CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - TAM-omgevingsplan Vergulde hand Motivering

Gemeenteraad 30 oktober 2025, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen van het TAM-IMRO omgevingsplan en plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen28.558 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

5.4.6

Groenvisie Vlaardingen 2024-2034

De groenvisie van de gemeente Vlaardingen heeft als doel het groene karakter van de gemeente te behouden en te versterken. De gemeente ziet groen als basisbehoefte. Om deze groene visie na te streven volgt de gemeente zes overstijgende ambities: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

groen is een basisbehoefte; integratie van de groenvisie in de omgevingsvisie; participatie is maatwerk; veiligheid staat voorop; we richten ons op al het groen in Vlaardingen; we zetten in op de kwaliteit van het groen.

Relatie met voorgenomen ontwikkeling Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling is met name ambitie 3 relevant. De derde ambitie leidt tot een aantal doelstellingen van de gemeente: per project kijkt de gemeente hoe zij bewoners kan betrekken; wanneer bewoners zelf een initiatief aandragen, dan toetst de gemeente dit op de volgende punten: passend in de openbare ruimte, vergroten sociale cohesie, vergroten biodiversiteit, bijdrage klimaatadaptatie en financiële haalbaarheid; de gemeente inspireert met goede voorbeelden en deelt informatie over de voordelen van een groene omgeving. Bijvoorbeeld door te laten zien op welke manier je een tuin of bedrijventerrein kunt vergroenen. we stellen een digitale kaart beschikbaar met locaties van grote groenprojecten en wanneer hieraan wordt gewerkt. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de groenvisie van de gemeente Vlaardingen.

5.4.7

Programma Stedelijk Water 2024-2028

De gemeente Vlaardingen heeft een Programma Stedelijk Water 2024-2028. Dit document beschrijft een aantal doelstellingen ten aanzien van water en de gemeentelijke zorgplichten. Enkele belangrijke doelstellingen zijn de volgende: Water krijgt een sturende rol bij ruimtelijke projecten, waarbij openbare ruimte wordt benut voor waterberging en de creatie van open wateropslag. Er is een behoefte aan meer waterberging in Vlaardingen op middellange termijn (2030), met een focus op het ontvlechten van oppervlaktewater en riolering. Het streven is dat op de middellange termijn geen wateroverlast optreedt bij een bui van 60 mm neerslag in 60 minuten. Er wordt ingezet op waterberging gecombineerd met natuurvriendelijke oevers. Deze waterbergingsgebieden zijn verspreid gelegen in lagergelegen delen van de polder, met voldoende aan- en afvoerroutes en mogelijkheid tot controle, handhaving en onderhoud door het waterschap. Alternatieve vormen van waterberging worden gebruikt in gebieden met beperkte ruimte, die efficiënt kunnen worden ingezet en eenvoudig te onderhouden zijn. Neerslag wordt in principe afgevoerd via het openwatersysteem met behulp van singelgemalen. Alleen bij extreme neerslag wordt overtollig water via overstortbemaling van de riolering naar de Nieuwe Maas afgevoerd. Vasthouden van gebiedseigen water en bevordering van circulatie om verdroging te beperken en

28

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen waterkwaliteit te verbeteren. Verhard oppervlak wordt zoveel mogelijk losgekoppeld van de riolering en direct afgevoerd naar de lokale bodem en open water. Dit zorgt ervoor dat water lokaal wordt vast gehouden en dat de frequentie van benodigde overstortbemaling wordt verminderd. Regulering van grondwater in nieuwbouw- en herstructureringsgebieden via drainage, aangesloten op het oppervlaktewater. Dit betekent onder andere vervanging van oude drainerende rioolleidingen door gesloten buizen om de aanvoer van rioolvreemd water naar de zuivering te verminderen. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling is met name de laatste doelstelling relevant. Dit betekent namelijk dat de nieuwe AWZI minder rioolvreemd water hoeft te zuiveren. Conclusie In paragraaf 6.9 Water wordt nader ingegaan op het thema 'water'. Uit deze paragraaf blijkt dat dit thema voldoende geborgd is in de voorgenomen ontwikkeling.

5.4.8

Strategie Klimaatadaptatie 2021-2024

In de ‘Strategie klimaatadaptatie Vlaardingen 2021-2024’ heeft de gemeente zichzelf de ambitie opgelegd om de stad voor te bereiden op het veranderende klimaat. De strategie bestaat uit vijf pijlers: 1. 2. 3. 4. 5.

versterken groen en biodiversiteit; water vasthouden waar het kan; betrokkenheid inwoners en bedrijven vergroten; kennisontwikkeling; beleidsregels voor klimaatadaptatie bij nieuwbouw.

Onderdeel van deze strategie is de ontwikkeling van het rioolstelsel, afkoppeling van regenwater naar de omgeving en grondwaterbeheer waarmee de bodemdaling als gevolg van droogte verminderd moet worden. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling is met name de ontwikkeling van het rioolstelsel en het afkoppelen van regenwater naar de omgeving relevant. Dit heeft namelijk gevolgen voor het water dat de nieuwe AWZI moet zuiveren. Conclusie In paragraaf 6.9 Water wordt nader ingegaan op het thema 'water'. Uit deze paragraaf blijkt dat dit thema voldoende geborgd is in de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 29

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen

Hoofdstuk 6

Fysieke leefomgeving en milieu

in dit hoofdstuk zijn alle relevante milieu- en omgevingsaspecten van de fysieke leefomgeving beschreven (artikel 1.2 Omgevingswet). Voor ieder milieuthema is aangegeven wat de effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn op het betreffende thema. De voorgenomen ontwikkeling mag namelijk geen negatief effect hebben op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In het plan-MER is het antwoord op deze vraag uitgebreid onderbouwd. In het plan-MER is daarnaast voor ieder milieuthema aangegeven wat de staat is van de referentiesituatie van het thema. De referentiesituatie betreft de huidige situatie, inclusief ontwikkelingen die op dit moment vastgesteld zijn (zogenaamde autonome ontwikkelingen). Onderzocht moet worden of de referentiesituatie geschikt is voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling: AWZI Vergulde Hand. Het volledige plan-MER is te raadplegen in Bijlage 1 plan-MER Waterzuivering Vergulde Hand. In deze motivering van het TAM-omgevingsplan zijn alleen de onderdelen opgenomen die relevant zijn voor dit plan.

Nummer

Naam bijlage

1

plan-MER Waterzuivering Vergulde Hand

2

Weging van het Waterbelang

3

Verwerking input participatie VT AWZI DGL

4

Verantwoording participatie Verkenning toekomst AWZI DGL

5

Nota van Uitgangspunten

6

Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)

Tabel 6.1 Overzicht bijlagen motivering TAM-omgevingsplan

6.1

Geur

Het zuiveren van afvalwater leidt tot geuremissie. Ten behoeve van het plan-MER is een geuronderzoek uitgevoerd om de geurbelasting van de AWZI in kaart te brengen. Vervolgens is dit geuronderzoek verder uitgewerkt met betrekking tot ontwerp en de maatregelen om de geuremissie verder te beperken.

6.1.1

Toetsingskader

Besluit kwaliteit leefomgeving Eén van de activiteiten op een AWZI betreft het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk. Op grond van artikel 3.173 van het Bal is dit een milieubelastende activiteit (mba). In artikel 5.98 van het Bkl staat dat subaparagraaf 5.1.4.6.2 van het Bkl van toepassing is op het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk als bedoeld in artikel 3.173 van het Bal. Daarnaast eist artikel 5.97 van het Bkl dat in dat geval in/met het omgevingsplan één of meer bebouwingscontouren geur worden aangewezen. In dit plan geldt het bepaalde in artikel 12.14 van het Bkl en de definitiebepaling in Bijlage I, onder A, bij het Bkl: Zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour geur als bedoeld in artikel 5.97 is aangewezen,

30

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen geldt de bebouwde kom als bebouwingscontour geur. Op grond van artikel 5.99 en 5.100 van het Bkl (onderdeel van subaparagraaf 5.1.4.6.2) gelden de volgende waarden: 0,05 ouE/m3 als 98-percentiel bij geurgevoelige gebouwen gelegen binnen de bebouwingscontour geur, anders dan op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een bedrijventerrein; 1,0 ouE/m3 als 98-percentiel bij geurgevoelige gebouwen gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, een bedrijventerrein, of buiten de bebouwingscontour geur. Uit de in het Bkl opgenomen instructieregels volgt dat indien ter plaatse (van de gevel) van geurgevoelige gebouwen wordt voldaan aan deze grenswaarden, sprake is van een aanvaardbaar geurniveau en dus van ETFAL. Om dat te borgen en teneinde te voldoen aan de instructieregels van het Bkl zijn in de regels van dit plan (zie artikel 1 en 5) de relevante definitiebepalingen opgenomen, alsook de voornoemde grenswaarden. Op grond van het Bkl gelden de grenswaarden niet voor tijdelijke geurgevoelige gebouwen (minder dan tien jaar), maar dient wel sprake te zijn van een aanvaardbaar geurniveau.

Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland Actualisatie 2024 Het provinciale geurhinderbeleid is erop gericht om bestaande hinder terug te dringen en nieuwe hinder te voorkomen. Voor gemeenten kan het Zuid-Hollands geurhinderbeleid onder andere een handvat zijn voor ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening waarbij geurhinder vanwege bedrijven een rol speelt. Hoewel het Zuid-Hollands geurhinderbeleid op zichzelf geen toetsingskader vormt voor geurhinder (de normen hiervoor volgen uit de instructieregels die staan in het Bkl en zijn opgenomen in de regels van dit plan), is dit wel beoordeeld. Voor de meest geurgevoelige gebouwen en locaties geldt een hindergrens van 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel. Onder de meest geurgevoelige gebouwen en locaties vallen onder meer woningen en asielzoekerscentra. Rekenmethode In de Omgevingsregeling wordt in artikel 6.13 aangegeven op welke wijze de geurbelasting moet worden bepaald. In lid 1 staat dat hiervoor de standaard rekenmethode 3 van toepassing is, waarmee het Nieuw Nationaal Model (NNM) wordt bedoeld. Volgens lid 3 wordt de geuremissie van de verschillende procesonderdelen van de AWZI bepaald met behulp van de emissiefactoren, genoemd in bijlage XVIIIe bij de Omgevingsregeling. Beoordelingsmethode De voorgenomen activiteit is beoordeeld op basis van geurbelasting op de omgeving.

De berekening van de geurbelasting in de omgeving wordt conform de vereisten uit de Omgevingsregeling uitgevoerd met het verspreidingsmodel NNM. Hiervoor is gebruik gemaakt van de module Stacks-G in het softwarepakket Geomilieu v2024. Voor de modellering van de huidige situatie (bronkenmerken, modelinstellingen, etc.) is 1-op-1 aangesloten bij de modellering van het geuronderzoek ten behoeve van de revisievergunning uit 2021 (Royal HaskoningDHV, 2021). In het plan-MER (zie Bijlage 1) is een eerste geurberekening van de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Op dit moment is deze berekening geactualiseerd naar de meest recente versie van het ontwerp van de voorgenomen ontwikkeling. Hieronder is deze laatste berekening daarom opgenomen.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 31

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen

6.1.2

Afspraken en afwegingen grenswaarden geur

Samenwerkingsovereenkomst De gemeente Vlaardingen en het Hoogheemraadschap van Delfland hebben afspraken met betrekking tot geur gemaakt, zoals vastgelegd in de Samenwerkingsovereenkomst inzake de ontwikkeling en realisatie van een nieuwe afvalwaterzuiveringsinstallatie te Vlaardingen (Vergulde Hand West). Deze samenwerkingsovereenkomst is vastgesteld door het college van B&W en het college van D&H. Bijlage 1 bij deze Samenwerkingsovereenkomst is de Nota van uitgangspunten: nieuwe afvalwaterzuiveringsinstallatie Vlaardingen, waarin wordt verwezen naar het document Samenvatting verkenning AWZI geuraspecten van DCMR. In de samenwerkingsovereenkomst en onderliggende documenten zijn de volgende eisen gesteld m.b.t. geurgrenswaarden: 1. maximaal 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel voor geurgevoelige objecten (zoals woningen); 2. maximaal 1 ouE/m3 als 98-percentiel voor geurgevoelige objecten op bedrijventerreinen, gezoneerde industrieterreinen en woningen buiten de bebouwde kom; 3. toekomstige ontwikkelingen op het bedrijventerrein Vergulde Hand West en het gebied ten noorden van de metrolijn mogen niet belemmerd worden. Gelet op de hieronder te bespreken uitkomsten van het uitgevoerde geuronderzoek en de aangetoonde verbetering ten opzichte van de bestaande situatie, is er niet voor gekozen nog strengere grenswaarden voor geur te bepalen vanwege cumulatie.

Het is bovendien een gegeven dat in het gehele Rijnmondgebied, waaronder de hele gemeente Vlaardingen, sprake is van een bestaande achtergrondconcentratie van geur.

6.1.3

32

Resultaten

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen

Geureffecten bestaande AWZI De huidige situatie betreft de geuremissie van de AWZI Groote Lucht. De geuremissiebronnen van de huidige situatie zijn beschreven in het geuronderzoek ten behoeve van de revisievergunning uit 2021 (Royal HaskoningDHV, 2021). In de huidige situatie is een aantal maatregelen genomen om de geurbelasting op de omgeving te beperken. De geuremissie van het ontvangstwerk en roosters wordt in een biotricklingfilter behandeld. Er wordt uitgegaan van een geurverwijderingsrendement van 95% voor het filter. Daarnaast wordt de proceslucht van de verschillende onderdelen afgezogen en via een schoorsteen naar de leefomgeving geëmitteerd. In de huidige situatie zijn er een aantal geurgevoelige gebouwen waar rekening mee moet worden gehouden, namelijk: Maassluissedijk 188: woonlocatie buiten bebouwde kom; Maassluissedijk 192: woonlocatie buiten bebouwde kom; George Stephensonweg 31A: woonlocatie op bedrijventerrein, buiten bebouwde kom; Thomas à Kempisstraat 156: woonlocatie in woonwijk binnen bebouwde kom. Als sprake is van een AWZI die is opgericht en vergund voor 1 februari 1996, zoals het geval is bij De Groote Lucht (huidige situatie), gelden op basis van tabel 22.3.24 in paragraaf 22.3.6.5 van de bruidsschat in het tijdelijk omgevingsplan de volgende geurnormen in de referentiesituatie: 1.

1,5 ouE/m3 als 98-percentiel bij geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein; 2. 3,5 ouE/m3 als 98-percentiel gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, een Activiteitenbesluitbedrijventerrein of buiten de bebouwde kom. Uit het plan-MER blijkt dat de geurbelasting in de referentiesituatie voldoet aan de relevante geurnormen:

Toetspunt

Geurnorm (ouE/m³)

Referentiesituatie AWZI DGL (ouE/m³)

Maassluissedijk 192

3,5

2

Maassluissedijk 188

3,5

1,6

George Stephensonweg 31A

3,5

0,5

Thomas à Kempisstraat 156

1,5

0,6

Tabel 6.2 Geurbelasting op toetspunten referentiesituatie

Geureffecten van de voorgenomen ontwikkeling Op het gebied van geur bevat de voorgenomen ontwikkeling een aantal maatregelen om geurhinder te voorkomen. Ten eerste worden de geurrelevante bronnen afgedekt, afgezogen en behandeld met (lava)filters, indien dit praktisch mogelijk is, in plaats van dat de bronnen open uitgevoerd worden. Ten tweede wordt de luchtbehandeling gerealiseerd met een geurverwijderingsrendement van 95 %. De ('pieken') lucht van de verlaadhal tijdens de verlading van (sterk geurend) slib wordt apart behandeld met actief koolfilters. Ten derde hebben de actief koolfilters bovendien een geurverwijderingsrendement van 95 %.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 33

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen Daarnaast is het relatief grofmazige ontwerp dat ten grondslag ligt aan de berekeningen bij het plan-MER inmiddels verder uitgewerkt tot op schetsontwerp niveau. Dit heeft geleid tot kleinere oppervlaktes en enkele wijzigingen qua installaties, wat resulteert in een reductie van geuremissies. Bovendien is een aanvullende maatregel getroffen door de schoorsteen te verhogen tot 20 meter waarmee verdere reductie van de geurbelasting wordt behaald. Deze minimale hoogte van 20 meter is vastgelegd in de planregels. In de onderstaande tabel is de geurbelasting op de dichtstbijzijnde woningen (toetspunten) weergegeven in de toekomstige situatie en in de onderstaande figuur zijn de geurcontouren als 98-percentiel weergegeven. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de geurnormen die volgen uit het Bkl, welke zijn vastgelegd in de regels van dit plan. Deze norm is als voorwaardelijke verplichting voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning opgenomen in de regels van dit plan. Ook wordt voldaan aan de eis uit de samenwerkingsovereenkomst dat toekomstige ontwikkelingen op het bedrijventerrein Vergulde Hand West en het gebied ten noorden van de metrolijn niet belemmerd mogen worden.

Er bevinden zich namelijk geen bestaande geurgevoelige gebouwen of op basis van het omgevingsplan potentieel te ontwikkelen locaties voor geurgevoelige gebouwen binnen de 0,5 ouE/m3 contour.

Toetspunt

Geurnorm (ouE/m³)

AWZI Vergulde Hand (ouE/m³)

Maassluissedijk 192

1,0

0,3

Maassluissedijk 188

1,0

0,3

George Stephensonweg 31A

1,0

0,1

Thomas à Kempisstraat 156

0,5

0,2

Tabel 6.3 Geurbelasting op toetspunten Voorgenomen ontwikkeling

34

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen

Afbeelding 6.1 Geurcontouren (groen) schetsontwerp voorkeursalternatief met schoorsteen 20 m als 98-percentiel (groen: 0,5 ouE/m³). Locatie Tradiro (indicatief) in blauwe contour. Ten oosten van de planlocatie worden mogelijk tijdelijke woningen voor arbeidsmigranten verwacht (Tradiro). De geurbelasting op deze locatie verbetert ten opzichte van de referentiesituatie: de geurconcentratie neemt af. Daarnaast wordt ter plaatse van Tradiro voldaan aan de hindergrens uit het provinciaal geurbeleid, zelfs als de tijdelijke woningen worden gerekend tot de categorie van meest geurgevoelige locaties (tijdelijke woningen worden niet expliciet genoemd in het provinciaal geurbeleid). Er is daarmee sprake van een aanvaardbare geurhinder.

6.1.4

Conclusie

De geurbelasting van de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de wettelijke geurnormen (die in de regels van dit plan zijn geborgd), het provinciaal geurbeleid en de afspraken uit de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente Vlaardingen en het Hoogheemraadschap van Delfland. Aanvullend zijn maatregelen vastgelegd in de planregels, te weten: de bouwhoogte van de schoorsteen ten behoeve van luchtbehandelingsinstallaties bedraagt minimaal 20 meter en maximaal 40 meter; het gebruik van gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, en overige werken overeenkomstig de in artikel 5.1 bedoelde functie is alleen toegestaan als, zulks in afwijking van paragraaf 22.3.6 van het omgevingsplan, ter plaatse van geurgevoelige gebouwen aantoonbaar sprake is van een aanvaardbaar geurniveau: 1. van een aanvaardbaar geurniveau is sprake bij het niet overschrijden van de maximaal toelaatbare geurbelasting, zijnde de onderstaande grenswaarden voor toelaatbare geur, uitgedrukt in ouE/m3 als 98-percentiel, op een geurgevoelig gebouw. Geurgevoelig gebouw

Grenswaarde

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 35

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur, anders dan op een industrieterrein 0,5 ouE/m3 waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een bedrijventerrein: Gelegen: – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; – een bedrijventerrein; of – buiten de bebouwingscontour geur

1 ouE/m3

2. De waarden voor de geur op een geurgevoelig gebouw gelden: I. op de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw; II. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; en III. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen, op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. Uitvoering van deze maatregelen is daarmee verplicht. Bovendien neemt de geurbelasting op gevoelige objecten af ten opzichte van de referentiesituatie. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

6.2

Luchtkwaliteit

De activiteiten op de waterzuivering leiden tot luchtemissies die mogelijk invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Ten behoeve van het plan-MER is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd naar de impact van de verschillende alternatieven op de concentratie van de verontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) en vergeleken met de impact van de huidige situatie. Zie voor het volledige onderzoek Bijlage 1.

6.2.1

Toetsingskader

Om de gezondheid van de mensen te beschermen zijn luchtkwaliteitseisen voor bepaalde activiteiten opgenomen in de instructieregels van het Bkl. Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende voorwaarden: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit voor bepaalde activiteiten staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn. Aan de grenswaarden van de overige stoffen uit paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl wordt ruim voldaan (in het laatste decennium zijn nergens in Nederland overschrijdingen van de grenswaarde opgetreden), en kunnen buiten beschouwing blijven. De jaargemiddelde maximale concentraties van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) betreft 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10, en 25 µg/m3 voor PM2,5.

36

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen Beoordelingsmethode De voorgenomen ontwikkeling is beoordeeld op basis van de immissie van NO2 en PM10 op de omgeving. De bijdrage aan de concentratie van PM2,5 is niet apart beoordeeld. Wanneer namelijk wordt voldaan aan de omgevingswaarden voor PM10 , wordt ook aan de omgevingswaarden voor PM2,5 voldaan. De PM10 - en PM2,5- concentratie zijn namelijk sterk aan elkaar gerelateerd. 6.2.2

Resultaten

De referentiesituatie ten aanzien van de luchtkwaliteit bestaat uit de achtergrondwaarden van de bovengenoemde stoffen (waarden die standaard aanwezig zijn in de lucht) en uit de emissiebronnen. Om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de lucht rondom de nieuwe zuivering, en om de bijdrage van de zuivering op de kwaliteit van de lucht te bepalen, is de jaargemiddelde concentratie NO2 , PM10 en PM2,5 in beeld gebracht op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Zie voor de uitgebreide resultaten Bijlage 1. Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit Achtergrondwaarden De achtergrondwaarden voor de voorgenomen ontwikkeling zijn naar verwachting circa 16,2 µg/m3 voor NO2 , 14,7 µg/m3 voor PM10 en 7,5 µg/m3 voor PM2,5 .Dit betekent geen overschrijdingen van de wettelijke jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide (NO2 ) en fijn- stof (PM10 en PM2,5 ). Emissiebronnen In onderstaande tabel zijn de luchtemissiebronnen van de voorgenomen ontwikkeling weergegeven:

Bron Vergulde Hand

Omschrijving

stookinstallaties (cv-ketels en biogasfakkel)

50,1 kg NOx per jaar

wegverkeer

1.506 vrachtwagens per jaar 7.500 personenauto's per jaar

Tabel 6.4 Luchtemissiebronnen in de toekomstige situatie

Uit het plan-MER blijkt dat de emissie van de voorgenomen ontwikkeling zeer gering is ten opzichte van de achtergrondwaarden. De emissies zijn lager dan in de referentiesituatie.

6.2.3

Conclusie

De negatieve bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de luchtkwaliteit is kleiner dan de bijdrage in de huidige situatie. Er wordt voldaan aan de wettelijke normen. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 37

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen

6.3

Geluid

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient het thema geluid beoordeeld te worden. Hiervoor is een geluidsonderzoek uitgevoerd, zie voor het volledige onderzoek Bijlage 1. Er moet beoordeeld worden of met de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten plaatsvinden ten aanzien van geluidsgevoelige objecten, zoals onder andere woningen en scholen, in de omgeving van de projectlocatie. Het project moet voldoen aan de wet- en regelgeving omtrent geluid die is opgenomen in de Omgevingswet en onderliggende besluiten en regelingen, alsmede aan de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (Bruidsschat).

6.3.1

Toetsingskader

In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor geluid door activiteiten. In artikel 5.55 van het Bkl is het toepassingsbereik vastgelegd. Paragraaf 5.1.4.2 is van toepassing op het toelaten: op een locatie van een activiteit, anders dan wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 5.65 van het Bkl staan de standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De regels uit het Bkl zijn onderdeel van de bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Vlaardingen. Voor geluidgevoelige gebouwen geldt volgens artikel 22.63 uit het Omgevingsplan van de gemeente Vlaardingen een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50, 45 en 40 dB(A) op de gevels in respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode. Voor het maximale geluidniveau geldt dat er in de dag-, avond- en nachtperiode het maximale geluid LAmax niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) mag bedragen op de gevels.

De opgenomen maximale geluidniveaus zijn niet van toepassing op laad- en losactiviteiten in de dagperiode. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden uit artikel 22.63 uit het Omgevingsplan van de gemeente Vlaardingen samengevat.

07.00 - 19.00 uur

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 07.00 uur

langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door activiteiten

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door piekgeluiden*

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

* De piekniveaus van laden en lossen van voertuigen in de dagperiode zijn uitgesloten van toetsing Tabel 6.5 Geluidnormering Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en maximaal geluidsniveau (LAmax)

Als gevolg van de ontwikkeling kunnen piekgeluiden ontstaan op de gevels van omliggende geluidgevoelige objecten. De bronnen gelegen op de AWZI zijn nagenoeg allemaal continue bronnen, waardoor toetsing aan maximale niveaus niet van toepassing is voor de bronnen. Wel zijn er bijvoorbeeld voertuigbewegingen waarbij het dichtslaan van een deur een piekniveau geeft. Aangezien deze piekgeluiden dusdanig laag zullen zijn en op een afstand van meer dan 150 meter zullen zijn gelegen, zullen deze bronnen niet waarneembaar zijn als piekgeluiden. Om deze reden worden verder geen berekeningen uitgevoerd voor het maximale geluidniveau.

38

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen

Beoordelingsmethode Om de geluidseffecten van het realiseren van de nieuwe AWZI te kunnen beoordelen, is een modelberekening uitgevoerd conform de rekenmethodiek zoals omschreven in bijlage IVh uit de Omgevingsregeling. Deze komt overeen met de voormalige 'Handreiking meten en rekenen industrielawaai' uit 1999. De berekeningsresultaten zijn getoetst aan de grenswaarden van het omgevingsplan en worden vergeleken met de referentiesituatie. Om de effecten van de realisatie van de nieuwe AWZI op de geluidbelasting van woningen te bepalen, is een beoordeling uitgevoerd naar geluidklassen (zie onderstaande tabel). Klasse I bestaat uit woningen die ruim voldoen aan de standaardwaarden uit het Omgevingsplan van gemeente Vlaardingen. Vervolgens worden stappen van 5 dB gemaakt, resulterend in klasse II, III en IV. Geluidklasse

Geluidklasse

Geluidklasse

Geluidklasse

klasse I

klasse II

klasse III

klasse IV

<45 dB(A)

46-50 dB(A)

51-55 dB(A)

>55 dB(A)

Tabel 6.6 Onderverdeling in geluidklassen (etmaalwaarde* ) * De etmaalwaarde is als gedefinieerd als de hoogste waarde van: de geluidbelasting gedurende de dag, de geluidbelasting in de avond vermeerderd met 5 dB(A) en de geluidbelasting gedurende de nacht vermeerderd met 10 dB(A).

6.3.2

Resultaten

Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op geluid In de voorgenomen ontwikkeling zijn verschillende stationaire geluidsbronnen aanwezig. Denk hierbij aan ventilatoren, compressors en menginstallaties. Daarnaast zijn ook mobiele bronnen aanwezig op de planlocaties. Dit zijn bijvoorbeeld auto's en vrachtwagens die rondrijden en shovels die geluid veroorzaken. In het deelrapport geluid is een volledig overzicht van deze geluidbronnen opgenomen (zie Bijlage 1). In onderstaande tabel zijn het aantal woningen per klasse voor de voorgenomen ontwikkeling opgenomen. Aantal woningen per geluidklasse

Aantal woningen per geluidklasse

Aantal woningen per geluidklasse

Aantal woningen per geluidklasse

klasse I

klasse II

klasse III

klasse IV

83

2

0

0

Tabel 6.7 Onderverdeling in geluidklassen (etmaalwaarde)

Er zijn geen overschrijdingen van de standaardwaarde van 50 dB(A) in de etmaalperiode. De geluidbelasting blijft daarmee onder de van toepassing zijnde normen. Geluid tijdens sloopfase De sloop van de bestaande zuivering zal geluid produceren richting de omgeving en op de geluidgevoelige objecten. Bij de sloop zal gebruik worden gemaakt van graafmachines, kranen, een mobiele puinbreker en vrachtwagens. Om een inschatting te maken van het geluid afkomstig van het bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 39

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen slopen van de bestaande zuivering zijn deze maatgevende bronnen in een model ingevoerd. Uit de resultaten blijkt dat het geluid afkomstig van het slopen van de bestaande zuivering geschat kan worden op circa 47 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woning aan de Maassluissedijk 192. Het geluid van de sloop is daarmee akoestisch niet relevant, ook indien grotere aantallen werktuigen aanwezig zullen zijn. Geluidcontour ter hoogte van het Volksbos Naast de beoordeling van de geluidbelasting op woningen is gekeken naar de geluidcontour ter hoogte van het Volksbos. Om hiervan een beeld te geven is rondom dit stuk natuur een grid aangelegd op een hoogte van 1,5 meter. In dit grid is een 24-uurs contour bepaald voor alle alternatieven, zonder de maatregelen die in de beoordeling van geluidbelasting op woningen zijn meegenomen (maatregelen aan het verdeelwerk, de gasbuffer en het afleverpunt groen gas). Op deze wijze kan worden aangetoond dat zelfs in het ergste geval, het geluid op het stuk natuur minimaal is.

6.3.3

Conclusie

De bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de geluidbelasting op de omgeving is aanwezig, maar beperkt. De geluidbelasting op gevoelige functies blijft onder de wettelijke grenswaarde. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

6.4

Omgevingsveiligheid

Bij de bedrijfsvoering van een waterzuivering kunnen installaties betrokken zijn die een risico kunnen vormen voor nabijgelegen (kwetsbare) functies. Ook is het mogelijk dat andere risicobronnen effect hebben op de voorziene AWZI. Dit milieuaspect heet omgevingsveiligheid. Ten aanzien van dit thema is een omgevingsveiligheidsonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 1. Het doel van het omgevingsveiligheidsbeleid is tweeledig: 1. de bescherming van personen middels het borgen van voldoende afstand tussen (beperkt) kwetsbare objecten en locaties en risicobronnen; 2. het mogelijk maken om te werken met gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: 1. stationaire bronnen, zoals een fabriek, leiding of een lpg-tankstation; 2. mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water. 6.4.1

Toetsingskader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Bkl. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt, dodelijk verongelukt door een ongeval. Dit risico mag nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (hierna: PR) ten aanzien van kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare 40

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico: aandachtsgebieden Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico: aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving.

Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). De aandachtsgebieden maken de gevaren zichtbaar op de kaart, zodat overzichtelijk wordt welke gevaren waar op kunnen treden. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdagverblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? wat is de aanwezigheidsduur van die personen? in hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident? Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor overige gebouwen geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden.

Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan. Beoordelingsmethode De voorgenomen ontwikkeling is beoordeeld op basis van de risico-effecten op de omgeving. Deze risico-effecten zijn afgezet tegen de wet- en regelgeving. 6.4.2

Resultaten

In de huidige situatie bevindt de AWZI DGL zich op een ander perceel dan in de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling is daarom op dit thema getoetst aan andere risicobronnen dan de AWZI DGL. Op het moment zijn er geen activiteiten met risicobronnen op de toekomstige locatie van de nieuwe AWZI.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 41

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen Autonome ontwikkelingen Voor arbeidsmigranten wordt op het bedrijvenpark 'De Vergulde Hand', tussen de James Wattweg en de George Stephensonweg, tijdelijk in logies voorzien. Voor Tradiro zijn in totaal 72 woonunits voor in totaal 282 arbeidsmigranten voorzien. Er komen zes ruimtes met een gemeenschappelijke functie, zoals een beheerdersruimte, een wasserette, een sportvoorziening, een polyvalente ruimte en een fietsenstalling. Het tijdelijke logies is voor een maximale duur van 10 jaar voorzien (tot 2034). Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de omgevingsveiligheid Het beoogde voornemen heeft mogelijk een effect op omliggende objecten en locaties ten aanzien van omgevingsveiligheid. Voor omgevingsveiligheid zijn de ligging van de risicobronnen en het kantoor (beperkt kwetsbaar object) van belang. Het kantoor is aan de oostzijde van het terrein gelegen, ter hoogte van het midden van het terrein. De risicobronnen (de vergistingsinstallaties) zijn gelegen in de zuidoostzijde van het terrein. Externe risicobronnen met effect op AWZI De beoogde ontwikkeling ligt ten noorden van de bestaande waterzuivering. Daarom is het niet nodig om de inpasbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling aan Basisnet water te toetsen.

De beoogde ontwikkeling ligt namelijk buiten het invloedgebied van de zeevaart basisnetroute 'Noord-ingang en Nieuwe Waterweg' (meer dan 200 meter). De beoogde ontwikkeling ligt buiten de maximale afwerpafstand bij overtoeren (360 meter) van de windturbines (Ecofys 2007). Hiermee is er geen effect van de windturbines op de voorgenomen locatie.

Afbeelding 6.2 Externe risicobronnen met effecten op de AWZI Door de verplaatsing van de waterzuivering komt deze verder van het Botlek industrieterrein te liggen.

42

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen Echter ligt de nieuwe locatie nog steeds binnen het invloedgebied en de gifaandachtsgebieden van diverse (chemische) industrieën. Er is geen sprake van een wijziging op dit punt. Er zijn diverse buisleiding gelegen ten noorden van het plangebied van Vergulde Hand West. Het gaat om zowel aardgas- als kerosinebuisleidingen. De buisleidingen hebben geen PR10-6 contour. Beide buisleidingen hebben wel een brandaandachtsgebied. Binnen het brandaandachtsgebied kan sprake zijn van een warmtestralingscontour van meer dan 10 kW/m2. De contour is gelegen over de locatie van de AWZI. Het kantoor en de slibvergistingsinstallaties zijn op dit moment niet binnen het aandachtsgebied omgevingsveiligheid (brandaandachtsgebied) geprojecteerd. In de planregels is in artikel 5.4, onder g, een bepaling opgenomen dat met de plaatsing van het kantoor en de slibvergistingsinstallaties rekening wordt gehouden met de aandachtsgebieden omgevingsveiligheid. AWZI als risicobron De AWZI bevat een gasbuffer en vergistingsinstallaties als relevante installaties voor omgevingsveiligheid. In deze systemen wordt biogas opgeslagen. Het biogas wordt gezien als een Seveso categorie P2 'ontvlambare gassen' stof.

Het waterstofsulfidegehalte ligt voor biogas uit afvalwaterslib gemiddeld met 0,04 vol% lager dan 0,2 vol% en wordt hiermee gezien als niet toxisch. De lage drempelwaarde voor P2 ligt op 10.000 kg. Grofweg kan worden gezegd dat de dichtheid van het biogas 1,1 kg/m3 bedraagt. De totale hoeveelheid biogas aanwezig op de locatie bedraagt maximaal 7.307 kg. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de lage drempelwaarde. Voor de slibverwerkende activiteiten en de gaslijn gelden geen algemene regels vanuit het Bal. De activiteiten zijn ook niet beschreven in bijlage VII van het Bkl. Hieruit volgt dat er geen vaste afstand is en dat er geen noodzaak is om een veiligheidsafstand te berekenen. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich een metrolijn. In de metro kunnen zich relatief veel mensen bevinden. Wanneer de metro de locatie van de AWZI passeert, bevinden zich op dat moment meer mensen in de directe nabijheid van de AWZI. Aangezien deze situatie slechts enkele seconden duurt, wordt geconcludeerd dat de metro geen relevante risico-ontvanger is en dat de AWZI geen relevante risicobron vormt voor metroreizigers.

6.4.3

Conclusie

De AWZI heeft met de activiteiten slibvergisting in biogas impact op de omgeving. Deze activiteiten kennen geen voorgeschreven of te berekenen veiligheidsafstanden. Daarmee verandert de situatie ten opzichte van de referentiesituatie vanuit de AWZI niet. Het aantal risicobronnen met een effect op de AWZI neemt af ten opzichte van de referentiesituatie. De PR10-6-contour van de bestaande windturbines is niet langer gelegen over de locatie en dus ook niet over het kantoor. De locatie ligt niet langer binnen het explosieaandachtsgebied van basisnetroute water 'Noord-ingang en Nieuwe Waterweg', maar nu wel binnen het brandaandachtsgebied van de diverse buisleidingen. Het kantoor ligt niet binnen deze aandachtsgebieden. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 43

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen

6.5

Gezondheid

Gezondheid is een veelomvattend thema dat als maatschappelijk belang aan de basis ligt van het milieubeleid en de milieuregelgeving. Daarom is het ook relevant om de effecten op de volksgezondheid van de voorgenomen ontwikkeling in beeld te brengen. Het thema gezondheid bestaat uit de effecten van de thema's geluid, luchtkwaliteit, geur en omgevingsrisico's op de gezondheid.

6.5.1

Toetsingskader

De instrumenten uit de Omgevingswet bieden overheden kansen om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Concrete kaders en normen ten aanzien van dit thema zijn opgenomen in onderstaande wet- en regelgeving. Wet publieke gezondheid De Wet publieke gezondheid (Wpg) regelt de organisatie van de publieke gezondheidszorg in Nederland. Deze wet richt zich op het bevorderen en beschermen van de volksgezondheid. Naast andere zaken regelt de wet dat gemeenten gezondheidsbeleid opstellen, zorgdragen voor een medisch milieukundig gezonde leefomgeving en gezondheid meewegen in bestuurlijke beslissingen. De GGD wordt door gemeenten hiervoor ingezet. Milieunormen De milieukundige normstelling waarin gezondheid als een van de maatschappelijke belangen meeweegt, is opgenomen in milieuwet- en regelgeving. Dit is bij de afzonderlijke thema's in de andere hoofdstukken van dit MER beschreven.

Advieswaarden Het voldoen aan de milieunormen is echter geen garantie voor een gezonde leefomgeving, omdat bij de normstelling ook andere dan gezondheidsbelangen zijn meegewogen. Bijvoorbeeld economische ontwikkeling en werkgelegenheid. In het kader van een gezonde leefomgeving is het daarom belangrijk strengere waarden als criterium te hanteren bij de beoordeling van gezondheidseffecten. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft advieswaarden opgesteld om gezondheidseffecten van geluid of lucht te verminderen. De GGD heeft advieswaarden opgesteld voor geur, geluid en lucht om een zo gezond mogelijke situatie te creëren. Deze advieswaarden zijn terug te vinden in de GGD-richtlijnen (RIVM). Het is belangrijk hierbij te vermelden dat deze waarden als aanvaardbaar worden gezien, maar dat er nog steeds gezondheidseffecten kunnen optreden. In onderstaande tabel zijn deze waarden weergegeven. Voor omgevingsveiligheid ontbreken dergelijk advieswaarden.

Geur

44

Woonkern

WHO advieswaarden

GGD advieswaarden

-

12% geurhinder (maximaal 2 ouE/m³)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen

Geluid

Luchtkwaliteit

Gemengde functies

-

20% geurhinder (maximaal 10 ouE/m³)

Wegverkeerlawaai

53 dB Lden/ 45 dB Lnight

50 dB Lden/ 40 dB Lnight

Railverkeer

54 dB Lden/ 44 dB Lnight

50 dB Lden/ 40 dB Lnight

Vliegverkeer

45 dB Lden/ 40 dB Lnight

als WHO

Bedrijven

-

50 dB Lden/ 40 dB Lnight

NO2

10 µg/m3 jaargemiddeld

als WHO

PM10

15 µg/m3 jaargemiddeld

als WHO

PM2,5

5 µg/m3 jaargemiddeld

als WHO

Tabel 6.8 Advieswaarden WHO en GGD

Beoordelingsmethode Door de GGD GHOR Nederland zijn kernwaarden voor de gezonde leefomgeving geformuleerd. Dit zijn waarden die idealiter in elk gemeentelijk ruimtelijk plan of beleid zijn verwerkt. Het is niet de verwachting dat de voorgenomen ontwikkeling relevante impact heeft op de meeste van deze kernwaarden. Wel kan de voorgenomen ontwikkeling effect hebben op de thema's geluid, luchtkwaliteit, geur en omgevingsrisico's. De GGD heeft daarom geadviseerd in deze fase niet primair de kwalitatieve kernwaarden te beschouwen, maar te focussen op de gezondheidskundige advieswaarden uit de GGD-richtlijnen. Op basis van afzonderlijke beschouwingen per thema (geluid, luchtkwaliteit etc.) kan een overkoepelend beeld gegeven worden van de mate waarin bij bestaande woningen een verbetering of verslechtering optreedt van de milieugezondheidskwaliteit als gevolg van realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. Ten oosten van de planlocatie bevinden zich tijdens de aanlegfase naar verwachting tijdelijke woningen voor Oekraïners en zijn in de eerste jaren van de gebruiksfase tijdelijke woningen voorzien voor arbeidsmigranten. Omdat de GGD-normen ook gelden voor tijdelijke woningen (in tegenstelling tot de wettelijke normen die niet gelden voor tijdelijke woningen) zijn deze woningen wél beschouwd in de effectbeoordeling voor gezondheid.

6.5.2

Resultaten

Hieronder is per thema aangegeven in welke paragraaf de volledige beschrijving is opgenomen: 6.1 Geur; 6.2 Luchtkwaliteit; 6.3 Geluid; 6.4 Omgevingsveiligheid. Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de gezondheid Aanlegfase Tijdens de aanlegfase zullen de aspecten geur en externe veiligheid geen rol spelen. Geluid en lucht (bijvoorbeeld in de vorm van stofhinder) kunnen wel tijdelijk hinder veroorzaken en daarmee relevant zijn voor het aspect gezondheid. In deze planfase is nog onvoldoende bekend over de wijze van aanleg om hierover zinvolle en betrouwbare uitspraken te kunnen doen. In de project-MER zal hier verder op in worden gegaan. Geur De geurbelasting, en daarvan te verwachten hinder en mogelijke gezondheidseffecten, nemen ten bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 45

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen opzichte van de referentiesituatie af. Er wordt voldaan aan de GGD-normen voor geur van 10 ouE/m³ bij gemengde functies en 2 ouE/m³ bij woonfuncties. Luchtkwaliteit Er wordt in de toekomstige situatie niet voldaan aan de WHO-advieswaarden, zoals in de huidige situatie ook het geval is. Er wordt wel voldaan aan de wettelijke normen. De luchtemissies van de nieuwe AWZI zijn daarom niet in relevante mate van invloed op de gezondheidssituatie in de omgeving. Geluid De bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de geluidbelasting op de omgeving is aanwezig, maar beperkt. De geluidbelasting op gevoelige functies blijft onder de wettelijke grenswaarde Uit de berekeningen is gebleken dat op het tijdelijke logies wordt voldaan aan de door de GGD voorgeschreven waarden van 50 dB Lden. Het geluid bedraagt ten hoogste 48 dB(A) in de etmaalperiode en 38 dB(A) in de nachtperiode. Het geluid ten gevolge van indirecte hinder bedraagt ten hoogste 50 dB(A) in de etmaalperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode. Hierbij is zowel een noordelijke route voor vrachtwagens over de George Stephensonweg beschouwd als een zuidelijke route over de Maassluissedijk. In beide situaties wordt voldaan aan de voorgeschreven waarden van de GGD.

Omgevingsveiligheid Er is geen sprake van een berekende of voorgeschreven PR10-6-contour van de slibvergistingsinstallaties. Er is ook geen vaste afstand en geen noodzaak (vanuit wetgeving) om een veiligheidsafstand te berekenen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen relevante wijzigingen optreden in de gezondheidssituatie in de omgeving vanwege omgevingsrisico's door het voornemen.

6.5.3

Conclusie

Over het geheel gezien concluderen we dat er voor het thema gezondheid sprake is van een lichte verbetering door (beperkt) minder geurhinder, en een marginaal effect door (beperkt) meer geluid. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

6.6

Verkeer en parkeren

Het slopen van de huidige AWZI 'De Groote Lucht' en (het realiseren en gebruiken van) de nieuwe AWZI 'Vergulde Hand' zal invloed hebben op de verkeersstromen in het gebied. Het thema omvat relevante effecten op verplaatsing van mensen en goederen binnen en door het plangebied. Het volledige verkeersonderzoek is opgenomen in Bijlage 1.

6.6.1

Toetsingskader

In de Omgevingswet is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen (artikel 1.3 Omgevingswet). Overheden nemen hierdoor ook verkeersveiligheid bij het uitoefenen van taken en bevoegdheden mee in de afwegingen. Zo zal verkeersveiligheid voor een gemeente een rol spelen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving. Dit betreft de Europese Directive

46

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 2008/96/EG (voor rijks- en hoofdwegen), Wegenverkeerswet en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Daarnaast zijn voor het inrichten van veilige weginfrastructuur richtlijnen en aanbevelingen beschikbaar. Deze kennen weliswaar geen wettelijke basis, maar uit jurisprudentie blijkt dat een goede onderbouwing nodig is om van richtlijnen af te wijken. Wegenverkeerswet 1994 De Wegenverkeerswet 1994 (WVW) vormt de basis voor alle verkeersregels. Uitgangspunt daarbij is de vlotheid en doorstroming van het verkeer en dat niemand hinder of gevaar op de weg mag veroorzaken. Deze regels zijn verder uitgewerkt in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv). Onderdeel van deze wet is ook de Uitvoeringsregeling BABW die moet worden aangehouden bij het inrichten van veilige weginfrastructuur als het gaat om bebording en markering. Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 (SPV2030) Het SPV2030 vormt de basis voor het verkeersveiligheidsbeleid van gemeenten, provincies en waterschappen. Dit beleid kan uitgevoerd worden met een risico-gestuurde aanpak, waarbij maatregelen worden genomen op locaties met een hoog risico op verkeersongevallen.

Daarnaast wordt het beleid steeds meer integraal benaderd, waarbij verkeersveiligheid een onderdeel wordt van de planvorming. Dit geldt niet alleen voor verkeersveiligheidsplannen, maar ook voor integrale veiligheidsplannen en omgevingsplannen die regels stellen voor de ruimtelijke inrichting. Hierdoor wordt verkeersveiligheid een integraal onderdeel van een breder (ruimtelijk) afwegingsproces. De gemeente Vlaardingen ambieert om niet alleen de verkeersveiligheid te verbeteren op locaties waar ongevallen hebben plaatsgevonden (curatief), maar ook proactief locaties aan te pakken met een relatief hoog verkeersveiligheidsrisico. Mobiliteitsagenda 2021 - 2023 Deze agenda vormt het eerste uitvoeringsprogramma van het Actieplan Mobiliteit van de gemeente Vlaardingen. De afgelopen jaren is met het Actieplan Mobiliteit in de hand gewerkt aan een veilig, bereikbaar en gezond Vlaardingen. In deze Mobiliteitsagenda worden de ambities verder geconcretiseerd. Deze agenda geeft, vanuit de kaders van het Actieplan Mobiliteit, een groot aantal concrete projecten en richtingen die de gemeente de komende jaren op het gebied van verkeer en mobiliteit willen oppakken. Beleidsregel Parkeernormen 2019 De gemeente Vlaardingen heeft parkeernormen vastgesteld. In bijlage 2 van dit parkeerbeleid is opgenomen dat het plangebied valt binnen het normgebied 'rest bebouwde kom'.

De AWZI is een 'bedrijf arbeidsextensief/ bezoeker extensief'. Dit betekent dat de parkeernorm voor de AWZI 0,9 per 100 m2 is. Echter, in dit beleid is ook opgenomen dat in specifieke gevallen afgeweken kan worden van deze norm. Dit kan bijvoorbeeld indien onderbouwd kan worden dat de realistische parkeerdruk naar verwachting lager of hoger hoger is dan de gestelde norm. Beoordelingsmethode Ten aanzien van het thema Verkeer zijn twee criteria beoordeeld: bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Daarnaast is ingegaan op het thema Parkeren. Bereikbaarheid Bereikbaarheid betreft (a) het aantal vervoersbewegingen (aanvoer en afvoer) van en naar de waterzuivering en (b) de afwikkeling daarvan voor alle typen weggebruikers. De bereikbaarheid is beoordeeld op basis van kentallen, zonder gebruik te maken van modellering. De voorgenomen bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen 47

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen ontwikkeling in de gebruik-, aanleg- en sloopfase is beoordeeld op effecten op de verkeersafwikkeling (Intensiteit/Capaciteit-verhouding). Verkeersveiligheid Verkeersveiligheid heeft betrekking op de veiligheidsrisico's die ontstaan voor alle typen weggebruikers als gevolg van de inrichting van de infrastructuur, evenals de samenstelling en het volume van het verkeer. Voor dit criterium is een bureaustudie uitgevoerd waarbij kaartmateriaal, beleidsdocumenten en ongevallenstatistieken zijn geanalyseerd. Er is specifiek gekeken naar conflicten tussen weggebruikers, en naar het volume en de samenstelling van het verkeer. De beoordeling is kwalitatief.

6.6.2

Resultaten

Ten aanzien van dit thema is relevant om te beoordelen of de huidige situatie geschikt is voor de realisatie van voorgenomen ontwikkelen. Met andere woorden: de huidige verkeerssituatie moet ruimte bieden voor een nieuwe AWZI, inclusief de verkeersstroom en parkeerbehoefte die daarbij hoort. Bereikbaarheid De huidige waterzuivering Groote Lucht is ontsloten via de Maassluissedijk. Het meeste verkeer komt vanuit het oosten, vanaf de A20 via de Marathonweg of vanaf de A4 via de Deltaweg. De Maassluissedijk bestaat uit twee rijstroken en er geldt een maximale toegestane snelheid van 50 km/uur binnen de bebouwde kom en 80 km/uur buiten de bebouwde kom (herinrichting GOW 80 naar ETW 60 is onderdeel van de Mobiliteitsagenda 2021 - 2023). De komgrens ligt tussen de in- en uitrit van de waterzuivering en de enkelstrooks-rotonde Maassluissedijk - George Stephensonweg. Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat het verkeer op 80 en 50 km/u-wegen met vrijliggende fietspaden tot een omvang van 6.000 à 15.000 mvt/etmaal (motorvoertuigen per etmaal) veelal vlot en veilig kan worden afgewikkeld. In de huidige situatie blijven de verkeersintensiteit hier ruim onder (zie het verkeersonderzoek in bijlage 7 van het plan-MER).

Daaruit kan worden geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling voldoende gewaarborgd is. De beoogde autonome ontwikkelingen (autonome groei van 1,5 % per jaar, logies arbeidsmigranten Tradiro) zullen resulteren in een lichte verkeerstoename: Ca. 9 % in 6 jaar voor het gehele gebied (+430 vtg/werkdagetmaal op de Maassluissedijk ter hoogte van de huidige waterzuivering) als gevolg van de autonome groei; een verkeerstoename van 313 mvt/etmaal op de James Wattweg als gevolg van het tijdelijke logies voor arbeidsmigranten Tradiro; een afname van uiteindelijk 876 mvt/etmaal als gevolg van het verdwijnen van de Oekraïense opvanglocatie Mrija. Omdat de verkeersintensiteit op de omliggende wegen in de autonome situatie dermate laag is, is de verwachting dat de beoogde verkeerstoename probleemloos kan worden opgevangen. De autonome ontwikkelingen zorgen dan ook niet voor knelpunten op het gebied van verkeersafwikkeling. Verkeersveiligheid De Maassluissedijk heeft twee rijstroken, met een maximale snelheid van 80 km/uur buiten de bebouwde kom en 50 km/uur binnen de bebouwde kom. Binnen de bebouwde kom staan verkeersborden die een adviessnelheid van 50 km/uur aangeven, terwijl de maximumsnelheid daar al 50 km/uur is, wat voor verwarring kan zorgen bij weggebruikers. De wegmarkeringen op de Maassluissedijk voldoen zowel binnen als buiten de bebouwde kom niet aan de richtlijnen.

48

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a AWZI Vergulde Hand Vlaardingen Tussen de afvalwaterzuivering De Groote Lucht en de Maassluissedijk ligt een vrijliggend tweerichtingsfietspad. Dit fietspad kruist de in- en uitrit van de waterzuivering voor gemotoriseerd verkeer, waarbij fietsers voorrang hebben. Op de rotonde Maassluissedijk - George Stephensonweg hebben fietsers ook voorrang. Ter hoogte van de afvalwaterzuivering is het fietspad niet uitgevoerd in rood asfalt. De Maassluissedijk laat een relatief hoog aantal ongevallen zien. Dit betreffen allemaal ongevallen met materiële schade en/of met letsel als gevolg. Dit traject blijkt regelmatig in het nieuws te komen vanwege het hoge aantal ongevallen dat er plaatsvindt. Uit de beschikbare beleidsdocumenten komen geen locatie specifieke veiligheidsproblemen in het studiegebied naar voren. De autonome ontwikkelingen zorgen dan ook niet voor structurele veranderingen (verbetering of verslechtering) op het gebied van verkeersveiligheid. Parkeren In de huidige situatie voldoet het parkeeraanbod ruimschoots aan de parkeerbehoefte van 60 tot 80 parkeerplaatsen. Er is ruimte om op eigen terrein te parkeren.

Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op verkeer Bereikbaarheid Aangezien de nieuwe waterzuivering op een andere locatie komt dan de bestaande, wordt verwacht dat regulier verkeer en bouwverkeer voldoende gescheiden kunnen blijven tijdens de aanlegfase en sloopfase van de AWZI. Op basis van de verkeerskundige analyse wordt geconstateerd dat geen substantiële veranderingen op zullen treden in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling ten opzichte van de referentiesituatie. In de referentiesituatie rijdt al het verkeer van en naar de waterzuivering via de Maassluissedijk. De nieuwe waterzuivering sluit aan op het Marie Curieplein, waardoor verkeer van en naar de waterzuivering twee mogelijke routes heeft naar de rotonde bij de Deltaweg en Marathonweg. Via de noordkant kan verkeer de George Stephensonweg gebruiken en via de zuidkant de Maassluissedijk. De verkeersgeneratie per dag is dermate klein dat dit niet tot substantiële verschillen gaat leiden op zowel de George Stephensonweg als de Marathonweg. Verkeersveiligheid De verwachting is dat tijdens de aanlegfase en sloopfase een lichte verslechtering zal optreden ten aanzien van de referentiesituatie. Tijdens de gebruiksfase zal geen verandering optreden omtrent verkeersveiligheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15937797/1