport, cultuur en recreatie
-11.577
-260
-13.819
-289
29
2.242
-278
18
803
-250
-10
-446
-319
59
2.631
Infrastructuur, ruimte en milieu
-15.716
-352
-12.431
-260
-92
-3.285
-305
-47
-2.095
-271
-81
-3.611
-217
-135
-6.019
Totaal uitgavenclusters 2023
-176.021
-3.947
-118.985
-2.490
-1.457
-57.035
-2.915
-1.032
-46.012
-2.054
-1.893
-84.399
-2.381
-1.566
-69.820
Bestuur en ondersteuning
-13.581
-301
-15.042
-311
10
1.461
-305
4
181
-290
-11
-497
-271
-30
-1.355
Sociale basisvoorzieningen
-21.473
-476
-15.316
-317
-159
-6.157
-336
-140
-6.321
-272
-204
-9.211
-327
-149
-6.727
Participatie
-25.153
-557
-21.342
-442
-115
-3.811
-623
66
2.980
-283
-274
-12.371
-340
-217
-9.798
Wmo
-65.730
-1.456
-16.288
-337
-1.119
-49.442
-527
-929
-41.944
-270
-1.186
-53.548
-420
-1.036
-46.775
Jeugd
-21.469
-476
-18.921
-392
-84
-2.548
-480
4
181
-300
-176
-7.946
-355
-121
-5.463
Orde en veiligheid
-6.399
-142
-8.065
-167
25
1.665
-140
-2
-90
-125
-17
-768
-155
13
587
Onderwijs
-5.697
-126
-5.830
-121
-5
133
-121
-5
-226
-109
-17
-768
-125
-1
-45
Sport, cultuur en recreatie
-11.402
-253
-15.367
-318
65
3.965
-288
35
1.580
-273
20
903
-345
92
4.154
2024
Infrastructuur, ruimte en milieu
-14.513
-321
-16.220
-336
15
1.707
-358
37
1.671
-309
-12
-542
-252
-69
-3.115
Totaal uitgavenclusters 2024
-185.417
-4.108
-132.390
-2.741
-1.367
-53.027
-3.178
-930
-41.990
-2.231
-1.877
-84.747
-2.590
-1.518
-68.538
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024 Inwoners 2023: 44.585, inwoners 2024: 45.150
In de kolommen met het ‘verschil’ betekent een -/- hogere nettolasten voor Vlissingen. Uit de tabel blijkt dat Vlissingen op totaalniveau in 2023 en 2024 hogere nettolasten per inwoner heeft vergeleken met de gemeenten uit de selectiegroep (b1), de groep met een zwakke sociale structuur en redelijke centrumfunctie (b2), de groottegroep (b3) en de gemeenten in de provincie Zeeland (b4). Wel lopen de verschillen in 2024 ten opzichte van 2023 iets terug. Het verschil per inwoner is het grootst vergeleken met de gemeenten in de groottegroep 20.000-50.000 (b3). Dit verschil bedraagt - € 1.893 per inwoner (2023) en bedraagt - € 1.877 per inwoner (2024). Het verschil tussen Vlissingen met de groep gemeenten met een zwakke sociale structuur en redelijke centrumfunctie (b2) is het kleinst en bedraagt - € 1.032 per inwoner (2023) en - € 930 per inwoner (2024). Een groot deel van het verschil wordt verklaard op het cluster Wmo. De reden is dat de gemeente Vlissingen als centrumgemeente de regiomiddelen op het vlak van beschermd 8
De selectiegroep bestaat uit de gemeenten Beverwijk, Kerkrade, Middelburg, Rijswijk, Zutphen en Zwijndrecht
75
wonen, vrouwenopvang en maatschappelijke opvang ontvangt en uitgeeft. De (meeste) gemeenten in de andere groepen gemeenten ontvangen deze regiomiddelen niet. In paragraaf 5.3 wordt een toelichting per cluster gegeven.
5.2.3
Vergelijking afwijkingen nettolasten met ijkpunten gemeentefonds tussen Vlissingen en de selectiegroep In tabel 5.3 staat de vergelijking van aan de ene kant de afwijking van de nettolasten van Vlissingen met het gemeentefonds tegenover de afwijking van het gemiddelde van de nettolasten van de selectiegemeenten met de het gemeentefonds voor alle clusters uit het gemeentefonds. Ook voor dit onderdeel zijn de cijfers voor de nettolasten gebaseerd op de Iv3-data van de initiële begrotingen 2023 en 2024. Voor het gemeentefonds zijn de cijfers gebaseerd op de betaalmaanden februari 2023 en 2024. Tabel 5.3
Vergelijking verschil met gemeentefondsuitkering van Vlissingen en verschil met gemeentefondsuitkeringen van de selectiegroep c. Gemiddelde Vlissingen selectiegroep Clusters
verschil nettolasten met GF
verschil nettolasten met GF
per inwoner
per inwoner
Verschil per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2023 Bestuur en ondersteuning
85
62
-23
Sociale basisvoorzieningen
-31
-173
-142
Participatie
-9
-32
-23
Wmo
-46
-17
29
Jeugd
44
51
7
Orde en veiligheid
-7
3
11
Onderw ijs
49
-3
-52
Sport, cultuur en recreatie
1
76
75
Infrastructuur, ruimte en milieu
22
-33
-54
Totaal uitgavenclusters 2023
108
-66
-174
55
70
15
Sociale basisvoorzieningen
-40
-184
-143
Participatie
-23
-62
-39
Wmo
-26
16
42
Jeugd
83
66
-17
2024 Bestuur en ondersteuning
Orde en veiligheid
-8
14
22
Onderw ijs
59
10
-49
Sport, cultuur en recreatie
-5
109
114
Infrastructuur, ruimte en milieu
-33
22
55
Totaal uitgavenclusters 2024
62
61
-1
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024 Inwoners 2023: 44.585, inwoners 2024: 45.150
Uit tabel 5.3 volgt dat de groep selectiegemeenten in totaliteit (exclusief cluster Overig) minder uitgeeft dan het ijkpunt van het gemeentefonds. Dit positieve verschil is € 108 per
76
inwoner in 2023 en € 62 per inwoner in 2024. Vlissingen daarentegen geeft in 2023 in totaliteit (exclusief cluster Overig) meer uit dan de omvang van het gemeentefonds en wel € 66 per inwoner. In 2024 is dat echter veranderd en geeft Vlissingen € 61 per inwoner minder uit dan het ijkpunt van het gemeentefonds. Er kan worden geconcludeerd dat het verschil van de nettolasten met het gemeentefonds per inwoner bij het gemiddelde van de selectiegroep in 2023 € 174 lager ligt dan bij Vlissingen. In 2024 is dat verschil echter nagenoeg hetzelfde. In paragraaf 5.3 wordt een nadere toelichting per cluster gegeven. 5.3
Toelichting per cluster In deze paragraaf wordt dieper ingegaan op alle uitgavenclusters van het gemeentefonds, behalve het cluster Overig. Hierbij wordt per cluster ingegaan op de geconstateerde verschillen tussen de nettolasten van Vlissingen aan de ene kant en het niveau van het gemeentefonds en de nettolasten van groepen gemeenten aan de andere kant. Er wordt hierbij per cluster geen vergelijking gemaakt 2022 of eerder, omdat door verandering van clusters in het kader van de herijking van het gemeentefonds per 2023 een objectieve vergelijking niet mogelijk is. Wel worden de jaren 2023 en 2024 vergeleken Voor de leesbaarheid worden de verschillende vergelijkingen zoals beschreven in paragraaf 5.1 en gepresenteerd in de tabellen 5.1, 5.2 en 5.3 per cluster ook bij elkaar in één tabel gepresenteerd.
5.3.1
Uitgavencluster Bestuur en ondersteuning Het uitgavencluster Bestuur en ondersteuning bestaat uit de taakvelden 0.1 Bestuur, 0.2 Burgerzaken en 0.4 Overheid. Het gaat om de nettolasten van de raad en het college. Daarnaast gaat het om de nettolasten die algemeen van aard zijn en daarom niet toegerekend worden aan de andere uitgavenclusters, zoals juridische zaken, gemeentesecretaris, voorlichting, onderzoek en statistiek et cetera. Tot slot worden aan dit cluster lasten toegerekend die verband houden met de burgerlijke stand, het bevolkingsregister, verkiezingen en de afgifte van reisdocumenten, rijbewijzen en verklaringen. De feitelijke lasten in de sfeer van de algemene ondersteuning zoals huisvesting, organisatie en personeel worden echter niet toegerekend aan dit cluster maar voor een belangrijk deel aan de diverse taakgebieden. De vergelijkingen voor het cluster Bestuur en ondersteuning worden in onderstaande tabel 5.4 weergegeven. Tabel 5.4
Vergelijkingen cluster Bestuur en ondersteuning
Cluster Bestuur en ondersteuning a
b1
b2
b3
b4
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2023
62
-27
-5
-14
-27
-23
2024
70
10
4
-11
-30
15
Jaar
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024
77
c Verschil Vlissingen met uitkering GF vergeleken met Verschil selectiegroep met uitkering GF per inwoner
Uit tabel 5.4 kan worden opgemaakt dat bij het cluster Bestuur en ondersteuning Vlissingen in 2023 € 62 per inwoner en in 2024 € 70 per inwoner lagere nettolasten heeft dan het ijkpunt van het gemeentefonds (a). Daarentegen heeft Vlissingen in beide jaren wel hogere nettolasten de groottegroep (b3) en gemeenten in Zeeland (b4). Ten slotte blijkt dat Vlissingen in 2023 € 23 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds zit dan de selectiegemeenten (c). In 2024 is daar echter een ander beeld te zien en zit Vlissingen € 15 per inwoner meer onder het ijkpunt van het gemeentefonds. Uit bijlage 5.1 volgt dat het verschil met de selectiegroep in 2023 hoofdzakelijk wordt gedreven door een groter verschil op het taakveld 0.2 Burgerzaken. Vlissingen heeft op dit taakveld € 27 per inwoner hogere nettolasten dan de selectiegroep. Ten aanzien van 0.1 Bestuur en 0.4 Overhead zijn de verschillen in 2023 per saldo neutraal. Uit bijlage 5.2 blijkt dat Vlissingen in 2024 nog steeds meer uitgeeft op taakveld 0.2 Burgerzaken, namelijk € 30 per inwoner hogere nettolasten dan de selectiegroep. Echter op het taakveld 0.4 Overhead heeft Vlissingen in 2024 fors lagere nettolasten van € 33 per inwoner dan de selectiegroep. Op grond van deze vergelijkingen heeft er in 2023 en 2024 geen verdiepend onderzoek plaatsgevonden voor dit cluster.
5.3.2
Uitgavencluster Sociale basisvoorzieningen Het uitgavencluster Sociale basisvoorzieningen bestaat uit de taakvelden 6.1 Samenkracht en burgerparticipatie, 6.2 Toegang en eerstelijnsvoorzieningen (Wijkteams) en 7.1 Volksgezondheid. Onder taakveld 6.1 vallen onder andere voorzieningen die gericht zijn op participatie, zoals ondersteuning op participatie gerichte burgerinitiatieven, buurt- en clubhuizen, maar ook noodopvang voor vluchtelingen. Taakveld 6.2 bevat alle loketvoorzieningen die erop gericht zijn om de eigen kracht te identificeren en het doorgeleiden naar de juiste vorm van individuele ondersteuning vanuit specifieke wijkteams, gemeentelijke loketten of voor centra voor jeugd en gezin. Ten slotte ziet taakveld 7.1 op de maatregelen om de gezondheid van de gehele bevolking, risicogroepen, jeugdigen en ouderen te beschermen. De vergelijkingen voor het cluster Sociale basisvoorzieningen worden in onderstaande tabel 5.5 weergegeven. Tabel 5.5
Vergelijkingen cluster Sociale basisvoorzieningen
Cluster Sociale basisvoorzieningen a
b1
b2
b3
b4
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2023
-173
-157
-140
-209
-146
-142
2024
-184
-159
-140
-204
-149
-143
Jaar
c Verschil Vlissingen met uitkering GF vergeleken met Verschil selectiegroep met uitkering GF per inwoner
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024
Vlissingen geeft vergeleken met het ijkpunt van het gemeentefonds € 173 per inwoner (2023) en € 184 per inwoner (2024) meer uit. Ook vergeleken met alle andere groepen gemeenten (b1 t/m b4) geeft Vlissingen in 2023 en 2024 per inwoner meer uit. Tussen 2023 en 2024 wijzigt dat beeld nauwelijks. Dit verschil is het grootst vergeleken met de gemiddelde nettolasten van de groottegroep (b3) en bedraagt € 209 per inwoner (2023) en
78
€ 204 per inwoner (2024). Het verschil is het kleinst als de nettolasten van Vlissingen worden afgezet tegen de soortgenoten (b2), dit is € 140 per inwoner in zowel 2023 als 2024. Ten slotte zit Vlissingen in 2023 € 142 per inwoner en in 2024 € 142 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds dan de selectiegemeenten (c). Het verschil tussen Vlissingen en de selectiegroep wordt grotendeels gevoed door de nettolasten op taakveld 6.2 Toegang en eerstelijnsvoorzieningen (Wijkteams). Het verschil in 2023 met de selectiegroep bedraagt dan gemiddeld € 99 per inwoner (bijlage 5.1). In 2024 is dat verschil gestegen naar € 101 per inwoner (bijlage 5.2). Voor taakveld 6.1 Samenkracht en burgerparticipatie is dit verschil ook nog substantieel met € 61 per inwoner in 2023 en € 56 per inwoner in 2024. Voor taakveld 7.1 kent Vlissingen € 5 per inwoner lagere nettolasten dan de selectiegemeenten in 2023 en € 2 per inwoner hogere nettolasten dan de selectiegemeenten in 2024 Dit cluster is onderdeel van het sinds 2019 lopende artikel 12-onderzoek naar het sociaal domein en werk & inkomen. Dit onderzoek is in 2023 voortgezet. Zie hiervoor hoofdstuk 6 van dit voorliggende inspectierapport.
5.3.3
Uitgavencluster Participatie Het uitgavencluster Participatie heeft betrekking op de taakvelden 6.3 Inkomensregelingen, 6.4 Wsw en beschut werk (Begeleide participatie) en 6.5 Arbeidsparticipatie. Onder deze taakvelden vallen alle inkomens- en bijstandsvoorzieningen (o.a. Participatiewet, IOAW, IOAZ), voorzieningen om de maatschappelijke participatie te bevorderen maar die niet tot doel hebben om naar arbeid door te stromen (zoals beschut werk) en alle op arbeid gerichte participatie- en re-integratievoorzieningen. De vergelijkingen voor het cluster Participatie worden in onderstaande tabel 5.6 weergegeven. Tabel 5.6
Vergelijkingen cluster Participatie
Cluster Participatie a Jaar
b1
b2
b3
b4
c Verschil Vlissingen met uitkering GF vergeleken met
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2023
-33
-99
56
-245
-196
-23
2024
-62
-115
66
-274
-217
-39
Verschil selectiegroep met uitkering GF per inwoner
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024
Op dit cluster geeft Vlissingen in 2023 € 33 per inwoner meer uit dan het ijkpunt van het gemeentefonds. In 2024 is dat opgelopen naar € 62 per inwoner. Negatieve verschillen zijn er ook in 2023 en 2024 vergeleken met de selectiegroep (b1), de groottegroep (b3) en andere gemeenten in Zeeland (b4). Vergeleken met de groottegroep is het verschil per inwoner met € 245 per inwoner (2023) en € 274 per inwoner (2024) het grootst. Daarentegen geeft Vlissingen € 56 per inwoner (2023) en € 56 per inwoner (2024) minder uit vergeleken met gemeenten met een zwakke sociale structuur en redelijke centrumfunctie (b2). Ook is te zien dat Vlissingen in 2023 € 23 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds zit dan de selectiegemeenten (c). In 2024 is dat opgelopen naar € 39 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds dan de selectiegemeenten
79
Het negatieve verschil tussen Vlissingen en de selectiegroep is afkomstig van taakveld 6.4 Wsw en beschut werk (Begeleide participatie). Dagbesteding als individuele voorziening Wmo valt hier niet onder. Zoals uit bijlage 5.1 blijkt geeft Vlissingen op dit taakveld in 2023 gemiddeld € 244 per inwoner meer uit dan de selectiegroep. In bijlage 5.2 is te zien dat dat in 2024 is opgelopen naar € 284 per inwoner. Dit verschil wordt in 2023 gedempt door € 65 lagere lasten per inwoner op het vlak van taakveld 6.3 Inkomensregelingen en zelfs € 81 per inwoner lagere lasten op taakveld 6.5 Arbeidsparticipatie. In 2024 is dat respectievelijk € 89 per inwoner lagere lasten en € 80 per inwoner lagere lasten. Dit cluster is onderdeel van het sinds 2019 lopende artikel 12-onderzoek naar het sociaal domein en werk & inkomen. Dit onderzoek is in 2023 voortgezet. Zie hiervoor hoofdstuk 6 van dit voorliggende inspectierapport.
5.3.4
Uitgavencluster Wmo Het uitgavencluster Wmo bestaat uit taakvelden 6.6 Maatwerkvoorzieningen, 6.71a Huishoudelijke hulp, 6.71b Begeleiding, 6.71c Dagbesteding, 6.71d Overige maatwerkarrangementen, 6.81a Beschermd wonen en 6.81b Maatschappelijke- en vrouwenopvang. Onder maatwerkvoorzieningen worden alle materiële voorzieningen en vervoers- en woondiensten voor mensen met fysieke beperkingen verstaan om op zelfstandige basis te kunnen blijven functioneren als zij een beschikking hebben ontvangen. Voor dit cluster dient te worden opgemerkt dat Vlissingen als centrumgemeente is aangemerkt voor de regio Zeeland en in die hoedanigheid centrumgemeentemiddelen uit het gemeentefonds ontvangt voor beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke ondersteuning (MO). De vergelijkingen voor het cluster Wmo worden in onderstaande tabel 5.7 weergegeven. Tabel 5.7
Vergelijkingen cluster Wmo
Cluster Wmo a
b1
b2
b3
b4
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2023
-17
-1.068
-899
-1.136
-991
29
2024
16
-1.119
-929
-1.186
-1.036
42
Jaar
c Verschil Vlissingen met uitkering GF vergeleken met Verschil selectiegroep met uitkering GF per inwoner
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024
Uit de eerste vergelijking tussen Vlissingen en het ijkpunt met het gemeentefonds volgt dat Vlissingen € 17 per inwoner meer uitgeeft in 2023. In 2024 is dat echter omgeslagen en geeft Vlissingen € 16 per inwoner minder uit dan het ijkpunt van het gemeentefonds. Dit verschil is relatief gering vergeleken met de verschillen die ontstaan vanuit de vergelijking van de nettolasten met alle andere categorieën gemeenten (b1 t/m b4). Deze negatieve verschillen zijn fors hoger en bedragen in 2024 minimaal € 929 per inwoner (b2) tot maximaal € 1.186 per inwoner vergeleken met de groottegroep (b3). Bij de vergelijking van het verschil van de nettolasten met het gemeentefonds (c) zit Vlissingen in 2023 € 29 per inwoner onder het verschil van de selectiegroep met het gemeentefonds. In 2024 loopt dat verder op naar € 42 per inwoner onder het verschil van de selectiegroep met het gemeentefonds.
80
Dat Vlissingen hogere nettolasten heeft dan de selectiegroep komt met name door de nettolasten geboekt op taakveld 6.81a Beschermd Wonen (Wmo), waar zij in 2023 € 796 per inwoner meer uitgeeft, en 6.81b Maatschappelijke- en vrouwenopvang (Wmo), waar in 2023 € 251 per inwoner meer wordt uitgegeven. Zie ook bijlage 5.1. In 2024 is sprake van respectievelijk € 845 en € 259 aan hogere nettolasten (bijlage 5.2). Voor de overige taakvelden op dit cluster zijn de verschillen met de selectiegroep een stuk kleiner en tellen op tot een negatief verschil van € 23 per inwoner (2023) en € 16 per inwoner (2024), dus hogere nettolasten Echter, zoals eerder aangegeven ontvangt Vlissingen centrumgemeentemiddelen voor beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke ondersteuning (MO). Op basis van betaalmaand februari ontvangt Vlissingen in totaal € 46,3 miljoen (2023) en € 49,4 miljoen (2024) aan middelen voor BW, VO en MO. Bovenstaande vergelijking tussen de nettolasten van Vlissingen met de groepen gemeenten b1 t/m b4 geeft daarmee een vertekend beeld. Het is daarom ook positief te constateren dat het verschil van de nettolasten van Vlissingen ten opzichte van het gemeentefonds lager is vergeleken met het verschil van de nettolasten van de selectiegroep met het gemeentefonds.
Dit cluster is onderdeel van het sinds 2019 lopende artikel 12-onderzoek naar het sociaal domein en werk & inkomen. Dit onderzoek is in 2023 voortgezet. Zie hiervoor hoofdstuk 6 van dit voorliggende inspectierapport. 5.3.5
Uitgavencluster Jeugd Het uitgavencluster Jeugd bestaat uit een reeks taakvelden. Dat zijn 6.72a Jeugdzorg begeleiding, 6.72b Jeugdzorg behandeling, 6.72c Jeugdhulp dagbesteding, 6.72d Jeugdhulp zonder verblijf overig, 6.73a Pleegzorg, 6.73b Gezinsgericht, 6.73c Jeugdhulp met verblijf overig, 6.74a Jeugd behandeling GGZ zonder verblijf, 6.74b Jeugdhulp crisis/LTA/GGZverblijf, 6.74c Gesloten plaatsing, 6.82a Jeugdbescherming en 6.82b Jeugdreclassering. Deze taakvelden zijn vanaf de begroting 2023 in deze verfijnde vorm opgenomen. Begeleiding bij taakveld 6.72a heeft betrekking op het oefenen en structureren van dagelijkse vaardigheden. Vervolgens gaat 6.72b over ambulante behandeling. Dagbesteding bij taakveld 6.72c gaat over de dagbehandeling, inclusief vervoer, en ook ambulante hulp in relatie tot dagbesteding/dagactiviteiten. Taakveld 6.72d ziet op alle overige maatwerkvoorzieningen die niet onder de eerdere taakvelden kunnen worden opgenomen. Taakveld 6.73a ziet op jeugdhulp wanneer er sprake is van opnemen van jongeren in een pleeggezin met begeleiding van een pleegzorgaanbieder, 6.73b over jeugdhulp met verblijf met of zonder behandeling en 6.73c over het verblijf van jongeren in een accommodatie samen met andere jongeren.
Vervolgens gaan 6.74a over GGZbehandelingen en Kindergeneeskunde en 6.74b over jeugdhulp dat door een crisissituatie thuis of bij een aanbieder wordt verleend en GGZ-behandeling met opname. Van 6.74c is sprake bij jeugdhulp vanuit een aanbieder en er sprake is van gesloten jeugdzorg. Ten slotte hebben 6.82a en 6.82b betrekking op jeugdbescherming, en begeleiding en controle van jongeren vanaf 12 jaar die een proces-verbaal hebben gekregen. De vergelijkingen voor het cluster Jeugd worden in onderstaande tabel 5.8 weergegeven.
81
Tabel 5.8
Vergelijkingen cluster Jeugd
Cluster Jeugd a Jaar
b1
b2
b3
b4
c
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Verschil Vlissingen met uitkering GF
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2023
51
-46
8
-144
-110
7
2024
65
-84
4
-176
-121
-17
Verschil selectiegroep met uitkering GF per inwoner ( x € 1)
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024
Uit tabel 5.8 volgt een wisselend beeld. Vlissingen heeft allereerst € 51 per inwoner (2023) en € 65 per inwoner (2024) lagere nettolasten dan het gemeentefonds voor het cluster Jeugd. Ook geeft zij € 8 per inwoner (2023) en € 4 per inwoner (2024) minder uit dan de soortgenoten (b2). Daarentegen geeft Vlissingen in 2023 en 2024 meer uit dan achtereenvolgens de selectiegroep (b1), andere gemeenten in Zeeland (b4) en gemeenten in de groottegroep (b3). Dit verschil loopt bovendien op in 2024 ten opzichte van 2023. Met betrekking tot het verschil van de nettolasten met het gemeenfonds (c) heeft Vlissingen in 2023 een positief verschil van € 7 per inwoner ten opzichte van de selectiegroep, dus lagere nettolasten. In 2024 is dit echter omgeslagen naar € 17 per inwoner hogere nettolasten. Uit bijlage 5.1 valt op te maken dat Vlissingen ten opzichte van de selectiegroep met name meer uitgeeft op de taakvelden 6.72a Jeugdzorg begeleiding, 6.72c Jeugdhulp dagbesteding en 6.74a Jeugd behandeling GGZ zonder verblijf. Met name op het taakveld 6.72b Jeugdzorg behandeling geeft Vlissingen minder uit dan de selectiegroep. Uit bijlage 5.2 blijkt dat dat min of meer ook voor 2024 zo is, alhoewel het verschil bij 6.72a Jeugdzorg begeleiding oploopt en het verschil bij 6.74a Jeugd behandeling GGZ zonder verblijf is verdwenen.
Dit cluster is onderdeel van het sinds 2019 lopende artikel 12-onderzoek naar het sociaal domein en werk & inkomen. Dit onderzoek is in 2023 voortgezet. Zie hiervoor hoofdstuk 6 van dit voorliggende inspectierapport.
5.3.6
Uitgavencluster Orde en veiligheid Het uitgavencluster Orde en veiligheid bestaat uit taakvelden 1.1 Crisisbeheersing en brandweer en 1.2 Openbare orde en veiligheid. Onder taakveld 1.1 vallen alle reguliere taken van de brandweer in verband met de beperking en bestrijding van rampen en zware ongevallen. Daarnaast ziet 1.2 op alle gemeentelijke taken ten aanzien van openbare orde en veiligheid. De vergelijkingen voor het cluster Orde en veiligheid worden in onderstaande tabel 5.9 weergegeven.
82
Tabel 5.9
Vergelijkingen cluster Orde en Veiligheid
Cluster Orde en veiligheid a Jaar
b1
b2
b3
b4
c Verschil Vlissingen met uitkering GF vergeleken met
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2023
3
14
-17
-27
-3
11
2024
10
25
-2
-17
13
22
Verschil selectiegroep met uitkering GF per inwoner
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024
Een positief verschil tussen het ijkpunt van het gemeentefonds en de nettolasten voor Vlissingen is voor dit cluster in 2023 en 2024 zichtbaar. Dit verschil bedraagt € 3 per inwoner in 2024 en loopt in 2024 op naar € 10 per inwoner. Ook vergeleken met de selectiegroep (b1) geeft Vlissingen minder uit in beide jaren en ook dit verschil loopt op in 2024. Daarentegen zijn de nettolasten afgezet tegen de soortgenoten (b2), groottegroep (b3) en andere gemeenten in Zeeland (b4) van Vlissingen hoger in 2023. In 2024 zien we echter wel dat deze verschillen teruglopen en is er bij de vergelijking met de gemeente in Zeeland (b4) sprake van lagere nettolasten voor Vlissingen van € 13 per inwoner. Ten slotte is er in 2023 en 2024 ook een positief verschil ten opzichte van de selectiegroep bij de vergelijking van het verschil tussen de nettolasten en het gemeentefonds van respectievelijk € 11 per inwoner en € 12 per inwoner. In bijlage 5.1 is te zien dat Vlissingen in 2023 € 1 per inwoner minder uitgeeft aan 1.1 Crisisbeheersing en brandweer dan de selectiegroep en € 13 per inwoner minder uitgeeft voor 1.2 Openbare orde en veiligheid. In bijlage 5.2 is te zien dat dat Vlissingen in 2024 € 1 per inwoner minder uitgeeft aan 1.1 Crisisbeheersing en brandweer dan de selectiegroep en € 25 per inwoner minder uitgeeft voor 1.2 Openbare orde en veiligheid.
Op grond van deze vergelijkingen heeft er in 2023 en 2024 geen verdiepend onderzoek plaatsgevonden voor dit cluster.
5.3.7
Uitgavencluster Onderwijs Het uitgavencluster Onderwijs bestaat uit de taakvelden 4.1 Openbaar basisonderwijs, 4.2 Onderwijshuisvesting en 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingzaken. Hieronder vallen de taken ten aanzien van openbaar basisonderwijs, zoals huur van lokalen en passend onderwijs, maar ook onderhuisvesting voor openbaar en bijzonder onderwijs, en lasten voor lokaal onderwijsbeleid en de leerlingvoorzieningen. De vergelijkingen voor het cluster Onderwijs worden in onderstaande tabel 5.10 weergegeven.
83
Tabel 5.10
Vergelijkingen cluster Onderwijs
Cluster Onderwijs a Jaar
b1
b2
b3
b4
c Verschil Vlissingen met uitkering GF vergeleken met
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2023
-2
-11
-6
-27
-17
-52
2024
10
-5
-5
-17
-1
-49
Verschil selectiegroep met uitkering GF per inwoner ( x € 1)
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024
Vlissingen geeft in 2023 op het gebied van onderwijs € 2 per inwoner meer uit dan het ijkpunt van het gemeentefonds (a). Dit verschil is in 2023 ook negatief (dus hogere nettolasten) vergeleken met de selectiegroep (b1), soortgenoten (b2), grootteroep (b3) en gemeenten in Zeeland (b4). Het negatieve verschil met de groottegroep (b3) is het grootst en bedraagt € 27 per inwoner. Ten slotte zit Vlissingen in 2023 ook € 52 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds dan de selectiegemeenten (c). In 2024 veranderde dat beeld enigszins. Vlissingen geeft in 2024 op het gebied van onderwijs juist € 10 per inwoner minder uit dan het ijkpunt van het gemeentefonds (a). Vergeleken met de selectiegroep (b1), soortgenoten (b2), grootteroep (b3) en gemeenten in Zeeland (b4) blijft Vlissingen in 2024 meer nettolasten houden, echter de verschillen lopen wel terug. Ook bij de vergelijking van het verschil met de uitkering uit het gemeentefonds tussen Vlissingen en de selectiegroep loopt het verschil iets terug naar € 49 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds dan de selectiegemeenten. Vlissingen geeft in 2023 op de taakvelden 4.1 Openbaar basisonderwijs en 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingzaken, opgeteld € 19 minder uit dan de selectiegroep (zie bijlage 5.1). Dit wordt tenietgedaan door € 31 hogere lasten per inwoner voor taakveld 4.2 Onderwijshuisvesting.
Ook in 2024 geeft Vlissingen op de taakvelden 4.1 Openbaar basisonderwijs en 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingzaken, opgeteld € 19 minder uit dan de selectiegroep (zie bijlage 5.2). Ook in 2024 wordt dit tenietgedaan door in dat jaar € 24 hogere lasten per inwoner voor taakveld 4.2 Onderwijshuisvesting. Dat is in totaal meer dan € 1,1 miljoen aan hogere nettolasten op onderwijshuisvesting. Op grond van deze vergelijkingen zijn de inspecteurs van mening dat er een besparingspotentieel is bij onderwijshuisvesting. Hierop wordt teruggekomen in hoofdstuk 7 (Klassiek domein) van het voorliggende inspectierapport.
5.3.8
Uitgavencluster Sport, cultuur en recreatie Het uitgavencluster Sport, cultuur en recreatie bestaat uit taakvelden 5.1 Sportbeleid en activering, 5.2 Sportaccommodaties, 5.3 Cultuurpresentatie, cultuurproductie en cultuurparticipatie, 5.4 Musea, 5.5 Cultureel erfgoed, 5.6 Media en 5.7 Openbaar groen en (openlucht) recreatie. Onder taakveld 5.1 wordt alle niet-fysieke maatregelen ter stimulering van professionele- en amateursport verstaan. Taakveld 5.2 ziet op alle accommodaties voor sportbeoefening, terwijl taakveld 5.3 alle activiteiten ter bevordering van beeldende kunst, muziek, dans en toneel beslaat. Taakveld 5.4 musea is gericht op het verwerven, behouden, wetenschappelijk onderzoeken en presenteren van kunst en cultuur, terwijl het conserveren en voor het publiek toegankelijk maken van cultureel erfgoed onder taakveld 5.5 valt. Vervolgens ziet 5.6 Media op de zorg voor fysieke en elektronische
84
cultuurdragers en valt de verplichting voor het openbaar groen, natuur en recreatie onder taakveld 5.7. De vergelijkingen voor het cluster Sport, cultuur en recreatie worden in onderstaande tabel 5.11 weergegeven. Tabel 5.11
Vergelijkingen cluster Sport, cultuur en recreatie
Cluster Sport, cultuur en recreatie a Jaar
b1
b2
b3
b4
c Verschil Vlissingen met uitkering GF vergeleken met
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2023
76
29
18
-10
59
75
2024
108
65
35
20
92
114
Verschil selectiegroep met uitkering GF per inwoner ( x € 1)
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024
Voor dit cluster geeft Vlissingen in 2023 € 76 per inwoner minder uit dan het ijkpunt van het gemeentefonds verondersteld. In 2024 is dat zelfs opgelopen naar € 108 per inwoner minder aan uitgaven dan het ijkpunt van het gemeentefonds. Ook ten opzichte van de selectiegroep (b1), de soortgenoten (b2) en gemeenten in Zeeland (b4) geeft Vlissingen per inwoner minder uit in zowel 2023 als 2024 en in 2024 lopen die verschillen verder op. Alleen bij de vergelijking met de groottegroep geeft Vlissingen in 2023 meer uit. In 2024 is echter ook daar sprake van minder nettolasten. Deze positieve verschillen zijn in beide jaren ook zichtbaar in de vergelijking met de selectiegroep van het verschil van de nettolasten van Vlissingen en het gemeentefonds (c) en in 2024 loopt het verschil verder op. Dat Vlissingen minder uitgeeft dan de gemiddelde selectiegroep komt in 2023 met name door € 47 lagere lasten per inwoner voor lasten op het taakveld 5.3 Cultuurpresentatie, cultuurproductie en cultuurparticipatie, zoals valt af te lezen van bijlage 5.1. Maar ook 5.6 Media, 5.5 Cultureel erfgoed en 5.7 Openbaar groen en (openlucht) recreatie dragen in 2023 in positieve zin voor in totaal € 19 per inwoner bij aan het verschil.
Daar staat tegenover dat de nettolasten voor 5.1 Sportbeleid en activering, 5.2 Sportaccommodaties en 5.4 Musea opgeteld in 2023 € 36 per inwoner hoger liggen dan de selectiegroep. In 2024 geeft Vlissingen alleen nog op de taakvelden 5.1 Sportbeleid en activering en 5.4 Musea opgeteld € 14 per inwoner meer uit (bijlage 5.2). Op de andere taakvelden in dit cluster geeft Vlissingen minder uit en wel opgeteld € 81 per inwoner. Op grond van deze vergelijkingen heeft er in 2023 en 2024 geen verdiepend onderzoek plaatsgevonden voor dit cluster.
5.3.9
Uitgavencluster Infrastructuur, ruimte en milieu Het uitgavencluster Infrastructuur, ruimte en milieu bestaat uit de taakvelden 0.63 Parkeerbelasting, 0.9 Vennootschapsbelasting (Vpb), 2.1 Verkeer en vervoer, 2.2 Parkeren, 2.3 Recreatieve havens, 2.4 Economische havens en waterwegen, 2.5 Openbaar vervoer, 3.1 Economische ontwikkeling, 3.2 Fysieke bedrijfsinfrastructuur (uitzondering: grex = Overige Eigen Middelen), 3.3 Bedrijvenloket en bedrijfsregelingen, 3.4 Economische promotie, 7.2 Riolering, 7.3 Afval, 7.4 Milieubeheer, 7.5 Begraafplaatsen en crematoria, 8.1 Ruimtelijke ordening en 8.3 Wonen en bouwen.
85
Deze groep taakvelden is omvangrijk en divers van aard, en ziet allereerst op de taakvelden gericht op parkeerbelasting en het te betalen bedrag vennootschapsbelasting, maar ook de taken op het gebied van verkeer te land (inclusief voetgangers) en bijbehorende infrastructuur (2.1). Taakveld 2.2 Parkeren ziet op de ontwikkeling en het beheer van (afzonderlijke) parkeervoorzieningen, 2.3 Recreatieve havens gaat over de taken voor recreatieve scheepvaart en 2.4 ziet op (beroeps)scheepvaart en de bijbehorende infrastructuur. Aansluitend gaat 2.5 over taken ten aanzien van openbaar vervoer en bijbehorende infrastructurele voorzieningen. Daarnaast ziet 3.1 Economische ontwikkeling op het beleid ter versterking van de economische bedrijvigheid, 3.2 op het scheppen van fysieke condities voor alle vormen van bedrijvigheid, 3.3 over taken die behoren bij de op bedrijven en ondernemers gerichte ondersteuning en dienstverlening vanuit Vlissingen en sluit 3.4 af met de activiteiten gericht op de marketing van de gemeente. Tevens vallen onder 7.2 de taken ten aanzien van afvalwater en de waterhuishouding. 7.3 gaat over de inzameling en verwerking van bedrijfs- en huishoudelijk afval, 7.4 heeft betrekking op de taken ter bescherming van het milieu en 7.5 bevat de taken op het gebied van de lijkbezorging.
Ten slotte vallen de taken op het gebied van de ruimtelijke ordening en ontwikkeling en functietoedeling van de leefomgeving onder 8.1 en vallen de taken ten aanzien van gebiedsontwikkeling, woningvoorraad en huisvestingsvoorziening onder 8.3 Bouwen en wonen. De vergelijkingen voor het cluster Infrastructuur, ruimte en milieu worden in onderstaande tabel 5.12 weergegeven. Tabel 5.12
Vergelijking cluster Infrastructuur, ruimte en milieu
Cluster Infrastructuur, ruimte en milieu a Jaar
b1
b2
b3
b4
c Verschil Vlissingen met uitkering GF vergeleken met
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
Nettolasten Vlissingen
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
vergeleken met
IJkpunt van het gemeentefonds
Gemiddelde nettolasten selectiegroep
Gemiddelde nettolasten soortgenoten
Gemiddelde nettolasten groottegroep
per inwoner
per inwoner
per inwoner
per inwoner
Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland per inwoner
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
( x € 1)
2023
-32
-92
-47
-81
-135
-54
2024
23
15
37
-12
-69
55
Verschil selectiegroep met uitkering GF per inwoner
-/- hogere nettolasten voor Vlissingen Gemeentefonds op basis van betaalmaand februari 2023 en februari 2024 Nettolasten op basis van initiele begroting 2023 en 2024
Op het vlak van de gecombineerde taakvelden behorend bij het cluster Infrastructuur, ruimte en milieu geeft Vlissingen in 2023 € 32 per inwoner meer uit dan het gemeentefonds. Ook afgezet tegen de soortgenoten (b2) wordt in 2023 meer uitgegeven (€ 47 per inwoner). In 2023 loopt dit op naar een negatief verschil van € 81 per inwoner met de groottegroep (b3), € 92 per inwoner vergeleken met de selectiegroep (b1) tot € 135 per inwoner bij de vergelijking met de Zeeuwse gemeenten (b4). Ook bij de vergelijking van het verschil tussen de nettolasten en het gemeentefonds geeft Vlissingen in 2023 per inwoner meer uit dan de selectiegroep (c). Dit verschil is € 54 per inwoner. In 2024 verandert dit beeld echter grondig. Bij de vergelijking met het gemeentefonds (a) geeft Vlissingen dan juist minder uit, namelijk € 23 per inwoner. Ook bij de vergelijking met de selectiegroep (b1) en soortgenoten (b2) geeft Vlissingen in 2024 respectievelijk € 15 per inwoner en € 37 per inwoner minder uit. Bij de vergelijkingen met de groottegroep b3) en gemeenten in Zeeland (b4) geeft Vlissingen in 2024 nog steeds meer uit, echter de verschillen lopen met respectievelijk € 12 per inwoner en € 69 per inwoner aan meer uitgaven wel fors terug. Ook bij de vergelijking van het verschil tussen de nettolasten en het gemeentefonds zien we in 2024 een omslag.
In dat jaar geeft Vlissingen per inwoner minder uit dan de selectiegroep (c). Dit verschil is € 55 per inwoner.
86
Zoals hierboven weergegeven bevat dit cluster de meeste taakvelden van alle clusters (17 stuks). De taakvelden waar Vlissingen in 2023 substantieel minder uitgeeft dan de selectiegroep zijn 7.3 Afval (€ 29 per inwoner) en 0.63 Parkeerbelasting (€ 21 per inwoner), terwijl Vlissingen met name meer kwijt is aan 2.1 Verkeer en vervoer (€ 79 per inwoner), 8.3 Wonen en bouwen (€ 36 per inwoner) en 7.4 Milieubeheer (€ 22 per inwoner). Zie hiervoor bijlage 5.1. Uit bijlage 5.2 blijkt dat in 2024 Vlissingen met name nog steeds meer nettolasten heeft op het taakveld 2.1 Verkeer en vervoer (€ 79 per inwoner). In dat jaar heeft Vlissingen echter met name op de taakvelden 7.3 Afval (€ 32 per inwoner) en 8.3 Wonen en bouwen (€ 34 per inwoner) minder nettolasten dan de selectiegroep. Op grond van deze vergelijkingen heeft er in 2023 en 2024 geen verdiepend onderzoek plaatsgevonden voor dit cluster. Wel is een deel van dit cluster nader beoordeeld in het kader van de beoordeling van een aantal beheerpannen kapitaalgoederen (paragraaf 7.3).
5.4
Vergelijking begroting en jaarrekening Al een aantal jaar wordt geconstateerd dat gemeenten macro gezien een tekort begroten, terwijl er uiteindelijk over dat jaar een overschot wordt gerealiseerd. Als er jaren achtereen bij de uitgaven een positief verschil is tussen het gerealiseerde en begrote saldo (baten – lasten) bij bepaalde taken, dan kan dat duiden op dat er structureel te hoge budgetten/uitgaven worden begroot en er dus mogelijk ‘lucht’ in de begroting zit. Als er jaren achtereen bij de inkomsten een positief verschil is tussen het gerealiseerde en begrote saldo, dan kan dat duiden op dat er structureel te lage inkomsten worden begroot en dus mogelijk de begroting hierop structureel aangepast kan worden. Om te bezien of dat voor Vlissingen het geval is, zijn voor de jaren 2017-2022 de gerealiseerde en begrote saldi van de inkomsten en uitgaven met elkaar vergeleken. Onderstaande tabel 5.13 geeft deze vergelijking weer in totaal en uitgesplitst naar taakvelden.
87
Tabel 5.13
Verschil tussen gerealiseerd en begroot saldo (baten - lasten) in totaal en per (hoofd-) taakveld (bedragen x € 1.000)
Bedragen x 1.000
Taakvelden
2017
2018
2019
2020
2021
2022
Gemiddelde
Begroot saldo
0.10 Mutaties reserves + 0.11 Resultaat van rekening van baten en lasten
-4.900
-3.166
-5.154
-4.502
-2.890
-3.484
-4.016
Gerealiseerd saldo
0.10 Mutaties reserves + 0.11 Resultaat van rekening van baten en lasten
7.650
28.668
16.491
30.809
25.135
36.373
24.188
12.550
31.834
21.645
35.311
28.025
39.857
28.204
4.997
17.578
18.194
19.045
10.891
16.651
14.559
Verschil Verschil inkomsten: Gemeentefonds Belastingen
Overig
0.7 Algemene uitkering en overige uitkeringen gemeentefonds 0.61 OZB w oningen
3.364
4.164
4.535
10
31
445
2.092
0.62 OZB niet-w oningen
-3.722
-4.488
-4.414
-53
3
242
-2.072
0.63 Parkeerbelasting
124
68
216
-523
-457
-182
-126
0.64 Belastingen overig
-376
-27
-33
-32
-178
32
-102
0
0
0
0
0
0
0
0.5 Treasury
0.3 Beheer overige gebouwen en gronden
2.178
360
579
24
128
5.116
1.398
0.8 Overige baten en lasten
2.250
1.924
1.868
648
1.093
611
1.399
0.9 Vennootschapsbelasting
-10
6
11
11
13
12
7
Grondexploitatie
8.2 Grondexploitatie (niet-bedrijventerreinen)
780
21.446
-3.888
6.680
1.463
-2.515
3.994
Economie
3.1 Economische ontw ikkeling 3.2 Fysieke bedrijfsinfrastructuur 3.3 Bedrijvenloket en bedrijfsregelingen 3.4 Economische promotie
Totaal verschil inkomsten
0
21
45
-5
-223
17
-24
6.999
3.527
9.722
-247
1.162
-3.662
2.917
8
-12
12
3
-2
-1
1
382
276
518
202
150
226
292
16.974
44.843
27.365
25.763
14.074
16.992
24.335
Verschil uitgaven klassiek domein: Bestuur en burgerzaken
0.1 Bestuur
595
-229
-981
-186
67
-39
-129
0.2 Burgerzaken
67
-30
183
60
20
128
71
Overhead
0.4 Overhead
388
418
858
1.236
146
2.152
866
Veiligheid
1.1 Crisisbeheersing en brandweer
Verkeer en vervoer
65
36
-118
106
88
13
32
1.2 Openbare orde en veiligheid
-319
-240
-182
-108
-263
-179
-215
2.1 Verkeer en vervoer
308
-5.368
425
-113
-150
384
-752
2.2 Parkeren
-10
140
163
198
68
70
105
0
0
0
0
0
0
0
-69
-2.138
62
387
469
197
-182
0
0
0
0
0
0
0
2.3 Recreatieve havens 2.4 Economische havens en w aterw egen 2.5 Openbaar vervoer Onderw ijs
4.1 Openbaar basisonderwijs 4.2 Onderw ijshuisvesting 4.3 Onderw ijsbeleid en leerlingzaken
Sport, cultuur en recreatie
0
0
0
0
0
209
-128
-1.361
-299
-107
-1.494
57
526
-210
153
121
-141
5.1 Sportbeleid en activering
101
-911
-383
-62
235
-318
-223
-657
-151
-46
-16
65
81
-121
5.3 Cultuurpresentatie, cultuurproductie en cultuurparticipatie
289
69
45
59
-648
76
-18
5.4 Musea
10
-51
-199
-303
59
38
-74
5.6 Media 5.7 Openbaar groen en (openlucht) recreatie
Wonen en bouwen
0 414
5.2 Sportaccommodaties
5.5 Cultureel erfgoed
Volksgezondheid en milieu
0 526
54
44
31
-11
-216
-77
-29
-1.522
-425
-268
-58
-212
297
-365
159
-114
-373
256
68
-35
-7 -45
7.1 Volksgezondheid
-36
8
-180
-70
21
-13
7.2 Riolering
-404
113
183
923
-414
162
94
7.3 Afval
343
188
3
-401
258
473
144
7.4 Milieubeheer
153
72
163
47
-83
370
120
7.5 Begraafplaatsen en crematoria
47
57
-88
-9
70
108
31 696
8.1 Ruimtelijke ordening
127
41
149
3.997
-112
-27
8.3 Wonen en bouwen
-140
1.179
1.248
956
1.005
176
737
-1.419
-6.821
1.430
6.550
-667
3.859
489
6.1 Samenkracht en burgerparticipatie
1.073
1.071
-1.447
1.144
524
2.969
889
6.2 Wijkteams
-996
-109
440
-400
404
185
-79
6.3 Inkomensregelingen
381
-25
26
1.011
1.980
-5.325
-325
6.4 Begeleide participatie
-887
-488
-6
-962
-1.527
-1.229
-850
0
0
0
0
0
0
0
Totaal verschil uitgaven klassiek domein Verschil uitgaven sociaal domein: Algemene voorzieningen
Inkomensregelingen Participatie
6.5 Arbeidsparticipatie Maatw erk Wmo
6.6 Maatw erkvoorziening (Wmo)
-100
-347
-1.442
-757
-1.777
-905
244
2.470
-361
-359
641
-1.852
972
3.697
15.178
18.899
6.089
6.72 Maatw erkdienstverlening 18-
-3.806
-3.988
-5.055
-673
-2.724
255
-2.665
6.82 Geëscaleerde zorg 18-
2.397
57
42
-6
0
0
415
-2.998
-6.191
-7.152
3.015
14.616
19.004
3.382
6.71 Maatw erkdienstverlening 18+ 6.81 Geëscaleerde zorg 18+ Maatw erk Jeugd Totaal verschil uitgaven sociaal domein Groen: realisatie is positiever dan raming. Rood: realisatie is negatiever dan de raming
88
109
537
780
270
Uit de tabel blijkt dat dat in alle jaren in de periode 2017-2022 Vlissingen op basis van de bedragen geboekt op het taakveld 0.10 (Mutaties reserves) + taakveld 0.11 (Resultaat van rekening van baten en lasten) een tekort begroot (raamt) en uiteindelijk een overschot realiseert. De verschillen zijn per jaar fors te noemen. Onderstaand wordt hierop nader ingegaan via de verschillen bij respectievelijk de inkomsten, uitgaven klassiek domein en uitgaven sociaal domein. Verschil inkomsten Het verschil tussen raming en realisatie wordt met name veroorzaakt doordat elk jaar de inkomsten veel lager worden geraamd dan uiteindelijk worden gerealiseerd. Dit wordt onder andere veroorzaakt door resultaten bij de grondexploitaties (taakveld 8.2) en de fysieke bedrijfsinfrastructuur (taakveld 3.2). Dit zijn echter incidentele voor- en nadelen en hierbij kan dan ook niet geconcludeerd worden dat de begroting structureel opgehoogd kan worden. Bij de inkomsten zijn ook de verschillen bij de OZB opvallend. De opbrengsten OZB voor woningen worden met name in de jaren 2017-2019 fors lager geraamd dan uiteindelijk gerealiseerd. Bij de opbrengsten OZB voor niet woningen is het andersom. Daar wordt met name in die jaren hoger geraamd dan gerealiseerd. De grootste verschillen bij de inkomsten zijn echter te zien bij de uitkeringen uit het gemeentefonds (taakveld 0.7).
In alle jaren wordt er fors minder begroot dan uiteindelijk wordt gerealiseerd. Voor een deel wordt dit verklaard door de aanvullende uitkering uit het gemeentefonds in het kader van het artikel 12-onderzoek van Vlissingen, die pas in de jaarrekening wordt meegenomen. Daarnaast neemt Vlissingen in de meeste jaren de stand van het gemeentefonds in de septembercirculaire als uitgangspunt voor de begroting voor het komende jaar. Tussen dat moment en de afsluiting van het jaar neemt de omvang van het gemeentefonds toe door taakwijzigingen, vooral de laatste jaren door covid (2020 en 2021) en bijvoorbeeld de energietoeslag (2022). De hoger dan begrote baten in het gemeentefonds hebben hun spiegelbeeld in hoger dan begrote lasten op de uitgaventaakvelden. Dit is bijvoorbeeld te zien op het taakveld 6.3 (Inkomensregelingen) in 2022. Het saldo is in realisatie € 5,3 miljoen lager dan begroot door de uitkering van de energietoeslag. Ook hierbij kan geconcludeerd worden dat de verschillen tussen raming en realisatie met name veroorzaakt worden door incidentele uitkeringen. Ook bij de taakvelden 0.5 (Treasury) en 0.8 (Overige baten en lasten) worden verschillen geconstateerd. Bij deze taakvelden is elk jaar de raming lager dan de realisatie. Gemiddeld over de periode 2017-2022 wordt per jaar per taakveld € 1,4 miljoen meer gerealiseerd dan geraamd.
Voor taakveld 0.5 wordt het verschil echter bijna volledig verklaard door de uitschieter in 2022. Dit betreft de tussentijdse raming van het PZEM-dividend (later ZEHdividend). Het ZEH-dividend is geraamd in de Begroting 2025. Ten aanzien van taakveld 0.8 geeft Vlissingen aan dat dit met name een aantal stelposten betreft die zijn geanalyseerd en aangepast bij de 1e fase van de Begrotingsanalyse (zie paragraaf 7.6). Verschil uitgaven klassiek domein Bij de saldi van de meeste taakvelden op het vlak van het klassieke domein is er geen sprake van een structureel hogere raming dan realisatie en dus van ‘lucht’ in de begroting. Bij de meeste taakvelden zien we hier gemiddeld gesproken hogere gerealiseerde dan geraamde uitgaven. Belangrijkste uitzonderingen hierop zijn de taakvelden 8.1 (Ruimtelijke ordening) en 8.3 (Wonen en bouwen). Daar is gemiddeld gezien sprake van lagere gerealiseerde dan geraamde uitgaven. Dit komt echter vooral door incidentele effecten en hier is dan ook geen mogelijkheid de raming structureel te verlagen de komende jaren. Bij het taakveld 0.4 (Overhead) is er echter wel elk jaar sprake van een lagere realisatie dan in eerste instantie geraamd. Geconcludeerd wordt dat er structureel te veel overhead wordt geraamd en dat de begroting hierop de komende jaren aangepast kan worden.
Naar het oordeel van de inspecteurs zou per jaar € 0,5 miljoen minder aan overhead begroot
89
kunnen worden. Door Vlissingen is dit meegenomen in de uitgevoerde begrotingsanalyse (zie paragraaf 7.6). In hoofdstuk 7 wordt nader ingegaan op het klassieke domein en daar wordt ook ingegaan op het in het kader van het plan van aanpak exit artikel 12 uitgevoerde onderzoek waarbij alle jaarlijkse budgetten (de exploitatie) worden onderzocht op mogelijke financiële ruimte (Begrotingsanalyse). Verschil uitgaven sociaal domein Bij de verschillen van de saldi tussen realisatie en raming bij de taakvelden sociaal domein zijn er een aantal uitschieters. Zo is de raming van de uitgaven van het taakveld 6.3 (Inkomensregelingen) in 2022 maar liefst € 5,3 miljoen lager dan de realisatie. Zoals eerder aangegeven echter komt dat door de eenmalige uitkering van de energietoeslag in dat jaar. In de jaren 2021 en 2022 is de realisatie van de uitgaven van het taakveld 6.81 (Geëscaleerde zorg 18+) met respectievelijk € 15,2 miljoen en € 18,9 miljoen fors lager dan de initiële raming. Dit heeft met name te maken met de maatregelen op het vlak van de regiomiddelen beschermd wonen (zie hiervoor paragraaf 3.3 van het Inspectierapport 2020), waardoor er vanaf 2020 steeds minder wordt uitgeven dan wordt ontvangen via het gemeentefonds hiervoor. Daarnaast is in 2021 gestart met de overgang van cliënten beschermd wonen met een psychische stoornis naar de Wet langdurige zorg (Wlz).
De ramingen zijn door Vlissingen na de uitname van de WLZ-cliënten toen bijgesteld. De Rijksbijdrage beschermd wonen is verlaagd en het Rijk ging uit van een aantal WLZcliënten die zou uitstromen uit beschermd wonen. Dit aantal is in werkelijkheid veel groter geweest dan waar men rekening heeft gehouden bij de bijstelling van de Rijksbijdrage in de uitkering ban het gemeentefonds. Hierdoor zijn de uitgaven voor beschermd wonen veel lager uitgevallen en hield Vlissingen Rijksbijdrage over. Deze overschotten zijn voor een deel gebruikt om de taakstelling in te vullen en het grootste deel is in de reserve centrumtaken terechtgekomen. Ook bij taakveld 6.71 (Maatwerkdienstverlening 18+) wordt in 2022 een lagere realisatie dan raming geconstateerd. Dit heeft grotendeels te maken met de Gunning Wmo aanvullende zorg vanaf 01-07-2022, zoals beschreven in paragraaf 4.4 van het Inspectierapport 2021-2022. Bij 6.4 (Begeleide participatie) en 6.72 (Maatwerkdienstverlening 18-) wordt geconstateerd dat in bijna alle jaren de gerealiseerde uitgaven hoger zijn dan de geraamde uitgaven. Dit sluit aan bij hetgeen beschreven in hoofdstuk 6 dat op het vlak van de gemeenschappelijke regeling Orionis (Wsw) en jeugdzorg er naar het oordeel van de inspecteurs onvoldoende voortgang was in de periode 2019-2022 bij de het realiseren van de benodigde bezuinigingen.
Op de maatregelen en taakstellingen op het vlak van het sociaal domein wordt nader ingegaan in hoofdstuk 6. Accountant Ook de account heeft bij de controle van de Jaarrekening 2023 een opmerking gemaakt over de verschillen tussen de begrote tekorten en gerealiseerde overschotten. De accountant geeft daarbij het volgende aan: ‘De gemeenteraad heeft de focus gelegd op het realiseren van de gestelde doelen. De realiteit is echter niet altijd in balans met de beschikbare capaciteit en mogelijkheden. Hiermee is de begroting meer gebaseerd op uw politiek-bestuurlijke ambities dan op wat uw gemeente daadwerkelijk met de beschikbare middelen en capaciteit kan realiseren. Uw organisatie is zich bewust van deze problematiek. In dat licht adviseren wij u dit nader te onderzoeken en eventueel maatregelen te nemen om de voorspellende waarde van de begroting van zowel de investeringen als de baten en lasten en de uitvoeringskracht ervan dichter bij elkaar te
90
brengen. Wij begrijpen dat inmiddels onderzoek plaatsvindt hetgeen tot uitdrukking moet komen in de Kadernota en Begroting 2025’. De accountant geeft daarbij het volgende advies: ‘Een mogelijke aanpak hiervoor is het ‘zero-based’ opbouwen van de Begroting 2025. Feitelijk is dit de begroting ‘vanaf nul’ opzetten in plaats van -sterk vereenvoudigd gesteld- de Begroting 2024 te indexeren en aanvullen met nieuwe projecten, investeringen en activiteiten. Dit dwingt de organisatie opnieuw te kijken naar de werkelijk uit te voeren taken en het analyseren daarvan ten opzichte van de beschikbare personele capaciteit en zorgt voor een meer realistische begroting. Wij begrijpen dat inmiddels onderzoek plaatsvindt hetgeen tot uitdrukking moet komen in de Kadernota en Begroting 2025’. Conclusie Ook in het kader van artikel 12 en dan met name voor een goede besluitvorming met betrekking tot een afronding van de artikel 12-status is het van belang dat er een realistische begroting is.
Gezien de geconstateerde verschillen in bovenstaande tabel 5.13 en ook de constateringen van de accountant is het dan ook van belang dat de bestande budgetten in de begroting worden langsgelopen en bezien wordt of deze moeten worden aangepast om aan de ene kant de voorspellende waarde van de begroting van zowel de investeringen als de baten en lasten en aan de andere kant wat daadwerkelijk met de beschikbare middelen en capaciteit gerealiseerd kan worden dichter bij elkaar te brengen. In het kader van het plan van aanpak exit artikel 12 is dan ook een onderzoek gestart waarbij alle jaarlijkse budgetten (de exploitatie) worden onderzocht op mogelijke financiële ruimte (stofkam). Door Vlissingen is dit onderzoek ‘Begrotingsanalyse’ genoemd. Het doel is om te komen tot een realistische begroting en de aanleiding hiervoor zijn de jaarlijkse overschotten bij de jaarrekening. Zie hiervoor ook paragraaf 7.6. De inspecteurs zijn voorstander dat de Begroting 2025 via zero-based’ wordt opgebouwd. Voor de initiële Begroting 2025 is dat naar het oordeel van de inspecteurs echter niet meer mogelijk. Dit zou dan hooguit via een begrotingswijziging verwerkt kunnen worden in 2025. Voor nu dient de bovenstaand genoemde ‘Begrotingsanalyse’ gebruikt te worden om de begroting realistischer te maken.