Bijlage 4 - TAM-omgevingsplan Vergulde hand Motivering
Tekst van het document
Parkeren De vraag naar parkeerplaatsen zal niet tot nauwelijks toenemen ten opzicht van de huidige situatie als gevolg van realisatie van AWZI Vergulde Hand. De realistische parkeerdruk van voorgenomen ontwikkeling bestaat uit 60 tot 80 parkeerplaatsen*. Dit aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd op eigen terrein van de AWZI. *Conform Beleidsregel Parkeernormen 2019: 3,4 plekken per 100 m2. kantooroppervlak: 3,4 x 1820 m2 = +/- 62 plekken.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 49
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen
6.6.3
Conclusie
De verkeerssituatie in de referentiesituatie is geschikt voor de voorgenomen ontwikkeling: omdat de verkeersintensiteit op de omliggende wegen in de autonome situatie laag is, is de verwachting dat de beoogde verkeerstoename probleemloos kan worden opgevangen. De voorgenomen ontwikkeling zelf heeft slechts beperkt effect op de verkeers- en parkeersituatie. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
6.7
Duurzaamheid
Voor het thema duurzaamheid zijn de aspecten energie, grondstoffen en klimaatneutraliteit beschouwd. Het thema energie gaat over het verschil tussen de benodigde energie om de zuivering te bouwen en in bedrijf te houden en de energie die de nieuwe zuivering oplevert. Het thema grondstoffen gaat over de productie van grondstoffen. Voor het thema klimaatneutraliteit is gekeken naar de CO2-impact, uitgedrukt in CO2-equivalenten. Het volledige onderzoek is te raadplegen in Bijlage 1
6.7.1
Toetsingskader
Klimaatwet (20 december 2018) De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO2-uitstoot moet terugdringen. Nederland werkt nu nationaal aan 49 % minder uitstoot in 2030 en 95 % minder uitstoot in 2050 ten opzichte van 1990. Strategie Delfland Circulair (17 mei 2018) Delfland wil in 2050 klimaatneutraal zijn en een CO2 footprint van netto 0 hebben. De afvalwaterzuiveringen hebben hier een belangrijk aandeel in, niet alleen vanwege energieverbruik en -levering. Bij het zuiveren van afvalwater komen broeikasgassen (lachgas, methaan) vrij. De uitstoot hiervan moet worden geminimaliseerd om niet meer bij te dragen aan klimaatverandering. Delfland heeft als doel om in 2050 100 % circulair te werken. Dat betekent dat er in principe geen afvalstromen meer zijn, maar alles nuttig wordt hergebruikt. Beoordelingsmethode Energie Vanuit het technologisch ontwerp van de schetsontwerpen van de alternatieven en informatie over de huidige verbruiken van AWZI De Groote Lucht uit het Technisch Jaarverslag (2023) is het energieverbruik en de energieproductie in kaart gebracht. Dit inzicht is gebruikt om kwantitatief een inschatting te geven van het energiegebruik. Grondstoffen Het aspect grondstoffen gaat in op de mate waarin grondstoffen worden teruggewonnen in de voorgenomen ontwikkeling in vergelijking met de referentiesituatie.
Terugwinning houdt in dat een stof die aanwezig is in het afvalwater wordt teruggewonnen voor hoogwaardige inzet. Klimaatneutraliteit
50
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen
Klimaatneutraliteit geeft de veroorzaakte CO2-impact aan, uitgedrukt in CO2-equivalenten, van zowel directe emissies door de voorgenomen ontwikkeling en emissies die ontstaan eerder en later in de keten. Bij een CO2-impactanalyse wordt gekeken naar veroorzaakte CO2-impact in alle levensfasen van de toegepaste producten, zoals energie en chemicaliën. Klimaatneutraliteit is beoordeeld op basis van: 1. de CO2-impact die veroorzaakt wordt door de toegepaste grondstoffen in de gebruiksfase (van productie tot einde levensduur)* ; 2. de CO2-impact van energieverbruik in de gebruiksfase én de CO2-compensatie door energieproductie in de gebruiksfase; 3. de CO2-impact door directe procesemissies N2O, CH4 en CO2 die optreden tijdens het zuiveren van afvalwater in de gebruiksfase. *Uit de schetsontwerpen is nog geen beeld beschikbaar van de hoeveelheid teruggewonnen grondstoffen per alternatief, daarom wordt CO2-compensatie voor grondstoffenproductie niet meegenomen.
6.7.2
Resultaten
Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op duurzaamheid Energie In de voorgenomen ontwikkeling wordt elektriciteit ingekocht en groengas geproduceerd. Door de technische werking van het planvoornemen is relatief veel energie nodig. Het planvoornemen heeft een positieve energiebalans van +0,028 GJ/i.e.. Dit betekent dat het planvoornemen niet energieneutraal is. Dit betekent dat de AWZI meer energie kost per gezuiverde eenheid water dan dat de AWZI oplevert. Grondstoffen In de voorgenomen ontwikkeling is terugwinning van chemicaliën, nutriënten en bouwstoffen mogelijk. Klimaatneutraliteit Het planvoornemen stoot meer broeikasgasemissies uit dan AWZI de Groote Lucht. Dit komt omdat meer influent en slib wordt verwerkt in de nieuwe AWZI en daardoor treden meer emissies op door de afbraak van slib en de omzetting van het gevormde groengas naar energie. Daar staat tegenover dat op de nieuwe zuivering de wens is om CO2 te vervloeien. Dit levert een CO2-compensatie op, wat is opgenomen in de CO2-impact van chemicaliën. Daarnaast is de CO2-impact per i.e. van het planvoornemen wel lager dan in de referentiesituatie: 0,05 ton CO2-eq/i.e./jaar tegenover 0,08 ton CO2-eq/i.e./jaar.
6.7.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling heeft een negatieve impact ten aanzien van het aspect energie, maar een positieve impact ten aanzien van het aspect grondstoffen. Daarnaast neemt de totale CO2 uitstoot met de voorgenomen ontwikkeling toe, maar afgezet tegen de omvang van de AWZI neemt de CO2-uitstoot juist af. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 51
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen
6.8
Ecologie
Ten aanzien van het thema Ecologie is in het plan-MER ingegaan op de natuurtoets die is gedaan. Deze is terug te vinden in Bijlage 1. Het plan-MER geeft een algemene indruk van het plangebied en van de daar voorkomende beschermde natuurwaarden. Het doel van de natuurtoets is het toetsen van het voornemen aan de vigerende wet- en regelgeving. Specifiek gaat het om de volgende onderdelen: voortoets in het kader van Natura 2000; quickscan soortenbescherming; beoordeling planologisch beschermde Natuurnetwerk Nederland (NNN); houtopstanden. Uit de natuurtoets volgt of in het kader van Natura 2000 een Passende beoordeling nodig is en of in het kader van soortenbescherming vervolgstappen zoals het uitvoeren van een aanvullend onderzoek en een vergunningsaanvraag noodzakelijk zijn. Daarnaast geeft de natuurtoets duidelijkheid over of vervolgstappen ten aanzien van het planologisch beschermde NNN nodig zijn en tot slot wordt beschreven of voor het kappen van de opstand een kapmelding ingediend moet worden bij het bevoegd gezag. In onderstaande paragrafen zijn de belangrijkste uitkomsten van de natuurtoets samengevat.
6.8.1
Toetsingskader
In het Bal is in hoofdstuk 11 de bescherming van natuur in Nederland opgenomen. Het Bal bevat onder andere regels voor de bescherming van natuurgebieden, in het wild levende dier- en plantensoorten en houtopstanden in Nederland. Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. Het Bal kent drie onderdelen die relevant zijn voor dit project. De relevante onderdelen van de Ow en Bal worden onderstaand toegelicht. Natura 2000-gebieden (Bal § 11.1) Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn moeten Natura 2000-gebieden aangewezen worden om habitats en soorten van Europees belang te beschermen. Deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In totaal zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en/of habitattypen. Per soort en/of habitattype is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is of dat uitbreiding dan wel verbetering nodig is.
Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van (de aangewezen habitattypen en -soorten van) een Natura 2000-gebied. Soorten (Bal § 11.2) Paragraaf 11.2 van het Bal kent drie beschermingsregimes: 1. beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Bal § 11.2.2): a. dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Bal § 11.2.3): a. dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn; 3. beschermingsregime andere soorten (Bal § 11.2.4):
52
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen a. dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IX onder A en B van het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten van nature voorkomend in Nederland. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen. Zo is het verboden om nesten van vogels te vernielen of te beschadigen en is het verboden om soorten die vallen onder de Habitatrichtlijn te verstoren. De bepalingen in paragraaf 11.2.4 van het Bal Ow zien toe op de 'nationale' andere soorten die zijn genoemd in de bijlage IX onder A en B. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen. In beginsel moet met voorzorgsmaatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast. Lukt dat niet en worden verbodsbepalingen overtreden, dan is een vergunning nodig. Voor de 'andere soorten' van artikel 11.2.4 kunnen provincies en het ministerie van LVVN een algemene vrijstelling van de vergunningsplicht vaststellen middels een verordening. De lijst met vrijgestelde soorten kan daardoor per provincie verschillen. Specifiek e zorgplicht artikel 11.27 De algemene zorgplicht die bestond onder de Wet natuurbescherming, is in het Bal gespecificeerd.
Bij het uitvoeren van een flora- en fauna activiteit dienen onder de specifieke zorgplicht extra maatregelen te worden genomen indien er aanwijzingen zijn voor het voorkomen van bepaalde plant- en diersoorten. Het betreft zowel vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten als trekvogelsoorten en Rode Lijst soorten, ongeacht of er vrijstellingen, gedragscodes of vergunningen van toepassingen zijn. De specifieke zorgplicht geldt ook voor de leefgebieden en natuurlijke habitats van de hier bovengenoemde soorten. Tijdens een flora en fauna activiteit moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt (in die volgorde). Natuurnetwerk Nederland Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN), is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. De bescherming van deze waarden vindt plaats conform de Provinciale Omgevingsverordeningen door toepassing van een specifiek afwegingskader: het 'nee, tenzij'-regime. Nieuwe plannen en/of projecten zijn niet toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn.
In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten vereist. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze inhoudelijke doelen zijn per provincie uitgewerkt in het Natuur-beheerplan (natuurtypen) en aanvullende provinciale documenten. In geval van Natuurnetwerk Nederland zijn de doelen uitgewerkt in de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Er hoeft geen rekening gehouden te worden met externe werking (de effecten van de voorgenomen ontwikkeling buiten de begrensde NNN-gebieden, op NNN-gebieden). Houtopstanden (Bal § 11.3) Het is verboden om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder een melding te doen bij gedeputeerde staten. Indien een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld moet er herplant plaatsvinden van de gevelde houtopstand. De provincie heeft regels opgesteld over de herplant. Onder een houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
Er zijn een aantal uitzonderingen, zoals houtopstanden binnen de bebouwde kom, kweekbomen en populieren en wilgen als bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 53
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen wegbeplanting.
6.8.2
Resultaten
Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Oude Maas en is gelegen op ongeveer 4 kilometer ten zuiden van het plangebied (zie onderstaande afbeelding). Andere Natura 2000-gebieden, zoals het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen en Voornes Duin, liggen op meer dan 11 kilometer afstand van het plangebied.
Afbeelding 6.3 Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de beschermde Natura 2000-gebieden
Vanuit de voorgenomen ontwikkeling zijn negatieve effecten door verzuring en vermesting niet op voorhand uitgesloten. Voor de aanlegwerkzaamheden en gebruiksfase is daarom een AERIUS-berekening gedaan. Op basis van deze berekening is de maximale en tijdelijke stikstofdepositietoename tijdens de aanlegfase 0,01 mol/ha/j. Uit de ecologische beoordeling (zie Bijlage 1) blijkt dat (significant) negatieve gevolgen kunnen worden uitgesloten. Soorten Het onderstaande overzicht (zie onderstaande tabel) geeft een samenvatting van de mogelijk voorkomende beschermde soorten in en rondom het plangebied en de hierboven beschreven effecten. In dit overzicht is ook beschreven of nader vervolgonderzoek en eventueel vergunningsaanvraag noodzakelijk is.
54
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen
Soortgroep Soort(en)
Tijdelijke en/of permanente effecten
Verbodsartikel Bal
Vervolgstappen
grondgebond vrijgestelde verwonden en/of specifieke en beschermde doden van individuen zorgplicht. zoogdieren soorten als: en beschadigen Artikel 11.27 verschillende en/of vernielen van muizensoorten, vaste rust- en konijn, haas, etc. verblijfsplaatsen
nemen van voorzorgsmaatregelen vanuit zorgplicht en/of mitigerende maatregelen, werken volgens een ecologisch werkprotocol, het aanvragen van een vergunning is niet aan de orde, omdat deze soorten op de vrijstelde soortenlijst van de provincie zijn vermeld
vleermuizen
gewone beschadigen, artikel 11.46, dwergvleermuis, verstoren en/of lid 1a, 1b en laatvlieger, rosse vernietigen van vaste 1d rust- en vleermuis, ruige verblijfplaatsen en/of dwergvleermuis, vliegroutes watervleermuis en meervleermuis
nemen van voorzorgsmaatregelen en werken volgens een ecologisch werkprotocol
algemene broedvogels
verschillende soorten
verstoren broedende artikel 11.37, vogels, doden van lid 1a, 1b en individuen en 1d vernietigen van nesten
werken buiten het broedseizoen of andere voorzorgsmaatregelen nemen, werken volgens een ecologisch werkprotocol
amfibieën
rugstreeppad en vrijgestelde soorten als: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, meerkikker en kleine watersalamander
vrijgestelde soorten: artikel 11.46, verwonden en/of lid 1a, 1b en doden van individuen 1d en en beschadigen specifieke en/of vernietigen van zorgplicht. vaste rust- en Artikel 11.27 verblijfplaatsen
nemen van voorzorgsmaatregelen (waaronder voorkomen vestiging rugstreeppad) vanuit zorgplicht en/of mitigerende maatregelen, werken volgens een ecologisch werkprotocol, het aanvragen van een vergunning is niet aan de orde, omdat deze soorten op de vrijstelde soortenlijst van de provincie zijn vermeld
vissen
algemene soorten
verwonden en/of specifieke doden van individuen zorgplicht. en beschadigen Artikel 11.27 en/of vernietigen van vaste rust- en verblijfplaatsen
nemen van voorzorgsmaatregelen vanuit zorgplicht en/of mitigerende maatregelen, werken volgens een ecologisch werkprotocol
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 55
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen
RL soorten
wilde vernietiging kievitsbloem, standplaats, rust-, oosterse foerageer en morgenster, leefgebied guldenboterbloem , diverse watervogels en kleine marterachtigen
specifieke zorgplicht. Artikel 11.27
standplaatsen van planten op de Rode Lijst ontzien tijdens werkzaamheden, waterplas in het noordwesten ook zo veel als mogelijk ontzien, werken volgens ecologisch werkprotocol
Tabel 6.9 Overzicht van voorkomende en niet uitgesloten soorten in het onderzoeksgebied, de mogelijk optredende negatieve tijdelijke en permanente effecten, en welk verbodsartikel van toepassing is. Er is ook aangegeven of vervolgonderzoek noodzakelijk is Natuurnetwerk Nederland Het NNN-beleid is vastgelegd in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, hierin zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen van gemeenten moeten voldoen. Het plangebied valt buiten het Natuurnetwerk Nederland (zie onderstaande afbeelding). Ten westen van het Volksbos en ten zuiden van huidig RWZI De Groote Lucht zijn gebieden aanwezig welke vallen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het betreft gebieden van het natuurtype N05.03 Veenmoeras, N04.02 Zoet plas, N12.02 Kruiden en faunarijk grasland en N02.01 Rivier. In provincie Zuid-Holland betreft het Natuurnetwerk Nederland enkel een planologische bescherming en hoeft niet getoetst te worden op effecten door externe werking. Het plangebied valt ook buiten overige planologische beschermde gebieden van provincie Zuid-Holland.
Afbeelding 6.4 Links: Ligging NNN; Rechts: de beheertypen NNN nabij het plangebied. Paars: N05.04 Veenmoeras, Lichtblauw: N04.02: Zoete plas
Er vindt in de huidige situatie en de toekomstige situatie lozing van effluent plaats op het Scheur. Het Scheur is maar voor een klein deel begrenst als NNN. Daarnaast is in de huidige situatie ook sprake van lozing op het Scheur, waardoor in de toekomstige situatie geen significante effecten worden verwacht. Doordat het plangebied verder niet is gelegen in Natuurnetwerk Nederland of overige planologische beschermde gebieden zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Houtopstanden Er is geen sprake van de kap van houtopstanden, zoals bedoeld in de Ow. Er zijn daarom geen vervolgstappen nodig voor het kappen van bomen in het kader van de Ow. Voor de eventuele kap van
56
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen bomen met een stamdiameter van meer dan 20cm op 130 cm hoogte dient een omgevingsvergunning bij de gemeente Vlaardingen te worden aangevraagd.
6.8.3
Conclusie
Voor onder de Ow beschermde soorten komt het volgende naar voren: in het plangebied of omgeving ontbreekt het aan geschikt habitat voor onder de Ow beschermde vissen, reptielen en ongewervelden; in het plangebied of omgeving komen potentieel verschillende onder de Ow beschermde zoogdieren, vleermuizen, vogels, amfibieën, vissen en Rode Lijst soorten voor. Negatieve effecten zijn te voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Er wordt gewerkt met ecologisch werkprotocol. Doordat het plangebied niet is gelegen in Natuurnetwerk Nederland of overige planologische beschermde gebieden en omdat geen houtopstanden worden gekapt zijn hiervoor geen vervolgstappen noodzakelijk. Met in acht nemen van de mitigerende maatregelen (werken volgens een ecologisch werkprotocol) voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de wettelijke normen. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
6.9
Water
De Weging van het Waterbelang vormt het instrument om wet- en regelgeving op het gebied van waterbelangen te borgen in de ruimtelijke plannen. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft het begrip 'Weging van het Waterbelang' de term watertoets vervangen. Deze paragraaf vat de resultaten van de Weging van het Waterbelang die ten aanzien van het planvoornemen is opgesteld samen. De volledige Weging van het Waterbelang is te lezen in Bijlage 2.
6.9.1
Toetsingskader
Ten aanzien van het thema water is er beleid op verschillende schaalniveau's. Hieronder zijn deze toegelicht. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast gaat het Europees beleid uit van het 'standstill' principe dat bij veranderingen de waterhuishoudkundige of ecologische situatie in een gebied enkel gelijk blijft of verbetert. Deze situatie mag dus niet verslechteren. Nationaal beleid Op nationaal schaalniveau zijn met name het Nationaal Waterprogramma en het Deltaprogramma van belang. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 57
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen
In het Nationaal Waterprogramma is het beleid voor het beheer van Rijkswateren uiteengezet. In het Deltaprogramma worden de onderwerpen waterveiligheid, zoetwater en klimaatadaptatie beschreven. Klimaatverandering is ook een terugkerend thema in het Deltaprogramma 2024, waarbij in het nieuwe Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie in het bijzonder wordt benadrukt dat er aandacht is voor het vasthouden van zoet hemelwater in of nabij stedelijke omgeving en het kunnen bergen/verwerken van extreme regenval. Regionaal beleid Het waterbeleid van de Provincie Zuid-Holland is opgenomen in het Regionaal Waterprogramma 2022-2027. Het Regionaal Waterprogramma is geschreven in de geest van de Omgevingswet. Het Regionaal Waterplan is om deze reden in participatie met andere overheden opgesteld. Met vooral de waterschappen heeft intensieve afstemming plaats gevonden over het plan. Gemeentelijk beleid Dit beleid is beschreven in paragraaf 5.4 Gemeentelijk beleid van deze motivering. Beleid Hoogheemraadschap van Delfland Dit beleid is beschreven in paragraaf 5.3 Beleid Hoogheemraadschap van Delfland van deze motivering.
6.9.2
Resultaten
Uit de Weging van het Waterbelang volgen de volgende conclusies: Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een nieuwe AWZI in Vlaardingen. Het plangebied bevindt zich binnendijks. De bestaande AWZI De Groote Lucht (buitendijks) wordt te zijner tijd gesloopt. De realisatie van de nieuwe AWZI vereist een wijziging van het Omgevingsplan. Daarvoor is een weging van het waterbelang benodigd. In de volgende fase dient een waterhuishoudkundig plan te worden opgesteld waarin HHD moet onderbouwen en aantonen dat geen negatieve effecten op het watersysteem zijn. Daarnaast wordt een project-MER uitgevoerd voor het verkrijgen van de hoofdvergunnningen. Beide documenten zullen gebaseerd worden op een meer gedetailleerd ontwerp van de nieuwe AWZI. Voor het thema grondwater en zoetwatertekort geldt het volgende: in de realisatiefase is bemaling noodzakelijk. Op basis van zeer globale berekeningen lijkt het waterbezwaar van de bemaling lager te liggen dan de grens die HHD verbindt aan de vergunningplicht. Een vergunning voor bemaling zou dan niet nodig zijn. Er wordt benadrukt dat de berekeningen van het waterbezwaar gemaakt zijn met zeer globale en beperkte gegevens.
Wanneer er meer details bekend zijn, dient het waterbezwaar opnieuw bepaald te worden; in de gebruiksfase neemt de aanvulling van het grondwater af, doordat de verhardingstoename leidt tot verminderde infiltratie van hemelwater. Er worden echter geen effecten op het grondwater verwacht, omdat (1) infiltratie mogelijk blijft in de onverharde delen, (2) er watercompensatie wordt aangelegd en (3) geen grote ondergrondse constructies worden voorzien; Voor het oppervlaktewater geldt het volgende: de nieuwe AWZI krijgt de mogelijk om een deel van het effluent te lozen op een aan te leggen waterharmonica. Dit water komt uiteindelijk terecht in de Krabbeplas. Er zijn nog geen details bekend over de waterharmonica. Het uitgangspunt is dat de waterharmonica en alle aangesloten watergangen over voldoende hydraulische capaciteit beschikken om het effluent te verwerken, zonder dat er inundatierisico's optreden;
58
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen het watersysteem rondom het plangebied dient te worden aangepast. Dit komt door de aanleg van de waterharmonica, maar ook door de verplichte aanleg van watercompensatie voor de verhardingstoename. Er zijn nog geen details bekend over de wijzigingen aan het watersysteem; Voor het thema waterketen geldt het volgende: er zijn aanpassingen nodig aan de persleidingen en effluentleidingen. Dit wordt geregeld via een BOPA en valt dus buiten het omgevingsplan voor de nieuwe AWZI; de nieuwe AWZI loost nog steeds grotendeels op het Scheur, maar krijgt ook mogelijkheden om te lozen op de waterharmonica (richting de Krabbeplas) en eventueel op de boezem (nog te bepalen). Voor het thema waterkwaliteit geldt het volgende: het planvoornemen heeft geen significant effect op de waterkwaliteit van Het Scheur; het planvoornemen heeft een positief effect op de ecologische toestand van het water in het oostelijke en zuidelijke deel van de Krabbeplas (deze blijven helder). Dit komt mede door de zuiverende werking van de waterharmonica; de waterkwaliteit in het westelijk deel van de Krabbeplas zal waarschijnlijk niet verbeteren, en dus troebel blijven; het planvoornemen heeft ook effect op de waterkwaliteit van lokale wateren rondom het plangebied.
Op plaatsen waar met verontreinigende stoffen wordt gewerkt, is het uitgangspunt dat vloeistofdichte vloeren worden aangelegd. Op die manier bereiken verontreinigingen niet het grond- en oppervlaktewater. De terreinafwatering wordt nog gedetailleerd. Bodem- en bermpassage zijn manieren om het risico op waterkwaliteitsproblemen te verminderen. Voor het thema afwatering en omgang met hemelwater geldt het volgende: de verhardingstoename van het plan leidt tot de versnelde afstroom van hemelwater. Om overbelasting van het watersysteem te voorkomen eist HHD dat watercompensatie wordt aangelegd. Bovendien geldt een vergunningsplicht. De benodigde hoeveelheid watercompensatie hangt mede af van het peilgebied waarop hemelwater wordt geloosd. Daarvoor zijn twee mogelijkheden in beeld. Er wordt benadrukt dat de berekeningen nu verkennend en deels hypothetisch zijn, omdat mogelijk ook de peilvakken zelf worden aangepast: 1. bij lozing in peilgebied GPG2013ABI I dient er 7.776 m3 aan extra waterberging te worden aangelegd. Door de beperkte toegestane peilstijging in dit gebied, vertaalt dit volume zich naar een grote compensatieopgave van 30.514 m2; 2. indien ervoor wordt gekozen om afstromend hemelwater te lozen in peilgebied PRK2013VDW III, dan is de benodigde waterberging geringer (3.423 m3). Dit vertaalt zich naar een oppervlak op de waterlijn van 5.705 m2 in dat peilgebied.
HHD weegt momenteel af in welk peilgebied de lozing van hemelwater wordt voorzien. HHD brengt ook zelf mogelijke locaties voor watercompensatie in beeld. De realisatie van watercompensatie conform de Watersleutel van HHD is voorwaardelijk voor de wijziging van het Omgevingsplan. de gemeente Vlaardingen kent ook eisen voor waterberging bij verhardingstoename. Deze betreffen alleen bebouwing, en dus niet terreinverharding. De totale bergingseis is lager dan die van HHD. Daarom wordt de eis van HHD conform de watersleutel aangehouden. Voor het thema waterkeringen geldt het volgende: de bestaande AWZI ligt op het hoge voorland dat de waterkering beschermt tegen golfaanval, buitenwaarts glijden en piping. Sloopwerkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op de kering, vooral bij diepe ontgravingen of trillingen. Een vergunning is vereist voor werkzaamheden in de beschermingszone. In de buitenbeschermingszone is geen vergunning nodig als de maaiveldhoogte intact blijft; voor de gebruiksfase van de nieuwe AWZI: in het ontwerp ligt de bebouwing buiten het profiel van vrije ruimte en beschermingszones van de waterkering, zoals deze op de verbeelding van dit TAM-omgevingsplan is overgenomen vanuit de legger van HHD. Hierdoor is geen vergunning nodig en de wordt de waterveiligheid niet beïnvloed.
Voor de aanleg van leidingen in de zonering van de waterkering, nodig voor de effluentlozing naar Het Scheur, kan een vergunning vereist zijn, bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 59
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen afhankelijk van de exacte locatie en voorwaarden. De volgende aanbevelingen worden gedaan: er wordt aanbevolen om peilbuizen te plaatsen binnen en rond het plangebied. Daarmee wordt meer inzicht verkregen in de grondwaterstanden ter plaatse. Dit is onder andere van belang om het waterbezwaar door bemaling nauwkeuriger te berekenen; in de volgende fase dient te worden gekozen in welk peilgebied hemelwater wordt geloosd. Dit is van belang om de watercompensatieopgave te bepalen en het watersysteem in te richten; in de volgende fase dient de aanleg van een effluentleiding door de waterkering nader gedetailleerd te worden, evenals het plan voor de realisatiefase. Beide zaken zijn van belang om met zekerheid vast te stellen welke vergunningen nodig zijn voor het werken in en rond waterkeringen. in de volgende fase wordt het aan- en afvoerend stelsel verder uitgewerkt. Het betreft de drie influentleidingen (waarvan twee leidingen van buitendijks gebied komen), de effluentleiding voor lozing op het Scheur en de lozing op de Waterharmonica. Aandachtspunten hierbij vanuit waterbelang zijn de kruising met de waterkering (influent- en effluentleiding) en de verbinding met de Waterharmonica, waarvoor mogelijk het bestaande watersysteem wordt aangepast. 6.9.3
Conclusie
Met in acht nemen van de compenserende maatregelen voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de wettelijke normen. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
6.10
Bodemkwaliteit
Voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de kwaliteit van de bodem voldoen aan de normen van de beoogde functie, in dit geval een AWZI. De bodemkwaliteit mag geen risico vormen voor de gezondheid van gebruikers van de grond. In het kader van (water)bodemkwaliteit zijn er twee onderzoeken uitgevoerd die verwerkt zijn in het onderzoek naar Bodemkwaliteit, zie hiervoor Bijlage 1. 6.10.1 Toetsingskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl instructieregels opgenomen. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Op grond van de instructieregel uit artikel 5.89i Bkl moeten de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van bodemgevoelig gebouwen op een bodemgevoelig locatie voor de in bijlage XIIIa aangewezen stoffen die de gezondheid bedreigen worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan.
Deze waarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet, zoals door graafwerkzaamheden. In het geval dat de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie
60
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen moet de grond functiegericht gesaneerd worden. Dit betekent dat de grond zodanig gesaneerd moet worden dat de grond kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie. Nieuwe functies dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw moet worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan conform artikel 5.89i van het Bkl.
6.10.2 Resultaten Ten aanzien van realisatie van de voorgenomen ontwikkeling moet onderzocht worden of de huidige situatie van de bodem geschikt is voor de komst van een nieuwe AWZI. De referentiesituatie van de bodemkwaliteit van het terrein voor de nieuwe AWZI is vastgesteld op basis van de volgende uitgevoerde milieuhygiënische bodemonderzoeken: Nulsituatie en verkennend (water)bodemonderzoek (2019) en Eindsituatie bodemonderzoek (2022). De onderzoeken zijn te vinden in Bijlage 1. Landbodemonderzoek Tijdens het nulsituatie-onderzoek in 2019 zijn verhogingen van PFAS in de grond gemeten. Op de toepassingskaart is De Vergulde Hand west daarmee ingedeeld als klasse 'wonen/industrie'. Voor stoffen uit het standaardpakket zijn voornamelijk lichte verhogingen aangetoond. Ter plaatse van diverse boringen nabij het spoor in het noordwesten, zijn sterk verhoogd gehalten aan koper en/of lood aangetoond. Met het aanvullende bodemonderzoek is de sterke verontreiniging met lood en koper niet afgeperkt. Mogelijk is sprake van ernstige bodemverontreiniging. Ter plaatse van puindam 3 is een sterke verontreiniging met koper aangetoond. Daarnaast is op deze locatie hechtgebonden asbest aangetoond waarbij de interventiewaarde voor asbest wordt overschreden. Er is hier sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Plaatselijk is een sterke verhoging aan arseen gemeten, wat is toegeschreven aan een natuurlijke oorsprong. De conclusie is dat de nulsituatie voor de onverdachte delen binnen het onderzoeksgebied voldoende is vastgelegd. Tijdens de inrichting van het terrein voor de tijdelijke wijk Mrija heeft geen grondverzet van de oorspronkelijke bodem plaatsgevonden. Het terrein is uitsluitend opgebracht met grond en enkele sloten zijn gedempt. De incidentele sterke verontreinigingen die tijdens het nulsituatie-onderzoek zijn aangetoond zijn niet verplaatst. In juli 2020 is er wel een tot dan toe onbekende asbestpot aangetroffen op het maaiveld. Dit betrof een gebroken asbestbuis. De restanten van de buis en de omliggende grond zijn afgevoerd naar een erkende verwerker. De verontreiniging en de sanering zijn gemeld bij DCMR Milieudienst Rijnmond. Na afloop van de sanering is er een saneringsevaluatie ingediend. Hieruit blijkt dat er is voldaan aan de gestelde terugsaneereisen. Zowel de inrichting als het gebruik van het depot en de toepassing van de grond ter plaatse worden op basis van de bovengenoemde informatie beschouwd als niet-milieuhygiënisch belastend voor de oorspronkelijke bodem. Aangenomen wordt dat de kwaliteit van de oorspronkelijke bodem niet gewijzigd is ten opzichte van de situatie voorafgaand aan de inrichting van het terrein.
Er is dan ook geen nieuw onderzoek geadviseerd voor het vaststellen van de eindkwaliteit. De nulsituatie (2019) is nog voldoende representatief voor de huidige kwaliteit van de bodem. Waterbodemonderzoek De kwaliteit van de waterbodem is eenmaal beoordeeld als klasse A, eenmaal als klasse B en de rest is vrij toepasbaar. Alle waterbodemmonsters zijn beoordeeld als verspreidbaar op aangrenzende bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 61
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen percelen. Het uitgevoerde waterbodemonderzoek beperkt zich tot de sliblaag van de watergangen die gedempt zijn. Naar verwachting is de sliblaag gebaggerd en afgevoerd om de watergangen geschikt te maken voor het dempen. Waterbodem van bestaande watergangen is niet relevant, aangezien deze geen raakvlak hebben met het ontwerp-oppervlak van de voorgenomen ontwikkeling. De watergang om het ontwerpoppervlak heen wordt niet gewijzigd. Het tijdelijk water op het ontwerpoppervlak wordt gedempt voor het bouwrijp maken van de grond (door de gemeente). Bodemkwaliteitskaart In 2019 was deelgebied De Vergulde Hand West op de toepassingskaart ingedeeld als klasse 'industrie'. Op basis van deze wijziging wordt het gehele terrein (0-1 m-mv en 1-2 m-mv) gezoneerd als klasse 'industrie'. In 2019 was dit nog niet doorgevoerd in de bodemkwaliteitskaart. Saneren verontreinigingen De bekende sterke bodemverontreinigingen met lood, koper en asbest zijn niet gesaneerd. Bij de aanlegfase van de AWZI zal voor de bouw van de verschillende onderdelen van de zuivering grondverzet plaatsvinden. De eerder genoemde twee locaties waar in 2019 sterke verontreinigingen aangetoond zijn moeten afgeperkt worden door middel van nader onderzoek.
Deze aanvullende onderzoeksinspanningen en daaruit voortvloeiende saneringen zullen plaatsvinden ten behoeve van het bouwrijp opleveren van het kavel, voorafgaand aan de aanleg van de zuivering, zoals vastgelegd in de koopovereenkomst van 18 december 2023 tussen gemeente Vlaardingen en het Hoogheemraadschap van Delfland. Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de bodemkwaliteit Om milieueffecten te voorkomen en de verkregen bodemkwaliteit te behouden (die van na sanering), worden tijdens gebruiksfase van de AWZI maatregelen genomen om negatieve effecten op de kwaliteit van de bodem te voorkomen. Dit zijn bijvoorbeeld maatregelen zoals lekbakken en vloeistofdichte vloeren.
6.10.3 Conclusie De planlocatie wordt gesaneerd opgeleverd aan het waterschap voordat de bouw van de AWZI start. Dit betekent dat de grond schoon is en voldoet aan de wettelijke normen. Met in acht nemen van de mitigerende maatregelen voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de wettelijke normen. Hiermee is vanuit het aspect bodem sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
6.11
Archeologie
Voor de aanleg van de nieuwe AWZI zal gegraven moeten worden in de bodem. Om te kunnen garanderen dat de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijke archeologische monumenten aantast, dient er onderzocht te worden of er archeologische monumenten in de bodem aanwezig zijn. De gemeente kan lokale regels hierover stellen (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Het onderzoek kan verschillende vormen aannemen, zoals archeologische begeleiding van baggerwerkzaamheden of het graven van proefsleuven. In beginsel moet de gemeente bodemroerende projecten die kleiner zijn dan 100 m2 vrijstellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). In het omgevingsplan kan de gemeente echter een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Dit gebeurt in de regel wanneer er een substantiële verwachting is dat er sporen gevonden kunnen worden, of juist niet.
62
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen
De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op het thema archeologie zijn onderzocht en opgenomen in het plan-MER, zie hiervoor Bijlage 1.
6.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologische waarden is op verschillende schaalniveaus geborgd in wet- en regelgeving. Verdrag van Malta/ Conventie van Valletta (1992, geratificeerd 2007) Op Europees niveau is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed in de bodem geregeld in het (herziene) Verdrag van Malta. Dit heeft zijn doorwerking in de Nederlandse wetgeving. De essentie is dat, voorafgaand aan de uitvoering van plannen, onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Waarbij behoud in situ (onverstoord in de bodem) het uitgangspunt is. Omgevingswet (2024) De Omgevingswet gaat in op de zorg voor de fysieke leefomgeving. Iedereen draagt daarvoor zorg. Het is verboden activiteiten met aanzienlijk nadelige gevolgen te ondernemen. Het rijk, de provincies en de gemeenten stellen omgevingsvisies vast waarin de fysieke leefomgeving, de voorgenomen ontwikkeling en het beleid hiervoor worden beschreven. Omgevingsplannen en projectbesluiten bevatten verplicht regels over het behoud van cultureel erfgoed, inclusief bekende of verwachte archeologische monumenten. De regels zijn erop gericht beschadiging of vernieling te voorkomen en waar mogelijk in stand te houden. De wet bevat bepalingen over omgevingsvergunningplichtige activiteiten.
Erfgoedwet (2016) De Erfgoedwet legt vast hoe in Nederland met het erfgoed, inclusief archeologie, wordt omgegaan. In de wet is vastgelegd wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland hiermee omgaat, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Daarnaast omvat de wet de bescherming van het maritiem archeologisch erfgoed onder water binnen de Erfgoedwet geregeld. Bepaalde onderdelen van de wettelijke bescherming van het cultureel erfgoed zijn verhuisd naar de Omgevingswet. De vuistregel hierbij is: duiding van erfgoed in de Erfgoedwet, terwijl de omgang met erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet is geregeld. Beoordelingsmethode Voor het criterium archeologische waarden is onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op bekende en/of verwachte archeologische waarden (zoals bepaald in het bureauonderzoek) in de bodem. Op basis hiervan wordt ook bepaald of aanvullend bureauonderzoek of veldonderzoek noodzakelijk is.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 63
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen
6.11.2 Resultaten Er heeft grootschalig archeologisch onderzoek plaatsgevonden op de locatie van de voorgenomen ontwikkeling in de vorm van inventariserende archeologisch onderzoeken en opgravingen, zie hiervoor Bijlage 1. Waardevolle resten vanaf de midden-bronstijd zijn hierbij ex-situ veiliggesteld. In aanvulling hierop is nader onderzoek verricht. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven. AMK terrein Volksbos Aan de noordwestzijde van het plangebied ligt een terrein met een hoge bekende archeologische waarde (deze terreinen waren voorheen bekend als AMK terreinen; Archeologische Monumenten Kaart). Voor dit terrein gelden op grond van de provinciale omgevingsverordening beperkingen op grondroerende activiteiten van 30 cm onder maaiveld. Het projectgebied ligt voor een klein deel (circa 50 meter) op de locatie van deze gebiedsaanwijzing. De overlap heeft de vorm van een wig. Aan de zuidzijde is deze 53 centimeter breed en de wig loopt over een lengte van 64 meter in een punt uit. De oppervlakte van de overlap is circa 22 m2. Op deze locatie is nu een watergang aanwezig die behouden zal blijven. Het is niet aannemelijk dat het provinciaal belang binnen de overlappingszone aanwezig is. Binnen de overlappingszone kan een greppel uit de Romeinse Tijd en een middeleeuwse ontgravingsstrook liggen. Beide zijn al meer dan voldoende onderzocht om ze waardevol te maken.
De archeologische verwachting op aantreffen van andere dan bovengenoemde sporen is laag. Voor een verdere onderbouwing hiervan wordt verwezen naar Bijlage 3 van deze motivering. Voor het terrein met een Provinciaal belang voor zover dit gelegen is binnen het gebied van het omgevingsplan AWZI wordt geen beschermende regeling binnen dit onderhavige omgevingsplan AWZI opgenomen. Het is niet te verwachten dat binnen de overlappingszone waardevolle archeologische resten aanwezig zijn. Diepere bodemlagen Op de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid Holland is het projectgebied aangewezen als archeologisch aandachtsgebied voor dieptes vanaf maaiveld tot meer dan 5 m onder maaiveld. Dit omdat in dit gebied in het verleden duinen en zandruggen aanwezig waren, bij uitstek locaties waar vroege bewonings- en gebruikssporen aanwezig kunnen zijn. Ook dieper gelegen stroomgordels hebben op de atlas een archeologische aanduiding. Hoewel de directe bovenlaag (met archeologische resten vanaf de vroege ijzertijd) archeologisch goed in beeld is gebracht, geldt dit in mindere mate voor voorgaande periodes. Wel wordt in de synthese van het rapport van de opgraving aangegeven dat woonstalhuizen met erven uit de periode 3700-800 v. Chr. niet worden verwacht. De beschikbare gegevens leveren eerder een beeld op van periodes met extensieve exploitatie.
Hierbij horende archeologische sporen zijn (zeer) kleinschalig en de kans op aantreffen ervan is klein. Stroomgordels worden volgens het opgravingsverslag buiten het plangebied van de Verguld Hand West verwacht. Aanvullend hierop geldt in het algemeen dat, vanwege de grote spreiding van de vindplaatsen, de kans op aantreffen van neolithische resten klein is. Vindplaatsen uit het neolithicum zijn al ten noorden en oosten van de Vergulde Hand-west aangetroffen. In de Westwijk en Aalkeet buitenpolder zijn rond 3 meter onder NAP op een oeverwal van eenzelfde kreek gelegen resten van de Vlaardingencultuur opgegraven (AMK terreinen 10418 en 16125, Archis Onderzoeksmelding 2075100100 / Vondstmelding 2822578100). Booronderzoek op de Vergulde Hand-west door RAAP (Archis Onderzoekmelding 2062684100), uitgevoerd tot op een diepte van circa 7 m onder NAP, toont een hoogste ligging van een Calais-kreek op een diepte van circa 5 m onder NAP. Op de diepere niveaus zijn door RAAP geen archeologische indicatoren aangetroffen.
64
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen
Op de CHS van de provincie staat een hoge verwachting binnen het gebied aangegeven voor dieper gelegen rivierduinen. Voor hoog opgewaaide donken geldt een hoge archeologische verwachting op resten uit het mesolithicum en (vroeg) neolithicum. Aan de hand van sonderingen is door geoloog P.C. Vos de mogelijke aanwezigheid van donken onderzocht (zie Bijlage 4). De conclusie van Vos luidt dat in de bodem van de Vergulde Hand-west de top van het pleistocene landschap een zacht golvend oppervlak heeft met een hoogste top op 17,5 m onder NAP. Uit zijn onderzoek blijkt dat geen hoge donken aanwezig zijn zoals in de Oostwijk in Vlaardingen waar bewoningsresten uit vermoedelijk 3900 voor Chr. aangetroffen zijn (AMK terrein 10428). Er zijn ook geen hoge afgetopte donken aanwezig zoals in de Yangtze haven in Rotterdam met bewoningsresten uit het mesolithicum (Archis onderzoeksmelding 2338595100). Hoge (afgetopte) donken hebben een hoge archeologische verwachting. Vos concludeert dat deze in het gebied zijn niet aanwezig zijn.
Vos geeft in zijn aanbeveling aan dat de kleine eolische duinkopjes een lagere archeologische verwachting hebben dan de grote donken, en voorts dat de kans dat je archeologische resten in boringen op deze locaties kan aantonen vrij klein is en dat de schade die heipalen veroorzaken aan steentijd erfgoed sites uit het mesolithicum minder groot is dan voor sites uit jongere archeologische perioden. Vos stelt dat nader booronderzoek zinvol kan zijn uit geologisch oogpunt, om de conclusies nog beter te onderbouwen, maar dat deze er niet door zullen wijzigen. Volgens de Rapportage Archeologische Monumentenzorg 197 (RAM197) "Optimale strategieën voor het opsporen van Steentijdvindplaatsen met behulp van booronderzoek Een statistisch perspectief" (pagina 38) kennen steentijdvindplaatsen in het algemeen een lage tot zeer lage vondstdichtheid aan vuurstenen artefacten. Zo leverde de opgraving van een intensief bewoond basiskamp op een hoog opgewaaide rivierduin in Hardinxveld-Giessendam (-de Bruin, RAM197, pagina 17) een aantal van 51 vuursteenvondsten per m2 op. Uit het opgravingsverslag van een mesolithisch winterseizoenkamp op een nabijgelegen rivierduin in Hardinxveld-Giessendam (-Polderweg, Archis vondstmelding 295298100) is een aantal van circa 40 stuks per m2 af te leiden. Op beide opgravingen is gezeefd met een 4 mm maaswijdte.
Bemonsteren en zeven (2 mm maaswijdte) van de mesolithische vindplaats op de afgetopte rivierduin in de Yangtze haven leverde op basis van de gegevens in het opgravingsverslag 11 stuks per m2 op. Binnen een door de stijging van het waterpeil verdrinkend landschap is het aan te nemen dat hoog opgewaaide duinen vaker en langduriger bewoond worden dan de lage eolische duinkopjes. Als gevolg hiervan zal het aantal vondsten per m2 op de hogere duinen fors hoger zijn dan op lage kopjes. Met de hierboven genoemde getallen voor de hoge duinen is het goed voor te stellen dat op de lage kopjes niet boven 40 per m2 komt (3 mm zeef). Dit is een zeer lage vondstdichtheid. Uit tabel 23 in RAM197 volgt dat het graven van proefputten de optimale strategie voor het opsporen van dit soort vindplaatsen is. Voor de Vergulde Hand, waar dan dieper dan 17 m moet worden gegraven is dit niet realistisch. Uit de omgeving zijn slechts drie opgravingen van mesolithische vindplaatsen op rivierduinen bekend. Alle drie liggen op hetzelfde hoog opgewaaide rivierduinencomplex in IJsselmonde ((BOOR vindplaatscodes/Archis waarnemingnummers 13-17/ 23251 en 25985, 13-66/ 417314 en 420784 en 438952, 13-83/ 417140 en 433518)). Hierbij zijn sporen in de vorm van een beperkt aantal kuilen aangetroffen, respectievelijk 1 kuil op vindplaats 13-17, 5 of 6 kuilen bij 13-66 en 3 tot 10 kuilen op 13-83.
Bij de laatste kunnen 7 kuilen ook uit later tijd zijn. Voor de aanleg van de AWZI wordt niet tot op de diepte gegraven waar de lage duinkopjes liggen. Die kunnen wel door heipalen worden geraakt en daarmee door een mesolithische vindplaats, als deze al aanwezig is op de lage zandkopjes, heengaan. Echter, mesolithische vindplaatsen lijken zich te kenmerken door een zeer lage vondstdichtheid en een beperkt aantal kuilen. De kans dat door een heipaal veel archeologische informatie verloren gaat, lijkt derhalve beperkt te zijn. Concluderend voor de dieper gelegen bodemlagen is dat er een kleine kans is op het aantreffen van neolithische vindplaatsen en dat ook de kans dat een mogelijk aanwezige mesolithische vindplaats bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 65
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen grote schade ondervindt gering is. Er is geen reden om een beschermende regeling op te nemen.
Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op archeologische resten Tijdens de aanlegfase van de AWZI zal mogelijk tot op diepere niveaus worden gegraven en geheid. De ontgravingen gaan niet tot op het pleistocene niveau. Waardevolle archeologische vindplaatsen vanaf de ijzertijd die in het gebied lagen zijn ex-situ veiliggesteld. De ontgravingen tijdens de aanlegfase kunnen nog resterende archeologische waarden raken, maar die leveren naar verwachting weinig kenniswinst meer op. De kans dat bij ontgravingen archeologische resten uit de periode 3700-800 v. Chr worden aangetroffen is klein, aangezien het gebied toen extensief gebruikt werd. Donken met een hoge verwachting op bewoningssporen uit eerdere perioden zijn in het gebied niet aanwezig. De kans dat op het zeer diep gelegen pleistocene oppervlak mesolithische vindplaatsen, indien aanwezig, grote schade ondervinden is gering. Het pleistocene oppervlak wordt enkel door heipalen geraakt. In de gebruiksfase heeft de AWZI geen effect op archeologische waarden.
6.11.3 Conclusie De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op het thema archeologie zijn klein. De kans dat in het plangebied waardevolle archeologische resten aangetroffen worden danwel grote schade ondervinden, is klein. Er zijn derhalve geen regels noodzakelijk. Daarmee vormt dit thema geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.12
Ruimtelijke kwaliteit
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient het thema ruimtelijke kwaliteit beoordeeld te worden. De ruimtelijke kwaliteit wordt door de voorgenomen ontwikkeling beïnvloed door de manier waarop deze ontwikkeling is ingepast in de omgeving en draagt bij aan een toekomstbestendige, leefbare en economisch vitale omgeving. Onder ruimtelijke inpassing wordt verstaan de ruimtelijke relatie met de omgeving, terreininrichting en architectuur van de bouwwerken. De inpassing dient rekening te houden met de omgeving en de bestaande infrastructuur waar de AWZI onderdeel van uit gaat maken. Dit betekent dat er aandacht moet zijn voor zaken als landschap, cultuurhistorie, geluid, verkeersdrukte, klimaat en ecologische impact. Door een zorgvuldige ruimtelijke inpassing kan de negatieve impact op de omliggende woon- en werkomgeving worden geminimaliseerd. Dit draagt bij aan de kwaliteit van leven en versterkt het draagvlak voor de waterzuivering.
6.12.1 Toetsingskader In een volgende fase wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan de voorgenomen ontwikkeling moet voldoen. In dit plan is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan drie criteria: Belevingswaarde In het criterium belevingswaarde wordt onderzocht of de voorgestelde ingreep impact heeft op de beleving van het landschap door gebruikers als omwonenden, mensen die door of langs het gebied reizen, of mensen die in of nabij het gebied werken. Hierbij wordt gelet op openheid vs beslotenheid (door bomen en/of gebouwen), aanwezigheid en locatie/structuur van gebouwen, aanwezigheid van andere kenmerkende landschappelijke structuren, en de bestaande zichtlijnen. In de beoordeling wordt bekeken of deze kenmerken wijzigen door de geplande ingreep. Herkomstwaarde 66
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen
Het criterium herkomstwaarde toetst in welke mate de voorgestelde ingreep aansluit op historische (landschappelijke) structuren in en om de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij wordt bekeken of de ingreep zich voegt naar historische structuren en elementen, en of deze versterkt worden of juist minder zichtbaar worden. Hierbij wordt nadrukkelijk niet gekeken naar de directe impact op cultuurhistorisch beschermde objecten, zoals monumenten of beeldbepalende panden. Daarvoor dient de beoordeling van het criterium 'impact op cultuurhistorische waarden'. Impact op cultuurhistorische waarden Met het criterium impact of cultuurhistorische waarden wordt getoetst of de voorgestelde ingreep impact heeft op beschermde cultuurhistorische waarden in het plangebied, zoals monumenten of beeldbepalende panden. Hierbij wordt de gehele beleving van deze beschermde elementen meegewogen. Daardoor wordt niet alleen bekeken of een cultuurhistorisch element geraakt wordt door de ingreep, maar worden ook ingrepen in de nabijheid van het element beoordeeld.
6.12.2 Resultaten Belevingswaarde, herkomstwaarde en impact op cultuurhistorische waarden In paragraaf 3.1 Huidige situatie plangebied is een beschrijving van de huidige situatie van de locatie van de voorgenomen ontwikkeling opgenomen. De komende jaren worden de bedrijventerreinen om het plangebied verder bebouwd. Hiermee verdwijnt de relatief open structuur van de omgeving. Afhankelijk van het type bebouwing en de inpassing in het landschap neemt de belevingswaarde af van het gebied hierdoor af.
Afbeelding 6.5 Ligging plangebied AWZI ten opzichte van naastgelegen functies Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op ruimtelijke kwaliteit Belevingswaarde De belevingswaarde van het gebied is de laatste jaren sterk achteruitgegaan, en staat deze door autonome ontwikkelingen de komende jaren nog verder onder druk. De impact van de nieuwe AWZI op de belevingswaarde daardoor in de basis beperkt. Afhankelijk van de wijze waarop de AWZI ruimtelijk zal worden ingepast bestaan zelfs kansen om de belevingswaarde ten opzichte van de referentiesituatie te vergroten. De impact van de AWZI op het landschappelijk beeld kan verminderd worden door het inpassen van een groenzone. Deze zal aan elke zijde van het terrein ingepast worden, met de aangrenzende functie in bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 67
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen ogenschouw nemen. Daarbij liggen nog verschillende keuzes op tafel om bijvoorbeeld deze zone aan boszijde te laten vervallen, of om de groenzone aan oostelijke zijde op afstand van de AWZI over het nieuwe bedrijventerrein te leggen. Deze voorstellen kunnen positief zijn voor de belevingswaarde, omdat hiermee de inpassing bij kan dragen aan de landschapsbeleving van het gebied. Deze voorstellen zijn echter nog niet uitgewerkt en kunnen daarmee niet beoordeeld worden. Herkomstwaarde Voor impact op herkomstwaarde wordt bekeken of het plan zich voegt naar historische structuren en elementen. In dit geval zijn veel van de historische structuren, zoals kavelpatronen door recente ontwikkelingen nauwelijks nog herleidbaar in het landschap. Alleen rond de twee woningen zijn de oude kavelsloten nog aanwezig. Daarnaast is de Maassluissedijk een belangrijke historische structuur. De groenzone volgt de kavelsloten als grens rondom de woning Maassluissedijk 192, en aan de westelijke grens van het plangebied. Hierbij wordt aangenomen dat de kavelsloten onaangetast blijven. Er is daarmee geen effect op deze slootstructuren. De groenzone van de AWZI wordt dicht bij de dijk geprojecteerd.
Het bestaande bos ten westen van het plangebied laat juist ruimte open aan de teen van de dijk, waardoor deze historische landschappelijke structuur enigszins in een open ruimte ligt waardoor deze goed beleefd kan worden. De nieuwe AWZI beoogt de groenzone tot aan de teen van de dijk te plaatsen, waarmee deze ruimtelijke beleving van de historische structuur zou kunnen afnemen. In de ideeën van OD205 (extern bureau stedenbouw en landschapsontwerp) wordt gedacht aan een deels open/deels omlijsting van het gebied. Of daarbij de historisch landschappelijke structuur van de dijk wordt aangetast zal bij de verdere uitwerking moeten blijken. Impact op cultuurhistorische waarden Voor impact op cultuurhistorische waarden wordt beoordeeld of het plan impact heeft op beschermde cultuurhistorische waarden. In dit geval is dat alleen de boerderij De Vergulde Hand, die als beeldbepalend pand beschermd is. De nieuwe AWZI ligt op circa vijftig tot honderd meter van deze boerderij, waarmee het pand en ook de beleving van het pand naar verwachting niet aangetast worden door de ingreep. Verdere uitwerking in beeldk waliteitsplan en ruimtelijk ontwerp Doel is dat de inpassing van de nieuwe AWZI aansluit op het landschap op de grens van stad en landelijk gebied, groenstructuren en recreatieve verbindingen.
Dit is van belang voor de bewoners van de nabijgelegen woonwijken, voor de werknemers van het bedrijventerrein en de zuivering en voor recreanten. Er wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan de voorgenomen ontwikkeling zal moeten voldoen, conform de voorwaardelijke verplichtingen in dit plan (regels artikel 5.5, lid 2). Hierbij wordt voortgebouwd op de afspraken tussen Hoogheemraadschap van Delfland en gemeente Vlaardingen en inzichten van ontwerpateliers met belanghebbenden. Richtinggevende inzichten zijn: de nieuwe zuivering wordt aan elke kant begrensd door een andere functie. Dit werkt door in de manier van inpassing aan elke zijde en moet in samenhang worden bezien; er komt een mix van open en gesloten delen in de omlijsting op de randen van het AWZI-terrein. Volledig gesloten maken met groen of volledig open houden is niet nodig en niet wenselijk; het terrein ligt niet op een doorgaande route of drukbezochte locatie. Dat zal in de toekomst niet wijzigen. Het wordt wel mogelijk gemaakt om rond de zuivering te wandelen; waar mogelijk bevorderen van biodiversiteit en creëren van waardevol, ecologisch groen en blauw (watercompensatie), op en rondom het terrein en daken van gebouwen en installaties.