Rapport Woononderzoek MVS 2022
Tekst van het document
Figuur 2.23 Ontwikkeling gemiddelde woonlasten Nederland (euro's) € 1.200 € 1.000 € 800 € 600 € 400 € 200 €0
€ 964
€ 924
€ 591
€ 649
€ 669
€ 919 € 723
2012
2015
2018
2021
Eigenaar
Huurder
€ 908
Figuur 2.24 Ontwikkeling gemiddelde woonlasten Zuid-Holland (euro's) € 1.200 € 1.000 € 800 € 600 € 400 € 200 €0
Figuur 2.25 Ontwikkeling gemiddelde woonquote Nederland (%) 50% 40% 30%
€ 985
€ 942
€ 926
€ 913
€ 602
€ 659
€ 681
€ 727
2012
2015
2018
2021
Eigenaar
Huurder
Figuur 2.26 Ontwikkeling gemiddelde woonquote Zuid-Holland (%) 50%
36,2% 29,5%
38,6% 27,2%
37,8% 26,6%
36,3% 23,4%
40% 30%
20%
20%
10%
10%
0%
36,5% 28,9%
38,4%
38,6%
26,5%
25,8%
2015
2018
Eigenaar
Huurder
36,0% 22,8%
0% 2012
2015
2018
Eigenaar
Huurder
2021
2012
2021
Uit de grafieken 2.23 en 2.24 blijkt dat de woonlasten in Zuid-Holland iets boven het Nederlands gemiddelde liggen. De inkomens in Zuid-Holland zijn echter ook iets hoger dan gemiddeld. Zodoende ligt de provinciale woonquote voor woningeigenaren toch iets onder het Nederlands gemiddelde. Voor huurders schommelt de provinciale woonquote rond de landelijke waarde, zoals blijkt uit de figuren 2.25 en 2.26. Verder is te zien dat het bedrag dat eigenaren besteden aan wonen gemiddeld zo’n 30% tot 60% hoger is dan wat huurders uitgeven. Eigenaren hebben echter gemiddeld hogere inkomens dan huurders en in verhouding tot hun inkomen besteden zij beduidend minder aan wonen: in 2021 bedroeg de provinciale woonquote voor eigenaren 22,8% en voor huurders 36,0%; ruim anderhalf keer zo veel als voor eigenaren dus.
januari 2023, versie 5
- 21 -
Woononderzoek MVS 2022 Tot slot zijn de woonlasten voor eigenaren de laatste jaren veel minder gestegen dan voor huurders; ten opzichte van 2012 zijn ze zelfs iets gedaald. Dit komt vooral door de daling van de hypotheekrente. Tegelijkertijd zijn de inkomens gestegen. Daardoor is de woonquote gedaald, ondanks de stijging van de woonlasten in de laatste jaren. Dat de woonquote voor huurders nauwelijks is gedaald, komt vooral door de sterke groei van de particuliere huursector. Hier liggen de huren aanmerkelijk hoger dan in de sociale huursector en was tot 1 juli 2021, anders dan in de sociale huursector, ook geen maximum gesteld aan de huurverhogingen. Niet alle huurders in de sociale sector betalen een passende huur: sommigen betalen te veel huur in verhouding tot hun inkomen en anderen te weinig. Dit verschijnsel wordt ‘scheefhuur’ genoemd. Figuur 2.27 laat zien hoe vaak dit voorkwam in 2020. Goedkope scheefhuur komt in de MVS-gemeenten iets vaker voor dan landelijk en dure scheefhuur iets minder vaak. Per saldo hebben in Schiedam en vooral in Maassluis relatief veel huurders een passende huur. In Vlaardingen is het aandeel passende huur ongeveer gelijk aan het landelijke percentage. Figuur 2.27 Scheefhuur in sociale sector 2020 (%) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
8,2%
10,0%
11,2%
14,6%
15,1%
12,3%
74,7%
77,2%
74,9%
76,5%
Nederland
Maassluis
Vlaardingen
Schiedam
13,7% 11,6%
Geen scheefhuur
Goedkope scheefhuur
Dure scheefhuur
De figuren 2.28 en 2.29 laten zien hoe de scheefhuur zich heeft ontwikkeld in de jaren 2014-2020. Figuur 2.28 toont dat in Maassluis en Vlaardingen het aandeel goedkope scheefhuur boven het landelijk niveau ligt en ook net iets minder is afgenomen dan landelijk. In Schiedam lag de goedkope scheefhuur in 2014-2017 juist onder het landelijk gemiddelde. In de jaren 2016-2018 steeg het daar echter, terwijl het landelijk daalde. Hierdoor ligt de goedkope scheefhuur in Schiedam nu ook boven het landelijk gemiddelde, al bedraagt het verschil slechts 0,7%-punt. Figuur 2.29 laat zien dat het aandeel dure scheefhuur in Nederland is toegenomen in de afgelopen jaren. In Maassluis is het per saldo iets gezakt, maar in Vlaardingen en Schiedam is het gestegen. Het aandeel dure scheefhuur ligt in alle drie de gemeenten nog altijd ruim onder het landelijk niveau, vooral in Maassluis.10
10 Overigens zijn in 2021 op initiatief van het kabinet de huren van dure scheefwoners verlaagd om te voorkomen dat zij in
de schulden raken. Naar schatting 260.000 huurders hadden recht op eenmalige huurverlaging. Gemiddeld komt de huurverlaging neer op € 40,- per maand per huishouden. Zodoende komt dure scheefhuur vanaf 2021 minder voor, al is dit nog niet zichtbaar in de figuren 2.27 en 2.29. Het kabinet kwam de woningcorporaties voor de huurverlaging tegemoet met een verlaging van de verhuurderheffing (bron: Rijksoverheid, Huurverlaging voor dure scheefwoners, 15 september 2020).
januari 2023, versie 5
- 22 -
Woononderzoek MVS 2022 Figuur 2.28 Ontwikkeling goedkope scheefhuur in sociale sector (%) 20% 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2014
2015 Nederland
2016
2017
Maassluis
2018 Vlaardingen
2019
2020
Schiedam
Figuur 2.29 Ontwikkeling dure scheefhuur in sociale sector (%) 20% 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2014
2015 Nederland
2016 Maassluis
2017
2018 Vlaardingen
2019
2020
Schiedam
Figuur 2.30 toont de ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een betaalrisico dat in een corporatiewoning woont. Een huishouden heeft een betaalrisico, indien het netto besteedbaar inkomen te laag is om aan alle uitgaven te voldoen. Het CBS heeft dit risico geschat aan de hand van de hoogte van het inkomen, de huur en de bedragen die huishoudens volgens het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) nodig hebben voor basisbehoeften als voedsel en kleding. In alle drie de gemeenten lag het betaalrisico in corporatiewoningen tot voor kort onder het landelijk gemiddelde. Dit is niet verwonderlijk, omdat dure scheefgroei in deze regio minder vaak voorkomt dan gemiddeld in Nederland en goedkope scheefhuur juist vaker. Dit was al te zien in de figuren 2.27 tot en met 2.29. De ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een betaalrisico in de MVS-gemeenten volgt in grote lijnen de landelijke ontwikkeling. In 2020 is dit aandeel in alle drie de gemeenten echter in mindere mate gezakt dan landelijk. Hierdoor ligt het aandeel in Schiedam in 2020 boven het landelijk gemiddelde. In Maassluis en Vlaardingen ligt het nog altijd onder het landelijk gemiddelde, maar het verschil is kleiner dan voorheen. Figuur 2.31 laat de jaarlijkse huurverhoging zien. Deze gegevens zijn helaas niet beschikbaar op gemeentelijk niveau.
Het gaat om huurwoningen in zowel de sociale als de particuliere huursector. De januari 2023, versie 5
- 23 -
Woononderzoek MVS 2022 verhogingen worden weergegeven inclusief en exclusief huurharmonisatie. Bij wisseling van huurder mag de huurprijs van een woning meer stijgen dan de voor dat jaar geldende maximale huurverhoging. Dit wordt huurharmonisatie genoemd. Deze verhoging staat los van de jaarlijkse huuraanpassing per 1 juli en kan op elk moment worden toegepast. De huurprijs na harmonisatie mag de maximaal toegestane huur op basis van het waarderingsstelsel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet overschrijden. Figuur 2.30 Ontwikkeling huishoudens met betaalrisico in corporatiewoningen (%) 20% 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2014
2015 Nederland
2016
2017
Maassluis
2018 Vlaardingen
2019
2020
Schiedam
Figuur 2.31 Jaarlijkse huurverhoging sociale en particuliere sector (%)* * exclusief huurverhogingen vanwege renovatie 3,5 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Nederland huurverh. incl. huurharmonisatie Nederland huurverh. excl. huurharmonisatie Zuid-Holland huurverh. incl. huurharmonisatie Zuid-Holland huurverh. excl. huurharmonisatie
In figuur 2.31 is te zien dat de huren in 2017-2020 steeds sterker stegen: de gemiddelde huurverhoging werd steeds groter. In Zuid-Holland lagen de huurverhogingen in 2017-2021 zelfs nog iets boven het Nederlandse gemiddelde. In 2021 is echter een sterke daling te zien. Vanaf 1 juli 2021 is het huurbeleid namelijk gewijzigd. Voor gereguleerde huurcontracten (dus de sociale sector) geldt nu dat de huur niet mag worden verhoogd en voor geliberaliseerde huurcontracten (particuliere sector) is de huurstijging gemaximeerd. Voor gereguleerde zelfstandige huurwoningen was de maximale huurverhoging van januari 2023, versie 5
- 24 -
Woononderzoek MVS 2022 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2021 afhankelijk van het huishoudensinkomen van de huurder. Voor deze woningen was de maximale huurverhoging de jaarmutatie van de consumentenprijsindex van het voorgaande jaar plus een inkomensafhankelijke opslag. Voor woningen met geliberaliseerde huurcontracten was er tot en met 30 juni 2021 geen maximum. Overigens is het huurbeleid per 1 juli 2022 opnieuw aangepast. De huren voor sociale huurwoningen mogen nu met een vast bedrag worden verhoogd: maximaal € 50 voor middeninkomens en maximaal € 100 voor hoge inkomens. Huren onder € 300 euro mogen met € 25 euro verhoogd worden, ongeacht het huishoudensinkomen van de huurder. Voor alle overige inkomens geldt dat de huur met maximaal 2,3% mag worden verhoogd. Voor particuliere huurwoningen is de huurverhoging in 2022 begrensd tot de gemiddelde inflatie van december 2020 tot en met november 2021, plus 1%-punt. Dit betekent dat deze huren voor zittende bewoners met maximaal 3,3% verhoogd mogen worden. Wanneer de figuren 2.30 en 2.31 met elkaar worden vergeleken, is er gedurende enkele jaren een duidelijk verband te zien tussen de huurverhogingen en het betaalrisico. Van 2015 tot en met 2017 werden de huurverhogingen ieder jaar iets lager. In 2015 en 2016 nam het betaalrisico dan ook af.
In 2017 stabiliseerde het in Maassluis en Vlaardingen, terwijl het in Schiedam nog iets verder afnam. Vanaf 2018 namen de huurverhogingen toe. In eerste instantie nam daarmee ook het betaalrisico toe. Vanaf 2019 neemt het betaalrisico echter weer af, ondanks de verdere toename van de gemiddelde huurverhogingen. Dat de grafieken vanaf hier niet meer gelijk opgaan, komt enerzijds doordat de particuliere huursector wel wordt meegenomen in figuur 2.31 (huurverhogingen), maar niet in figuur 2.30 (betaalrisico). Het aantal particuliere huurwoningen is de laatste jaren veel sterker toegenomen dan het aantal sociale huurwoningen en juist in de particuliere sector zijn de huurverhogingen het grootst. Anderzijds is het gemiddelde inkomen sinds 2019 in Nederland – en in mindere mate ook in de MVS-gemeenten – nog iets sterker gestegen, zoals blijkt uit figuur 2.12. Door deze twee oorzaken neemt het betaalrisico in de sociale huursector sinds 2019 af, ondanks de huurverhogingen. Toenemende inflatie stuwt huren op vanaf 2022 Al sinds augustus 2021 stijgen de prijzen gemiddeld sterker dan de lonen. Hierdoor neemt de koopkracht af. Gepensioneerden gaan er zelfs nog vaker op achteruit dan werkenden.
In augustus 2022 bereikte de inflatie zelfs historisch hoge waarden; 11 vooral de prijzen voor energie stegen zeer sterk.12 De prijzen stijgen momenteel nog verder, dus de koopkracht neemt verder af.13 De hoge inflatie ondermijnt niet alleen de koopkracht, maar stuwt ook de huurverhogingen op. Dat dit in de praktijk ook echt het geval is, blijkt uit recente statistieken: in juli 2021 was de gemiddelde huurverhoging voor sociale en particuliere huurwoningen in Nederland 0,8% ten opzichte van juli in het jaar daarvoor; in juli 2022 was het 3,0%. Dit is de sterkste huurstijging na 2014. De huren van sociale huurwoningen stegen in 2022 gemiddeld met 2,6%, voor particuliere huurwoningen was de stijging 3,8%. De hoge stijging is mede het gevolg van het versoepelen van de regels om huurverhogingen te beperken.14 Om een al te grote stijging van de huren in de particuliere sector te voorkomen is de maximale huurverhoging sinds 1 januari 2023 niet meer afhankelijk van de consumentenprijsindex, maar van de loonontwikkeling.15
11 CBS, Inflatie stijgt naar 12,0 procent in augustus, 6 september 2022. 12 De verlaging van de btw op energie van 1 juli tot en met 31 december 2022 heeft niet voorkomen dat ook in de tweede
helft van 2022 de energieprijzen per saldo zijn gestegen (bron: CBS, Inflatie stijgt naar 10,3 procent in juli, 4 augustus 2022). 13 CBS, Koopkracht in 2021 al onder druk door stijgende prijzen, 13 september 2022. 14 CBS, Huren gemiddeld met 3 procent gestegen, 2 september 2022. 15 Zie Rijksoverheid, Huurders in vrije sector beter beschermd tegen te hoge huurprijsstijgingen, 7 oktober 2022.
januari 2023, versie 5
- 25 -
Woononderzoek MVS 2022
2.4 Ontwikkeling van de woningvoorraad in de MVS-gemeenten Figuur 2.32 toont de jaarlijkse groei van de woningvoorraad. Uit de grafiek blijkt dat er niet ieder jaar sprake was van groei. Zo was er in Vlaardingen in 2015 sprake van een lichte krimp (-0,5%), in Schiedam was de groei in 2016 en 2018 (vrijwel) nul en in Maassluis was de groei in 2016 eveneens nul. Het meest opvallend is natuurlijk de sterke groei van de Maassluise woningvoorraad in 2020 en 2021, toen er veel nieuwbouw is opgeleverd. Figuur 2.32 Jaarlijkse groei woningvoorraad (% woningen)* * De betrouwbaarheid van deze cijfers is volgens het CBS iets lager 4,0% 3,5% 3,0% 2,5% 2,0% 1,5% 1,0% 0,5% 0,0% -0,5%
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
-1,0% Nederland
Zuid-Holland
Maassluis
Vlaardingen
Schiedam
De woningvoorraad kan groeien door: nieuwbouw; andere toevoegingen, zoals splitsing van woningen of transformatie van bedrijfspanden tot woningen. De woningvoorraad kan krimpen door: sloop; andere onttrekkingen, zoals samenvoeging van woningen of wijziging van de woonfunctie in een andere functie. De figuren 2.33 tot en met 2.36 tonen hoeveel nieuwbouw, andere toevoegingen, sloop en andere onttrekkingen plaatsvonden in de periode 2014-2020. Alle drie de gemeenten hebben in verhouding meer woningen gesloopt dan de gemiddelde gemeente in Zuid-Holland, vooral Vlaardingen. Maassluis heeft in verhouding het meeste nieuwbouw gerealiseerd, daarna Vlaardingen en daarna Schiedam. Waar in Maassluis en Vlaardingen de overige toevoegingen vergeleken met de provincie een ondergeschikte rol spelen, zijn ze in Schiedam omvangrijker. Daar vonden relatief veel splitsingen plaats en werden veel bedrijfspanden getransformeerd tot woningen. Ook vond in Schiedam in 2014 een administratieve wijziging plaats waardoor overige toevoegingen dat jaar de hoofdoorzaak vormden van de groei van het aantal woningen: kamers in verzorgingshuizen die aan de daarvoor gestelde eisen voldeden kregen een eigen adres en werden daardoor toegevoegd aan de woningvoorraad. De meeste andere gemeenten hadden deze wijziging al in 2012/2013 doorgevoerd.
Daarnaast heeft in 2019 in Maassluis een administratieve correctie plaatsgevonden op zorgvastgoed, waardoor het aantal overige onttrekkingen in dat jaar ongebruikelijk hoog is. Figuur 2.37 laat zien welk deel van de woningvoorraad bestaat uit koopwoningen, sociale huurwoningen en overige huurwoningen.
januari 2023, versie 5
- 26 -
Woononderzoek MVS 2022 Figuur 2.33 Mutaties woningvoorraad Zuid-Holland*
Figuur 2.34 Mutaties woningvoorraad Maassluis*
25.000
700 600
20.000
500
15.000
400
10.000
300 200
5.000
100
0 -5.000
0 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
-100 -200
-10.000
-300
Figuur 2.35 Mutaties woningvoorraad Vlaardingen* 700 600 500 400 300 200 100 0 -100 -200 -300 -400 -500
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
Figuur 2.36 Mutaties woningvoorraad Schiedam* 700 600 500 400 300 200 100 0
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
-100
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
-200 -300 -400 * De betrouwbaarheid van deze cijfers is volgens het CBS iets lager.
-500
Nieuwbouw Overige toevoegingen Sloop Overige onttrekkingen
Figuur 2.37 Woningvoorraad naar eigendom 2021 (% woningen) 100%
0,2%
0,2%
90%
13,9%
15,4%
0,0% 6,1%
0,0% 9,9%
0,1% 19,3%
80% 70%
28,8%
40,7%
32,5%
42,8%
60%
31,4%
50% 40% 30%
57,1%
51,9%
53,1%
47,3%
49,1%
Nederland
Zuid-Holland
Maassluis
Vlaardingen
Schiedam
20% 10% 0%
januari 2023, versie 5
Koopwoningen
Huurwoningen woningcorporatie
Huurwoningen overige verhuurders
Eigendom onbekend
- 27 -
Woononderzoek MVS 2022 Alle drie de gemeenten hebben een kleiner aandeel koopwoningen dan gemiddeld in Nederland, vooral Vlaardingen en Schiedam. Maassluis en Vlaardingen tellen relatief veel sociale huur en weinig particuliere huur. In Schiedam is het aandeel sociale huur vergelijkbaar met het landelijke beeld, maar het aandeel particuliere huur is er hoog. Figuur 2.38 illustreert in welke mate de woningvoorraad is gegroeid in de jaren 2014-2021, uitgesplitst naar bezit. Zoals in paragraaf 2.1 al werd beschreven, is het aantal particuliere huurwoningen sterk gestegen. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat het eigenlijk nooit om nieuwbouw gaat, maar altijd om bestaande koopwoningen of voormalige sociale huurwoningen die zijn aangekocht om in de particuliere sector aan te bieden als huurwoning. De groei van dit segment betekent dus zelden een groei van de totale woningvoorraad. Figuur 2.38 Groei woningvoorraad 2014-2021 naar bezit (%)* Nederland 7,3% 0,9% 17,5% 5,7%
Koopwoningen Sociale huurwoningen Part. huurwoningen Alle woningen
Zuid-Holland 6,6% -1,0% 16,7% 4,5%
Maassluis 12,4% -1,2% -0,9% 3,9%
Vlaardingen 7,7% -6,2% 31,3% 2,0%
Schiedam 4,3% -6,1% 25,2% 4,0%
* Hoe donkerder de tint, des te groter de groei (kleiner de krimp) van het woningtype in verhouding tot de andere regio’s
Het aantal sociale huurwoningen is landelijk nog iets toegenomen, maar in Zuid-Holland is het licht afgenomen. In Maassluis is een bovengemiddelde toename te zien van het aantal koopwoningen; voor het overgrote deel is dit nieuwbouw. Verder kent Maassluis een voor deze provincie gemiddelde afname van het aantal sociale huurwoningen en – opmerkelijk genoeg – ook een afname van het aantal particuliere huurwoningen. In zowel Vlaardingen als Schiedam is het beeld heel anders: daar is een grote toename te zien van het aantal particuliere huurwoningen en een bovengemiddelde afname van het aantal sociale huurwoningen. De groei van het aantal koopwoningen ligt in Vlaardingen iets boven het landelijke en provinciale gemiddelde en in Schiedam ruim daaronder. In figuur 2.39 is de ontwikkeling van het aandeel koopwoningen te zien. Om de verschillen van jaar tot jaar duidelijker te maken, begint de y-as niet bij nul. In de meeste jaren lag het aandeel koopwoningen in alle drie de gemeenten onder het gemiddelde van Zuid-Holland en daarmee ook onder het Nederlands gemiddelde. In Maassluis is dit aandeel echter zo sterk gestegen dat het sinds 2019 iets boven het provinciale gemiddelde ligt. Figuur 2.39 Ontwikkeling aandeel koopwoningen 2014-2021 (%) 60% 55% 50% 45% 40% 35% 2014
2015
Nederland
januari 2023, versie 5
2016 Zuid-Holland
2017
2018 Maassluis
2019 Vlaardingen
2020
2021 Schiedam
- 28 -
Woononderzoek MVS 2022 In Maassluis en Vlaardingen ligt het aandeel huurwoningen van corporaties ruim boven het Nederlands en provinciaal gemiddelde. Dit is te zien in figuur 2.40. In Maassluis is dit aandeel ongeveer even sterk gedaald als landelijk, in Vlaardingen en Schiedam een stuk sterker. In Schiedam was het aandeel ongeveer gelijk aan het provinciale gemiddelde, maar door de sterkere daling ligt het sinds 2018 iets onder het provinciale gemiddelde. Overigens lijkt de daling zich in Maassluis te stabiliseren in 2021; er is zelfs sprake van een lichte toename. In de andere twee gemeenten zet de daling zich nog verder voort. Figuur 2.40 Ontwikkeling aandeel huurwoningen van corporaties 2014-2021 (%) 50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 2014
2015
Nederland
2016
2017
Zuid-Holland
2018 Maassluis
2019
2020
Vlaardingen
2021 Schiedam
Wat betreft het aandeel huurwoningen in handen van particulieren lopen de gemeenten nog sterker uiteen, zoals blijkt uit figuur 2.41. Het aandeel particuliere huurwoningen ligt in Maassluis en Vlaardingen ruim onder het landelijke en provinciale gemiddelde, maar in Schiedam ligt het er ruim boven. Bovendien is het in Maassluis licht gedaald en in Vlaardingen en Schiedam gestegen, nog iets sterker dan landelijk en provinciaal. Figuur 2.41 Ontwikkeling aandeel huurwoningen van particulieren (%) 20%
15%
10%
5%
0% 2014
2015
Nederland
januari 2023, versie 5
2016 Zuid-Holland
2017
2018 Maassluis
2019 Vlaardingen
2020
2021 Schiedam
- 29 -
Woononderzoek MVS 2022 Figuur 2.42 geeft weer hoe de verdeling is tussen eengezinswoningen en meergezinswoningen (appartementen). Het aandeel meergezinswoningen hangt samen met de mate van verstedelijking: in de provincie Zuid-Holland ligt dit aandeel beduidend hoger dan gemiddeld in Nederland. In Maassluis is het aandeel meergezinswoningen vergelijkbaar met het provinciale gemiddelde en in Vlaardingen en Schiedam ligt het ruim daarboven.
Figuur 2.42 Woningvoorraad naar type 2021 (%) 100% 90% 36,0%
80%
49,1%
51,6%
70%
62,0%
68,1%
60% 50% 40% 64,0%
30%
50,9%
48,4%
20%
38,0%
31,9%
10% 0% Nederland
Zuid-Holland
Maassluis Eengezins
Vlaardingen
Schiedam
Meergezins
Figuur 2.43 toont de gemiddelde oppervlakte naar woningtype. Allereerst is te zien dat appartementen gemiddeld veel kleiner zijn dan eengezinswoningen. De eengezinswoningen in Zuid-Holland zijn iets kleiner dan gemiddeld in Nederland, de appartementen zijn er ongeveer even groot. De eengezinswoningen in Schiedam zijn gemiddeld ongeveer even groot als in Zuid-Holland, die in Maassluis en Vlaardingen zijn kleiner. De appartementen in Maassluis en Schiedam zijn even groot als gemiddeld in Zuid-Holland, de appartementen in Vlaardingen zijn net iets kleiner. Figuur 2.43 Gemiddelde oppervlakte naar woningtype 2021 (m2) 160 141 140 120
131
130
122
119 104
122 101
96
94
100 80
80
80
77
80
Nederland
Zuid-Holland
Maassluis
Vlaardingen
Schiedam
80 60 40 20 0
Eengezins
januari 2023, versie 5
Totaal
Meergezins
- 30 -
Woononderzoek MVS 2022 In figuur 2.44 is te zien in welke mate de verschillende energielabels voorkomen. In alle drie de gemeenten is de woningvoorraad minder energiezuinig dan gemiddeld in Nederland. Vooral Schiedam telt veel labels in de categorieën D tot en met G, maar ook Maassluis telt veel labels D en E. Vlaardingen komt van de drie gemeenten het dichtst bij het Nederlands gemiddelde, met vrij veel labels A, B en C. Omgerekend naar een rapportcijfer, waarbij label G een 1 krijgt en label A++ een 10, scoort Nederland voor de energiezuinigheid van de woningvoorraad een 5,7, Vlaardingen een 5,6, Maassluis een 5,3 en Schiedam een 4,9. Er is dus nog veel ruimte voor verbetering. Figuur 2.44 Energielabel woningen 2021 (bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland)* A++
A+
A
B
C
D
E
F
G
Nederland
0,3%
0,5%
28,1%
16,9%
26,1%
12,0%
7,1%
4,4%
4,1%
Maassluis
1,0%
0,5%
21,1%
11,0%
20,1%
22,3%
13,2%
5,8%
2,7%
Vlaardingen
0,0%
0,0%
25,1%
19,8%
23,3%
14,5%
8,3%
4,6%
4,1%
Schiedam
0,1%
0,8%
16,9%
13,4%
21,0%
18,0%
13,9%
8,1%
7,5%
* Hoe donkerder de tint, des te hoger het aandeel in verhouding tot de andere regio’s
Toch is de energiezuinigheid in de afgelopen jaren al wel enigszins verbeterd. Dat is te zien in figuur 2.45. Ten opzichte van 2019 zijn er in 2021 meer labels A+ of A en minder labels D, E of F. In twee jaar tijd is het rapportcijfer voor Nederland gestegen van een 5,5 naar een 5,7, voor Vlaardingen van 5,4 naar een 5,6, voor Maassluis van een 5,1 naar een 5,3 en voor Schiedam van een 4,7 naar een 4,9. Figuur 2.45 Groei energielabels woningen 2019-2021 (bron: RVO) Nederland Maassluis Vlaardingen
A++ 200,0%
Schiedam
A+ 150,0% 400,0%
A 26,6% 16,6% 28,1%
B 1,2% 2,8% -2,5%
C -7,1% -0,5% -9,7%
D -20,0% -16,2% -9,9%
E -17,4% -15,9% -2,4%
F -13,7% -15,9% -17,9%
G -2,4% 50,0% 2,5%
18,2%
19,6%
-4,1%
-13,5%
-10,3%
0,0%
-9,6%
De verschillen tussen de gemeenten wat betreft energielabels (en ook wat betreft woonoppervlak, zie figuur 2.43) zijn voor een groot deel te verklaren uit de verschillende bouwperioden. Deze zijn te zien in figuur 2.46. Zoals blijkt uit figuur 2.44, scoort Schiedam van de drie gemeenten het minst wat betreft energiezuinigheid van de woningvoorraad. Deze gemeente heeft dan ook een bovengemiddeld aandeel vooroorlogse woningen. Vlaardingen telt juist relatief veel woningen van kort na de Tweede Wereldoorlog. Maassluis heeft enerzijds veel woningen uit de jaren ’70 en anderzijds ook veel woningen van na 2000. Het hoge aandeel woningen van na 2010 verklaart waarschijnlijk ook waarom het label A++ relatief vaak voorkomt in Maassluis. Figuur 2.46 Woningen naar bouwjaar per 1 januari 2022 (bron: BAG)* <1945
1945-1970
1971-1990
1991-2000
2001-2010
> 2010
Nederland
18,4%
23,4%
29,5%
11,4%
9,2%
7,4%
Maassluis
8,6%
30,8%
32,7%
6,8%
9,4%
8,6%
Vlaardingen
17,3%
39,8%
26,3%
5,8%
4,4%
6,1%
Schiedam
28,8%
26,3%
22,4%
11,1%
7,4%
3,7%
* Hoe donkerder de tint, des te hoger het aandeel in verhouding tot de andere regio’s
Figuur 2.47 geeft een indruk van het aandeel woningen met zonnepanelen. In alle drie de gemeenten ligt het aandeel woningen met zonnepanelen ruim onder het landelijk gemiddelde. Ook blijft de groei van dit aandeel in Vlaardingen en Schiedam iets achter op de landelijke groei. In Maassluis is het aandeel in 2020 juist bovengemiddeld toegenomen.
januari 2023, versie 5
- 31 -
Woononderzoek MVS 2022 Figuur 2.47 Woningen met zonnepanelen (%)* * Door wijziging in meetmethode trendbreuk in 2018 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2014
2015
2016
Nederland
2017
Maassluis
2018
2019
Vlaardingen
2020
Schiedam
In paragraaf 2.1 werd al gesteld dat op elk moment een deel van de woningen onbewoond is. Vooral in de grote steden is dit vaak het geval. Figuur 2.48 toont de leegstandscijfers voor woningen en kantoren op 1 januari 2021. Het gaat om verblijfsobjecten die volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) behoren tot de vastgoedvoorraad en die de gebruiksfunctie ‘woning’ of ‘kantoor’ hebben. Een verblijfsobject wordt als leegstaand beschouwd als aan alle drie de volgende eisen is voldaan: er staat volgens de Basisregistratie Personen (BRP) geen persoon ingeschreven; er is volgens de Landelijke Voorziening Waardering Onroerende Zaken (LV WOZ) geen gebruiker; er is geen sprake van inschrijving als bedrijf in het Handelsregister. Het gaat om ‘administratieve’ leegstand, dus er is niet in de praktijk getoetst of er, in tegenspraak met deze drie registraties, toch mensen wonen en/of dat er een bedrijf of instelling actief is. Figuur 2.48 Administratieve leegstand per 1 januari 2021 (%) 20%
18,5%
18%
16,8%
16%
14,3%
14% 12%
10,2%
10,0%
10% 8% 6% 4%
4,4% 3,1%
2,4%
3,7%
1,4%
2% 0% Nederland
Rotterdam
Maassluis woningen
januari 2023, versie 5
Vlaardingen
Schiedam
kantoren
- 32 -
Woononderzoek MVS 2022 Zoals in figuur 2.48 is te zien, stond op 1 januari 2021 2,4% van alle woningen in Nederland leeg, in totaal 187.000 woningen. In Rotterdam bedroeg dit aandeel 4,4% (13.770 woningen), dus in verhouding bijna twee keer zo veel als in heel Nederland. Voor de MVS-gemeenten geldt: hoe dichter bij Rotterdam, des te groter de leegstand. In Maassluis bedroeg de leegstand 1,4% (220 woningen), in Vlaardingen 3,1% (1.090 woningen) en in Schiedam 3,7% (1.400 woningen). Maassluis zit wat betreft woningleegstand dus onder het landelijk gemiddelde, Vlaardingen en vooral Schiedam erboven. Dat een woning onbewoond is, is in veel gevallen het gevolg van een wisseling van bewoner. Dit gaat meestal samen met een korte periode van leegstand, de zogenoemde frictieleegstand, bijvoorbeeld om de woning op te knappen. Mensen blijven verhuizen, dus op elk moment zal een deel van de woningen onbewoond zijn vanwege frictieleegstand. Daarnaast is een deel van de woningen onbewoond, omdat ze minder courant zijn. Denk bijvoorbeeld woningen bij een winkel, die alleen via die winkel toegankelijk zijn. Tot slot houden sommige eigenaren leegstaande woningen bewust van de markt, bijvoorbeeld omdat zij willen profiteren van een verdere prijsstijging. Hoewel het aantal kantoren veel kleiner is dan het aantal woningen, stond van de kantoren wel een veel groter aandeel leeg.
In Maassluis bedroeg de leegstand van kantoren op 1 januari 2021 10% (10 panden, in totaal 990 m2). Dit is in lijn met het Nederlands gemiddelde. In Vlaardingen is dit aandeel veel hoger, zelfs hoger dan in Rotterdam, namelijk 18,5% (50 panden, 19.790 m2). In Schiedam is de leegstand van kantoren hoger dan het Nederlands gemiddelde, maar wel iets lager dan in Rotterdam, namelijk 14,3% (50 panden, 12.880 m2).
januari 2023, versie 5
- 33 -
Woononderzoek MVS 2022
3 Uitkomsten inwonersenquête Het hoofdonderdeel van dit onderzoek bestaat uit een uitgebreide enquête onder de inwoners van Maassluis, Vlaardingen en Schiedam. Paragraaf 3.1 gaat in op de tevredenheid met de woonbuurt en de woning, paragraaf 3.2 beschrijft de huidige woonsituatie en paragraaf 3.3 inventariseert de verhuiswensen.
3.1 Tevredenheid met de eigen woonbuurt en woning 3.1.1 Tevredenheid met de eigen buurt Een ruime meerderheid van alle inwoners (65,5%) is (heel) tevreden met de buurt waarin zij wonen. Daarmee is die groep beduidend groter dan de inwoners die neutraal tegenover hun buurt staan (17,9%), of er (heel) ontevreden met zijn (16,6%). Dit is te zien in figuur 3.1. De tevredenheid met de eigen woonbuurt is het grootst in Maassluis; daar zijn ruim drie op de vier inwoners (heel) tevreden met de buurt waarin zij wonen. Het minst tevreden zijn inwoners van Schiedam, waar maar iets meer dan zes op de tien inwoners (heel) tevreden is. Vlaardingen neemt met ongeveer 65% (heel) tevreden inwoners een middenpositie in. Figuur 3.1 Hoe tevreden bent u over de buurt waarin u woont? MVS
65,5%
Maassluis
17,9%
77,2%
Vlaardingen
64,8%
Schiedam
61,5% 0%
10%
20%
30%
(Heel) tevreden
16,6% 14,1%
17,9%
17,3%
19,4% 40%
50%
Neutraal
60%
70%
8,7%
19,1% 80%
90%
100%
(Heel) ontevreden
Welk deel van de inwoners (heel) tevreden is, verschilt wel sterk per wijk (zie figuren 3.2 tot en met 3.4). Die verschillen zijn het kleinst in Maassluis, waar het percentage respondenten dat (heel) tevreden is met de eigen woonbuurt varieert tussen 65% (Sluispolder) en 85,9% (Steendijkpolder). In Vlaardingen zijn de verschillen tussen wijken beduidend groter; zo is 85,4% van alle respondenten uit Holy-Noord (heel) tevreden met de eigen woonbuurt, ten opzichte van 41,5% van de respondenten uit Westwijk. De verschillen tussen wijken zijn het grootst in Schiedam. In Spaland/Sveaparken is maar liefst 87,7% van alle respondenten (heel) tevreden met de eigen woonbuurt, in Oost slechts 42,2%. In absolute zin valt op dat er twee wijken zijn waar een minderheid van alle inwoners (heel) tevreden met de eigen woonbuurt is, namelijk Westwijk (Vlaardingen) en Oost (Schiedam). Dat wil overigens niet zeggen dat een meerderheid van alle inwoners in deze wijken (heel) ontevreden is; een deel heeft een neutraal oordeel. Verder is in Nieuwland, Groenoord, Zuid (Schiedam) en Centrum (Vlaardingen) slechts een kleine meerderheid (heel) tevreden met de eigen woonbuurt.
januari 2023, versie 5
- 34 -
Woononderzoek MVS 2022 Figuur 3.2 Tevredenheid met woonbuurt naar wijk - Maassluis (% 'heel tevreden' + % 'tevreden') Steendijkpolder
85,9%
Burgemeesterswijk
82,9%
Kapelpolder
79,2%
Taanschuurpolder
77,5%
Maassluis
77,2%
Dijkpolder (incl. Wilgenrijk)
74,3%
Sluispolder (incl. Aalkeetpolder)
65,0% 0%
20%
40%
60%
80%
100%
Figuur 3.3 Tevredenheid met woonbuurt naar wijk - Vlaardingen (% 'heel tevreden' + % 'tevreden') Holy-Noord (incl. Broekpolder)
85,4%
Holy-Zuid
74,6%
Vlaardinger Ambacht
74,4%
Oostwijk
65,6%
Vlaardingen
64,8%
Centrum (incl. Vettenoordse polder)
56,0%
Westwijk
41,5% 0%
20%
40%
60%
80%
100%
Figuur 3.4 Tevredenheid met woonbuurt naar wijk - Schiedam (% 'heel tevreden' + % 'tevreden') Spaland/Sveaparken
87,7%
Woudhoek
84,1%
Kethel
81,1%
Centrum
67,7%
Schiedam
61,5%
West
61,3%
Zuid
54,2%
Groenoord
51,4%
Nieuwland
51,4%
Oost
42,2% 0%
januari 2023, versie 5
20%
40%
60%
80%
100%
- 35 -
Woononderzoek MVS 2022 De kwaliteit van de eigen woonbuurt wordt door inwoners niet als onverdeeld goed ervaren. Als alle MVS-gemeenten samen worden genomen, is bijvoorbeeld maar ongeveer de helft van alle invullers het (helemaal) eens met de stelling ‘De bebouwing in deze buurt is aantrekkelijk’ (52,2%) en ‘De woningen in deze buurt zijn goed onderhouden’ (49,4%). Voor beide stellingen geldt dat ongeveer een kwart van alle invullers er neutraal tegenover staat en de rest het er (helemaal) mee oneens is (zie figuur 3.5). Ook voelt maar ongeveer de helft van alle inwoners zich verbonden met de eigen buurt. Zo is 46,2% het (helemaal) eens met de stelling ‘Ik ben gehecht aan deze buurt’ en 65,3% met de stelling ‘Ik voel mij thuis in deze buurt’. Het percentage inwoners dat zich niet of nauwelijks thuis voelt in de buurt, is wel beduidend kleiner dan het percentage dat zich niet of nauwelijks aan die buurt gehecht voelt; in het eerste geval geldt dit voor 12,6% van de inwoners, in het tweede voor 23%.
Figuur 3.5 Ervaren kwaliteit van de eigen woonbuurt, totaal voor MVSgemeenten Ik voel mij thuis in deze buurt
65,3%
21,6%
12,6%
De bebouwing in deze buurt is aantrekkelijk
52,2%
De woningen in deze buurt zijn goed onderhouden
49,4%
23,3%
26,3%
Ik zou deze buurt bij mijn vrienden/kennissen aanbevelen
48,7%
24,9%
23,9%
Ik ben gehecht aan deze buurt
46,2%
29,3%
23,0%
Als het mogelijk is, ga ik uit deze buurt verhuizen
26,9%
Steeds meer buurtgenoten verhuizen ergens anders naartoe
26,4%
In deze buurt worden veel woningen onderverhuurd Het is vervelend om in deze buurt te wonen
18,5%
(Helemaal) eens
Neutraal
14,6%
13,6%
20,7%
56,4%
22,3%
11,3% 16,1% 0%
26,3%
32,5%
30,0%
18,8% 37,9%
71,9%
10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%
(Helemaal) oneens
Weet niet/geen mening
Desondanks lijken inwoners over het algemeen blij om in hun eigen buurt te wonen; een ruime meerderheid is het (helemaal) oneens met de stelling ‘Het is vervelend om in deze buurt te wonen’, terwijl een minderheid het daar (helemaal) mee eens is. Bovendien geeft een kleine meerderheid van alle inwoners (56,4%) aan dat ze niet zouden verhuizen als dat mogelijk was en zou een behoorlijk deel de eigen buurt aanraden bij vrienden of familie (48,7%). Dit laatste is in ook lijn met het feit dat relatief weinig inwoners een hoge mate van onderverhuur of verhuizingen ervaren. Beide zaken kunnen een negatieve invloed op de (ervaren) kwaliteit van buurten hebben. Het is dan ook bemoedigend dat meer respondenten het (helemaal) oneens dan (helemaal) eens zijn met de stellingen ‘In deze buurt worden veel woningen onderverhuurd’ en ‘Steeds meer buurtgenoten verhuizen ergens anders naartoe’. Dat een relatief groot deel van alle respondenten de antwoordoptie ‘Weet niet / geen mening’, impliceert eveneens dat maar weinig inwoners een hoge mate van onderverhuur of verhuizingen ervaren.
januari 2023, versie 5
- 36 -
Woononderzoek MVS 2022 De ervaren kwaliteit van de eigen woonbuurt verschilt enigszins per gemeente, maar wel volgens een vast patroon. Op vrijwel alle indicatoren scoort Maassluis bovengemiddeld, Vlaardingen gemiddeld en Schiedam ondergemiddeld. De enige uitzondering is de mate waarin inwoners gehecht zijn aan hun buurt (zie figuur 3.6); het percentage inwoners dat het in Vlaardingen (helemaal) eens is met de stelling ‘Ik ben gehecht aan deze buurt’ is met 48,9% hoger dan in Schiedam (43%) en Maassluis (47,9%).
Figuur 3.6 'Ik ben gehecht aan deze buurt' naar gemeente Maassluis
47,9%
31,3%
19,2%
Vlaardingen
48,9%
27,9%
22,0%
Schiedam
43,0% 0%
10%
20%
(Helemaal) eens
29,9% 30%
40%
Neutraal
50%
25,6%
60%
(Helemaal) oneens
70%
80%
90%
100%
Weet niet / geen mening
Ook op wijkniveau volgen verschillen in de ervaren kwaliteit van de woonbuurt een vast patroon; wijken waar de gemiddelde tevredenheid met de eigen buurt laag is, scoren over het algemeen ook lager ten aanzien van de ervaren kwaliteit. In Maassluis gaat het daarbij om de wijken Sluispolder en Dijkpolder, in Vlaardingen om de wijken Westwijk en Centrum en in Schiedam om de wijken Oost, Nieuwland, Groenoord en Zuid. Wijken die bovengemiddeld goed scoren, zijn onder meer de wijken Steendijkpolder en Burgemeesterswijk in Maassluis, de wijk Holy-Noord in Vlaardingen en de wijken Spaland/Sveaparken en Woudhoek in Schiedam. Toch zijn er ook een aantal opmerkelijke uitzonderingen. Zo zijn inwoners van de Burgemeesterswijk in Maassluis relatief weinig gehecht aan hun eigen buurt; 44,3% van alle inwoners is het (helemaal) eens met de stelling ‘Ik ben gehecht aan deze wijk’, het laagste percentage van alle wijken in Maassluis (zie figuur 3.7). Een andere uitzondering is de wijk Kethel in Schiedam. Van alle inwoners uit deze wijk is 61,4% het (helemaal) oneens met de stelling ‘In deze wijk worden veel woningen onderverhuurd’, het hoogste percentage van alle Schiedamse wijken. Inwoners van Kethel zijn het ook relatief vaak (helemaal) oneens met de stelling ‘Steeds meer buurtgenoten verhuizen ergens anders naartoe’. Met 64,8% is ook dit percentage het hoogste van alle wijken in Schiedam.
Figuur 3.7 Gehechtheid aan de eigen woonbuurt naar wijk - Maassluis (% 'helemaal eens' + % 'eens') Kapelpolder
51,6%
Steendijkpolder
50,8%
Dijkpolder (incl. Wilgenrijk)
48,6%
Taanschuurpolder
48,6%
Maassluis
47,9%
Sluispolder (incl. Aalkeetpolder)
45,2%
Burgemeesterswijk
43,5% 0%
januari 2023, versie 5
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
- 37 -
Woononderzoek MVS 2022 Dat inwoners van de MVS-gemeenten niet onverdeeld tevreden zijn over de algemene kwaliteit van hun buurten, uit zich ook in hun ervaringen met de sociale kwaliteit van die buurten (zie figuur 3.8). In sommige opzichten signaleren inwoners een hoge mate van sociale cohesie. Een ruime meerderheid (69,8%) is het bijvoorbeeld (helemaal) eens met de stelling ‘Ik heb goed contact met mijn directe buren’, terwijl een iets kleinere meerderheid (56,4%) het (helemaal) eens is met de stelling ‘In deze buurt gaat men op een prettige manier met elkaar om’. Ook is een ruime meerderheid (69,9%) het (helemaal) eens met de stelling ‘Als ik hulp nodig heb, kan ik bij mijn buren terecht’. Op andere aspecten lijkt de sociale kwaliteit van woonbuurten minder hoog. Zo is slechts 31,8% van alle inwoners het (helemaal) eens met de stelling ‘Ik heb veel contact met andere buurtbewoners’ en zijn bijna evenveel inwoners (31,3%) het er (helemaal) mee oneens. Ook is maar 29% van alle inwoners het (helemaal) eens met de stelling ‘Ik woon in een gezellige buurt waar veel saamhorigheid is’, terwijl 29,8% het daar (helemaal) mee oneens is.
Dat inwoners een beperkte mate van sociale kwaliteit in hun buurten signaleren, uit zich tot slot ook in het percentage dat het (helemaal) oneens is met de stelling ‘De mensen in deze buurt kennen elkaar nauwelijks’; met 39,1% is dat weliswaar hoger dan het percentage dat het er (helemaal) mee eens is, maar nog steeds aan de lage kant. Figuur 3.8 Ervaren sociale kwaliteit in de eigen woonbuurt, totaal voor MVSgemeenten Als mijn buren hulp nodig hebben, help ik ze
89,2%
Ik voel me overdag veilig in mijn buurt
8,3%
82,5%
11,1%
Als ik hulp nodig heb, kan ik bij mijn buren terecht
69,9%
17,3% 8,8%
Ik heb goed contact met mijn directe buren
69,8%
19,1%
10,8%
Ik voel mij medeverantwoordelijk voor de leefbaarheid in de buurt
64,9%
24,1%
9,5%
Ik voel me 's avonds veilig in mijn buurt
57,9%
In deze buurt gaat men op een prettige manier met elkaar om
56,4%
Ik heb veel contact met andere buurtbewoners
31,8%
De mensen in deze buurt kennen elkaar nauwelijks
29,2%
Ik woon in een gezellige buurt waar veel saamhorigheid is
29,0%
18,3%
23,0%
28,4% 36,4% 25,8%
12,4% 31,3%
39,1%
37,8%
29,8%
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% (Helemaal) mee eens
Neutraal
(Helemaal) mee oneens
Weet niet/geen mening
Dit relatieve gebrek aan sociale kwaliteit kan op twee manieren worden geduid. Enerzijds kan het zijn dat inwoners weinig behoefte hebben aan het contact met buurtbewoners en saamhorigheid in de buurt. Dit zou verklaren waarom inwoners naar eigen zeggen wel vinden dat ze goed contact met hun buren hebben, zelfs als ze niet die buren niet vaak spreken. Anderzijds kan het ook zijn dat inwoners wel degelijk behoefte hebben aan meer contact en saamhorigheid. In dat laatste geval is het bemoedigend dat een ruime meerderheid van alle inwoners (64,9%) het (helemaal) eens is met de stelling ‘Ik voel mij medeverantwoordelijk voor de leefbaarheid in de buurt’ en ‘Als mijn buren hulp nodig hebben, help ik ze’ (89,2%). Dit zou namelijk kunnen impliceren dat een groot deel van alle januari 2023, versie 5
- 38 -
Woononderzoek MVS 2022 inwoners wel degelijk bereid is om bij te dragen aan het versterken van de sociale kwaliteit in buurten die door hen als weinig saamhorig, of gezellig worden ervaren. Of inwoners hun eigen buurt als veilig ervaren, hangt tot slot erg af van het tijdstip. Als inwoners wordt gevraagd of zij zich overdag veilig voelen in hun buurt, antwoordt 82,5% bevestigend en slechts 6,2% ontkennend. Het beeld voor de mate waarin inwoners zich ’s avonds veilig voelen, is heel anders; dan is nog maar 57,9% van alle inwoners het (helemaal) eens met de betreffende stelling, terwijl 23% het er (helemaal) mee oneens is. Ook in dit geval verschilt de ervaren sociale kwaliteit van woonbuurten enigszins per gemeente, maar opnieuw volgens het eerder geconstateerde patroon; de ervaren kwaliteit van buurten is het hoogst in Maassluis, daarna in Vlaardingen en het laagst in Schiedam. Een paar uitzonderingen vallen op. Zo ligt het percentage inwoners dat zich medeverantwoordelijk voelt voor de leefbaarheid in hun buurt in alle drie gemeenten verrassend dicht bij elkaar. In Maassluis is dit percentage namelijk 64,9%, in Vlaardingen 64,8% en in Schiedam zelfs 65%. Een andere uitzondering die opvalt, is het percentage inwoners dat zich ’s avonds veilig voelt in de eigen woonbuurt (zie figuur 3.9).
In Vlaardingen is namelijk slechts 55,2% het (helemaal) eens met de bijbehorende stelling, vergeleken bij 57,9% in Vlaardingen en 64,8% in Maassluis. Het percentage dat het (helemaal) oneens is met de stelling, is overigens in Schiedam en Vlaardingen ongeveer even groot (24,7% in Vlaardingen, tegenover 25,1% in Schiedam). Dit impliceert dat met name het deel van alle inwoners dat zich ’s avonds (heel) veilig voelt, kleiner is in Vlaardingen. Figuur 3.9 'Ik voel me 's avonds veilig in mijn buurt' naar gemeente Maassluis
64,8%
20,3%
14,1%
Vlaardingen
55,2%
19,5%
24,7%
Schiedam
57,9%
16,3%
25,1%
0%
10%
20%
(Helemaal) eens
30% Neutraal
40%
50%
60%
(Helemaal) oneens
70%
80%
90%
100%
Weet niet / geen mening
Ook op wijkniveau volgt de ervaren sociale kwaliteit van woonbuurten in veel gevallen dat van de algemene tevredenheid met die buurten; inwoners die minder tevreden zijn over hun buurten, beschouwen de sociale kwaliteit van hun buurten over het algemeen als minder goed. Nog meer dan bij de algemene ervaren kwaliteit van buurten, zijn er verschillende uitzonderingen op dit patroon. Eén van de meest opvallende is dat een aantal wijken waar relatief veel inwoners (heel) tevreden zijn over hun buurten, laag scoren op de ervaren sociale kwaliteit van woonbuurten. Dit geldt met name voor reacties op de stelling ‘Ik heb veel contact met andere buurtbewoners’ en ‘Ik woon in een gezellige buurt waar veel saamhorigheid is’. In Maassluis gaat het onder meer om de wijk Steendijkpolder, in Schiedam om de wijken Woudhoek en Spaland/Sveaparken. Andere wijken scoren juist verrassend hoog op de ervaren sociale kwaliteit van buurten. Inwoners van de wijk Zuid in Schiedam zijn het bijvoorbeeld bovengemiddeld vaak (helemaal) eens met stellingen als ‘In deze buurt gaat met op een prettige manier met elkaar om’, ‘Ik woon in een gezellige buurt waar veel saamhorigheid is’ en ‘Als ik hulp nodig heb, kan ik bij mijn buren terecht’ (zie figuur 3.10). Ook zijn inwoners van die wijk het vaker (helemaal) oneens met de stelling ‘De mensen in deze buurt kennen elkaar nauwelijks’.
Dit impliceert dat de sociale cohesie in deze wijk relatief hoog is. januari 2023, versie 5
- 39 -
Woononderzoek MVS 2022 Figuur 3.10 'Ik woon in een gezellige buurt waar veel saamhorigheid is' naar wijk - Schiedam (% 'heel tevreden' + % 'tevreden') Kethel
50,0%
Zuid
43,1%
Woudhoek
35,5%
Spaland/Sveaparken
35,0%
Schiedam
27,1%
West
26,9%
Centrum
24,8%
Nieuwland
21,8%
Oost
15,2%
Groenoord
12,7% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Naast de ervaren sociale kwaliteit van woonbuurten, is ook de tevredenheid met voorzieningen erg wisselend. Voor sommige voorzieningen geldt dat een overgrote meerderheid van alle inwoners tevreden is. Als de MVS-gemeenten samen worden genomen, is bijvoorbeeld ruim 82,2% van alle inwoners (zeer) tevreden met de winkels voor dagelijkse boodschappen, 73,4% over de straatverlichting en 71,8% over het openbaar vervoer. Een kleinere meerderheid (60,7%) is daarnaast (zeer) tevreden met het groen en over de wegen, paden en pleinen (57,4%). Tot slot zijn meer inwoners (zeer) tevreden met beweeg- en sportvoorzieningen (34,2%) dan (zeer) ontevreden (18,3%), al geeft een aanzienlijk deel van de respondenten aan dat dergelijke voorzieningen voor hen niet belangrijk zijn (18%). Dit blijkt uit figuur 3.11. De tevredenheid met andere voorzieningen is beduidend minder. Zo is 39,5% van alle inwoners (zeer) ontevreden met de parkeergelegenheid, maar net iets minder dan de 39,8% die daar juist (zeer) tevreden met is. Nog minder tevreden zijn inwoners over culturele instellingen; hoewel een aanzienlijk deel van alle respondenten heeft aangegeven dat deze voorzieningen voor hen niet belangrijk zijn (25,4%), zijn meer inwoners er (zeer) ontevreden met (19,3%) dan (zeer) tevreden (18,3%). Het minst tevreden zijn inwoners over voorzieningen voor jongeren.
Hoewel een aanzienlijk deel van de respondenten opnieuw aangeeft dat dergelijke voorzieningen voor hen niet belangrijk zijn, is slechts 17,1% van alle inwoners er (zeer) tevreden met en maar liefst 41,6% (zeer) ontevreden. Deze relatieve ontevredenheid met voorzieningen voor jongeren steekt scherp af tegen de tevredenheid met voorzieningen voor jonge kinderen. Het percentage dat (zeer) tevreden is over de basisscholen, is met 40,6% bijvoorbeeld veel groter dan de 3,8% die daar juist (zeer) ontevreden met is. Voor crèches en kinderdagverblijven is het beeld vergelijkbaar; hierover is 29,1% van alle inwoners (zeer) tevreden en 3,5% (zeer) ontevreden. Over de speelvoorzieningen lijkt inwoners iets minder tevreden. Hoewel meer inwoners hier (zeer) tevreden met zijn (33,8%) dan (zeer) ontevreden (16,6%), is dat verschil minder groot dan bij de andere voorzieningen voor jonge kinderen. Over de ontmoetings- en activiteitenplekken zijn inwoners tot slot weer relatief ontevreden. Meer inwoners zijn bijvoorbeeld (zeer) ontevreden (31,7%) over ontmoetings- en activiteitenplekken in de buitenruimte, dan (zeer) tevreden (14,3%). Hetzelfde geldt voor ontmoetings- en activiteitenplekken in de buurt; hoewel iets meer inwoners hier (zeer) tevreden met zijn (17,5%), zijn nog steeds meer inwoners er (zeer) ontevreden met (19,9%). Hoewel relatief weinig inwoners aangeven dat januari 2023, versie 5
- 40 -
Woononderzoek MVS 2022 ontmoetings- en activiteitenplekken in woongebouwen voor hen belangrijk zijn, zijn ook in dit geval meer inwoners er (zeer) ontevreden met (11,5%) dan (zeer) tevreden (7,9%). Figuur 3.11 Tevredenheid met voorzieningen, totaal voor MVS-gemeenten Winkels voor de dagelijkse boodschappen
82,2%
8,9% 8,1%
Straatverlichting
73,4%
17,1%
(Haltes) openbaar vervoer
71,8%
11,3% 10,0%
9,2%
Groen (perken, grasveldjes, parken)
60,7%
18,0%
20,8%
Wegen, paden en pleinen
57,4%
22,3%
19,8%
Basisscholen
40,6%
17,0%
Parkeergelegenheid
39,8%
15,9%
39,5%
29,5%
18,3%
Beweeg- en sportvoorzieningen
34,2%
Speelvoorzieningen voor jonge kinderen
33,8%
Crèches / kinderdagverblijven
29,1%
17,5%
18,3%
37,0%
Ontmoetings- of activiteitenplekken in mijn buurt
17,5%
33,5%
Ontmoetings- of activiteitenplekken buiten
14,3%
Voorzieningen voor jongeren
11,2%
0% (Heel) tevreden
Neutraal
16,6%
29,7% 27,0% 21,9%
48,0% 19,3%
25,4%
19,9%
29,1%
31,7%
24,3%
27,2% 11,5%
18,0% 32,1%
19,4%
Culturele instellingen
Ontmoetings- of activiteitenplekken in mijn 7,9% woongebouw
38,5%
34,6% 58,7%
10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%
(Heel) ontevreden
N.v.t. / is voor mij niet belangrijk
Op gemeenteniveau volgt de tevredenheid met voorzieningen in een aantal gevallen het eerder vastgestelde patroon, maar in veruit de meeste niet. Alleen bij de tevredenheid met winkels voor de dagelijkse boodschappen, parkeergelegenheid en beweeg- en sportvoorzieningen scoort Maassluis het hoogst, gevolgd door Vlaardingen en tot slot Schiedam. Bij veel andere voorzieningen valt op dat met name Maassluis erg laag scoort; in sommige gevallen zelfs slechter dan Vlaardingen en Schiedam. Dit is onder meer het geval bij de tevredenheid met het openbaar vervoer (zie figuur 3.12) en groen. Bij andere voorzieningen scoort Maassluis weliswaar niet het laagst, maar wel lager dan je op basis van de algemene tevredenheid met woonbuurten zou verwachten. Dit geldt onder meer voor de tevredenheid met wegen, straatverlichting, basisscholen
januari 2023, versie 5
- 41 -
Woononderzoek MVS 2022 Figuur 3.12 Tevredenheid met (haltes) openbaar vervoer naar gemeente Maassluis
65,6%
14,7%
9,0%
10,7%
Vlaardingen
73,8%
10,3%
8,1%
Schiedam
72,4%
10,8%
12,2%
80%
90%
0%
10%
(Heel) tevreden
20%
30%
Neutraal
40%
50%
(Heel) ontevreden
60%
70%
7,8%
100%
N.v.t. / is voor mij niet belangrijk
Bij de ontmoetings- en activiteitenplekken valt juist op dat Schiedam relatief hoog scoort; bij alle drie soorten plekken zijn in Schiedam de meeste inwoners (zeer) tevreden, daarna in Maassluis en tot slot in Vlaardingen. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat in alle drie de gemeenten relatief weinig inwoners (zeer) tevreden zijn. Dit laatste geldt ook voor de voorzieningen voor jongeren. Het percentage inwoners dat hier (zeer) tevreden met is, is in alle drie gemeenten namelijk ongeveer even laag (zie figuur 3.13). Vlaardingen scoort tot slot verrassend laag op de tevredenheid met culturele instellingen; met slechts 14,5% van alle inwoners die er (zeer) tevreden met is, moet de gemeente zowel Schiedam (20,4%) en Maassluis (21,9%) voor laten gaan. Figuur 3.13 Tevredenheid met voorzieningen voor jongeren naar gemeente Maassluis
11,8%
Vlaardingen
11,0%
27,5%
Schiedam
11,1%
25,5%
0%
10%
(Heel) tevreden
29,5%
20%
24,0%
34,7%
27,7%
33,8%
28,0% 30%
Neutraal
40%
50%
(Heel) ontevreden
35,4% 60%
70%
80%
90%
100%
N.v.t. / is voor mij niet belangrijk
Ook op wijkniveau lijkt er beperkt sprake van een verband tussen de tevredenheid met voorzieningen en de algemene tevredenheid met woonbuurten. Wijken waar relatief veel inwoners (zeer) ontevreden zijn over hun woonbuurten, kennen een relatief hoge mate van tevredenheid met bepaalde voorzieningen. In Maassluis geldt dit onder meer voor de wijken Sluispolder en Taanschuurpolder, in Vlaardingen voor de wijk Westwijk en in Schiedam voor de wijken Zuid, Nieuwland en Groenoord. De voorzieningen waarover inwoners van deze wijken tevreden zijn, verschillen wel enigszins per gemeente. In Maassluis gaat het met name om winkels voor dagelijkse boodschappen (zie figuur 3.14), het openbaar vervoer en basisscholen. In Vlaardingen gaat het daarnaast ook om parkeergelegenheid, wegen, groen, crèches, speelvoorzieningen voor jonge kinderen en voorzieningen voor jongeren. In Schiedam gaat het met name om parkeergelegenheid, groen, straatverlichting en speelvoorzieningen voor jonge kinderen.
januari 2023, versie 5
- 42 -
Woononderzoek MVS 2022 Figuur 3.14Tevredenheid winkels voor dagelijkse boodschappen naar wijk Vlaardingen (% 'heel tevreden' + % 'tevreden') Holy-Zuid
94,6%
Westwijk
87,8%
Vlaardingen
83,8%
Holy-Noord
83,7%
Vlaardinger Ambacht
83,1%
Centrum (incl. Vettenoordse Polder)
78,7%
Oostwijk
74,5% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Aan de andere kant valt ook op dat een aantal wijken waarin relatief veel inwoners in algemene zin tevreden zijn over hun woonbuurten, juist een relatief hoge mate van ontevredenheid kennen met bepaalde voorzieningen. In dit geval gaat het onder meer om de wijken Steendijkpolder en Taanschuurpolder in Maassluis, de wijken Oostwijk en Holy-Noord in Vlaardingen en de wijken West, Centrum, Kethel en Spaland/Sveaparken in Schiedam. Over welke voorzieningen inwoners van deze wijken ontevreden zijn, verschilt opnieuw per gemeente. In Maassluis gaat het met name om winkels voor dagelijkse boodschappen, parkeergelegenheid en groen, in Vlaardingen ook om wegen. In Schiedam wisselt de relatieve ontevredenheid met voorzieningen sterk per wijk. Zo scoort de wijk West relatief slecht op winkels voor dagelijkse boodschappen, openbaar vervoer en parkeergelegenheid, terwijl de wijk Centrum relatief slecht scoort op voorzieningen voor jongere kinderen als basisscholen, crèches en speelvoorzieningen. De wijk Spaland/Sveaparken scoort relatief slecht op straatverlichting, jongerenvoorzieningen, culturele instellingen (zie figuur 3.15) en alle soorten ontmoetings- en activiteitenplekken. De wijk Kethel scoort tot slot relatief slecht op winkels voor dagelijkse boodschappen, openbaar vervoer, voorzieningen voor jongeren en culturele instellingen.
= Figuur 3.15 Tevredenheid met culturele instellingen naar wijk - Schiedam (% 'heel tevreden' + % 'tevreden') Centrum
54,8%
Nieuwland
23,8%
Oost
21,6%
West
20,7%
Schiedam
20,4%
Kethel
16,4%
Zuid
14,0%
Woudhoek
13,5%
Groenoord
11,6%
Spaland/Sveaparken
11,1% 0%
januari 2023, versie 5
20%
40%
60%
80%
100%
- 43 -
Woononderzoek MVS 2022 Hoewel een meerderheid van alle inwoners tevreden is over hun woonbuurt, lijkt maar een klein deel te denken dat hun woonbuurt het afgelopen jaar is verbeterd (zie figuur 3.16). Als inwoners wordt gevraagd of hun buurt het afgelopen jaar vooruit of achteruit is gegaan, antwoordt een aanzienlijk deel ontkennend (40,0%) of neutraal (48,7%). Slechts een kleine minderheid (11,3%) vindt dat hun buurt het afgelopen jaar vooruit is gegaan. Deze verhoudingen kunnen deels worden toegeschreven aan het feit dat mensen zich sterk laten leiden door negatieve ervaringen (de zogenaamde negativity bias), maar dit neemt niet weg dat veel inwoners relatieve achteruitgang ervaren. Figuur 3.16 Vindt u dat uw buurt het afgelopen jaar vooruit of achteruit is gegaan? MVS
11,3%
Maassluis
13,2%
Vlaardingen
48,7% 55,7%
7,9%
Schiedam
31,1%
49,3%
13,7% 0%
40,0%
10%
42,7%
45,4% 20%
30% Vooruit gegaan
40%
40,9% 50% Gelijk gebleven
60%
70%
80%
90%
100%
Achteruit gegaan
Dit beeld is, behoudens kleine verschillen, in alle MVS-gemeenten hetzelfde. Het aandeel inwoners dat vindt dat de eigen buurt het afgelopen jaar achteruit is gegaan, is het kleinst in Maassluis; daar is 31,1% van de inwoners die mening toegedaan. Schiedammers vinden het vaakst dat hun wijk het afgelopen jaar vooruit is gegaan. Met 13,7% is dat aandeel net iets groter dan in Maassluis (13,2%). De situatie in Vlaardingen is het zorgelijkst. Daar vindt zowel het relatief grootste deel dat hun buurt het afgelopen jaar achteruit is gegaan (42,7%) als het relatief kleinste deel dat hun buurt het afgelopen jaar vooruit is gegaan (7,9%). Welke wijken in de ogen van hun inwoners het afgelopen jaar voor- of achteruit zijn gegaan, verschilt sterk per gemeente (zie figuur 3.17 tot en met 3.19). In Maassluis vinden inwoners van de wijk Taanschuurpolder het vaakst dat hun buurt vooruit is gegaan, terwijl inwoners van de wijk Dijkpolder het vaakst vinden dat hun buurt achteruit is gegaan. Het beeld voor de wijk Sluispolder is tegenstrijdig; deze wijk heeft zowel het op één na hoogste percentage dat vindt dat hun buurt het afgelopen jaar vooruit is gegaan, als het op één na hoogste percentage dat vindt dat hun buurt het afgelopen jaar achteruit is gegaan. In Vlaardingen vinden inwoners van de wijk Holy-Zuid het vaakst dat hun buurt het afgelopen jaar vooruit is gegaan.
Inwoners van de wijk Westwijk vinden juist het vaakst dat hun buurt het afgelopen jaar achteruit is gegaan. Dat inwoners van deze wijk ook het op één na hoogste percentage inwoners heeft dat vindt dat hun buurt het afgelopen jaar vooruit is gegaan, illustreert opnieuw dat de ervaren vooruit- of achteruitgang van buurten in wijken dikwijls niet eenduidig is. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of dit tegenstrijdige beeld kan worden toegeschreven aan verschillen op buurtniveau, of dat inwoners verdeeld zijn over de vraag of hun buurt voor- of achteruit zijn gegaan. In Schiedam is het beeld eenduidiger. Inwoners van de wijk Oost geven het vaakst aan dat hun buurt het afgelopen jaar vooruit is gegaan; met 19,8% ligt het percentage in deze wijk net iets hoger dan in de wijk Nieuwland. Inwoners van de wijk Zuid geven het vaakst aan dat hun buurt het afgelopen jaar achteruit is gegaan, op de voet gevolgd door inwoners van de wijk Groenoord. Dat inwoners van januari 2023, versie 5
- 44 -
Woononderzoek MVS 2022 Groenoord ook het minst vaak aangeven dat hun buurt het afgelopen jaar vooruit is gegaan, maakt dat de ontwikkeling van buurten in deze wijk een bijzonder punt van zorg is. De meest genoemde redenen waarom woonbuurten het afgelopen jaar vooruit zijn gegaan, zijn in alle drie gemeente hetzelfde; de woningen in de buurt zijn verbeterd, er is sprake van minder overlast op straat en de openbare ruimte wordt beter onderhouden. Wel zijn er per gemeente accentverschillen. Figuur 3.17 Ervaren vooruitgang van de eigen woonbuurt naar wijk - Maassluis Taanschuurpolder
22,0%
26,5%
Sluispolder (inclusief Aalkeetpolder)
18,6%
35,2%
Kapelpolder
12,8%
Burgemeesterswijk
11,6%
Dijkpolder (incl. Wilgenrijk)
10,9%
Steendijkpolder
46,2%
29,2%
58,0% 60,8%
27,6%
49,7%
7,7% 0%
51,5%
39,4%
67,8% 10%
20%
30%
40%
24,5% 50%
60%
70%
80%
90%
100%
Figuur 3.18 Ervaren vooruitgang van de eigen woonbuurt naar wijk Vlaardingen Holy-Zuid
16,1%
Westwijk
8,1%
Vlaardinger Ambacht
7,2%
48,2% 34,3%
57,6% 56,8%
Oostwijk
36,0%
51,9%
Centrum (incl. Vettenoordse Polder)
41,4%
46,1%
Holy-Noord
48,4% 63,3%
0%
januari 2023, versie 5
35,7%
10%
20%
30%
40%
31,9% 50%
60%
70%
80%
90%
100%
- 45 -
Woononderzoek MVS 2022 Figuur 3.19 Ervaren vooruitgang van de eigen woonbuurt naar wijk - Schiedam Oost
19,8%
Nieuwland
19,3%
Centrum
18,4%
Kethel
15,0%
West
13,1%
Woudhoek
10,2%
Zuid
7,9%
Spaland/Sveaparken
7,8%
Groenoord
7,0% 0%
30,0%
50,2%
38,3%
42,4%
49,7%
31,9%
65,9%
19,1%
43,1%
43,8%
57,6%
32,2%
37,1%
55,0% 65,4%
26,8%
41,5% 10%
20%
Vooruit gegaan
30%
51,5% 40%
50%
Gelijk gebleven
60%
70%
80%
90%
100%
Achteruit gegaan
Zo wordt in Maassluis en Vlaardingen de verbetering van woningen het vaakst genoemd, terwijl dit in Schiedam voor het onderhoud van de openbare ruimte geldt. Ook wordt in Maassluis de vermindering van overlast relatief vaak genoemd, terwijl dit in Vlaardingen en Schiedam beduidend minder het geval is. Tot slot wordt in Schiedam ook de veranderende samenstelling van buurtbewonersrelatief vaak als reden genoemd waarom een woonbuurt vooruit is gegaan. De meest genoemde redenen waarom woonbuurten er volgens inwoners op achteruit zijn gegaan, zijn in alle drie gemeenten eveneens hetzelfde; verminderde veiligheid, parkeerproblemen en een veranderende samenstelling van de buurt. Opvallend is dat de reden die het vaakst wordt genoemd, overlast op straat, ook in alle drie gemeenten wordt genoemd als een van de belangrijkste redenen waarom woonbuurten erop vooruit zijn gegaan. Een nadere analyse suggereert dat dit deels kan worden verklaard door verschillen tussen wijken. In Maassluis vinden bijvoorbeeld met name inwoners van de Kapelpolder en de Burgemeesterswijk dat hun woonbuurten er door minder overlast op vooruit zijn gegaan, terwijl inwoners van de Taanschuurpolder, Dijkpolder en Sluispolder juist vaker vinden dan hun woonbuurten er door toegenomen overlast op achteruit zijn gegaan.
Een andere reden waarom de tevredenheid met de eigen woonbuurt mogelijk onder druk staat, is dat inwoners er beperkt vertrouwen in lijken te hebben dan hun buurten de komende jaren vooruit zullen gaan (zie figuur 3.20). In de MVS-gemeenten denkt slechts 18,1% van alle inwoners dat hun buurt er de komende jaren op vooruit zal gaan, terwijl 39,6% denkt dat hun buurt erop achteruit zal gaan en 42,3% dat hun buurt hetzelfde zal blijven.
januari 2023, versie 5
- 46 -
Woononderzoek MVS 2022 Figuur 3.20 Denkt u dat uw buurt in de komende jaren vooruit of achteruit zal gaan? MVS
18,1%
Maassluis
16,6%
Vlaardingen
16,1%
Schiedam
42,3% 49,6%
10%
33,8%
41,7%
20,7% 0%
39,6%
42,2%
40,0% 20%
30%
Zal vooruit gaan
40%
42,2% 50%
Zal gelijk blijven
60%
70%
80%
90%
100%
Zal achteruit gaan
Ook dit beeld is in alle drie gemeenten ongeveer hetzelfde. In Maassluis, Vlaardingen en Schiedam denkt een kleine minderheid dat hun buurt er de komende jaren op vooruit zal gaan, terwijl een veel groter deel denkt dat hun buurt gelijk zal blijven of erop achteruit zal gaan. Wel valt op dat inwoners van Maassluis de minste verandering verwachten; van alle MVS-gemeenten denkt zowel het kleinste deel er dat de eigen woonbuurt vooruit zal gaan, als dat de eigen woonbuurt achteruit zal gaan. Ook valt op dat inwoners van Schiedam optimistischer lijken dan inwoners van Vlaardingen. Hoewel het aandeel inwoners dat achteruitgang verwacht in beide gemeenten hetzelfde is, verwachten relatief meer Schiedammers vooruitgang. Op wijkniveau lijkt het vertrouwen van inwoners in de toekomst van hun buurten pas te houden met de algemene (on)tevredenheid met die buurten; buurten waarin inwoners relatief ontevreden zijn, denken over het algemeen vaker dat hun buurten de komende jaren achteruit zullen gaan. Een paar uitzonderingen vallen op. Zo zijn er in iedere gemeente wijken waar inwoners relatief ontevreden zijn over hun eigen woonbuurt, maar relatief vaak denken dat die buurt er de komende jaren op vooruit zal gaan. In Maassluis, gaat het onder meer over de wijk Sluispolder, in Vlaardingen om de wijk Centrum en in Schiedam om de wijk Nieuwland.