Plantoelichting Bestemmingsplan bedrijfswoning Maassluissedijk
Tekst van het document
Zoals aangegeven hanteert de gemeente Vlaardingen de zeehavennorm echter niet. Dit houdt in dat op basis van de eerste berekening geen hogere waarden voor industrielawaai verleend zouden kunnen worden. Naar aanleiding van overleg met de zonebeheerder is ervoor gekozen om de lokale situatie nauwkeuriger te modelleren, rekening houdend met de afschermende werking van de dijk ter plaatse. Voor het aanvullende onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 2 Aanvullend akoestisch onderzoek. Op basis van dit aanvullende onderzoek blijkt dat de gevelbelasting als gevolg van industrielawaai maximaal 55 dB(A) bedraagt. Op de achtergevel is sprake van een maximale geluidbelasting van 49 dB(A). Industrieterreinen Vlaardingen Voor de industrieterreinen Vulcaanhaven, Wilhelminahaven, Klein-Vettenoord en het Scheur te Vlaardingen is er ook een industriële geluidszone. Het plangebied valt buiten de 50 dB(A) contour. Verdere beoordeling is niet nodig. Caravanstalling De Schaapskooi Direct naast het perceel bevindt zich caravanstalling de Schaapskooi. Het bedrijf biedt de mogelijkheid voor stalling van caravans, campers, vouwwagens en (klassieke) auto's. De stalling is geopend van 1 april tot 31 oktober in de dagperiode van 8.00-18.00 uur op maandag t/m vrijdag en van 8.30-16.00 uur op zaterdag.
Uit berekeningen blijkt dat de gemiddelde geluidsniveaus vanwege de huidige bedrijfsvoering niet hoger zijn dan 38 dB(A) overdag en 40 dB(A) in de avondperiode. Bij eventuele toekomstige werkzaamheden in de huidige stallingsloods neemt het gemiddeld geluid in de dagperiode
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
27
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 toe tot 41 dB(A). Deze waarden zijn significant lager dan de grenswaarden op basis van het Activiteitenbesluit en voldoen zelfs ook nog aan streefwaarden voor een rustige woonwijk zoals beschreven in de VNG notitie Bedrijven en milieuzonering. Gezien deze uitkomst behoeft de bouw van de bedrijfswoning geen belemmering te zijn voor de huidige en toekomstige bedrijfsactiviteiten van de Schaapskooi. 4.4.2.5 Aanvullend onderzoek november 2021 In de bovenbeschreven onderzoeken was voor de locatie van de woning uitgegaan van een bouwvlak voor de bedrijfswoning op het noordelijk deel van de kavel. De plannen zijn daarna gewijzigd, in die zin dat de nieuwe woning de rooilijn van de naastgelegen woning kan aanhouden. Hiermee komt de woning iets dichter op de weg te liggen. Daarom is gekeken in hoeverre de aangepaste locatie consequenties heeft met het oog op de te volgen hogere waardenprocedure wegverkeerslawaai. (ARDEA acoustics & consult v.o.f., Notitie 3133KBB9.006 d.d. 26 November 2021, zie Bijlage 3 Aanvullend akoestisch onderzoek hogere waarden). De initieel berekende hogere waarde voor het wegverkeerslawaai bedraagt 52 dB(A) in tegenstelling tot de eerder berekende 51 dB(A). Voor het aspect industrielawaai heeft de verlegging van de rooilijn geen consequenties.
4.4.2.6 Aanvullend onderzoek november 2022 Naar aanleiding van een zienswijze van het Havenbedrijf Rotterdam is aanvullend akoestisch onderzoek verricht. Hieruit is naar voren gekomen dat, met gebruikmaking van een zogenaamde 'dove gevel' en hogere waarden voor wegverkeerslawaai voldaan kan worden aan de eisen zoals gesteld in de Wet geluidhinder. Hiervoor wordt verder verwezen naar Bijlage 4 Aanvullend akoestisch onderzoek november 2022. 4.4.3
Beschouwing en afweging
Op grond van de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er op twee punten sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde: als gevolg van wegverkeer over de Maassluissedijk (tot maximaal 52 dB); als gevolg van de geluidszone van het industrieterrein Botlek-Pernis (tot maximaal 57 dB(A)). Na overleg met DCMR en het Havenbedrijf blijkt er beleidsmatig geen ruimte te zijn voor het vaststellen van hogere waarden voor industrielwaai dan 51dB(A). De hogere waarden voor het wegverkeerslawaai zijn vastgesteld op 50 dB(A). Dit houdt in dat ten behoeve van dit bestemmingsplan de woning moet worden voorzien van een dove gevel. Daarom wordt in dit bestemmingsplan de verplichting opgenomen om een dove gevel te realiseren voor de gevel(s) die naar de weg gericht is, of zijn. Mocht uit nader akoestisch onderzoek (bijvoorbeeld omdat de woning verder van de geluidbron wordt gerealiseerd) blijken dat alsnog kan worden voldaan aan de hogere grenswaarden), of aan de voorkeursgrenswaarde, dan kan van deze verplichting worden afgezien. Hoewel de gemeente Vlaardingen geen voorstander is van dove gevels, is onder de gegeven omstandigheden een andere oplossing niet voorhanden. Zoals blijkt uit de beschrijving van het planvoornemen in paragraaf 2.3 Planvoornemen, is reeds rekening gehouden met een geluidluwe zijde.
Ter juridische zekerstelling van de realisatie van deze geluidluwe zijde is in de planregels de verplichting opgenomen hierin te voorzien. Het hogere waarden besluit is opgenomen in Bijlage 5 Besluit hogere waarden. 4.4.4
Conclusie
Ten behoeve van de realisatie van dit bestemmingsplan is noodzakelijk hogere grenswaarden vast te stellen voor het wegverkeerslawaai als gevolg van de Maassluisedijk tot maximaal 50 dB. In het bestemmingsplan wordt voorzien in een regeling ter zekerstelling van een geluidluwe zijde. Voor industrielawaai zijn hogere waarden vastgesteld tot maximaal 51 dB(A). Echter, primair moet worden voorzien in een dove gevel. Van de hogere waarde voor industrielawaai kan alleen gebruik worden gemaakt als uit nader onderzoek blijkt dat dit akoestisch mogelijk is.
28
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208
4.5
Geurhinder
4.5.1
Inleiding
Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Bij geur van bedrijven gaat het om de geur uitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geur belasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geur belasting (of ‘immissie') verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per kubiek e meter lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning ‘terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend. Voor geurhinder door industrie en bedrijven gelden planologisch gezien geen wettelijke kaders. Deze vorm van geurhinder maakt deel uit van de methode 'Bedrijven en milieuzonering' (VNG, 2009). Voor geurhinder door veehouderijen gelden deels andere regels. Voor veehouderijen gelden de Wet Geurhinder en Veehouderij en het Besluit landbouw milieubeheer. In het Besluit landbouw zijn afstanden vastgelegd die aangehouden moeten worden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Afhankelijk van de aard van het agrarisch bedrijf en het type geurgevoelig object kan deze afstand 20, 50 of 100 meter bedragen. 4.5.2
Beschouwing
Voor zover bekend zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen veehouderijen gelegen met een geurcirkel die reikt tot in het plangebied. Voor wat betreft omliggende bedrijvigheid geldt dat de caravanstalling De Schaapskooi geen geurhinderlijk bedrijf is. De afvalwaterzuivering (AWZI De Groote Lucht) aan de rand van Vlaardingen ligt op ruim 1,5 km afstand van het plangebied. Voor zover bekend valt het plangebied buiten de geurcontour van deze AWZI. Binnen de regio Rijnmond is regelmatig sprake van geuroverlast als gevolg van industriële activiteiten in de haven, het Botlekgebied en Pernis. De provincie Zuid- Holland heeft beleid vastgesteld voor geurhinder door bedrijven in het Rijnmondgebied. Dit beleid is op 22 januari 2019 geactualiseerd. Kern van dit beleid is dat de geurhinder door bedrijven door middel van technische maatregelen wordt voorkomen en dat het aantal gehinderden niet toeneemt. Er worden in het kader van de vergunningverlening voor geurhinderlijke bedrijven in drie stappen gewerkt: Maatregelniveau I: 'buiten de terreingrens mag geen geur afkomstig van de inrichting waarneembaar zijn'. Maatregelniveau II: 'ter plaatse van een geurgevoelige locatie mag geen geur afkomstig van de inrichting waarneembaar zijn'.
Maatregelniveau III: 'ter plaatse van een geurgevoelige locatie mag geen geuroverlast veroorzaakt worden door de inrichting' In de praktijk streeft de DCMR namens de Provincie Zuid-Holland naar het realiseren van maatregelniveau I en valt slechts in specifieke situaties waar dit niveau niet haalbaar blijkt terug op maatregelniveau II. Geurhinder laat zich uitdrukken in aantal geureenheden per kubieke meter (Ge/m3).In het algemeen wordt in Nederland bij geurbeoordeling ervan uitgegaan dat bij een geurbelasting van minder dan 1 Ge/m3 als 98-percentiel sprake is van een goede milieukwaliteit, en dat bij een geurbelasting van meer dan 10 Ge/m3 als 98-percentiel sprake is van een onvoldoende kwaliteit. De relatie tussen geurbelasting en hinder wordt door locatiespecifieke factoren beïnvloed, zodat niet voor elke situatie dezelfde relatie tussen geurbelasting en geurhinder aanwezig is. Hoeveel geurhinder optreedt is niet alleen afhankelijk van het aantal geureenheden, maar ook van de aard van de geur; de ene geur wordt als hinderlijker ervaren dan de andere geur. Dit is ook wel bekend als de hedonische waarde, die kwalitatief wordt vastgesteld. De provincie Zuid-Holland gaat bij de vaststelling van geuroverlast daarom vooral uit van de klachtensituatie die een goede indruk geeft van de hedonische waarde van een bepaalde geur.
Er wordt in Rijnmond dus niet gewerkt met doelvoorschriften
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
29
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 voor geur in de vergunning, die aangeven hoeveel geur in de (woon-)omgeving maximaal aanwezig mag zijn ten gevolge van een bedrijf zoals elders in Nederland gebruikelijk is. Wel wordt door middel van geuronderzoek de geurbelasting in kaart gebracht bij aanvang van een vergunningtraject, om zo inzicht te krijgen in de mogelijke toekomstige hoeveelheid geur in de omgeving. De afgelopen jaren is sprake van een dalende trend in de hoeveelheid geur, hetgeen onder meer zichtbaar wordt uit het dalend aantal stankklachten, terwijl de hoeveelheid aan mogelijk geurveroorzakende activiteiten ongeveer gelijk bleef. Deze daling wordt toegeschreven aan toepassing van de aanpak van geur bij vergunningverlening volgens het vigerende geurbeleid in het Rijnmondgebied, en aan verdergaande ontwikkeling en toepassing van geurreductietechnieken, organisatorische maatregelen en monitoringstechnieken om beter grip te krijgen op diffuse en incidentele emissies. 4.5.3
Conclusie
De voorgenomen bouw van de bedrijfswoning geldt als vervanging voor twee geamoveerde bedrijfswoningen. Dit houdt in dat het aantal gehinderden niet toeneemt. Daarom wordt deze ontwikkeling aanvaardbaar geacht.
4.6
Bodemkwaliteit
4.6.1
Inleiding
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld. 4.6.2
Onderzoek
In het kader van de grondverwerving door de firma Poot is, voorafgaand aan de overdracht, verkennend bodemonderzoek verricht door Stantec (Verkennend bodemonderzoek De Schaapskooi te Vlaardingen, Definitief, M18A0455, 14 november 2018, zie verder Bijlage 6 Verkennend bodemonderzoek. Bij dit onderzoek zijn de volgende bevindingen gedaan: op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Visueel is in het opgeboorde materiaal geen asbest aangetoond; in het opgeboorde materiaal zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen; in de kleiige bovengrond zijn licht verhoogde gehalten cadmium, lood, molybdeen en zink gemeten; in de kleiige ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten; in het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium gemeten. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de locatie in milieuhygiënisch opzicht geschikt geacht voor de huidige en toekomstige bestemming. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. 4.6.3
conclusie
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de locatie geschikt voor een bedrijfswoning. Nader onderzoek of sanering is niet aan de orde.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Inleiding
Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid (EV) berust op twee pijlers: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR heeft betrekking op de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met een gevaarlijke activiteit. 30
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 Het PR is afhankelijk van de afstand uit de risicobron en wordt als een lijn met gelijk risico weergeven op een kaart, de (iso) risicocontour. Het hanteren van een milieukwaliteiteis voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burgers in de omgeving van een risicovolle activiteit. De milieukwaliteiteis bestaat uit een grens- en richtwaarde voor nieuwe situaties en een saneringsgrenswaarde en streefwaarde voor bestaande situaties. De grenswaarde geldt voor kwetsbare objecten als woningen en scholen. De grenswaarde voor kwetsbare objecten is de richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten als niet te omvangrijke kantoren of en winkels. De grenswaarde voor PR bedraagt de kans per jaar op overlijden van 1 op 1.000.000 (10-6 per jaar of 10E-6 per jaar). De grenswaarde moet in acht worden genomen, van de richtwaarde kan goed gemotiveerd worden afgeweken. De grenswaarde geldt verder ook als streefwaarde voor bestaande situaties. De saneringsgrenswaarde bedraagt 10-5 per jaar. Het GR is een maat voor de kans per jaar, dat door een incident bij een gevaarlijke activiteit, een groep mensen, die niet rechtstreeks bij die activiteit betrokken is, tegelijkertijd omkomt. Voor het GR is dus niet de plaats maar het aantal dodelijke slachtoffers in combinatie met de kans daarop maatgevend. 4.7.2
Wettelijk kader
De regelgeving voor externe veiligheid is neergelegd in diverse wetten en regels, die onderverdeeld worden in regels voor inrichtingen, transport over spoor, weg en water, en veiligheid rond buisleidingen. Inrichtingen Voor inrichtingen (bedrijven) zijn diverse regelingen van toepassing, afhankelijk van het type bedrijf en met welke stoffen wordt gewerkt: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) Activiteitenbesluit Besluit LPG-tankstations milieubeheer 2013 Vuurwerkbesluit SVIR / Barro / Rarro (munitiecomplexen) Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik Wet explosieven voor civiel gebruik Wet luchtvaart (externe veiligheid op burgerluchthavens) Het Bevi vormt de belangrijkste regeling binnen dit stelsel en legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het BRZO vallen, LPG-tankstations, opslagplaatsen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico (GR). Het verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen hiermee rekening te houden.
In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op grond van het Bevi zijn in de Revi voor een aantal bedrijfscategorieën (zoals LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties, opslagplaatsen) vaste veiligheidsafstanden opgenomen. Transport over spoor, weg en water en buisleidingen Door het steeds verder toenemende vervoer van gevaarlijke stoffen en de steeds toenemende ruimtelijke ontwikkeling nabij de transportroutes kunnen de belangen van de ruimtelijke ontwikkeling, het vervoer van gevaarlijke stoffen en de externe veiligheid op gespannen voet komen te staan. Het externe veiligheidsaspect vanwege het vervoer en de ruimtelijke ontwikkeling is daarom geregeld met Basisnet. Voor de afstand tussen transportroute en de PR 10-6 grenswaardecontour is een vaste waarde vastgesteld, die is berekend met een plafondwaarde voor het vervoer van de gevaarlijke stoffen. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient de vaste afstand in acht te worden genomen en bij het berekenen en verantwoorden van het GR dient te worden uitgegaan van de plafondwaarde voor het vervoer. Een grenswaarde-overschrijding door de autonome toename van het vervoer of een onverantwoord hoog GR door een ruimtelijke ontwikkeling zijn zodoende niet meer mogelijk.
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit is vergelijkbaar met het Bevi, maar dan van toepassing op buisleidingen voor het transport van
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
31
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 gevaarlijke stoffen. Het gaat om buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm (1,97 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa (16 bar) en om buisleidingen voor aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm (2,76 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa. Buiten de regels over het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico is in het Bevb bepaald dat in een bestemmingsplan de ligging van buisleidingen wordt weergeven en dat een regeling wordt opgenomen voor de belemmeringenstrook. Deze belemmeringenstrook ligt op vijf meter aan weerszijden van de buisleiding of vier meter in geval van aardgasleidingen met een druk tussen 1600 en 4000 kPa. 4.7.3
Beschouwing
Een nieuwe bedrijfswoning wordt gezien als een kwetsbaar object. Daarom moet in beeld worden gebracht of externe veiligheid een knelpunt kan vormen. Voor wat betreft het groepsrisico wordt opgemerkt dat de nieuwe bedrijfswoning bedoeld is ter vervanging van een andere bedrijfswoning. Op voorhand is daarom duidelijk dat het groepsrisico niet in beeld hoeft te worden gebracht, omdat dit niet toeneemt. Ten behoeve van de afweging is gebruik gemaakt van de risicokaart op www.risicokaart.nl. Daarin zijn de PR risicocontouren van alle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen aangegeven.
Uitsnede risicokaart met PR contouren, de rode stip is de locatie van de bedrijfswoning Bron: www.risicok aart.nl Risicovolle inrichting De locatie voor de nieuwe bedrijfswoning ligt dicht op de waterkering van de Maassluissedijk en tegenover het Botlek gebied, dat aan de overzijde van de Maas/ Het Scheur is gelegen. In de Botlek zijn een grote hoeveelheid risicovolle inrichtingen aanwezig. Daarnaast vindt er veel transport van gevaarlijke stoffen plaats via spoor, weg, water en buisleiding. De kleinste afstand tot de dichtstbijzijnde risicovolle inrichting in de Botlek (AVR) is meer dan 1 kilometer. De nieuwe bedrijfswoning ligt voor het overige zeer ruim buiten de PR contour van de risicovolle inrichtingen van het Botlekgebied. Aan de noordzijde van de Maas/ Het Scheur ligt de dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen met een PR contour op ruim 2,8 km afstand. De naastgelegen caravanstalling 'De Schaapskooi' staat eigenaren niet toe om gasflessen in de gestalde caravans te houden, waarmee er geen sprake is van externe veiligheidsrisico's. Transport over spoor, weg en water en buisleidingen De Maassluisedijk is geen route gevaarlijke stoffen. De Hoekselijn (metrolijn B Nesselande- Hoek van Holland) is geen route voor transport van gevaarlijke stoffen per spoor. Over de Maas/ Het Scheur worden wel gevaarlijke stoffen vervoerd.
Zoals blijkt uit bovenstaande afbeelding ligt de PR contour op de grens van het water. De nieuwe bedrijfswoning ligt buiten deze contour. De dichtstbijgelegen buisleiding voor transport gevaarlijke stoffen ligt op ruim 600 meter afstand, ten oosten van de nieuwe bedrijfswoning. De PR contour ligt op ruime afstand. 32
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 4.7.4
Conclusie
Voor de bedrijfswoning hoeft de het groepsrisico GR niet in beeld te worden gebracht; deze bedrijfswoning vervangt een andere bedrijfswoning waardoor de GR hoe dan ook niet toeneemt. Verder ligt de bedrijfswoning buiten alle PR contouren. Externe veiligheid vormt geen beletsel voor het bestemmingsplan.
4.8
Water
4.8.1
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. De watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Wanneer er bouwplannen zijn, moet hierover volgens de toets eerst worden overlegd met de betrokken waterbeheerders in de regio. Daarbij moeten alle gevolgen met betrekking tot water tegen het licht worden gehouden. In waterstaatkundig opzicht valt het bestemmingsplangebied onder het beheer van het Hoogheemraadschap van Delfland. In het kader van de watertoets is in een vroegtijdig stadium overleg geïnitieerd met de betrokken waterbeheerder, te weten het Hoogheemraadschap van Delfland. Voor het opstellen van deze waterparagraaf is onder andere gebruik gemaakt van algemeen beschikbare informatie van het HHD (peilbesluit Alkeet binnenpolder 2012) en de gemeente Vlaardingen.
Daarnaast is gebruik gemaakt van de informatie uit het bodemonderzoek, het archeologisch onderzoek en het tracébesluit voor de Blankenburgverbinding. 4.8.2
Waterbeleid
Het waterbeleid is neergelegd op Europees niveau, Rijksniveau, provinciaal niveau, gemeentelijk niveau en uiteraard bij het hoogheemraadschap. 4.8.2.1 Europa Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die verplichtingen oplegt om aan strengere normen voor de waterkwaliteit te voldoen. Het doel van deze richtlijn is te zorgen dat de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater uiterlijk in 2027 op orde is. De komende jaren wordt gewerkt aan schoon en gezond water, wat belangrijk is voor planten, dieren en mensen. Omdat water zich niet aan grenzen houdt, bepaalt de KRW dat waterbeheerders per stroomgebied moeten samenwerken om te komen tot een maatregelenpakket. Het pakket maatregelen omvat onder meer de aanleg van natuurvriendelijke oevers, maatregelen voor herstel van verdroging, het saneren van bodemverontreiniging bij drinkwaterwinning en het saneren van ongezuiverde lozingen. De gemeente Vlaardingen is onderdeel van het deelstroomgebied Rijn-West. 4.8.2.2 Rijk Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet, die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.
Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Watertoets
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
33
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets is in 2003 verplicht gesteld voor ruimtelijke plannen. 4.8.2.3 Provincie Omgevingsvisie en omgevingsverordening Zuid-Holland; overstromingsrisico's De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van hoogwaterrisico's. Gemeenten worden gevraagd bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting te maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en te verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het beleidskader is opgenomen in de Omgevingsvisie en in de provinciale Omgevingsverordening. De provincie heeft een Risico Applicatie Buitendijks (RAB) ontwikkeld, die gemeenten hierbij kunnen gebruiken. In deze methodiek bedraagt de oriëntatiewaarde van het risico op individueel overlijden (LIR) 1x10-5.
4.8.2.4 Hoogheemraadschap van Delfland (HHD) Waterbeheerplan Delfland Het Waterbeheerplan (WBP 5) van het Hoogheemraadschap van Delfland beschrijft de strategie ten behoeve van de uitvoering van zijn kerntaken voor de komende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop, de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Keur Delfland Voor werkzaamheden en activiteiten aan het water of aan waterkeringen gelden regels. Deze regels zijn vastgelegd in een verordening 'Delflands Algemene Keur'. In deze Keur staan gedoogplichten, geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. In de Keur is geregeld dat kernen beschermingszones voor waterkeringen (en watergangen) in acht dienen te worden genomen. Concreet komt het erop neer dat binnen de beschermingszone van waterkeringen en wateren niets zondermeer gebouwd en opgeslagen mag worden, waarbij voor de kernzone een strenger regime (bouwen binnen de kernzone is niet toegestaan) geldt dan voor de aangrenzende beschermingszone. Deze bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel van de waterkering en/of veiligheid wordt aangetast dan wel het onderhoud van de waterkering/water wordt gehinderd.
De breedte en maatvoeringen van deze beschermingszones zijn vastgelegd in de 'Legger'.
34
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208
Handreiking Watertoets voor gemeenten Om de kans op wateroverlast te verkleinen is het van belang ervoor te zorgen dat het watersysteem optimaal functioneert en goed wordt onderhouden. Hiervoor hanteert Delfland het stand-still beginsel. Dit
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
35
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 houdt in dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ingreep in het watersysteem of een handeling die invloed heeft op het functioneren van het watersysteem. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen invloed hebben op het watersysteem, bijvoorbeeld door een toename van het verhard oppervlak. Ook kan een gebied van functie veranderen, waardoor het vereiste beschermingsniveau verandert. Indien ontwikkelingen tot een verandering van de belasting op het watersysteem leiden, moet dit conform het stand-still beginsel worden gecompenseerd. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienormen, de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans - per - jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grote afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door (ruimtelijke) ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling). Om de benodigde compensatie voor een (ruimtelijke) ontwikkeling te berekenen, heeft Hoogheemraadschap van Delfland de Watersleutel ontwikkeld. De Watersleutel toont het verschil tussen de benodigde waterberging in de huidige situatie én in de toekomstige situatie.
4.8.2.5 Gemeente Vlaardingen Waterplan De gemeente Vlaardingen en het Hoogheemraadschap van Delfland hebben gezamenlijk het Waterplan Vlaardingen opgesteld. Het waterplan is een integratiekader voor het totale waterbeheer in Vlaardingen. In de plannen geven Vlaardingen en het hoogheemraadschap een gezamenlijke visie op de gewenste ontwikkeling van het watersysteem op middellange termijn (2030). Het watersysteem van Vlaardingen kenmerkt zich door een snelle afvoer van regenwater, voornamelijk via de riolering. In de stedelijke polders stroomt veel water vanuit de singels de riolering in en wordt het water via overstortbemaling afgevoerd naar de Nieuwe Maas. De visie van het waterplan is gericht op een robuust systeem, waarin meer water wordt vastgehouden en meer waterberging wordt aangelegd. In het waterplan is de integrale wateropgave bepaald en worden maatregelen uitgewerkt om die opgave te realiseren. De hoofddoelstellingen van het waterplan Vlaardingen zijn: Water draagt in belangrijke mate bij aan de ruimtelijke kwaliteit van Vlaardingen. De stedelijke polders van Vlaardingen voldoen aan de NBW-normering wateroverlast. Het water in Vlaardingen is schoon en voldoet op termijn aan de eisen van de KRW. De vuilemissie uit de riolering is teruggebracht volgens de normering basisinspanning. Het oppervlaktewater wordt niet meer via riolering afgevoerd.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019 beschrijft hoe de gemeente Vlaardingen invulling geeft aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In dit plan vertaalt de gemeente de ambities voor de rioleringszorg naar concrete doelen, een strategie en daarvoor benodigde activiteiten. De gemeente Vlaardingen werkt samen met haar gebiedspartners aan de thema's: Schoon & Gezond Droog & Veilig Duurzaam & Doelmatig 4.8.3
Huidige situatie
Grondwater Het plangebied is gelegen in de Alkeet Binnenpolder (peilgebied II). Op deze gronden was een loofbos aanwezig, deze is inmiddels gekapt. Het gemiddelde maaiveld ter plaatse bedraagt 1,00 -NAP. De bodemopbouw bestaat uit een deklaag (1,00-19,00 m -NAP) met daaronder een zandlaag (19,00-32,00 m -NAP). De deklaag bestaat uit een opeenvolging van humeuze kleilagen met mineraalarme veenlagen. De veenlagen in dit pakket worden gerekend tot het Hollandveen Laagpakket. Het pakket wordt doorsneden door een laag matig siltige klei. In de top van dit pakket is een 25 tot 50 cm dikke bouwvoor gevormd. De zandlaag vormt het eerste watervoerende pakket. In de afgelopen 40 tot 50 jaar is de bodem in het gebied 0,25 tot 0,50 m gedaald. In het peilbesluit Alkeet Binnenpolder (2012) van HHD wordt de freatische grondwaterstand in peilgebied II aangeduid met een grondwatertrap VI. Dit betekent dat de grondwaterstand in de winterperiode tussen 36
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 0,4 en 0,8 m -mv ligt en in de zomer dieper is dan 1,2 m -mv. De drooglegging is voor peilgebied II variabel voor wat betreft natuur (loofbos en weide) en voor bebouwd gebied tussen 0,50 tot 1,00 m. Bij het uitvoeren van het bodemonderzoek is gekeken naar de grondwaterkwaliteit. Er worden geen normen overschreden. Waterkwantiteit Zoals opgemerkt valt het plangebied in de Alkeet Binnenpolder. Het waterpeil (peilgebied II) staat op 1,95 m -NAP. Er is geen verschil tussen zomer- en winterpeil. Water kan in peilgebied II ingelaten worden vanuit de Boonervliet aan de westzijde van het peilgebied. Afwatering vindt plaats naar peilgebied I (noordzijde van de Alkeet Binnenpolder) over een viertal stuwen. In het plangebied ligt één watergang. Deze is inmiddels verlegd (zie paragraaf 2.3 Planvoornemen) waarbij tevens is voorzien in de benodigde watercompensatie. Op basis van het peilbesluit Alkeet Binnenpolder is er sprake van een knelpunt ter hoogte van de caravanstalling, waarbij sprake is van een te kleine drooglegging (grasland). Dit kan verholpen worden door de aanleg van meer oppervlaktewater. Waterkwaliteit Voor zover bekend is er geen recente informatie beschikbaar over de waterkwaliteit in de Alkeet Binnenpolder. Het peilbesluit van 2012 beschrijft de ecologische waterkwaliteit als goed.
Uit bemonstering (2008) blijkt dat het chloridegehalte in de polder rond het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR) ligt. De gehalten van stikstof en fosfaat liggen boven het MTR, terwijl er voldoende zuurstof in het water aanwezig is. Waterveiligheid Voor wat betreft waterveiligheid wordt opgemerkt dat het plangebied naast de Delflandse dijk ligt (Leggervak 12). Een deel van het plangebied ligt in het waterstaatswerk. Op deze gronden wordt niet voorzien in bebouwing. Voor het overige ligt het plangebied in de beschermingszone en het zogenaamde 'profiel vrije ruimte'. Hiervoor geldt dat voor het uitvoeren van werkzaamheden een watervergunning nodig is, die zo nodig onder voorwaarden wordt verleend. De Delflandsedijk wordt ter hoogte van het plangebied opnieuw ingericht in het kader van de Blankenburgverbinding. Ter plaatse wordt voorzien in een kanteldijk. Op basis van het Tracébesluit/ MER Blankenburgverbinding wordt ervan uitgegaan dat de waterveiligheid voldoende is gewaarborgd. Hemelwater- en vuilafvoer Het plangebied is thans niet aangesloten op het rioolstelstel. Voor zover bekend is er geen sprake van wateroverlast. 4.8.4
Toekomstige situatie
Grondwater Het maaiveld is ter plaatse (vergund) met circa 50 cm opgehoogd met lokaal bodemmateriaal. De lokale ontwateringsdiepte komt daarmee op minimaal 0,90 m. Het gemeentelijke rioleringsplan 2019 (VGRP 2019) gaat voor nieuwbouw van woningen uit van een ontwateringsdiepte van (verschil tussen maaiveld en grondwaterpeil) van 0,20 m voor woningen met kruipruimte en 0,70 m voor woningen zonder kruipruimte, alsmede voor bedrijfsterreinen. Maatregelen tegen het voorkomen van grondwateroverlast zijn niet nodig; initiatiefnemer is overigens voornemens kruipruimteloos te bouwen. Watersysteem De bestaande watergang op de perceelsgrens (zuidoostzijde) van het plangebied is inmiddels gedempt, waarbij tegelijk een nieuwe watergang is gegraven aan de noordoost- en noordwestzijde van het plangebied. HHD heeft voor deze verlegging een watervergunning verleend. Voor wat betreft de waterkwaliteit wordt opgemerkt dat dit bestemmingsplan voorziet in een de bouw van een bedrijfswoning, maar er worden geen bedrijfsactiviteiten ontplooid. Aanvullende maatregelen ter voorkoming van bodemverontreiniging zijn daarom niet noodzakelijk. Voor de bouw van de bedrijfswoning wordt gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen. Vuilwaterafvoer
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
37
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 De bedrijfswoning wordt aangesloten op de bestaande vuilwaterafvoer van de naastgelegen caravanstalling. Vanaf daar wordt het vuilwater afgevoerd naar het gemeentelijke vuilwaterriool. Van enige relevante hydraulische belasting is geen sprake. Hemelwaterafvoer Hemelwater wordt op eigen kavel op natuurlijke wijze geborgen en vloeit na enige tijd af op de naastgelegen watergang. Verhard oppervlak Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren is gebruik gemaakt van de Watersleutel. Deze rekentool heeft HHD ontwikkeld om voor eenvoudige plannen op basis van een aantal kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem snel inzicht te krijgen in de benodigde compensatie. Bij de berekening is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Het initiatief gaat uit van een bedrijfswoning van maximaal 1500 m3 gelegen in de Alkeet Binnenpolder, voor een verdere uitleg van het plan wordt verwezen naar paragraaf 2.3 Planvoornemen. Rekening houdend met een maximale bouwhoogte van maximaal 8 m en bijbehorende erfverharding wordt ervan uitgegaan dat het totale bebouwde cq. verharde oppervlak van ca. 276 m2 zal zijn. Het gemiddelde peil is -1,95 m NAP (peilbesluit Alkeet Binnenpolder 2012). Het maaiveld wordt ca. 50 cm verhoogd. Op basis van dit initiatief is de vereiste compensatie 16 m3.
De bestaande sloot die inmiddels is gedempt had een lengte van 56 m, een breedte van 3,1 m (zoals opgenomen in de Legger) en een peilstijging van 0,3 m. Het volume aan waterberging bedroeg 52,08 m3. In de nieuwe situatie is een sloot gegraven van 92 m, waarbij de breedte en diepte van de Legger als maatgevend zijn aangehouden. In de nieuwe situatie is sprake van een totaal volume aan waterberging van 85,60 m3. Daarmee wordt ruim voldaan aan de watercompensatie-eis voor zowel de nieuwe verharding als het dempen van de bestaande sloot. Voor een uitdraai van de watersleutel wordt verder verwezen naar bijlage 7 Watersleutel. Watervasthoudende waterbergende maatregelen Het grootste gedeelte van de kavel blijft onbebouwd en onverhard. Hemelwater wordt op eigen terrein vastgehouden en geborgen en vloeit af naar de naastgelegen watergang. Er worden geen extra watervasthoudende of waterbergende maatregelen genomen. 4.8.5
Conclusie
Advies waterbeheerder In het kader van het verplichte vooroverleg is HHD gevraagd om te reageren op het concept voorontwerp bestemmingsplan. HHD heeft aanwijzigingen gegeven om de waterparagraaf aan te vullen, maar is inhoudelijk akkoord. Consequenties ontwikkeling De nieuwbouw heeft geen gevolgen voor de waterkwaliteit, waterkwantiteit, waterveiligheid of waterberging. Voorafgaand aan de bouw van de bedrijfswoning zal in het kader van de watervergunningaanvraag het bouwplan worden getoets op de effecten op de waterkering. Bestemmingsplankaart Het gehele plangebied valt binnen de beschermingszone van de waterkering. Daarom is op het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering' gelegd. Het uitvoeren van werkzaamheden is alleen mogelijk ná het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden (ook wel bekend als een 'aanlegvergunning'). De gemeente Vlaardingen wint, voordat de vergunning wordt verleend, advies in bij HHD. Voor de goede orde wordt opgemerkt deze vergunning los staat van de watervergunning, die in geval van het uitvoeren van werkzaamheden binnen de grenzen van de waterkering, naast de aanlegvergunning moet worden aangevraagd. Voor het overige wordt verwezen naar paragraaf 5.2 Toelichting op de regels.
38
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208
4.9
Ecologie
4.9.1
Inleiding en wettelijk kader
De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk regime van de natuurbescherming in één wet ondergebracht, de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb kent een eigen vergunningregime die los staat van het bestemmingsplan. In het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan moet wel in kaart worden gebracht in hoeverre het vergunningregime van de Wnb mogelijk invloed kan hebben op de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Soortenbescherming Het doel van de soortenbescherming is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Onder de Wnb is sinds 1 januari 2017 een reeks soorten (planten, vissen en insecten) beschermd die voorheen niet beschermd was.
De Wet natuurbescherming onderscheidt bij de bescherming van soorten drie beschermingsregimes: 'Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn' (Wnb § 3.1), 'Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn' (Wnb § 3.2) en 'Beschermingsregime andere soorten' (Wnb § 3.3). Gebiedsbescherming: Vogelrichtlijn (1979), de Habitatrichtlijn (1992) en Natura 2000 gebieden. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) zijn beide Europese richtlijnen. Het doel van de Vogelrichtlijn is het bieden van bescherming en ontwikkelingsperspectief voor leefgebieden van zeldzame en bedreigde vogel-soorten en bescherming van alle vogelsoorten. De Habitatrichtlijn is gericht op de instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna. Natura 2000 is het Europese netwerk van waardevolle natuurgebieden, dat er op gericht is de aanwezige natuurwaarden te behouden en te versterken. Gebieden die door de minister zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied vormen samen de Natura 2000-gebieden. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en habitattypen.
Ruimtelijke ontwikkelingen of gebruik die een negatief effect hebben op deze doelstellingen zijn niet zonder meer toegestaan. Een belangrijk onderdeel van de Natuurbeschermingswet is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten (binnen of buiten het Natura 2000 gebied) die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet. Gebiedsbescherming: stikstofdepositie Eén van de aspecten waar in het kader van de gebiedsbescherming rekening mee moet worden gehouden is stikstofdepositie. Het gaat daarbij om de uitstoot van stikstofhoudende verbindingen (stikstofoxiden, ammoniakale stikstof) die neerdalen op Natura 2000 gebieden. Bronnen van deze stikstofhoudende verbindingen zijn onder andere industrie, landbouw en verkeer. Een teveel aan stikstofoxiden leidt tot vermesting, verzuring van de grond en tekorten aan mineralen waardoor kwetsbare planten en dieren verdwijnen.
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
39
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 4.9.2
Beschouwing
4.9.2.1 Soortenbescherming Huidige situatie in plangebied Tot vlak voor het voorjaar van 2019 bestond het plangebied uit bos. Kort voor de overdracht van de gronden aan de firma Poot ging Staatsbosbeheer echter over tot noodkap van het grootste deel van de bomen op dit perceel. De kap werd noodzakelijk geacht ter bestrijding van de essentakziekte. Bij de noodkap is zwaar materieel ingezet, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat de bodem fors is belast. Kap van de overige bomen heeft kort daarop, voor het broedseizoen, plaatsgevonden. Er is bewust voor gekozen de stobben in de bodem te laten zitten. Dit om te zorgen dat de slappe bodem zoveel mogelijk blijft samenhangen. In de zomer van 2019 heeft de firma BAAK in opdracht van Rijkswaterstaat werkzaamheden op het perceel uitgevoerd. Daarbij werd de watergang gegraven en zijn diverse grondwerkzaamheden verricht. De uitkomende grond werd ter plaatse toegepast. De huidige situatie van het plangebied is dan ook dat alle houtopstanden zijn verwijderd, de grond is belast met zwaar materieel en er gedeeltelijk grondroering en ophoging heeft plaatsgevonden. Gegeven deze omstandigheden wordt ervan uitgegaan dat ecologisch onderzoek in het plangebied op dit moment geen zin heeft. Er is in het plangebied geen sprake van het voorkomen van beschermde dieren of planten.
Het gebied lijkt thans niet geschikt als foerageergebied, verblijfsgebied of paargebied. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ervan uit wordt gegaan dat alle partijen,die in opdracht van derden werkzaamheden op de kavel hebben uitgevoerd, beschikten over de juiste vergunningen en toestemmingen. Huidige situatie rond het plangebied In opdracht van Rijkswaterstaat is, in het kader van de aanleg van de Blankenburgverbinding, uitgebreid onderzoek verricht naar het voorkomen van beschermde soorten in en rond het Blankenburgtracé (Oplegnotitie Wet natuurbescherming- Blankenburgverbinding 2018, RPS advies- en ingenieursbureau bv, 1602325A00-R18-251,26 april 2018,Definitief, versie 5, zie hiervoor verder Bijlage 8 NBW oplegnotitie soortenbescherming). Op grond van deze oplegnotitie komt naar voren dat in de directe omgeving van het plangebied sprake is van de volgende beschermde soorten: Vleermuizen Voor gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis is vastgesteld dat het Oeverbos functioneert als essentieel foerageergebied. Langs de noordzijde van het Oeverbos (parallel aan de Maassluissedijk) is een essentiële vliegroute vastgesteld van gewone dwergvleermuis. Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen paar- of verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen.
Concrete gegevens over de omvang van de lokale populaties van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis zijn overigens niet voorradig. Uit de bestaande verspreidingsgegevens (NDFF) kan geconcludeerd worden dat deze soorten in de omgeving van het plangebied algemeen voorkomen. Ten aanzien van foerageergebieden in bosgebieden met een variatie aan leeftijdsopbouw van bomen, padenstructuren, open plekken (overeenkomstig met Oeverbos) zijn overeenkomstige alternatieven beschikbaar in De Broekpolder ten noordwesten van Vlaardingen. Deze gebieden liggen binnen een afstand van 2 tot 4 kilometer, gemeten vanuit het centrum van Vlaardingen en Maassluis. Het overige landelijke gebied kan een (alternatieve) functie hebben als foerageergebied. De meeste weilanden met aanwezige slotensysteem zijn arm aan structuur en soortensamenstelling (veelal een monocultuur van Engels raaigras) waardoor de geschiktheid als foerageergebied beperkt is. De overige bosgebieden, waaronder ook begrepen het bos rond het plangebied, zijn ook arm aan structuur en soortensamenstelling waardoor deze een beperkte geschiktheid hebben als foerageergebied. In het kader van de compensatie heeft Rijkswaterstaat naast het plangebied van dit bestemmingsplan een vleermuiskast geplaatst. Het is onduidelijk in hoeverre van deze kast gebruik wordt gemaakt. 40
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 Broedvogels Zuidbuurt De volgende broedvogels hebben in het deelgebied Zuidbuurt een of meerdere territoria: boerenzwaluw, buizerd, ekster, fazant, fitis, gaai, grasmus, groenling, grote bonte specht, heggenmus, houtduif, huismus, kauw, kievit, koekoek, koolmees, krakeend, kuifeend, meerkoet, merel, pimpelmees, putter, roodborst, spreeuw, staartmees, tjiftjaf, tuinfluiter, tureluur, Turkse tortel, vink, waterhoen, wilde eend, winterkoning, zanglijster, zwarte kraai en zwartkop. Van de aanwezige soorten betreft het territoria-aantal tussen 1 en 8 territoria. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten van landbouwgebieden die afgewisseld zijn met verspreid staande bebouwing en de bijbehorende houtige vegetaties. Kieviten en tureluurs zijn vooral waargenomen in de weilanden rondom de wijnboerderij in de Zuidbuurt en ten noordwesten van het deelgebied. Deze weilanden bieden een geschikt broedbiotoop voor deze soorten. Bebouwing met bewoning waar rondom heen begroeiing van struiken en andere opgaande vegetatie aanwezig is, is van belang voor de cultuurvogels huismus, boerenzwaluw en Turkse tortel. Het gebied rond het plangebied biedt roofvogelsoorten een grote diversiteit aan biotooptypen zowel voor foerageer- als broedgebied, door de afwisseling van weilanden met bosgebieden en andere houtige vegetatie en de rietvegetaties.
Oeverbos Het Oeverbos is van betekenis voor de volgende broedvogels: boomkruiper, ekster, fitis, gaai, groenling, grote bonte specht, heggenmus, houtduif, kauw, kneu, koekoek, koolmees, merel, pimpel-mees, putter, roodborst, staartmees, tjiftjaf, Turkse tortel, vink, winterkoning, zanglijster, zomertortel, zwarte kraai en zwartkop. Het Oeverbos is van belang als broed- en foerageergebied voor veelal algemene broedvogels die gebonden zijn aan bossen en struweel. De parkachtige delen in het Oeverbos zorgen voor foerageergebied. Kraaiachtigen benutten hier het voedsel in het afval dat op de grasvelden en rondom de vuilnisbakken wordt achtergelaten. Roofvogels, horsten en jaarrond beschermde voortplantings- of rustplaatsen Van buizerd en boomvalk is van elke soort één territoria met nestgelegenheid vastgesteld. In en rondom het projectgebied van de Blankenburgverbinding is de huismus aanwezig met 40 voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Buizerd heeft een nest in een bosgebied aan de zuidzijde van het deelgebied Zuidbuurt. Het territorium van boomvalk is vastgesteld in het deelgebied Botlekpark in de houtige begroeiing langs Het Scheur ten oosten van het projectgebied. Flora Zoals eerder beschreven is het gehele plangebied gekapt, zijn er grondwerkzaamheden verricht en is het gebied deels opgehoogd.
Er zijn geen indicaties dat er in het plangebied beschermde planten aanwezig waren of zijn. 4.9.2.2 Gebiedsbescherming Nabijheid Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000 gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden zijn: Oude Maas op ca. 5 km afstand; Solleveld en Kapittelduinen op ca. 10 km afstand; Voornse Duin op ca. 11 km afstand. Gelezen de aard van het initiatief (de bouw van één bedrijfswoning) kunnen eventuele significante effecten op beschermde Natura 2000 gebieden op voorhand worden uitgesloten. Stikstofdepositie
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
41
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 Voor wat betreft stikstofdepositie wordt opgemerkt dat de nieuwe bedrijfswoning twee oude bedrijfswoningen vervangt. Per saldo is daarmee sprake van een afname van de stikstofuitstoot als gevolg van deze woningen. Dat betreft zowel het gebruik (bewoning) als de verkeersaantrekkende werking. Voor wat betreft de bouwactiviteiten mag op voorhand worden aangenomen dat deze dusdanig klein van omvang zijn dat er - gelezen de grote afstand tot Natura 2000 gebieden- er geen sprake zal zijn van significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. 4.9.2.3 Tijdelijk e situatie Voordat de bouwwerkzaamheden plaatsvinden ligt het plangebied nog enige tijd braak. Dit kan tot gevolg hebben dat beschermde soorten zich hier kunnen vestigen. Ter voorkoming hiervan zal in de tijdelijke situatie maaibeheer worden toegepast. Opkomende stobben worden gesnoeid. 4.9.3
Conclusie
Er mag worden aangenomen dat er in het plangebied geen sprake is van de aanwezigheid van beschermde flora of fauna. In de directe omgeving zijn wel beschermde soorten aanwezig. Dit betreft vleermuizen en vogels. Het plangebied heeft voor deze soorten geen bijzondere waarde. Voor wat betreft gebiedsbescherming kan worden gesteld dat op voorhand duidelijk is dat het plan geen significante invloed heeft op Natura 2000 gebieden. Dit geldt ook voor stikstofdepositie. In de tijdelijke situatie zal maai- en snoeibeheer worden toegepast ter voorkoming van de vestiging van beschermde soorten. Op basis van de thans beschikbare informatie kan worden aangenomen dat er geen Wnb vergunning noodzakelijk is voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
4.10.1 Inleiding en wettelijk kader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat in een bestemmingsplan moet zijn beschreven op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten monumenten in de grond (archeologie), en met de aanwezige cultuurhistorische waarden in het plangebied. In het bestemmingsplan Buitengebied West is het plangebied aanwezen als archeologisch aandachtsgebied. Dit houdt in dat grondwerkzaamheden alleen zijn toegestaan nadat er verkennend archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Zo nodig kan het bevoegd gezag (burgemeester en wethouders) aanvullende eisen stellen aan de uitvoering van de grondwerkzaamheden of het bouwplan. 4.10.2 Archeologisch onderzoek Ten behoeve van dit bestemmingsplan is verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd (ADC Archeoprojecten, Maassluissedijk naast nummer 206 te Vlaardingen (gemeente Vlaardingen), Rapport 5007, 1 december 2019, zie hiervoor verder Bijlage 9 Verkennend archeologisch onderzoek en Bijlage 10 Boorgegevens verkennend archeologisch onderzoek). Er zijn bij het verkennende onderzoek geen archeologische sporen aangetroffen. Wel is geconstateerd dat de bodemopbouw direct onder het maaiveld nog vrijwel onaangetast is. Dit houdt in dat niet kan worden uitgesloten dat er in een later stadium, bij diepere grondroering, alsnog archeologische vondsten worden aangetroffen.
Daarom zijn de volgende aanbevelingen gedaan: Als de grondroerende werkzaamheden niet dieper reiken dan 1 m –mv en de totale oppervlakte van de heipalen te verstoren oppervlakte niet groter is dan 5% van de oppervlakte van het plangebied zullen eventuele archeologische waarden niet of nauwelijks worden aangetast. Voor het bepalen van de omvang van het te verstoren oppervlak dient rekening te worden gehouden met de aard van de ondergrond. Voor kleilagen wordt uitgegaan van een schil van 5 cm rondom een heipaal. De oppervlakte van deze schil dient bij de oppervlakte van de heipaal te worden opgeteld. Daarnaast moet rekening worden gehouden met verstoring door bestaande heipalen. Deze zijn echter in onderhavig plangebied niet aanwezig. Verder dient tenminste 5 m ruimte tussen palen aanwezig te zijn om, indien noodzakelijk, in de toekomst archeologisch onderzoek te kunnen verrichten. Wanneer de palen in raaien worden aangebracht, kan voor palen op eenzelfde raai een kleinere tussenafstand worden gehanteerd. Voorafgaand aan de heiwerkzaamheden is het noodzakelijk om 42
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 het palenplan ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voor te leggen. In geval van diepere grondroerende werkzaamheden en een groter oppervlak dat door heipalen wordt verstoord, is aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het type onderzoek is dan afhankelijk van de omvang, aard en diepte van de geplande werkzaamheden. Omdat het bouwplan voor de nieuwe bedrijfswoning op dit moment nog niet duidelijk is, is het noodzakelijk deze voorwaarden op te nemen in een archeologische dubbelbestemming die op deze gronden wordt gelegd. Hiervoor wordt verder verwezen naar paragraaf 5.2 Toelichting op de regels. 4.10.3 Cultuurhistorie In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gebouwen of stedenbouwkundige ensembles aanwezig die zijn aangewezen als monumentaal of cultuurhistorisch waardevol. Het verkavelingspatroon heeft wel cultuurhistorische waarde, zie hiervoor paragraaf 2.1 Historie en paragraaf 3.2 Provinciaal beleid. Kortheidshalve wordt volstaan met de opmerking dat voorliggend bestemmingsplan het verkavelingspatroon niet onevenredig aantast. 4.10.4 Conclusie Er zijn geen archeologische vondsten aangetroffen in het plangebied. Gelezen de bodemopbouw kan echter niet geheel worden uitgesloten dat er in de diepere bodemlagen geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Om deze reden is er in dit bestemmingsplan voorzien in een archeologische dubbelbestemming. Cultuurhistorische waarden worden niet aangetast.
4.11
Ladder Duurzame Verstedelijking
4.11.1 Inleiding Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6. lid 2, 3 en 4 het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en maakt als zodanig verplicht deel uit van de ruimtelijke afweging in elk bestemmingsplan. 4.11.2 Beschouwing Belangrijk is om op te merken dat de Ladder voor duurzame verstedelijking ziet op nieuwe stedelijke functies; het moet gaan om een uitbreiding. In geval van dit bestemmingsplan is echter sprake van de vervanging van twee bedrijfswoningen door één nieuwe bedrijfswoning. Dit wordt niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de wet: "Ontwik kelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk mak en, maar bebouwing reduceren of verplaatsen,[..], worden niet gezien als stedelijke ontwikk eling in de zin van de Ladder." Dit houdt in dat de ladder niet van toepassing is op dit bestemmingsplan. 4.11.3 Conclusie De Ladder Duurzame Verstedelijking hoeft voor dit bestemmingsplan niet doorlopen te worden.
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
43
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planopzet
Standaard en plansystematiek
Dit bestemmingsplan is opgesteld en ingericht conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Voor het opstellen van de planregels in dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de planregels van het bestemmingsplan Buitengebied West van de gemeente Vlaardingen. Dit voor zover de regels noodzakelijk zijn voor het bestemmen van de nieuwe bedrijfswoning. Op deze wijze is sprake van een eenduidige toepassing en uitleg van de verbeelding en regels. Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een topografische ondergrond gebruikt. Met behulp van lijnen, coderingen en arceringen is aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven.
5.2
Toelichting op de regels
Deze paragraaf bevat een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. Conform SVBP2012 zijn de regels onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels (hoofdstuk 1); Bestemmingsregels (hoofdstuk 2); Algemene regels (hoofdstuk 3); Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan opgenomen regels. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan geïnterpreteerd moet worden Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In deze paragraaf zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen. Hierna wordt een artikelsgewijze toelichting gegeven. Bestemming Bedrijf - Stallingsbedrijf De bestemming ‘Bedrijf - Stallingsbedrijf’ is overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied West.
Deze bestemming is voor het overige wel toegesneden op de gewenste bedrijfswoning en staat daarom de bouw van één bedrijfswoning met bijgebouwen toe. Andere bedrijfsgebouwen zijn niet toegestaan. Bestemming Recreatie Deze bestemming ligt op het schouwpad van de nieuwe watergang. Door middel van deze bestemming wordt zeker gesteld dat het schouwpad toegankelijk blijft. Binnen de bestemming zijn dagrecreatieve voorzieningen toegestaan, zoals bossen, speel- en ligweiden, en voorzieningen ten behoeve van oeverrecreatie, wandel- en fietspaden en ruiterpaden. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan. Bestemming Water De nieuwe watergang heeft de bestemming ‘Water’ gekregen. Dit ter zekerstelling van het feit dat er voldoende waterberging en compensatie wordt gerealiseerd. Dubbelbestemmingen 44
"Bedrijfswoning Maassluissedijk 208" (vastgesteld)
Bedrijfswoning Maassluissedijk 208 Dubbelbestemmingen regelen een bijzonder belang dat eerst afgewogen moet worden alvorens de onderliggende bestemming mag worden toegepast. Er gelden in die gevallen dus meer bestemmingen, waarbij de dubbelbestemming voor gaat op de onderliggende bestemming. Op een deel van de gronden in het plangebied liggen twee dubbelbestemmingen: Waarde - Archeologie, en Waterstaat Waterkering. Daarom is voorzien in een zogenaamde 'prioriteitstelling'. Als eerste gelden de regels van de bestemming Waterstaat - Waterkering, daarna de regels van de bestemming Waarde - Archeologie en daarna de regels van de overige bestemmingen. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie Het gebied is geheel voorzien van archeologische dubbelbestemmingen. De archeologie bestemming is overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied West. Wel is de bestemming aangepast naar aanleiding van het verkennende archeologische onderzoek zoals beschreven in de paragraaf Archeologie en cultuurhistorie. Dit houdt in dat werkzaamheden tot 1 m onder maaiveld zijn toegestaan en dat heiwerkzaamheden zijn toegestaan voor zover het totaal oppervlak van de heipalen maximaal 3% bedraagt van het plangebied. Dubbelbestemming Waterstaat - Waterk ering De dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering is opgenomen voor de beschermingszone langs Het Scheur.