CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Floreskwartier

Gemeenteraad 14 oktober 2021, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Bestemmingsplan Floreskwartier31.768 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.6 Kabels en leidingen Ter hoogte van de Surinamesingel ligt een KV10 kabel, de kabel ligt net binnen de grenzen van het plangebied, maar niet binnen een bouwkavel. De bestemming ter hoogte van de kabel wordt ‘Groen’. Derhalve vormt de ontwikkeling geen belemmering voor de kabel en vice versa. In het plangebied zijn verder geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Er zijn voor zover bekend ook geen kabels en leidingen in het plangebied gelegen die een beschermingszone vereisen en die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een klic-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.

Hoofdstuk 4

27

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Visie Externe Veiligheid gemeente Vlaardingen De Visie externe veiligheid is onderdeel van de duurzame ontwikkeling van Vlaardingen. Enerzijds moeten ruimtelijke en bedrijfsmatige ontwikkelingen mogelijk blijven. Anderzijds moet de gemeente zorgdragen voor een aanvaardbaar veilige woon-, werk- en leefomgeving. Voor concrete bouwplannen of bij het opstellen van bestemmingsplannen geeft de visie de planologische kaders voor het omgaan met risico’s. Indien nodig worden hieraan voorwaarden gekoppeld die de risico’s beheersbaar houden of zelfs geheel uitsluiten. Deze planologische kaders bieden vooraf duidelijkheid in de omgang met externe veiligheid bij ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied Er is een onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s ten behoeve van de realisatie van de woningen aan de Floreslaan in Vlaardingen. In deze toelichting volgen de belangrijkste conclusies,

Hoofdstuk 4

28

voor het volledige rapport wordt verwezen naar de toelichting. Figuur 4.2 toont de risicobronnen in de omgeving. De Rijksweg A20 en de buisleiding A-517 zijn relevante risicobronnen voor het planvoornemen.

Figuur 4.2: Risicobronnen in de omgeving van het plangebied (blauw omcirkeld) (bron: risicokaart.nl)

Marathonweg Het plangebied grenst aan de Marathonweg, de Marathonweg maakt onderdeel uit van de in Vlaardingen vastgestelde route voor gevaarlijke stoffen. Er is dus sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen over de Marathonweg. Hiervoor geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In Bevb staat aangegeven welke eisen in de toelichting bij het besluit worden vermeld, wat betreft rampbestrijding en zelfredzaamheid. Rijksweg A20 Op circa 660 meter afstand tot het plangebied is de rijksweg A20 (wegvak Z48) gelegen. De A20 is opgenomen in het Basisnet weg. Op grond van de ruimtelijke scheiding vormen de PR10 6-risicocontour en het PAG geen belemmeringen voor het plan. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van deze weg is gelegen, is het niet noodzakelijk de hoogte van het groepsrisico kwantitatief vast te stellen. Over deze wegen worden wel gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van toxische stoffen (LT1 en LT2) gelegen, derhalve dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. In deze toelichting wordt het groepsrisico verantwoord, teven is in de bijlagen bij deze toelichting de verantwoording hoogte groepsrisico opgenomen.

Hoofdstuk 4

29

Beperkte verantwoording groepsrisico transport Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, dient binnen het plangebied rekening te worden gehouden met een toxisch scenario. Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagen of –container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven. Bestrijdbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende / adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie ‘Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is.

De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijtijd. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen / op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied worden geen functies voorzien voor minder zelfredzame personen. Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof.

Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Eventueel aanwezige luchtbehandelingsinstallaties dienen met één handeling uitgeschakeld te worden. Indien bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen ontvluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Op basis van het bestaande wegennet kan afzijdig van de bron worden gevlucht.

Hoofdstuk 4

30

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals waarschuwings- en alarmeringssystemen en risicocommunicatie. In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsrisico’s door het bestuur van Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten op een alarmering bij rampen. Buisleidingen Het plangebied ligt in de directe nabijheid van de buisleiding A-517. Gebleken is dat het plangebied zowel binnen de 100%- als de 1% letaliteitsafstand is gelegen. Middels berekeningen 8 is de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico bepaald. Uit deze berekening blijkt dat het planvoornemen leidt tot een toename van de hoogte van het groepsrisico (>10%), echter in de toekomstige situatie blijft het groepsrisico onder de oriënterende waarde. De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen door deze buisleiding (fakkelbrandscenario) dienen meegenomen te worden in een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico.

Uitgebreide verantwoording groepsrisico buisleiding In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een uitgebreide verantwoordingsplicht voor de buisleiding, waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen: 1) Aanwezige en te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken. 2) Het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico 3) De maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding die dat risico mede veroorzaakt 4) De andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de vooren nadelen daarvan 5) De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst 6) De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval 7) De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of

buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. 1) Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied voor externe veiligheid van buisleiding A-517. In de huidige situatie is het plangebied braakliggend terrein ingezaaid als gras en verder gedeeltelijk in gebruik als kweekbedrijf, tevens is sprake van een voormalig tuincentrum. In de toekomstige situatie zullen 36 grondgebonden woningen gerealiseerd worden. Als gevolg van het planvoornemen neemt de personendichtheid binnen het plangebied toe met 43,2 personen in de dagperiode en 86,4 personen in de nachtperiode.

8

Advies Veiligheid, zaaknummer 9999127835, d.d. 12 juli 2019 door DCMR milieudienst Rijnmond

Hoofdstuk 4

31

2) De externe veiligheidsrisico’s van de buisleiding zijn kwantitatief vastgesteld. Uit de berekeningen blijkt dat de hoogte van het groepsrisico in de huidige situatie 0,81 * OW bedraagt en in de toekomstige situatie 0,9 * OW. Hieruit blijkt dat er sprake is van een toename ten opzichte van de huidige situatie, echter dat de hoogte van het groepsrisico lager is dan de oriëntatiewaarde. 3) Door Gasunie, de exploitant van de buisleiding, zijn de faalfrequenties aangepast met de maatregel strikte begeleiding werkzaamheden (SBW). 4) Met de realisatie van het initiatief wordt een momenteel grotendeels braakliggend terrein binnen bestaand stedelijk gebied ontwikkeld naar een woningbouwlocatie. Dit draagt bij aan een prettig woonen leefklimaat en sluit goed aan bij de omliggende wijk. Daarnaast wordt de bevolkingsgroei in de regio hiermee gefaciliteerd. 5) De gevels aan de zijde van de buisleiding worden uitgevoerd met minimale gevelopeningen, waardoor deze gevels een goede bescherming bieden tegen hittestraling. 6) Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veiligstellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaatsvindt, zal de Gasunie de leiding inblokken.

Afhankelijk van het systeem en de afstand tot de breuk kan het enkele uren duren voor de leiding is leeg gelopen. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen mo gewonden te helpen. De fakkel kan zelf niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingsdeel leeg is gelopen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire)’ bluswatervoorziening spelen hierin een rol. 7) Het maatgevende scenario voor ongevallen met aardgastransportleidingen is een fakkelbrand. Slachtoffers kunnen vallen door warmtestraling en een drukgolf. Alle aanwezigen die door de vuurbal worden getroffen komen te overlijden. Hiernaast kunnen rondvliegende brokstukken glasscherven plaatselijk zware schade aanbrengen aan personen en gebouwen. Mogelijkheden om zelfredzaamheid te vergroten Het risico op een incident met een hoge druk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Een belangrijkste bronmaatregel om het risico te verkleinen is het opnemen van een aanlegvergunningstelstel voor een strook aan weerzijden van de aardgastransportleiding.

Daarnaast dient in het bestemmingsplan te worden opgenomen dat binnen de belemmeringenstrook (5 meter aan weerzijden van de leiding) een bouwverbod geldt. Tot slot wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat het zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van bebouwing tot de aardgasleiding, zijn er scenario’s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Het plangebied is volledig binnen de 100% letaliteitsgrens gelegen.

Hoofdstuk 4

32

Op afstand van de fakkelbrand is zelfredzaamheid binnen het plangebied mogelijk, mits ontvluchting uit gebouwen en omgeving op een juiste manier mogelijk is. Vluchten kan dan alleen via een route buiten het ‘zicht’ van de fakkel. Om de zelfredzaamheid te vergroten is het raadzaam om veilige vluchtroutes te realiseren in de luwte van het gebouw. Hierdoor worden de gevolgen van hittestraling beperkt. In het ontwerp is het voor aanwezigen mogelijk om in de luwte van de woningen het gebied te ontvluchten. Vluchtroutes moeten personen direct van de calamiteit wegleiden. Bij de inrichting van het plangebied dienen voldoende vluchtwegen aanwezig te zijn om het plangebied in geval van een calamiteit te ontvluchten. De vluchtwegen dienen van de leiding af gericht te zijn. Rotterdam – The Hague Airport Op circa 8 kilometer van het plangebied is Rotterdam – The Hague Airport (hierna: RTHA) gelegen. Het plangebied ligt onder een aanvliegroute van deze luchthaven. Door de DCMR milieudienst Rijnmond is een groepsrisicoberekening van de luchthaven uitgevoerd. In figuur 4.3 is het berekende groepsrisico, per berekeningsvlak weergegeven. Uit deze afbeelding blijkt dat ter plaatse van het plangebied (rood omcirkeld) geen groepsrisico berekend wordt in de toekomstige situatie. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling geen relevante invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico.

Bij een groot ongeval moet het gebied uit (tenminste) twee richtingen voor verkeer ontsloten worden, zodat de vluchtende personen en aanrijdende hulpdiensten afhankelijk van elkaar het gebied uit en in kunnen. Conclusie Bovengenoemde punten ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn voor advies aan de regionale brandweer / Veiligheidsregio te worden voorgelegd. Er is een onderzoek gedaan in samenwerking met Gasunie en DCMR Milieudienst Rijnmond naar het groepsrisico van de ontwikkellocaties langs de Marathonweg. Geconcludeerd is dat door het aanbrengen van beschermingsplaten en een waarschuwingslint boven de gasleiding het groepsrisico onder de norm gebracht kan worden. Bij onderhavige ontwikkeling langs de Marathonweg worden deze maatregelen uitgevoerd. Het aanvullende advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. De Veiligheidsregio geeft omgevings- en organisatorische maatregelen geadviseerd, welke in acht worden genomen bij de uitvoering van onderhavige ontwikkeling. De ontwikkeling van het plangebied voldoet aan alle uitgangspunten van de Visie Externe veiligheid Gemeente Vlaardingen.

Hoofdstuk 4

33

Figuur 4.3: Hoogte groepsrisico per berekeningsvlak (bron: Milieuonderzoek Visie Marathonweg)

4.8 Ecologie De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Oude Maas”, bevindt zich op circa 5 kilometer afstand ten zuidoosten van het plangebied.

Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht,

Hoofdstuk 4

34

geluid en trillingen uitgesloten. Voor dit Natura2000-gebied is er geen sprake van overbelasting door stikstof. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura2000-gebied “Solleveld & Kapittelduinen” ligt op een afstand van minstens 12 kilometer van het plangebied. De Handreiking woningbouw en AERIUS (Rijksoverheid, januari 2020) geeft een indicatieve stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar tijdens zowel gebruik en aanleg van 50 of minder woningen op een aftand 10 of meer kilometer. Aan de hand van dit gegeven kunnen negatieve effecten vanwege stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Desalniettemin is een stikstofberekening uitgevoerd. In de bijlagen is de stikstofberekening opgenomen met tevens de door AERIUS-gegenereerde berekeningen. Uit berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities op Natura 2000 die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr derhalve is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.

Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied bevindt zich op geruime afstand van natuurgebieden (Natura 2000 en/of onderdeel van NNN). In dit licht, en gelet op het soortenspectrum waarvoor het plangebied van belang is, is enige relatie met dergelijke gebieden of een externe werking op deze gebieden op voorhand uitgesloten.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Hoofdstuk 4

35

Doorwerking plangebied Voor de woningbouwontwikkeling Floreskwartier is door bSR Bureau Stadsnatuur een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Ten behoeve van het planvoornemen is op 17 februari 2020 een verkennend veldbezoek gebracht waarbij de volgende zaken aan bod zijn gekomen: - potenties van het plangebied als leefgebied voor onder Wnb beschermde soorten planten en dieren - actueel gebruik van het plangebied als beschermd leefgebied door beschermde soorten; - aanwezigheid van anderszins relevante soorten planten en dieren waar in het kader van werkzaamheden rekening mee gehouden dient te worden (in het kader van de algemene zorgplicht). Op 15 mei 2020 is het plangebied opnieuw bezocht, met als doel: 1. de op dat moment gesaneerde volkstuinen opnieuw onderzoeken op beschermde natuurwaarden; 2. vaststellen of hier potenties zijn voor de vermeend voorkomende Alpenwatersalamander; 3. het plangebied in brede zin onderzoeken op het voorkomen van jaarrond beschermde vogelnesten. Tabel 4.5 is een schematische weergave van het voorkomen van relevante flora en fauna in het plangebied.

Gelet op de resultaten uit de quickscan hoeft in verband met de voorgenomen activiteiten in het plangebied aan de Floreslaan in Vlaardingen geen aanvullend onderzoek te worden verricht in het kader van de Wet natuurbescherming. De potenties als leefgebied voor beschermde soorten zijn op basis van het verkennend onderzoek voldoende inzichtelijk. Omdat de kans op overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wnb kan worden uitgesloten, hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd om uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen doorgang te kunnen laten vinden.

Tabel 4.5 Relevante flora en fauna in het plangebied (bron: bSR Bureau Stadsnatuur)

Hoofdstuk 4

36

Bomeninventarisatie Ten behoeve van de ontwikkeling heeft Bomenwacht Nederland een boomtechnisch onderzoek uitgevoerd bij 104 bomen in het plangebied aan de Floreslaan te Vlaardingen. Het onderzoek omvat een kwaliteitsbeoordeling en een bepaling van de monetaire boomwaarde. De onderzoeksbomen vormen hoofdzakelijk randbeplanting met een afschermende functie rondom een voormalig tuincentrum en een voormalig volkstuinencomplex. Veel voorkomende soorten zijn Alnus glutinosa en Betula pendula. De rapportage is opgenomen in de bijlagen. In het ontwerp is rekening gehouden met de onderzoeksresultaten, met name die van de boomwaardebepaling.

4.9 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied Ten behoeve van het bodemonderzoek naar de bodemgesteldhied van het plangebied is het plangebied opgedeeld in twee gebieden en derhalve zijn er twee onderzoeken uitgevoerd. Onderzoek deelgebied 1 Door Geofoxx is voor het overige gedeelte van het plangebied dat kadastraal bekend staat als gemeente Vlaardingen, sectie D en nummer 2184 en een oppervlakte heeft van 3.471 m2 een verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Vlaardingen, ten behoeve van de eigendomsoverdracht.

Het onderzoek heeft tot doel om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) te bepalen en deze te toetsen aan het voorgenomen gebruik. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is het vaststellen of de verdenking voor de parameter asbest terecht is en wat (indicatief) het gewogen gehalte aan asbest in de grond is. Op basis van de aanwezigheid van asbest (onder de interventiewaarde) in één asbestgat is nader onderzoek uitgevoerd. Het PFAS-bodemonderzoek heeft tot doel om de aanwezigheid van PFAS te bepalen in de bovengrond, ten behoeve van het eventueel afvoeren van overtollige grond naar een erkend grondverwerker. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar de bijlagen, in deze toelichting worden de belangrijkste conclusies besproken. Grond en grondwater Op basis van het vooronderzoek is de locatie onverdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Tijdens het zintuiglijk onderzoek zijn in de bovengrond afwijkende bodemmaterialen aangetroffen in de vorm van puin, kooldeeltjes en op één locatie asbestverdacht plaatmateriaal.

Hoofdstuk 4

37

Er is vastgesteld dat er een lokale sterke verontreiniging met cadmium, lood en zink aanwezig is ter plaatse van boring 13. Er is geen sprake van ernstige bodemverontreiniging. De hypothese van het verkennend onderzoek (onverdacht terrein) dient formeel te worden verworpen. De verzamelde gegevens worden echter voldoende geacht om een betrouwbare uitspraak te kunnen doen over de chemische kwaliteit van de bodem, aangezien is vastgesteld dat het een lokale verontreiniging betreft. Asbest Tijdens het maaiveldinspectie is circa 90% van de locatie geïnspecteerd. Zowel op maaiveld als in de vrijkomende grond zijn voor zover zintuiglijk waarneembaar geen asbestverdachte materialen aangetroffen (fractie >20mm), behalve in gat 2 (noordwestelijk terrein). Er is ter plaatse van gat 02 asbest aangetoond in de bodem. Daarop is nader onderzoek uitgevoerd op dit deel van het terrein. In de Ruimtelijke Eenheid (RE) is asbest aangetoond in een concentratie ruim onder de interventiewaarde. Gezien het feit dat het gewogen asbestgehalte de interventiewaarde van 100 mg/kg ds niet overschrijdt, is vanuit de Wet bodembescherming geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Aangetoonde gehaltes zijn gerelateerd aan het aantreffen van stukjes (grof) plaatmateriaal. In gaten en mengmonsters van het overig terrein is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond.

PFAS Vooralsnog is er geen informatie bekend met betrekking tot het voorkomen van PFAS op de onderhavige onderzoekslocatie. Desondanks kan er op basis van de stofeigenschappen van PFAS diffuse bodemverontreiniging plaats hebben plaatsgevonden. Het gehalte PFAS is vastgesteld voor twee mengmonsters van de bovengrond. Deze monsters voldoen aan de klasse landbouw/natuur volgens het Tijdelijk Handelingskader PFAS (Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie d.d. 8 juli 2019 en de geactualiseerde versie d.d. 29 november 2019). Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat onderhavig onderzoek weliswaar een betrouwbare indicatie geeft van de milieukundige kwaliteit van de grond, maar formeel niet beschouwd kan worden als een partijkeuring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Hergebruik van PFAS houdende grond Uitgangspunt van de landelijke regels voor hergebruik is het zogenaamde stand-still principe. Dit houdt in dat het lokale verontreinigingsniveau in grond en grondwater niet mag toenemen als gevolg van hergebruik van grond. De grond die toegepast gaat worden op de onderzoekslocatie mag daarmee geen hogere gehaltes PFAS bevatten dan nu aangetoond. Volgens de indicatieve toetsing van de analyseresultaten aan het Tijdelijk Handelingskader is het zand en leem ter plaatse van de onderzoekslocatie m.b.t.

het gehalte PFAS herbruikbaar (kwaliteitsklasse ‘landbouw/ natuur’). Voor toepassing van grond in oppervlaktewater geldt volgens het handelingskader PFAS een bepalingsgrens van 0,1 μg PFAS/kg d.s. Deze wordt overschreden in alle monsters. De grond is daardoor niet toepasbaar in oppervlaktewater. Conclusie De aangetroffen verontreinigingen met zink en asbest geven conform de Wet bodembescherming (Wbb) geen aanleiding voor sanering, aangezien geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en uitgaande van historische verontreinigingen. Voor zink worden geen risico’s voor

Hoofdstuk 4

38

het milieu of de gebruikers verwacht. Afhankelijk van de beoogde herinrichting en verwachte werkzaamheden kan overwogen worden asbestverdachte materialen (noordwestelijk terreindeel) te verwijderen. Het terrein wordt gezien de beperkte omvang en gehaltes van de verontreinigingen geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Onderzoek deelgebied 2 Door Aeres Milieu is voor het overige gedeelte van het plangebied, het perceel 2108, een verkennend bodemonderzoek conform de richtlijnen van de NEN 5740 uitgevoerd. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies van het onderzoek vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond (plaatselijk) licht verhoogd is met enkele zware metalen, PAK, som PCB en enkele individuele OCB- en PFAS-parameters. In de ondergrond zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten.

Het freatisch grondwater blijkt licht verhoogd met xylenen en naftaleen en plaatselijk met barium en nikkel. De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het PFAS handelingskader van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Asbest In verband met de aanwezigheid van een asbestverdachte golfplaten dakbedekking van het opslaghuis noordelijk van het oude woonhuis wordt de bodem ter plaatse van het opslaghuisje als verdacht beschouwd op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Om de aanwezigheid van asbest in de bodem uit te sluiten is een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 uitgevoerd. Voor de woning, aanbouw en tuinbouwkas is een asbestinventarisatie uitgevoerd (Rontrex, 2020-754 d.d. 4-11-2020). Hierbij is de dakbedekking van de aanbouw en een pakking in de tuinbouwkas als asbesthoudend aangetroffen.

Het aanwezige asbest is recent verwijdert en de bebouwing gesloopt. Het asbest in bodem onderzoek heeft als doel om de aanwezigheid van asbest in de bodem uit te sluiten voor de toekomstige woonbestemming. Een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden en de resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in de bij deze toelichting als bijlage opgenomen briefrapportage9. Hiernavolgend worden de belangrijkste conclusies vermeld.

9

Asbest in bodemonderzoek Floreslaan Vlaardingen, Aeres Milieu, AM20526, d.d. 21 mei 2021

Hoofdstuk 4

39

Tijdens de veldinspectie zijn op het maaiveld geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of aanwezigheid van asbest. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met baksteen en puin waargenomen wat te relateren is aan de recent uitgevoerde sloop. Ter plaatse van inspectiegaten 4 tot 6 is in het uitkomende bodemmateriaal van de toplaag een stuk asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. Door het aangetroffen asbesthoudende plaatmateriaal wordt bij het verkennend bodemonderzoek de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s overschreden ter plaatse van ABG4, ABG5 en indicatief derhalve ook ABG6. Bij de overige asbestinspectiegaten is geen verhoging aanwezig in de bodem en is de locatie onverdacht op het voorkomen van asbest in de bodem. Conclusie De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft de bodemonderzoeken beoordeeld. Het uitgevoerde verkennend asbest in de bodemonderzoek voldoet aan de norm NEN 5707. Het gedeelte van het plangebied waar voorheen een woonhuis met schuur en een tuinbouwkas hebben gestaan, is verontreinigd met asbest. Dit deel van het plangebied is daardoor niet geschikt voor de bestemming ‘wonen met tuin’. Sanering is noodzakelijk.

Voor het saneren van de asbestverontreiniging dient bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming een BUS-melding te worden gedaan of een saneringsplan ter beoordeling en besluitvorming te worden overgelegd. Voorafgaand aan de werkzaamheden binnen het plangebied wordt er een BUS-melding gedaan of wordt er een saneringsplan ter beoordeling en besluitvorming voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.10 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te (laten) voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan ZuidHolland 2016-2021. De wijzigingen zijn voornamelijk van toepassing op de regionale waterkeringen. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer in het plangebied.

Het Hoogheemraadschap van Delfland investeert de komende jaren volop in het klimaatbestendig maken van de steden, vergroten van de veiligheid tegen o.a. overstromingen, meer zelfvoorzienend omgaan met water, het verbeteren van de waterkwaliteit en het optimaliseren van de zuivering van afvalwater. Bovendien dwingen de complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen tot het stellen van prioriteiten gespreid afhankelijk van de

Hoofdstuk 4

40

mogelijkheden van de organisatie. In het waterbeheerplan 2016 – 2021 en het Bestuursakkoord 20192023 zijn de doelen van Delfland toegelicht. Het functioneren van het watersysteem mag als gevolg van een planontwikkeling niet verslechteren. Hiervoor hanteert Delfland het standstill beginsel. Wijzigingen in het watersysteem en toename aan verharding dienen gecompenseerd te worden. Tevens dient rekening gehouden te worden met de klimaatverandering op langere termijn waardoor extra bergingsruimte bij langdurige ontwikkelingen ingepast dient te worden. De Keur en Legger omvatten regels om het bestaande oppervlaktewater te beschermen en beheren. In de legger is de (bescherming) van het oppervlaktewater opgenomen. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de geplande werkzaamheden kan een vergunning benodigd zijn.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. De gemeente Vlaardingen heeft een verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2019 opgesteld. Hierin beschrijft de gemeente hoe zij invulling geven aan haar zorgplicht voor afval-, hemel-, en grondwater. Samen met de diverse partijen wordt gewerkt aan diverse thema’s zoals Schoon en gezond, Droog en veilig en Duurzaam en doelmatig. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. Door middel van deze rapportage wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag (de formele watertoets met het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Vlaardingen). Het samenwerkingsproces leidt uiteindelijk tot een zogenaamde 'waterparagraaf' die onderdeel moet gaan uitmaken van het uiteindelijke plan of besluit. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging elders in het bestaand watersysteem.

Doorwerking plangebied Ten behoeve van de voorgenomen woningbouw op het perceel en de verplichting om aan te geven hoe omgegaan wordt met de toekomstige (afval)waterstromen en hoe toekomstige wateroverlast vermeden wordt. Derhalve is door Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld voor de ontwikkeling. In deze toelichting staan de belangrijkste conclusies vermeld, voor de gehele rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Gezien er nog overleg plaatsvindt tussen waterschap en opdrachtgever is deze waterparagraaf nog niet definitief. Voor de nieuwbouw van woningen is voldoende drooglegging benodigd om wateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Het plangebied ligt net als de rest van de wijk hoger in het landschap en kent een licht hoogteverschil. Het maaiveld bevindt zich noordelijk op ca. -0,8 m NAP, centraal op ca. -1 m NAP en zuidelijk op ca. -1,3 m NAP. De Floreslaan ligt op ca. -1,1 m NAP. Zuidelijk is een watergang aanwezig.

Hoofdstuk 4

41

Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m-mv. voor bebouwing (onderzijde vloerpeil) en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. Het plangebied ligt in de polder Centrum-West. De bodem in de gemeente Vlaardingen bestaat uit een toplaag van zand en klei van 1 à 2 meter dik. Daaronder ligt een veenlaag van ca. 20 meter op een watervoerende zandlaag. De stroming van het freatisch grondwater is globaal westelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 0,9 m-mv. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. Door het planvoornemen is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Door de ligging in een poldergebied is de optredende grondwaterstand onder invloed van het oppervlaktewaterpeil. Het plangebied bevindt zich in de polder PRK2013VDW II waarbij een vast waterpeil van -2,3 m NAP gehanteerd wordt. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied een drooglegging van minimaal 1,5 meter aanwezig. Ter voorkoming van inundatie uit het openbaar gebied wordt een bouwhoogte van 20 cm boven de kruin van weg geadviseerd. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied geen wateroverlast te verwachten. Oppervlaktewater Binnen de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Direct zuidelijk ligt een primair oppervlaktewater.

Nabij het oppervlaktewater zijn geen wijzigingen gepland waardoor geen direct nadelig effect te verwachten is door de planontwikkeling op het bestaande oppervlaktewaterstelsel. Afvalwater De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemengd gemeentelijk rioolstelsel. In het rioleringsplan van de gemeente is aangegeven dat het uitgangspunt is dat het hemelwater bij herontwikkelingen de waterstromen 100% gescheiden aangeboden wordt op het gemeentelijk stelsel. Afhankelijk van de verhardingstoename dient waterberging op eigen terrein aangelegd te worden. Door de aanleg van een gescheiden stelsel wordt ingespeeld op een toekomstige scheiding van rioolstelsel. Het hemelwater wordt bij voorkeur op eigen terrein verwerkt. Gezien de ligging nabij het primair oppervlaktewater kan vanuit het plangebied eventueel rechtstreeks (vertraagd) op het oppervlaktewater aangesloten worden. Door het planvoornemen neemt de hoeveelheid afvalwater in het plangebied toe. Momenteel is er 1 woning aanwezig, met onderhavige ontwikkeling worden er 36 woningen gerealiseerd. Hiervoor wordt op eigen terrein een DWA-stelsel aangelegd dat aangesloten wordt op het gemeentelijk rioolstelsel. De verwachte toename bedraagt ca. 1,1 m 3/uur. Dit kan naar verwachting in het bestaande stelsel verwerkt worden.

Voor de aansluiting en wijzigingen aan het rioolstelsel dient ten tijde bij de gemeente Vlaardingen een aanvraag ingediend te worden. Hemelwater Het plangebied ligt in een poldergebied. Binnen het plangebied bevinden zich momenteel geen aangelegde hemelwatervoorzieningen. Momenteel stroomt een gedeelte van het hemelwater van het perceel mee af naar het gemeentelijk rioolstelsel of wordt verwerkt in het groen op eigen perceel. De bestaande bebouwing wordt gesloopt voor nieuwbouwwoningen. In tabel 4.6 is een totaal overzicht van de bestaande verharding opgenomen.

Hoofdstuk 4

42

Tabel 4.6 Overzicht huidig verhard oppervlak binnen plangebied

Bij de nieuwbouw wordt op eigen terrein een gescheiden stelsel aangelegd. Bij het voldoen aan de juiste milieuhygiënische maatregelen levert de gescheiden aanlevering een positieve hydrologische bijdrage aan het uiteindelijk ontvangende oppervlaktewater. Door de woningbouw ter plaatse neemt het verhard oppervlak in de toekomst toe. Hiervoor dient op eigen perceel compensatie aangelegd te worden, welke bij voorkeur bestaat uit nieuw oppervlaktewater. In tabel 4.7 is de toekomstige situatie opgenomen op basis van de huidige tekeningen. Hierbij is een maximale variant berekend waarbij rekening gehouden is met een aanbouw van 2,4 meter bij de zuidelijke panden. Bij gebouw 1 is bij de 10 woningen tevens een voor- en achtertuin gepland. Bij gebouw 2 is aan 1 zijde tuin voorzien. De verharding van de tuinen is meegenomen in onderstaande tabel (50 m2/woning op advies van HH Delfland).

Tabel 4.7 Overzicht verhard oppervlak toekomstige situatie

Uit de tabel is af te leiden dat door het voorgenomen bouwplan het verhard oppervlak toeneemt. Voor deze ontwikkeling geldt een wateropgave ter compensatie van toenemende verharding. Middels de Watersleutel is de benodigde watercompensatie voor het planvoornemen bepaald. De totale waterberging voor de ontwikkeling bedraagt ca. 437 m2 bijkomend oppervlaktewater of ca. 262 m3 alternatieve hemelwaterberging. De voorkeur van Delfland gaat uit naar compensatie door het graven van extra oppervlaktewater. Indien compensatie in oppervlaktewater aantoonbaar niet mogelijk is, kan voor alternatieve vasthoudmaatregelen gekozen worden. Wanneer er klimaatadaptieve maatregelen genomen worden bovenop de berekende opgave uit de watersleutel is hier wellicht subsidie voor beschikbaar (www.hhdelfland.nl/inwoner/klimaat-en-water/subsidie-klimaatadaptatie).

Hoofdstuk 4

43

Vanwege het belang voor de waterhuishouding hanteert Delfland richtlijnen bij de beoordeling van vasthoudmaatregelen ter compensatie van bijkomende verharding. Deze zijn te vinden op www.hhdelfland.nl/richtlijn-vasthoudmaatregelen. De manier waarop de wateropgave wordt ingevuld dient te voldoen aan de richtlijn voor vasthoudmaatregelen. Daarbij is het belangrijk, dat de gekozen maatregel goed functioneert, past binnen het gebied en ook op de lange termijn betrouwbaar is. De eigenaar van het perceel is immers zelf volledig verantwoordelijk voor de aanleg, het functioneren en het in stand houden van de voorziening. Naar klimaatadaptie toe zijn er mogelijkheden en kansen bij een nieuwe ontwikkeling. Deze zijn afhankelijk van het type ontwikkeling en de gewenste inpassing/duurzaamheidsgraad die men wil realiseren. In eerste instantie dient nieuwe, dichte verharding zoveel mogelijk beperkt te worden. Hoewel hiermee rekening gehouden is, is het wenselijk om bewoners bewust te maken van de voordelen van een groene en onverharde tuin zodat deze niet volledig verhard worden. Hergebruik kan overwogen worden maar is geen strikte eis. Aanvullend kan een regenton tussengeplaatst worden voor het besproeien van de tuin. Bij hergebruik dient in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en mag geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaan.

Bij het planvoornemen wordt op eigen terrein een HWA-stelsel aangelegd. Grasbetontegels ter plaatse van de parkeerplaatsen is vanuit het beheer door de gemeente niet wenselijk geacht. Verder is open water door de aanwezige geluidswal niet inpasbaar in de planopzet (tenzij met een steile talud). Hieronder is een opsomming van de mogelijke maatregelen binnen of nabij het plangebied opgenomen: 1. Aanleg wadi westelijk van de bebouwing richting de Marathonweg. Deze kan dan ook eenvoudig aansluiten op het bestaande zuidelijke oppervlaktewater. Wel dient rekening gehouden te worden met de rondom gelegen 10KV-kabel en het benodigde talud en onderhoudsmogelijkheid bij de aanleg van een (diepe) watergang. 2. Alternatieve waterberging door bijvoorbeeld berging in een HWA-riool (eventueel in combinatie met een afkoppeling van de bestaande woningen aan de Floreslaan). 3. Alternatieve waterberging door krattenstelsel of vergelijkbare voorziening zoals rockflow onder de weg of parkeerplaatsen. 4. Uit vooroverleg met de gemeente blijkt dat eventueel zuidelijk (en eventueel ook zuidwestelijk van de Maratonweg, let op ander peilgebied) bijkomend oppervlaktewater gegraven kan worden (ca. 400 m2 en 680 m2 nieuw water mogelijk). 5. Uit vooroverleg met de gemeente blijkt dat het ook mogelijk is om de waterberging elders in de wijk middels een geplande wadi uit te voeren (zelfde peilgebied). 6.

Een combinatie van bovenstaande voorzieningen om zo een robuust, duurzaam stelsel te creëren. De wens van de ontwikkelaar gaat uit naar het inpassen van een gedeelte van de benodigde waterretentie op eigen terrein met een wadi. Een langgerekte wadi kan het verzamelde water van de 2 panden en/of tuinen verwerken. Voor de overige verharding doet ontwikkelaar een eenmalige bijdrage om de watercompensatie door de gemeente in hetzelfde peilgebied te laten realiseren gelijktijdig met de aanpassing van het rioleringssysteem in de Indische buurt. Op de voorziening dient een vertraagde leegloop naar het bestaande oppervlaktewater aangelegd te worden. Tevens dient een noodoverloop om overlopen bij boven normatieve buien mogelijk te maken.

Hoofdstuk 4

44

Conclusie Voor de bestemmingsplanfase zijn de relevante wateraspecten in beeld gebracht. Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de voorgenomen compensatie van het hemelwater met bijvoorbeeld wadi’s en door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten. Over de benodigde waterberging zijn er tussen initiatiefnemer en de gemeente Vlaardingen afspraken gemaakt en deze zijn vastgelegd in een overeenkomst. Voor de benodigde waterberging van de beoogde ontwikkeling voorziet initiatiefnemer in 180 m3 watercompensatie binnen het plangebied. Initiatiefnemer doet een eenmalige bijdrage om de overige watercompensatie door de gemeente in hetzelfde peilgebied te laten realiseren gelijktijdig met de aanpassing van het rioleringssysteem in de Indische buurt. Indien het fietspad parallel langs de Marathonweg door politiek besluit behouden blijft zal de gemeente voor haar rekening de watercompensatie niet passende op het plangebied realiseren. Bij de nadere uitwerking van het bouwplan dient de uiteindelijke hemelwatervoorziening (waterberging van 180 m3) opgenomen te zijn. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar het groen, het openbaar gebied of het zuidelijke oppervlaktewater.

Voorafgaand aan de vergunningsaanvraag dienen de tekeningen aangevuld te worden met het maaiveldverloop en de toekomstige hemelwatervoorzieningen met een ontwerp / ligging van leidingwerk.

4.11 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2022 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Gemeentelijk beleid Vlaardings Erfgoed nota Op 21 december 2017 heeft de gemeenteraad van Vlaardingen de richtinggevende nota “Vlaardings Erfgoed” vastgesteld. De nota vervangt de “Monumentennota 2005” en de Beleidsnota Archeologie 2009-2013”. De gemeente Vlaardingen heeft twee wettelijke taken: 1.

ze is het bevoegd gezag in de belangenafweging in ruimtelijke ordeningsbeslissingen; 2. ze dient ervoor te zorgen dat de overheidsarchieven bewaard blijven en in te zien zijn. Daarnaast heeft de gemeente Vlaardingen de taak van depothouder voor de archeologische collectie toegewezen gekregen door de provincie. Daar horen wettelijke verplichtingen bij, zoals het toeganke-

Hoofdstuk 4

45

lijk maken van de objecten in het depot. Ook als initiatiefnemer van projecten in de ruimtelijke ordening en in het kader van de vaststelling van bestemmingsplannen (of onder de Omgevingswet: omgevingsplannen en -visies) heeft de gemeente verplichtingen, zoals het uit (laten) voeren van archeologisch onderzoek In de erfgoednota beschrijft de gemeente het belang van het optimaal behouden, beschermen en benutten van het kwetsbare Vlaardingse erfgoed. Om dat te kunnen borgen moet het erfgoed bekend zijn, beheerd (kunnen) worden en toegankelijk zijn. De gemeente neemt daarin de regie, stuurt aan op samenwerking met derden en stelt middelen beschikbaar. Objecten die als Vlaardings erfgoed zijn bestempeld, hebben een beschermde status. In die gevallen kan handhaving worden ingezet als middel om het erfgoed goed te kunnen beschermen. Kadernota Erfgoed Vlaardingen In de “Kadernota Erfgoed Vlaardingen” (2019) zijn de hoofdpunten van het erfgoedbeleid met beleidsmatige en financiële kaders onderbouwd. De gemeentelijke verantwoordelijkheid ligt bij de verzameling objecten waar de gemeente invloed op heeft doordat het in eigendom is, er regels aan gesteld kunnen worden en/of er subsidies kunnen worden verstrekt voor de instandhouding ervan.

Het gaat over: − cultuurhistorische structuren en elementen (landschappelijk en stedelijk); − gebouwen en objecten (monumenten en beeldbepalende panden/objecten); − bekende en verwachte archeologische vindplaatsen en vondsten; − archiefbescheiden. Doorwerking plangebied Er is door Aeres Milieu een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting volgen de belangrijkste conclusies, voor het volledige rapport wordt verwezen naar de toelichting. Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de diepst aangetroffen sedimenten bestaan uit ongerijpte kleien uit vermoedelijk het laat neolithicum. Daarop is veen in meer en minder diep water gevormd. Na een mogelijk aftopping van het veenpakket erop is een circa 5 à 6 m dik pakket gevormd met zand- en kleilagen. De top is modern omgewerkt en plaatselijk vermengd met opgebrachte grond. Het dikke pakket zand- en kleilagen op het veen is gefaseerd gevormd. Archeologisch is de top van de oeverafzettingen in het zuidelijke en noordelijke deel het meest relevant. Dit zijn de onderscheiden zones I-II in het zuiden en zone IV in het noorden.

Bij eerder onderzoek met proefsleuven door RAAP ten westen van het plangebied, ten westen van de Marathonweg, ter hoogte van zone IV in het westelijke vervolg van de oeverafzettingen zijn hierin geen archeologische resten aangetroffen. Dit onderzoek kan gezien de afstand en de dieptes waarop dit onderzoek is uitgevoerd is (te ondiep), volgens het Bevoegd gezag niet als een karterend onderzoek voor het plangebied worden gezien. Bij een ander recent onderzoek met proefsleuven (zaakidentificatie: 4606587100) ten noordoosten van het plangebied zijn echter op dergelijke kreekresten wel veel vondsten en sporen uit de Romeinse tijd en ijzertijd op circa 2,8 tot 3,0 m -NAP aangetroffen. Dit is ook het niveau waarop de oeverafzettingen in onderhavig plangebied liggen in zone IV. Dit komt overeen met een diepte van zo’n 1,5 à 2,5 m –mv. De top van de kreekbedding en oeverafzetting in de zuidelijke zones I en II lijkt archeologisch het meest kansrijk. Mogelijk had de vorming plaats tot in de midden ijzertijd, zodat eventuele bewoning er

Hoofdstuk 4

46

in de late ijzertijd en Romeinse tijd plaats kon hebben. Een ‘zachte’ aanwijzing voor mogelijke bewoning voor is een fragment Romeins gebruikskeramiek uit modern en recent omgewerkte grond. Bij die omwerking is plaatselijk ook de top van de natuurlijke sedimenten omgewerkt geraakt. Eventuele archeologische resten kunnen worden verwacht vanaf circa 0,5 m –mv, maar ook rond 1,5 à 2,0 m – mv ligt een overgang die misschien een archeologisch relevant niveau vormt. De top van de oeverafzettingen in het noordelijke deel kent in het centrale gebied een vermoedelijk vervolg in de vorm van een stagnatielaag van groengrijze klei in zone III. Deze kleilaag is echter in een nat milieu gevormd en lijkt daarom op het eerste gezicht geen archeologisch relevant niveau te hebben. Echter de ligging tussen zones met eventuele bewoning maakt dit toch tot een mogelijk archeologisch interessant gebied. De top van de kleilaag ligt rond 1,0 à 1,5 m –mv. Een afsluitende kleilaag die in het gehele plangebied te volgen is en die direct onder de modern geroerde bovengrond ligt, was bewoonbaar vanaf de late middeleeuwen. In het centrale deel is hierin een geultje of sloot/greppel aangetroffen. Na het veldonderzoek kunnen vier zones worden onderscheiden, namelijk zones I en II in het zuiden, zone III in het midden ter hoogte van de kassen en zone IV in het noorden.

Zie figuur 4.4 voor de indeling van het plangebied in zones. In het gehele plangebied wordt vervolgonderzoek aanbevolen om meer inzicht te krijgen in de verwachte aanwezige archeologische resten. Dit wordt hieronder per zone kort toegelicht. Hiertoe dient vooraf een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld dat door de bevoegde overheid getoetst dient te worden. Zones I-II Uit het bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek door middel van boringen is gebleken dat de kans op het vinden van (bewonings)resten ten zuiden van boring 17, in de onderscheiden zones I en II van het plangebied, hoog is. Mogelijk is er sprake van een vindplaats, al is er alleen een zachte indicator hiervoor in de vorm van een losse Romeinse scherf uit modern omgewerkte grond. Eventueel aanwezige resten worden verwacht vanaf circa 0,5 m -mv (in de top van het afdekkende pakket) tot circa 1,0 m -mv (in de top van de oeverafzettingen van de kreek in het zuidelijk deel van het plangebied). Rond 1,5 à 2,0 m–mv ligt er echter ook een overgang die misschien archeologisch relevant is. Voor het zuidelijk deel van het plangebied wordt een vervolgonderzoek aanbevolen. Voorgesteld wordt om proefsleuven aan te leggen. Zone III Ter hoogte van de kassen, in zone III, is de verwachting middelhoog en niet hoog zoals in de zones III, omdat de top van de natuurlijke afzettingen in een nat milieu lijkt te zijn gevormd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10631461/1