Bijlage 5 - TAM-omgevingsplan Vergulde Hand bijlagen bij motivering
Tekst van het document
Op dit moment wordt ervan uitgegaan dat de kosten tijdens de levensduur (operationele en vervangingskosten) iets hoger zijn, maar de investeringskosten juist lager zijn, waardoor de levensduurkosten vrijwel gelijk zijn aan alternatief 1a en 3 (voor variant 2 liggen deze hoger). Voor duurzaamheid wordt niet alleen gekeken naar energieverbruik, maar naar de totale klimaatimpact, waarbij ook grondstoffen en bouwmaterialen over de hele levensduur worden meegenomen. De klimaatimpact van het voorkeursalternatief is ongeveer gelijk aan de andere alternatieven die hier goed op scoren. Het voorkeursalternatief onderscheidt zich op de criteria in bovenstaande beschrijving. Op de andere criteria van het integrale beoordelingskader scoren de andere alternatieven (in elk geval 1a en 3) niet significant anders of positiever.
4.2
Belangrijkste constateringen per hoofdcriteria voor de beoordeelde alternatieven
Hierna is kort aangegeven wat de belangrijkste constateringen zijn geweest in de afweging tussen de verschillende alternatieven bij de criteria. Doelmatigheid Op investeringen zijn alternatief 1a, 1b en 3 niet onderscheidend en scoort alternatief 2 duidelijk slechter. Op instandhoudingskosten over levensduur van de AWZI (levenscycluskosten) scoren alternatief 1a en 3 vergelijkbaar het beste. Alternatief 1b scoort het beste op de effluentkwaliteit. Alternatief 2 onderscheidt zich niet gunstig op kosten en effluentkwaliteit.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
48 van 226
Duurzaamheid Alternatief 1a scoort redelijk tot goed, en is op criterium energie samen met alternatief 3 onderscheidend. Alternatief 1b scoort hoog op basis van compactheid onderscheidend op flexibiliteit en potentie voor zoetwaterproductie, maar scoort minder op energie. Alternatief 2 is niet onderscheidend op duurzaamheid en circulariteit. Alternatief 3 scoort vergelijkbaar met 1a. Bedrijfsvoering Bij de criteria onderhoudbaarheid, bedienbaarheid en interne veiligheid scoort alternatief 1b en in mindere mate alternatief 1a positief ten gevolge van het continu systeem, een transparante procesvoering (afwezigheid van een patent) en compactheid van de installatie. Milieu en omgeving Op het thema Milieu en omgeving zijn alle alternatieven vergunbaar en vallen emissies binnen regelgeving. Daarbij heeft alternatief 1b vanwege de compactheid wel meer potentie om op enkele criteria beter te presteren dan andere alternatieven (in ieder geval geur, waterkwantiteit voor wat betreft watercompensatie voor toename verharding en landschappelijke inpassing en inrichting).
4.3
Welke milieueffecten zijn er bij het voorkeursalternatief?
Hieronder zijn de verwachte milieueffecten voor het voorkeursalternatief kort opgesomd. Het gaat hier om de korte opsomming van de effectvoorspellingen in de gebruiksfase voor het alternatief 1b zoals deze ook elders in het plan-MER zijn beschreven. Leefomgeving Ten aanzien van geur voldoet het voorkeursalternatief aan de wettelijke geurnormen. Ten opzichte van de referentiesituatie (de Groote Lucht) is er sprake van een verbetering van de geursituatie. Het heeft de kleinste geurcontour van de vier alternatieven. In paragraaf 4.4 wordt ingegaan op de eerste stappen van de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief voor geur. Voor het aspect luchtkwaliteit zullen er ten opzichte van de achtergrondconcentraties geen duidelijke verschillen optreden bij het voorkeursalternatief. Geluid neemt bij het voorkeursalternatief in de gebruiksfase minimaal toe (uitgaande van bouwrijp terrein als referentiesituatie). Er worden geen woningen verwacht met geluidbelasting op de gevel van meer dan 50 dB(A). Ook voor het aspect externe veiligheid zijn er geen significante effecten te verwachten door het voorkeursalternatief. Op basis van de conclusies bij geur, geluid, lucht en externe veiligheid wordt voor het voorkeursalternatief het effect op gezondheid als neutraal beoordeeld.
Voor verkeer worden geen substantiële veranderingen verwacht in de gebruiksfase ten opzichte van de referentiesituatie. Duurzaamheid: Energie, grondstoffen en klimaatneutraliteit Om een hogere effluentkwaliteit te produceren is meer energie nodig. Het voorkeursalternatief scoort het minst goed, doordat deze minder energieneutraal is dan de andere alternatieven. Op het gebied van grondstoffenterugwinning scoort het voorkeursalternatief zeer positief, doordat er veel mogelijkheden zijn tot terugwinning van chemicaliën, nutriënten en bouwstoffen. De CO2 impact over de hele levensduur is vergelijkbaar met de andere alternatieven die op dit criterium het best scoren. De CO2 impact is hoger dan nu, als gevolg van de toename van de hoeveelheid afvalwater. Per i.e. is de impact echter lager dan voor de bestaande zuivering. Ecologie Ten aanzien van soorten, biodiversiteit en houtopstanden worden in de gebruiksfase geen effecten verwacht. Het voorkeursalternatief scoort voor deze criteria neutraal. De effectbeoordeling voor Natura2000 wordt neutraal beoordeeld voor het voorkeursalternatief. De effecten op Natuurnetwerk Nederland zijn positief, omdat het gunstig kan zijn voor moerasontwikkeling van de waterharmonica.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
49 van 226
Water -
-
-
Het voorkeursalternatief scoort positief op het aspect waterkwaliteit, voornamelijk vanwege de verbetering van de effluentkwaliteit die wordt geloosd op het Scheur en de positieve effecten van doorspoeling op de Krabbeplas. Het voorkeursalternatief 1b heeft als bijvangst dat het, om aan de eisen te voldoen, schoner effluent produceert voor lozing op ’t Scheur, dan de overige alternatieven als gevolg van de inzet van membranen. Vooral op verwijdering van fosfaat, zwevende stof en de bacteriologische verwijdering uit het effluent is alternatief 1b positief onderscheidend. Ten aanzien van waterkwantiteit scoort het voorkeursalternatief neutraal en beter dan alternatieven 1a en 2 waar het gaat om verhardingstoename en watercompensatie en positief waar het gaat om effluent dat deels wordt gebruikt voor het verminderen van watertekorten en het bevorderen van doorspoeling (Krabbeplas en/of boezem). Het voorkeursalternatief scoort neutraal waar het gaat om waterveiligheid maar de keuze om de nieuwe installatie binnendijks te gaan realiseren wordt positief beoordeeld.
Bodem en archeologie Het effect van het voorkeursalternatief op de bodemkwaliteit scoort neutraal ten opzichte van de referentie. Ten aanzien van archeologie is er op dit moment geen aanleiding meer voor het leggen van een archeologisch beschermingsregime, behoudens het AMK terrein Volksbos (zie paragraaf 11.2.3). Ruimtelijke kwaliteit Het effect op de belevingswaarde en de impact op cultuurhistorische waarden is bij het voorkeursalternatief als neutraal beoordeeld. De herkomstwaarde scoort bij het voorkeursalternatief vooralsnog negatief, omdat impact op de Maassluissedijk als historische structuur niet is uit te sluiten. In het vervolg kan hiermee rekening worden gehouden bij de landschappelijke inpassing.
4.4
Geurcontour schetsontwerp voorkeursalternatief
De ontwerpen zijn in de plan-mer-fase van het project nog relatief grofmazig. Voor het ontwerpen van de zuivering wordt het voorkeursalternatief eerst uitgewerkt in een zogenaamd schetsontwerp (SO), vervolgens in een voorontwerp (VO) en uiteindelijke in een definitief ontwerp (DO). Het ontwerp van voorkeursalternatief (alternatief 1b) is inmiddels verder uitgewerkt tot op schetsontwerp (SO) niveau. Dit heeft geleid tot kleinere oppervlaktes en enkele wijzigingen qua (positionering van) installaties. Omdat geur een belangrijk aandachtspunt is bij de besluitvorming over de wijziging van het omgevingsplan is voor dit thema een aanvullende berekening gemaakt op basis van dit schetsontwerp. Voor de andere milieuthema’s is dit niet nodig. In de volgende afbeelding is de geurcontour van dit schetsontwerp weergegeven. Hierin zijn dezelfde geurmaatregelen als in de plan-MER-berekeningen opgenomen, met de aanvullende maatregel een verhoging van de schoorsteen naar 20 meter toegevoegd. Door deze verbeteringen in het schetsontwerp is de geurcontour kleiner dan de contour van alternatief 1b uit het plan-MER. In de bijlage X is het overzicht van de geurbronnen en berekende emissies van het schetsontwerp (SO) van het voorkeursalternatief weergegeven.
Figuur 4.1 Geurcontouren schetsontwerp voorkeursalternatief met schoorsteen 20 m als 98-percentiel (groen: 0,5 ouE/m³)
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
50 van 226
5 AANZET TOT MONITORINGSPROGRAMMA Wettelijk kader In artikel 16.42a Omgevingswet en 11.5 Omgevingsbesluit (plan-mer) 1 is opgenomen dat het bevoegd gezag aanzienlijke effecten van het plan monitort. Wanneer een dergelijk plan in een vroegtijdig stadium operationeel wordt, ontstaat de mogelijkheid om tussentijds bij te sturen. De evaluatie van de effecten van deze activiteit zal vooral plaatsvinden op basis van de parameters die via monitoring worden verkregen. 7F
Afspraken gemeente Vlaardingen en Hoogheemraadschap van Delfland Delfland en de gemeente Vlaardingen hebben gezamenlijke afspraken gemaakt over een nieuwe waterzuivering op Vergulde Hand West. Deze afspraken zijn vastgelegd in de Samenwerkingsovereenkomst (SOK) en bijlage Nota van Uitgangspunten (NvU) 2023. Hierin heeft Delfland met de gemeente ook afspraken gemaakt over monitoring van milieueffecten, namelijk;
-
-
-
In de vergunning voor de milieubelastende activiteiten wordt in overleg met gemeente en DCMR een monitoringsplan opgenomen. Hierin worden doelvoorschriften overeengekomen in lijn met de afspraken. Het plan beschrijft hoe voor de inrichting de geur- en geluidsproductie wordt bepaald en gemonitord. Partijen komen voorafgaand aan de vergunning een klachtenregime overeen, aanvullend op het reguliere klachten- en handhavingsproces van DCMR. Onderdeel van dit regime is een zo kort mogelijke respons- en hersteltijd en een actieve informatieplicht van Delfland richting de gemeente met betrekking tot klachten over onderwerpen als geur en geluid. In overleg met de gemeente stelt Delfland een werkwijze vast voor het actief informeren en betrekken van de bewoners en de bedrijven bij milieuthema’s, waaronder in ieder geval geur en geluid. Doel is het bouwen aan een laagdrempelige relatie met mensen uit de omgeving. Delfland zal hen actief en transparant informeren over aantal en aard van ingekomen klachten en eventuele maatregelen die worden genomen.
Aanzet voor monitoring In onderstaande tabel zijn de aandachtspunten voor een monitoringprogramma benoemd. Tabel 5.1 Aanzet tot acties voor monitoring Actie monitoring
Hoe?
Doel
Effluent & influent
Metingen
Voldoen aan de kwaliteitseisen
Geurhinder
Klachtenregistratie en/of metingen eventueel via de inzet van sensoren
Voldoen aan omgevingswaarden en de afspraken en minimaliseren overlast
Geluidhinder
Klachtenregistratie en/of metingen eventueel via de inzet van sensoren
Voldoen aan omgevingswaarden en de afspraken en minimaliseren overlast
Hoeveelheid transportbewegingen
Tellingen
Minimaliseren overlast
Gebruik van chemicaliën
Administratie of doseersysteem
Minimaliseren grondstofgebruik
Terugwinnen van herbruikbare stromen
Administratie
Optimaliseren hergebruik
1
In de volgende fase van project-mer in het kader van de vergunningaanvraag gaat het om artikel 16.53a OW jo. artikel 11.20, Ob
(project-mer)
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
51 van 226
DEEL B: ONDERBOUWING VAN DE EFFECTBEOORDELING In Deel A staan de hoofdlijnen van het milieueffectrapport. Het biedt de milieu informatie voor de besluitvorming over het Omgevingsplan. In dit deel B is onderbouwing gegeven van de effectbeoordeling voor de verschillende aspecten per alternatief. Dit biedt informatie over de conclusies uit deel A.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
52 van 226
6 METHODIEK Dit hoofdstuk beschrijft de methodiek die gehanteerd is bij het beoordelen van de milieueffecten van de voorgenomen activiteit: een nieuwe afvalwaterzuivering op Vergulde Hand West.
6.1
Beoordelingskader
In het beoordelingskader (Tabel 6.1) is opgesomd welke aspecten en beoordelingscriteria zijn onderzocht in dit plan-MER. Per beoordelingscriterium is bepaald wat de mogelijke effecten zijn van de voorgenomen activiteit. Dit is per thema beschreven in hoofdstuk 7 tot en met 12. De effecten zijn zowel kwalitatief als kwantitatief beoordeeld. Tabel 6.1 Beoordelingskader plan-MER AWZI Vergulde Hand Thema
Aspect
Beoordelingscriterium
Leefomgeving
Geur
Geurbelasting op geurgevoelige objecten
Luchtkwaliteit
Verandering van de luchtkwaliteit op basis van de NO2 en PM10 concentraties
Geluid
Geluidbelasting op geluidgevoelige objecten
Externe veiligheid
Omgevingsveiligheidssituatie
Gezondheid
Gezondheidskwaliteit vanwege geluid, luchtkwaliteit, geur en omgevingsveiligheidsrisico’s
Verkeer
Bereikbaarheid Verkeersveiligheid (kans op verkeersongevallen)
Duurzaamheid
Ecologie
Energie
Energiebalans
Grondstoffen
Grondstoffenterugwinning
Klimaatneutraliteit
CO2-impact energieverbruik en -productie
Beschermde soorten en biodiversiteit
Soorten Biodiversiteit Houtopstanden
Beschermde gebieden
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland
Water
Waterkwaliteit
Behalen van de lozingsnormen van de Richtlijn Stedelijk Afvalwater Effecten op het voldoen aan de KRW-normen Behalen van de Zwemwaterrichtlijn voor zwemwaterplas
Waterkwantiteit
Verhardingstoename ten opzichte van beleid voor watercompensatie inclusief verwachte effecten door klimaatverandering Voorziene effluentlozing op het watersysteem Grondwaterkwantiteit tijdens de aanlegfase
Waterveiligheid
Invloed op faalmechanismes Overstromingsrisico
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
53 van 226
Thema
Aspect
Beoordelingscriterium
Bodem
Bodemkwaliteit
Milieuhygiënische kwaliteit
Archeologie
Invloed op gebieden met (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde en bekende archeologische waarden
Landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit
Belevingswaarde
Ruimtelijke kwaliteit
Herkomstwaarde Impact op cultuurhistorische waarden
Ten aanzien van grondwaterkwaliteit kan gesteld worden dat in principe geen water naar de grond gaat anders dan inzijging van regenwater voor zover dit niet door regenwaterafvoer wordt afgevoerd. Er wordt geen effect verwacht op de grondwaterkwaliteit als gevolg van de AWZI. Daarbij wordt wel uitgegaan van een aantal voorwaarden en eisen ten aanzien van vloeistofdichte vloeren en eventuele buffercapaciteit op die locaties waar handling van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In het ontwerp moet daarmee rekening gehouden worden. Om deze reden wordt grondwaterkwaliteit verder niet uitgewerkt in het plan-MER.
6.2
Beoordelingsmethode
Voor het scoren van de effecten is gebruik gemaakt van een vijfpuntschaal, zoals aangegeven in Tabel 6.2. In de hieropvolgende hoofdstukken is per milieuaspect een nadere toelichting gegeven over de wijze van beoordeling (wanneer iets positief of negatief scoort). Tabel 6.2 Toelichting op de vijfpuntschaal die in dit plan-MER is gehanteerd Effectscore
Toelichting
++
(Kans op) zeer positief effect t.o.v. de referentiesituatie
+
(Kans op) positief effect t.o.v. de referentiesituatie
0
(Kans op) neutraal effect t.o.v. de referentiesituatie
-
(Kans op) negatief effect t.o.v. de referentiesituatie
--
(Kans op) zeer negatief effect t.o.v. de referentiesituatie
In hoofdstuk 7 tot en met 12 worden de thema’s langsgelopen. Per thema worden de bijbehorende milieuaspecten behandeld. Per milieuaspect wordt ingegaan op:
-
6.3
Relevant beleid, wet- en regelgeving De beoordelingsmethodiek De referentiesituatie: de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen De effectbeoordeling De conclusie
Milieueffecten in drie fasen
In dit plan-MER zijn de milieueffecten van drie fasen in beeld gebracht:
-
De aanlegfase van de nieuwe zuivering. De gebruiksfase als de nieuwe zuivering in gebruik is na 2030. De sloopfase van de bestaande zuivering De Groote Lucht als de nieuwe zuivering in gebruik is.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
54 van 226
De sloop van De Groote Lucht valt niet binnen de scope van de wijziging Omgevingsplan waarvoor dit plan-MER wordt opgesteld. Sloop en herinrichting van de locatie De Groote Lucht is dus geen onderdeel van de besluitvorming over de wijziging Omgevingsplan. In navolgend kader is aangegeven hoe de gemeente aankijkt tegen de herontwikkeling van locatie De Groote Lucht. In dit plan-MER zijn wel een aantal consequenties van de sloop ten aanzien van luchtkwaliteit, geluid, verkeer, Natura 2000 en waterveiligheid in beeld gebracht om een compleet beeld te schetsen van de te verwachten milieueffecten. Zie hiervoor tabel 6.3. Beoogde herontwikkeling van locatie De Groote Lucht volgens gemeente Vlaardingen. Met de realisatie van de nieuwe AWZI op Vergulde Hand West (VHW) komt de locatie van de huidige AWZI op De Groote Lucht (DGL) vrij voor herontwikkeling. Het terrein van DGL heeft nu de bestemming ‘Bedrijf’ met een milieucategorie vanaf 4.1 tot maximaal 5.1 aan de zijde van Het Scheur. Over de herontwikkeling van DGL zijn in regionaal verband en met de provincie Zuid-Holland sluitende afspraken gemaakt over compensatie van bedrijventerreinen in het zogenaamde ‘Woon-werkakkoord Hoekse Lijn partners en provincie Zuid-Holland’ (2022).
In de samenwerkingsovereenkomst (Samenwerkingsovereenkomst inzake de ontwikkeling en realisatie van een nieuwe afvalwaterzuiveringsinstallatie te Vlaardingen (Vergulde Hand West); SOK, 2023) tussen het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Vlaardingen is verder inhoud aan het genoemde akkoord gegeven: “De door de realisatie van de nieuwe AWZI op de locatie VHW wegvallende harde plancapaciteit van bedrijfsterrein in de lagere milieucategorieën dient op het terrein van DGL aan de Maassluissedijk te worden gecompenseerd. Bijgevolg zal Delfland initiëren dat de maximale milieucategorie op de locatie van DGL wordt gewijzigd in maximaal milieucategorie 3.2”. De herontwikkeling van DGL maakt geen deel uit van de beschouwing in deze MER. Hiervoor is een aantal redenen: -
-
-
-
Het aanpassen van de milieucategorieën van DGL vraagt een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Vlaardingen. Noch technisch, noch inhoudelijk is de gemeente Vlaardingen op dit moment in staat het omgevingsplan te wijzigen. Hoewel gekozen kan worden voor een zogenaamd TAM-IMRO plan, zoals dit wordt ingezet voor de nieuwe locatie van de AWZI, is het gemeentelijke beleid om zeer terughoudend te zijn met het inzetten van dit instrument vanwege de juridische en technische bezwaren bij de verdere uitrol van het definitieve omgevingsplan van de gemeente. TAM-IMRO wordt alleen dan ingezet als er op korte termijn een belangrijke ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt die niet via een ander instrument kan worden gerealiseerd. Op dit moment ontbreekt de urgentie voor het toepassen van TAM-IMRO op DGL. Het gebruik van DGL door de bestaande AWZI zal in ieder geval nog tot 2030 worden voortgezet. Daarmee ligt het wijzigen van de milieucategorie nu niet voor de hand omdat hiermee de bestaande AWZI voor tenminste vijf jaar onder het overgangsrecht wordt gebracht; een situatie die niet wenselijk wordt geacht. In aanvulling op het bovenstaande punt; het is op dit moment niet opportuun om nieuwe plannen te ontwikkelen voor herontwikkeling die nog zeker vijf jaar op zich laat wachten.
De huidige ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld bedrijfsvoering, energietransitie en klimaat volgen elkaar snel op. Hiermee ontstaat het risico dat, nog voordat de herontwikkeling ter hand kan worden genomen, het noodzakelijk zal zijn om plannen en/of uitgangspunten te herzien. Het wijzigen van de milieucategorieën op DGL vraagt regionale milieutechnische afstemming op het gebied van geluid(szonering). Binnen de regio wordt hiervoor een aanpak conform de Omgevingswet ontwikkelt, maar deze is nog niet afgerond. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is afscheid genomen van het bekende systeem van milieu categorieën; in plaats hiervan wordt gewerkt met de methode ‘activiteiten en milieuzonering’ die onlangs door de VNG bekend is gemaakt. Deze methode gaat uit van milieugebruiksruimte en vraagt een wezenlijk andere aanpak die binnen de gemeente in samenspraak met de DCMR nog verder uitgewerkt moet worden.
Het voornemen is om in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland rond 2029 in te zetten op herbestemming van DGL, afhankelijk van de dan bekende planning over het buiten bedrijf stellen van de AWZI op DGL. Conform de afspraken tussen de regionale partners, provincie en het Hoogheemraadschap wordt de milieugebruiksruimte dan dusdanig ingestoken dat de facto bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.2 gerealiseerd kunnen worden. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de twee windturbines die thans aanwezig zijn op DGL in de nieuwe situatie behouden blijven. Door het op termijn verlagen van de milieucategorie (dat wil zeggen het inperken van de bestaande milieugebruiksruimte) zal hoe dan ook sprake zijn van een vermindering van de milieu-impact op de omgeving.
In Tabel 6.3 is per fase weergegeven welke milieueffecten van belang zijn per fase. Dit zijn de milieuaspecten die in de betreffende themahoofdstukken aan de orde komen in dit plan-MER.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
55 van 226
Tabel 6.3 Relevante milieueffecten per fase Thema
Aspect
Leefomgeving
Geur
Aanlegfase
Gebruiksfase X
Luchtkwaliteit
X
X
X
Geluid
X
X
X
Externe veiligheid
X
Gezondheid
X
Verkeer
X
X
Duurzaamheid
Energie, grondstoffen en klimaatneutraliteit
Ecologie
Beschermde soorten en biodiversiteit
X
X
Beschermde gebieden
X
X
Water
Waterkwantiteit
X
X X
Waterveiligheid
Ruimtelijke kwaliteit
X
X
Waterkwaliteit
Bodem
Sloopfase
X X
Bodemkwaliteit
X
X
Archeologie
X
X
Landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit
X
X
Uitgangspunten voor de effectbeoordeling Voor de gebruiksfase is uitgegaan van een ontwerpcapaciteit van 450.000 i.e. in 2060. De milieueffecten zijn op deze capaciteit bepaald. Wanneer de nieuwe zuivering in gebruik genomen wordt na 2030, zal de zuivering nog niet zoveel water te verwerken krijgen. In de effectbeoordeling wordt met deze lagere belasting gedurende de eerste jaren geen rekening gehouden in dit plan-MER.
6.4
Wat wordt verstaan onder de referentiesituatie?
De milieueffecten van het plan zijn vergeleken met de milieueffecten die er zouden zijn bij autonome ontwikkelingen zónder dat de nieuwe afvalwaterzuivering wordt gerealiseerd. Dat is de referentiesituatie. De referentiesituatie wordt niet gezien als een reële keuze maar dient als referentie waartegen de effecten van de nieuwe zuivering worden afgezet. Hierin wordt uitgegaan van: 1 2
3
De huidige, feitelijke situatie van de bestaande zuivering waarin alle vergunde activiteiten plaatsvinden. Zie toelichting hierna onder punt 1. Toekomstige ontwikkelingen in en buiten het plangebied waarbinnen de realisatie van de nieuw afvalwaterzuiveringsinstallatie is voorzien. Dit zijn activiteiten die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, zonder de komst van de nieuwe afvalwaterzuivering. Zie toelichting hierna onder 2. Generieke, planoverstijgende ontwikkelingen. Denk daarbij onder andere aan autonome toename van verkeer en transport of veranderingen in de achtergrondconcentraties van stoffen in de lucht.
Toelichting bij punt 1: Afvalwaterzuivering De Groote Lucht Wanneer er geen nieuwe afvalwaterzuivering wordt gerealiseerd, zal de bestaande zuivering in stand moeten worden gehouden. Dit is niet mogelijk zonder grote besluiten/investeringen. De autonome ontwikkeling, dus wel onderhouden maar zonder grote investeringen, betekent dat de afvalwaterzuivering steeds slechter zal presteren. Dit zal direct effect hebben op de continuïteit en kwaliteit van het zuiveringsproces. De kwaliteit van het effluent en daardoor ook de waterkwaliteit van Het Scheur zal achteruitgaan. Naar verwachting zal de autonome ontwikkeling ook negatieve effect hebben op andere milieuaspecten, zoals energieverbruik en
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
56 van 226
externe veiligheid. Tot slot zal met de bestaande zuivering geen effluent worden geleverd aan de Krabbeplas, waardoor de zwemwaterkwaliteit achteruit zal (blijven) gaan en verdroging van de Rietputten en verzilting van het regionaal water in de droge perioden toenemen. Er is niet onderzocht met welke snelheid en in welke mate de zuivering slechter zal gaan presteren wanneer er geen grootschalige renovatie plaats zal vinden. Daarom wordt voor de autonome ontwikkeling (referentiesituatie voor het plan-MER) uitgegaan van de huidige werking van de zuivering. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het feit dat er steeds (en substantieel) meer afvalwater naar de zuivering zal gaan, namelijk tot uiteindelijk 450.000 i.e. Dat is meer dan de helft groter dan waar deze zuivering ooit op ontworpen is. Dit zal tot gevolg hebben dat de prestaties achteruit zullen gaan. Uitgaan van de huidige prestaties levert voor bepaalde milieuaspecten dus een te positief beeld van de huidige zuivering. Met dat als referentie worden de verbeteringen als gevolg van een nieuwe zuivering dus conservatief beoordeeld. Maar het zorgt wel voor een stabiele vergelijking, die uitgaat van een feitelijke situatie, en niet van aannames over hoe sterk de huidige zuivering achteruit zou gaan in de toekomst.
Toelichting bij punt 2: Locatie Vergulde Hand West en directe omgeving Op dit moment geldt voor locatie Vergulde Hand West een beheersverordening met een bedrijfsbestemming, als onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege. Dat betekent dat het terrein, indien de afvalwaterzuivering niet wordt ontwikkeld op deze locatie, zal worden ontwikkeld tot bedrijventerrein. Voor de directe omgeving (twee woningen, bestaand bedrijventerrein, Volksbos, metro, Zuidbuurt en Westwijk) worden geen significante ontwikkelingen verwacht. De ontwikkeling van bedrijventerrein zal consequenties hebben ten opzichte van de huidige situatie voor bijvoorbeeld geluid of landschap. Ook zullen aanverwante ontwikkelingen te verwachten zijn, bijvoorbeeld toename van verharding met gevolgen voor het watersysteem en biodiversiteit en een toename van verkeer. Omdat geen inzicht bestaat op welke termijn en met welke snelheid bedrijven zich zouden gaan vestigen op het bedrijventerrein en om wat voor typen bedrijven het dan gaat, is voor de referentiesituatie uitgegaan van een situatie waarbij sprake is van een bouwrijp opgeleverd kavel als referentiesituatie. Dit uitgangspunt kan gezien worden als een conservatieve aanname waar het gaat om het inschatten van de omvang van de effecten.
Het effect van bijvoorbeeld verkeer of geluid van de AWZI ten opzichte van een bouwrijp (maar dus leeg) terrein is immers groter dan indien dat het wordt vergeleken met een bedrijfsterrein dat ook verkeersen geluidseffecten geeft. Een andere ontwikkeling in de directe omgeving van get plangebied zijn de geplande tijdelijke woningen voor arbeidsmigranten ten oosten van de George Stephensonweg. De einddatum van dit initiatief is 2034. Bij de beschrijving van de aspecten komt waar relevant de referentiesituatie nog specifiek aan de orde voor het betreffende aspect. Toelichting bij punt 3: Generieke, planoverstijgende ontwikkelingen Per aspect wordt in de hoofdstukken hierna ingegaan op voor dat aspect relevante autonome (generieke, planoverstijgende) ontwikkelingen.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
57 van 226
7 LEEFOMGEVING 7.1
Geur
Het zuiveren van afvalwater leidt tot geuremissie. Ten behoeve van het plan-MER is een geuronderzoek uitgevoerd naar de geurbelasting van de verschillende alternatieven. Dit is vergeleken met de geurbelasting in de referentiesituatie. Tabel 7.1 Beoordelingscriteria geur Thema
Aspect
Beoordelingscriterium
Leefomgeving
Geur
Geurbelasting op geurgevoelige objecten
7.1.1
Relevant beleid, wet- en regelgeving
Een van de activiteiten op een AWZI betreft het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk, wat als milieubelastende activiteit (mba) wordt beschreven in artikel 3.173 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). Het wettelijk kader van geur voor deze mba staat sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet beschreven in het omgevingsplan. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet, heeft iedere gemeente automatisch een tijdelijk omgevingsplan, totdat een omgevingsplan volgens de stop/tpod-standaard is opgesteld en in werking treedt. Zolang dit tijdelijke plan geldt, gelden de regels van de zogenoemde ‘bruidsschat’. Deze regels komen vooral uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Op het moment van schrijven heeft de gemeente Vlaardingen nog geen definitief omgevingsplan opgesteld en geldt de bruidsschat. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder gelden op basis van tabel 22.3.23 in paragraaf 22.3.6.5 van de bruidsschat in het tijdelijk omgevingsplan de volgende geurnormen voor (nieuwe) AWZI’s zoals het geval is bij Vergulde Hand: -
-
0,5 ouE/m3 als 98-percentiel bij geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein; 1,0 ouE/m3 als 98-percentiel bij geurgevoelige objecten gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein of buiten de bebouwde kom.
Als sprake is van een AWZI die is opgericht en vergund voor 1 februari 1996, zoals het geval is bij De Groote Lucht (huidige situatie), gelden op basis van tabel 22.3.24 in paragraaf 22.3.6.5 van de bruidsschat in het tijdelijk omgevingsplan de volgende geurnormen in de referentiesituatie: -
1,5 ouE/m3 als 98-percentiel bij geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein;
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
58 van 226
3,5 ouE/m3 als 98-percentiel gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, een Activiteitenbesluitbedrijventerrein of buiten de bebouwde kom.
-
Rekenmethode In de Omgevingsregeling wordt in artikel 6.13 aangegeven op welke wijze de geurbelasting moet worden bepaald. In lid 1 staat dat hiervoor de standaard rekenmethode 3 van toepassing is, waarmee het Nieuw Nationaal Model (NNM) wordt bedoeld. Volgens lid 3 wordt de geuremissie van de verschillende procesonderdelen van de AWZI bepaald met behulp van de emissiefactoren, genoemd in bijlage XVIIIe bij de regeling. Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland Actualisatie 2024 Het provinciale geurhinderbeleid is erop gericht om bestaande hinder terug te dringen en nieuwe hinder te voorkomen. Voor gemeenten kan het Zuid-Hollands geurhinderbeleid onder andere een handvat zijn ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening waarbij geurhinder vanwege bedrijven een rol speelt.
7.1.2
Beoordelingsmethodiek
De voorgenomen activiteit is beoordeeld op basis van geurbelasting op de omgeving. Deze is afgezet tegen de wet- en regelgeving zoals beschreven in de voorgaande paragraaf en de referentiesituatie. Tabel 7.2 Wijze van beoordelen geur Effectscore ++ + 0 --
7.1.3
Toelichting
Beoordeling geur
Zeer positief effect
De geurbelasting op de geurgevoelige objecten neemt af en is< 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel bij alle geurgevoelige objecten.
Positief effect
De geurbelasting op de geurgevoelige objecten neemt af en voldoet aan weten regelgeving.
Neutraal effect
De geurbelasting op de geurgevoelige objecten is onveranderd en voldoet aan wet- en regelgeving.
Negatief effect
De geurbelasting op de geurgevoelige objecten neemt toe en voldoet aan weten regelgeving.
Zeer negatief effect
De geurbelasting op de geurgevoelige objecten voldoet niet aan wet- en regelgeving.
Referentiesituatie
Geurbronnen Huidige situatie De huidige situatie betreft de AWZI Groote Lucht. De geuremissiebronnen van de huidige situatie zijn beschreven in het geuronderzoek ten behoeve van de revisievergunning uit 2021 (Royal HaskoningDHV, 2021). In de onderstaande tabel zijn de verschillende bronnen van de AWZI weergegeven. Alle geurbronnen zijn continue, ofwel 8.760 uur per jaar. Tabel 7.3 Overzicht geurbronnen en emissies in de huidige situatie Procesonderdeel
Maatregel
Oppervlak per onderdeel m / m2
Eenheid ontvangstwerk + roosters
biotrickfilter
container roostergoed
centrale schoorsteen
6
bandindikker & zandcontainer
centrale schoorsteen
6
verdeelwerk 1
centrale schoorsteen
55
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
125
59 van 226
Procesonderdeel
Maatregel
Oppervlak per onderdeel m / m2
Eenheid 4 x voorbezinktank (1 t/m 4)
1200
4 x overstortgoot (1 t/m 4)
centrale schoorsteen
140
Verdeelwerk 2 & 3
centrale schoorsteen
115
Verdeelwerk 4
70
Waterlijn selector/anaerobe tank 1
365
anoxische tank 1
1660
selector/anaerobe tank 2
365
anoxische tank 2
1660
4 x aerobe tank (1 t/m 4)
centrale schoorsteen
1200
recirculatiegemaal 1
20
retourslib gemaal 2
20
6 x nabezinktank invoerzone (1 t/m 6)
50
6 x nabezinktank oppervlak (1 t/m 6)
1875
retourslibgemaal 1-6
110
Sliblijn primaire slibindikker
centrale schoorsteen
200
secundaire slibindikker
centrale schoorsteen
200
reserve slibindikker
centrale schoorsteen
200
slibsilo
40
verdeelwerk 5
45
DN zandfilter
350
effluent meetgoot
160
Maatregelen In de huidige situatie is een aantal maatregelen genomen om de geurbelasting op de omgeving te beperken (zoals weergegeven in Tabel 7.3). De geuremissie van het ontvangstwerk en roosters wordt in een biotricklingfilter behandeld. Er wordt uitgegaan van een geurverwijderingsrendement van 95 % voor het filter. Daarnaast wordt de proceslucht van de verschillende onderdelen afgezogen en via een schoorsteen naar de leefomgeving geëmitteerd. Emissieberekeningen De emissieberekening voor de huidige situatie is opgenomen in bijlage X. Hieronder zijn de rekenmethodiek en de belangrijkste gehanteerde parameters (naast de maatregelen) toegelicht. De geuremissie is bepaald met behulp van de in bijlage XVIIIe van de omgevingsregeling aangegeven emissiefactoren voor de verschillende procesonderdelen. 1 De hoogte van de emissiefactoren van bijlage XVIIIe is afhankelijk van enkele parameters, namelijk het type aanvoer van rioolwater, de slibbelasting voor de waterlijn en het type slib voor de sliblijn. Deze parameters worden hieronder verder toegelicht: 8F
-
aanvoer: (minimaal 76 %) aanvoer via vrij verval; waterlijn: slibbelasting 0,05–0,10 kg BZV/kg d.s.d 2; sliblijn: slibkwaliteit is afhankelijk van het procesonderdeel. 9F
1
De emissiefactoren/de rekenmethodiek zijn/is beleidsneutraal overgenomen met het ingaan van de Omgevingswet.
2
De ontwerpslibbelasting van de zuivering.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
60 van 226
Autonome ontwikkeling en referentiesituatie Voor de AWZI De Groote Lucht worden geen autonome ontwikkelingen verwacht. Voor de referentiesituatie is uitgegaan van de huidige werking van de zuivering en dus de huidige geurbelasting.
Geurgevoelige locaties Huidige situatie In de huidige situatie zijn er een aantal geurgevoelige locaties waar rekening mee moet worden gehouden, namelijk: -
Maassluissedijk 188: Woonlocatie buiten bebouwde kom; Maassluissedijk 192: Woonlocatie buiten bebouwde kom; George Stephensonweg 31A; Woonlocatie op bedrijventerrein; Thomas à Kempisstraat 156; Woonlocatie in woonwijk (binnen bebouwde kom). 1 10F
Tijdelijke woningen (waaronder de Oekraïnewijk en arbeidsmigranten) en bedrijven worden niet beschouwd als geurgevoelige objecten, volgens de bruidsschat Artikel 22.90, en worden dus ook niet meegenomen in de beoordeling. In de onderstaande Figuur 7.1 zijn de geurgevoelige locaties weergegeven.
Figuur 7.1 Locatie toetspunten
Autonome ontwikkeling Er zijn zover bekend geen woningbouwprojecten in de directe omgeving gepland met uitzondering van plannen voor tijdelijke arbeidsmigrantenwoningen ten oosten van de planlocatie. Er wordt uitgegaan van de geurgevoelige locaties in de huidige situatie.
Geurbelasting Berekening van de geurbelasting in de omgeving wordt conform de vereisten uit de Omgevingsregeling uitgevoerd met het verspreidingsmodel NNM. Hiervoor is gebruik gemaakt van de module Stacks-G in het softwarepakket Geomilieu v2024. Voor de modellering van de huidige situatie (bronkenmerken, modelinstellingen, etc.) is één op één aangesloten bij de modellering van het geuronderzoek ten behoeve van de revisievergunning uit 2021 (Royal HaskoningDHV, 2021).
1
Dichtstbijzijnde woning in woonwijk
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
61 van 226
Op basis van bronnen in Tabel 7.3, is de geurbelasting bepaald als geurcontouren van 0,5, 1,0, 1,5 en 3,5 ouE/m³ als 98-percentiel. 1 1F
Figuur 7.2 Geurcontouren AWZI Groote Lucht als 98-percentiel (groen: 0,5, geel: 1,0, blauw: 1,5 en rood: 3,5 ouE/m³)
In de onderstaande Tabel 7.4 is de geurbelasting op de dichtstbijzijnde woningen (toetspunten) weergegeven. Er wordt voldaan aan de relevante geurnormen. Tabel 7.4 Geurbelasting op toetspunten De Groote Lucht Toetspunt
Geurnorm (ouE/m³ als 98-percentiel)
Referentiesituatie (ouE/m³ als 98-percentiel)
Maassluissedijk 192
3,5
2
Maassluissedijk 188
3,5
1,6
George Stephensonweg 31A
3,5
0,5
Thomas a Kempisstraat 156
1,5
0,6
7.1.4
Effectbeoordeling
Geurbronnen De verschillende alternatieven zijn voor het aspect geur op hoofdlijnen vergelijkbaar (ontwerpcapaciteit, locatie, etc.), maar gebruiken ieder een andere behandelingstechniek, waardoor de details verschillen: de type bronnen 2, de omvang/oppervlaktes en locatie van de bronnen (de plotplannen). In de onderstaande paragrafen worden voor elk alternatief de emissiebronnen en geurbelasting toegelicht. Bepaalde details voor het geuronderzoek zijn nog onbekend. 3 Een overzicht van de geurbronnen van alle alternatieven is opgenomen in de onderstaande tabel. 12F
13F
1
Voor de Groote Lucht betreffen de geurnormen 1,5 en 3,5 ouE/m³ als 98-percentiel. Voor De Vergulde Hand gaan de geurnormen 0,5 en 1,0 ouE/m³ als 98-percentiel gelden.
2
Bijvoorbeeld het hebben van nabezinktanks of niet
3
Er zijn aannames gemaakt om de geurbelasting zo goed als mogelijk te bepalen. De gemaakte aannames zijn consequent per alternatief en worden tevens toegelicht.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
62 van 226
Tabel 7.5 Overzicht geurbronnen van de alternatieven Procesonderdeel
Alternatief 1a
Alternatief 1b
Alternatief 2
Alternatief 3
Oppervlak totaal (m / m²)
Oppervlak totaal (m / m²)
Oppervlak totaal (m / m²)
Oppervlak totaal (m / m²)
Ontvangwerk
1000
1000
1000
1000
Roostergoedverwijdering
1000
2000
1000
1000
Zandvanger
450
450
450
450
Verdeelwerk voorbezinktank
100
100
--
100
Voorbezinktank
8520
8520
--
8520
Verdeelwerk secundaire behandeling
95
100
95
--
Verdeelwerk A-trap
--
--
100
--
A-trap
--
--
1200
--
Anaerobe tank
2450
2240
--
--
Aerobe zone
6515
10052
7000
9293
Anoxische zone
2835
4308
3000
3983
Voordenitrificatieruimte
2950
2240
--
--
Retourslibgemaal
7860
--
--
--
Nabezinktank
21750
--
25500
--
Tussenbezinking
--
--
11112
--
Retourslibgemaal (A-trap)
--
--
2240
--
Influent buffer
--
--
--
4000
Aeroob korrelslib buffer
--
--
--
720
Effluentbuffer
--
--
--
670
Extern slibbuffer primair slib
150
150
150
150
Extern slibbuffer secundair slib
172
172
172
172
Primair slibgemalen (voorbezinking)
140
140
140
140
Surplusslibgemalen
140
140
140
140
Gravitaire indikking
710
710
1400
710
VFA reactoren
920
920
1240
920
Bandindikking na VFA reactor
16
16
16
16
Bandindikking (surplusslib)
16
16
16
16
Ontwaterd slibsilo's
40
40
40
40
Kaumera korrelslibbuffer
--
--
--
50
Kaumera reactor
--
--
--
30
Kaumera opslag
--
--
--
50
1.460 keer/jaar
1.460 keer/jaar
1.825 keer/jaar
1.460 keer/jaar
Waterlijn
Sliblijn
Slibverlading
Maatregelen Voor de vier alternatieven is sprake van relatief hoog maatregelengehalte. De geurrelevante bronnen worden afgedekt, afgezogen en behandeld met (lava)filters, indien dit praktisch mogelijk is, in plaats van dat de bronnen open uitgevoerd worden. De nabezinktanks (alleen aanwezig in alternatief 1a en 2) 1 en de biologisch zones in alternatief 3 kunnen niet afgedekt worden. 14F
1
Vanwege vetophoping bij de afdekking is het afdekken van de nabezinktanks praktisch niet uitvoerbaar.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
63 van 226
De luchtbehandeling wordt gerealiseerd met een geurverwijderingsrendement van 95 %. De (‘pieken’) lucht van de verlaadhal tijdens de verlading van (sterk geurend) slib wordt apart behandeld met actief koolfilters. De actief koolfilters hebben tevens een geurverwijderingsrendement van 95 %. De precieze locatie van de filters is nog niet bekend. Er is voor de modellering gekozen voor een geclusterde, decentrale modellering (bijv. de afgezogen bronnen bij de voorbehandeling zijn gezamenlijk gemodelleerd nabij de bronnen van de voorbehandeling). De aangehouden bronkenmerken zijn een uittreesnelheid van circa 10 m/s en de hoogte van de filters van 4 m. Daarnaast is het van belang dat er geen filters geplaatst worden nabij de perceelgrens aan de zuidoost kant van het perceel, vanwege de korte nabijheid tot Maassluissedijk 188. Emissieberekeningen De emissieberekeningen zijn opgenomen in bijlage X. Hierna worden de gehanteerde parameters en aannames (naast de hiervoor genoemde maatregelen) toegelicht. Deze geuremissie parameters ter bepaling van de emissiefactoren betreffen: -
aanvoer: aanvoer volledig via persleiding; waterlijn: slibbelasting 0,05–0,10 kg BZV/kg d.s.d voor alternatief 1a, 1b en 3 en; waterlijn: slibbelasting <0,05 kg BZV/kg d.s.d voor alternatief 2; 1; sliblijn: slibkwaliteit is afhankelijk van het procesonderdeel. 15F
De afvoer van ontwaterd slib vindt ongeveer 1.460 keer per jaar plaats voor alternatief 1a, 1b en 3 en 1.825 keer per jaar voor alternatief 2 (circa dertig ton per keer, in twintig minuten). Bij piekemissies die korter duren dan één uur (zoals het lossen en afgraven van producten) wordt conform de NTA 9065 een correctieformule toegepast om de (fictieve) uurgemiddelde emissie voor de modellering te bepalen. 2 De bijbehorende emissie wordt berekend aan de hand van deze formule, uitgaande van één wagen in een uur. Als kental is gebruikt gemaakt van de gemiddelde emissie per ton uit Stowa 2004-09. Deze bedraagt 16,5 Mge/ton (= 8,25 MouE/ton). De geuremissie bedraagt dan 429 MouE/uur 3 vóór het koolfilter en 21,4 MouE/uur na het koolfilter gedurende 1.460 (alternatief 1a, 1b en 3) ofwel 1.825 (alternatief 2) uren per jaar. Behalve voor het verladen van slib zijn alle geurbronnen continu, ofwel 8760 uur per jaar. 16F
17F
Een aantal bronnen hebben geen specifiek kental in bijlage XVIIIe van de Omgevingsregeling. De emissies van deze bronnen zijn berekend met het meest representatieve kental, waarbij gekozen is voor een conservatieve benadering. De emissie van de externe slibbuffers is (conservatief) gebaseerd op het kental van een voorindikker (gemengd slib). De emissie van de primair slibgemalen en surplusslibgemalen zijn gebaseerd op het kental van retourslibgemaal. De emissie van de gravitaire indikking en vetzuurreactor (VFA reactor) op het kental van een slibindikker 4. De emissie van de bandindikking op het kental van een naindikker. De emissie van de ontwaterd slibsilo’s op het kental van afvoer en opslag (gemengd slib). De emissie van de A-trap is gebaseerd op het kental van anaerobe tanks. De emissie van tussenbezinking is gebaseerd op het kental van voorbezinking. De emissie van de influentbuffer is gebaseerd op het kental van anaerobe tanks. De emissie van aeroob korrelslib buffer is gebaseerd op het kental van invoerzone nabezinktank, vanwege de waterige aard van de korrelslib buffer. De emissie van de effluentbuffer op het kental van nabezinktanks. 18F
1
Slibbelasting B-trap
2
Paragraaf 7.3.4. van de NTA 9065:2012 en bijlage B.4 van de NTA 9065-1:2023.
3
De meetwaarden in STOWA 2004-09 bedragen van 2,75, 6,5 en 15,5 ∙MouE/ton. Voor de berekening is uitgegaan van de gemiddelde waarde van 8,25 MouE/ton. Bij verlading met vrachtwagens van 30 ton en een beladingstijd van 20 minuten bedraagt de emissie dan 248 MouE per belading van 20 minuten. Om de uurgemiddelde geuremissie van één verlading te berekenen dient, vanwege de kortstondige beladingstijd (20 minuten per belading), de formule voor fluctuerende bronnen te worden toegepast, conform paragraaf 7.3.4 van de NTA 9065. Dit betekent voor de gemiddelde uuremissie voor input bij de modellering (60/20)0,5 * 248 MouE/uur = 429 × 106 ouE/uur.
4
Kental voor zowel slibindikker, als fosfaatbezinktank, strippertank en flocculatietank.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
64 van 226
De procesonderdelen van de waterzuivering die niet zijn opgenomen in de overzichtstabel worden als niet geurrelevant beschouwd. Dit zijn onder andere de procesonderdelen met effluent (reeds gezuiverd water), zoals de nazuiveringsonderdelen (o.a. de mediafilters). De toekomstambities, HARKOS en de productie van Polyhydroxyalkanoaat (PHA) ofwel bioplastics uit zuiveringsslib, zijn tevens niet meegenomen in de berekening.
Geurbelasting De geurbelasting in de omgeving voor alle alternatieven is berekend op basis van de emissieberekeningen in bijlage X. De journaalbestanden van de verspreidingsmodellen zijn opgenomen in bijlage XI. In de onderstaande tabel is de geurbelasting op de dichtstbijzijnde woningen (toetspunten) weergegeven. In de onderstaande Figuur 7.3 zijn de geurcontouren als 98-percentiel weergegeven. Tabel 7.6 Geurbelasting op toetspunten als 98-percentiel Toetspunt
Geurnorm (ouE/m³)
Alternatief 1a (ouE/m³)
Alternatief 1b (ouE/m³)
Alternatief 2 (ouE/m³)
Alternatief 3 (ouE/m³)
Maassluissedijk 192
1,0
1,0
0,9
1,0
0,8
Maassluissedijk 188
1,0
0,8
0,5
0,8
0,6
George Stephensonweg 31A
1,0
0,4
0,2
0,3
0,3
Thomas a Kempisstraat 156
0,5
0,5
0,2
0,4
0,5
Figuur 7.3 Geurcontouren als 98-percentiel (groen: 0,5 ouE/m³, geel: 1,0 ouE/m³) (linksboven: alternatief 1a, rechtsboven: alternatief 1b. linksonder: alternatief 2, rechtsonder: alternatief 3)
Tijdelijke woningen voor arbeidsmigranten Als gekeken wordt naar de huidige geurcontouren ten oosten van de planlocatie waar mogelijk tijdelijke woningen voor arbeidsmigranten 1 worden verwacht dan valt uit de geurcontouren van de alternatieven af te leiden dat de situatie ter plaatse verbetert, de geurconcentratie neemt af. Wat de komst van de tijdelijke woningen betekent voor de vergunningverlening zal in de volgende fase worden beschouwd. In het provinciaal beleid worden tijdelijke woningen (op voor bedrijventerrein bestemd gebied) niet specifiek benoemd. De arbeidersmigrantenlogies zijn op grond van de wet niet geurgevoelig, omdat ze tijdelijk zijn en per 2034 verdwijnen. 19F
1
In het Gemeenteblad van Vlaardingen wordt gesproken over tijdelijke logies voor arbeidsmigranten.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
65 van 226
7.1.5
Conclusie
De geurbelasting van alle alternatieven voldoen aan de wettelijke geurnormen en daarmee is voor alle alternatieven sprake van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Tabel 7.7 Geurbelasting huidige situatie en alternatieven Toetspunt
Geurnorm (ouE/m³)
Referentie -situatie
Maassluissedijk 192
1,0
2,0
Maassluissedijk 188
1,0
George Stephensonweg 31A Thomas a Kempisstraat 156
Alternatief 1a (ouE/m³)
Alternatief 1b (ouE/m³)
Alternatief 2 (ouE/m³)
Alternatief 3 (ouE/m³)
1,0
0,9
1,0
0,8
1,6
0,8
0,5
0,8
0,6
1,0
0,5
0,4
0,2
0,3
0,3
0,5
0,6
0,5
0,2
0,4
0,5
De normen voor een nieuwe waterzuivering zijn daarnaast strenger dan voor de bestaande zuivering (De Groote Lucht). Wanneer aan de strengere normen wordt voldaan, zoals hier het geval is en tevens een vereiste om gerealiseerd te kunnen worden, neemt de geurbelasting op de woningen af ten opzichte van de referentiesituatie. Voor alle alternatieven is dus sprake van een verbetering op het aspect geur. De alternatieven zijn beperkt onderscheidend op het aspect geur. Bij de alternatieven is uitgegaan van het nemen van genoemde maatregelen om aan de wettelijke normen te voldoen. Met deze maatregelen kan geconcludeerd worden dat alle alternatieven een positief effect hebben. Tabel 7.8 Effectbeoordeling op geur in de gebruiksfase
0
Alternatief 3
Geurbelasting op geurgevoelige objecten
Alternatief 2
Referentie
Alternatief 1b
Beoordelingscriteria
Alternatief 1a
Gebruiksfase
+
+
+
+
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
66 van 226
7.2
Luchtkwaliteit
De activiteiten op de waterzuivering leiden tot luchtemissies die mogelijk een invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Ten behoeve van het plan-MER is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd naar de impact van de verschillende alternatieven op de concentratie van de verontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) en vergeleken met de impact van de huidige situatie. Tabel 7.9 Beoordelingscriteria luchtkwaliteit Thema
Aspect
Beoordelingscriterium
Leefomgeving
Luchtkwaliteit
Verandering van de luchtkwaliteit op basis van de NO2 en PM10 concentraties
7.2.1
Relevant beleid, wet- en regelgeving
De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit Europese richtlijnen en is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Paragraaf 2.2.1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de Rijksomgevingswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De concentraties van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn in Nederland het meest kritisch ten opzichte van de normen 1. De jaargemiddelde maximale concentraties voor deze stoffen betreft 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10, en 25 µg/m3 voor PM2,5. Aan de grenswaarden van de overige stoffen uit paragraaf 2.2.1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt ruim voldaan (in het laatste decennium zijn nergens in Nederland overschrijdingen van de grenswaarde opgetreden), en kunnen buiten beschouwing blijven. 20F
De World Health Organization (WHO) stelt gezondheidsbescherming centraal. Voor luchtkwaliteit heeft de WHO streefwaarden voorgeschreven (World Health Organization, 2022). Deze streefwaarden gaan uit van een ambitieuzere inzet op een gezondere leefomgeving. De WHO streefwaarden zijn advieswaarden en liggen beduidend lager (lees: strenger) dan de wettelijke grenswaarden. In 2021 heeft de WHO de advieswaarden aangescherpt. De jaargemiddelde maximale concentraties voor deze stoffen betreft 10 µg/m3 voor NO2, 15 µg/m3 voor PM10, en 5 µg/m3 voor PM2,5. De gemeente Vlaardingen heeft zich daarnaast gecommitteerd aan de ambitie om de luchtkwaliteit in Nederland permanent te verbeteren met de ondertekening van het Schone Lucht Akkoord (SLA).
7.2.2
Beoordelingsmethodiek
De alternatieven zijn beoordeeld op basis van de immissie van NO2 en PM10 op de omgeving. De bijdrage aan de concentratie van PM2,5 is niet apart beoordeeld. Wanneer er namelijk wordt voldaan aan de omgevingswaarden voor PM10, wordt er ook aan de omgevingswaarden voor PM2,5 voldaan. Of wanneer de bijdrage van PM10 ten opzichte van de achtergrondwaarde uiterst gering is, is de bijdrage van PM2,5 ten opzichte van de achtergrondwaarde tevens uiterst gering De PM10- en PM2,5- concentratie zijn namelijk sterk aan elkaar gerelateerd (Informatiepunt Leefomgeving, 2024a). De immissie per alternatief is afgezet tegen de wet- en regelgeving en de referentiesituatie. De alternatieven zijn beoordeeld op basis van de onderstaande effectscores.
1
De emissies van N2O (lachgas) worden voor waterzuivering soms genoemd als relevante emissie voor het thema luchtkwaliteit.
Lachgas is een broeikasgas, maar niet relevant voor blootstelling/luchtkwaliteit. Beoordeling van deze emissie is dan ook niet aan de orde.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
67 van 226
Tabel 7.10 Wijze van beoordelen luchtkwaliteit Effectscore
Toelichting
Beoordeling luchtkwaliteit
Zeer positief effect
Afname van concentraties (NO2 en PM10) als gevolg van voornemen ten opzichte van de referentiesituatie en concentraties zijn lager dan advieswaarden WHO
Positief effect
Afname van concentraties (NO2 en PM10) als gevolg van voornemen ten opzichte van de referentiesituatie
Neutraal effect
Concentraties (NO2 en PM10) als gevolg van voornemen veranderen niet of nauwelijks ten opzichte van de referentiesituatie
Negatief effect
Toename van concentraties (NO2 en PM10) als gevolg van voornemen ten opzichte van de referentiesituatie
Zeer negatief effect
Toename van concentraties (NO2 en PM10) als gevolg van voornemen ten opzichte van de referentiesituatie en overschrijding van wettelijke grenswaarden
++
+ 0 --
7.2.3
Referentiesituatie
Achtergrondwaarden Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de lucht rondom de nieuwe zuivering, en om de bijdrage van de zuivering op de kwaliteit van de lucht te bepalen, is de jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en PM2,5 in beeld gebracht op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2022). In de omgeving van het plangebied bedraagt de achtergrondwaarde circa 20,6 µg/m3 voor NO2, 17,0 µg/m3 voor PM10 en 8,8 µg/m3 voor PM2,5. Er wordt opgemerkt dat de huidige situatie (AWZI Groote Lucht) onderdeel is van deze achtergrondwaarden. Het CIMLK rapporteert in de huidige situatie (2022) rond het plangebied geen overschrijdingen van de wettelijke jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide (NO2) en fijn- stof (PM10 en PM2,5). De WHO advieswaarden van 10 µg/m3 voor NO2. 15 µg/m3 voor PM10, en 5 µg/m3 voor PM2,5 worden wel allen overschreden in de huidige situatie. Autonome ontwikkeling en referentiesituatie Op basis van het CIMLK bedraagt de achtergrondwaarde in 2030 in de omgeving van het plangebied naar verwachting circa 16,2 µg/m3 voor NO2, 14,7 µg/m3 voor PM10 en 7,5 µg/m3 voor PM2,5. Er wordt dus een verbetering verwacht ten opzichte van de huidige situatie. Deze autonome ontwikkeling is onder andere te danken aan de verschoning van het wagenpark.
Verder zijn er geen autonome ontwikkeling bekend (die niet zijn meegenomen in de achtergrondwaarde van het CIMLK) die invloed hebben op de luchtkwaliteit. Op basis van het CIMLK worden voor 2030 in de referentiesituatie geen overschrijdingen van de wettelijke jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide (NO2) en fijn- stof (PM10 en PM2,5) verwacht. De WHO advieswaarden van 10 µg/m3 voor NO2 en 5 µg/m3 voor PM2,5 worden wel overschreden. De WHO advieswaarden van 15 µg/m3 voor PM10 wordt in 2030 naar verwachting net niet overschreden.
Emissiebronnen Huidige situatie De huidige situatie betreft de AWZI Groote Lucht. De luchtemissiebronnen van de huidige situatie zijn beschreven in het luchtkwaliteitsonderzoek ten behoeve van de revisievergunning uit 2021. 1 In de onderstaande tabel zijn de verschillende bronnen van de AWZI weergegeven. 21F
1
Het aantal personenauto’s was 25.000 per jaar in de revisievergunning. Dit was echter onrealistisch, waardoor 15.000 per jaar is aangehouden in dit onderzoek vooruitlopend op een nieuwe revisievergunning voor AWZI de Groote Lucht.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
68 van 226
Tabel 7.11 Luchtemissiebronnen in de huidige situatie Bron De Groote Lucht
Omschrijving
Stookinstallaties (cv-ketels)
558.561 m3 aardgas per jaar
Wegverkeer
2.168 vrachtwagens per jaar 15.000 personenauto's per jaar
Autonome ontwikkeling en referentiesituatie Voor AWZI De Groote Lucht worden geen autonome ontwikkelingen verwacht. Voor de referentiesituatie is uitgegaan van de huidige werking van de zuivering en dus de huidige luchtemissies. Dit is een conservatieve aanname, aangezien De Groote Lucht in de toekomst meer water zou moet zuiveren dan nu.
Toetsing Immissie stookinstallaties De immissie van de stookinstallaties kan berekend worden aan de hand van de ‘beperkte immissietoets’ van InfoMil. 1 Uitgaande van 8.760 uur/jaar, bedraagt de gemiddelde NOx-emissie 0,05 kg per uur. Met een warmte inhoud van 0 MW 2 resulteert dit met de immissietoets (worst case) in een jaargemiddelde immissie van minder dan 0,3 µg/m3, zoals te zien in onderstaande Figuur 7.4. 2F
23F
Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van 0,3 μg/m3 NO2 van de stookinstallaties zeer gering is ten opzichte van de vermelde achtergrondconcentratie van 16,2 μg/m3 NO2. 3 24F
Figuur 7.4 Beperkte immissietoets referentiesituatie
Immissie verkeer Om een beeld te geven van de immissies van NOx en PM10 als gevolg van de verkeersbewegingen, kan gebruik worden gemaakt van het rekenmodel in de zogenoemde ‘NIBM Tool’ (Informatiepunt Leefomgeving, 2024b). Op basis van de bovenstaande gegevens zullen dagelijks gemiddeld 94 transportbewegingen 4 worden uitgevoerd, waarvan twaalf door vrachtwagens, ofwel 12,6%. Met behulp van de NIBM-tool is berekend dat de totale hoeveelheid verkeer in de huidige situatie (en daarmee de referentiesituatie) worst case resulteert in een concentratie van 0,15 μg/m3 NO2 en 0,02 μg/m3 PM10, zie Tabel 7.12. 25F
1
Deze tool wordt gebruikt voor (worst case) indicatieve toetsing van ZZS, maar kan als verspreidingstool als zodanig ook voor andere (niet ZZS) stoffen worden gebruikt.
2
Dit is een worst case scenario. Bij 0 MW is de immissie hoger, omdat ze verspreiding minder is.
3
Dit betreft een worstcase bijdrage van minder dan 2% op 25 meter. De daadwerkelijk bijdrage is kleiner. De bijdrage op grotere
4
15.000 personenauto's per jaar + 2.168 vrachtwagens per jaar / 365 dagen = 47 voertuigen, oftewel 94 bewegingen per dag
afstand is tevens kleiner.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
69 van 226
Tabel 7.12: Worst-case berekening voor de bijdrage van verkeer op de luchtkwaliteit in de referentiesituatie (NIBM-tool, GCN2023) Referentiejaar 2030 Verkeer in de referentiesituatie Voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
94
Aandeel vrachtverkeer
12,6%
NO2 in μg/m3
0,15
PM10 in μg/m3
0,02
Maximale bijdrage verkeer
Er kan geconcludeerd worden dat de bijdrage van verkeer in de referentiesituatie aan de luchtkwaliteit uiterst gering is ten opzichte van de achtergrondconcentraties in de omgeving zoals het volksbos en de dichtstbijzijnde woningen.
7.2.4
Effectbeoordeling
Achtergrondwaarden De achtergrondwaarden voor de alternatieven zijn gelijk aan de achtergrondwaarden van de referentiesituatie.
Emissiebronnen De verschillende alternatieven zijn voor het aspect luchtkwaliteit op hoofdlijnen hetzelfde. Er zijn (beperkt) verschillen in de omvang van de luchtemissiebronnen, maar de bronnen bedragen in alle situaties dezelfde: stookinstallaties (cv-ketel en biogasfakkel) en wegverkeer. In de onderstaande tabel zijn de uitgangspunten van alle alternatieven opgenomen. De emissieberekeningen van de stookinstallaties is opgenomen in het stikstofonderzoek. Tabel 7.13 Bronnen alternatieven Alternatief
Stookinstallaties
Wegverkeer (fossiele brandstof)
Alternatief 1a: mUCT + NBT
50,1 kg NOx per jaar
Alternatief 1b: mUCT + MBT
50,1 kg NOx per jaar
Alternatief 2: AB+
60,6 kg NOx per jaar
Alternatief 3: Aeroob korrelslib
50,1 kg NOx per jaar
7.500 personen auto’s 1.506 vrachtauto’s 7.500 personen auto’s 1.506 vrachtauto’s 7.500 personen auto’s 2.054 vrachtauto’s 7.500 personen auto’s 2.601 vrachtauto’s
Toetsing Immissie stookinstallaties in de gebruiksfase De immissie van de stookinstallaties kan eveneens berekend worden aan de hand van de ‘beperkte immissietoets’ van InfoMil. 1 Uitgaande van 8.760 uur/jaar, bedraagt de gemiddelde NOx-emissie 0,006 kg per uur voor alternatieven 1a, 1b en 3 en 0,007 kg per uur voor alternatief 2. Met een warmte inhoud van 0 MW resulteert dit met de immissietoets (worst case) in een jaargemiddelde immissie van 0,03 µg/m 3 voor alternatieven 1a, 1b en 3 en van 0,04 µg/m3 voor alternatief 2. 26F
Geconcludeerd kan worden dat de worstcase bijdrage van < 0,1 μg/m3 NO2 van de stookinstallaties zeer gering is ten opzichte van de vermelde achtergrondconcentratie van 16,2 μg/m 3 NO2. De immissiebijdrage is nagenoeg hetzelfde voor alle alternatieven (niet onderscheidend).
1
Deze tool wordt gebruikt voor (worst case) indicatieve toetsing van ZZS, maar kan als verspreidingstool als zodanig ook voor andere (niet ZZS) stoffen worden gebruikt.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
70 van 226
Immissie verkeer in de gebruiksfase Om een beeld te geven van de immissies van NOx en PM10 als gevolg van de verkeersbewegingen in de gebruiksfase van de nieuwe zuivering, is gebruik gemaakt van het rekenmodel in de zogenoemde ‘NIBM Tool’ (Informatiepunt Leefomgeving, 2024b). In de onderstaande tabel zijn per alternatief de dagelijkse bewegingen opgenomen en het percentage vrachtwagens. Tabel 7.14 Uitgangspunten verkeer 1 Alternatief