CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Floreskwartier

Gemeenteraad 14 oktober 2021, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Bestemmingsplan Floreskwartier31.768 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Toch wordt ook hier vervolgonderzoek voorgesteld, omdat deze zone archeologisch relevant is indien erlangs gewoond werd in de zones I-II ten zuiden ervan en in zone IV ten noorden ervan. Eventuele archeologische resten worden tussen circa 1,0 en 1,5 m –mv verwacht, maar kunnen ook pas vanaf dieper zichtbaar zijn. Voor zone III wordt een vervolgonderzoek aanbevolen. Geadviseerd wordt om eerst de sloop van de kassen en het gereedmaken van het terrein voor de nieuwbouw archeologisch te laten begeleiden en daarna een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Of om eerst proefsleuven te trekken door de tuinen en nadien pas de rest bouwrijp te maken.

Hoofdstuk 4

47

Zone IV Het noordelijk deel betreft zone IV en deze bestaat uit oeverafzettingen. De zone is in ieder geval in westelijke richting te volgen, zoals blijkt uit eerder onderzoek door RAAP. Zone IV valt binnen dat eerder onderzochte gebied. Dit gebied is onderzocht met proefsleuven en daarbij zijn geen archeologische resten aangetroffen. Echter, alle toen aangelegde proefsleuven liggen ten westen van de Marathonweg en dus buiten de contouren van het huidige plangebied. Bij een ander recent onderzoek met proefsleuven (zaakidentificatie: 4606587100) ten noordoosten van het plangebied zijn echter op dergelijke kreekresten wel veel vondsten en sporen uit de Romeinse tijd en ijzertijd op circa 2,8 tot 3,0 m -NAP aangetroffen. Dit is ook het niveau waarop de oeverafzettingen in onderhavig plangebied in zone IV liggen. Dit komt overeen met een diepte van zo’n 1,5 à 2,5 m –mv. Om die reden is het bevoegd gezag van mening dat het noordelijke deel van het plangebied nog niet afdoende onderzocht is. Het eerdere onderzoek kan gezien de afstand en de dieptes waarop dit onderzoek door RAAP is uitgevoerd is, niet als een karterend onderzoek voor het plangebied worden gezien. Voor deze zone wordt een vervolgonderzoek aanbevolen. Voorgesteld wordt om proefsleuven aan te leggen. Figuur 4.4 Indeling plangebied in vier zones

De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Vlaardingen) en op basis van het uitgebrachte advies is een selectiebesluit genomen. Voor het plangebied is vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk. Ten behoeve van het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld en goedgekeurd door het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Vlaardingen. Het definitieve Programma van Eisen is opgenomen in de bijlagen. Vervolgens is er een Archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd binnen het plangebied. Deze rapportage is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Er zijn in het totaal 8 proefsleuven (werkputten) verspreid over het plangebied gegraven, deze hebben een gezamenlijk oppervlak van 544,2 m². Dit komt overeen met circa 5,08% van het totale plangebied. Er zijn geen sporen van bewoning aangetroffen. Alleen in werkput 7 is er sprake van duidelijk antropogene sporen. Het betreft een damstructuur in de geul. De dam ligt dieper dan 2,0 m onder NAP. De rest van het terrein vertoond voornamelijk natuurlijke processen en hier wordt, vooruitlopend op de formele rapportage en waardering, geen beletsel gezien voor de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de archeologie. Voor de damstructuur is vervolgens een adviesdocument opgesteld.

Dit adviesdocument is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Hierin is de verstorende werking van het bouwplan op de damcon-

Hoofdstuk 4

48

structie bekeken. Aanbevolen wordt om twee heipalen te verplaatsen. Op basis van het adviesdocument is het palenplan aangepast en zijn twee heipalen verplaatst, dit is weergegeven in figuur 4.5. De heipalen staan niet langer op de lijn van de houtconstructie van de dam.

Figuur 4.5 Aanpassing heipalenplan

Naast aanpassing van het palenplan wordt aanbevolen om voor het gebied waarbinnen de dam zich bevindt een dubbelbestemming Waarde Archeologie op te nemen in het bestemmingsplan. Deze dubbelbestemming dient te voorzien in een beschermede regeling waardoor de dam ook in en voor de toekomst behouden blijft. Het bevoegd gezag (gemeente Vlaardingen) heeft het archeologisch onderzoek en het adviesdocument beoordeeld. Dit advies is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Er zijn bij het archeologisch onderzoek geen sporen van bewoning aangetroffen. Wel is een damconstructie gevonden. De dam is behoudenswaardig. Deze ligt binnen het gebied Waarde – Archeologie 1. Buiten dit gebied is geen behoudenswaardige vindplaats aangetroffen. Het uitgevoerde archeologisch onderzoek toont in voldoende mate de archeologische waarde van het terrein aan. Graafwerk ten behoeve van de bouw blijft boven 2,0 m onder NAP. De dam wordt niet door graafactiviteiten geraakt. Wel wordt de dam geraakt door heipalen. Met aanpassen van het heipalenplan hebben deze een beperkte invloed op de kwaliteit van de dam. De dam wordt niet onevenredig beschadigd. De dam blijft behouden. Er hoeven geen nadere voorwaarden aan de vergunning te worden verbonden. Ter plaatse van de vindplaats van de dam blijft de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 1’ behouden. Daarbuiten wordt de dubbelbestemming verwijderd.

Gezien er hier geen behoudenswaardige vindplaatsen zijn aangetroffen kan dit gedeelte van het plangebied vrijgegeven worden met betrekking tot archeologie. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor bouwen.

Hoofdstuk 4

49

4.12 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van Zuid-Holland omvat het historische culturele erfgoed van Zuid-Holland, waarvoor de provincie beleid ontwikkelt en uitvoert. De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Beeldbepalende panden Vlaardingen heeft ruim 500 beeldbepalende panden en objecten. Een beeldbepalend pand of object heeft kenmerken die Vlaardingen als stad een eigen gezicht geven.

Samen met de gemeentelijke monumenten en de Rijksmonumenten vormen de panden en objecten het cultuurhistorische kapitaal van de stad. Door de aanwijzing van de beeldbepalende panden en objecten is er meer aandacht voor deze panden en objecten en hun waarde. Ook heeft de gemeente in bestemmingsplannen en in de welstandsnota beschermende maatregelen opgenomen. Het overgrote deel van de beeldbepalende panden en objecten ligt in het gebied dat in februari 2013 door de rijksoverheid tot beschermd stadsgezicht is aangewezen. Een officieel aangewezen beeldbepalend pand of object wordt in bestemmingsplannen aangeduid als ‘karakteristiek’. Binnen het beschermd stadsgezicht heeft de gemeente mogelijkheden om beeldbepalende panden en objecten te beschermen. In bestemmingsplannen voor gebieden buiten het beschermd stadsgezicht kunnen bepalingen komen, waardoor de historische waarde van panden mee kan wegen bij sloop- en nieuwbouwplannen. De monumentencommissie zal adviseren over veranderingen aan karakteristieke panden. Ook in de welstandsnota staat beleid voor beeldbepalende panden, waardoor karakteristieke waarden beschermd kunnen worden. Doorwerking plangebied De cultuurhistorische kaart geeft aan dat het plangebied een stedelijke kern is van redelijk hoge waarde. Tot de stedelijke kernen behoren de oudere steden en stadjes, vaak van middeleeuwse oorsprong, die stadsrechten hebben.

Onderhavig gebied is een stedelijke kern 1940-1965, waarvan de bebouwingstructuur nog redelijk intact is. Met het plan wordt aangesloten op de bestaande bebouwingsstructuur. Ter plaatse van het plangebied komt geen beeldbepalend erfgoed voor, geen Rijks- of gemeentelijke monumentale gebouwen, bouwwerken of bomen. De ontwikkeling zorgt dan ook niet voor negatieve effecten op cultuurhistorie. Het aspect cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.

Hoofdstuk 4

50

4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.

De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. De aanmeldingsnotitie is separaat bij dit bestemming toegevoegd als bijlage. Hierin wordt de aanbeveling gedaan dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan geen milieueffectrapportage is vereist.

Hoofdstuk 4

51

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 5

52

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.  algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen zijn bestemmingsoverschrijdend en kunnen dus van toepassing zijn binnen meerdere bestemmingen.

Het gaat om de volgende aanduidingen: geluidzone, luchtvaartverkeerzone, milieuzone, reconstructiewetzone, veiligheidszone, vrijwaringszone, wetgevingszone. In een volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen per aanduiding nader beschreven.  algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van niet-

Hoofdstuk 5

53

ingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Groen De groenvoorzieningen binnen het plangebied hebben de bestemming ‘Groen’ gekregen. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van algemeen nut toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 3 meter. Binnen de groenbestemmingen zijn naast groenvoorzieningen ook geluidwerende voorzieningen, parken, plantsoenen, bermen en beplanting toegestaan. Deze functies kunnen al dan niet gecombineerd worden met onder andere (onverharde) paden en wegen, nutsvoorzieningen, water en speelvoorzieningen. Verkeer – Verblijfsgebied De ontsluitingswegen en parkeerplaatsen hebben de bestemming Verkeer – Verblijfsgebied gekregen. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van algemeen nut toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 3 meter. Wonen – 1 en Wonen - 2 De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen al dan niet in combinatie met een beroep en/of bedrijf aan huis en de daarbij behorende voorzieningen. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De maximale bouw- en goothoogte zijn op de verbeelding aangeduid. Binnen de woonbestemming zijn maximaal 36 grondgebonden woningen toegestaan. Vanwege de verschillende bouwregels is gekozen voor twee bestemmingen.

Binnen de bestemming ‘wonen – 1’ zijn voor de voorgevel bijbehorende bouwwerken toegestaan. Een bijbehorend bouwwerk op de verdieping voor de voorgevelrooilijn is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 6,5 meter en een diepte van 2,4 meter. Bijbehorende bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan, mits wordt voldaan aan de maximale maatvoeringseisen. Voor een erf- en terreinafscheidingen geldt dat deze in beginsel 2 meter mogen bedragen. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ is de maximale hoogte 2,5 in verband met de noodzakelijke geluidswal. Binnen de bestemming ‘wonen – 2’ zijn achter de voorgevel bijbehorende bouwwerken toegestaan, mits voldaan wordt aan de gestelde bouwregels. Dakterrassen op bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan. Erf- en terreinafscheidingen zijn achter de voorgevel toegestaan, mits niet hoger dan 2 meter. Voor de voorgevel maximaal 1 meter.

Hoofdstuk 5

54

Voor het beroep en/of bedrijf aan huis moeten deze activiteiten vermeld staan in de bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten tot maximaal categorie 2 en ondergeschikt blijft aan de woonfunctie. De gezamenlijke oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 25% van de vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 50m². In de algemene gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voor het ingebruikname van de gronden binnen deze bestemming voldoende waterberging dient te worden gecompenseerd. Waarde – Archeologie 1 De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de aanwezige archeologische waarden.

5.4 Gebiedsaanduidingen In het voorliggend bestemmingsplan zijn de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen. Geluidzone – industrie Conform het vigerende bestemmingsplan ligt over het plangebied een geluidzone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Deze zone is conform het vigerende plan opgenomen op de verbeelding inclusief de daarbij behorende juridische regeling.

Hoofdstuk 5

55

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. De ontwikkeling is hiermee financieel uitvoerbaar. 6.1.2 Kostenverhaal Onderhavig bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk zoals is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, lid 1 Wro. De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de nieuwbouw van 36 grondgebonden woningen en inrichting van openbaar terrein. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure.

Hoofdstuk 6

56

6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. In het ontwerpproces is een informatieavond georganiseerd. Er wordt daarnaast ook nog een (digitale) informatieavond georganiseerd tijdens het bestemmingsplanprocedureproces. De informatieavond zal georganiseerd worden vanuit de gemeente en ABB voor de omwonenden en belanghebbenden. Normaliter worden omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd op een inloopavond, waarbij alle betrokkenen lijfelijk aanwezig zijn.

Helaas laat de huidige maatregelen van het RIVM in verband met de coronacrisis dat niet toe. Om de omwonenden en belanghebbenden toch optimaal te kunnen informeren en het ontwikkeltraject geen vertraging op te laten lopen, is het plan op digitale manier gepresenteerd aan de omwonenden en belanghebbenden. In de bijlage bij deze toelichting is de uitnodiging van de digitale presentatie toegevoegd, samen met uitnodigingsgebied omwonenden en belanghebbenden. Na de digitale bijeenkomst zijn de binnengekomen vragen schriftelijk beantwoord. Een terugkoppeling van de vragen tijdens de presentaties is opgenomen als bijlage. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure is het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze termijn zijn er twee zienswijzen ingediend. De Nota beantwoording zienswijzen is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.

Hoofdstuk 6

57

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Parkeerbalans Bijlage 3: Memo parkeeronderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek omgevingslawaai Bijlage 5: Akoestisch onderzoek geluidwering gevels Bijlage 6: Akoestisch onderzoek geluidsbelasting op omliggende bebouwing Bijlage 7: Herpositionering geluidschermen Floreskwartier Bijlage 8: Externe veiligheid Bijlage 8a Verantwoording hoogte groepsrisico Bijlage 8b Advies Veiligheid, groepsrisico langs Marathonweg Bijlage 8c Advies VRR

Bijlage 9: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 10: Stikstofberekening Bijlage 11: Boomtechnisch onderzoek Bijlage 12: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 12a Verkennend bodemonderzoek Geofoxx Bijlage 12b Verkennend bodemonderzoek Aeres Milieu Bijlage 12c Asbest in bodem onderzoek Aeres Milieu

Bijlage 13: Waterparagraaf Bijlage 14: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek Bijlage 15: Programma van Eisen Bijlage 16: Evaluatierapport Archeologisch inventariserend veldonderzoek Bijlage 17: Adviesdocument Behoud in situ Bijlage 18: Advies archeologie t.b.v. aanvraag omgevingsvergunning Bijlage 19: Aanmeldingsnotitie mer Bijlage 20: Participatie omwonenden Bijlage 21: Inrichtingsschets Bijlage 22: Nota beantwoording zienswijzen

Floreskwartier, Vlaardingen

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 8

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

9

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Groen Verkeer - Verblijfsgebied Wonen - 1 Wonen - 2 Waarde - Archeologie 1

9 10 11 13 15

Hoofdstuk 3

Algemene regels

18

Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels

18 19 20 22 23 24

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

25

Artikel 14 Artikel 15

Overgangsrecht Slotregel

25 26

Bijlagen bij regels

27

Bijlage 1

28

2

Staat van Bedrijfsactiviteiten

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

Plan

Het bestemmingsplan Floreskwartier, Vlaardingen met identificatienummer NL.IMRO.0622.0291bpAbbl2019-0020 van de gemeente Vlaardingen. 1.2

Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.6

Bedrijf aan huis

Een bedrijf dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten of voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen, dat door zijn beperkte omvang, uitstraling en hinder in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. 1.7

Beroep aan huis

Een beroep dan wel het beroepsmatig verlenen van diensten, dat door zijn beperkte omvang, uitstraling en hinder in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. 1.8

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 1.9

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

4

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

1.10

Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van het hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk, met een dak. 1.11

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.12

Bouwgrens

De grens van een bouwvlak. 1.13

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.14

Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel. 1.15

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.16

Bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.17

Dakkapel

Een doorbreking van het dakvlak door een uit de helling van het dakvlak stekend dakvenster zonder verhoging van de bestaande goot- en/of bouwhoogte. 1.18

Erkers

Een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte (woonkamer of keuken) en zorgt voor een verbijzondering van de voor- of zijgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. 1.19

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

5

1.20

Hoofdgebouw

Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw valt aan te merken. 1.21

Huishouden

Eén of meer personen die in vast verband samenleven, waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt niet aangemerkt als huishouden. 1.22

Overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal twee wanden en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport. 1.23

Seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.24

Straatmeubilair

De op of bij de weg behorende bouwwerken, zoals verkeerstekens, wegbebakeningen, bewegwijzeringen, verlichting, halteaanduidingen, parkeerregulerende constructies, al dan niet ondergrondse afvalcontainers, brandkranen, informatie- en reclameconstructies, rijwielstandaarden, plantenbakken, zitbanken, communicatievoorzieningen, gedenktekens, speelvoorzieningen en abri's. 1.25

Voorgevel

De voorgevel zoals deze bij de bouw van het betrokken gebouw oorspronkelijk is gerealiseerd. Van een woning op de hoek van twee straten is slechts één gevel de voorgevel. Voor de bepaling van de voorgevel geldt in eerste instantie de gevel waar de voordeur of hoofdingang van de woning is gelegen of in tweede instantie de zijde waaraan de hoofdontsluiting van het perceel is gesitueerd. 1.26

Voorgevellijn

De op de verbeelding aangegeven gevellijn die strak langs de voorgevel van een hoofdgebouw loopt. 1.27

Waterhuishoudkundige voorzieningen

Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit. 1.28

Wonen

Het bewonen van een woning.

6

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

1.29

Woning

Woonruimte, met inbegrip van daarbij bijbehorende ruimten, die een eigen toegang heeft, bestemd en geschikt voor bewoning door één huishouden, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij in ieder geval als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt: keuken, toilet, badkamer en douche. 1.30

Woonruimte

Besloten ruimte, die al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

7

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2

De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3

De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4

Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.5

Peil

a. voor gebouwen waarvan de toegang aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de openbare weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.

8

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

groenvoorzieningen; plantsoenen en parken; bermen en beplanting; geluidwerende voorzieningen; een fietspad onder andere ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - fietspad';

al dan niet in combinatie met: f. ontsluitingen, wegen en (fiets)paden; g. nutsvoorzieningen; h. speelvoorzieningen; i. straatmeubilair; j. kunstwerken; k. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; l. oevers; m. oeververbindingen. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. er mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd met een oppevlakte van ten hoogste 12 m2; b. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter. 3.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 12 meter; b. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 meter.

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

9

Artikel 4 4.1

Verkeer - Verblijfsgebied

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

ontsluitingen, wegen en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie; terreinen en pleinen; parkeervoorzieningen; een fietspad ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - fietspad';

al dan niet in combinatie met: e. f. g. h. i. j. k.

nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; straatmeubilair; kunstwerken; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; oevers; oeververbindingen.

4.2

Bouwregels

4.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. er mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd met een oppevlakte van ten hoogste 12 m2; b. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter. 4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.

de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter; de oppervlakte per overkapping mag niet meer bedragen dan 30 m²; de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 12 meter; de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 meter.

10

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

Artikel 5 5.1

Wonen - 1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen al dan niet in combinatie met een beroep en/of bedrijf aan huis; 5.2

Bouwregels

5.2.1

Hoofdgebouw

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de bouw- en/of goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven; c. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - maximum aantal wooneenheden' mag het totaal aantal woningen binnen het plangebied niet meer dan 36 bedragen. 5.2.2

Bijbehorende bouwwerken

a. bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak en voor de voorgevellijn worden gebouwd; b. het gezamenlijke oppervlak aan bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50% van het oppervlak van het bouwperceel; c. het gezamenlijke oppervlak aan bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50 m2; d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 3 m van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 3 m; e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken op een afstand van minder dan 3 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 4 m, alsook 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; f. een bijbehorend bouwwerk op de verdieping is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6,5 m; 2. de diepte bedraagt maximaal 2,4 m; g. erkers zijn toegestaan, met dien verstande dat: 1. de breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw; 2. de diepte van erkers mag niet meer bedragen dan 1,5 m; 3. de bouwhoogte van erkers mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw; h. dakkapellen zijn alleen toegestaan in het voordakvlak richting de Floreslaan mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. voorzien van een plat dak 2.

gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,9 m; 3. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1,1 m boven de dakvoet; 4. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; 5. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak. 5.2.3

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a. er mogen overige bouwwerken worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf- en/of terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m als de erf- en/of terreinafscheiding voor de voorgevellijn wordt gebouwd; c. in afwijking van het bepaalde in sub b mag de bouwhoogte van erf- en/of terreinafscheidingen maximaal 2,5 m bedragen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1'; Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

11

d. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m. 5.3

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 sub a en buiten het bouwvlak delen van een hoofdgebouw toestaan onder de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte van het hoofdgebouw buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 20% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 meter, met dien verstande dat indien de maximale bouwhoogte van een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde bouwperceel als bedoeld in sub a minder bedraagt dan 3,5 meter, de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan deze hoogte. 5.4

Specifieke gebruiksregels

5.4.1

Beroep aan huis

a. beroep en/of bedrijf (tot maximaal categorie 2 van de als Bijlage 1 bij de regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten) aan huis is toegestaan, mits dit ondergeschikt is aan de woonfunctie; b. de gezamenlijke oppervlakte die wordt gebruikt door beroep en/of bedrijf aan huis mag niet meer bedragen dan 25% van de vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 50 m². 5.4.2

Voorwaardelijke verplichting geluid

Het in gebruik nemen van woningen is uitsluitend toegestaan indien - conform het geluidsbeleid van de gemeente Vlaardingen - : a. iedere woning beschikt over tenminste een geluidluwe gevel op zowel de begane grond als de eerste verdieping; b. de meeste slaapkamers aan de geluidluwe zijde zijn gelegen; c. iedere woning beschikt over een geluidluwe buitenruimte, indien nodig door het realiseren en in stand houden van erf- en terreinafscheidingen en/of andere bouwwerken zoals beschreven in het akoestisch onderzoek, dat als bijlage bij de toelichting is gevoegd.

12

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

Artikel 6 6.1

Wonen - 2

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen al dan niet in combinatie met een beroep en/of bedrijf aan huis; 6.2

Bouwregels

6.2.1

Hoofdgebouw

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de bouw- en/of goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven; c. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - maximum aantal wooneenheden' mag het totaal aantal woningen binnen het plangebied niet meer dan 36 bedragen. 6.2.2

Bijbehorende bouwwerken

a. bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. het gezamenlijke oppervlak aan bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50% van het oppervlak van het bouwperceel; c. het gezamenlijke oppervlak aan bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50 m2; d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 3 m van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 3 m; e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken op een afstand van minder dan 3 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 4 m, alsook 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; f. dakterrassen mogen gerealiseerd worden op de bijbehorende bouwwerken die aan de achterzijde aansluitend aan het hoofdgebouw zijn opgericht; g. erkers zijn toegestaan, met dien verstande dat: 1. de breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw; 2. de diepte van erkers mag niet meer bedragen dan 1,5 m; 3. de bouwhoogte van erkers mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw; h. een dakkapel in het voor- of achterdakvlak is toegestaan mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. voorzien van een plat dak; 2. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,9 m; 3.

onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1,1 m boven de dakvoet; 4. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; 5. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak. 6.2.3

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a. er mogen overige bouwwerken worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf- en/of terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m als de erf- en/of terreinafscheiding voor de voorgevellijn wordt gebouwd; c. de bouwhoogte van erf- en/of terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m als de erf- en/of terreinafscheiding achter de voorgevellijn wordt gebouwd; d. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m.

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

13

6.3

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.1 sub a en buiten het bouwvlak delen van een hoofdgebouw toestaan onder de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte van het hoofdgebouw buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 20% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 meter, met dien verstande dat indien de maximale bouwhoogte van een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde bouwperceel als bedoeld in sub a minder bedraagt dan 3,5 meter, de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan deze hoogte. 6.4

Specifieke gebruiksregels

6.4.1

Beroep aan huis

a. beroep en/of bedrijf (tot maximaal categorie 2 van de als Bijlage 1 bij de regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten) aan huis is toegestaan, mits dit ondergeschikt is aan de woonfunctie; b. de gezamenlijke oppervlakte die wordt gebruikt door beroep en/of bedrijf aan huis mag niet meer bedragen dan 25% van de vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 50 m². 6.4.2

Voorwaardelijke verplichting geluid

Het in gebruik nemen van woningen is uitsluitend toegestaan indien - conform het geluidsbeleid van de gemeente Vlaardingen - : a. iedere woning beschikt over tenminste een geluidluwe gevel op zowel de begane grond als de eerste verdieping; b. de meeste slaapkamers aan de geluidluwe zijde zijn gelegen; c. iedere woning beschikt over een geluidluwe buitenruimte, indien nodig door het realiseren en in stand houden van erf- en terreinafscheidingen en/of andere bouwwerken zoals beschreven in het akoestisch onderzoek, dat als bijlage bij de toelichting is gevoegd.

14

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

Artikel 7 7.1

Waarde - Archeologie 1

Bestemmingsomschrijving

a. De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de aanwezige archeologische waarden. b. Indien er strijd ontstaat tussen het bepaalde in de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' en het bepaalde in de overige daar voorkomende bestemmingen, prevaleert het bepaalde in de bestemming 'Waarde - Archeologie 1'. 7.2

Bouwregels

a. Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van de instandhouding en bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. b. Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, én de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorwaarden te verbinden. Het betreft de volgende voorwaarden: 1. de verplichting tot het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden en/of de verplichting tot het doen van opgravingen; 2. of de verplichting de bouw te laten begeleiden door een erkende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg. c. Ten behoeve van het bepaalde in lid 7.2 onder b winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de stadsarcheoloog. d.

Het bepaalde in lid 7.2 onder b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw en/of bouwwerk, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. e. Het bepaalde in lid 7.2 onder b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een diepte onder maaiveld van ten hoogste 30 centimeter. f. Het bepaalde in lid 7.2 onder b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een omvang van minder dan 100 m², voor zover dit ook is toegestaan in de daar voorkomende bestemming(en). 7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.3.1

Verbod

a. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden wegen of paden aan te leggen en andere oppervlakteverhardingen aan te brengen. b. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

15

van werkzaamheden diepwortelende beplanting en bomen aan te brengen. c. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden hoogopgaande en/of diepwortelende beplantingen en bomen te rooien. d. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden andere kabels en leidingen aan te leggen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur aan te brengen. e. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden heiwerkzaamheden uit te voeren of het op een andere wijze voorwerpen in de bodem in te graven en te drijven. f.

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden grondbewerkingen uit te voeren, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage. g. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden sloten, vijvers en andere wateren aan te leggen, te vergraven, te verruimen of te dempen. h. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden permanent goederen op te slaan. 7.3.2

Uitzonderingen

i.

Het verbod zoals bedoeld onder sub a. tot en met h. is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden waarvan de bodemverstoring niet dieper gaat dan 30 centimeter onder maaiveld. j. Het verbod zoals bedoeld onder sub a. tot en met h. is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100m². k. Het verbod zoals bedoeld onder sub a. tot en met h. is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. l. Het verbod zoals bedoeld onder sub a. tot en met h. is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen. m. Het verbod zoals bedoeld onder sub a. tot en met h. is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die betrekking hebben op reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan. n. Het verbod zoals bedoeld onder sub a. tot en met h. is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die betrekking hebben op het verrichten van archeologisch onderzoek. 7.3.3

Toelaatbaarheid

o. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het (mogelijk) aanwezige archeologische materiaal en een rapport wordt overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is onderzocht waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders is gebleken dat het terrein in voldoende mate is vastgesteld. p. Alvorens omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld onder sub a. tot en met h. wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijk archeoloog omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de archeologische waarden van het terrein onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.

16

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

7.4

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

17

Hoofdstuk 3 Artikel 8

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

18

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

Artikel 9 9.1

Algemene bouwregels

Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons, portalen en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

19

Artikel 10 10.1

Algemene gebruiksregels

Strijdig gebruik

Opslag a. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. b. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Seksinrichtingen c. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor seksinrichtingen. Standplaatsen ambulante handel d. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerk wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de openbare ruimte voor standplaatsen van ambulante handel zonder standplaats-vergunning krachtens de APV Vlaardingen. Bewoning van bijbehorende bouwwerken e. Tot een strijdig gebruik van niet aan het hoofdgebouw verbonden bijbehorende bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik als permanente of tijdelijke woning. Kamerbewoning f.

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor kamerbewoning, niet zijnde afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg.

10.2

Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsregels omtrent het gebruik van gronden en gebouwen, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd. 10.3

Algemene bepalingen over afwijkend gebruik

Voor een hoofdgebouw, dat krachtens een bouw- of omgevingsvergunning op het tijdstip van inwerkintreding van het bestemmingsplan aanwezig is, maar waarvan het bestaande gebruik afwijkt van de bepaling in de gebruiksregels ten aanzien van het toegestane gebruik (van het hoofdgebouw) ten behoeve van (maximaal) één woning, geldt dat het bestaande aantal woningen, dat meer bedraagt dan is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar wordt aangehouden.

20

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

10.4

Parkeerregel

Een omgevingsvergunning voor het bouwen of het gebruik van gronden of bouwwerken wordt slechts verleend indien bij de aanvraag is aangetoond dat voorzien is in voldoende parkeergelegenheid, daar onder begrepen parkeer- of stallingsgelegenheid en laad- en losmogelijkheden, overeenkomstig de geldende beleidsregel Parkeernormen 2019 of de rechtsopvolger daarvan. 10.4.1 Afwijken Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.4 overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheden genoemd in de geldende beleidsregel Parkeren 2019, of de rechtsopvolger daarvan, voor zover geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de parkeersituatie in de openbare ruimte en de woon- en leefsituatie. 10.4.2 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de aard, plaats en inrichting van de parkeergelegenheid, daar onder begrepen parkeer- of stallingsgelegenheid en laad- en losmogelijkheden, indien dit noodzakelijk is voor het in stand houden dan wel tot stand brengen van een verkeersveilige situatie of van een in stedenbouwkundig opzicht samenhangend straat- en bebouwingsbeeld.

10.4.3 Voorwaardelijk gebruik Het gebruik van gronden en bouwwerken is slechts toegestaan indien voorzien is in voldoende parkeergelegenheid, daar onder begrepen parkeer- of stallingsgelegenheid en laad- en losmogelijkheden, overeenkomstig de geldende beleidsregel Parkeernormen 2019 of de rechtsopvolger daarvan. 10.4.4 Beleidsregel Burgemeester en wethouders passen deze parkeerregel toe met inachtneming van de beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 10.5

Voorwaardelijke verplichting waterberging

Alvorens de gronden binnen het plangebied in gebruik genomen worden voor de doeleinden als bedoeld in 'Wonen - 1' en 'Wonen - 2' dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. aangetoond dient te zijn dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater vanwege het toevoegen van verharding voorafgaand gecompenseerd wordt conform de waterbergingsopgave zoals berekend in Bijlage 13 van de toelichting, waarbij de waterberging na realisatie in stand moet worden gehouden; b. in afwijking van het bepaalde in sub a zijn alternatieven toegestaan, mits de treffen voorzieningen gelijkwaardig zijn.

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

21

Artikel 11 11.1

Algemene aanduidingsregels

Geluidzone - industrie

a. ter plaatse van de aanduiding ‘Geluidzone - industrie’ geldt een zone vanwege een gezoneerd industrieterrein zoals bedoeld in de Wet geluidhinder; b. nieuwe geluidgevoelige objecten zijn slechts toegestaan indien de geluidbelasting vanwege de gezoneerde industrieterreinen op de betreffende gevels niet hoger is dan de wettelijke voorkeursgrenswaarde of een verleende hogere grenswaarde.

22

Bestemmingsplan "Floreskwartier, Vlaardingen" (ontwerp)

Artikel 12 12.1

Algemene afwijkingsregels

Afwijken van voorgeschreven maatvoering

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10%. 12.2

Overschrijden van bouwgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft. 12.3

Vergroten bouwhoogte van andere bouwwerken

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van andere bouwwerken en toestaan dat de bouwhoogte van andere bouwwerken wordt vergroot tot maximaal 10 meter. 12.4

Vergroten bouwhoogte van zend,- ontvang- en/of sirenemasten

a. burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van andere bouwwerken, en toestaan dat de hoogte van andere bouwwerken ten behoeve van zend-, ontvangst- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 m, onder de hierna genoemde voorwaarden: b. losse masten met hekwerken, gebouwtjes e.d. niet zijn toegestaan. c. installaties op of aan een gebouw alleen zijn toegestaan op hoge gebouwen, bij voorkeur op een plat dak en zo ver mogelijk van een dakrand; met dien verstande dat bijzondere en waardevolle gebouwen in beginsel geheel dienen te worden ontzien; afwijken hiervan is zonodig mogelijk in overleg met de monumentencommissie en alleen wanneer de invloed van die installaties geen afbreuk doet aan de aanwezige kwaliteiten. 12.5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10631461/1