CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagenboek bij toelichting bestemmingsplan Heemtuinen

Gemeenteraad 15 september 2022, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Bestemmingsplan Heemtuinen22.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In dit plan vertaalt de gemeente de ambities voor de rioleringszorg naar concrete doelen, een strategie en daarvoor benodigde activiteiten. Schoon & Gezond Droog & Veilig Duurzaam & Doelmatig. Hemelwaterverordening - en grondwaterverordening) worden voorwaarden gesteld aan het lozen van afstromend hemelwater en overtollig grondwater op het rioleringssysteem. Daarnaast is een verplichting opgenomen om bij nieuwbouw waterberging op particuliere percelen te realiseren. Het realiseren van waterberging bij nieuwbouw is noodzakelijk om Vlaardingen aan te passen aan het veranderende klimaat. Heemtuinen Toelichting Vaststelling

27

5.2

Onderzoek

beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema s levert de watertoets op. Daarnaast is er een waterhuishoudingsplan opgesteld, welke is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Huidig watersysteem Het plangebied kent een vastgesteld waterpeil van -2,70 m NAP. Binnen het plangebied liggen geen bestaande watergangen. In het zuiden grenst het plangebied wel aan een bestaande watergang. Rondom het gebied ligt een gemengd rioolstelsel. Waterkwantiteit Bij uitwerking van het plan en de verkaveling is stilgestaan bij het aantal m2 verhard oppervlak. Hieronder is het verschil in huidige en toekomstige situatie inzichtelijk gemaakt. Het verhard oppervlak van de huidige situatie is met de toekomstige situatie vergeleken. De oppervlakten zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Verhard

Huidig ca. 11.400 m2

Toekomstig ca. 12.900 m2

Verschil ca. + 1.500 m2

waarvan bebouwd

ca. 6.170 m2

ca. 10.160 m2

ca. + 3.990 m2

Onverhard Plangebied

ca. 11800 m 23.200

2

ca. 10.300 m 23.200

2

ca. - 1.500 m2

Tabel 5.1: Verschil verhard/onverhard

Zoals in bovenstaande tabel te zien is, neemt het aantal m2 bebouwing en verharding toe, en het percentage onverhard af. De watersleutel is ingevuld en opgenomen als bijlage bij het waterhuishoudingsplan. Uit de watersleutel blijkt dat er 345 m3 extra te realiseren waterberging benodigd is. Vanwege het borgen van de (speel)veiligheid en ontwerpkeuzes is er gekozen om geen extra oppervlakte te realiseren. Voor het verwerken van afstromend regenwater zijn in het project wel een aantal waterbergende elementen opgenomen. Vanaf de Floris de Vijfdelaan zijn tussen de bouwblokken door in zuidelijke richting een 7van een Polderdak. De regen die op dat dak valt wordt op het dak zelf geborgen en kan daarna vertraagd worden afgevoerd of worden vastgehouden voor de bewatering van de dakvegetatie in droge perioden. De parkeervelden in de binnenplaatsen en het parkeerveld in de Frank van Borselenstraat worden uitgevoerd als Klimaat Adaptieve Parkeerplaatsbestrating (KAPbestrating) en voorzien van waterbergende wegfundering. Doormiddel van de bergende voorzieningen wordt in het plangebied 596 m3 waterberging gerealiseerd.

Heemtuinen Toelichting Vaststelling

28

Afbeelding 5.1: Waterbergende voorzieningen in het plangebied (bron: DO openbare ruimte, LAP)

Veiligheid Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering. Volksgezondheid Overstorten van vuilwater dient te worden voorkomen. Door het afkoppelen van hemelwater van de droogweerafvoer (DWA) w watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Bodem en grondwater Het maaiveld wordt op circa -1,6 NAP aangelegd om droge voeten te houden en te zorgen voor voldoende drooglegging voor de aan te brengen openbare ruimte. De vloeren van de woningen komen 20 centimeter hoger te liggen dan het hart van de aangrenzende weg, om wateroverlast te voorkomen. Voor de afwatering van de waterinfiltratiezone loopt deze geleidelijk af van 0,5m naar 0,6m diepte. Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Hierbij wordt uitgegaan van een gescheiden rioolstelsel (stelsel waarbij vuilwater en hemelwater door gescheiden buizen worden afgevoerd). Het rioolstelsel is nader toegelicht in het waterhuishoudingsplan. In principe dient hemelwater op eigen terrein verwerkt te worden. In het plan worden, zoals hiervoor beschreven, diverse maatregelen genomen om hemelwater zo lang mogelijk vast te houden en af te voeren. Het HWA-systeem is getoetst op basis van de afgeleide neerslaggebeurtenis Bui 10 + 40% uit de Leidraad Riolering. Daarnaast is ook gekeken naar het functioneren als er 60 mm in 60 minuten tijd valt.

Tijdens de bui 10 + 40% en 60 mm in 60 minuten wordt er geen water op straat berekend. Bij 60 mm regen is er nog 0,20 tot 0,40 m waking in het HWA-riool. Hierbij moet gesteld worden dat dit ook van NAP -1,60 m.

Heemtuinen Toelichting Vaststelling

29

Het is in Nederland gebruikelijk bij het ontwerpen van rioolstelsels rekening te houden met een afvoer van huishoudelijk afvalwater gelijk aan 12 l/inw/h. Het plan voorziet in de realisatie van 183 woningen. In de voorgaande situatie bestond het plangebied uit twee woongebouwen met 168 woningen en twee sporthallen. Het aantal inwoners/gebruikers neemt dus niet significant toe, waardoor geen extra belasting van het rioleringssysteem wordt verwacht. Er ligt een bestaande waterleiding deels onder de toekomstige bebouwing. Doelstelling is een ongestoorde ligging van de leiding die drinkwater levert aan het plangebied en erbuiten. Om een vrije ligging van de waterleiding te krijgen zal de gemeente een verzoek tot aanpassing bij Evides indienen om de leiding te verleggen. Het inrichtingsplan en de exacte planning van de verschillende (sloop)werkzaamheden in het gebied zijn nog niet bekend. De locatie waar de waterleiding uiteindelijk komt te liggen wordt daarom in overleg met de ontwikkelaar bepaald. Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. Het gebruik van niet-uitlogende materialen is een voorschrift, ook in gebieden met een gemengd stelsel. Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten. Keur Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de Legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. Beheer en onderhoud Er zijn geen wateren en kunstwerken in het plangebied gelegen, die onder de onderhoudsverplichtingen vallen van het Hoogheemraadschap. Beheer en onderhoud van de riolering is in handen van de gemeente Vlaardingen. 5.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. Het nemen van voldoende waterbergende voorzieningen is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.

Heemtuinen Toelichting Vaststelling

30

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1

Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-

sche Hoofdstructuur Zuid-

rie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Onderzoeksplicht Ter plaatse van het plangebied geldt een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Op basis Waarde Archeologie 4 (WR-A-4). Ruimtelijke plannen met een omvang van 100 m2 of meer dienen aandacht aan archeologie te besteden. Plannen die de bodem minder diep dan 70 cm onder maaiveld verstoren, zijn hiervan uitgezonderd. Archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De resultaten hiervan zijn opgenomen in paragraaf 6.2.

Heemtuinen Toelichting Vaststelling

31

Afbeelding 6.1: Archeologische waarden en verwachtingenkaart

6.2

Onderzoek Door archeologisch onderzoeksbureau Vestigia is een vooronderzoek uitgevoerd naar de archeologische verwachtingswaarde van het plangebied. Dit vooronderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek is ook een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. Na dit inventariserend onderzoek heeft ook nog een veldonderzoek door middel van proefsleuven plaatsgevonden. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 10 bij deze toelichting. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat geen aanvullende maatregelen dienen te worden getroffen in het kader van het gemeentelijk archeologisch monumentenzorgbeleid. Het onderhavige plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen bouwplannen. Enkel aan de westzijde van het plangebied bestaat de kans dat de voormalige Groenweg (deels intact) nog aanwezig is, hier is een archeologische dubbelbestemming voor opgenomen. Binnen dit gebied worden geen grondwerkzaamheden verwacht. Cultuurhistorie Het gebied neemt een bijzondere plaats in binnen de opzet van de Westwijk. Deze wordt vooral gekenmerkt door de heldere opzet van de vier buurten rondom dit centraal gelegen gebied.

In deze zone staat vooral objectmatige bebouwing van een grote schaal, afgewisseld met een klein aantal woningen en veel groen. Ook in diverse studies van dit gebied in de ontwerpfase van de Westwijk vinden we deze opzet terug. De hoofdrichting van de bebouwing sluit daarom aan op de richtingen van de omliggende bebouwing.

6.3

Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. Heemtuinen Toelichting Vaststelling

32

7

Milieu

7.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.2

M.e.r.-beoordeling

7.2.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.2.2 Afweging en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld.

Heemtuinen Toelichting Vaststelling

33

vormvrije m.e.r.activiteiten van de D-lijst die onder de drempelwaardes vallen. Aan de hand van de aanmeldnotitie besluit het bevoegd gezag of er wel of geen m.e.r. voor het initiatief wordt opgesteld (m.e.r.beoordelingsbeslissing). De initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de aanvraag om vergunning voegen. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 3. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 8 maart 2022 een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Dit besluit is opgenomen als bijlage 14 bij deze toelichting. 7.3

Bodemkwaliteit

7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.3.2 Onderzoek Door DS Milieu-consult B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor een deel van locatie. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies benoemd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Heemtuinen Toelichting Vaststelling

34

Op basis van de beschikbare gegevens, als historische informatie, de zintuiglijke waarnemingen tijdens het veldwerk en de verkregen analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters, kan het volgende worden geconcludeerd: De bovengrond is diffuus, heterogeen licht verontreinigd met nikkel, minerale olie, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en/of polychloor bifenylen PCB); Tijdens het veldwerk zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. In geen van de onderzochte grondmonsters is analytisch asbest aangetoond; Het grondwater is licht verontreinigd met barium, molybdeen en nikkel. Op basis van een indicatieve toetsing van de analyseresultaten voldoet de bodem gemiddeld aan de klasse wonen. De locatie wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik wonen met tuin en openbaar groen. De tijdens de bouw vrijkomende grond kan zonder beperkingen op de onderzoekslocatie worden hergebruikt. Voor toepassingen buiten de locatie dienen de richtlijnen van het Besluit bodemkwaliteit te worden gevolgd. 7.3.3 Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit bestaan er geen milieu-hygiënische bezwaren voor het uitvoeren van het plan. Voor een deel van het plangebied (waar nu nog bebouwing aanwezig is) is nog geen onderzoek uitgevoerd.

In de regels van dit bestemmingsplan is de voorwaarde opgenomen dat dit onderzoek moet zijn uitgevoerd voordat de gronden in gebruik mogen worden genomen voor een gevoeligere functie (wonen). 7.4

Akoestische aspecten

7.4.1 Kader De regels (grenswaarden) met betrekking tot de (maximaal) toelaatbare hoeveelheid geluid afkomstig van een weg, spoorweg of industrieterrein zijn opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder. Wegverkeerslawaai In de Wgh zijn grenswaarden vastgelegd die onder andere betrekking hebben op het aspect wegverkeerslawaai. Alle in dit onderzoek betrokken wegen zijn gelegen binnen de bebouwde kom. In het onderzoek zijn betrokken de route Marnixlaan/Dirk de Derdelaan en de Floris de Vijfdelaan. Deze wegen hebben 2 rijstroken waardoor de zonebreedte 200 m bedraagt. Daarnaast zijn, in het kader van een goede ruimtelijke ordening en de beoordeling op grond van het gemeentelijk geluidsbeleid, de 30 km/uur-wegen in en direct rond het plangebied van belang. De beschouwde 30 km-wegen zijn Professor Rutgerstraat, de Beckmansingel, de Buys-Ballotstraat, de Spinozastraat, de Dirk de Derdelaan, de Frank van Borselenstraat, Philip de Goedestraat en de Jacoba van Beierenstraat. Industrielawaai rond vastgestelde zone van een industrieterrein.

Heemtuinen Toelichting Vaststelling

35

-Koningin Wilhelminahaven-

en

In het geval nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen een zone van een industrieterrein, dan mag de geluidsbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van Vlaardingen bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Daarnaast staat de Wgh een maximale ontheffingswaarde toe als de nieuwe woningen binnen een bestaande zone van een industrieterrein met zeehavengebonden activiteiten is gelegen. Dit wordt de k hogere waarde beleid uitgesloten. Nestgeluid schepen - en zeeschepen en varende schepen in de havens, maakt geen onderdeel uit van de geluidsbronnen op het gezoneerde terrein en wordt om deze reden niet meegenomen in de beoordeling van het geluid afkomstig van het individuele industrieterrein. n hinder kan zijn, is de geluidsbelasting bepaald van te berekenen waarop de karakteristiek geluidwering van de gevels gebaseerd zal worden. Het nestgeluid van industriet -Koningin Wilhelminahavenhoogte van het plangebied dermate laag dat dit niet relevant is en daarom in dit onderzoek buiten beschouwing is gelaten.

Naast de wettelijke regels is eveneens het beleid van de gemeente Vlaardingen van belang, zoals

7.4.2 Onderzoek Ten behoeve van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies benoemd. Uit de resultaten blijkt dat voor het wegverkeer op de Dirk de Derdelaan, de Floris de Vijfdelaan en het industrieterrein Botlek-Pernis de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en een hogere waarde moet worden vastgesteld. De hogere waarde bedraagt respectievelijk maximaal 55 dB, 56 dB en 52 dB(A). Dit betekent dat de maximale hogere waarde voor wegverkeers- en industrielawaai niet wordt overschreden en dat dove gevels niet noodzakelijk zijn. Omdat een hogere waarde procedure moet worden doorlopen moet ook worden beoordeeld of aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid kan worden voldaan. Uit deze boordeling blijkt dat ter plaatse van vrijwel alle grondgebonden woningen kan worden voldaan aan de eis van een geluidsluwe gevel en buitenruimte. Een uitzondering zijn de meest noordwestelijk gelegen grondgebonden woningen in blok 1 en in blok 2. Door de opening tussen de beide bouwblokken dicht te zetten met een scherm van 4,5 meter bij blok 1 (oostelijk woonblok) en 7 meter bij blok 2 (westelijk woonblok) kan worden voldaan aan een geluidsluwe situatie.

Heemtuinen Toelichting Vaststelling

36

Een deel van de appartementen grenst aan de zijde van het gebouw langs de Dirk de Derdelaan/ Frans van Borselenstraat. De cumulatieve geluidsbelasting is op die zijde hoger dan 53 dB. Er is in dat geval geen sprake van een geluidsluwe gevel en buitenruimte. Dit betekent dat aanvullende (bouwkundige) maatregelen noodzakelijk zijn. Hierbij kan worden gedacht aan een geluidsserres en geluidserkers. In deze ruimte is sprake van buitenluchtcondities door middel van een hoogwaardig geluidswerend rooster. Verder bestaat er de mogelijkheid een deel van de erker/ serre open te schuiven om het een volwaardige buitenruimte te laten zijn en te spuien. De toepassing van een gemeenschappelijke buienruimte kan daarnaast een aanvullende maatregelen zijn om het woon- en leefklimaat zo nodig verder te verbeteren. Voor een deel van de woningen moet een hogere waarde worden vastgesteld. Dit betekent dat bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan eveneens een ontwerpbesluit tot vaststellen hogere waarde ter inzage moet worden gelegd. Het (ontwerp) Besluit hogere waarden is als bijlage 13 bij deze toelichting opgenomen. 7.4.3 Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor een deel van het plangebied wordt overschreden. Een hogere waarde besluit is noodzakelijk in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan.

Daarnaast is in de regels van dit bestemmingsplan geborgd dat er pas een omgevingsvergunning wordt verleend, indien kan worden aangetoond dat ter plaatse van de woonbestemming is voorzien in maatregelen waarmee kan worden voldaan aan een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte zoals beschreven in het gemeentelijk hogere waardenbeleid. Dit wordt in de verdere planuitwerking meegenomen. Het aspect geluid vormt hiermee geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 7.5

Luchtkwaliteit

7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.

In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Heemtuinen Toelichting Vaststelling

37

Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.5.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 183 nieuwe woningen mogelijk gemaakt.

Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2021.

Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2021)

Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 21,7 µg/m3, 17,3 µg/m3 en 9,3 µg/m3 Heemtuinen Toelichting Vaststelling

38

bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,1, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 7.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 7.6

Milieuzonering

7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke

richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. 7.6.2 Onderzoek Volgens het bestemmingsplan is wonen voor een deel van het plangebied al toegestaan. Enkel ter plaatse van de sporthallen zal dit wijzigen. In de omgeving van het plangebied zijn diverse bestemmingen gelegen, waaronder horeca-, bedrijfs- en gemengde bestemmingen. De omgeving van het plangebied kan daarom in de huidige situatie getypeerd worden als gemengd gebied. Met het verdwijnen van de sportfuncties en het realiseren van woningen valt te verwachten dat de locatie rustiger wordt. Voor onderstaand overzicht is dan ook gebruik gemaakt van de richtafstanden behorende bij een rustige woonwijk. In onderstaande tabel is een overzicht gemaakt van de bedrijven in de omgeving en de bijbehorende richtafstanden. Bedrijf/ activiteit

Adres Dirk de Derdelaan 39-A Dirk de Derdelaan 27 Dirk de Derdelaan 3 t/m 39

Milieu cat. 1 1 1

Richtafstand (VNG) 10 10 10

Huidige afstand tot het plangebied 20 60 60

Snackbar Supermarkt Diverse detailhandel (boekhandel, bloemist e.d.) Dierenwinkel Restaurant Vishandel Autohandelaar Autohandelaar Gebedshuis Supermarkt

Dirk de Derdelaan 5 Floris de Vijfdelaan 330 Dirk de Derdelaan 1-A Stevinstraat 49 Dirk de Derdelaan 18 Philips de Goedestraat 151 Doctor Wiardi Beckmansingel 3

1 1 1 2 2 2 1

10 10 10 30 30 30 10

60 25 20 95 115 150 85

In bovenstaande tabel is per bedrijf/activiteit aangegeven wat de bijbehorende milieucategorie en richtafstand is. Vervolgens is aangegeven wat de feitelijke afstand van het bedrijf tot het plangebied is. Uit deze tabel blijkt dat de geïnventariseerde bedrijven en activiteiten verder van het plangebied liggen Heemtuinen Toelichting Vaststelling

39

dan de geldende richtafstand. Voor deze bedrijven en activiteiten kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen bestaan. 7.6.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 7.7

Externe veiligheid

7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.

Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 7.7.2 Onderzoek en conclusie Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de nieuwe ontwikkeling worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn er risicobronnen in de omgeving van de locatie aanwezig, te weten: - Vervoer gevaarlijke stoffen over de A20; - Vervoer gevaarlijke stoffen over de Marathonweg; - Rotterdam The Hague Airport. Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van toxische stoffen is voor wegen 4.000 meter. Het plangebied bevindt zich buiten het verantwoordingsgebied, maar binnen het invloedsgebied van toxische stoffen voor beide wegen. Er Heemtuinen Toelichting Vaststelling

40

Het plangebied bevindt zich aan de rand van het invloedsgebied van Rotterdam The Hague Airport. De PR 10-6 contour is op grote afstand van het plangebied gelegen. Gezien de grote afstand van de ontwikkellocatie tot het vliegveld en de ligging aan de rand van het invloedsgebied, zal het GR geen belemmering opleveren. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen of aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het tussen de reguliere doelgroepen. Door een incident op de weg met een tankwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas.

Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract kunnen bewoners op genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. In het kader van het wettelijk vooroverleg is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.

Zij adviseren, vanwege de realisatie van 183 woningen, zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt hiervoor mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Afbeelding 7.2 toont hoe de calamiteitenroutes voor de brandweer zijn gewaarborgd.

Heemtuinen Toelichting Vaststelling

41

Afbeelding 7.2: Calamiteitendienst brandweer

7.8

Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.

7.8.1 Kabels en leidingen Binnen het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels of (hoogspannings)leidingen, anders dan behandeld in de paragraaf externe veiligheid. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen. 7.9

Duurzaamheid Programma Duurzaamheid 2012 2015 Met het duurzaamheidsprogramma wil de gemeente een extra impuls geven aan energiebesparende maatregelen, het stimuleren van het gebruik van duurzame energie, zoals zonne en windenergie, warmte/koude opslag en aardwarmte. Verder stimuleert de gemeente duurzame mobiliteit, het duurzaam gebruik van grondstoffen en het hergebruik van afvalstoffen. Voorbeelden van duurzame mobiliteit zijn elektrisch vervoer, openbaar vervoer (ook over het water) en de fiets. Deze maatregelen dragen ook bij aan het verminderen van de CO2 uitstoot en het verminderen van geluidsoverlast, luchtverontreiniging en stank. Vlaardingen wil in 2050 een klimaat neutrale stad zijn en in 2020 voor minimaal 20% gebruik maken van duurzame energie: zon, wind, rest en aardwarmte, biomassa etc. Om dit doel te kunnen bereiken stimuleert de gemeente alle inwoners hier een steentje aan bij te dragen. Zelf heeft de gemeente geïnvesteerd in een energiezuinig stadskantoor. Uitwerking plan Voor het plan is een integraal duurzaamheidsplan opgesteld, waarbij gestreefd wordt naar optimalisatie van de ecologische waarden, circulair- en modulair bouwen, CO2-neutraal bouwen en als nul-op-demeter (NOM). Hiermee sluit het initiatief aan op de doelen en ambities van de gemeente. Heemtuinen Toelichting Vaststelling

42

8

Uitvoerbaarheid

8.1

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een koop-realisatieovereenkomst gesloten op 22 januari 2021. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.

Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Voorbereidingsfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. De binnengekomen reacties zijn samengevat en van een beantwoording voorzien in de Nota van vooroverlegreacties, welke als bijlage 12 bij deze toelichting is gevoegd. Eventuele wijzigingen naar aanleiding van de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. 8.2.2 Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van Heemtuinen Toelichting Vaststelling

43

de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn twee zienswijzen ingediend. De ingediende zienswijzen zijn samengevat en van een reactie bijlage 15 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. 8.2.3 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging heeft de gemeenteraad een besluit genomen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan. 8.3

Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.

Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Heemtuinen Toelichting Vaststelling

44

Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig. Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces. Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname is. De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.

Heemtuinen Toelichting Vaststelling

Gemeente Vlaardingen Bestemmingsplan ‘Heemtuinen’ Regels

Juli 2022

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

INLEIDENDE REGELS Begrippen Wijze van meten

2 2 9

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

BESTEMMINGSREGELS Groen Tuin Verkeer - Verblijfsgebied Wonen Waarde - Archeologie

10 10 11 13 14 16

Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels

19 19 20 21 22 23 24

Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15

OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht Slotregel

25 25 26

Bijlage 1

Staat van bedrijfsactiviteiten

27

2

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 1.1

Begrippen

plan:

het bestemmingsplan "Heemtuinen" met identificatienummer NL.IMRO.0622.0306bpHeem2021-0030 van de gemeente Vlaardingen; 1.2

bestemmingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlage.

Verdere begrippen in alfabetische volgorde: 1.3

aanduiding:

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

abri:

wachthuisje, schuilplaats (bijvoorbeeld bij tram- of bushalte) of kleinschalige voorziening voor centrale distributie voor pakket- en bezorgdiensten. 1.6

achtergevel:

de gevel achter de voorgevel, meestal evenwijdig daaraan, zoals deze oorspronkelijk bij de bouw is gerealiseerd. 1.7

ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde. 1.8

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.9

bebouwingspercentage:

de verhouding van het oppervlakte van alle in een bouwvlak gelegen bouwwerken tezamen in relatie tot de oppervlakte van het bouwvlak, uitgedrukt in een percentage. 1.10

bedrijf aan huis:

het door de bewoner van de woning op een bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten waarvoor geen vergunnings- of meldingsplicht op grond van milieuwetgeving geldt en die door de beperkte omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij behorende bebouwing - met behoud van de woonfunctie - kunnen worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel.

Regels Vaststelling

3

1.11

bedrijf:

een inrichting of instelling, gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten; aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 1.12

beroep aan huis:

Het door de bewoner van de woning uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op medisch, paramedisch, therapeutisch, administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang, tot maximaal 30% van de woning of 50 m2, in een gedeelte van een woning en de daarbij behorende bebouwing - met behoud van de woonfunctie - kan worden uitgeoefend. 1.13

bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen:

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet. 1.14

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak. 1.15

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16

bevoegd gezag:

Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.17

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.18

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.19

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak. 1.20

bouwlaag:

een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder.

Regels Vaststelling

4

1.21

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.22

bouwperceelsgrens:

een grens van een bouwperceel. 1.23

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.24

bouwwerk:

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.25

dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw, al dan niet met een hellingshoek. 1.26

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren aan personen, die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; zulks met uitzondering van horecaactiviteiten. 1.27

dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen op zakelijk, financieel, maatschappelijk, educatief of commercieel gebied; waaronder een belwinkel en een internetcafé; zulks met uitzondering van horecabedrijven en seksinrichtingen. 1.28

dove gevel:

geen gevel zoals bedoeld in lid 1.34; wat als volgt wordt bepaald: een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. 1.29

erf:

een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat hoofdgebouw, en de bestemming het gebruik van deze inrichting niet verbiedt. 1.30

evenement:

elke voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak. 1.31

fysieke leefomgeving:

De fysieke leefomgeving zoals bedoeld in de Omgevingswet.

Regels Vaststelling

5

1.32

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.33

gestapelde woning:

een woning, die zich bevindt in een groter gebouw, dat bestaat uit twee of meer boven - of nagenoeg boven - elkaar gesitueerde woningen, waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid is gewaarborgd, al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau 1.34

gevel:

een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak. 1.35

gevellijn:

een geometrisch bepaald figuur, waarmee de locatie is aangeduid, waar ingevolge de regels de voorgevel van een hoofdgebouw dient te worden gesitueerd. 1.36

grondgebonden woning:

een gebouw, dat een vrijstaande woning of meerdere aaneengebouwde, uitsluitend naast elkaar en niet boven elkaar gesitueerde, woningen omvat. 1.37

hogere grenswaarde:

Een bij besluit op grond van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder vast te stellen wettelijke grenswaarde voor zoneringsplichtig wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai of industrielawaai, groter dan de voorkeursgrenswaarde maar lager dan de maximale ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting op grond van de Wet en het uitvoeringsbesluit. 1.38

hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken. 1.39

horeca:

een bedrijf, dat in zijn algemeenheid gericht is op het verstrekken van nachtverblijf, op het verstrekken en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie, zulks met uitzondering van seksinrichtingen. 1.40

huishouden:

Eén of meer personen die in vast verband samenleven, waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid. Kamerverhuur wordt niet aangemerkt als huishouden. 1.41

kantoor:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder congres- en vergaderaccommodaties; 1.42

kap:

een gesloten en (gedeeltelijk) hellende bovenbeëindiging van een gebouw.

Regels Vaststelling

6

1.43

kleinschalige kantoren:

kantoren met een maximum bruto vloeroppervlak van 1.000 m² per vestiging. 1.44

maaiveld:

de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van een bouwwerk, al dan niet na ophoging van de gronden. 1.45

maatschappelijke voorzieningen:

het uitoefenen van activiteiten dan wel voorzieningen, gericht op de zorg en kinderopvang en sociale, culturele, medische, maatschappelijke, educatieve, religieuze en/of openbare dienstverlening. 1.46

mantelzorg:

het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.47

nutsvoorziening:

voorziening ten behoeve van een op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.48

omgevingsvergunning:

een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.49

ondergronds bouwwerk:

een (gedeelte van) een bouwwerk, waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag onder dan wel gelijk aan het maaiveld is gelegen; waaronder in ieder geval begrepen een kelder. 1.50

overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal twee wanden en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport. 1.51

peil:

a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de door de gemeenteraad of burgemeester en wethouders vastgestelde hoogte van de weg; b. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. voor een ander bouwwerk: de hoogte van het terrein ter plaatse van de bouw, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.52

prostitutie:

het aanbieden van seksuele diensten tegen materiële vergoeding. 1.53

speelvoorzieningen:

voorzieningen die het spelen mogelijk maken, zoals een schommel of een wip, niet zijnde een speelplaats.

Regels Vaststelling

7

1.54

seksinrichting:

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privéhuis, een prostitutiebedrijf of een erotische massagesalon; al dan niet in combinatie met elkaar. 1.55

Staat van Bedrijfsactiviteiten:

Lijst met bedrijfsactiviteiten ingedeeld naar toelaatbaarheid in relatie tot de afstand tot al dan niet milieugevoelige locaties of gebieden, zoals opgenomen in Staat van bedrijfsactiviteiten van deze regels. 1.56

straatmeubilair:

de op of bij de weg behorende bouwwerken, zoals verkeerstekens, wegbebakeningen, bewegwijzeringen, verlichting, kunstobjecten, halteaanduidingen, parkeerregulerende constructies, al dan niet ondergrondse afvalcontainers, brandkranen, informatie- en reclameconstructies, rijwielstandaarden, papier- en plantenbakken, zitbanken, communicatievoorzieningen, gedenktekens, speelvoorzieningen en abri's. 1.57

vloeroppervlakte:

de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken op de begane grond. 1.58

voldoende parkeergelegenheid:

Parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoet aan de beleidsregels over parkeren en laden en lossen, die zijn vastgesteld door het bevoegd gezag. 1.59

voorgevel:

de voorgevel zoals deze bij de bouw van het betrokken gebouw oorspronkelijk is gerealiseerd. Van een woning op de hoek van twee straten is slechts één gevel de voorgevel. Voor de bepaling van de voorgevel geldt in eerste instantie de gevel waar de voordeur of hoofdingang van de woning is gelegen of in tweede instantie de zijde waaraan de hoofdontsluiting van het perceel is gesitueerd. 1.60

waterkering:

alle dijken, kaden, natuurlijke hoogten en ophogingen, bestemd om in het openbaar belang water te keren, met inbegrip van het gehele lichaam van de dijk en kaden. 1.61

Wet geluidhinder:

De Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan. 1.62

wonen:

Huisvesting van één huishouden of maximaal twee personen die niet tot een huishouding behoren, in één woning.

Regels Vaststelling

8

1.63

woning / wooneenheid:

Besloten ruimte die, met inbegrip van daarbij bijbehorende ruimten, een eigen toegang heeft, bestemd en geschikt voor wonen, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. Als wezenlijke voorzieningen worden in ieder geval aangemerkt: slaapkamer, woon/eetkamer, keuken, badkamer of douche en toilet. 1.64

zijgevel:

de zijgevel links of rechts, meestal haaks op de voorgevel, zoals deze bij de bouw is gerealiseerd en grenst aan het zijerf.

Regels Vaststelling

9

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2

goothoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3

inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4

oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.5

peil voor gebouwen waarvan de toegang aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de openbare weg ter plaatse van de hoofdtoegang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.

2.6

woonvloeroppervlakte wordt gemeten binnenwerks, met dien verstande, dat de totale vloeroppervlakte van alle ruimten binnen de woning met een hoogte boven de vloer van meer dan 2,10 m en met inbegrip van aanbouwen, worden opgeteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11723184/1