CConstaterende datVlieland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 rapport inventarisatie_Zwartgemaakt

Raadsvergadering 15 september 2025, gemeente VlielandBij agendapunt: Op te stellen erfgoedbeleid en redengevende beschrijvingen42.082 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Hetzelfde gebeurde met drenkelingen.18 In de noordelijke duinenrij dient daarom rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van vergeten voorwerpen, scheepslading en menselijke resten. Het is niet mogelijk specifieke locaties of zones, waar dit soort vondsten verwacht kunnen worden, preciezer te duiden. Daarom geldt hier een meer generieke verwachting op toevalstreffers. Tenslotte zijn op de Verwachtingskaart ook zones aangeduid waar geen archeologische verwachting (meer) geldt Dit betreft vergraven en verstoorde gebieden, zoals het tracé van de gasleiding. Of gebieden waar reeds archeologische onderzoek heeft plaatsgevonden, zoals het opgegraven schip op het Westerveld of een recente opgraving in de Dorpstraat. Ook het grootste deel van de Vliehors valt hieronder. De pleistocene ondergrond is ter plaatse van de Vliehors reeds ge-erodeerd of verspoeld (zie kaart 9). Ook is recent een gedetailleerd vooronderzoek uitgevoerd met als uitkomst een gespecificeerde lage archeologische verwachting. Een uitzondering zijn de in dit gebied bekende wrak- en bunkerlocaties, die op de verwachtingskaart apart zijn aangemerkt. Van de bekende bodemverstoringen op het Eiland is veelal niet bekend tot welke diepte deze hebben plaatsgevonden en of deze relevante archeologische

16

Rapport wordt nog opgesteld. ZaakID: 4755368100 en 5134811100.

17

Hoop 2015.

18

Haverkamp 1946, Doedens/Houter 2020.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

16

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

niveaus hebben geraakt of niet. Ze hebben daardoor momenteel geen vertaling gekregen in de archeologische verwachting. 2.2.3

Onzekerheden in de verwachtingenkaart

Lang niet overal op het eiland is de aan- of afwezigheid van de hierboven genoemde bodemlagen met een archeologische verwachting met voldoende zekerheid vastgesteld (zie ook H 7.4). De verspreiding van het Hollandveen is daarvan een goed voorbeeld. De daadwerkelijke verwachting op archeologische resten uit de periode IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen vormt daarom nog een belangrijke kennislacune. De gemeente kan beslissen om door middel van gericht booronderzoek meer inzicht te krijgen in de opbouw van de bodem op toekomstige ontwikkellocaties of andere zoekgebieden op het eiland. Andere soorten verwachtingen zijn niet of nauwelijks in een voorspellingsmodel te vatten. Genoemd zijn de oude (vergeten) jutterij-schatten en noodbegravingen in de noordelijke duinenrij en de scheepswrakken in de waterbodem buiten de vaargeulen. Het is praktisch gezien niet mogelijk om voor dit type verwachting specifieke gebiedsgebonden planregels op te nemen. In het erfgoedbeleid dient echter wel geformuleerd te worden hoe met dit soort vondsten, wanneer deze zich voordoen, dient te worden omgegaan.19 De uitgebreide verantwoording voor de archeologische verwachtingskaart is te vinden in Deel C. 2.3

Van een archeologische verwachtingskaart naar het archeologisch beleid op de kaart: systematiek, afwegingen en keuzes.

De Omgevingswet stelt dat de gemeente bij het maken van een Omgevingsplan regels moet opstellen

‘met het oog op het behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten’. Artikel 5.130 beschrijft verder dat binnen het Omgevingsplan rekening wordt gehouden met het ‘belang van behoud van het cultureel erfgoed met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten’ . De gemeente is daarmee verplicht om regels op te nemen met betrekking tot het cultureel erfgoed, maar bepaalt zelf de maatvoering. De gemeente moet besluiten voor welke gebieden ze een beschermingsregime wil opstellen en hoe deze in het Omgevingsplan opgenomen zullen worden. Welke bodemingrepen in welke gebieden vallen bijvoorbeeld onder de archeologische onderzoeksplicht? Welke vrijstellingsgrenzen zijn passend en moeten opgenomen worden in het Omgevingsplan? Is het wenselijk om een gemeentelijke onderzoekagenda op te stellen om van daaruit bepaalde accenten te leggen als het gaat om onderzoek en bescherming? Daarnaast biedt de Omgevingswet de ruimte aan de gemeente om meer dan alleen de verplichte regels op te nemen binnen het Omgevingsplan. Een gemeente mag ook nadere eisen stellen aan de onderzoeksmethodiek of bij de vraagstelling van een archeologische opgraving.

Gemeenten kunnen ook zelf initiatieven ontplooien ter versterking van de archeologische monumentenzorg, zoals het stimuleren van ‘behoud in situ’ als het meest wenselijke uitgangspunt bij het verstrekken van vergunningen, het bijdragen aan bepaalde uit te voeren (voor)onderzoeken, en het uitwisselen of inbrengen van kennis bij ontwerpopgaven. De archeologische inventarisatie en het verwachtingsmodel hebben duidelijk gemaakt dat binnen de gemeentegrenzen meer archeologisch erfgoed aanwezig is en verwacht mag worden dan tot nu toe was vastgelegd. De noodzaak tot aanvullend beleid als het gaat om de omgang daarmee is evident. Voor wat betreft het ruimtelijk beleid en het al dan niet stellen van aanvullende voorwaarden bij het verlenen van omgevingsvergunningen zijn op archeologische beleidskaart (Kaart 4) een aantal voorzetten gedaan. Deze betreffen in de praktijk beschermende maatregelen en planregels (vergunningsvoorwaarden) in het (nog

19

Te denken valt bijvoorbeeld aan een protocol omgang met toevalsvondsten, waarin vastgelegd waar dit soort vondsten gemeld moeten worden en wie vervolgens zo nodig een beroep op deskundigheid doet en met betrokken partijen nadere afspraken maakt.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

17

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

op te stellen) Omgevingsplan voor de verschillende soorten archeologische waarden en verwachtingen. Vrijstellingsgrenzen met betrekking tot wanneer niet en wanneer wel (voor)onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ-cyclus) verlangd worden, zijn daarvan een belangrijk onderdeel. In onderstaande paragrafen worden de afwegingen en keuzes nader toegelicht. 2.3.1

Vrijstellingsgrenzen

In de Bkl (artikel 5.130 lid 4 )is opgenomen dat projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrijgesteld zijn van een archeologische onderzoeksplicht. De gemeente is echter vrij om in het Omgevingsplan een kleinere grens vast te stellen, zoals 50 m2, 30 m2 of zelfs 0 m2, indien de (te verwachten) archeologische monumenten of de beschermingsambitie van de gemeente dit verlangen. 20 De gemeente heeft aangegeven geen oppervlaktegrens te willen hanteren om op die manier een beter inzicht te krijgen in alle bodemroerende initiatieven die plaatsvinden op het eiland. Het archeologisch potentieel van Vlieland is gelaagd en in diepte te differentiëren. Bij het opstellen van de beleidskaart kan daarentegen wel sterk geleund worden op de diepteligging van de verschillende archeologische niveaus (zie 6.1 en H7) die op het eiland bekend zijn. Het besluit tot de noodzaak van vervolgonderzoek wordt daarom bij Omgevingsvergunningaanvragen genomen aan de hand van de diepte ten op zichtte van maaiveld en / of NAP en niet gekoppeld aan een oppervlaktevrijstelling. Het los laten van oppervlaktevrijstellingsgrenzen kan in eerste instantie leiden tot meer archeologisch vooronderzoek (voornamelijk bureauonderzoeken) als voorwaarde bij een aanvraag Omgevingsvergunning.

Dit speelt vooral in de Dorpskom en bij andere specifieke verwachtingszones, waar de archeologische laag vrij dicht onder het huidige oppervlak voorkomt. Er dient dan te worden aangetoond of archeologie al dan niet aanwezig is en hoe de eventuele informatie wordt veiliggesteld. Om normale bewerking van bijvoorbeeld de tuin mogelijk te blijven maken, wordt de vergunningsplicht beperkt tot ingrepen dieper dan 30 cm. Uitgevoerd onderzoek in de Dorpskern en elders op het eiland heeft uitgewezen dat dit veilig kan. 2.3.2

Archeologische Monumenten Zorg (AMZ)- Cyclus, onderzoeksdruk en financiële gevolgen

Planontwikkeling (nieuwbouw, natuurinrichting, dijkversterking enz.), die gepaard gaat met bodemroering in gebieden met een archeologische waarden of verwachtingen zal bij een overschrijding van de vrijstellingsgrenzen, inhouden dat het traject binnen de Archeologische Monumenten Zorg wordt gestart. De gebruikelijke stappen binnen dit traject zijn beschreven in Bijlage 1. De eerste stap is vrijwel altijd het uitvoeren van een bureauonderzoek. Hoe secuur de gemeentelijke Verwachtingen- en Beleidskaart ook is opgesteld, het kan niet een locatiegericht bureauonderzoek vervangen. De archeologische verwachtingskaart is een goed startpunt, maar de gemeentelijke kaart is niet gedetailleerd genoeg voor besluiten op planniveau, omdat daarvoor de voorgenomen (bodem)ingrepen afgezet moeten worden tegen de aanwezige of te verwachten archeologie (met andere woorden, de aard en diepte van de relevante bodemlagen en het type vindplaatsen). Voor die vergelijking is het bureauonderzoek een cruciale eerste stap in de AMZ-cyclus. Met name in het geval van kleinschalige (particuliere) ingrepen kan dit een relatief grote lasten verzwaring vormen.21 De gemeente wenst deze last over te nemen door als (financiële) tegemoetkoming zelf de bureauonderzoeken te laten uitvoeren in het geval van vergunningsaanvraag in deze aangewezen gebieden.

In samenspraak met de initiatiefnemer kan een partij worden uitgekozen voor de uitvoer van dit onderzoek. Het verdient de voorkeur om dit soort onderzoeken uit te laten voeren door een partij met gedegen kennis van de archeologie op het eiland. Behalve dat dit een tegemoetkoming is voor kleinere initiatiefnemers, dient deze beperkte gemeentelijke investering ook het algemene belang. De kennis die wordt opgedaan door middel van de uitgevoerde

20

https://iplo.nl/thema/erfgoed/erfgoed-omgevingsplan/regels-archeologisch-onderzoek-omgevingsplan/.

21

In het geval van grotere (bouw)plannen vormen de bureauonderzoeken slechts een gering deel van de projectkosten.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

18

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

onderzoeken kunnen bestaande kennisleemtes over het bodemarchief geleidelijk aan opvullen. Door de onderzoeken zelf uit te laten voeren, beschikt de gemeente direct over de nieuwe inzichten die worden verkregen. Bij het gebruik van een dynamische kaartbeeld kunnen deze inzichten ook direct verwerkt worden in bijvoorbeeld het Omgevingsplan. Een andere vorm van het verlichten van de onderzoekslast voor initiatiefnemers en eigenaren in het geval van kleine(re) ingrepen, is gemeentelijke ondersteuning en regie bij het (laten)uitvoeren van archeologische begeleidingen. Bij archeologische begeleidingen kijken archeologen mee bij het uitvoeren van grondwerk door de civiele aannemer, bijvoorbeeld als hij de bouwput van een nieuwe fundering uitgraaft. Conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie dient voor zo’n begeleiding altijd eerst een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden door een daartoe gecertificeerd bedrijf of organisatie. Om niet voor iedere ingreep in de Dorpskern en andere hoge verwachtingszones vergunningaanvragers een apart PvE te laten aanleveren, kan de gemeente er voor kiezen om een zogenaamd Raam-PvE te hanteren. Hierin worden de meeste methoden, vraagstellingen en strategieën die van toepassing zijn op dit soort situaties op het eiland alvast vastgelegd.

Als dan na een bureauonderzoek blijkt dat een archeologische begeleiding inderdaad gewenst is, kan volstaan worden met een klein stukje maatwerk op dit Raam-PvE voor het betreffende initiatief. Dat bespaart tijd en geld. Op uitvoeringsniveau kan vervolgens de gemeente ook een rol spelen bij het coördineren van de inzet van vrijwilligers vanuit de historische verenigingen of van individuele amateur archeologen bij dat soort kleinere ingrepen, onder supervisie (eventueel op afstand) van een deskundige van een erkend archeologisch bedrijf of organisatie. Het beoogde doel is om zowel de professionalisering van het archeologisch onderzoek te stimuleren, als de eigen kennis- en deskundigheid op het eiland te bewaren en tegelijk rekening te houden met en de wettelijke eisen, en de bijzondere eilandsituatie. 2.3.3

Aanvullende vergunningsvrije gebieden

Voorgesteld wordt om eerdere beleidskeuzes, zoals de verleende vrijstellingen en de geldende beheersverordening ter plaatse van aangewezen mosselpercelen en schelpenwingebieden niet te wijzingen. Deze gebieden zijn op de beleidskaart dan ook aangeduid als vergunningsvrije gebieden.

2.4

Archeologische beleidskaart en categorieën

De archeologische beleidskaart (Kaart 4) heeft een signalerende werking binnen het ruimtelijk beleid, maar dient tegelijk om een betere bescherming te bieden aan de aanwezige of te verwachten archeologische monumenten. Er worden op de kaart 10 verschillende categorieën van archeologische waarden (monumenten) en verwachtingszones (te verwachten archeologische monumenten) onderscheiden (zie ook Deel C H7). De categorieën maken inzichtelijk wanneer een ingreep vergunningsplichtig is op basis van het (mogelijk) aanwezige ondergrondse erfgoed. Op dit moment zijn op Vlieland nog geen – wettelijk22 beschermde archeologische rijks- of gemeentelijke monumenten aangewezen. Om dit in de toekomst eventueel wel mogelijk te maken is hiervoor wel een categorie (1) gereserveerd. In het geval van een (toekomstige) aanwijzing geldt voor dit soort terreinen dat alle bodemingrepen verboden zijn. Deze categorie is (nog) niet op de kaart te zien. Voor de andere categorieën geldt dat bodemingrepen wel zijn toegestaan, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Hierbij is voor iedere categorie een afgewogen keuze voorgesteld ten aanzien van het te beschermen archeologische erfgoed.

22

Bedoeld wordt hier op grond van de Erfgoedwet, en niet de algemene term van monument als zijn object van waarde die de Omgevingswet hanteert.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

19

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

Als eerste geldt dat ingrepen ter plaatse van de bekende archeologische vindplaatsen (archeologische monumenten) altijd vergunningsplichtig (afgezonderd van de vrijstelling tot 30 cm) zijn. Deze archeologische resten worden over het algemeen ook dicht aan de oppervlakte verwacht en dienen als zodanig beschermd te worden. Een uitzondering hierop is de afvallaag Westerveld (categorie 4). Alle ingrepen zijn hier vergunningsplichtig, aangezien hier binnen de eerste 15 cm zeker archeologisch erfgoed aanwezig is. Alle ingrepen op het Westerveld zijn daarmee vergunningsplichtig. Bij de verschillenden categorieën te verwachten archeologische waarden is de diepte van het archeologisch niveau leidend. Vanwege de grote verschillen in maaiveldhoogte, worden de NAP-waarden van die archeologische niveaus aangehouden als vrijstellingsdiepte. Bij een vergunningsaanvraag binnen deze gebieden dient de initiatiefnemer aannemelijk te maken dat de betreffende NAP- niveaus niet in gevaar zijn door de geplande ingrepen. Voor twee landschappelijke zones geldt alleen een Protocol toevalsvondsten. De trefkans op de daar te verwachten archeologische resten is niet in een model te vatten.

Het gaat hier om de delen van de zeebodem rond het eiland met alleen een generieke, maar geen specifieke of verhoogde trefkans op wrakken (9b) en de noordelijke duinenrij (7), waar verspreid, maar moeilijk te voorspellen, vergeten juttersschatten en begraven drenkelingen kunnen worden verwacht.

2.5

Kennislacunes / Onderzoeksagenda

Tijdens het onderzoek voor de beleidskaart zijn forse kennisleemten op het gebied van de archeologie geconstateerd. Een daarvan is de onduidelijkheid over de aanvang van de bewoning in Oost-Vlieland. De vroegste archeologische vondsten dateren uit de 16e eeuw, maar een kapel is op basis van historische vermeldingen al aanwezig in de 13e eeuw. Is de bewoning in Oost-Vlieland misschien wel even oud als die in het later verdwenen West-Vlieland? Er zijn daarnaast vermoedens dat de omvang en begrenzingen van Oost-Vlieland ook niet altijd gelijk geweest zijn aan de huidige. Vermoed wordt dat op een zeker moment de bewoning zich verder in westelijke richting heeft uitgestrekt dan de huidige bebouwing. Het doorlopen van de buitendijkse afvallaag aan het Westerveld vormt hiervoor ook een aanwijzing, net als enkele historische kaarten en een aantal archeologische waarnemingen en vondstmeldingen. Tenslotte is er opvallend weinig bekend over bewoning elders op het eiland voor de Late Middeleeuwen. Sporen daarvan liggen vrijwel zeker begraven onder de Duinafzettingen. Van belang is daarom om in de toekomst meer inzicht te krijgen in de aanwezigheid en de conservering van de het Laagpakket van Wormer (behorend bij het Midden en Late Neolithicum) en het Holllandveenpakket (vanaf de Bronstijd) op het eiland.

Momenteel is onvoldoende bekend over de ligging (verbreiding) en conservering van deze bodemniveaus, maar op basis van de paleo-geografische kaarten worden deze zeker verwacht op het eiland. Alleen gericht veldonderzoek kan meer duidelijkheid geven. De kennisleemten sluiten aan bij de onderzoeksthema’s in de Nederlandse Onderzoeksagenda Archelogie (NOaA). Vooral thema 1 Archeologisch slecht bekende gebieden, 16. Overgang Romeinse tijd naar Vroege Middeleeuwen, en 20 De relatie stad – platteland zijn relevant. Bij toekomstig archeologisch onderzoek op het eiland zou het beantwoorden van deze onderzoeksvragen nadruk moeten krijgen.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

20

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

3

Bouwstenen voor de omgang met bovengronds erfgoed

De gemeente Vlieland beschikt nog niet over overkoepelend cultuurhistorisch beleid gerelateerd aan het ruimtelijk beleid. Wel heeft de gemeente een erfgoedverordening en zijn in de bestemmingsplannen Vlieland Kom en Vlieland Buitengebied regels opgenomen ter bescherming van bepaalde cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Deze zijn echter onvoldoende om aan de gemeentelijke doelstellingen met betrekking tot het behoud van waardevol erfgoed te voldoen. 23 De problemen waar de gemeente momenteel tegen aan loopt zijn de volgende: Met betrekking tot de bescherming van het Beschermd Dorpsgezicht: Sloop van karakteristieke panden binnen het beschermd dorpsgezicht is nog steeds mogelijk, ondanks regelgeving in het bestemmingsplan. Hoe bescherm je monumenten en de omgeving van monumenten als ingezet wordt op zoveel mogelijk vergunningsvrij bouwen? Hoe bescherm je de openheid aan de achterzijde van het dorpslint (tuinen naar dijk)? Welke landschappelijke waarden bevinden zich in het Beschermd Dorpsgezicht en hoe kunnen deze worden beschermd? Deze uitdagingen hebben nu al negatieve effecten op de cultuurhistorische waarde van het dorpsgezicht als geheel gehad en de gemeente wil graag verdere waardevermindering voorkomen, het liefst zonder uniforme regels te stellen of via de aanwijzing van gemeentelijke monumenten.

Met betrekking tot het gebied buiten het Beschermd Dorpsgezicht: De huidige lijst van karakteristieke panden betreft alleen objecten binnen de kom van Vlieland, niet het buitengebied, hoewel in de literatuur ook objecten buiten de kom als cultuurhistorisch waardevol zijn aangemerkt; De bescherming van landschappelijke waarden is minimaal, slechts enkele landschappelijke elementen zijn in het bestemmingsplan Buitengebied opgenomen. In de Omgevingsvisie heeft de gemeente aangegeven graag regisseur te zijn met betrekking tot het behoud van cultuurhistorische waarden en wil voorkomen dat deze bij natuurontwikkeling of andere ontwikkelingen aangetast worden. Daarnaast wil de gemeente de waarde van erfgoed meer benadrukken en vanuit die inspirerende rol het behoud stimuleren en faciliteren. Zoals in de Omgevingsvisie wordt gesteld: “Cultureel erfgoed kan maar één keer vernield worden.” Sinds 1 januari is de Omgevingswet van kracht. De gemeente wordt verplicht voldoende zorg te dragen voor het erfgoed binnen haar gemeentegrenzen en deze vast te leggen in het Omgevingsplan. Volgens het stappenplan dat de RCE als handreiking aan gemeenten biedt 24 om beleid op te stellen / erfgoed op te nemen in het Omgevingsplan is stap 1 het inventariseren van de waarden en het opstellen van een cultuurhistorische waardenkaart waardoor een ruimtelijk overzicht gecreëerd.

Stap 2 is om voor deze waarden beleid op te stellen en stap 3 om een beleidskaart op te stellen en deze op te nemen in het Omgevingsplan. Stap 1 is nu uitgevoerd, en in dit rapport stellen we voor om stap 2 en 3 in één keer te doen door voor alle waarden in de inventarisatie de wettelijke verplichtingen op te pakken die voortvloeien uit de Omgevingswet en alle elementen op te nemen in een kaartbeeld in het Omgevingsplan.

23

Omgevingsvisie 2020.

24

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2021: Minimale acties cultureel erfgoed in de Omgevingswet voor gemeenten.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

21

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

3.1

Wettelijk kader en verplichtingen

Overheden kunnen beschikken over verschillende beleidsinstrumenten en wettelijke regelingen om het materieel erfgoed in de fysieke leefomgeving te beschermen. Dit kan op een directe wijze door de aanwijzing van een monumentale status (door het Rijk, de provincie of de gemeente) en/of het opnemen van vergunningsregels in een omgevingsplan of provinciale omgevingsverordening. Daarnaast kunnen overheden op een indirecte wijze het materieel erfgoed in de fysieke leefomgeving beschermen via het gemeentelijk erfgoedbeleid, een erfgoedverordening of uitvoeringsvoorschriften als onderdeel van de omgevingsvergunning. De acties die voortvloeien uit de wettelijke verplichtingen moeten sowieso plaatsvinden, en betreffen: - Het opstellen van een erfgoedregister, waarvan de ruimtelijke contouren zijn opgenomen in het Omgevingsplan, inclusief de omgeving van beschermde monumenten; - het eventueel aanpassen van de Erfgoedverordening m.b.t. de adviseringsreikwijdte van de adviescommissie en het verwijderen van alle bepalingen die direct of indirect betrekking hebben op de fysieke leefomgeving moeten vervallen uit de erfgoedverordening 25; - vervolgonderzoek met betrekking tot het nog niet reeds geïnventariseerde cultureel erfgoed dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan.

Uit het reeds uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat in het geval van Vlieland het gaat om het immaterieel erfgoed met een ruimtelijke component. - Regels over activiteiten aan monumenten wijzigen (onderdelen van) de fysieke leefomgeving en kunnen daarom alleen in het omgevingsplan worden opgenomen en niet in de erfgoedverordening 26. Naast de wettelijke verplichtingen is er de vrije beleidsruimte die gemeenten hebben. Verschillende beleidsopties zijn ambtelijk doorgesproken (zie Hoofdstuk 11), op basis daarvan wordt voorgesteld om te kiezen voor de uitwerking van ambitieniveau 2, met enkele specifieke aanpassingen. Als basis voor het beleid dienen de voorliggende cultuurhistorische waardenkaart (paragraaf 3.1) en het erfgoedregister (paragraaf 3.2). 3.2

Cultuurhistorische waardenkaart

Als voorwerk voor het opstellen van een gemeentelijk cultuurhistorische waardenkaart is een inventarisatie uitgevoerd op basis van bureauonderzoek, een veldinspectie en het betrekken van lokale experts27. Vervolgens zijn de historisch-bouwkundige objecten, historische stedenbouwkundige gebieden, cultuurhistorische landschapselementen en structuren, enkele kunstobjecten in de openbare ruimte en bekende interieurwaarden op kaart gezet (Kaart 5). Deze kaart geeft een vrij compleet, betrouwbaar en gedetailleerd overzicht van de ligging en ruimtelijke spreiding van het grootste deel van de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente Vlieland. Het immaterieel erfgoed vormt nog een lacune. Ook is omgeving van bestaande monumenten nog niet bepaald en/of door middel van een contour op de kaart opgenomen. Verder is de begrenzing van de grote landschappelijke structuren, die van de monumentale bomen, en de 12 rijksmonumentale grafstenen op de begraafplaats voor nu indicatief weergegeven. En tenslotte varieert de opgenomen detailinformatie

25

VNG, 2023

26

VNG, 2023

27

Zie voor een uitgebreide beschrijving van de methode/verantwoording én de volledig inventarisatie Deel D van dit rapport.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

22

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

over de objecten, elementen en structuren onderling nogal. Het is de bedoeling dat deze in het vervolgtraject door middel van een verdiepend onderzoek verder wordt aangevuld. De geïnventariseerde gebouwde objecten vormen een weerslag van de Vlielandse geschiedenis en betreffen begraafplaatsen, woningen (variërend van vóór 1750 tot de Wederopbouw 1950-1960), dienstwoningen, dijkwoningen, recreatiewoningen, hotels, publieke voorzieningen en natuurlijk enkele bijzondere objecten, zoals de NH kerk met nabij gelegen bankje met archeologische vondsten, het drenkelingenhuisje op de Vliehors, de vuurtoren met peilmerk, twee reddingbootschuren en de Zeevaartschool. Landschappelijke elementen en structuren die opgenomen zijn in de inventarisatie zijn dammen, dijken en kaden, eendenkooien, duinen en valleien, duinbebossing en rabatsystemen, landgebruik, monumentale bomen, en enkele bijzondere elementen: de ijsbaan, militair oefenterrein de Vliehors, de tuin van het Armhuis, en een drietal vijvers (om turf te drenken). In de categorieën coupures, duikers en sluizen, paden, wegen en pleinen komen zowel gebouwde objecten als landschappelijke elementen voor, aangezien zij beide waarden kunnen vertegenwoordigen. Het object/element is terechtgekomen bij de waarde die het meest vertegenwoordigd wordt.

Om een zorgvuldige omgang met de cultuurhistorische waarden te borgen, wordt de cultuurhistorische kaart integraal in het Omgevingsplan opgenomen. Daarmee zijn alle cultuurhistorische waarden bij eventuele ontwikkelingen op Vlieland vóóraf in beeld. 3.3

Erfgoedregister

In de Erfgoedwet is voorgeschreven dat het college van burgemeester en wethouders een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bijhoudt. De wijze waarop zo’n lijst wordt gemaakt is vormvrij en hierin worden alle gemeentelijke erfgoederen opgenomen. Voor wat betreft het gemeentelijk instrumentarium op het gebied van het beheer van het materieel erfgoed binnen de fysieke leefomgeving (het gemeentelijk grondgebied) voorziet de Erfgoedwet nadrukkelijk in de koppeling met de Omgevingswet. Het erfgoedregister geeft zowel de gemeente als haar inwoners direct overzicht van beleid en geldende regelgeving met betrekking tot het erfgoed. In bijlage 2 is een voorbeeldregister voor de gemeente opgesteld voor het bovengronds erfgoed en zijn de huidige aantallen en de huidige beleidsinstrumenten van de gemeente Vlieland aangehouden voor de vijf categorieën erfgoed uit het begrippenkader voor cultureel erfgoed in de Omgevingswet28: Monumenten; Archeologische monumenten; Stads- en dorpsgezichten; Cultuurlandschappen; Ander cultureel erfgoed (roerend of immaterieel), voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan.

In het document staan verwijzingen naar de volgende documenten (deels bestaand, deels nog vast te stellen, deels nog op te stellen): Besluit, begrenzingskaart en toelichting aanwijzing beschermd dorpsgezicht ( Oost-Vlieland | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed )

28

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2022, p.2.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

23

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

3.4

Visie en Ruimtelijk Kwaliteitskader Oost-Vlieland (nog vast te stellen) Redengevende omschrijving per te beschermen object (nog op te stellen). Omschrijving per landschapselement met ontwikkelprincipes (nog op te stellen). Rijksmonumenten

Vlieland heeft 39 rijksmonumenten. Opvallende topstukken zijn de Nederlands Hervormde Kerk en het Armhuis aan het Kerkplein en de vuurtoren op het Vuurboetsduin. De meeste rijksmonumenten zijn echter woonhuizen, gelegen aan de Dorpsstraat, binnen het beschermde dorpsgezicht. Rijksmonumentenactiviteiten29 zijn vergunningsplichtig. In geval van een meervoudige aanvraag is de gemeente het bevoegd gezag voor vergunningverlening. De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan recht van advies en instemming. In de praktijk is dit de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De regels over rijksmonumentenactiviteiten zijn via de zogenoemde ‘bruidsschat’ reeds in het tijdelijke Omgevingsplan terechtgekomen. Ze moeten echter vóór 1 januari 2032 omgezet worden naar het definitieve Omgevingsplan. Op deze manier worden ze ook gevisualiseerd binnen het Omgevingsplan. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet aantasting van de omgeving van beschermde monumenten worden voorkomen voor zover deze aantasting een negatieve invloed heeft op het aanzicht of de waardering van die monumenten. Dit geldt overigens niet alleen voor rijksmonumenten, maar ook voor provinciale en gemeentelijke monumenten.

Het is niet verplicht voor gemeenten een werkingsgebied in het Omgevingsplan op te nemen voor de omgeving van het monument, maar dit is wel de meest voor de hand (en tot zover de enige bekende) richting, die ook in de Handreiking voor gemeenten Op weg naar passende zorg voor beschermde monumenten in hun omgeving30 wordt aangehouden. Binnen het onderzoek dat in het kader van deze notitie is uitgevoerd, is stap 1 reeds uitgevoerd. De stappen 2 (analyse) en 3 (beleid) kunnen in de komende tijd worden uitgevoerd. De uitvoering van deze stappen vormt een uitgelezen moment om in overleg met de regio-adviseur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed enkele gesloopte of sterk gewijzigde rijksmonumenten uit de rijksmonumentenlijst door RCE de te laten afvoeren. 3.5

Gemeentelijke monumenten of bijzonder waardevolle objecten

De inventarisatie gebouwde objecten omvat een lijst van ongeveer 80 objecten, waaronder een groot aantal aan de Dorpsstraat. De gemeente heeft de keuze om de hoogst gewaardeerde objecten uit de inventarisatie aan te wijzen als gemeentelijk monument, maar hoeft dit niet te doen om een zo hoog mogelijk beschermingsniveau te realiseren. Een gemiddeld ambitieniveau qua bescherming zou ongeveer neerkomen op het aanwijzen van 20-30 objecten in de hoogste categorie. Door de status van gemeentelijk monumenten of bijzonder waardevol object te geven aan een aantal panden aan de zuidzijde van de Dorpsstraat, kan via de bescherming van de omgeving van het monument ook de openheid aan de achterzijde van het dorpslint worden geborgd. Hieronder worden de twee varianten kort met voor- en nadelen besproken, waaruit de Raad een keuze zou moeten maken. Echter, de combinatie van een ongebruikelijke variant en nieuwe wetgeving, maakt het erg lastig alle consequenties precies te overzien.

29

De Omgevingswet definieert een rijksmonumentenactiviteit als volgt: een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 30

Gelders Genootschap 2023

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

24

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

Aanwijzen als bijzonder waardevol object In deze variant wordt het beschermd dorpsgezicht bevroren. Dit betekent dat voor elke ontwikkeling binnen het beschermd dorpsgezicht een vergunning moet worden aangevraagd. Voor de beoordeling van de aanvraag zijn dan de volgende documenten beschikbaar: Het Ruimtelijk Kader Beschermd dorpsgezicht; Welstandsnota; Contouren bijzonder waardevolle objecten mét hun omgeving in omgevingsplan, met aanvullende regelgeving, naar voorbeeld van de handreiking Voorbeeldregels erfgoed in het omgevingsplan, zoals verbod op sloop en behoud karakteristieke elementen uit redengevende omschrijving; Redengevende omschrijvingen bijzonder waardevolle objecten, waaronder de functie van de omgeving voor de waarde van het bijzonder waardevol object. Voor het buitengebied is dan nodig: Contour bijzonder waardevolle objecten mét hun omgeving in omgevingsplan, met aanvullende regelgeving, zoals verbod op sloop. Voordeel: er is geen aanwijzingsprocedure nodig en er worden geen verwachtingen gewekt met betrekking tot subsidies. Nadeel: er zijn minder inspraakmomenten voor de omgeving en de introductie van een term buiten de terminologie die in handreikingen van VNG/RCE worden gebruikt kan verwarrend gaan werken.

Het artikel 2.30 van het Bbl waarin een beperking voor vergunningvrij bouwen is opgenomen, geldt wel voor gemeentelijke monumenten, maar niet voor bijzonder waardevolle objecten. De meeste – maar niet alle – objecten liggen echter binnen het beschermd dorpsgezicht, waarvoor binnen hetzelfde artikel 2.30 ook een beperking voor vergunningvrij bouwen is opgenomen. Aanwijzen als gemeentelijk monument In deze variant vindt eerst een aanwijzingsprocedure plaats voor de 20-30 geselecteerde objecten op basis van openbare waarderingscriteria opgenomen in een handleiding ter aanwijzing van gemeentelijke monumenten. De contouren van de objecten mét hun omgeving worden vervolgens in het omgevingsplan opgenomen. Voor dit werkingsgebied wordt een aantal regels opgesteld, naar voorbeeld van de handreiking Voorbeeldregels erfgoed in het omgevingsplan. Voordeel: de meest waardevolle objecten krijgen een toepasselijke status volgens de gebruikelijke terminologie. Nadeel: de resterende waardevolle objecten krijgen geen bescherming; de procedure tot aanwijzing kost tijd, geld en menskracht en kan weerstand en verwachtingen (subsidies) oproepen. 3.5.1

Handleiding aanwijzing gemeentelijk beschermd dorpsgezicht en gemeentelijke monumenten / Toetsingskader selectiecriteria voor beleid31

De handleiding dient met name om het toetsingskader voor het eventueel aanwijzen tot gemeentelijk monument of beschermd gezicht voor iedereen inzichtelijk te maken. Indien gekozen wordt voor het

31

Als voorbeeld is de handleiding van de gemeente Amsterdam gebruikt zoals die op haar website te vinden is: Aanwijzing gemeentelijk monument - Gemeente Amsterdam

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

25

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

aanwijzen van bijzonder waardevolle objecten in het Omgevingsplan is een toetsingskader waarbij ingegaan wordt op de selectiecriteria of de waarderingscriteria voldoende. De documenten worden gebruikt bij: De verantwoording van het te voeren beleid; Het opstellen van de redengevende beschrijving; De advisering over aanwijzing door de gemeentelijk adviescommissie (opvolger monumentencommissie); Het besluit van het college over de aanwijzing van de voorgedragen zaak, terrein of groep als gemeentelijk monument/karakteristiek object of gemeentelijk beschermd gezicht. 3.5.2

Waarderingskader en selectiecriteria

Belangrijkste onderdeel van de handleiding en het toetsingskader zijn het waarderingskader en de selectiecriteria. Ondergronds en bovengronds erfgoed kan op veel verschillende manieren beoordeeld en gewaardeerd worden. Door de jaren heen is getracht hiervoor algemeen geldende, en zo objectief mogelijke criteria op te stellen en te hanteren. Vanuit de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is voor zowel het Bovengronds als Ondergronds Erfgoed een set van criteria aangereikt. Veel gemeenten zijn in de loop der tijd deze criteria gaan aanvullen en aanpassen op een wijze die een betere aansluiting geeft bij de lokale identiteit en karakteristiek. Voor het bovengronds erfgoed heeft de RCE vijf waarderingscriteria opgesteld: 1. Architectuur- en kunsthistorische betekenis 2. Situationele en ensemble / stedenbouwkundige waarden (ligging) 3. Cultuurhistorische waarde 4. Gaafheid en herkenbaarheid 5. Zeldzaamheid

Onderstaande tabel betreft een conceptwaarderingskader voor Vlieland, op basis van het uitgevoerde inventariserende onderzoek. Aanbevolen wordt om dit waarderingskader dat als basis dient voor de beschermingsagenda voor te leggen aan de gemeentelijke adviescommissie en stakeholders.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

26

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

Criteria Architectuur- en kunsthistorische betekenis

Subcriteria

Aansluiting bij verhaallijn Vlieland punten (max)

goed voorbeeld bouwstijl/bouwtechniek goed voorbeeld functionele of typologische ontwikkeling bevat bijzondere bouwhistorische of esthetische kwaliteiten heeft een bijzonder of zeldzaam interieur goed voorbeeld van het werk van een architect of kunstenaar is van belang vanwege een constructiewijze die historisch is overgeleverd of vernieuwend is (pioniersfunctie)

woningen, vakantiewoningen, militair, publieke functie visserij, zee-/scheepvaart, toerisme, militair gebruik

6

houten topgevels

n.v.t.?

n.v.t.?

Situationele/ensemble/sted enbouwkundige waarde

6 oude dorp, vakantiepark, wederopbuwwijk, kerk(plein)&begraafplaats, essentieel onderdeel cultuurhistorisch Vliehors, militaire stelling, complex Kroonpolders oude dorp, vakantiepark, wederopbuwwijk, kerk(plein)&begraafplaats, van beeldbepalende rol in Vliehors, militaire stelling, cultuurhistorische complex Kroonpolders eiland- natuurlijke omgeving, van belang vanwege verkaveling, visserij, zee-/scheepvaart, inrichting en voorzieningen toerisme, militair gebruik van belang vanwege aanzien streek, zicht aankomst boot, vanaf stad, dorp of wijk (orientatiepunt) vuurtoren van belang vanwege ruimtelijke relatie eiland- natuurlijke omgeving, met groenvoorziening, weg, water of visserij, zee-/scheepvaart, bodem toerisme, militair gebruik

Cultuurhistorische waarde (immaterieel)

6 van belang als bijzondere uitdrukking eiland- natuurlijke omgeving, van een culturele, sociaal-economische, visserij, zee-/scheepvaart, technische of geestelijke ontwikkeling toerisme, militair gebruik van belang als bijzondere uitdrukking eiland- natuurlijke omgeving, van een geografische of visserij, zee-/scheepvaart, landschappelijke ontwikkeling toerisme, militair gebruik van belang vanwege een bestuurlijke eiland- natuurlijke omgeving, ontwikkeling of plaatselijk, regionaal of visserij, zee-/scheepvaart, landelijk historische gegeven toerisme, militair gebruik

Gaafheid/herkenbaarheid

6 gaafheid exterieur of interieur gaafheid complex/ensemble gaafheid binnen omgeving

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

zeldzaamheid exterieur of interieur zeldzaamheid complex/ensemble zeldzaamheid binnen omgeving

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

Zeldzaamheid

6

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

27

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

3.6

Cultuurlandschappen

De inventarisatie van het cultuurhistorisch landschap heeft geleid tot ongeveer 60 elementen. Om alle landschapselementen zo goed mogelijk beschermen, dienen alle landschapselementen uit de groslijst en op de cultuurhistorische waardenkaart opgenomen te worden in het Omgevingsplan met uitvoeringsvoorschriften. In de uitvoeringsvoorschriften kan worden kan verwezen worden naar de omschrijving en worden opgenomen dat bij ontwikkelingen/aanpassingen aan het landschapselement ontwikkelprincipes dienen te worden geformuleerd, waardoor de kenmerkende waarde van het element behouden wordt. 3.7

Ander cultureel erfgoed (roerend / immaterieel)

Hoewel de jutterscultuur hier zeker benoeming verdiend, is het immaterieel erfgoed helaas in dit onderzoek nog niet voldoende in beeld gekomen en geadviseerd wordt om voor dit thema vervolgonderzoek te verrichten en deze zaken in een later stadium aan het Omgevingsplan toe te voegen. Het immaterieel erfgoed kan echter ook buiten het Omgevingsplan worden beschermd, bijvoorbeeld via het cultuurbeleid. 3.8

Regelgeving in het Omgevingsplan

In bijlage 3 wordt een voorstel gedaan voor regelgeving die kan worden opgenomen voor karakteristieke bouwwerken in het Omgevingsplan of een Verordening Fysieke Leefomgeving. De teksten zijn grotendeels gebaseerd op de Modelverordening van de Vereniging Nederlandse Gemeenten 2021, de Handreiking Voorbeeldregels voor cultureel erfgoed in het omgevingsplan versie 1.0, eveneens van de VNG (en RCE) en de handreiking Erfgoedverordening en Omgevingsplan van de VNG (beiden uit december 2023), maar ze zijn op diverse punten aangepast aan de situatie en of wensen van de gemeente Vlieland. Ze gaan uit van een thematische benadering van het Omgevingsplan (geen integrale benadering), de gemeente zal dit eventueel moeten aanpassen indien dit niet overeenkomt met de opzet van haar Omgevingsplan. Naast de regelgeving voor de karakteristieke bouwwerken zullen ook de voorbeeldregels voor cultuurlandschappen en het beschermd gezicht moeten worden overgenomen en eventueel worden aangepast.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

28

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

DEEL B: Wettelijke en methodologische uitgangspunten bij de archeologische inventarisatie

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

29

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

4

Wettelijk kader archeologie

Bij het opstellen van gemeentelijke archeologische inventarisatie- en waardenkaart gelden wettelijke kaders, zodat deze kaarten zowel inhoudelijk als juridisch voldoende toetsbaar en onderling vergelijkbaar zijn. Deze kaders zijn op Rijks- en Provinciaal niveau vastgelegd. In dit hoofdstuk worden deze kaders toegelicht. 4.1

Omgevingswet

Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de komst van de Omgevingswet is de zorg voor het behouden en ontwikkelen van cultureel erfgoed in twee wetten geregeld. De regels ten aanzien van de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet vastgelegd, de duiding van cultureel erfgoed, de wijze van omgang met cultuurhistorische waarden (kwaliteitszorg) en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit worden omschreven in de Erfgoedwet. De Omgevingswet stelt dat de Gemeente bij het maken van een Omgevingsplan regels moet opstellen

‘met het oog op het behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten’.

Voor de archeologie is de verdeling grofweg: het certificeringsstelsel en het aanwijzen van archeologische rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet en de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (de vergunningverlening en de integratie in de planvorming) in de Omgevingswet. De lokale invulling van de bescherming, zorg en aanwijzing van het archeologie-beleid, of voor het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten wordt ingekaderd door de Omgevingswet en de AmvB’s, waarbij vooral het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van belang zijn. In het bijzonder gaat het om artikel 2.28 uit de Omgevingswet, waarin wordt gesteld dat cultureel erfgoed en de uitzonderlijke universele waarde van het werelderfgoed behouden dienen te worden. In het Omgevingsbesluit is aanvullend aangegeven wie bij besluiten in het ruimtelijk domein als bevoegd gezag geldt, uitgangspunt daarbij is om deze zo gedecentraliseerd mogelijk neer te leggen. Voor de meeste activiteiten is de gemeente daarom bevoegd gezag. Ten aanzien van (meervoudige) complexe activiteiten (waaronder chemische activiteiten) of activiteiten op toebedeelde taken zijn de Gedeputeerde Staten bevoegd gezag. In deze gevallen geeft de gemeente nog steeds een advies af ten aanzien van de vergunningsaanvraag.

De minister van Infrastructuur en Waterstaat blijft bevoegd gezag ten aanzien van de bodem en oevers van rijkswateren (Noordzee, kustwateren en hoofdvaarwegen) op grond van de Waterwet. Binnen het Omgevingsbesluit is ook burgerparticipatie opgenomen. Ale belangen en meningen dienen bij een vergunningsaanvraag op tafel te komen om te helpen bij de besluitvorming. Binnen een aanvraag dienen het plan en de resultaten publiek inzichtelijk gemaakt te worden. In de Bal is het uitgangspunt dat iedereen het beste voor heeft met de leefomgeving. Instandhoudingsplicht en daarbij ook de verplichting tot onderhoud zijn hierbij van belang. In deze AmvB zijn alle verschillende activiteiten die mogelijk zijn in de fysieke leefomgeving opgenomen, waarbij met name de rijksmonumentactiviteit en de ontgrondingsactiviteit van belang zijn. In de Bkl is de instructie opgenomen omrekening te houden met cultureel erfgoed, wereld erfgoed en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Artikel 5.130 beschrijft nader dat binnen het Omgevingsplan rekening wordt gehouden met het ‘belang van behoud van het cultureel erfgoed met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten’. Artikel 5.130 in deze

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

30

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

AmvB legt naast deze instructie ook het begrippenkader waaraan voldoen moet worden vast. Bij andere benamingen vervalt de bescherming. Centraal instrument op lokaal niveau is het Omgevingsplan, dat hier boven al kort benoemd is. Dit plan beziet alle aspecten van de fysieke leefomgeving op integrale wijze, inclusief cultureel erfgoed en is daarmee het eerstaangewezen instrument om uitvoering te geven aan het archeologie-beleid, of voor het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten. De bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden kunnen dan opgenomen worden in het omgevingsplan door bijvoorbeeld archeologie als functie op te nemen en bepaalde activiteiten toe te staan of juist te verbieden.

4.2

Provinciaal kader

Vanuit de wens om het bodemarchief zo goed mogelijk te beschermen is de provincie Friesland in samenwerking met het rijk en de gemeenten enkele decennia geleden gestart met het in kaart brengen van het archeologisch erfgoed. Het ontwikkelde product is de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). In eerste instantie is deze kaart een verdere invulling van de landelijke Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Ook zijn de grotere, bekende bodemverstoringen aangegeven. Het gaat hier om advieskaarten waarbij het advies kan variëren tussen ‘streven naar behoud’ tot ‘geen nader onderzoek nodig’. De kaart wordt op gezette tijden geactualiseerd, zodat ook recenter onderzoek zijn weerslag vindt op de kaart. FAMKE is echter voor Vlieland onvolledig en biedt onvoldoende detail. 4.3

Gemeentelijk kader

Momenteel beschikt Vlieland niet over een gemeentelijke archeologische verwachtings- of beleidskaart. Het uitvoerende beleid wordt momenteel gebaseerd op de provinciale verwachtingskaart en de beheers verordening voor het Waddenzeegebied. Binnen de gemeente zouden de vigerende bestemmingsplannen, Vlieland kom, Vlieland buitengebied, Recreatieve voorzieningen en Recreatiewoningen Noordzeeduinen planregels of deelbestemming ‘Waarde Archeologie’ moeten bevatten. Enkel binnen de Vlieland kom geldt een archeologische dubbelbestemming. Hierbij geldt dat werkzaamheden dieper dan 50 cm en over een groter oppervlakte dan 50 m2 een omgevingsvergunning behoeven. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt verwezen naar het beleidsadvies zoals opgenomen in FAMKE. Het huidige archeologische beleid beschermt op land dus enkel een aantal terreinen binnen de dorpskern van OostVlieland. Het veronderstelt daarmee dat op de rest van het eiland geen archeologische resten van belang aanwezig zullen zijn. Voor de waterbodem van de gemeente geldt de beheersverordening Waddenzee en Noordzee. 32 Hierbinnen zijn in principe geen (nieuwe) verstoringen op en onder de zeebodemdiepte toegestaan. Hiervan zijn uitgezonderd gebieden, waarin sprake is van een vergunde activiteit, zoals de schelpenwinning en de mosselpercelen.

32

Ruimtelijkeplannen, d.d. 12-12-2023.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

31

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

5

Methodologisch kader met verantwoording van de gehanteerde bronnen: Landschap en Archeologie

In dit hoofdstuk wordt het methodologisch kader beschreven dat is gebruikt bij de archeologische en (paleo)landschappelijke inventarisatie en het opstellen van het archeologische verwachtingsmodel. Deze inventarisatie is uitgevoerd volgens de uitgangspunten van de Handleiding Opstellen gemeentelijke archeologische inventarisatiekaarten.33 In het bijzonder wordt ingegaan op de bronnen die zijn gebruikt, wat de betrouwbaarheid en dekking van deze bronnen is en hoe hier vervolgens mee omgegaan is. 5.1

Het natuurlijk landschap

Om te bepalen of er op een bepaald terrein een archeologische verwachting van toepassing is, is het belangrijk om de kenmerken van de natuurlijke ondergrond, en de ontwikkeling van het natuurlijke landschap door de tijd heen voor dat terrein in beeld te brengen. Voor een inventarisatie hiervan zijn een groot aantal bronnen beschikbaar, die hieronder worden besproken. 5.1.1

Bronnen en bronnengebruik

Geomorfologische kaart (landelijke kartering) Op de geomorfologische kaart (schaal 1:50.000) zijn de aan het oppervlak voorkomende landvormen gekarteerd en beschreven. Uitgangsmateriaal voor de eerste uitgebreide (analoge) kartering waren de hoogtepuntenkaart (1:10.000), Topografische kaart 1:25.000, veldcontrole, luchtfoto’s en overig bestaand kaartmateriaal.34 De digitale geomorfologische kaart is een doorontwikkelde versie van deze eerste uitgebreide kartering op schaal 1:50.000, waarbij met behulp van meer en deels gedetailleerdere informatie het kaartbeeld voor grote delen van Nederland is aangepast. Deze aanvullende informatie bestaat uit onder meer bodemkaarten en -detailkarteringen (zoals hierna beschreven), luchtfoto’s en vooral ook het AHN. De bijgewerkte kaartvlakken halen daardoor vaak een schaalniveau dat dichter bij 1:25.000 ligt, en voor sommige gebieden zelfs 1:10.000.35 Zoals aan het begin van de beschrijving van de geomorfologische kaart wordt vermeld, gaat het om aan het oppervlak voorkomende landvormen. In de ondiepe ondergrond voorkomende landvormen, die nauwelijks of geen uitwerking hebben op het reliëf aan maaiveld, zijn dus niet in het kaartbeeld aanwezig. Dit gaat deels om oude maar ook deels om relatief jonge landvormen (vooral onder de Jonge Duinen). Terwijl in het kaartbeeld van Vlieland slechts jonge landvormen aan maaiveld voorkomen.

Bodemkaart (landelijke kartering en detailkarteringen) Voor het gemeentelijk gebied van Vlieland is slechts het kaartblad uit de landelijke kartering op een schaal van 1:50.000 van toepassing, namelijk het blad ‘Vlieland’36. Afhankelijk van de bodemkundige noodzakelijkheid is het kaartbeeld van deze kartering gebaseerd op ongeveer 10 tot 25 boringen per 100 hectare (oftewel 1 boring per 4 tot 10 hectare). De boringen reiken tot een diepte van 1,2 m beneden maaiveld. Als kleinste afmeting voor een afgebeelde bodemeenheid op deze schaal geldt een oppervlak van ongeveer 10 hectare.37 Binnen een dergelijk vlak kunnen dus ook gronden voorkomen die niet aan de criteria voldoen die horen bij de aldaar weergeven eenheid. Deze ‘onzuiverheden’ worden dus veroorzaakt door een grotere variatie op korte afstand dan die kan worden weergegeven met inachtneming van de minimumgrootte van 10 hectare voor een bodemeenheid. Wanneer de onzuiverheid binnen de eenheid tot boven ongeveer 30 % stijgt, dan wordt een samengestelde kaarteenheid aan het

33

Breimer et l 2020.

34

Ten Cate/Maarleveld 1977

35

https://docs.geostandaarden.nl/bro/def-im-GMM-20190510/#kartering-nieuwe-stijl-1998-heden, geraadpleegd d.d. 26-7-2021. Van Oosten 1981, 1986.

36

37

Steur/Heijink 1991

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

32

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

vlak toegekend, bestaand uit meer dan een legenda-eenheid (en eventueel ook grondwatertrap). 38 In de meeste gevallen, zoals ook voor dit kaartblad het geval is, is er sprake van een eenmalige veldopname. Voor meerdere van de overige kaartbladen uit deze landelijke reeks heeft een tweede opname plaatsgevonden met als doel de grondwatertrappen te actualiseren. Wanneer daarbij geconstateerd werd dat grenzen van de bodemeenheden aanpassing behoefden, dan werd deze ook doorgevoerd. 39 Dit is voor het kaartblad ‘Vlieland’ echter niet het geval geweest. Ook in de in 2010 gestartte (gedeeltelijke) actualisatie ten behoeve van de landsdekkende digitale bodemkaart heeft nog niet geleid tot wijzigingen in het beeld van de bodem van Vlieland.40 DINOloket De databank van DINOloket41 bevat vele (honderd)duizenden boorbeschrijvingen van zowel handboringen als mechanisch uitgevoerde boringen, die per puntlocatie informatie (kunnen) verschaffen over hoe de bodemopbouw daar ter plaatse werkelijk is vastgesteld. In totaal bevat DINO op het vasteland circa 470.000 boorbeschrijvingen, waarvan er circa 277.000 voorzien zijn van een lithostratigrafische interpretatie.42 Verreweg het grootste deel van de boringen heeft een einddiepte van 2 tot 6 meter beneden maaiveld.43 Naast de variatie in einddiepte is er ook sprake van een (grote) variatie in de kwaliteit van de beschrijvingen.

Een overzicht van de voor het gemeentelijk gebied van Vlieland is opgenomen in Afbeelding 3. Hoewel in eerste instantie een redelijk gelijkmatige spreiding en dichtheid van boringen voor Vlieland aanwezig lijkt, laten de onderverdeling naar diepte en beschrijvingskwaliteit zien dat de boringen met de hoogste beschrijvingskwaliteit en de grootste einddiepte zich vooral concentreren rond Oost-Vlieland. De gemiddelde dichtheid aan boringen over het gehele gemeentelijk gebied bedraagt 1,2 boring per km2. Wanneer we een nadere blik werpen op de beschikbare hoeveelheid boringen die de samenstelling van de ondergrond op een diepte van respectievelijk 5 en 10 meter beneden NAP beschrijven (zie Afbeelding 4dan zakt de gemiddelde dichtheid al terug naar 0,5 en 0,26 boringen per km2.

38

Steur/Heijink 1991

39

De Vries et al. 2003

40

https://docs.geostandaarden.nl/bro/SGM/#digitale-bodemkartering-voor-de-actualisatie-van-de-bodemeenheden, geraadpleegd d.d. 17-11-2022. 41

https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens

42

Stand van zaken eind 2018; zie Stafleu et al. 2019.

43

Stafleu et al. 2019, 23.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

33

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

Afbeelding 3 Boringen, weergegeven op einddiepte (beneden maaiveld) en beschrijvingskwaliteit (A (best) t/m E). Bron: DINOloket. www.dinoloket.nl

GeoTOP “Het model GeoTOP geeft een gedetailleerd driedimensionaal beeld van de ondergrond van Nederland

tot een diepte van maximaal 50 meter onder NAP. In GeoTOP wordt de ondergrond onderverdeeld in miljoenen voxels (cellen) van 100 bij 100 meter in de horizontale richtingen en 50 centimeter

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025

34

V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet

verticaal.”44 Aan elke cel zijn vervolgens eigenschappen zoals de relevante lithostratigrafische eenheid gekoppeld. De bronnen die als input hebben gediend voor dit model zijn hierboven reeds voor het grootste deel benoemd. Naast de bodemkaart, geomorfologische kaart en de geologische kaart, de breuken-karteringen en de modellen DGM (Digitaal Geologisch Model) en REGIS II (hydrogeologische lagenmodel) zijn het vooral de boorbeschrijvingen uit de DINO databank die aan de basis liggen van dit GeoTOP model.45 Zowel REGIS II als DGM maken gebruik van een deel van de boringen die ook in DINO zijn opgenomen. Daarnaast zijn de boringen die zijn gezet voor de geologische kartering ook opgenomen in DINO. Op deze wijze vormen zij naast een directe input op deze wijze nogmaals maar dan nu indirect input voor het GeoTOP model. De celgrootte in het platte vlak is weliswaar 1 hectare, maar wanneer we kijken naar de informatiedichtheid van de belangrijkste bron, de boringen uit de DINO databank, dan is er gemiddeld over heel Nederland slechts 1 boring per 8,8 hectare beschikbaar, ongeacht de variatie in dichtheid, kwaliteit van beschrijving en einddiepte.

Wanneer we alleen met de beschikbare boringen binnen, en de oppervlakte van, het gebied van de gemeente Vlieland, dan daalt de gemiddelde dichtheid naar 1 boring per 83 hectare, wederom ongeacht de variatie in dichtheid, kwaliteit van beschrijving en einddiepte. Op het grondgebied van slechts het eiland zelf bedraagt de dichtheid dan nog 1 boring per 30,31 ha. De dichtheid aan boringen die het landschap onder het bereik van de bodemkaart beschrijft (dus dieper dan 1,2 m beneden maaiveld) neemt vrij snel af. Het vergelijken van de zeggingskracht van die overgebleven boringen wordt echter beperkt door de grote variatie in hoogteligging; door de einddiepte in meters beneden NAP met elkaar te vergelijken krijgen we meer inzicht in de zeggingskracht van de modellering op basis van de boringen die op dat specifieke niveau als controlepunten kunnen dienen. In Afbeelding 4 zijn twee voorbeelden geïllustreerd waarbij deze vergelijking heeft plaatsgevonden, tot een diepte van 10 meter beneden NAP (het niveau van de zeespiegel in het Laat-Mesolithicum).

Zoals reeds vermeld bij de korte bespreking van de boorgegevens uit DINOloket is op een diepte van 5 meter beneden NAP nog slechts sprake van een dichtheid van 0,5 boring per km2, oftewel gemiddeld 1 boring per 200 hectare, terwijl de dichtheid op een diepte van 10 m -NAP reeds gezakt is naar 0,26 boring per km2, oftewel gemiddeld 1 boring per 384 hectare. Daarbij zijn er in het beeld van de spreiding van de boringen grote stukken te zien waar geen enkel datapunt beschikbaar is. De zeggingskracht van de modellering neemt dus af bij een toenemende diepte. Het model biedt in combinatie met de beschrijvingen van boringen, die in het kader van projectgebonden karteringen zijn uitgevoerd, als enige een inzicht in de aan- of afwezigheid van lithostratigrafische eenheden, en de diepteligging daarvan. Er wordt echter geen onderscheid aangebracht op genese binnen deze eenheden, zoals dat wel aanwezig is in de niet-voltooide landelijke geologische kartering op schaal 1:50.000. Een onderscheid dat over het algemeen wel gewenst is wanneer we het hebben over de archeologische potentie van een gebied, gebaseerd op kenmerken van het natuurlijke landschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vlieland&id=ca1db01e-6ae9-41fd-8c67-e2b8c979d56a