CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Westwijk

Gemeenteraad 20 mei 2021, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Bestemmingsplan Westwijk37.251 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Aangezien de ontsluiting van de Claudius Civilislaan op de Floris Vijfdelaan met regelmaat voor opstoppingen zorgt, wordt er nagedacht over de mogelijkheid om de Claudius Civilislaan door te trekken naar Karel de Grotelaan / Jacoba van Beierenstraat. Hierover is echter nog geen beslissing genomen. 4.7.

Wijzigingsplannen en/of uitwerkingsplannen

Sommige herontwikkelingen zijn mogelijk gemaakt via een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsbevoegdheid. Dat betekent dat er nog een wijzigings- en/of uitwerkingsplan moet worden gemaakt om de herontwikkeling te kunnen realiseren. Het wijzigings- en uitwerkingsplan moet voldoen aan de randvoorwaarden die zijn opgenomen. In dat plan zal ook moeten worden aangetoond dat wordt voldaan aan relevante eisen. Aangezien het een wijzigingsbevoegdheid betreft, hoeft dat in dit bestemmingsplan vooralsnog niet nader te worden uiteengezet. Er moet dan in ieder geval worden gedacht aan eisen met betrekking tot duurzaamheid (duurzame

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

46

nieuwbouw), watertoets, milieuhinder (o.a. geluidhinder, externe veiligheid, luchtkwaliteit, bodem), beschermde natuur (flora- en fauna), archeologie en parkeren. 4.8.

Woningbouwlocaties op de lange termijn

Naast de hiervoor genoemde woningbouwlocaties zijn er nog diverse locaties waar op termijn wordt gedacht aan woningbouw die ook zijn opgenomen in het Actieplan Wonen (zie afbeelding 22). Te denken valt hierbij aan de Van Wesembekestraat, Mr. Verschuurstraat (oostzijde, De Eilandjes), Telderstraat, Ary Koplaan en Eyckmanstraat. Voor deze locaties is vooralsnog geen regeling opgenomen aangezien dit locaties betreft die waarschijnlijk niet in de aankomende periode van vijf jaar zullen worden gerealiseerd en het nog te onduidelijk is wat daar komt. 4.9.

De Vreemde Vogel

Deze recreatieve voorziening bevindt zich sinds een aantal jaren op het terrein van de voormalige NIVON-boerderij. De boerderij is een karakteristiek pand (zie §2.2). De activiteiten omvatten buiten kamers, binnen kamers, verblijfsrecreatie, eetcafé van broodje tot borrel, met terras, logies (horeca categorie 2), zalenverhuur, van feest tot vergadering (horeca categorie 4), wijnproeverij, fietsverhuur, winkel met streekproducten, muziekoptredens, trouw locatie, sauna, moestuin, kinderboerderij, dienstwoning. Er is een wens om op de verdieping van het bestaande pand activiteiten te mogen laten plaatsvinden. En er is een wens een extra gebouw te realiseren waar families samen kunnen komen die huisjes hebben gehuurd, tevens extra speelruimte geen feestplek. Open in het weekend en vakanties van de regio. In het bestemmingsplan is geregeld dat er naast het bestaande (oorspronkelijke) hoofdgebouw op het achter- en zijerf aangebouwde en losstaande bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning nadere eisen stellen met betrekking tot de situering van bijbehorende bouwwerken. Horeca is toegestaan als niet-zelfstandig onderdeel van de recreatieve hoofdfunctie waarmee wordt bedoeld dat er geen (aparte) commerciële exploitatie mag plaatsvinden, maar er een relatie is met de hoofdfunctie.

Ondergeschikte en niet-zelfstandige detailhandel en/of kantoren is toegestaan. De gezamenlijke oppervlakte dat daarvoor wordt gebruikt voor mag niet meer bedragen dan 30% van de vloeroppervlakte van de recreatieve hoofdfunctie. Er mag worden afgeweken voor andere vormen van horeca, mits dit naar oordeel (van de gemeente) niet op overwegende bezwaren sluit. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan geluidhinder of parkeeroverlast. 4.10.

Blankenburgverbinding

Op 28 maart 2016 heeft Minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu) het Tracébesluit voor de Blankenburgverbinding vastgesteld. De beslissing, dat dit besluit onherroepelijk wordt, is inmiddels door de Raad van State genomen. Het project is in uitvoering. De Blankenburgverbinding loopt aan de westzijde op geruime afstand van de Westwijk en takt aan op de rijksweg A20. Direct ten noorden van het plangebied wordt de rijksweg tussen het Kethelplein en de oprit en afrit van de Blankenburgverbinding in beide richtingen verbreed met 1 rijstrook en vluchtstrook. Daarnaast worden de aansluitingen Vlaardingen-West (8) en Vlaardingen (9) aangepast. De verzorgingsplaats en het benzinestation De Rijskade blijven op de huidige locatie. De verzorgingsplaats en het benzinestation Aalkeet komen te vervallen.13 De gronden van Tracébesluit vallen niet binnen het plangebied van dit bestemmingsplan aangezien de bestemmingsplangrens daar op aansluit.

13

Bron: https://www.blankenburgverbinding.nl/Project/Trace/default.aspx

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

47

Afbeelding 32 wettelijke zones van de industrieterreinen

Afbeelding 34 Uitsnede geluidkaart van Vlaardingen voor industrielawaai Afbeelding 33 Geluidschillen volgens het RAK

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

48

5.

MILIEU

5.1.

Algemeen

In dit milieuhoofdstuk wordt ingegaan op de milieuaspecten, die voor dit plan relevant zijn. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk behalve de nieuwe verkeersontsluiting van het centrum en functieverruiming . Er wordt bedoeld direct mogelijk maken, dus zonder nadere afwijkings-, uitwerkings- of wijzigingsprocedure. Want in het geval van zo’n afwijkings-, uitwerkings- of wijzigingsprocedure wordt het milieueffect nog nader bezien in het kader van die procedure. Slechts enkele van de nieuwe functies betreffen hindergevoelige functies zoals bedoeld in de milieuwetgeving. De nieuwe doorgaande verbinding via het Tussenpad (Spinozaweg), zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan komt te vervallen doordat onvoldoende middelen beschikbaar voor de realisering. In verband daarmee vervallen een aantal passages in dit hoofdstuk. Deze zijn ter wille van de herkenbaarheid nu cursief opgenomen. De inhoud van dit hoofdstuk wordt beschouwd als een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Een MER is niet noodzakelijk. Het college heeft hierover voorafgaand aan de vaststelling een besluit genomen. 5.2.

Geluidhinder

Toetsingskader Algemeen In de Wet geluidhinder (verder Wgh) zijn geluidbronnen aangewezen. Deze geluidbronnen zijn voorzien van een geluidzone. Per bronsoort zijn voorkeurswaarden en maximale ontheffingswaarden opgenomen. Deze waarden gelden voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone. Andere geluidgevoelige bestemmingen zijn onder andere scholen, kinderopvang, ziekenhuizen en verzorgingstehuizen. Het plangebied heeft te maken met geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer en industrie. Industrielawaai Volgens de Wgh dienen alle industrieterreinen waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Buiten deze zone mag de geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein niet meer bedragen dan 50 dB(A). Als er binnen de geluidzone geluidgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt is er akoestisch onderzoek noodzakelijk. De voorkeurswaarde voor woningen en geluidgevoelige bestemmingen bedraagt 50 dB(A). De maximale ontheffingswaarde is 55 dB(A). In het verleden is voor enkele industrieterreinen in de omgeving van het plangebied een geluidszone vastgesteld. Het gaat daarbij om de gezoneerde industrieterreinen "Botlek / Pernis" en "Vulcaanhaven / Koningin Wilhelminahaven / Klein-Vettenoord” (zie afbeelding 32).

Op 8 juli 2015 heeft de gemeente Vlaardingen het Regionaal Afsprakenkader Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling (RAK) ondertekend. Dit convenant is van toepassing op industrieterrein “Botlek/Pernis” en dient mede ter vervanging van de Bestuursovereenkomst Rijnmond-West. Het doel van het RAK is een brede afstemming op regionaal niveau in een vroeg stadium van woningbouw- en havenontwikkeling. Het geografische werkingsgebied van dit convenant bestaat uit het havengebied en de daarom heen gelegen gebieden binnen de geluidzone. In het RAK is onder meer afgesproken welke geluidschillen moeten worden gehanteerd voor het verlenen van hogere waarden als gevolg van industrieterrein "Botlek / Pernis" (zie afbeelding 33). Daarnaast is in de afbeelding de zone van "Vulcaanhaven / Koningin Wilhelminahaven / Klein-

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

49

Vettenoord” weergegeven. Omdat dit industrieterrein niet onder het RAK valt, gelden de afspraken niet voor dit terrein.

Afbeelding 35 Uitsnede geluidkaart van Vlaardingen voor wegverkeer (Lden)

Afbeelding 36 Geluidbelasting door nieuwe ontsluiting

Wegverkeer Langs alle wegen bevinden zich geluidzones, met uitzondering van woonerven en wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Een geluidzone is een gebied aan weerszijden van de weg. Als er binnen de geluidzone van een nieuwe weg geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn of wanneer deze mogelijk worden gemaakt binnen de zone van een bestaande weg, dan is er akoestisch onderzoek noodzakelijk. De breedte van een geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). In onderstaande tabel zijn de zones weergegeven. Voor geluidgevoelige bestemmingen in stedelijk gebied geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. De ambitie die wordt nagestreefd in het gebiedsgerichte milieubeleid voor stedelijk wonen is 53dB (hoog ambitieniveau). Aantal rijstroken Stedelijk gebied 1 of 2 3 of meer Buitenstedelijk gebied 1 of 2 3 of 4 5 of meer

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

Aantal meters aan weerszijde van de weg 200 m 350 m 250 m 400 m 600 m

1832266

50

Tabel 12 Geluid

Spoorweglawaai De regels voor het geluid vanwege spoorwegen zijn in twee verschillende wetten ondergebracht: in de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder. Hoofdspoorlijnen vallen onder de Wet milieubeheer. In de huidige situatie is dit het geldende toetsingskader. Bij de ombouw van het spoor naar een lightrail verbinding is er voor gekozen om dit toetsingskader te handhaven. Voor de Hoekselijn zijn door de Minister van IenW geluidproductieplafonds (GPP's) vastgesteld. Beoordeling Voor dit plan is een globale beoordeling van de akoestische kwaliteit gedaan. Hierbij is aansluiting gezocht bij de (landelijk geaccepteerde) kwalificatie zoals opgenomen in onderstaande tabel. Voor zover bestemmingsplannen geluidgevoelige functies mogelijk maken of effecten op geluidgevoelige functies mogelijk kunnen maken, moet de akoestische situatie nader worden onderzocht. Er wordt daarom ook concreet ingegaan op de nieuwe verkeersontsluiting. Totale geluidbelasting < 45 dB 45 - 49 dB 50 - 54 dB 55 - 59 dB 60 - 64 dB 65 - 69 dB  70 dB

Beoordeling akoestisch klimaat Zeer goed Goed Redelijk Matig Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Tabel 13 Kwalificatie geluidbelasting (bron: Stadsregio Rotterdam, Bouwen op geluidbelaste locaties, herziene versie 2014)

Industrielawaai De akoestische belasting als gevolg van industrielawaai voldoet in het overgrote deel van de Westwijk aan de voorkeursgrenswaarde en daarmee ook aan de ambitie van de gemeente. Dit geldt echter niet voor het zuidelijke deel van de wijk. Hier kan de geluidbelasting tot 55 dB oplopen. Het akoestisch klimaat in het zuidelijk deel van de Westwijk kan hiermee als matig worden gekwalificeerd. Wegverkeer algemeen Uit de afbeelding 35 blijkt dat voor een grote delen van de Westwijk sprake is van een redelijk tot goed akoestisch klimaat. Langs de drukkere (ontsluitings)wegen (o.a. Floris de Vijfdelaan, Dirk de Derdelaan, Marnixlaan, Dr. Wiardi Beckmansingel, Arij Koplaan) is dat niet het geval. Daar is sprake van een matig tot slecht akoestisch klimaat. Daarmee wordt voor een groot deel van de wijk voldaan aan het ambitieniveau van het gebiedsgerichte milieubeleid. Wegverkeer nieuwe ontsluiting Tussenpad Vanwege de gewenste ontwikkelingen nabij het Erasmusplein wordt de verkeersstructuur daar gewijzigd. Het Tussenpad, dat nu uitsluitend voor langzaam verkeer is bedoeld, zal voor autoverkeer worden gebruikt. Tegelijkertijd zal de Dr. Wiardi Beckmansingel niet meer als doorgaande route worden gebruikt. De akoestische gevolgen van het gebruik van het Tussenpad voor snel verkeer op de omliggende woningen zijn onderzocht.

Aan de Van Baerlestraat zijn een aantal appartementsgebouwen gesitueerd die haaks op de nieuwe verbinding staan. De geluidbelasting op deze gebouwen blijft onder de 48 dB. Evenwijdig aan het Tussenpad ligt een galerijflat (aan de Roemer Visscherstraat). De geluidbelasting als gevolg van het toekomstige verkeer op het Tussenpad bedraagt 49 dB op de oostgevel van het gebouw.14 Er is dus sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Omdat het Tussenpad een 30 km/u regime zal krijgen, zijn hiervoor geen hogere grenswaarden nodig.

14

Waarneemhoogte 5 meter

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

51

Bij de aansluiting van het Tussenpad aan de Marnixlaan is, langs de Dirk de Derdelaan eveneens een galerijflat gesitueerd. De geluidbelasting op de hoekappartementen als gevolg van de verbinding is 50 dB. Ook hiervoor geldt dat geen hogere grenswaarden nodig zijn. In afbeelding 36 is de kwalificatie van de geluidbelasting inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat de gevels van de bestaande woningen aan de Roemer Visscherstraat en de Van Baerlestraat in de klasse 45-50 dB vallen, zodat er sprake is van een goed akoestisch klimaat vanwege het Tussenpad. De belasting op de hoekwoning aan de Dirk de Derdelaan als gevolg van het Tussenpad valt in de klasse 50-55 dB. Zodat er sprake zou zijn van een redelijk akoestisch klimaat. Overigens is de geluidbelasting als gevolg van de Dirk de Derdelaan op dit pand dusdanig hoog, dat er sowieso sprake is van een slecht akoestisch klimaat op die plek. Uit het bovenstaande volgt dat de akoestische consequenties van het gebruik van het Tussenpad voor autoverkeer aanvaardbaar zijn. Spoorweglawaai In 2015 heeft de gemeente Rotterdam onderzoek gedaan naar het aspect spoorweglawaai in het kader van de ombouw van de Hoekselijn. Uit dit onderzoek blijkt dat bij de woningen aan de Arij Koplaan geen overschrijdingen plaatsvinden van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Conclusie De akoestische kwalificatie van het woon- en leefklimaat varieert.

In de rustige delen kan deze als redelijk tot goed worden gekwalificeerd, maar langs de drukkere wegen is er sprake van een matig tot slecht akoestisch klimaat. Gelet op het karakter van de wijk (stedelijk wonen) wordt dat op dit moment aanvaardbaar geacht. In het Actieplan geluid, dat komend jaar wordt geactualiseerd, zal verder worden onderzocht welke maatregelen mogelijk en wenselijk zijn om het woon- en leefklimaat te verbeteren. Het plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen. De akoestische consequenties van het gebruik van het Tussenpad voor autoverkeer zijn aanvaardbaar. Effecten op/van ontwikkelingen die worden gerealiseerd door afwijkingsbesluiten en/of wijzigings- en uitwerkingsplannen worden in dat kader onderzocht. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

Afbeelding 37 Uitsnede monitoringstool NSL voor NO2

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

52

5.3.

Luchtkwaliteit

Toetsingskader De Europese Unie heeft normen vastgesteld voor de luchtkwaliteit. Voor Nederland zijn vooral de normen (‘grenswaarden') voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,50) belangrijk. Met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) laat de Nederlandse overheid zien hoe zij die grenswaarden gaat realiseren. Stof

Concentratie

Beschrijving

g/m3 Stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Fijn stof (PM10) 24-uurgemiddelde concentratie: overschrijding max. 35 keer per jaar

40 40 25 50

Grenswaarde Grenswaarde Grenswaarde Grenswaarde

Tabel 14 Relevante normen uit de Wet Luchtkwaliteit

Het ministerie van IenW houdt de vinger aan de pols tijdens de looptijd van het NSL. Monitoring is nodig om zeker te stellen dat overal tijdig de grenswaarden worden gehaald. Toetsingskader met betrekking tot projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit vormt de Algemene Maatregel van Bestuur “niet in betekenende mate bijdragen” (hierna: AMvB nibm) en de ministeriële Regeling ‘nibm’. Hierin wordt gesteld dat projecten niet in betekenende mate (nibm) bijdragen als: de bijdrage van het project aan de verslechtering van de luchtkwaliteit kleiner is dan 3% van de grenswaarde (1,2 μg/m³) en de besluitvorming rond het project plaatsvindt nadat het programma zoals bedoeld in artikel 12 van het Besluit luchtkwaliteit (NSL) is ingegaan (lid 1 van artikel 2 van de AMvB nibm). Binnen het gebiedsgericht milieubeleid heeft de gemeente zowel voor stikstofdioxide als voor fijn stof scherpere normen gesteld voor het gebiedstype ‘stedelijk wonen’. Stof

Concentratie Hoog niveau g/m3 25 20

Stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie

Concentratie Vlaardings niveau g/m3 30 25

Tabel 15 Relevante normen uit gebiedsgericht milieubeleid voor stedelijk wonen

Beoordeling Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld hoe de heersende luchtkwaliteit is. Hiervoor is de monitoringstool van het NSL geraadpleegd. In onderstaande afbeeldingen is een uitsnede weergegeven voor respectievelijk NO2 en PM10. Voor zover bestemmingsplannen hindergevoelige functies mogelijk maken of effecten op hindergevoelige functies mogelijk kunnen maken, moet de situatie nader worden onderzocht. Er wordt daarom ook concreet ingegaan op de nieuwe verkeersontsluiting. Algemeen Uit de afbeeldingen 37 en 38 blijkt dat binnen het gehele plangebied wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. De PM10 fractie en de PM2,5 fractie zijn sterk aan elkaar gerelateerd. Daarom kan worden gesteld dat als aan de norm voor PM10 wordt voldaan eveneens aan de norm voor PM2,5 wordt voldaan. Behalve aan de wettelijke grenswaarden is eveneens getoetst aan de ambitie die de gemeente zichzelf heeft opgelegd in het gebiedsgericht milieubeleid. Met name voor NO2 wordt (nog) niet voldaan aan het ambitieniveau van het gebiedsgerichte milieubeleid. De concentratie NO2 aan de Floris de Vijfdelaan ligt tussen de 30 en 32 *g/m3. Omdat het hier een belangrijke ontsluitingsweg van de wijk betreft en de concentratie maar nauwelijks boven het ambitieniveau ligt, wordt dit aanvaardbaar geacht.

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

53

Afbeelding 38 Uitsnede monitoringstool NSL voor PM10

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

54

Afbeelding 39 Concentratie NO2

Nieuwe ontsluiting Tussenpad Vanwege de gewenste ontwikkelingen nabij het Erasmusplein wordt de verkeersstructuur daar gewijzigd. Het Tussenpad, dat nu uitsluitend voor langzaam verkeer is bedoeld, zal voor autoverkeer worden gebruikt. Tegelijkertijd zal de Dr. Wiardi Beckmansingel niet meer als doorgaande route worden gebruikt. De gevolgen van het gebruik van het Tussenpad voor snel verkeer op de luchtkwaliteit zijn onderzocht. De gemeente Vlaardingen heeft verkeersaantallen beschikbaar gesteld van de verwachte situatie (2018). De DCMR heeft deze gegevens ingevoerd in het voorgeschreven rekenmodel, de Rekentool van het NSL. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat de huidige dichte bomenrij langs het Tussenpad in de nieuwe situatie niet meer aanwezig zal zijn. De verspreiding van luchtverontreiniging zal daardoor beter zijn dan wanneer er een dichte rij bomen blijft staan. Als er toch bomen blijven staan, zullen de concentraties mogelijk iets hoger zijn. Uit de berekeningen volgt dat zowel in de huidige situatie als in de nieuwe situatie de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2.5) ruim onder de geldende grenswaarden voor de luchtkwaliteit liggen. In afbeeldingen 39, 40 en 41 zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 inzichtelijk gemaakt.

Voor zowel NO2 als PM10 wordt in het gehele gebied rondom het Erasmusplein voldaan aan de Vlaardingse ambitie van het gebiedsgerichte milieubeleid. Het hoogste ambitieniveau wordt net niet gehaald. Gezien het karakter van het gebied (centrumfunctie) wordt dit aanvaardbaar geacht. Voor PM2,5 is geen ambitie geformuleerd. Uit het bovenstaande volgt dat de consequenties voor de luchtkwaliteit van het gebruik van het Tussenpad voor autoverkeer aanvaardbaar zijn. Conclusie Het plan draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit. In het overgrote deel van het plangebied wordt bovendien voldaan aan het

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

55

ambitieniveau voor stedelijk wonen. Alleen langs de wijkontsluitingsweg is de concentratie enigszins hoger. Dit wordt aanvaardbaar geacht. De consequenties voor de luchtkwaliteit van het gebruik van het Tussenpad voor autoverkeer zijn aanvaardbaar. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Afbeelding 40 Concentratie PM10

5.4.

Afbeelding 41 Concentratie PM2,5

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van een risico-opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen. Het kan daarbij gaan om industriële activiteiten, transportroutes of buisleidingen. Ook het risico van luchthavens valt onder het aspect externe veiligheid. In het veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Voor het PR is een maximaal toelaatbaar niveau van 10-6 per jaar vastgesteld, dat in nieuwe situaties niet mag worden overschreden. Kwetsbare functies mogen in principe niet voorkomen binnen de PR 10-6 contour. Het gaat dan om functies en objecten waar zich personen gedurende een langere tijd kunnen bevinden. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde. Het groepsrisico wordt weergegeven in een fN-curve, waarbij f de kans op jaarbasis weergeeft en N het aantal slachtoffers.

De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het groepsrisico toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. In oktober 2012 heeft de gemeente de Visie externe veiligheid ‘Ruimte voor duurzame veiligheid’ vastgesteld. In deze visie is vastgelegd hoe de gemeente Vlaardingen omgaat met het aspect externe veiligheid in ruimtelijke plannen. Eén van de belangrijke beleidsuitgangspunten voor dit bestemmingsplan is dat binnen woongebieden geen nieuwe risicobronnen mogen worden gesitueerd en dat de hoogte van bestaande risico’s afneemt. Beoordeling Door de DCMR is onderzoek gedaan naar het aspect externe veiligheid voor dit plan (zie bijlage 6). Hieruit blijkt dat zich een aantal relevante inrichtingen en een aantal buisleidingen nabij het plangebied bevinden. Ook ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de A20 (traject Maassluis-Vlaardingen West) en de Marathonweg. Tenslotte ligt het plangebied binnen het verantwoordingsgebied van RtHA-airport. Geen van de risicobronnen heeft een PR 10-6 contour die in het plangebied ligt, maar in het zuidoostelijke deel van het plangebied loopt wel een aantal hoge druk aardgasleidingen door het

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

56

plangebied. Deze zijn op de verbeelding aangegeven met de bijbehorende belemmeringenstroken. De restricties die gelden in deze strook zijn in de regels opgenomen. Van de aanwezige risicobronnen is een berekening van het groepsrisico gemaakt. Hierbij is al rekening gehouden met de ontwikkelingen van de de Spirit I-locatie, Villa Delphia, De eilanden en de Samuel Esmeijerstraat. Uit de berekeningen blijkt dat voor vrijwel alle risicobronnen sprake is van een groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Dit geldt niet voor het groepsrisico als gevolg van de hogedruk aardgasleiding die parallel loopt met de Marathonweg. Deze leiding veroorzaakt een groepsrisico van 1,4 maal de oriëntatiewaarde. De ontwikkelingen bij het Centrumplan zijn nog niet in de berekeningen betrokken. In de wijzigings- en uitwerkingsplannen is voor dit aspect nog nader onderzoek noodzakelijk. Voor de verantwoording van het groepsrisico is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) voor de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en rampenbestrijding. Groepsrisicoverantwoording Er is een verantwoording opgesteld voor het groepsrisico met de volgende afweging (zie bijlage 7). Het bestemmingsplan Westwijk is overwegend conserverend van aard. Er worden geen risicobronnen toegevoegd en ook geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, anders dan via uitwerkingsplannen of wijzigingsplannen.

Het plan is niet in strijd met de uitgangspunten van de gemeentelijke visie externe veiligheid. Gelet op de inhoud van de verantwoording acht college het groepsrisico aanvaardbaar. Conclusie In en rond het plangebied bevinden zich meerdere risicobronnen. Geen van deze risicobronnen heeft een plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 die reikt tot het plangebied. Wel moet op de verbeelding een belemmeringstrook worden gereserveerd aan weerszijden van de buisleidingen voor zover deze door het plangebied lopen. Er is een berekening (of een inschatting) gemaakt van het groepsrisico als gevolg van de risico-bronnen. Het groepsrisico van de hogedruk aardgasleiding A517 bedraagt 1,4 maal de oriëntatiewaarde. Van de overige risicobronnen ligt het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. De berekende waarde van het groepsrisico neemt niet toe, als gevolg van de realisatie van dit plan. Het groepsrisico wordt aanvaardbaar geacht. Met betrekking tot de gasleiding W521 (langs de Arij Koplaan) is een aanduiding opgenomen die het mogelijk maakt bij (her)ontwikkeling ter plaatse van de bestemming Maatschappelijk nadere eisen te stellen aan de situering van nooduitgangen. Dit heeft te maken met de betreffende zone van 15 meter die daar deels over de bestemming Maatschappelijk valt en een schoolgebouw een kwetsbaar object is.

Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering op voor de vaststelling van dit plan. 5.5.

Bedrijvigheid en milieuzonering

Toetsingskader Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Om dit te bereiken moet voldoende afstand worden gecreëerd tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Om een goede milieuzonering te realiseren heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) de brochure “Bedrijven en milieuzonering” uitgebracht. Deze handreiking geeft onder meer richtafstanden die kunnen worden aangehouden om schade en overlast te voorkomen. Daarnaast kan de handreiking worden gebruikt voor het bepalen welke gebieden in het plangebied in aanmerking komen voor functiemenging. In gebieden met functiemenging kunnen de richtafstanden worden verlaagd. De handreiking is bedoeld als hulpmiddel bij nieuwe ontwikkelingen. Deze is niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. Beoordeling Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk conserverend van aard. Toetsing aan de VNG-richtlijn is dan in principe niet aan de orde. Uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening is wel beoordeeld of er sprake is van knelpunten. Het grootste deel van het plangebied heeft een al dan niet uit te werken woonbestemming. Hier is sprake van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

57

Aan Dirk de Derdelaan 13 zit een bakker zonder winkel. Een bakker zonder winkel valt onder de SBI 'broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen'. Er zijn 3 subcategorieën. Twee voor brood en één voor banket (en aanverwanten). Als het om brood gaat, is de verwerkingscapaciteit van meel bepalend. Als het om een ambachtelijk gebeuren gaat, valt dit in de lage categorie. Dan is er sprake van VNG-categorie 2. Richtafstand 30 meter. Aan Dirk de Derdelaan 18 bevindt zich een garagebedrijf. Deze valt in VNG-categorie 2 met een richtafstand van 30 meter tot woningen. In de huidige situatie bevinden zich woningen op een kortere afstand. Omdat het een bestaande situatie betreft is toetsing aan de richtafstand niet aan de orde. Het bedrijf is met een maatbestemming opgenomen in het plan. Het bedrijf ligt overigens ook in een gebied waarop een wijzigingsbevoegdheid ligt. Het gebied waar de ontwikkeling Centrumplan is beoogd heeft een overwegend gemengde functie. Hier wordt detailhandel en horeca gecombineerd met wonen en maatschappelijke voorzieningen. Voor dit deel van het plangebied is sprake van een omgevingstype ‘gemengd gebied’. De aanwezige bedrijvigheid is toelaatbaar in een gebied met functiemening. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 5.6.

Bodemkwaliteit

Toetsingskader In diverse wet- en regelgeving worden eisen gesteld ten aanzien van de bodem in bestemmingsplan procedures. In het kader van de Wet bodembescherming wordt gesteld dat de bodemkwaliteit geschikt moet zijn voor de beoogde bestemming en in het Besluit ruimtelijke ordening is een verplichting opgenomen tot het inventariseren van de bestaande bodemsituatie. Daarnaast bevat de Woningwet een verbod op bouwen op verontreinigde grond. Binnen het gebiedsgericht milieubeleid zijn BodemGebruiksWaarden (BGW) geformuleerd. De waarden zijn gebaseerd op de Bodembeheersnota van de gemeente. De BGW geeft het kwaliteitsniveau aan waarbij mens, plant en dier in afdoende mate zijn beschermd. Voor stedelijk wonen geldt BGW III (Wonen en recreatie). Deze ambitie is gelijk aan de landelijke norm en levert geen extra inspanningen op. Beoordeling Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk conserverend van aard. De ontwikkelingen die in hoofdstuk 4 zijn beschreven worden mogelijk gemaakt via wijzigings- en uitwerkingsplannen. In deze plannen wordt nader onderzocht of de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Voor de ontwikkeling Centrumplan is een voorbeoordeling gedaan op basis van nu reeds beschikbare informatie.

Hiervoor is is gekeken naar beschikbare bodeminformatie en bodemgebruik binnen het gebied dat wordt afgebakend door de Marnixlaan, Doctor Wiardi Backmansingel, Van Baerlestraat en het Tussenpad. Op basis van, bij de gemeente, beschikbare gegevens kan worden geconcludeerd dat de boven- en ondergrond, evenals het grondwater, overwegend schoon tot licht verontreinigd is. Er zijn geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging bekend. Daarmee lijkt de bodemkwaliteit geschikt voor het toekomstig gebruik. Een aandachtspunt is het parkeerterrein aan de Dr. Wiardi Beckmansingel 8. Hier was voorheen het garagebedrijf / benzinestation Stelco B.V. gevestigd. Het bedrijf is in 2002 gesloopt en daarna gesaneerd. Er resteren nog matige olieverontreinigingen in de groenstrook op de noordelijke terreingrens en ter plaatse van de eerdere ontgravingen, die onderzocht dienen te worden voorafgaand aan de bouw. Het overige deel van het gebied is in principe onverdacht, maar in het toekomstig onderzoek moet aandacht worden geschonken aan de eventuele aanwezigheid van twee ondergrondse tanks ter plaatse van de voormalige kerk aan het Erasmusplein 4-7 en Dr. Wiardi Beckmansingel 10. Ten aanzien van toekomstig grondverzet moet in zijn algemeenheid worden geconstateerd dat vrijkomende grond beperkt toepasbaar is. Conclusie

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

58

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. In de wijzigings- of uitwerkingsplannen zal nader worden onderzocht of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. 5.7.

Duurzaamheid

Kader In de Stadsvisie is gekozen voor het profiel van Vlaardingen als een veelzijdige woonstad met gevarieerde, duurzame woonmilieus. De gemeente streeft naar een duurzame ontwikkeling op mondiale en lokale schaal, waarbij het bouwen van energie neutrale gebouwen steeds belangrijker wordt. Vlaardingen wil zowel voor zijn huidige bewoners als voor toekomstige generaties een duurzame stad aan het water zijn: schoon, groen en gezond. Het gemeentelijk beleid (specifiek) op duurzaamheid is neergelegd in het Ambitiedocument gebiedsgericht milieubeleid, het Programma Duurzaamheid en de Nota duurzame nieuwbouw. Het begrip duurzaamheid kent echter veel sectorale invalshoeken en bijbehorende (beleids)ambities, zoals duurzaam veilige ambitie bij verkeer of duurzaam waterbeheer. Ten aanzien van energie is Nul op de meter het uitgangspunt. Bestemmingsplan Voor de woningbouwlocaties die mogelijk worden gemaakt via wijziging- en/of uitwerking is opgenomen dat er dient te worden voldaan aan de eisen ten aanzien van duurzame nieuwbouw.

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

59

6.

BELEIDSKADER

6.1.

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van kracht geworden. De SVIR vervangt verschillende nota’s, zoals: de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Vlaardingen maakt onderdeel uit van een Stedelijke regio met een concentratie van topsectoren. Het plangebied ligt niet in een omgeving waarin opgaven van nationaal belang spelen. Onderhavige ontwikkeling is hiermee niet strijdig met het ruimtelijke belang zoals neergelegd in de AMvB. Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Denk hierbij aan:  de bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen;  meer duurzame energie gebruiken;  aanpassen aan klimaatverandering;  de ontwikkeling van een circulaire economie;  omschakeling naar kringlooplandbouw. Bij de opgaven wordt altijd rekening gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

In het kader van de Omgevingswet stellen Rijk, de provincies en alle gemeenten ieder een eigen Omgevingsvisie op. In de Omgevingswet wordt uitgegaan van één overheid waarbij de medeoverheden zorgen voor onderlinge samenhang. Om die reden stelt het Rijk allereerst de rijksbelangen vast waarmee provincie en gemeente rekening moeten houden. Op basis daarvan stelt de provincie zijn Omgevingsvisie vast waarmee alle gemeenten rekening moeten houden in hun Omgevingsvisie. Anderzijds is de gemeente onder de Omgevingswet de eerste overheid. Rijk en provincie voeren hun taken alleen uit als het daarbij betrokken belang ‘niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd’, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro; 2011) Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden.

Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Ter bescherming van deze belangen zijn reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones opgenomen. In het besluit is aangegeven op welke wijze bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien geldende bestemmingsplannen niet voldoen aan het Barro dan moeten deze binnen drie jaar na inwerkingtreding van het besluit zijn aangepast. Bij besluit van 28 augustus 2012 (inwerking getreden op 1 oktober 2012) is het Barro aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen hoofdinfrastructuur (reserveringen voor hoofdwegen en landelijke spoorwegen en vrijwaring rond Rijksvaarwegen), de elektriciteitsvoorziening, het regime van de herijkte ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied). Duurzaamheidsladder

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

60

Ook is bij besluit van 28 augustus 2012 het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangepast. In het Bro is de ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder) opgenomen. Als gevolg van deze wijziging zijn gemeenten en provincies verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de duurzaamheidsladder op te nemen, wanneer een zodanig besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. De ladder bestaat uit drie treden:  Behoefte: Voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte waarin nog niet elders in de regio is voorzien? Zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte.  Binnen- of buitenstedelijk: Indien er sprake is van een actuele regionale behoefte, dan moet worden beoordeeld of deze in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden gerealiseerd, eventueel door benutting van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformatie van bestaande locaties.  Bereikbaarheid met meerdere modaliteiten: Indien gekozen moet worden voor een locatie buiten het stedelijke gebied, dan gaat de voorkeur uit naar een plek die (in de toekomst) bereikbaar is via verschillende vervoerswijzen. Op frequente basis vindt afstemmingsoverleg plaats tussen de Stadregio Rotterdam en de gemeente Vlaardingen. Ook de beoogde sloop-nieuwbouwplannen zijn regionaal afgestemd.

De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied en gaat uit van transformatie van de bestaande locatie. Hiermee wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Verdrag van Malta (1992) en Modernisering Monumentenzorg (2009) Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico’s op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een belangrijk uitgangspunt van het verdrag is dat het archeologische erfgoed zoveel mogelijk in de bodem (in situ) bewaard blijft. Alleen als het ongestoord bewaard blijven van de archeologische resten in de bodem niet mogelijk is, moet de in de bodem aanwezige informatie door middel van opgravingen worden veiliggesteld. Een ander belangrijk uitgangspunt van het verdrag is de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening. In verband met de implementatie van het Verdrag van Malta is in 2007 de Monumentenwet 1988 gewijzigd. Hierin is onder meer opgenomen dat de gemeenteraad bij de bestemming van de grond rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Voor zover deze verplichting voor de gemeente leidt tot kosten als gevolg van het doen van opgravingen, kunnen deze kosten worden verhaald op degenen ten behoeve van wie medewerking wordt verleend (“de-veroorzaker-betaalt”). Van de aanvrager van een aanlegvergunning, een reguliere bouwvergunning en van een vrijstellingsbesluit kan worden verlangd dat hij een rapport overlegt, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag wordt verstoord, wordt vastgesteld. De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf.

Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022. Het gaat daarbij om de volgende zaken:

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

61

• • •

Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie Bescherming van stads- en dorpsgezichten

In 2009 stemde de Tweede kamer in met de zogenaamde ‘Modernisering van de Monumentenzorg’ (MoMo). Deze modernisering voorziet in een nog verdere decentralisatie. Bovendien geldt dat de kennis op orde moet zijn, en dat de kwaliteit bij alle betrokkenen op het juiste niveau dient te zijn. Het Europese Verdrag van Granada, gericht op architectuur, is hier onderdeel van. Bij MoMo zijn drie pijlers van belang: • Cultuurhistorie laten meewegen in ruimtelijke ordening. De nadruk ligt hierbij niet langer op het object-, maar vooral het gebiedsniveau; • krachtiger en eenvoudiger regelgeving; • bevorderen van herbestemming Op 1 januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen vermindert de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten. 6.2.

Provinciaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit, Programma Ruimte en Verordening Ruimte (2014) Op basis van de Wro moeten gemeenten, provincies en Rijk hun beleid neerleggen in één of meer structuurvisies. Het provinciebestuur van Zuid-Holland heeft ervoor gekozen één integrale ruimtelijke structuurvisie voor Zuid-Holland te ontwikkelen, waarbij Ruimte en Mobiliteit leidend zijn: de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM). In de provinciale structuurvisie geeft de provincie aan wat zij als provinciaal belang beschouwt en hoe zij daarop wil gaan sturen. In het Programma Ruimte (het PR) en het programma Mobiliteit beschrijft de provincie met welke instrumenten zij de doelen en ambities uit de VRM uit gaat voeren. De Verordening Ruimte (VR) beschrijft de regels vanuit het beleid (de VRM) en de programma’s. Deze regels hebben een directe doorwerking in bestemmingsplannen. Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland de VRM, het PR en de VR (en alle bijbehorende documenten) vastgesteld. De provincie Zuid-Holland onderscheidt zich door de strategische ligging in internationale netwerken, drie unieke deltalandschappen die samenkomen (kust, veen en rivierdelta) en de veelzijdige steden en economische complexen in het deltalandschap. De provincie heeft vier ‘rode draden’ benoemd. De vier rode draden voor de toekomst zijn: 1. Beter benutten en opwaarderen van wat er is; 2.

Vergroten van de agglomeratiekracht; 3. Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. Bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Voor de bebouwde ruimte zet de provincie in op een samenhangend, compact en goed bereikbaar, kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Een van de belangrijkste randvoorwaarden voor (nieuwe ruimtelijke) ontwikkelingen in zowel stedelijk als landelijk gebied is dat gemeenten de ladder voor duurzame verstedelijking (zoals ook opgenomen in het Bro) toe moeten passen. De provincie heeft daar in de VR een eigen invulling aangegeven. Ook de kwaliteitskaart van de VRM is rechtstreeks verankerd in de VR. Voor het plangebied is op grond van de VRM een aantal kaarten relevant. Het plangebied is in

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

62

de visie onder meer aangeduid als volgt. Kaart ‘Beter benutten bebouwde ruimte’ Het plangebied is gelegen in het gebied ‘bebouwde ruimte’. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Voor dit gebeid gelden de volgende beleidspunten:  Beter aansluiten van het aanbod van woningen, bedrijventerreinen, kantoren en winkelruimte bij de maatschappelijke vraag;  Kansen creëren voor een gevarieerde en innovatieve economie;  Op orde brengen en opwaarderen van het mobiliteitsnetwerk;  Verder ontwikkelen van een intensief gebruikt, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Kaart ‘Logistiek systeem van mainport en greenports’ Het plangebied is gelegen in het gebied ‘bebouwde ruimte’. Voor dit gebied gelden de volgende beleidspunten:  Kansen creëren voor een gevarieerde en innovatieve economie;  Op orde brengen en opwaarderen van het mobiliteitsnetwerk. Kaart ‘Stedelijk systeem van kennis- en diensteneconomie’ en ‘Energietransitie’ Het plangebied is gelegen in het gebied ‘stedelijke agglomeratie’.

Voor dit gebeid gelden de volgende beleidspunten:  Verder ontwikkelen van een intensief gebruikt, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied;  Beter aansluiten van het aanbod van woningen, bedrijventerreinen, kantoren en winkelruimte bij de maatschappelijke vraag;  Op orde brengen en opwaarderen van het mobiliteitsnetwerk;  Beter aansluiten van het aanbod van openbaar vervoer bij de maatschappelijke vraag. De ontwikkelingen zijn in lijn met voorgaande provinciale beleidspunten. Ladder van duurzame verstedelijking Voor de ontwikkeling van binnenstedelijke woongebieden gelden geen specifieke regels. Wel wordt in de verordening de relatie gelegd (artikel 2.1.1) met de ladder van duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Bro. De provincie heeft er voor gekozen om de ladder ook in de verordening op te nemen, omdat de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking ook van provinciaal belang is. De ladder heeft betrekking op alle stedelijke ontwikkelingen: woningbouw, kantoren, bedrijven, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen. De ladder bestaat uit drie stappen: 1. In eerste instantie moet gekeken worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen, kantoren, bedrijven, detailhandel of voorzieningen. Deze behoefte moet blijken uit een regionaal afgestemd programma.

Als er (nog) geen regionaal programma is vastgesteld dan kan uit een positief advies van de regio blijken dat regionale afstemming heeft plaatsgevonden. 2. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied, zoals aangegeven op kaart 4a, behorende bij de verordening. 3. Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt aansluitend aan het bestaand stadsen dorpsgebied een locatie gezocht. In eerste instantie is dat binnen de bebouwingscontour. Het gaat om locaties die passend, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Overschrijding van de bebouwingscontour is alleen mogelijk via wijziging of ontheffing van deze verordening.

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

63

Omgevingsvisie Zuid-Holland, Omgevingsverordening Zuid-Holland en Programma ruimte (2019) In het Omgevingsbeleid is met het oog op de Omgevingswet al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. De Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is per 1 april 2019 in werking getreden. Woonvisie Zuid-Holland 2011 – 2020 (2011) Op 12 oktober 2011 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Woonvisie vastgesteld. De provincie Zuid-Holland werkt aan een aantrekkelijke leefomgeving in de dichtstbevolkte provincie van Nederland. Een leefomgeving waarin ruimte voor wonen, werken, reizen en recreëren in balans is. Leefomgeving en wonen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De leefomgeving bepaalt voor inwoners van Zuid-Holland een aanzienlijk deel van hun dagelijkse welbevinden. Indirect is die omgeving en de verbinding tussen stad en platteland daarmee voorwaarde voor een sterke economische regio, die in zichzelf weer aantrekkingskracht heeft om er te wonen. De provincie wil dat binnen de woningmarkt vraag en aanbod in balans zijn.

Zij wil ook balans tussen steden onderling en tussen stedelijk en landelijk gebied. Anticiperend beleid is nodig evenals een verbreding van de focus van alle woonpartners: van alleen woningen bouwen naar verbeteren van de leefomgeving. Structurele veranderingen van de woningmarkt zijn voor de provincie aanleiding om haar provinciale woonvisie te herzien, waarin de visie en ambities van Zuid-Holland zijn verwoord. De voornaamste ambitie op het gebied van wonen is dat woningen passend zijn voor de huishoudens die ze bewonen. Passend betekent dat:  Voldoende woningen aansluiten bij de sociaaleconomische situatie van bewoners, zo mogelijk ook voor een volgende levensfase (levensloopbestendig);  Woonmilieus passen bij de wensen van bewoners, bijvoorbeeld qua bereikbaarheid, voorzieningen, levensloopbestendigheid, dichtheid, relatie met groen;  Woningen en woonmilieus duurzaam (People, Planet, Profit) zijn, nu en in de toekomst;  Woonmilieus passen binnen de ruimtelijke visie. Met dat uitgangspunt in het achterhoofd zijn vijf ambities geformuleerd:  Regionale verscheidenheid behouden en benutten;  Provincie stelt kaders voor de lange termijn; regionaal vindt uitwerking plaats;  Voldoende goed woningaanbod voor iedereen;  Niet meer woningen plannen dan nodig zijn;  Toevoegingen en impulsen dragen bij aan een verbetering van de leefbaarheid.

De Woonvisie doet geen specifieke uitspraken over het plangebied. Het gemeentelijk Actieplan Wonen is afgestemd met de provincie en de stadregio. Het bestemmingsplan voldoet aan de ambities gesteld door de provincie.

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

64

Afbeelding 42 Ruimtelijke structuurschets

6.3.

Gemeentelijk beleid

Actualisatie Stadsvisie ‘Koers op 2020’ (vastgesteld 16-4-2008) en Stadsvisie ‘Koers op 2020’ (vastgesteld 10-2-2000) De Stadsvisie dient als belangrijkste strategische onderlegger voor de gemeentelijke beleidsontwikkeling op de lange termijn (20 jaar) en wordt in principe iedere raadsperiode geactualiseerd. Vlaardingen koerst in algemene zin op een ‘ongedeelde stad’ door het voorkomen van maatschappelijke uitsluiting en het vergroten van de ruimtelijke en sociale samenhang. Om de belangen van burgers en hun instellingen te kennen en bij het maken van plannen zoveel mogelijk gebruik te maken van de kennis en creativiteit van burgers is participatie waardevol. Verder kenmerken de afgelopen jaren zich onder meer door een sterk verminderde waardering voor gedoogbeleid. Ook in Vlaardingen wordt eraan gehecht dat mensen zich aan de regels houden. Daarbij past een duidelijke en integrale handhaving. Naast samenhang is evenwicht van belang. De stad moet voldoende inwoners hebben voor een goed voorzieningenniveau die wonen in een woning naar hun zin. Er is gekozen voor het profiel van Vlaardingen als een veelzijdige woonstad met gevarieerde, duurzame woonmilieus. Vlaardingers moeten in eigen stad een wooncarrière kunnen opbouwen. Dat betekent een gevarieerd aanbod in een goed woon- en leefklimaat zoals in het Actieplan Wonen is uitgewerkt.

Het tempo van de herstructureringen moet echter omhoog. En meer differentiatie in de woningvoorraad is noodzakelijk. Dit betekent vooral meer eengezinswoningen. Meer Vlaardingers moeten in hun stad kunnen werken. De gemeente en haar inwoners dragen bij aan een duurzame ontwikkeling op mondiale en lokale schaal. Energie neutrale gebouwen worden steeds belangrijker. Toekomstvisie Vlaardingen 2020-2040 (vastgesteld 30 januari 2020)De Toekomstvisie van Vlaardingen beschrijft vier ambities richting 2040. Elke ambitie start met een korte samenvatting van het toekomstbeeld in 2040. Vervolgens wordt een beeld geschetst van de huidige kwaliteiten van Vlaardingen die kansen bieden voor deze ambitie, en de uitdagingen die naar voren komen in deze ambitie. Tot slot volgt het toekomstbeeld voor Vlaardingen richting 2040. Elke ambitie is tevens voorzien van een infographic met relevante actuele cijfers. Als deze vier ambities in 2040 tot stand zijn gebracht, is daarmee ook het toekomstscenario voor Vlaardingen verwezenlijkt. De vier ambities zijn:  Ambitie 1: Vlaardingen is sociaal en veilig  Ambitie 2: Vlaardingen een woonstad voor iedereen  Ambitie 3: Vlaardingen als innovatieve opleider  Ambitie 4: De Vlaardingse binnenstad leeft Samen werken aan een mooie toekomst

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

65

De toekomstvisie vormt een uitnodiging aan onze inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties om samen met ons aan de slag te gaan om deze ambities waar te maken. Zo werken we samen aan een mooie toekomst van Vlaardingen. Voor sommige ambities zijn door de gemeente al eerste stappen gezet. En voor alle ambities geldt dat ze niet realiseerbaar zijn zonder samenwerking met inwoners, ondernemers en (maatschappelijke) partners. Uitgangspunten Visie hebben betekent keuzes durven maken, beschrijven vanuit welke uitgangspunten de gemeente Vlaardingen werkt. Uitgangspunten voor het realiseren van de ambities uit deze visie, maar ook uitgangspunten voor het werken aan het bestaande beleid en toekomstige opgaven en besluiten die niet in deze toekomstvisie aan bod komen. Zo vormt de toekomstvisie een belangrijke opmaat voor de Omgevingsvisie. De uitgangspunten spelen ook een rol als het gaat om de keuzes voor de inrichting van de fysieke leefomgeving. Ruimtelijke structuurschets 2020 (vastgesteld 1-10-2003) De structuurschets is de ruimtelijke uitwerking van de Stadsvisie en de opvolger van de Structuurschets ‘Vlaardingen tekent voor haar toekomst’ uit 1993. De structuurschets is van belang voor een planmatige ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.

Voor de lokale ruimtelijke ontwikkeling is het verder van belang om instrumenten te ontwikkelen die een planmatige aanpak ondersteunen. De structuurvisie dient als basis voor (nieuwe) bestemmingsplannen. De belangrijkste doelstellingen zijn als volgt:  Versterken van de stedelijke groenstructuur  Herwaarderen van de cultuurhistorie  Vergroten van de differentiatie tussen woonmilieus  Spreiden van zorgvoorzieningen  Versterken van de stadsranden en de Broekpolder  Anticiperen op ontwikkeling van de hoofdinfrastructuur  Stabiliseren en zo mogelijk vergroten van de werkgelegenheid Actieplan Wonen, Woonvisie Vlaardingen 2008-2030 (vastgesteld 19-6-2008) Het Actieplan Wonen is een uitwerking van de (geactualiseerde) Stadsvisie, op het onderwerp wonen. Er worden de kaders, doelstellingen en mogelijke maatregelen voor de periode tot 2030 gegeven. Vlaardingen zal de komende jaren moeten werken aan de volgende doelen:  Maken van een kwaliteitsslag, waardoor de toekomstwaarde van woningen in de bestaande woningvoorraad wordt verbeterd.  Beter afstemmen van vraag en aanbod (goed woningaanbod in gewenst woonmilieu en leefstijlen).  Bevorderen van de doorstroming, door vooral nieuwbouw te realiseren en de betaalbaarheid tussen de grens bereikbaar en middeldure huur- of koopwoningen te verbeteren.  Vergroten van het woongenot (sociale woonomgeving/voorzieningen).

 Leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de positie van de huidige bewoners.  Realiseren van een meer evenwichtige bevolkingsopbouw. Voor de realisatie van de visie is een trendbreuk ten aanzien van nieuwbouw nodig: werkelijk bouwen voor de vraag in plaats van bouwen voor een maximale opbrengst of een maximum woningaantal. Er is een grootschalige herstructurering gewenst, waarbij verouderde wijken geleidelijk worden omgevormd naar een groenstedelijk woonmilieu met meer eengezinswoningen in lagere dichtheden. Belangrijke randvoorwaarde daarbij is dat de aandachtsgroep niet in de knel komt. Woonvisie

Toelichting bestemmingsplan Westwijk, vastgesteld

1832266

66

Naar verwachting is de nieuwe Woonvisie medio 2021 gereed. Het college heeft inmiddels de contourennota Woonvisie vastgesteld. In de Woonvisie worden de afspraken uitgewerkt die gemaakt zijn in het ‘Regioakkoord Woningmarktafspraken regio Rotterdam 2018-2030’. Actieplan Wonen - woonvisie tot 2030 Vlaardingen moet een aantrekkelijke woonstad worden met een positief vestigings- en investeringsklimaat. Mensen moeten kunnen kiezen uit een gedifferentieerd en kwalitatief goed woningaanbod in de gewenste woonmilieus. Het is belangrijk dat Vlaardingen mogelijkheden biedt voor een wooncarrière in een goed woon- en leefklimaat.

Vlaardingen zal de komende jaren werken aan de volgende doelen:  Kwaliteitsslag maken, waardoor de toekomstwaarde van woningen in de bestaande woningvoorraad wordt verbeterd (ingrijpende verbetering/renovatie);  Vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen (goed woningaanbod in gewenst woonmilieu en leefstijlen);  Doorstroming bevorderen door met name nieuwbouw te realiseren en de betaalbaarheid tussen de grens bereikbaar en middeldure huur- of koopwoningen te verbeteren (door bijvoorbeeld startersleningen te verstrekken, koopconstructies, huurprijsbeleid);  Woongenot vergroten (sociale woonomgeving/voorzieningen);  Bijdrage leveren aan het verbeteren van de positie van de huidige bewoners (sociale 'liftfunctie');  Meer gedifferentieerd woningaanbod met een evenwichtige bevolkingsopbouw realiseren. De Rijksoverheid voert om de drie jaar het WoONonderzoek uit naar hoe mensen wonen en willen wonen. Ze kijkt daarbij onder meer naar de samenstelling van huishoudens, de woning, de woonlasten, woontevredenheid, woonwensen en woonomgeving. Het Actieplan Wonen (APW) is gebaseerd op het WoON onderzoek. Op basis van de nieuwste WoON-onderzoeken is in 2016 het APW geactualiseerd op basis van WoON 2015. In de afgelopen jaren zijn er veel landelijke ontwikkelingen geweest die van invloed zijn geweest op het wonen.

De Actualisatie van het APW zal in het perspectief van de veranderende wet- en regelgeving, de macro-economische en demografische contouren gezien worden. De actualisering van dit bestemmingsplan, met de wijzigingsbevoegdheden die hierin zijn opgenomen voor nieuwe woningbouwontwikkelingen, sluit aan bij de doelen zoals gesteld in het Actieplan Wonen. Gebiedsvisie West, Actieplan Wonen (2008/2009) De Gebiedsvisie is een gebiedsgerichte uitwerking van het Actieplan Wonen. In het plangebied worden in de gebiedsvisie diverse locaties benoemd waar (her)ontwikkeling en/of herstructurering en/of herinrichting op termijn is beoogd, of inmiddels heeft plaatsgevonden (zie §3.6). Welstandsnota 2012 (vastgesteld 25-10-2012) De gemeente Vlaardingen heeft in 2004 een welstandsnota vastgesteld. Hierin zijn beoordelingskaders opgenomen voor gebieden en objecten, die hun grondslag vinden in de samenhang van het bebouwingsbeeld, stedenbouwkundige kenmerken en landschappelijke structuren. Met de herziening wil de gemeente het welstandsbeleid actualiseren en meer afstemmen op de beleving van de burger. Hierbij wordt aangesloten op de landelijke trend van meer vrijheid en verantwoordelijkheid voor de burger. Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10106733/1