Bestemmingsplan Park Vijfsluizen toelichting
Tekst van het document
Gezien de grote variatie in gecumuleerde geluidsbelastingen binnen het plangebied ligt het in de rede de akoestische kwaliteit niet alleen te beoordelen op basis van maximaal optredende waarde op één beoordelingspunt op een woning (in casu de hoogste verdieping). De akoestische kwaliteit wordt immers niet alleen bepaald door het hoogste gecumuleerde geluidsniveau, maar ook door het laagste gecumuleerde geluidsniveau. Het ligt daarom in de rede de akoestische kwaliteit te beoordelen op de basis van de gemiddelde gecumuleerde geluidsbelasting. In het gemeentelijk geluidsbeleid worden de volgende geluidsniveaus aangehouden voor de kwantitatieve perceptie (gebaseerd op de Ltotaal): 40 dB stil 43 dB rustig 48 dB hoorbaar 53-58 dB druk 58-63 dB lawaaiig 63-73 dB zeer lawaaiig Op basis van voorgaande indeling kan de gemiddelde geluidskwaliteit (gebaseerd op Ltotaal) binnen Park Vijfsluizen worden gekwalificeerd als 'druk', waarbij er zowel naar beneden als boven uitschieters zijn. Er zijn locaties waar sprake is van een 'hoorbaar' geluidsniveau, maar ook waar sprake is van een 'lawaaiig' geluidsniveau. Daarbij is nog van belang dat de akoestische kwaliteit, bij een beoordeling per periode, in de dagperiode aanzienlijk beter en in de avondperiode beter is dan de kwaliteit beoordeeld over de gehele etmaalperiode.
Uit het aanvullende onderzoek volgt verder: Dat de in verband met het bedrijfsgeluid noodzakelijke verhoging / verlenging van de geluidswal / scherm langs de ontsluitingsweg van/naar het Bastion Hotel zorgt voor een geluidsafname van met Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
50
circa 1 tot 2 dB ter plaatse van de begane grond (achterzijde) en met 1 tot 4 dB op de 1e verdieping (achterzijde) voor het verkeerslawaai en met circa 1 tot 2 dB ter plaatse van de begane grond (achterzijde) voor het industrielawaai van het industrieterrein Vulcaanhaven-Koningin Wilhelminahaven-Vettenoord; Dat een uitbreiding van de bouwvlakken ter plaatse van de vleugels aan het hoofdgebouw niet leidt tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor zowel de rijkswegen als het industrieterrein Vulcaanhaven-Koningin Wilhelminahaven-Vettenoord. De uitbreiding heeft evenmin gevolgen voor de hoogte van de geluidsbelastingen van omliggende woningen; Dat de aanpassing van de verkeerssamenstelling voor het verkeer van/naar het Bastion Hotel alsmede de verschuiving van de ontsluitingsweg van/naar het Bastion Hotel zorgt voor een toename van de (gecumuleerde) geluidsbelasting. Hierdoor wordt bij de herenhuizen en de tegenover gelegen hof- en coulissenwoningen niet (meer) voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor de ontsluitingsweg en voldoet de gecumuleerde geluidsbelasting op meer plaatsen niet aan de gemeentelijke beleidseis van 53 dB, die geldt voor een geluidsluwe gevel en tuin. Hierdoor zijn zwaardere en aanvullende afschermende maatregelen noodzakelijk om ter plaatse van de te openen ramen en de tuinen te kunnen voldoen aan de waarde voor een geluidsluwe gevel en tuin.
Bij de tuinen van de hof- en coulissen-woningen kan de geluidsbelasting worden teruggebracht door het plaatsen van tuinmuren/tuinschermen. Ter plaatse van de openen ramen zullen akoestisch zwaardere en meer afschermende voorzieningen noodzakelijk zijn. Door het treffen van de aanvullende en zwaardere maatregelen is er nog steeds sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Kader
Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van de Wet luchtkwaliteit (hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer). De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.5.2
Onderzoek
DGMR heeft in maart 2017 onderzoek (Bijlage 12) uitgevoerd naar het aspect luchtkwaliteit met betrekking tot het plangebied. In dit onderzoek is uitgegaan van 745 woningen. De voorgenomen ontwikkeling betreft nu 437 woningen en een woonzorgvoorziening in combinatie met voorzieningen met een publieksgericht karakter. Omdat de huidige ontwikkelingen uitgaan van een kleiner programma dan waar in 2017 mee is gerekend wordt geconcludeerd dat de onderzoeksresultaten nog steeds gehanteerd kunnen worden. DCMR heeft dit bevestigd. Op basis van het onderzoek valt Park Vijfsluizen met 745 woningen onder artikel 4 van de Regeling niet in betekende mate bijdragen. Toetsing van het plan aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit is daarom niet aan de orde. Voor het oordeel over het woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
51
ordening aangesloten bij de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Hieruit blijkt dat bij een worstcase scenario in het beoordelingsjaar 2018: De jaargemiddelde concentratie en de uurgemiddelde concentratie NO2 bij planontwikkeling ruim onder de grenswaarde ligt. De jaargemiddelde concentratie PM10 en PM2.5 en de 24-uurgemidddelde concentratie PM10 ruim onder de grenswaarde ligt. Daarnaast wordt met de vaststelling van het bestemmingsplan een woonzorgvoorziening in combinatie met voorzieningen met een publieksgericht karakter mogelijk gemaakt. In tegenstelling tot normale woningen zijn zorgwoningen een gevoelige bestemming voor wat betreft luchtkwaliteit. Om die reden heeft DGMR in maart 2021 het plan opnieuw getoetst (Bijlage 13). Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling, inclusief de woonzorgvoorziening, niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Bovendien liggen ter plaatse van het zorggebouw en ook langs de nabij gelegen snelweg en stadsweg de concentraties NO2 en PM10 ver onder de grenswaarde van 40 µg/m3. Daarmee is geen sprake van een dreigende overschrijding. 4.5.3
Conclusies
De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast liggen binnen het plangebied de concentraties NO2 en PM10 ver onder de grenswaarden van 40 µg/m3. De GGD is weliswaar kritisch over de luchtkwaliteit in het plan, zo dicht bij de snelweg, maar ziet ook in dat (verdere) maatregelen hier niet mogelijk zijn. Om die reden zien zij dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Zie ook Bijlage 37 Nota vooroverleg (17 december 2020).
4.6
Milieuzonering
4.6.1
Kader
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 4.6.2
Onderzoek
Quickscan bedrijven en inrichtingen nabij het plangebied In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen “rustige woonwijk / rustig buitengebied” en “gemengd gebied”. Gezien de aanwezige functiemenging en de ligging langs de hoofdinfrastructuur is sprake van een “gemengd gebied”. Met dit uitgangspunt is door KuiperCompagnons een quickscan naar bedrijven en milieuzonering uitgevoerd (Bijlage 14). Uit de quickscan blijkt dat van circa 17 bedrijven (waaronder het metrostation Vlaardingen-Oost) de richtafstand tot over het plangebied reikt. Voor deze bedrijven / inrichtingen is nader onderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat ter plaatse van de ontwikkeling een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd én dat de bestaande bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden geschaad ten gevolge van de ontwikkeling. Nader onderzoek Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
52
Nader onderzoek naar de bedrijven en inrichtingen nabij het plangebied heeft plaatsgekregen in het akoestisch onderzoek (zie paragraaf 4.4), het luchtkwaliteitsonderzoek (zie paragraaf 4.5), het externe veiligheidsonderzoek (zie paragraaf 4.7) en het geuronderzoek (zie paragraaf 4.12.1). Voorts is specifiek voor het metrostation Vlaardingen Oost aan het Burgemeester van Lierplein 81 een afzonderlijk akoestisch onderzoek uitgevoerd, opgenomen als Bijlage 15 bij de toelichting. Uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen in Park Vijfsluizen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de activiteiten van het metrostation. Woonzorgvoorziening in Park Vijfsluizen Daarnaast wordt in het plangebied een kleinschalige woonzorgvoorziening in combinatie met 90 tot 120 m2 voorzieningen met een publieksgericht karakter. Gedacht kan worden aan maatschappelijke voorzieningen, kleinschalige horea of detailhandel. In de richtafstandenlijst van de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering' geldt voor dergelijke voorzieningen een richtafstand van 10 m. Bij een 'gemengd gebied' mag een stap terug worden genomen, waarbij de richtafstand 0 m wordt. Voor de woonzorgvoorziening gelden respectievelijk een richtafstand van 30 en 10 m.
Park Vijfsluizen is een stedelijke ontwikkeling en wordt gerealiseerd in de nabijheid van bedrijven, inrichtingen en (spoor)wegen. Om die reden is Park Vijfsluizen getypeerd als 'gemengd gebied'. Er wordt dus voldaan aan de richtafstanden. Voor de zekerheid is in de regels vastgelegd dat voor deze functies moet worden voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure, uitgaande van het gebiedstype 'gemengd gebied'. Hierbij wordt wel de mogelijkheid opengelaten om gemotiveerd af te wijken van de richtafstand. Bastion-hotel Binnen het plangebied is, op de Mr. L.A. Kesperweg 51, in de bestaande situatie een hotel gelegen; het Bastion-hotel. Een hotel inclusief ondergeschikte nevenfuncties (zoals een restaurant, terras) is in de richtafstandenlijst van de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering' gecategoriseerd als categorie 1-inrichting, waarbij in gemengd gebied een richtafstand van 0 m moet worden aangehouden. De dichtstbijzijnde nieuwe woningen zijn gelegen op ruim 20 meter vanaf de perceelsgrens van het hotel. Voldaan wordt dus aan de richtafstand, ook als deze niet gereduceerd zou mogen worden. Evenwel is nader ingezoomd op het hotel.
In het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' is onderzocht of het hotel na realisering van de woningen niet wordt gehinderd in de bedrijfsvoering en of het hotel aan de in artikel 2.19a van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) gestelde normen kan voldoen. Naar aanleiding van de zienswijze is dit, aan de hand van de door het hotel aangeleverde brongegevens, door het DGMR nader onderzocht. Dit onderzoek is als Bijlage 16 opgenomen. De aanvraag voor de exploitatievergunning voor het hotel is door de gemeente / Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (hierna: de DCMR) op 12 september 2011 beoordeeld als een melding in het kader van het Activiteitenbesluit. Uit deze melding blijkt dat het een type-B inrichting betreft zodat de activiteiten vooraf bij het bevoegde gezag moeten worden gemeld. Bij de melding is geen akoestisch onderzoek gevoegd ten aanzien van de bedrijfsvoering. Volgens de exploitatievergunning (verleend op 24 augustus 2011) is ter plaatse een restaurant (van 260 m2) met terras (60 m2) toegestaan. Het maximum aantal tafels en stoelen op het terras bedraagt 5 respectievelijk 20. De openingstijden van het restaurant zijn maandag t/m zondag van 07:00 uur tot 01:00 uur (vrijdag en zaterdag tot 02:00 uur). De openingstijden van het terras zijn maandag t/m zondag van 09:00 uur tot 24:00 uur.
Het terras mag worden gebruikt van 1 april tot en met 31 oktober (7 maanden per jaar). Daarnaast wordt in de exploitatievergunning toestemming verleend tot het afspelen van mechanisch versterkte muziek. Op het terras mag echter géén muziek ten gehore worden gebracht. Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
53
M+P Raadgevend Ingenieurs (hierna M+P), de akoestisch adviseur van het Bastion hotel, heeft in de zienswijzenperiode van dit bestemmingsplan, brongegevens aangeleverd van het hotel. Deze geluidgegevens, waarin een forse opgave voor het verkeer van en naar het hotel is opgenomen, zijn niettemin als uitgangspunt voor het onderzoek genomen. Op basis van deze gegevens bedragen de verkeersbewegingen voor de representatieve bedrijfssituatie van het hotel in totaal 498 motorvoertuigen per weekdag. Het meten en berekenen van de geluidniveaus en het beoordelen van de meetresultaten heeft plaatsgevonden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM, 1999).Uit deze berekeningen blijkt dat op een aantal beoordelingspunten op de gevels van de woningen in de avond en de nacht niet wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit vanwege de activiteiten van het hotel. Dit geldt zowel voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als het maximale geluidsniveau (Lamax). Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau geldt dat met name de voertuigbewegingen van en naar het hotel verantwoordelijk zijn voor de overschrijding van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Hierbij is het verkeer op het parkeerterrein de belangrijkste oorzaak van de overschrijdingen.
Voor het maximale geluidsniveau geldt dat de kraanwagens, zware vrachtwagens en touringcars leiden tot geluidsniveaus boven de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. De overige bronnen, inclusief stemgeluid en rijden met bestelbussen en personenwagens, voldoen wel. De oorzaak van de relatief hoge geluidbelasting is vooral gelegen in het rijden met zwaar materieel, zoals zware vrachtwagens en kraanwagens op het parkeerterrein van het hotel. Indien dit niet wordt meegenomen wordt wel voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag, avond en nachtperiode. De totale jaargemiddelde verkeersintensiteit van een hotel bedraagt echter slechts 267 motorvoertuigen/weekdag. Dit aantal is gebaseerd op de gemiddelde verkeersgeneratie van 19,8 motorvoertuigen per 10 kamers conform CROW-kentallen voor een 4 sterrenhotel met 135 kamers in de rest van de bebouwde kom in zeer stedelijk gebied. De verkeersgeneratie gebaseerd op de CROW-kentallen wordt representatief geacht voor de jaargemiddelde bedrijfssituatie. De representatieve bedrijfssituatie zal zich immers meer dan 12x per jaar voordoen, maar niet elke dag van het jaar. Omdat de jaargemiddelde cijfers lager zijn dan de cijfers voor de representatieve bedrijfssituatie wordt de geluidsemissie op basis van de verkeerssamenstelling zoals opgegeven door M+P als 'worst case' beschouwd.
Uit het nader onderzoek blijkt dat het Bastion hotel niet aan de standaard voorschriften uit het Activiteitenbesluit kan voldoen. Ook wordt niet voldaan aan de toetswaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Daarop zijn maatregelen onderzocht en is onderzocht of een afwijking van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en naar de toetswaarden uit stap 3 van de VNG-publicatie mogelijk is. Hieruit zijn de volgende conclusies getrokken: Door drie kopgevels doof uit te voeren worden de grootste overschrijdingen weggenomen; Door het treffen van een maatregel aan LBK 2 (afscherming of bronmaatregel) kan aan de zuidzijde bij de herenhuizen worden voldaan aan de grenswaarde uit stap 2 en het Activiteitenbesluit; Door het verleggen van de inrit van het hotel naar het oosten kan worden voldlaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en wordt de overschrijdingg van de maximale geluidsniveaus gereduceerd. Het is echter naar verwachting niet haalbaar de inrit hierheen te verplaatsen. Door deze maatregelen wordt niet voorkomen dat de grenswaarden in de avond- en nachtperiode worden overschreden. Hierdoor is het stellen van (aanvullende) maatwerkvoorschriften noodzakelijk. In het Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
54
maatwerkbesluit, dat na vaststelling van het bestemmingsplan in overleg met Bastion zal worden genomen, zullen de bestaande rechten van Bastion zoveel mogelijk worden gerespecteerd en geborgd. Op grond van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, zie o.a. de uitspraak van 22 februari 2017/ECLI:NL:RVS:2017:462 hoeven maatwerkvoorschriften niet al vóór de vaststelling van een bestemmingsplan te zijn vastgesteld mits de raad inzichtelijk heeft gemaakt of er maatwerkvoorschriften zullen worden vastgesteld en of deze in een beroepsprocedure stand kunnen houden. Gelet op de aard en (geringe) impact op de bedrijfsvoering van Bastion is de raad van mening, dat deze maatwerkvoorschriften stand zullen houden. Met voornoemde maatregelen en maatwerkvoorschriften is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen in het plangebied. Het stellen van maatwerkvoorschriften, gebaseerd op de jaargemiddelde verkeersgeneratie, leidt bovendien niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden/exploitatie van het hotel, aangezien de representatieve bedrijfssituatie van het hotel ten aanzien van het aantal en type verkeersbewegingen zich niet dagelijks zal voordoen.
Daarnaast is door KuiperCompagnons (Bijlage 10) aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het onderdeel wegverkeerslawaai (Wet geluidhinder), als gevolg van de namens het hotel doorgegeven verkeersintensiteiten en -verdeling. Ook in dit onderzoek is uitgegaan van de verkeersintensiteiten op basis van de CROW-norm omdat deze het beste aansluiten op het langtijd gemiddelde geluidniveau op basis waarvan verkeerslawaai wordt beoordeeld waarbij wel rekening is gehouden met de verdeling over dag, avond nacht én licht, middel en zwaar verkeer zoals M+P die heeft opgegeven gehanteerd. Hierbij wordt opgemerkt dat in het kader van de beoordeling van het wegverkeerslawaai geen rekening gehouden hoeft te worden met een 30km-weg, zoals de onderhavige ontsluitingsweg van en naar het hotel. Het verkeersgeluid op deze weg dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter wel te worden beoordeeld. Gelet op de hoeveelheid verkeer van en naar het hotel, zijn in het akoestisch rekenmodel de lengte en hoogte van de geluidwal/scherm langs de ontsluitingsweg aangepast en is ook de ligging van de ontsluitingsweg aangepast. De geluidwal wordt verlengd van 13 naar 23 meter en verhoogd van 3 naar 6 meter. In verband met de verlenging van de geluidwal wordt de ontsluitingsweg recht getrokken en wordt de aanwezige flauwe bocht eruit gehaald.
Hierdoor verschuift de weg circa 2,5 m in zuidelijke richting. Daarnaast is de ontsluitingsweg aan de zijde van het hotel ingekort tot aan de perceelsgrens. Uit het onderzoek volgt dat de aanpassing van de verkeerssamenstelling voor het verkeer van/naar het Bastion Hotel alsmede de verschuiving van de ontsluitingsweg van/naar het Bastion Hotel zorgt voor een toename van de (gecumuleerde) geluidsbelasting. Hierdoor wordt bij de herenhuizen en de tegenover gelegen hof- en coulissenwoningen niet (meer) voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor de ontsluitingsweg en voldoet de gecumuleerde geluidsbelasting op meer plaatsen niet aan de gemeentelijke beleidseis van 53 dB, die geldt voor een geluidsluwe gevel en tuin. Hierdoor zijn zwaardere en aanvullende afschermende maatregelen noodzakelijk om ter plaatse van de te openen ramen en de tuinen te kunnen voldoen aan de waarde voor een geluidsluwe gevel en tuin. Bij de tuinen van de hof- en coulissenwoningen kan de geluidsbelasting worden teruggebracht door het plaatsen van tuinmuren/tuinschermen. Ter plaatse van de te openen ramen zullen zwaardere en meer afschermende voorzieningen noodzakelijk zijn. Indien deze maatregelen worden getroffen, is er nog steeds sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.6.3
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor de planrealisatie. In het maatwerkbesluit, dat na vaststelling van het bestemmingsplan in overleg met het Bastion-hotel zal worden genomen, zullen de bestaande rechten van Bastion zoveel mogelijk worden gerespecteerd en geborgd. Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
55
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Kader
Eisen vanuit externe veiligheid beïnvloeden de ontwikkelingsmogelijkheden. De gemeente Vlaardingen heeft in de Visie externe veiligheid "Ruimte voor duurzame veiligheid" (2012) een nadere invulling van de wet- en regelgeving gegeven. Doel van het beleid externe veiligheid en de daaruit voorvloeiende wet- en regelgeving is het beperken van risico's die optreden als gevolg van een calamiteit waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De aan de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen verbonden risico's moeten volgens het beleid externe veiligheid aanvaardbaar blijven. De wet- en regelgeving voor externe veiligheid is dan ook gestoeld op een risicobenadering. Het gaat in de eerste plaats om de kans op een groep dodelijke slachtoffers door een ongeval met een gevaarlijke stof, ofwel het groepsrisico. Dit risico drukt de kans uit op een ramp van bepaalde omvang in doden. In de tweede plaats gaat het over de persoonlijke veiligheid van de individuele burger, ofwel het plaatsgebonden risico. Dit is de overlijdenskans die een persoon loopt, door op een bepaalde afstand van een inrichting of een transportroute permanent aanwezig te zijn. De regels zijn vastgelegd in een aantal besluiten. Deze besluiten hanteren dezelfde risicobenadering. Voor het plaatsgebonden risico geldt een grens- en een richtwaarde.
De beoordeling van het groepsrisico vindt niet plaats door toetsing aan een vaste norm maar door middel van het afleggen van een verantwoording. Het bevoegd gezag beoordeelt hierbij de aanvaardbaarheid van het groepsrisico in het ruimtelijk besluit. In het bestemmingsplan Park Vijfsluizen is dat voor de kantoorontwikkeling gedaan. 4.7.2
Onderzoek
Door DGMR is in december 2020 actualiserend onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd (Bijlage 17). In dit onderzoek is het actuele stedenbouwkundig plan (juni 2020) verwerkt en is een voorzet gedaan voor de verantwoording van het groepsrisico. Ook is het concept-advies van de VRR, waarmee in juli 2019 en in juni 2020 informele vooroverleggen zijn gevoerd, in het rapport verwerkt. Ten zuiden van het plangebied ligt het bedrijf DFDS Seaways. Dit bedrijf heeft uitbreidingsplannen. DFDS heeft daarom een QRA uit laten voeren. In het onderzoek van DGMR is deze QRA meegenomen als alternatief in de analyse. Omdat de toekomstige situatie nog niet vergund is, is in de basis uitgegaan van de feitelijk aanwezige, vergunde situatie. Externe veiligheidsbronnen In de omgeving van het plangebied bevinden zich diverse externe veiligheidsbronnen: de bedrijven DFDS, Cimcool en Vopak, en verder het transport van geklasseerde stoffen over de A4 en de Schiedamsedijk. Voor alle bronnen wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico van DFDS neemt toe van 0,50 naar 0,54 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de A4 en de Schiedamsedijk neemt beperkt toe en blijft lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De bijdrage van het plan aan het groepsrisico van Cimcool en Vopak is, gezien de afstand tot deze bedrijven, verwaarloosbaar.
De bouwwerken in het plangebied Park Vijfsluizen komen niet in het plasbrandaandachtsgebied dat langs de A4 ligt. Ook ligt het plangebied buiten het 100% letaliteitsgebied van de industriële bedrijven. De volgende bedrijven zijn wel beschouwd, maar vormen geen extern risico voor het plangebied: APK Beheer B.V., Avezaat, NEM, Aveno N.V., Damen Ship Repair, Organegas en Shell Vlaardingerdijk Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
56
(voormalig LPG-tankstation). Deze bedrijven hoeven daarom niet nader te worden beschouwd. Verantwoording groepsrisico In hoofdstuk 6 van het voornoemde rapport is door DGMR een verantwoording van het groepsrisico gegeven. Het plan heeft in alle gevallen een marginale invloed op het groepsrisico. Ongeacht de hoogte van het groepsrisico moet evenwel worden ingegaan op de voor- en nadelen van ruimtelijke alternatieven met een lager groepsrisico, op mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico, op mogelijkheden tot voorbereiding en bestrijding van een ramp en op mogelijkheden voor zelfredzaamheid en vluchtmogelijkheden voor aanwezigen. In de rapportage is hier uitgebreid op in gegaan. Onder meer het feit dat langs de A4 een geluidafschermende voorziening in de vorm van (grotendeels) een aarden wal wordt gerealiseerd, draagt in positieve zin bij aan de externe veiligheidssituatie in het plan. Deze wal schermt het plangebied namelijk af van de warmtestraling in het geval van een plasbrand, en beperkt de effecten van explosies laag bij de grond. Ook creëert deze wal een ruimte tussen de woningen en de snelweg van circa 60 meter. Ook kan worden vermeld dat waar dit vanuit het Bouwbesluit of vanuit geluidhinder nodig is, in het plan wordt voorzien van gelaagd glas. Dit is tevens letselbeperkend in het geval van een breuk.
In het geval van een BLEVE leidt dit glas niet of nauwelijks tot scherpe glassplinters. Verder moet mechanische ventilatie in het plan handmatig kunnen worden uitgeschakeld. Heijmans is van plan om in alle gebouwen mechanische ventilatie toe te passen. Aangezien het vanuit het Bouwbesluit verpicht is dat deze handmatig uitgeschakeld moet kunnen worden zal hieraan worden voldaan. De adviespunten uit het concept-advies van de VRR zijn in het rapport in tabelvorm opgenomen, waarbij is aangegeven of dit wordt toegepast of niet. Voor de overzichtelijkheid wordt de tabel hier herhaald:
Tabel: voorgestelde maatregel uit concept-VRR-advies en of de betreffende maatregel wel of niet in het plan wordt toegepast. Daarnaast heeft de VRR in een apart advies nog een tweetal organisatorische maatregelen genoemd met betrekking tot de zelfredzaamheid van de bewoners van de woonzorgvoorziening: Zorg dat de BHV-organisatie van de zorgvoorziening op de hoogte is van de mogelijkheid van het optreden van een incident, ook buiten het object, en weet hoe er op dat moment gehandeld moet Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
57
worden. Doorgaans is schuilen in het gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. Dit kan door middel van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand”. Op de website “www.rijnmondveilig.nl” vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident. 4.7.3
Conclusie
Uit het onderzoek externe veiligheid van DGMR blijkt dat het plan in alle gevallen een marginale invloed op het groepsrisico heeft. Ongeacht de hoogte van het groepsrisico moet toch worden ingegaan op de voor- en nadelen van ruimtelijke alternatieven met een lager groepsrisico, op mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico, op mogelijkheden tot voorbereiding en bestrijding van een ramp en op mogelijkheden voor zelfredzaamheid en vluchtmogelijkheden voor aanwezigen. In het rapport van DGMR is hier uitgebreid op in gegaan. De toekomstige (nog niet vergunde) situatie van DFDS is als variant meebeschouwd. De adviezen en toelichting vanuit de VRR, waarmee al tweemaal informeel overleg is gevoerd, zijn hierin verwerkt. In het kader van het wettelijk vooroverleg is de VRR om een formele reactie gevraagd. Zij kunnen zich vinden in het door DGMR opgestelde rapport (zie ook paragraaf 7.1) De gemeenteraad geeft bij vaststelling van dit bestemmingsplan formeel de verantwoording van het groepsrisico.
4.8
Natuur en landschap
4.8.1
Kader
Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.
Gebiedsbescherming De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
58
geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 4.8.2
Onderzoek
Soortenbescherming Ecologische quickscan Door Regelink is in februari 2019 een ecologische quickscan uitgevoerd (Bijlage 18). Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied potentieel geschikt is voor verblijfplaatsen van een aantal beschermde diersoorten en vogels met een jaarrond beschermd nest. Voordat een uitspraak kan worden gedaan of de werkzaamheden negatieve effecten hebben op deze soorten dient eerst nader, soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid en functies binnen het plangebied van de navolgende soorten/soortgroepen: ransuil; sperwer; buizerd; boomvalk; vleermuizen; steenmarter; alpenwatersalamander. Tevens dient een omgevingscheck uitgevoerd te worden om de geschiktheid en beschikbaarheid van nabijgelegen gebieden te bepalen voor de volgende categorie 5 soorten: bosuil; groene specht; grote bonte specht; zwarte roodstaart. Soortgericht onderzoek Het soortgericht onderzoek naar de bovengenoemde soorten is, in februari 2020, eveneens door Regelink uitgevoerd (Bijlage 19). Dit onderzoek heeft plaatsgevonden volgens het Vleermuisprotocol 2017 en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB zodat gesteld kan worden dat het plangebied afdoende is geïnventariseerd. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend. De belangrijkste resultaten uit het soortgericht onderzoek zijn hieronder beschreven.
Vogels Gierzwaluwen werden alleen hoog foeragerend en vliegend boven het plangebied waargenomen. De aanwezigheid van nesten kan worden uitgesloten. Tijdens het roofvogelonderzoek werden geen functionele nesten aangetroffen, tevens ontbrak nestindicatief gedrag van de aanwezige buizerd. De waarnemingen worden geïnterpreteerd als een solitaire, overzomerende vogel zonder nest. Tijdens een Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
59
van de vleermuisrondes werd een roepende volwassen ransuil waargenomen. Tijdens alle andere inventarisatiemomenten werd gekeken naar ransuilen, maar werden niet waargenomen. De roepende ransuil wordt daarom geïnterpreteerd als een incidentele waarneming en naar alle waarschijnlijkheid heeft de ransuil buiten het plangebied een territorium. De aanwezigheid van een ransuilnest kan redelijkerwijs worden uitgesloten. In het noorden van het plangebied kon een broedgeval van een groene specht worden vastgesteld, op basis van een baltsende vogel in het voorjaar en een juveniele vogel in de zomer. Vleermuizen Het plangebied fungeert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Het plangebied is niet essentieel op grond van de korte verblijfsduur van de foeragerende dieren. Gedurende het onderzoek werden geen vliegroutes waargenomen. Het is waarschijnlijk dat in het plangebied geen essentiële vliegroutes aanwezig zijn. Er werd gedurende de avonden wel een kleine toename vastgesteld in het aantal dieren langs de spoorlijn, het gaat hier vermoedelijk om dieren die uit de wijk aan de andere kant van de spoorlijn komen. In het plangebied zijn drie territoria van gewone dwergvleermuizen aanwezig. De precieze locatie van de paarverblijfplaatsen in de territoria kon niet worden vastgesteld.
Er is hoogst waarschijnlijk een paarverblijfplaats aanwezig in het hoofdgebouw. Tevens is een paarverblijfplaats van ruige dwergvleermuis in een boom nabij de noordoostelijke vijver aanwezig. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van overwinterende dieren. Steenmarter De cameraval heeft in een periode van 78 dagen vijf keer een volwassen steenmarter geregistreerd. Gezien de weinige waarnemingen en de afwezigheid van latrines en andere sporen kan de aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats redelijkerwijs worden uitgesloten Amfibieën Tijdens het onderzoek naar alpenwatersalamander werden geen exemplaren van deze soort gevonden. Het plangebied heeft geen functie voor deze soort. Vervolgstappen: Mitigatieplan en ontheffingsaanvraag Met de sloop van het grote pand en de overige opstallen verdwijnen 3 paarterritoria van gewone dwergvleermuis. Omdat deze 3 paarterritoria indicatief zijn voor de aanwezigheid van 3 paarverblijfplaatsen, dienen verzachtende maatregelen te worden genomen zoals het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen. Omdat de dieren worden gedwongen te verhuizen is er juridisch gezien sprake van verstoring, wat een overtreding van de Wet natuurbescherming betekent.
Het kappen van bomen en opgaand groen in de noordpunt van het plangebied leidt tot het verdwijnen van een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis, wat een overtreding van de Wet natuurbescherming betekent. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een mitigatieplan/projectplan opgesteld te worden waarmee overtreding van de Wet natuurbescherming zoveel mogelijk voorkomen kan worden. Dit mitigatieplan is in februari 2020 door Regelink opgesteld (Bijlage 20), en dient bij het uitvoeren van de werkzaamheden opgevolgd te worden. Zo moeten onder andere - om te voorkomen dat bij de sloop van de gebouwen en de kap van bomen dieren worden gedood - de werkzaamheden plaatsvinden in de minst kwetsbare periode van gewone- en ruige dwergvleermuis. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Om de periode tussen renovatie/sloop en voltooiing van renovatie en de nieuwbouw te overbruggen worden in de directe omgeving van het plangebied zestien vleermuiskasten opgehangen die aantoonbaar geschikt zijn als paarverblijfplaats voor gewone- en ruige dwergvleermuizen. Deze kasten moeten blijven Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
60
hangen tot minimaal zes maanden nadat permanente verblijfplaatsen in de nieuwbouw gerealiseerd zijn. Bij de realisatie van de nieuwbouw wordt een minimaal aantal van 16 permanente inbouwkasten gerealiseerd. Voor het beste effect worden deze kasten verspreid over verschillende huizenblokken en in verschillende windrichtingen geplaatst. Het mitigatieplan is onderdeel van de ontheffingsaanvraag voor de beschermde soorten. Op 16 november 2020 heeft de Omgevingsdienst Haaglanden ontheffing verleend. De beschikking is opgenomen als Bijlage 21. Advies natuurinclusieve herinrichting In het soortgericht onderzoek worden de volgende aanbevelingen gegeven ten aanzien van een natuurinclusieve herinrichting. Houd rekening met de periode waarin vleermuizen moeten wennen aan vleermuiskasten. Wanneer voldoende areaal bos/groen van voldoende ecologische kwaliteit behouden blijft, en daarmee het functionele leefgebied van steenmarter en de paarverblijfplaats van ruige dwergvleermuis, is het aanvragen van een ontheffing ten aanzien van steenmarter en ruige dwergvleermuis niet meer nodig. De registraties van steenmarter zijn bijzonder, steenmarters zijn in West-Nederland zeldzaam. Door het handhaven van al het groen, inclusief bomen, in de noordpunt (tussen vijver – noordpunt – opstallen) blijft er leefgebied behouden.
Bij het aanleggen van vijvers leidt een talud met een taludhelling van 1:10 tot 1:20 tot een optimale ontwikkeling van oevervegetatie, in de volksmond ook wel natuurvriendelijke oever genoemd. Dit kan goed worden geïntegreerd met tijdelijke opslagcapaciteit van teveel aan regen. Steile oevers – met beschoeiing – zijn natuuronvriendelijk, en worden sterk afgeraden. Kies voor openbaar groen voor meerjarige, inheemse soorten. In de toekomstige situatie komen er (veel) meer gebouwen dan in de oude situatie. Inzetten op voorzieningen voor gebouwbewonende soorten levert veel winst op voor de natuur. Tot slot dient voor het uitvoeren van de werkzaamheden een werkprotocol te worden opgesteld en nageleefd. Gebiedsbescherming De voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden door extra stikstofdepositie. Om te bepalen of dit aan de orde is of kan zijn, is door Rho een stikstofonderzoek uitgevoerd (Bijlage 22). Op basis van de resultaten van uitgevoerde Aerius-berekeningen wordt geconcludeerd dat de woningbouwontwikkeling Vijfsluizen niet leidt tot een depositietoename op verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000. De berekende depositie bedraagt zowel in de gebruiksfase als de aanlegfase 0,00 mol/ha/jaar. Significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.
Er is geen vergunning voor stikstof op grond van de Wet natuurbescherming vereist. Overigens is de analyse inzake de verkeersaantrekkende werking van het plan van DTV (zie 4.11.2 Onderzoek) ''worst case' te noemen aangezien zij voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking, van standaard CROW-normen zijn uitgegaan. In het gemeentelijk verkeersmodel zijn lagere aantallen voor deze locatie opgenomen, met name vanwege de nabijheid van metrostations. In het akoestisch onderzoek en het stikstofonderzoek zijn, in overleg met de gemeentelijk verkeerskundige, wel de lagere aantallen, uit het gemeentelijk verkeersmodel, aangehouden, daar dat realistischer is voor de geluidbelasting en de stikstofemissie. Door de grotere afstand tot aan Natura 2000-gebieden is het ook uitgesloten dat andere externe effecten optreden (zoals lichthinder, geluidhinder, trillingshinder) ter plaatse van deze beschermde natuur. Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
61
De ingreep vindt niet plaats binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur c.q. Natuurnetwerk Nederland niet van toepassing. 4.8.3
Conclusies
Ten aanzien van soortenbescherming is op basis van de uitkomsten uit de quickscan een soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de ransuil, sperwer, buizerd, boomvalk, vleermuizen, steenmarter en alpenwatersalamaner. Tevens is voor een aantal categorie 5 soorten een omgevingscheck uitgevoerd om de geschiktheid en beschikbaarheid van nabijgelegen gebieden te bepalen. Op basis van de uitkomsten van het soorgericht onderzoek is een mitigatieplan opgesteld voor de gewone & ruige dwergvleermuis. Vervolgens is een werkprotocol opgesteld en is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Op 16 november 2020 heeft de Omgevingsdienst Haaglanden ontheffing verleend. De beschikking is opgenomen als Bijlage 21. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante negatieve effecten op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Tevens ligt het plangebied niet binnen het NNN. Hiermee vormt het aspect gebiedsbescherming geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
4.9
Water
4.9.1
Kader en onderzoek
In het kader van een ruimtelijke procedure dient de watertoets te worden doorlopen. Op basis hiervan dient een waterparagraaf opgesteld te worden. In deze waterparagraaf zijn de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten vastgelegd voor de ontwikkeling Vijfsluizen in Vlaardingen. Het Hoogheemraadschap van Delfland is de waterbeheerder van het binnendijks gebied. Rijkswaterstaat is de waterbeheerder van de Nieuwe Maas en het buitendijks gebied. De waterparagraaf is opgesteld in afstemming met het Hoogheemraadschap van Delfland, en opgenomen als Bijlage 23 bij de toelichting. In de waterparagraaf is uitgebreid ingegaan op het beleid, het watersysteem en hoe daar in het bestemmingsplan mee om is gegaan. Kortheidshalve wordt naar de betreffende bijlage verwezen. De verbreding van de ontsluitingsweg zal geen gevolgen hebben voor de waterhuishouding. In de regels van het bestemmingsplan is, in artikel 13.11, een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor voldoende waterberging, geregeld over het totale plangebied. Het direct bestemmen van de ontsluitingsweg zal derhalve geen gevolgen hebben voor de waterhuishouding. 4.9.2
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het plangebied en het daarbinnen vallende relevante beleid. Op welke manier de waterhuishoudkundige functies in regels en verbeelding worden geborgd is hieronder beschreven. Advies waterbeheerder Om te voldoen aan de verhardingscompensatie binnen de ontwikkeling Vijfsluizen wordt er richting de Babberspolder een automatische stuw gerealiseerd of voor een vergelijkbare oplossing gekozen en krijgt de ontwikkeling een eigen peilgebied. Aanvullend speelt de waterkwaliteit een belangrijke rol, doordat er weinig doorspoeling is in de ontwikkeling is er een risico op opwarming van het oppervlaktewater in combinatie met stilstaand water. Door het overgrote deel van de oevers aan te planten als natuurvriendelijke oever wordt de waterkwaliteit verbetert in de ontwikkeling. Daarnaast wordt het hemelwater vanaf de A4 verwerkt in waterkwaliteitsmaatregelen waardoor het hemelwater alleen bij extreme situaties direct loost op het oppervlaktewater van Vijfsluizen en worden de negatieve gevolgen voor de ontwikkeling beperkt. Een laatste maatregel voor het verbeteren van de doorstroming is het Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
62
plaatsen van een pomp, waardoor oppervlaktewater wordt verpompt vanaf het noorden in het zuidelijke helofytenfilter. Hierdoor ontstaat er stroming en een extra waterzuiveringsstap van het oppervlaktewater. Ontwateringsdiepte De ontwateringsdiepte nabij het Shellgebouw op het punt van de grondwaterstandmetingen (centrum van het plangebied), komt bij hoge grondwaterstanden neer op een hoogte van slechts 0,1 m. De reden dat de grondwaterstand in de huidige situatie dermate hoog is kan verklaard worden door de grote hoeveelheid onverhard oppervlak in combinatie met slecht doorlatende grondlagen en relatief grote afstanden tot de watergangen, tot ongeveer 100 meter. De nieuwe drooglegging in de toekomstige situatie wordt aangehouden op 1 tot 1,2 m. De te behalen ontwateringsdiepte dient te voldoen en te zijn vormgegeven volgens de in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2019 vastgelegde voorkeursvolgorde van maatregelen om bij nieuwbouw aan de ontwateringseisen te voldoen. Daarnaast worden de groenvoorzieningen op verschillende locaties hoger aangelegd dan de huidige situatie en aanvullend verschraald met zand om de afwatering naar de nabijgelegen drainage, watergang te kunnen versnellen en om grondwateroverlast te voorkomen. Consequenties ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling heeft tot gevolg dat in hogere mate verhard oppervlak gerealiseerd wordt in het plangebied.
Dit heeft tot gevolg dat hemelwater sneller afstroomt richting de watergang. Ten behoeve van de watercompensatie wordt er een automatische stuw gerealiseerd of voor een vergelijkbare oplossing gekozen om voldoende peilstijging te creëren, waardoor de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; Het waterpeil wordt verlaagd van -2,06 m N.A.P. naar -2,20 m N.A.P.; De ontwikkeling realiseert zoveel als mogelijk water vertragende voorzieningen of vasthoudende voorzieningen. Denkend aan: groene daken, groen parkeren, wadi’s en helofytenfilters; In het plan wordt aandacht besteed aan de verbetering van de waterkwaliteit, van het hemelwater afkomstig van de A4, door middel van de realisatie van een helofytenfilter en grindkoffers welke het hemelwater zuiveren voordat dit in het oppervlaktewater van de ontwikkeling Vijfsluizen terecht komt; Stilstaand water te voorkomen wordt er een pomp gerealiseerd welke water rondpompt door het oppervlaktewatersysteem van de ontwikkeling Vijfsluizen; Ecologie staat hoog in het vaandel en ten behoeve daarvan wordt een grote diversiteit aan lokale beplanting gerealiseerd en worden er nestplaatsen gerealiseerd voor lokale fauna. Bestemmingsplan De aanwezige waterkering aan de zuidzijde van het plangebied is in het bestemmingsplan voorzien van de beschermende dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’.
De realisatie van water of waterhuishoudkundige voorzieningen is in elke bestemming mogelijk, zodat te allen tijde kan worden voldaan aan de gewenste oplossingen inzake de waterhuishouding. Daarnaast is in de algemene regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is bepaald dat het gebruik van de woningen en gebouwen voor de andere functies slechts is toegestaan als in het plangebied is voorzien in de aanleg en instandhouding van waterhuishoudkundige voorzieningen met een minimale waterbergende inhoud van in totaal 1520 m3.
Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
63
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
4.10.1 Archeologie 4.10.1.1
Kader
Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022.
Het gaat daarbij om de volgende zaken: Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie Bescherming van stads- en dorpsgezichten Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument "Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)". In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende "Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland" zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. 4.10.1.2
Onderzoek
In 2007 en 2008 is door RAAP Archeologisch adviesbureau een archeologisch onderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat binnen het plangebied een verlande kreek ligt, en op basis van enkele indicatoren, de vermoedelijke aanwezigheid van vindplaatsen. Bij vervolgonderzoek door middel van het trekken van proefsleuven in 2008 zijn door RAAP vindplaatslocaties en een groot deel van de kreek met de daarlangs gelegen oevers onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek van RAAP bleek de aanwezigheid van twee vindplaatslocaties. Een met behoudenswaardige archeologische resten uit de IJzertijd en een locatie met behoudenswaardige vondsten uit de Romeinse Tijd en uit de Middeleeuwen. In 2011 is door RAAP de aanleg van een smalle sleuf archeologisch begeleid. Hierbij zijn twee paaltjes uit de nieuwe Tijd aangetroffen, die als niet behoudenswaardig zijn aangemerkt. De uitkomsten van de onderzoeken door RAAP zijn door de gemeente vertaald naar gebieden met archeologische (verwachtings)waarde. Deze zijn in het voorgaande bestemmingsplan Park Vijfsluizen verbeeld. Het betreft de twee locaties waar behoudenswaardige archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn, en archeologische verwachtingsgebieden.
Deze laatste zijn gebaseerd op het door RAAP verbeelde kreekverloop in het gebied waarlangs door de gemeente een oeverzone is geprojecteerd en die nog niet voldoende onderzocht waren. Daarnaast geldt voor buiten de voor de woonwijk Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
64
geprojecteerde gebied een archeologische verwachting vanwege de verwachte aanwezigheid van de oude dijk met daarlangs gelegen bewoning en oudere resten. In 2020 is door RAAP een archeologisch vooronderzoek (Bijlage 24) in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek) uitgevoerd in de noordpunt van het bestemmingsplangebied. Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: De kreekgeul die tijdens het booronderzoek in 2008 is aangetroffen blijkt op grond van de tijdens het huidige onderzoek uitgevoerde boringen verder door te lopen in noordelijke richting in het huidige plangebied. Langs de kreek zijn oeverafzettingen aanwezig. De bodem is in 5 van de negen boringen echter verstoord tot onder het niveau waarop in 2008 een vindplaats op de kreekoeverafzettingen is aangetroffen. Dit was tussen circa -1,8 en -2,4 m NAP. Gezien deze verstoringen aangevuld met het feit dat er in de boringen geen archeologische laag is aangetroffen, worden er binnen het huidige onderzoeksgebied geen (intacte) archeologische vindplaatsen verwacht. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied geen archeologische resten bedreigd worden.
Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. In 2021 is door de gemeente naar aanleiding van opgravingen op Vijfsluizen een archeologische inventarisatiescan opgesteld (Bijlage 25). De conclusie daarvan luidt: "In het ontwerpbestemmingsplan Park Vijfsluizen zijn verschillende archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Het betreft een archeologische dubbelbestemming om twee vindplaatsen te beschermen (vindplaats Noord en vindplaats Zuid) en meerdere dubbelbestemmingen om verwachte archeologische waarden te beschermen. De twee archeologische vindplaatsen zijn door Vestigia onderzocht. In vindplaats Noord gaat het om archeologische resten uit de Romeinse Tijd en volle Middeleeuwen, in vindplaats Zuid om resten uit de IJzertijd. Uitgezonderd een klein deel in het zuiden van vindplaats Zuid waar een grondwerk aangetroffen is, zijn bij het veldonderzoek de archeologische waarden in deze vindplaatsen verzameld en gedocumenteerd. Ze zijn niet meer ter plekke aanwezig waardoor de dubbelbestemming om deze vindplaatsen te beschermen grotendeels niet meer nodig is. Het grondwerk loopt verder richting het zuiden door. Voor dit deel blijft een dubbelbestemming bestaan.
Op basis van de hoogteligging van de top van het aardwerk en zetting kan de vrijgestelde diepte hier naar 3,2 m onder NAP. Het stedenbouwkundig plan leidt naar verwachting niet tot aantasting van de archeologische waarde van het grondwerk. Door het ADC zijn archeologische dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde Archeologie 4' door middel van een proefsleuvenonderzoek onderzocht. Deze liggen aan de noordzijde en zuidzijde van het gebied. Er zijn geen nieuwe (onbekende) vindplaatsen aangetroffen. Wel vermoedt het ADC dat de grens van middeleeuwse vindplaats in Noord iets oostelijker ligt dan verwacht. Dit is door Vestigia onderzocht en weerlegd. Vestigia heeft in vindplaats Noord de rand van een nederzetting uit de volle Middeleeuwen aangetroffen. De woonplek moet volgens Vestigia noordoostelijk van vindplaats Noord liggen. Grondverzet voorafgaand aan en tijdens de aanleg van het sportpark heeft dit gebied al zodanig verstoord dat de woonplek, als deze er lag, geheel of bijna geheel opgeruimd zal zijn. Zowel bij het onderzoek van het ADC als eerder bij het onderzoek door RAAP is de woonplek hier niet aangetroffen. De archeologische verwachting aan de noordzijde kan naar beneden bijgesteld worden. De hier gelegen dubbelbestemmingen kunnen vervallen. Aan de zuidzijde heeft het ADC geen archeologische resten aangetroffen.
Ook Vestigia heeft, uitgezonderd het grondlichaam, in de zuidelijk gelegen putten van de opgraving van vindplaats Zuid weinig aangetroffen wat op een nieuwe Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
65
behoudenswaardige vindplaats wijst. De archeologische verwachting kan naar beneden bijgesteld worden, en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 4' om verwachte archeologische resten aan de zuidzijde te beschermen kunnen vervallen. In lijn hiermee kan de grens van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' iets richting het zuiden worden verlegd en deels worden vervangen door de dubbelbestemming om het aardlichaam te beschermen." Het advies luidt: "Geadviseerd wordt om de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde Archeologie 4' te laten vervallen, de grens van 'Waarde - Archeologie 5' iets aan te passen en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' op de verbeelding aan te passen naar bescherming van het aardlichaam. Daarbij kan de vrijstellingsdiepte binnen 'Waarde - Archeologie 1' naar 320 cm onder NAP." Vertaling in bestemmingsplan Binnen het bestemmingsplangebied liggen twee gebieden met behoudenswaardige archeologische resten, en liggen er archeologische verwachtingsgebieden. Op basis van uitgevoerd onderzoek blijven de gebieden van archeologische waarden zoals verbeeld in het eerder vastgestelde bestemmingsplan praktisch ongewijzigd, met uitzondering van de noordpunt en enkele kleine grensaanpassingen van de gebieden 'Waarde - Archeologie 4 en 5'.
Door middel van de bijhorende regels wordt een beschermende regeling geëffectueerd. Op basis van het recent uitgevoerde onderzoek door Vestigia en het ADC, zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 4' niet langer van toepassing en kunnen vervallen. In lijn hiermee wordt de grens van Waarde-Archeologie 5 iets zuidelijker gelegd, en een deel van deze bestemming wordt vervangen door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' dient ter bescherming van het daar aanwezig aardwerk. De vrijstellingsgrens wordt daarbij aangepast naar 320 cm onder NAP. De dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' wordt overgenomen uit het vorige vastgestelde bestemmingsplan. 4.10.1.3
Conclusies en aanbevelingen
Het veldwerk van de onderzoeken is inmiddels afgerond. Op een klein stukje na zijn de dubbelbestemmingen binnen het te ontwikkelen gebied verwijderd. Waar deze nog aanwezig zijn is het niet de verwachting dat de plannen de (mogelijk) aanwezige archeologische waarden verstoren. 4.10.2 Cultuurhistorie 4.10.2.1
Kader
Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland Op basis van Bro (art. 3.1.6 lid 5 onder a) en Wro dient een beschrijving gegeven te worden hoe met cultuurhistorie rekening is gehouden. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 4.10.1.1 waarin de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland reeds beschreven wordt.
Park Vijfsluizen vastgesteld, 8 juni 2021
66
4.10.2.2
Onderzoek en aanbevelingen
Het centrale gebouw op het sportcomplex Vijfsluizen, gebouwd in de wederopbouwperiode in een moderne stijl die gerelateerd is aan Het Nieuwe bouwen, heeft tot enkele jaren geleden gefunctioneerd als sport- en recreatieoord voor het Shellpersoneel (voorheen Bataafse Petroleum Maatschappij). Ten behoeve van die functie is het enkele malen uitgebreid. Deze goed te traceren uitbreidingen hebben voor een deel de heldere plattegrond en het aanzien van de bouw aangetast. Vooral het nagenoeg dichtbouwen van de open ruimten tussen het middendeel en de zijvleugels doet afbreuk aan het oorspronkelijke ontwerp. De uitbreiding aan de zijvleugels waardoor de kruisvorm ontstond, is minder ernstig hoewel het horizontale aanzicht vanaf de noord- en zuidzijde hierdoor sterk verminderd is. Een tweede opvallende verandering die niet positief genoemd kan worden is de gewijzigde kleurstelling van het gebouw. Wit was de kenmerkende kleur voor de architectuur van deze richting in die tijd. Doordat het onderhoud de laatste jaren nagenoeg achterwege is gebleven, ziet het gebouw er tamelijk havenloos uit maar grote technische gebreken zijn niet geconstateerd. De fundering en constructie geven geen wezenlijke problemen. Hetzelfde geldt voor het park. De structuur van het park is nog aanwezig, maar door het minimale onderhoud nog maar nauwelijks zichtbaar.
Paden, waterpartijen, banen en velden zijn overwoekerd. De deels nog aanwezige gebouwtjes op het terrein zien er door zeer matig onderhoud nog weinig aantrekkelijk uit. Weliswaar zijn vanwege uitbreiding aan het wegennet buiten het terrein en wellicht ook om andere redenen een aantal gebouwen gesloopt en is enig terrein verloren gegaan, het complex als geheel is nog zeer herkenbaar en voor het merendeel gaaf bewaard. De cultuurhistorische waarde van het park en het centrale gebouw (sporthal met zijvleugels) is groot. Het complex is een voortzetting in de geschiedenis van fabrikanten die hun werknemers een gezonde levenswijze aanboden; hier is de naoorlogse periode door middel van sportfaciliteiten gecombineerd met recreatieve mogelijkheden in een zeer aantrekkelijk ontworpen omgeving. De architectuur en kunsthistorische waarde wordt gewaardeerd vanwege de hoogwaardige architectonische kwaliteiten van het centrale gebouw (sporthal met zijvleugels). Hoewel van de ontwerper van het centrale gebouw, de heer S. van Riet, niet veel bekend is, valt zijn creativiteit en kunde van het gebouw af te lezen. Het is geen avant-gardistische architectuur, maar een architectuur die verwant is aan Het Nieuwe Bouwen. Aan het ontwerp is te zien dat hij met maat en harmonie wist om te gaan. Het is een gebouw dat het tijdsbeeld goed weergeeft en met gevoel voor detail is afgewerkt.