Bijlage 5 - TAM-omgevingsplan Vergulde Hand bijlagen bij motivering
Tekst van het document
Aantal bewegingen per dag
Percentage vrachtauto’s
Alternatief 1a: mUCT + NBT
49
16,7
Alternatief 1b: mUCT + MBT
49
16,7
Alternatief 2: AB+
52
21,5
Alternatief 3: Aeroob korrelslib
55
25,7
27F
Met behulp van de NIBM-tool is eveneens de worst case concentratie van NO2 en PM10 berekend voor de alternatieven. De resultaten zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Tabel 7.15 Immissie verkeer (NIBM-tool) Alternatief
NO2 (μg/m3)
PM10 (μg/m3)
Alternatief 1a: mUCT + NBT
0,10
0,01
Alternatief 1b: mUCT + MBT
0,10
0,01
Alternatief 2: AB+
0,13
0,01
Alternatief 3: Aeroob korrelslib
0,16
0,01
Er kan geconcludeerd worden dat de bijdrage van verkeer aan de luchtkwaliteit tussen de alternatieven in honderdste μg/m3 van elkaar verschilt en daarmee niet onderscheidend is. De bijdrage van stikstofoxide en fijn stof als gevolg van het extra verkeer is, bij alle alternatieven, minimaal ten opzichte van de achtergrondconcentraties. Aanlegfase en sloopfase bestaande zuivering Een overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen is op voorhand uit te sluiten. Indien de aanlegfase/sloopfase een immissie veroorzaken die een factor 100 hoger ligt dan de (worstcase) berekende immissiebijdrage van de gebruiksfase, wordt nog steeds voldaan aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. De NOx emissieberekeningen van de sloopfase en aanlegfase in het stikstofonderzoek laten zien dat ruim binnen deze normen wordt gebleven (zie stikstofnotitie, Bijlage XIV).
7.2.5
Conclusie
De bijdrage van de verschillende alternatieven aan de luchtkwaliteit is voor alle alternatieven kleiner dan de bijdrage in de huidige situatie; er is een (zeer) beperkte afname ten opzichte van de referentiesituatie. De verschillen tussen de alternatieven zijn dusdanig klein dat deze als verwaarloosbaar worden gezien, daarnaast zijn deze dusdanig klein dat deze geen relevant effect hebben op de achtergrondconcentratie 2. Er wordt niet voldaan aan de WHO advieswaarden, zoals nu ook het geval is, er wordt wel voldaan aan de wettelijke normen. Alle alternatieven hebben een neutraal effect. 28F
Tabel 7.16 Effectbeoordeling op luchtkwaliteit in de aanlegfase Aanlegfase Beoordelingscriteria
Referentie
Verandering van de luchtkwaliteit op basis van de NO2 en PM10 concentraties
0
1
Op basis van Stikstofnotitie Waterzuivering Vergulde Hand (Bijlage XIV)
2
Achtergrondconcentratie = bijdrage referentiesituatie + bijdrage alternatief
Effectbeoordeling
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
0
71 van 226
Tabel 7.17 Effectbeoordeling op luchtkwaliteit in de gebruiksfase
0
Alternatief 3
Verandering van de luchtkwaliteit op basis van de NO2 en PM10 concentraties
Alternatief 2
Referentie
Alternatief 1b
Beoordelingscriteria
Alternatief 1a
Gebruiksfase
0
0
0
0
Tabel 7.18 Effectbeoordeling op luchtkwaliteit in de sloopfase Sloopfase bestaande zuivering Beoordelingscriteria
Referentie
Verandering van de luchtkwaliteit op basis van de NO2 en PM10 concentraties
0
Effectbeoordeling
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
0
72 van 226
7.3
Geluid
Voor het thema geluid zijn de activiteiten die plaatsvinden in en rondom de AWZI van belang om het geluid te bepalen als gevolg van de nieuwe zuivering. Het saneren van de huidige AWZI De Groote Lucht en het realiseren van de nieuwe AWZI ‘Vergulde Hand’ zal leiden tot een verandering van het geluid op de geluidgevoelige objecten in de omgeving. Tabel 7.19 Beoordelingscriteria geluid Thema
Aspect
Beoordelingscriterium
Leefomgeving
Geluid
Geluidbelasting op woningen
7.3.1
Relevant beleid, wet- en regelgeving
Voor het wijzigen van het omgevingsplan geldt dat een goede evenwichtige toedeling van functies aan locaties gewaarborgd moet zijn. Voor het bepalen van de effecten op geluid is gebruik gemaakt van het Omgevingsplan van de gemeente Vlaardingen, hieronder verder besproken. Omgevingsplan Voor geluidgevoelige gebouwen geldt volgens artikel 22.63 uit het Omgevingsplan van de gemeente Vlaardingen een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50, 45 en 40 dB(A) op de gevels in respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode. Voor het maximale geluidniveau geldt dat er in de dag-, avond- en nachtperiode het maximale geluid LAmax niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) mag bedragen op de gevels. De opgenomen maximale geluidniveaus zijn niet van toepassing op het laad- en losactiviteiten in de dagperiode. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden uit artikel 22.63 uit het Omgevingsplan van de gemeente Vlaardingen samengevat. Tabel 7.20 Geluidnormering Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en maximaal geluidsniveau (LAmax)
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT
07.00 - 19.00 uur
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 07.00 uur
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
veroorzaakt door activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door piekgeluiden* * De piekniveaus van laden en lossen van voertuigen in de dagperiode zijn uitgesloten van toetsing
7.3.2
Beoordelingsmethodiek
Om de geluidseffecten van het realiseren van de nieuwe AWZI te kunnen beoordelen, is een modelberekening uitgevoerd conform de rekenmethodiek zoals omschreven in bijlage IVh uit de Omgevingsregeling. Deze komt overeen met de voormalige ‘Handreiking meten en rekenen industrielawaai’ uit 1999. De berekeningsresultaten toetsen we aan de grenswaarden van het omgevingsplan en worden vergeleken met de referentiesituatie. Om de effecten van de realisatie van de nieuwe AWZI op de geluidsbelasting van woningen ten opzichte van de referentiesituatie te bepalen, wordt er een beoordeling uitgevoerd naar geluidsklassen (zie Tabel 7.21). Mogelijk leidt het voornemen tot een verschuiving van woningen tussen de klassen. Klasse I bestaat uit woningen die ruim voldoen aan de standaardwaarden uit het Omgevingsplan van gemeente Vlaardingen. Vervolgens worden er stappen van 5 dB gemaakt, resulterend in klasse II, III en IV.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
73 van 226
Tabel 7.21 Onderverdeling in geluidklassen (etmaalwaarde 1) 29F
Geluidklasse
Geluidklasse
Geluidklasse
Geluidklasse
Klasse I
Klasse II
Klasse III
Klasse IV
<45 dB(A)
46-50 dB(A)
51-55 dB(A)
>55 dB(A)
Voor de beoordeling van de effecten van de alternatieven op de geluidsbelasting van woningen, is gebruik gemaakt van de beoordelingsschaal zoals weergeven in Tabel 7.22. Tabel 7.22 Wijze van beoordelen geluid Effectscore
Toelichting
Beoordeling geluid
++
Zeer positief effect
Verschuiving van meer dan tien woningen naar de klasse I
+
Positief effect
Verschuiving van één tot tien woningen naar de klasse I
0
Neutraal effect
Geen (significant) effect ten opzichte van de referentiesituatie
-
Negatief effect
Verschuiving van minder dan tien woningen naar klasse II en ten hoogste één woning naar klasse III ten opzichte van de referentiesituatie
Zeer negatief effect
Verschuiving van meer dan meer dan tien woningen naar klasse II en een verschuiving van woningen naar klasse III óf een verschuiving van één of meer woningen naar klasse IV ten opzichte van de referentiesituatie
--
Maximaal geluid Als gevolg van de ontwikkeling kunnen piekgeluiden ontstaan op de gevels van omliggende geluidgevoelige objecten. De bronnen gelegen op het AWZI zijn nagenoeg allemaal continue bronnen, waardoor toetsing aan maximale niveaus niet van toepassing is voor de bronnen. Wel zijn er bijvoorbeeld voortuigbewegingen waarbij het dichtslaan van een deur een piekniveau geeft. Aangezien deze piekgeluiden dusdanig laag zullen zijn en op een afstand van meer dan 150 meter zullen zijn gelegen zullen deze bronnen niet waarneembaar zijn als piekgeluiden. Om deze reden worden er verder geen berekeningen uitgevoerd voor het maximale geluidniveau.
7.3.3
Referentiesituatie
Huidige situatie In de huidige situatie is AWZI De Groote Lucht gelegen ten westen van Vlaardingen, aan de Maassluissedijk 175. Ten noorden van de AWZI zijn verscheidene woningen gevestigd. De AWZI is in principe volcontinue in bedrijf. De bedrijfssituatie in de huidige situatie is gebaseerd op het ‘AWZI De Groote Lucht te Vlaardingen Akoestisch onderzoek revisievergunning‘ (DHV, 2007). In onderstaande Tabel 7.23 zijn de meest akoestisch relevante geluidbronnen opgenomen. In bijlage I zijn de volledige model- en brongegevens opgenomen. Verder bezoeken twaalf vrachtwagens de AWZI in de dagperiode. Dit heeft een bronvermogen van 105 dB(A). Tabel 7.23 Akoestisch relevante geluidbronnen Bronnummer
Omschrijving
Geluidvermogen (dB(A))
nabezinktank1: overstortrand
87
22
meetgoot: vallend water
83
23
verdeelwerk 4: retourvijzels
89
24
verdeelwerk 3: retourvijzels
89
26 t/m 29
vbtank 1/2,3/4: compressorldng
85
34
gebouw1: 5 ventilatiekap dak
83
15 t/m 20
1
De etmaalwaarde is als gedefinieerd als de hoogste waarde van: De geluidsbelasting gedurende de dag, de geluidbelasting in de avond vermeerderd met 5 dB(A) en de geluidbelasting gedurende de nacht vermeerderd met 10 dB(A).
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
74 van 226
Bronnummer
Omschrijving
Geluidvermogen (dB(A))
35
gebouw1: 4x rookgasuitlaat
82
38
effluent uitstroom
85
56 t/m 60
personenwagens
90
70 t/m 71
aandrijving vijzels
80
72 t/m 73
vijzels (twee stuks)
94
74 t/m 75
afloop denitrificatietanks (overstort)
87
groengasinstallatie nieuw
91
81
Geluidberekeningen Met het softwarepakket Geomilieu 2024 is een akoestisch overdrachtsmodel opgesteld. Deze schematiseert de werkelijke situatie tot bronnen, objecten en bodemgebieden. In dit programma is de representatieve bedrijfssituatie ingevoerd van de huidige situatie. Het model implementeert de rekenmethodiek zoals beschreven in bijlage IVh van de Omgevingsregeling (Meet- en rekenmethode geluid industrie). Akoestisch zachte bodemgebieden zoals weiland zijn ingevoerd als 100 % absorberend (bodemfactor = 1), de harde bodemgebieden zoals wegen en water zijn 100 % reflecterend ingevoerd (bodemfactor = 0). Verder worden tuinen, erven, gazons, etc. gemodelleerd met bodemfactor 0,3. Om de geluidsemissie als gevolg van de bestaande AWZI te bepalen, is in dit programma de representatieve bedrijfssituatie ingevoerd van de vergunde situatie. In de directe omgeving van de huidige AWZI en de toekomstige AWZI zijn verscheidene woningen gelegen. Op deze woningen zijn toetspunten gelegd op tweederde van de verdiepingshoogte. Dit resulteert in toetspunten met een hoogte tussen de twee en de 10,2 meter. In onderstaande tabel is het aantal woningen per klasse voor de referentie situatie opgenomen. De berekeningsresultaten voor elk toetspunt zijn opgenomen in bijlage III. Tabel 7.24 Onderverdeling in geluidklassen (etmaalwaarde) Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Klasse I
Klasse II
Klasse III
Klasse IV
84
1
0
0
Autonome ontwikkelingen Als autonome situatie is uitgegaan van de bestaande situatie. Dit is een conservatieve aanname, omdat De Vergulde Hand West autonoom ontwikkeld zal worden als bedrijventerrein (met nieuwe geluidbronnen). Er zijn verschillende autonome ontwikkelingen op en rondom de planlocatie. Ten oosten van De Vergulde Hand West komt een tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten met een instandhoudingstermijn van 10 jaar. De einddatum van dit initiatief is 2034. Na deze periode wordt het gebied herontwikkeld tot bedrijventerrein. Vanwege de tijdelijke aard van de opvang valt deze niet onder objecten met een geluidgevoelige functie en is daarmee niet beschermd tegen geluid (Volgens het Bkl en Bbl). De rechten van bestaande en nieuwe bedrijven worden dan ook niet beperkt. Ditzelfde geldt ook voor de tijdelijke Mrija woningen die direct naast de locatie van de nieuwe zuivering liggen, mogelijk nog tot de nieuwe zuivering in gebruik genomen wordt.
7.3.4
Effectbeoordeling
Geluidbelasting op woningen De verschillende alternatieven zijn op het aspect geluid op hoofdlijnen vergelijkbaar, maar er zijn wel verschillen. Er worden vier verschillende technieken gebruikt voor de vier alternatieven, welke elk hun eigen geluidsemissie hebben. Ook verschillen de omvang, oppervlaktes en locaties van de bronnen. Dit is
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
75 van 226
aangegeven op de aangeleverde plotplannen, welke zijn opgenomen in Figuur 2.2 in paragraaf 2.2.3. In de onderstaande paragrafen worden van elke alternatief de emissiebronnen besproken en wordt het geluid op de gevels van de omliggende gevoelige gebouwen toegelicht. Belangrijk is om te noemen dat er in de verschillende alternatieven reeds maatregelen zijn meegenomen. Zo zijn er voor het verdeelwerk tranenplaten toegepast, wordt de afblaas van de gasballonbuffer gedempt uitgevoerd en wordt het aanleverpunt groen gas (AGG) ook gedempt uitgevoerd. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie en elk alternatief. Het onderliggende geluidonderzoek is ten behoeve van een plan-MER ten behoeve van het Omgevingsplan. De exacte ligging en detaillering van bronnen zal in de project-mer fase verder worden uitgewerkt. De volledige resultaten van de berekeningen ten behoeve van het plan-MER zijn opgenomen in bijlage V. De volledige gegevens van de toetspunten zijn opgenomen in bijlage II. Voor alle onderzochte alternatieven is getoetst aan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT). Aanlegfase In de aanlegfase zullen verschillende werktuigen worden gebruikt met daarbij behorende voertuigbewegingen.
De twee hoogst belastende werkzaamheden zullen naar verwachting het heien van palen zijn ten behoeve van fundering en het plaatsen van damwanden die in de grond moeten worden getrild. Verder zullen er kranen aanwezig zijn om verscheidene bouwwerken op te bouwen, zullen er graafmachines en shovels aanwezig zijn om af te graven en grond te verschuiven en zal er aanvoer zijn van bouwmaterialen zoals beton. Omdat het nog niet duidelijk is welke werkzaamheden er precies plaats gaan vinden en op welke manier en locatie, valt er geen inschatting te maken van de geluidsniveau’s ter plaatse van woningen. In de volgende fases van het project moet worden onderzocht wat het effect is van het bouwgeluid op de omgeving voor het voorkeursalternatief. Daarbij moet bepaald worden of het geluid op de geluidgevoelige objecten toelaatbaar is danwel dat mitigerende maatregelen getroffen moeten worden. Gebruiksfase Alternatief 1a In alternatief 1a wordt er gebruik gemaakt van mUCT reactors in combinatie met nabezinktanks. De reactors maken gebruik van bellenbeluchting en bij de nabezinktanks zijn overloopranden en overstortbakken aanwezig. Verder zijn er voorbezinktanks aanwezig welke afgedekt zijn. Deze zijn om deze reden akoestisch niet relevant. Op de locatie van het influentwerk zijn verschillende bronnen aanwezig.
Het SUG-gebouw (Specifiek Uitgevoerd Gebouw) is ook akoestisch niet relevant vanwege het feit dat de werkzaamheden grotendeels binnen plaatsvinden. Ook zijn er meerdere lavafilters op het terrein aanwezig om de geuremmissie naar de omgeving te beperken. Deze maken gebruik van een ventilator en zijn daarmee akoestisch relevant. De naast het SUG-gebouw staande Slibtanks zijn allen voorzien van een menger. Verder zijn er verschillende ‘chemical plants’ welke ook niet akoestisch relevant zijn en wordt er gebruik gemaakt van een gasbuffer en een flocculatietank welke beide akoestisch relevant zijn. Als laatste zijn er twee effluentgemalen. In onderstaande tabellen zijn de akoestisch relevante bronnen opgenomen, samen met de bedrijfsduur (d/a/n staat voor dag, avond en nacht) en het bronvermogen. De volledige brongegevens zijn opgenomen in bijlage VI. De bronvermogens zijn gebaseerd op de database van Witteveen+Bos, die is opgebouwd op basis van geluidsmetingen op meer dan honderd andere zuiveringsinstallaties. Tabel 7.25 Samenvatting van puntbronnen Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
01
Mixer flocculatietank
12/4/8
84
02
In- effluentgemaal
12/4/8
69
03
Overlooprand
12/4/8
82
04
Ventilator Lavafilter
12/4/8
75
05
Rooster blowerruimte
12/4/8
73
06
Retour slibgemaal
12/4/8
76
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
76 van 226
Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
07
Ventilatiekap dak
12/4/8
83
08
Aandrijving zandwasser
1,2/0,4/0,8
79
09
Aandrijving zandcontainer
1,2/0,4/0,8
82
10
Wisselen container
0,02/--/--
108
11
Roerwerk zandvanger
12/4/8
83
12
Roostergoedpers
12/4/8
80
13
Roosterhark
12/4/8
80
14
Schroef aanvoer roostergoedcontainer
12/4/8
75
15
Perscontainer
12/4/8
86
16
Vrachtwagen stationair draaien
3/--/--
95
17
Slib verpompen met vrachtwagen Lwr
3/--/--
101
19
Slibaanvoer naar silo
12/4/8
83
20
Dakventilator slibgebouw
12/4/8
83
21
Mixer slubbuffer
12/4/8
84
22
Menger slibtank
12/4/8
84
23
Mixer VFA Reactor
12/4/8
74
24
Mixer indikker
12/4/8
74
25
Leiding gasballon aanvoer
12/4/8
85
26
Ventilator Gasdrukbalon
12/4/8
100
27
Afblaas gasballon gedempt
12/4/8
65
28
Retour slibgemaal
12/4/8
82
31
Biogascompressor
12/4/8
79
32
Ontzwaveling biogas
12/4/8
85
33
Biogasbooster
12/4/8
95
34
Luchtbehandeling AKG
12/4/8
78
Tabel 7.26 Samenvatting van Uitstralende daken Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
UD02
Bellenbeluchting
12/4/8
80
Tabel 7.27 Samenvatting van oppervlaktebronnen Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
OB03
Verdeelwerk
12/4/8
77
OB04
Verdeelwerk
12/4/8
77
OB05
Verdeelwerk
12/4/8
68
OB06
Uitstortput
12/4/8
80
OB07
Shovel werkzaamheden
3/--/--
103
Naast stationaire bronnen zijn er ook mobiele bronnen aanwezig op de locatie. Zo komen er personenwagens, vrachtwagens en wordt er gebruik gemaakt van shovel op het terrein. In onderstaande tabel is het aantal vervoersbewegingen per bron opgenomen.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
77 van 226
Tabel 7.28 Samenvatting van mobiele bronnen Bron
Omschrijving
Aantal bewegingen d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
MB01
Personenauto’s
80/20/10
90
MB02
Vrachtauto’s
12/2/4
99
MB03
Shovel
2/2/2
103
In onderstaande tabel zijn het aantal woningen per klasse voor alternatief 1a opgenomen. Tabel 7.29 Onderverdeling in geluidklassen (etmaalwaarde) Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Klasse I
Klasse II
Klasse III
Klasse IV
83
1
1
0
Te zien is dat ten opzichte van de referentiesituatie één woning van klasse I naar klasse II is verschoven. Ook is er één woning van klasse II naar klasse III verschoven. De beoordeling van alternatief 1a is om deze reden als negatief beschouwd. Uit de berekeningen blijkt dat er op één woning een overschrijding is van de standaardwaarde van 50 dB(A) in de etmaalperiode. Het gaat hier om de woning aan de Maassluissedijk 192 en de overschrijding bedraagt 1 dB(A). De maatgevende bronnen hier zijn de mixers van de slibbuffer (bron 21). Alternatief 1b In alternatief 1b wordt er gebruik gemaakt van MBR. De reactors maken gebruik van bellenbeluchting, overloopranden en overstortputten. De rest van de bronnen zijn gelijk aan het voorgaande alternatief. Enkel de locatie en aantallen kunnen verschillen. In onderstaande tabellen zijn de akoestisch relevante bronnen opgenomen, samen met de bedrijfsduur en het bronvermogen. De volledige brongegevens zijn opgenomen in bijlage VII. Tabel 7.30 Samenvatting van puntbronnen Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
01
Mixer flocculatietank
12/4/8
84
02
In- effluentgemaal
12/4/8
69
03
Overlooprand
12/4/8
82
04
Ventilator Lavafilter
12/4/8
75
05
Rooster blowerruimte
12/4/8
73
06
Retour slibgemaal
12/4/8
76
07
Ventilatiekap dak
12/4/8
83
08
Aandrijving zandwasser
1,2/0,4/0,8
79
09
Aandrijving zandcontainer
1,2/0,4/0,8
82
10
Wisselen container
0,02/--/--
108
11
Roerwerk zandvanger
12/4/8
83
12
Roostergoedpers
12/4/8
80
13
Roosterhark
12/4/8
80
14
Schroef aanvoer roostergoedcontainer
12/4/8
75
15
Perscontainer
12/4/8
86
16
Vrachtwagen stationair draaien
3/--/--
95
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
78 van 226
Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
17
Slib verpompen met vrachtwagen Lwr
3/--/--
101
19
Slibaanvoer naar silo
12/4/8
83
20
Dakventilator slibgebouw
12/4/8
83
21
Mixer slubbuffer
12/4/8
84
22
Menger slibtank
12/4/8
84
23
Mixer VFA Reactor
12/4/8
74
24
Mixer indikker
12/4/8
74
25
Leiding gasballon aanvoer
12/4/8
85
26
Gasdrukbalon
12/4/8
100
27
Afblaas gasballon gedempt
12/4/8
65
28
Retour slibgemaal
12/4/8
82
31
Biogascompressor
12/4/8
79
32
Ontzwaveling biogas
12/4/8
85
33
Luchtbehandeling AKG
12/4/8
78
Tabel 7.31 Samenvatting van Uitstralende daken Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
UD02
Bellenbeluchting
12/4/8
86
Tabel 7.32 Samenvatting van oppervlaktebronnen Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
OB04
Verdeelwerk
12/4/8
78
OB05
Verdeelwerk
12/4/8
68
OB06
Uitstortput
12/4/8
80
OB07
Shovel werkzaamheden
3/--/--
103
Naast stationaire bronnen zijn er ook mobiele bronnen aanwezig op de locatie. Zo komen er personenwagens, vrachtwagens en wordt er gebruik gemaakt van shovel op het terrein. In onderstaande tabel is het aantal vervoersbewegingen per bron opgenomen. Tabel 7.33 Samenvatting van mobiele bronnen Bron
Omschrijving
Aantal bewegingen d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
MB01
Personenauto’s
80/20/10
90
MB02
Vrachtauto’s
12/2/4
99
MB03
Shovel
2/2/2
103
In onderstaande tabel zijn het aantal woningen per klasse voor alternatief 1b opgenomen. Tabel 7.34 Onderverdeling in geluidklassen (etmaalwaarde) Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Klasse I
Klasse II
Klasse III
Klasse IV
83
2
0
0
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
79 van 226
Te zien is dat ten opzichte van de referentiesituatie er één woning van klasse I naar een klasse II is verschoven. Dit alternatief wordt als neutraal beoordeeld. Ook zijn er geen overschrijdingen van de standaardwaarde van 50 dB(A) in de etmaalperiode. De maatgevende bron op het hoogst belaste punt is wederom de mixer van de slibbuffer (bron 21). Alternatief 2 In alternatief 2 wordt er gebruik gemaakt van een AB+ systeem. Dit systeem bestaat uit een A- en B-trap en maakt gebruik van tussenbezinktanks en nabezinktanks. Er wordt geen gebruik gemaakt van voorbezinktanks in dit alternatief. De A- en B-trap maken gebruik van bellenbeluchting, de tussen- en nabezinktanks van overloopranden en overstortputten. De rest van de bronnen zijn gelijk aan het voorgaande alternatief. Enkel de locatie en aantallen kunnen verschillen. In onderstaande tabellen zijn de akoestisch relevante bronnen opgenomen, samen met de bedrijfsduur en het bronvermogen. De volledige brongegevens zijn opgenomen in bijlage VII. Tabel 7.35 Samenvatting van puntbronnen Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
01
Mixer flocculatietank
12/4/8
84
02
In- effluentgemaal
12/4/8
69
03
Overlooprand
12/4/8
82
04
Ventilator Lavafilter
12/4/8
75
05
Rooster blowerruimte
12/4/8
73
06
Retour slibgemaal
12/4/8
76
07
Ventilatiekap dak
12/4/8
83
08
Aandrijving zandwasser
1,2/0,4/0,8
79
09
Aandrijving zandcontainer
1,2/0,4/0,8
82
10
Wisselen container
0,02/--/--
108
11
Roerwerk zandvanger
12/4/8
83
12
Roostergoedpers
12/4/8
80
13
Roosterhark
12/4/8
80
14
Schroef aanvoer roostergoedcontainer
12/4/8
75
15
Perscontainer
12/4/8
86
16
Vrachtwagen stationair draaien
3/--/--
95
17
Slib verpompen met vrachtwagen Lwr
3/--/--
101
19
Slibaanvoer naar silo
12/4/8
83
20
Dakventilator slibgebouw
12/4/8
83
21
Mixer slubbuffer
12/4/8
84
22
Menger slibtank
12/4/8
84
23
Mixer VFA Reactor
12/4/8
74
24
Mixer indikker
12/4/8
74
25
Leiding gasballon aanvoer
12/4/8
85
26
Gasdrukbalon
12/4/8
100
27
Afblaas gasballon gedempt
12/4/8
65
28
Retour slibgemaal
12/4/8
82
31
Biogascompressor
12/4/8
79
32
Ontzwaveling biogas
12/4/8
85
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
80 van 226
Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
34
Luchtbehandeling AKG
12/4/8
78
Tabel 7.36 Samenvatting van Uitstralende daken Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
UD02
Bellenbeluchting
12/4/8
74 t/m 86
Tabel 7.37 Samenvatting van oppervlaktebronnen Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
OB05
Verdeelwerk
12/4/8
68
OB06
Uitstortput
12/4/8
80
OB07
Shovel werkzaamheden
3/--/--
103
Naast stationaire bronnen zijn er ook mobiele bronnen aanwezig op de locatie. Zo komen er personenwagens, vrachtwagens en wordt er gebruik gemaakt van shovel op het terrein. In onderstaande tabel is het aantal vervoersbewegingen per bron opgenomen. Tabel 7.38 Samenvatting van mobiele bronnen Bron
Omschrijving
Aantal bewegingen d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
MB01
Personenauto’s
80/20/10
90
MB02
Vrachtauto’s
16/2/4
99
MB03
Shovel
2/2/2
103
In onderstaande tabel zijn het aantal woningen per klasse voor alternatief 2 opgenomen. Tabel 7.39 Onderverdeling in geluidklassen (etmaalwaarde) Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Klasse I
Klasse II
Klasse III
Klasse IV
83
2
0
0
Wanneer de referentiesituatie vergeleken wordt met dit alternatief is te zien dat ook hier een groot aantal woningen in klasse I blijft. Wederom verschuift er één woning van klasse I naar klasse II wat betekent dat het alternatief als neutraal wordt beoordeeld. Er zijn wederom geen overschrijdingen van de standaardwaarde van 50 dB(A) in de etmaalperiode. De maatgevende bronnen op het hoogst belaste punt is wederom de mixer van de slibbuffer (bron 21) en de mengers van de slibtank (bron 22). Alternatief 3 In alternatief 3 wordt er gebruik gemaakt van een aeroob korrelslibsysteem. Dit systeem aeroobkorrelslibreactors en maakt gebruik van voorbezinktanks. Er wordt geen gebruik gemaakt van nabezinktanks in dit alternatief. De aeroobkorrelslibreactors gebruik van bellenbeluchting. Er zijn verder ook geen overstortputten aanwezig voor de aeroobkorrelslibreactors. Daarnaast zijn er extra slibbuffers en een influentbuffer van het Aeroob korrelslibsysteem aanwezig. Hierin wordt gebruik gemaakt van een mixer. De rest van de bronnen zijn gelijk aan het voorgaande alternatief. Enkel de locatie en aantallen kunnen verschillen. In onderstaande tabellen zijn de akoestisch relevante bronnen opgenomen, samen met de bedrijfsduur en het bronvermogen. De volledige brongegevens zijn opgenomen in bijlage IX.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
81 van 226
Tabel 7.40 Samenvatting van puntbronnen Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
01
Mixer flocculatietank
12/4/8
84
02
In- effluentgemaal
12/4/8
69
03
Overlooprand
12/4/8
82
04
Ventilator Lavafilter
12/4/8
75
05
Rooster blowerruimte
12/4/8
73
06
Retour slibgemaal
12/4/8
76
07
Ventilatiekap dak
12/4/8
83
08
Aandrijving zandwasser
1,2/0,4/0,8
79
09
Aandrijving zandcontainer
1,2/0,4/0,8
82
10
Wisselen container
0,02/--/--
108
11
Roerwerk zandvanger
12/4/8
83
12
Roostergoedpers
12/4/8
80
13
Roosterhark
12/4/8
80
14
Schroef aanvoer roostergoedcontainer
12/4/8
75
15
Perscontainer
12/4/8
86
16
Vrachtwagen stationair draaien
3/--/--
95
17
Slib verpompen met vrachtwagen Lwr
3/--/--
101
19
Slibaanvoer naar silo
12/4/8
83
20
Dakventilator slibgebouw
12/4/8
83
21
Mixer slubbuffer
12/4/8
84
22
Menger slibtank
12/4/8
84
23
Mixer VFA Reactor
12/4/8
74
24
Mixer indikker
12/4/8
74
25
Leiding gasballon aanvoer
12/4/8
85
26
Gasdrukbalon
12/4/8
100
27
Afblaas gasballon gedempt
12/4/8
65
28
Retour slibgemaal
12/4/8
82
30
Mixer Korrelslibbufer
12/4/8
74
31
Biogascompressor
12/4/8
79
32
Ontzwaveling biogas
12/4/8
85
34
Luchtbehandeling AKG
12/4/8
78
Tabel 7.41 Samenvatting van Uitstralende daken Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
UD02
Bellenbeluchting
12/4/8
82
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
82 van 226
Tabel 7.42 Samenvatting van oppervlaktebronnen Bron
Omschrijving
Bedrijfsduur d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
OB04
Verdeelwerk
12/4/8
78
OB05
Verdeelwerk
12/4/8
68
OB07
Shovel werkzaamheden
3/--/--
103
Naast stationaire bronnen zijn er ook mobiele bronnen aanwezig op de locatie. Zo komen er personenwagens, vrachtwagens en wordt er gebruik gemaakt van shovel op het terrein. In onderstaande tabel is het aantal vervoersbewegingen per bron opgenomen. Tabel 7.43 Samenvatting van mobiele bronnen Bron
Omschrijving
Aantal bewegingen d/a/n (uur)
Bronvermogen (dB(A))
MB01
Personenauto’s
80/20/10
90
MB02
Vrachtauto’s
18/2/4
99
MB03
Shovel
2/2/2
103
In onderstaande tabel zijn het aantal woningen per klasse voor alternatief 3 opgenomen. Tabel 7.44 Onderverdeling in geluidklassen (etmaalwaarde) Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Aantal woningen per geluidklasse
Klasse I
Klasse II
Klasse III
Klasse IV
83
2
0
0
Te zien is dat ten opzichte van de referentiesituatie er één woning van klasse I naar een klasse II is verschoven. Dit alternatief kan dan als neutraal worden beschouwd. Ook zijn er geen overschrijdingen van de standaardwaarde van 50 dB(A) in de etmaalperiode. De maatgevende bron op het hoogst belaste punt is de retour slibgemaal (bron 28). Indirecte hinder Onder indirecte hinder worden activiteiten verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. Op deze locatie komen voor alle alternatieven personenwagens en vrachtwagens naar de locatie. In alternatief 3 (maximaal aantal vrachtwagens ten opzichte van de andere alternatieven) bedraagt dit achttien, twee en vier vrachtwagens in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode en tachtig, twintig en tien personenwagens in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit de berekeningen is gebleken dat de indirecte hinder in dit geval ten hoogste 35 dB(A) bedraagt in de etmaalperiode. De berekeningen zijn uitgevoerd voor zowel de zuidelijke als noordelijke toegangsroute. Daarmee ligt het geluid ver onder de voorkeurswaarde van 50 dB(A) voor alle alternatieven.
De indirecte hinder is daarmee niet bepalend voor de alternatieven en hoeft niet te worden meegenomen in de beoordeling van elk afzonderlijk alternatief. Sloopfase bestaande zuivering De sloop van de bestaande zuivering zal geluid produceren richting de omgeving en op de geluidgevoelige objecten. Bij de sloop zal gebruik worden gemaakt van graafmachines, kranen, een mobiele puinbreker en vrachtwagens. Om een inschatting te maken van het geluid afkomstig van het slopen van de bestaande zuivering zijn deze maatgevende bronnen in een model ingevoerd. We zijn hierbij uitgegaan van de volgende bronvermogens en aantallen, opgenomen in onderstaande tabel. Alle werktuigen zijn 8 uur per dag in gebruik in de dagperiode.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
83 van 226
Tabel 7.45 Samenvatting van bronnen sloopfase Werktuig
Bronvermogen (dB(A))
Soort bron
Aantal (per dag)
Kraan
104
Oppervlaktebron
1
Shovel
103
Oppervlaktebron
1
Graafmachine
104
Oppervlaktebron
8
Graafmachine passage
108
Mobiele bron
10
Vrachtwagens
98
Mobiele bron
20
Puinbreker
113
Puntbron
1
Uit de resultaten blijkt dat het geluid afkomstig van het slopen van de bestaande zuivering geschat kan worden op circa 47 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woning aan de Maassluissedijk 192. Het geluid van de sloop is daarmee akoestisch niet relevant, ook indien er grotere aantallen werktuigen aanwezig zullen zijn.
Trillingen Trillingen die kunnen voorkomen in de aanleg-, gebruiks- en sloopfase zijn op kwalitatieve eisen beoordeeld. Dit betekent dat er in het kader van de effectvoorspelling geen berekeningen zijn uitgevoerd. In tegenstelling tot bijvoorbeeld geluid, bestaat er in Nederland geen wettelijke of algemeen aanvaarde rekenmethode om een predictie te doen van trillingen voor een toekomstige situatie. Dit neemt niet weg dat op basis van vele metingen en ervaringen in Nederland met betrekking tot wegverkeer, er redelijk inzicht is in de trillingseffecten die verwacht kunnen worden. Bij geluid gaat de overdracht via trillingen in de lucht. Maar trillingen kunnen zich ook via de grond manifesteren. Wanneer bijvoorbeeld vrachtwagens passeren of heiwerkzaamheden op korte afstand van bestaande woningen plaatsvinden, kan dit in beginsel tot voelbare grondtrillingen leiden. Op basis van ervaringen met gelijksoortige inrichtingen blijft de voelbaarheid beperkt tot een afstand van maximaal 50 m. Buiten deze afstand worden grondtrillingen als gevolg van het rijden met vrachtwagens en andere (voornamelijk zware voertuigen) niet meer waargenomen door het menselijk lichaam. Binnen een afstand van 50 meter van de plek waar de vrachtwagens rijden op de locatie zijn geen woningen gelegen. Op basis hiervan wordt daarom geen trillinghinder verwacht.
Geluidcontour ter hoogte van het Volksbos Naast de beoordeling van de geluidbelasting op woningen is gekeken naar de geluidcontour ter hoogte van het Volksbos. Om hiervan een beeld te geven is rondom dit stuk natuur een grid aangelegd op een hoogte van 1,5 meter. In dit grid is een 24-uurs contour bepaald voor alle alternatieven, zonder de maatregelen die in de beoordeling van geluidbelasting op woningen zijn meegenomen (maatregelen aan het verdeelwerk, de gasbuffer en het afleverpunt groen gas). Op deze wijze kan worden aangetoond dat zelfs in het ergste geval, het geluid op het stuk natuur minimaal is. In Figuur 7.5 is te zien dat het geluid afkomstig van alle vier de alternatieven rond de 40 dB(A) ligt in het ‘Volksbos’.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
84 van 226
Figuur 7.5 Geluidcontour rond het volksbos van de vier alternatieven (linksboven: alternatief 1a, rechtsboven: alternatief 1b. linksonder: alternatief 2, rechtsonder: alternatief 3)
7.3.5
Conclusie
Uit de berekeningsresultaten is gebleken dat er enkel in alternatief 1a één overschrijding is de standaardwaarde van 50 dB(A) in de etmaalperiode. Verder is gebleken dat er verschillende verschuivingen plaats gevonden hebben in de geluidklassen zoals eerder gedefinieerd. Deze zijn in onderstaande tabel samengevat, samen met de beoordeling. Tabel 7.46 Samenvatting geluidklassen (etmaalwaarde) Situatie
Woningen per klasse/Verschil t.o.v. referentiesituatie
Woningen per klasse/Verschil t.o.v. referentiesituatie
Woningen per klasse/Verschil t.o.v. referentiesituatie
Woningen per klasse/Verschil t.o.v. referentiesituatie
Klasse I (≤ 45 dB(A))
Klasse II (46-50 dB(A))
Klasse III (51-55 dB(A))
Klasse IV (>55 dB(A))
Referentiesituatie
84/0
1/0
0/0
0/0
Alternatief 1a
83/-1
1/0
1/+1
0/0
Alternatief 1b
83/-1
2/+1
0/0
0/0
Alternatief 2
83/-1
2/+1
0/0
0/0
Alternatief 3
83/-1
2/+1
0/0
0/0
In alle alternatieven neemt het geluid in de omgeving marginaal toe. Bij alternatief 1a heeft dit een negatieve beoordeling gekregen vanwege de impact op de nabijgelegen woning. Het gaat hier om de woning aan de
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
85 van 226
Maassluissedijk 192 en de overschrijding bedraagt 1 dB(A). Bij de andere alternatieven is de beoordeling neutraal. De verschillende installaties hebben in verschillende mate invloed op de omliggende woningen. In dit onderzoek zijn reeds maatregelen toegepast aan het verdeelwerk, de gasbuffer en het afleverpunt groen gas. Om de overschrijding tegen te gaan, of het geluid verder terug te dringen, kan er worden gekeken naar de maatgevende bronnen die resteren. De maatgevende bronnen die resteren zijn de mixers van de slibbuffer, de mixers van de slibtank en de retour slibgemaal. In de aanlegfase zullen verschillende werktuigen worden gebruikt met daarbij behorende voertuigbewegingen. Omdat het nog niet duidelijk is welke werkzaamheden er precies plaats gaan vinden en op welke manier en plek, valt er geen inschatting te maken van de geluidsniveaus ter plaatse van woningen. In de volgende fases van het project moet worden onderzocht wat het effect is van het bouwgeluid op de omgeving voor het voorkeursalternatief. Daarbij moet bepaald worden of het geluid op de geluidgevoelige objecten toelaatbaar is en of hier maatregelen voor moeten worden getroffen. De effectbeoordeling voor geluid als gevolg van de aanlegfase is daarom als PM post opgenomen. Tabel 7.47 Effectbeoordeling op geluid in de aanlegfase Aanlegfase Beoordelingscriteria
Referentie
Geluidbelasting op woningen
0
Effectbeoordeling PM
Tabel 7.48 Effectbeoordeling op geluid in de gebruiksfase
0
Alternatief 3
Geluidbelasting op woningen
Alternatief 2
Referentie
Alternatief 1b
Beoordelingscriteria
Alternatief 1a
Gebruiksfase
-
0
0
0
Tabel 7.49 Effectbeoordeling op geluid in de sloopfase Sloopfase bestaande zuivering Beoordelingscriteria
Referentie
Geluidbelasting op woningen
0
Effectbeoordeling
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
0
86 van 226
7.4
Externe veiligheid
Bij de bedrijfsvoering van een waterzuivering kunnen installaties betrokken zijn welke een risico kunnen vormen voor nabijgelegen populaties. Ook is het mogelijk dat er andere risicobronnen effect hebben op de voorziene AWZI. Dit milieuaspect heet omgevingsveiligheid. Ten behoeve van het plan-MER is een omgevingsveiligheidsonderzoek uitgevoerd naar de alternatieven en vergeleken met de referentiesituatie. Tabel 7.50 Beoordelingscriteria luchtkwaliteit Thema
Aspect
Beoordelingscriterium
Leefomgeving
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheidssituatie
7.4.1
Relevant beleid, wet- en regelgeving
Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke stoffen vrij kunnen komen. De discipline omgevingsveiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij omgevingsveiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het doel van het omgevingsveiligheidsbeleid is tweeledig: 1 2
De bescherming van personen middels borgen van voldoende afstand tussen (beperkt) kwetsbare objecten & locaties en risicobronnen; Het mogelijk maken om te werken met gevaarlijke stoffen.
De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: 1 2
Stationaire bronnen, zoals een fabriek, leiding of een lpg-tankstation; Mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water.
Twee begrippen zijn van belang bij omgevingsveiligheid, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen stationaire bronnen en mobiele bronnen (transport). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het PR geldt een grenswaarde van 10-6 per jaar, binnen deze PR 10-6 contour mogen zich geen (zeer) kwetsbare objecten en kwetsbare locaties bevinden. Voor beperkt kwetsbare objecten en locaties geldt de PR 10-6 contour als richtwaarde. Kwetsbare objecten en locaties kenmerking zich door een aanwezigheid van grote groep mensen of verminderd zelfredzame personen. De classificatie is te vinden in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Basisnetroutes zijn transportroutes waar rekening wordt gehouden met grote transportvolumes van gevaarlijke stoffen. Dit kunnen transportroutes zijn over weg, per spoor, of per schip. Voor elke route zijn risicoplafonds vastgelegd, als een reservering voor toekomstige transportbewegingen. De risicoplafonds zijn vastgelegd als risicoafstanden, welke aansluit bij de hierboven beschreven methodiek van het PR.
Toetsing vindt dus plaats aan de gereserveerde risicoruimte, en niet aan de daadwerkelijke transportbewegingen. Voor transport van gevaarlijke stoffen over basisnetroutes geldt de Regeling Basisnet, het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsregeling. Aandachtsgebieden Het groepsrisico wordt ingevuld door middel van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden maken zichtbaar waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
87 van 226
gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en dient als een beginpunt om na te denken over veiligheid en maatregelen. Er kunnen aanvullende eisen worden gesteld in het omgevingsplan door de gemeente in deze aandachtgebieden door een aandachtsgebied aan te wijzen als voorschriftengebied. Er gelden dan aanvullende bouwkundige vereisten uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Omgevingswet De Omgevingswet heeft als doel om de fysieke leefomgeving te beschermen en te benutten. De algemene regels voor het aspect omgevingsveiligheid zijn gegeven in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bal bevat de regels voor burgers en bedrijven en het Bkl bevat de regels voor overheden. In het Bkl zijn ook de definities voor (beperkt) kwetsbare objecten en locaties beschreven. De Regeling basisnet beschrijft de transportroutes welke vallen onder het basisnet transport. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) wordt beschreven hoe getoetst moet worden aan het PR en het groepsrisico. Provinciaal en gemeentelijk beleid Er is geen gemeentelijk beleid met betrekking tot omgevingsveiligheid beschikbaar. Er is wel provinciaal beleid opgesteld voor het aspect omgevingsveiligheid. Omgevingsveiligheid wordt provinciaal gezien als een aandachtspunt, vanwege de hoge mate van industrialisering en dichte bevolking.
Hierdoor heeft ZuidHolland, meer dan andere provincies, te maken met omgevingsveiligheid. Er zijn vier punten uit het beleid relevant voor de beoogde ontwikkeling; 1
Omgevingsveiligheid moet sinds mei 2024 worden meegenomen als ontwerpvariabele, in plaats van een traditionele benadering waar het wordt gezien als toetsingsinstrument; Risicovolle activiteiten worden waar mogelijk geclusterd, enkel als dit verantwoord kan. Dit zorgt voor een veiligere leefomgeving, betere ruimtelijke ordening en bied mogelijkheden tot vergaande samenwerking (denk aan het gebruik van elkaars reststromen, of afname van (deel)producten); Het uitgangspunt is om de risico's als gevolg van het gebruik van gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk te reduceren bij de risicobron. Hier is specifiek aandacht voor het transport van gevaarlijke stoffen, dit is in mindere mate van toepassing op de AWZI; Binnen risicogebieden moet ruimte blijven om gevaarlijke activiteiten uit te voeren, ontwikkeling aan de rand van dergelijke risicogebieden dienen hier rekening mee te houden zodat risicovolle bedrijfsactiviteiten mogelijk blijven.
2
3
4
7.4.2
Beoordelingsmethodiek
De alternatieven worden beoordeeld op basis van de risico-effecten op de omgeving. De risico-effecten zijn per alternatief afgezet tegen de wet- en regelgeving en de referentiesituatie. De beoordeling van de alternatieven voor het thema omgevingsveiligheid gebeurt aan de hand van het beoordelingskader dat is weergegeven in Tabel 7.51. Tabel 7.51 Wijze van beoordelen externe veiligheid Effectscore
Toelichting
Beoordeling externe veiligheid
++
Zeer positief effect
De omgevingsveiligheidssituatie verbetert sterk
+
Positief effect
De omgevingsveiligheidssituatie verbetert
0
Neutraal effect
De omgevingsveiligheidssituatie is vergelijkbaar met de referentiesituatie
-
Negatief effect
De omgevingsveiligheidssituatie verslechtert, maar voldoet aan wet- en regelgeving
Zeer negatief effect
De omgevingsveiligheidssituatie verslechtert en voldoet niet aan wet- en regelgeving
--
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
88 van 226
7.4.3
Referentiesituatie
Huidige situatie Er worden twee aspecten beschouwd: (1) is het veilig om de AWZI op De Vergulde Hand West te hebben met oog op de omliggende risicobronnen en (2) vormt de AWZI geen onacceptabele risicobron voor haar omgeving. Om dit te kunnen vaststellen worden in onderstaande paragrafen de omliggende risicobronnen in kaart gebracht. Externe risicobronnen Het plangebied ligt nabij de volgende risicobronnen, zie ook Figuur 7.6: 1 2 3 4 5
Zeevaart basisnetroute ‘Noord-ingang en Nieuwe Waterweg’; Diverse Seveso-inrichtingen (Botlek haven); Twee windturbines; Aardgas- en kerosinebuisleidingen Luchthaven Rotterdam airport Milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico
Figuur 7.6 Kaart van Atlasleefomgeving: Milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico (in groen, bestaande locatie AWZI De Groote Lucht, in rood, toekomstige locatie AWZI Vergulde Hand).
1 Basisnet water Het plangebied ligt nabij de zeevaart basisnetroute 'Noord-ingang en Nieuwe Waterweg’. Voor deze route geldt een PR10-6 -contour van 0 meter. Er varen zowel binnenvaartschepen als zeeschepen. Het brandaandachtsgebied (30 meter) en het explosieaandachtsgebied (200 meter) hebben geen overlap met het plangebied. De transporthoeveelheden zijn gegeven in onderstaande tabel (Rijkswaterstaat, 2024). In deze tabel zijn de referentie vervoershoeveelheden het maximaal aantal toegestane transportbewegingen zijn. De realisatiecijfers tonen hoeveel transport daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Tabel 7.52 Basisnet water ‘Noord-ingang en Nieuwe Waterweg’ - realisatiecijfers Stofcategorie
Referentie vervoershoeveelheden
Realisatiecijfers (2023)
LF1
9.882
1.051
LF2
13.958
835
LT1
146
0
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
89 van 226
Stofcategorie
Referentie vervoershoeveelheden
Realisatiecijfers (2023)
LT2
0
0
GF2
0
41
GF3
2.135
138
GT3
196
15
Er zijn geen basisnet weg of basisnet spoor transportroutes binnen 200 meter van toekomstige locatie van de AWZI Vergulde Hand gelegen. 2 Seveso-inrichting (Botlek haven; binnen gifwolkaandachtsgebied en PR10-8-contour). Aan de overzijde van Het Scheur ligt het Botlek industrieterrein. Dit is een industrieterrein waar veel (petro)chemische industrie is gelegen. Hier is sprake van veel bedrijvigheid met gevaarlijke stoffen, welke effect kunnen hebben op personen die zich in de nabijheid bevinden. Het plangebied ligt binnen het invloedgebied van diverse (chemische) bedrijven, ook liggen er meerdere gifgas- en explosieaandachtsgebieden. 3 Windturbines Op en nabij de locatie van AWZI De Groote Lucht zijn twee windturbines aanwezig. 4 Aardgas- en kerosinebuisleidingen (binnen brandaandachtsgebied); Er zijn diverse buisleiding gelegen ten noorden van het plangebied van Vergulde Hand West. Het gaat om zowel aardgas- als kerosinebuisleidingen. 5 Luchthaven Rotterdam airport De planlocatie ligt binnen de PR10-8-contour van de luchthaven (Adecs, 2015).
Figuur 7.7 Kaart met de 10-8-contouren uit het MER van Rotterdam Airport uit 2015 (Adecs, 2015).
AWZI De Groote Lucht als risicobron AWZI De Groote Lucht heeft zelf twee risicobronnen; de biogashouder en de slibvergistingsinstallaties. Echter zijn deze dermate klein dat geen sprake is van een significante hoeveelheid opgeslagen biogas (<10 ton en
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
90 van 226
dus onder de drempelwaarde voor vlambare gassen conform de Seveso III richtlijn). Hiermee zijn geen algemene regels van toepassing vanuit het Bal, en de activiteit is ook niet beschreven in bijlage VII van het Bkl. Hieruit volgt dat er geen vaste afstand is en dat er geen noodzaak is om een veiligheidsafstand te berekenen. Risicobronnen op De Vergulde Hand West Op het moment zijn er geen activiteiten met risicobronnen op de toekomstige locatie van de nieuwe AWZI. Autonome ontwikkelingen Het is niet de verwachting dat de windturbines binnen afzienbare tijd worden weggehaald, hetzelfde geldt voor de nabijgelegen (chemische) industrie, de buisleidingen en de luchthaven. Tijdelijke huisvesting Voor arbeidsmigranten wordt er op het bedrijvenpark De Vergulde Hand, tussen de James Wattweg en de George Stephensonweg, tijdelijk huisvesting voorzien. Voor Tradiro zijn in totaal 72 woonunits voor in totaal 282 arbeidsmigranten voorzien. Er komen zes ruimtes met een gemeenschappelijke functie, zoals een beheerdersruimte, een wasserette, een sportvoorziening, een polyvalente ruimte en een fietsenstalling. De tijdelijke huisvesting is voor een maximale duur van 10 jaar voorzien tot 2034.
7.4.4
Effectbeoordeling
Het beoogde voornemen heeft mogelijk een effect op omliggende objecten en locaties vanuit het kader van omgevingsveiligheid. Voor omgevingsveiligheid zijn de ligging van de risicobronnen en het kantoor (beperkt kwetsbaar object, lichtblauw in Figuur 2.2 in paragraaf 2.2.3) van belang. Het kantoor is in alle alternatieven aan de oostzijde van het terrein gelegen, veelal ten hoogte van het midden van het terrein. De risicobronnen (de vergistingsinstallaties, rood in Figuur 2.2 in paragraaf 2.2.3) zijn voor alternatief 1a, 1b, en 2 gelegen in de zuidoostzijde van het terrein. In alternatief 3 is een andere locatie voor de vergistingsinstallaties voorzien: de noordoostzijde van het terrein. Gebruiksfase Er worden twee aspecten beschouwd: (1) is het veilig om de AWZI hier te plaatsen met oog op de omliggende risicobronnen en (2) vormt de AWZI geen onacceptabele risicobron voor haar omgeving. Externe risicobronnen met effect op AWZI De beoogde ontwikkeling ligt buiten het invloedgebied van de zeevaart basisnetroute 'Noord-ingang en Nieuwe Waterweg’ (meer dan 200 meter). Daarom is het niet nodig om de inpasbaarheid van het voornemen aan basisnet water te toetsen. De beoogde ontwikkeling ligt buiten de maximale afwerpafstand bij overtoeren (360 meter) van de windturbines (Ecofys 2007). Hiermee is er geen effect van de windturbines op de voorgenomen locatie.
Door de verplaatsing van de waterzuivering komt deze verder van het Botlek industrieterrein te liggen. Echter ligt de nieuwe locatie nog steeds binnen het invloedgebied, en het gifaandachtsgebieden van diverse (chemische) industrieën. Er is geen sprake van een wijziging op dit punt. Ook ten aanzien van de luchthaven zijn er geen wijzigingen ten opzichte van de situatie bij de Groote Lucht. De PR 10-8-contour van de luchthaven is voor de alternatieven niet onderscheidend. Er zijn diverse buisleiding gelegen ten noorden van het plangebied van Vergulde Hand West. Het gaat om zowel aardgas- als kerosinebuisleidingen. De buisleidingen hebben geen PR10-6 contour. Beide buisleidingen hebben wel een brandaandachtsgebied, binnen het brandaandachtsgebied kan sprake zijn van een warmtestralingscontour van meer dan 10 kW/m2. De contour is gelegen over de locatie van de AWZI. Het kantoor bevindt zich in geen van de alternatieven binnen het brandaandachtsgebied. In alternatieven 1a, 1b en 2 is de contour niet gelegen over de vergistingsinstallaties. In alternatief 3 is het brandaandachtsgebied gelegen over één van de vergistingsinstallaties. Bij falen van de aardgasleiding is het mogelijk dat door warmtestraling deze installatie ook zal falen. Bij het falen van de buisleiding is het effect als gevolg van het
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
91 van 226
falen van de vergistingsinstallatie niet significant, de impact van het falen van de buisleiding op de omgeving is vele malen groter.
Figuur 7.8 Externe risicobronnen met effect op AWZI
AWZI als risicobron De AWZI heeft de gasbuffer en vergistingsinstallaties als relevante installaties voor omgevingsveiligheid. In deze systemen wordt biogas opgeslagen. Het biogas wordt gezien als een Seveso categorie P2 ‘ontvlambare gassen’ stof. Het waterstofsulfidegehalte ligt voor biogas uit afvalwaterslib gemiddeld met 0,04 vol% lager dan 0,2 vol% en wordt hiermee gezien als niet toxisch (STOWA 2011). De lage drempelwaarde voor P2 ligt op 10.000 kg. Grofweg kan worden gezegd dat de dichtheid van het biogas 1,1 kg/m 3 bedraagt. De totale hoeveelheid biogas aanwezig op de locatie bedraagt maximaal 7.307 kg, zie Tabel 7.53. Hiermee is in geen van de alternatieven sprake van een overschrijding van de lage drempelwaarde. Tabel 7.53 Hoeveelheid biogas in insluitsystemen Insluitsysteem
Maximaal volume [m3]
Netto volume slib [m3]
Vullingsgraad slib [%]
Netto volume biogas [m3]
Massa biogas [kg]
Biogasbuffer
2.250
n.v.t.
n.v.t.
2.250
2.475
Vergistingsinstallatie 1a
11.793
10.573
90
1.220
1.342
Vergistingsinstallatie 1b
11.793
10.573
90
1.220
1.342
Vergistingsinstallatie 2
9.434
8.458
90
976
1.074
Vergistingsinstallatie 3
9.434
8.458
90
976
1.074
Totaal
7.307
In alternatief 3 zijn de tijdelijke huisvesting projecten iets dichter bij de slibvergistingsinstallaties gelegen. Dit is vergunbaar, omdat er geen sprake is van een berekende of voorgeschreven PR10-6-contour van de slibvergistingsinstallaties. Er is geen onderling verschil tussen de andere drie alternatieven. Voor de slibverwerkende activiteiten en de gaslijn gelden geen algemene regels vanuit het Bal. De activiteiten zijn ook
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
92 van 226
niet beschreven in bijlage VII van het Bkl. Hieruit volgt dat er geen vaste afstand is en dat er geen noodzaak is om een veiligheidsafstand te berekenen. Dit geldt voor alle alternatieven.
7.4.5
Conclusie
De relevante risicobronnen voor het plangebied zijn: diverse Seveso-inrichtingen (Botlek haven) en diverse aardgas/kerosine buisleidingen. Ook ligt de 10-8-contour van vliegveld Rotterdam Airport over het plangebied. Daarnaast heeft de AWZI impact op haar omgeving, vanwege van de slibvergistingsactiviteiten. Er is geen grond voor het berekenen van veiligheidsafstanden voor de eigen activiteiten. De effecten van omgevingsveiligheid als gevolg van de AWZI op haar omgeving zijn beperkt. De activiteiten slibvergisting en biogasopslag kennen geen voorgeschreven of te berekenen veiligheidsafstanden. Hiertoe verandert de situatie ten opzichte van de referentiesituatie vanuit de AWZI niet. De effecten op omgevingsveiligheid bij alternatief 3 zijn in beperkte mate groter dan bij de andere alternatieven omdat de slibvergisting en gaslijn iets dichter richting de tijdelijke huisvestingslocaties zijn geprojecteerd. Er is tevens sprake van overlap tussen de vergistingsinstallaties en het brandaandachtsgebied als gevolg van de buisleidingen. Echter resulteert dit niet in een PR10-6-contour, waardoor het voornemen vergunbaar is. Het aantal risicobronnen met een effect op de AWZI neemt af ten opzichte van de referentiesituatie. De PR106-countour van de bestaande windturbines is niet langer gelegen over de locatie en dus ook niet over het kantoor.
De locatie ligt niet langer binnen het explosieaandachtsgebied van basisnetroute water ‘Noordingang en Nieuwe Waterweg’, maar nu wel binnen het brandaandachtsgebied van de diverse buisleidingen. Het kantoor ligt niet binnen deze aandachtsgebieden. Alles overwegende wordt het effect op het aspect omgevingsveiligheid als neutraal beoordeeld. Aandachtspunten Er zijn geen aanvullend benodigde en/of gewenste mitigerende maatregelen geïdentificeerd. Een aandachtspunt voor het vervolg is de hoeveelheid biogas/groengas welke wordt opgeslagen (en aanwezig is in de vergistingsinstallaties). Indien de hoeveelheden groter gaan worden dan nu verwacht kan er sprake gaan zijn van een Seveso-inrichting. Vooralsnog is dat niet het geval. Tabel 7.54 Effectbeoordeling op externe veiligheid in de gebruiksfase
0
Alternatief 3
Omgevingsveiligheidssituatie
Alternatief 2
Referentie
Alternatief 1b
Beoordelingscriteria
Alternatief 1a
Gebruiksfase
0
0
0
0
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
93 van 226
7.5
Gezondheid
Gezondheid is een veelomvattend thema dat als maatschappelijk belang aan de basis ligt van het milieubeleid en -regelgeving en aan milieueffectrapportage. Daarom is het ook relevant om de effecten op de volksgezondheid in dit milieueffectrapport in beeld te brengen. Dit hoofdstuk gaat daarop in. We beschouwen in dit hoofdstuk wat het effect is van geluid, luchtkwaliteit, geur en omgevingsrisico's op de gezondheid. Tabel 7.55 Beoordelingscriteria gezondheid Thema
Aspect
Beoordelingscriterium
Leefomgeving
Gezondheid
Gezondheidskwaliteit vanwege geluid, luchtkwaliteit, geur en omgevingsveiligheidsrisico’s
7.5.1
Relevant beleid, wet- en regelgeving
Omgevingswet De instrumenten uit de Omgevingswet bieden overheden kansen om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Wet publieke gezondheid De Wet publieke gezondheid (Wpg) regelt de organisatie van de publieke gezondheidszorg in Nederland. Deze wet richt zich op het bevorderen en beschermen van de volksgezondheid. Naast andere zaken regelt de wet dat gemeenten gezondheidsbeleid opstellen, zorgdragen voor een medisch milieukundig gezonde leefomgeving en gezondheid meewegen in bestuurlijke beslissingen. De GGD wordt door gemeenten hiervoor ingezet. Milieunormen De milieukundige normstelling waarin gezondheid als een van de maatschappelijke belangen meeweegt, is opgenomen in milieu wet- en regelgeving. Dit is bij de afzonderlijke thema’s in de andere hoofdstukken van dit MER beschreven.
Advieswaarden Het voldoen aan de milieunormen is echter geen garantie voor een gezonde leefomgeving, omdat bij de normstelling ook andere dan gezondheidsbelangen zijn meegewogen. Bijvoorbeeld economische ontwikkeling en werkgelegenheid. In het kader van een gezonde leefomgeving is het daarom belangrijk strengere waarden als criterium te hanteren bij de beoordeling van gezondheidseffecten. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft advieswaarden opgesteld om gezondheidseffecten van geluid of lucht te verminderen. De GGD heeft advieswaarden opgesteld voor geur, geluid en lucht om een zo gezond mogelijke situatie te creëren. Deze advieswaarden zijn terug te vinden in de GGD-richtlijnen (RIVM). Het is belangrijk hierbij te vermelden dat deze waarden als aanvaardbaar worden gezien, maar dat er nog steeds gezondheidseffecten kunnen optreden. In onderstaande tabel zijn deze waarden weergegeven. Voor omgevingsveiligheid ontbreken dergelijk advieswaarden.
Plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen – 31 maart 2025
94 van 226
Tabel 7.56 WHO en GGD advieswaarden voor geluid en luchtkwaliteit WHO advieswaarden Geur 2B
Geluid 3B
Luchtkwaliteit 4B
1B
Woonkern
-
12% geurhinder (maximaal 2 ouE/m³)
Gemengde functies
-
20% geurhinder (maximaal 10 ouE/m³)
Wegverkeerlawaai
53 dB Lden/ 45 dB Lnight
50 dB Lden/ 40 dB Lnight
Railverkeer
54 dB Lden/ 44 dB Lnight
50 dB Lden/ 40 dB Lnight
Vliegverkeer
45 dB Lden/ 40 dB Lnight
als WHO
Bedrijven
-
50 dB Lden/ 40 dB Lnight
NO2
3
als WHO
3
als WHO
10 µg/m jaargemiddeld
PM10
15 µg/m jaargemiddeld 3
PM2,5
7.5.2
GGD advieswaarden
0B
5 µg/m jaargemiddeld
als WHO
Beoordelingsmethodiek
Er zijn diverse manieren waarop gezondheidseffecten van een plan kunnen worden beoordeeld. Zo zijn er kwantitatieve methoden die de milieusituatie omrekenen naar ziektelast voor de bevolking. Deze methoden richten zich op de te berekenen milieueffecten (zoals geluid en luchtkwaliteit), zijn erg bewerkelijk en zijn vooral zinvol om toe te passen als er aanzienlijke en onderscheidende effecten verwacht worden als gevolg van een voornemen en/of alternatieven. Tot voor kort werd ook veel gebruik gemaakt van GezondheidsEffectScreening (GES). 1 Daarbij wordt de milieukwaliteit op het gebied van geluid, luchtkwaliteit en veiligheidsrisico's vertaald naar een milieugezondheidskwaliteit. Vooral om de hierin verouderde gehanteerde waarden voor een gezonde luchtkwaliteit en geluidbelasting wordt deze systematiek niet meer toegepast. 30F
Daarnaast zijn er kwalitatieve methoden die een breed scala aan factoren van de leefomgeving in beschouwing nemen. Een voorbeeld daarvan zijn de kernwaarden voor de gezonde leefomgeving die door de GGD GHOR Nederland zijn geformuleerd. 2 Dit betreft waarden die idealiter in elk gemeentelijk ruimtelijk plan of beleid verwerkt zijn, en die voor zover het plan of beleid (nog) geen invulling geeft aan deze waarden, handvatten bieden om de leefomgeving gezonder te maken. 31F
Van het plan AWZI De Vergulde Hand hoeft geen relevante impact verwacht te worden op de meeste van de GGD-kernwaarden, maar mogelijk wel van geluid, luchtkwaliteit, geur en omgevingsrisico’s. De GGD heeft daarom geadviseerd in deze fase niet primair de kwalitatieve kernwaarden te beschouwen maar te focussen op de gezondheidskundige advieswaarden uit de GGD-richtlijnen omdat deze het meest relevant zijn. Op basis van afzonderlijke beschouwingen per thema (geluid, luchtkwaliteit etc.) geven we een overkoepelend oordeel over de mate waarin er bij bestaande woningen door het plan een verbetering of verslechtering optreedt van de milieugezondheidskwaliteit. Gezondheidseffecten van geluid en luchtkwaliteit Veranderingen in geluid en luchtkwaliteit in de omgeving worden beoordeeld in relatie tot de WHOadvieswaarden en gezondheidskundige advieswaarden van de GGD. Deze zijn in de vorige paragraaf beschreven. De beoordelingen worden gedaan op basis van de effecten voor geluid en luchtkwaliteit zoals beschreven in hoofdstuk 7.1 en 7.2. Laag frequent geluid is niet meegenomen, omdat de maatgevende bronnen voor geluid geen laag frequent geluid veroorzaken.