Bestemmingsplan Floreskwartier
Tekst van het document
Bestemmingsplan Floreskwartier, Vlaardingen Gemeente Vlaardingen Vastgesteld
Bestemmingsplan Floreskwartier, Vlaardingen Gemeente Vlaardingen Vastgesteld
Rapportnummer:
P02662_1
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0622.0291bpAbbl2019-0020
Datum:
18 augustus 2021
Opdrachtgever:
ABB Projectontwikkeling B.V.
Projectteam BRO:
WdR, MvDn, TA, GW
Concept:
30 april 2020
Voorontwerp:
24 juli 2020
Ontwerp:
2 maart 2021
Vaststelling: Bron foto kaft:
BRO
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 4 6 7
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling
7 8 8
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
11 11
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
11 12 12 14
3.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland 3.3 Gemeentelijk beleid
14 15
3.3.1 Toekomstvisie Vlaardingen 2020-2040 3.3.2 Stadsvisie Vlaardingen, Koers op 2020 3.3.3 Visie openbare ruimte Vlaardingen
15 16 17
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Geluid 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Geur agrarisch 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid 4.8 Ecologie 4.9 Bodem 4.10 Water 4.11 Archeologie 4.12 Cultuurhistorie 4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Inhoudsopgave
18 18 20 24 26 27 27 28 34 37 40 45 50 51
1
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen 5.4 Gebiedsaanduidingen
52 52 52 54 55
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
56 56
6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
56 56 56
6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Inspraak 6.2.3 Vaststellingsprocedure
57 57 57
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Parkeerbalans Bijlage 3: Memo parkeeronderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek omgevingslawaai Bijlage 5: Akoestisch onderzoek geluidwering gevels Bijlage 6: Akoestisch onderzoek geluidsbelasting op omliggende bebouwing Bijlage 7: Herpositionering geluidschermen Floreskwartier Bijlage 8: Externe veiligheid Bijlage 8a Verantwoording hoogte groepsrisico Bijlage 8b Advies Veiligheid, groepsrisico langs Marathonweg Bijlage 8c Advies VRR Bijlage 9: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 10: Stikstofberekening Bijlage 11: Boomtechnisch onderzoek Bijlage 12: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 12a Verkennend bodemonderzoek Geofoxx Bijlage 12b Verkennend bodemonderzoek Aeres Milieu Bijlage 12c Asbest in bodem onderzoek Aeres Milieu Bijlage 13: Waterparagraaf Bijlage 14: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek Bijlage 15: Programma van Eisen Bijlage 16: Evaluatierapport Archeologisch inventariserend veldonderzoek Bijlage 17: Adviesdocument Behoud in situ Bijlage 18: Advies archeologie t.b.v. aanvraag omgevingsvergunning Bijlage 19: Aanmeldingsnotitie mer Bijlage 20: Participatie omwonenden
Inhoudsopgave
2
Bijlage 21: Inrichtingsschets Bijlage 22: Nota beantwoording zienswijzen
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft het voornemen om twee percelen met een totale oppervlakte van ca. 10.700 m 2 in de Indische buurt aan de Floreslaan, gemeente Vlaardingen te ontwikkelen als woongebied met 36 grondgebonden rijwoningen. Het plangebied is momenteel gedeeltelijk braakliggend terrein en is verder gedeeltelijk in gebruik als kweekbedrijf. Op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Indische Buurt’, welke op 27 mei 1981 onherroepelijk is geworden, geldt voor het plangebied de bestemmingen ‘Bijzondere Agrarische Doeleinden’ en ‘Bijzondere Doeleinden’. Het realiseren van het plan is binnen deze bestemmingen niet mogelijk. Om de ontwikkeling toch mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Er dient een bestemmingsplan in procedure gebracht te worden, waarin aangetoond wordt dat het initiatief op de verschillende relevante onderdelen haalbaar is en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied.
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen in de Indische buurt in het stedelijk gebied van Vlaardingen aan de Floreslaan, ten oosten van het plangebied grenst de Marathonweg. Het plangebied staat kadastraal bekend als sectie D, nummers 2108 en 2184 van de gemeente Vlaardingen. De globale ligging en begrenzing van het plangebied staan weergegeven in figuur 1.1. De exacte begrenzing van het plangebied volgt uit de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 1.1 Globale ligging en begrenzing plangebied (bron: Google Maps).
Hoofdstuk 1
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Indische Buurt’ het geldende planologischjuridisch kader. Op 27 mei 1981 is dit bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Het plangebied heeft op basis van het vigerende bestemmingsplan de bestemmingen ‘Bijzondere Agrarische Doeleinden’ en ‘Bijzondere Doeleinden’. Daarnaast geldt ter plaatse het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019’, vastgesteld op 30 januari 2020 en het ‘Paraplu bestemmingsplan Wonen’, vastgesteld op 15 oktober 2020. Met het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 wordt het gemeentelijk parkeerbeleid op eenduidige wijze verankerd in alle bestemmingsplannen van gemeente Vlaardingen. Met het Paraplu bestemmingsplan Wonen worden in alle bestemmingsplannen eenduidige definities ten behoeve van de bestemmingen ‘Wonen’ vastgelegd.
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Gronden bestemd als ‘Bijzondere Agrarische doeleinden (BAD)’ zijn bestemd voor bloem-, groente-, fruit- en boomkwekerijen en volkstuintjes met de, binnen de aangegeven bebouwingsgrenzen, bijbehorende gebouwen en andere bouwwerken. Er mag ten hoogste 1 eengezinshuis (beheerderswoning) worden gebouwd binnen de bebouwingsgrenzen. De goothoogte van bedrijfsbebouwing is maximaal 4 meter. Het bebouwingspercentage is 40% en de maximale bouwhoogte 10 meter. Gronden bestemd als ‘Bijzondere doeleinden (BD)’ zijn bestemd voor de bouw van gebouwen en andere bouwwerken voor gebruik door c.q. ten behoeve van instellingen ter zake van openbaar bestuur, dienstverlening, verenigingsleven, religie, cultuur, onderwijs, opvoeding en recreatie, fysieke en geestelijke volksgezondheid met ten hoogste één dienstwoning en met de daarbij behorende andere bouwwerken. Het bebouwingspercentage is 50% en de maximale bouwhoogte 10 meter.
Hoofdstuk 1
6
Binnen de bestemming ‘Bijzondere Agrarische Doeleinden’ en ‘Bijzondere Doeleinden’ is het dus niet mogelijk om 36 grondgebonden woningen te realiseren. Derhalve dient het bestemmingsplan te worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied. Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het zesde en laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in het westen van Vlaardingen in de Indische buurt. Het plangebied ligt ten oosten van de Marathonweg een belangrijke verbindingsweg met onder andere de Rijksweg A20. De A20 ligt op circa 560 meter ten noorden van het plangebied. De Indische buurt is een buurt uit de jaren ’40 en ’50 van de 20ste eeuw en kenmerkt zich door veelal rijen woningen van twee lagen met een flauw hellende kap of plat dak en middelhoge appartementsblokken. De straten zijn relatief smal en de wijk heeft een groen karakter door de ruime tuinen en de groenelementen zoals vijvers en gazons. Het plangebied betreft momenteel een braakliggend terrein ingezaaid als gras en is verder gedeeltelijk in gebruik als kweekbedrijf. Figuur 2.1 geeft een impressie van het plangebied in de huidige situatie.
Figuur 2.1 Huidige situatie plangebied (bron: Google Streetview)
2.2 Voorgestane ontwikkeling Initiatiefnemer heeft het voornemen de gronden met een oppervlakte van circa 10.700 m2 te ontwikkelen tot woongebied. Het beoogde programma voor het Floreskwartier in Vlaardingen bestaat uit 36 grondgebonden eengezinswoningen met een prijs van circa € 300.000 - € 350.000. Jonge gezinnen met kinderen zijn de primaire doelgroep: starters die doorstromen vanuit een eerste woning en op zoek zijn naar meer ruimte. Het woningbouwplan bestaat uit twee volumes. Het ene volume staat parallel aan de Marathonweg en het kortere volume staat in het verlengde van de Surinamesingel. Hierdoor ontstaat een groene parkeerzone tussen de bouwblokken en de Floreslaan. Doordat de Marathonweg een drukke ontsluitingsweg is, is ervoor gekozen om de entrees van de woningen aan de kant van de Floreslaan te situeren. Hierdoor is de hoofdentree te bereiken via de tuin. Er is zorg besteed aan het goed vormgeven van dit entreegebied met portalen, duurzame erfafscheidingen en veel groen.
Hoofdstuk 2
8
Aan de zijde van de Marathonweg komen geen deuren. Het gebied tussen de Marathonweg en de nieuw te bouwen woningen kenmerkt zich door een heuvelachtige landschappelijke vormgeving om de kwaliteit van dit gebied te verbeteren. Bij het blok aan het Surinamepad komen de entrees parallel te liggen aan een langzaamverkeersroute. Deze langzaamverkeersroute ligt nu nog parallel aan de Marathonweg en het voornemen is om deze gedeeltelijk om te leggen, ten behoeve van het actieplan mobiliteit van de gemeente Vlaardingen. De route zal dan langs de vijver naar de Floreslaan lopen, de Indische buurt in. Echter is er met dit bestemmingsplan ook nog de mogelijkheid om de langzaamverkeersroute niet te verleggen en deze, zoals in de huidige situatie parallel aan de Marathonweg te laten lopen. Er worden 32 rijwoningen gerealiseerd en 4 hoekwoningen. In de woningen zijn verschillende plattegronden mogelijk. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om aanbouwen te maken aan de zijde van het nieuwe speel- en parkeerplein voor zowel de begane grond als de verdieping. De verschijningsvorm van de architectuur kenmerkt zich door een tuindorp-achtige baksteenarchitectuur met een langskap over de hele lengte die wordt onderbroken door dwarskappen. Binnen het plangebied worden 40 parkeerplaatsen voorzien.
Figuur 2.2 toont een inrichtingsschets van het plangebied, deze inrichtingsschets is tevens opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Figuur 2.3 en 2.4 geven impressies van de voorgestane ontwikkeling..
Figuur 2.2 Inrichtingsschets Floreskwartier.(bron: hgca)
Hoofdstuk 2
9
Figuur 2.3 Impressie voorgestane ontwikkeling Floreskwartier in vogelvlucht
Figuur 2.4 Impressie voorgestane ontwikkeling, tuinentrees aan de Floreslaan
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke op 11 september 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd is. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet (staat nu gepland voor 1 juli 2022) komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Doorwerking plangebied Het initiatief speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen duidelijk herkenbare relatie met het ruimtelijk ordeningsbeleid op nationaal niveau. Het realiseren van onderhavige ontwikkeling is primair een provinciale c.q.
gemeentelijke verantwoordelijkheid en is daarmee niet in strijd met de uitgangspunten
Hoofdstuk 3
11
van de Nationale Omgevingsvisie. Bovendien past de beoogde ontwikkeling in het streven naar het benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de NOVI die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking plangebied Met onderhavig plan zijn geen nationale belangen gemoeid. Het Barro zorgt dan ook niet voor beperkingen of belemmeringen voor deze ontwikkeling. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling ‘Floreskwartier’ betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit blijkt uit de volgende gegevens: 1.
Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan ‘Indische buurt (onherroepelijk 27 mei 1981)’ de volgende bestemmingen: ‘bijzondere doeleinden en ‘bijzondere agrarische doeleinden’. Op basis van dit bestemmingsplan is wonen op de locatie niet toegestaan en is een wijziging van de bestemming noodzakelijk. 2. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het initiatief om maximaal 36 woningen te bouwen kan onder deze definitie worden geschaard, gezien het hier gaat om de ontwikkeling naar een woningbouwlocatie. 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
12
3. Vanaf 12 nieuwe woningen is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Aangezien het om de toevoeging gaat van maximaal 36 woningen, kan het initiatief gekwantificeerd worden als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Voor de onderbouwing van de woonbehoefte is gekeken naar de afbakening van de relevante regio, om zo de behoefte in beeld te brengen. Hiervoor kijken we naar de regionale woningmarkt, die gedefinieerd wordt op basis van verhuisbewegingen. In dit behoefteonderzoek betreft de gemeente Vlaardingen het primaire verzorgingsgebied en de omliggende gemeenten Rotterdam, Schiedam en Maassluis het secundaire verzorgingsgebied. De gemeenten vormen samen deels de subregio Waterweg. Daarnaast wordt ook breder gekeken naar de totale regio Rotterdam, omdat op dit niveau afspraken gemaakt worden over de woningbouwprogrammering. De subregio Waterweg maakt onderdeel uit van de regio Rotterdam. Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Hieronder volgt een beknopte toelichting. De volledige laddertoets is opgenomen in de bijlagen. Kwantitatieve behoefte Het initiatief Floreskwartier voorziet in een kwantitatieve behoefte binnen het verzorgingsgebied. De verwachting is dat het aantal inwoners en huishoudens in de gemeente Vlaardingen en de omliggende gemeenten de komende jaren verder groeit.
Dit betekent dat ook de behoefte aan woningen tot 2030 zal toenemen: +1.770 woningen in de gemeente Vlaardingen en +34.270 woningen in de omliggende gemeenten, waarvan het overgrote deel in de gemeente Rotterdam. Op het niveau van de regio Rotterdam worden afspraken gemaakt over de woningbouwprogrammering. Tot 2030 neemt de woningbehoefte in de gehele regio Rotterdam toe tot +51.310 woningen. In de regio Rotterdam is er in algemene zin een groot tekort aan woningen. Om tot een gezonde regionale woningmarkt te komen is een forse toename van het woningaanbod nodig. De gemeenten in de regio Rotterdam hebben de afspraak gemaakt om het aantal woningen uit te breiden met 54.000. Voor de gemeente Vlaardingen betekent dit dat er tot 2030 in totaliteit 5.200 nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd (3.200 reguliere plancapaciteit en 2.000 woningen extra). Op dit moment is in de gemeente Vlaardingen onvoldoende harde plancapaciteit om in deze ambitie te voorzien. De harde plancapaciteit is overigens ook niet voldoende om in de eigen behoefte te voorzien (zonder rekening te houden met de ‘extra’ regionale opgave). Ook op regionaal niveau zijn er onvoldoende harde plannen om in de behoefte te voorzien.
Kwalitatieve behoefte Het initiatief Floreskwartier, waarbinnen eengezinskoopwoningen in de prijsklasse € 300.000 - € 350.000 (duur) en vrije sector huurwoningen beoogd zijn, voorziet in een kwalitatieve behoefte binnen het verzorgingsgebied omdat: Op provinciaal niveau bestaat behoefte aan eengezinswoningen, primair in de koopsector. Uit de analyse blijkt dat op regionaal niveau de woningbehoefte vooral toeneemt voor koopwoningen, zowel eengezins- als meergezinswoningen. De woningbehoefte is het grootst in de koopsectoren tussen € 280.000 – 390.000. Ook in de vrije huursector blijft de behoefte groeien. De behoefte aan eengezinskoopwoningen en eengezinshuurwoningen neemt het sterkst toe in buiten-centrummilieus (waartoe ook het Floreskwartier gerekend kan worden). Vanwege een mismatch tussen vraag en aanbod beschikt Vlaardingen over een overschot aan koopappartementen. Voor starters zijn er weinig mogelijkheden om door te stromen naar een duurdere koopwoning. Op lokaal niveau ziet de gemeente Vlaardingen dan ook een behoefte aan eengezinskoopwoningen in het duurdere segment, vergelijkbaar met de behoefte op regionaal niveau. Ook het toevoegen van vrije sector huurwoningen staat op het gemeentelijk programma om een goede mix aan woningen te realiseren.
Hoofdstuk 3
13
Het initiatief Floreskwartier realiseert duurdere eengezinskoopwoningen en vrije sector huurwoningen met als primaire doelgroep doorstromende starters en jonge gezinnen. De behoefte aan dit type woningen is groot en deze doelgroep blijkt in de huidige markt te weinig mogelijkheden te kennen om door te stromen naar een duurdere woning. Het initiatief wordt gerealiseerd in een buiten-centrummilieu en kenmerkt zich door een suburbane, rustig stedelijke setting. Ook hier blijkt op regionaal én lokaal niveau behoefte aan te zijn.
Geen onaanvaardbare effecten De gemeente Vlaardingen heeft de ambitie gesteld om 5.200 nieuwe woningen te realiseren tot 2030, maar heeft onvoldoende plancapaciteit (hard én zacht) om in deze ambitie te voorzien. Dit maakt dat het niet de verwachting is dat er als gevolg van het initiatief onaanvaardbare effecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na realisatie van het initiatief Floreskwartier behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. Met de realisatie van het initiatief wordt een braakliggend terrein en volkstuinencomplex ontwikkeld naar een woningbouwlocatie. Dit draagt bij aan een prettig woon- en leefklimaat en sluit goed aan bij de omliggende wijk. Gesitueerd binnen bestaand stedelijk gebied Gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom het plangebied kan worden geconcludeerd dat de planlocatie binnen bestaand stedelijk gebied ligt: Het plangebied heeft in het bestemmingsplan de volgende bestemmingen: ‘bijzondere doeleinden’ en ‘bijzondere agrarische doeleinden’. Bijzondere doeleinden: Deze gronden zijn bestemd voor de bouw van gebouwen die zijn bestemd voor gebruik door instellingen ter zake van openbaar bestuur, dienstverlening, verenigingsleven, religie, cultuur, onderwijs, opvoeding en recreatie, fysieke en geestelijke volksgezondheid.
Bijzondere agrarische doeleinden: Deze gronden zijn bestemd voor bloem-, groen-, fruit- en boomkwekerijen en volkstuintjes met bijbehorende gebouwen. In de uitgangssituatie betreft de locatie een braakliggend terrein met een kweekbedrijf. Het plangebied wordt omringd door woonbebouwing. Aan de westkant van het plangebied ligt een doorgaande weg (Marathonweg). Gezien de ligging binnen bestaand stedelijk gebied is een nadere motivatie op dit onderdeel niet noodzakelijk.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie wil de bebouwde ruimte beter benutten. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren.
Hoofdstuk 3
14
Voor de bebouwde ruimte streeft de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Met de inzet voor beter benutten van de bebouwde ruimte volgt de provincie ontwikkelingen in de maatschappelijke behoefte. De vraag naar wonen en werken in of rond stads- en dorpscentra neemt toe. De provincie is zich bewust van het feit dat er grenzen zitten aan de mogelijkheden om te verdichten. Het bepalen of de woningbehoefte binnen de bebouwde ruimte opgevangen kan worden, is niet alleen een technische afweging (is het fysiek mogelijk om de woningbehoefte te accommoderen) maar bevat ook kwalitatieve elementen. Deze elementen zijn er vooral op gericht de leefkwaliteit van de inwoners te beschermen of zo nodig te versterken. Het gaat daarbij om: het belang van ruimtelijke kwaliteit; het behoud van voldoende groen binnen de bebouwde ruimte, de ruimtevraag vanuit klimaat, lucht, geluid, externe veiligheid, bodem, ondergrond en energie. In de Verordening ruimte is aangegeven dat een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, als er voldoende ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd.
Dit kan onder andere bestaan uit het laten aansluiten van een ruimtelijke ontwikkeling op de bestaande gebiedsidentiteit of het wegnemen van verharding of toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen. Doorwerking plangebied De ontwikkeling van 36 grondgebonden woningen gebeurt binnen bestaand stedelijk gebied. Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan het streven van de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Er wordt aangesloten op de bestaande gebiedsidentiteit en in het plan is ruimte voor groen en wordt rekening gehouden met duurzaamheid. Voor de realisatie van een ruimtelijke ontwikkeling dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen, dit staat beschreven in paragraaf 3.1.3 en de volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen. Het plan past binnen het gestelde kader van de provincie.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie Vlaardingen 2020-2040 In februari 2020 is de toekomstvisie Vlaardingen 2020-2040 vastgesteld. Wat voor stad wil Vlaardingen in 2040 zijn? Die vraag stond centraal in de toekomstvisie. Om het toekomstscenario te verwezenlijken zijn vier ambities geformuleerd waarop de gemeente zich de komende jaren richt. De vier ambities zijn: Ambitie 1: Vlaardingen is sociaal en veilig Ambitie 2: Vlaardingen een woonstad voor iedereen Ambitie 3: Vlaardingen als innovatieve opleider Ambitie 4: De Vlaardingse binnenstad leeft Voor onderhavige ontwikkeling is vooral ambitie 2 van belang. Vlaardingen is in 2040 dé inclusieve woonstad in de metropoolregio. Er zijn woningen voor iedereen: bij de bouw van extra woningen en
Hoofdstuk 3
15
het opknappen en transformeren van bestaande woningen is ingezet op een gedifferentieerd en evenwichtig woningaanbod. Daarnaast is groen belangrijk in de gemeente. Ook bij de bouw van nieuwe woningen wordt hier rekening mee gehouden. De Vlaardingse woonwijken zijn gemengd, met verschillende woningtypes en woonmilieus. Er zijn huur- en koopwoningen, sociale huurwoningen en seniorenwoningen. De gemeente heeft een diversiteit in woningen bereikt door woningen bij te bouwen en door gebouwen te transformeren. Om aan de regionale woonafspraken te voldoen en de bevolkingsgroei in de regio te faciliteren, is er de afgelopen twintig jaar creatief omgegaan met de ruimte die Vlaardingen heeft. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt een bestaand binnenstedelijk gebied getransformeerd naar een woongebied met 36 nieuwe grondgebonden woningen. De bevolkingsgroei in de regio wordt hiermee gefaciliteerd. Jonge gezinnen met kinderen zijn de primaire doelgroep: starters die doorstromen vanuit een eerste woning en op zoek zijn naar meer ruimte. Hiermee maken zij weer ruimte voor nieuwe starters op de woningmarkt. Met de woningen wordt bijgedragen aan een gemengde woonwijk. De woningen passen bij het dorpse karakter en de grootte van de woonwijken in Vlaardingen.
3.3.2 Stadsvisie Vlaardingen, Koers op 2020 De stadsvisie van de gemeente Vlaardingen is op 10 februari 2000 vastgesteld door de raad en vormt het strategische beleidskader voor gebiedsontwikkeling voor een periode van 20 jaar. De kernpunten van de stadsvisie zijn: integratie en sociale samenhang bevorderen; een gevarieerd woon- en leefmilieu bereiken op wijkniveau; streven naar gedifferentieerde woonmilieus en mensen zoveel mogelijk de mogelijkheid bieden om in hun eigen wijk een wooncarrière te doorlopen; woningaanbod meer aanpassen op de vraag vanuit de woningmarkt; stabilisatie van de werkgelegenheid op het huidige niveau, waarbij de industriële sector terrein zal verliezen en de werkgelegenheid in andere sectoren zal toenemen. Deze stadsvisie is in 2008 geactualiseerd. Het overgrote deel van de Stadsvisie is nog van toepassing. Vlaardingen heeft veel woningen van mindere kwaliteit en met een lage huur. Deze trekken veel mensen aan van buiten de stad, die zoeken naar goedkope huisvesting. Zij gaan niet snel een binding aan met hun buurt. Dit bevordert de sociale cohesie niet. Door de eenzijdige woningvoorraad is het voor Vlaardingers ook moeilijk om in eigen stad een wooncarrière op te bouwen. Er is weinig doorstroming en veel mensen die op zoek zijn naar een kwalitatief betere woning vestigen zich noodgedwongen elders.
De gemeente vindt dat Vlaardingers in eigen stad een wooncarrière moeten kunnen opbouwen. Dat betekent een gevarieerd aanbod in een goed woon- en leefklimaat zoals in het Actieplan Wonen, Woonvisie Vlaardingen 2008 - 2030 is uitgewerkt. Met het uitvoeren van het Actieplan Wonen, de woonvisie tot 2030, werken de gemeente en de woningcorporaties in Vlaardingen aan ‘veel te kiezen’. Er worden woningen gerenoveerd en gesloopt die niet meer aan de eisen van nu voldoen en er worden nieuwe comfortabele woningen gebouwd. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling worden 36 grondgebonden woningen gerealiseerd. Het zijn nieuwe moderne woningen met een hoog wooncomfort en ze worden conform huidige wetgeving gebouwd. De
Hoofdstuk 3
16
ontwikkeling is een aangename aanvulling op de bestaande (eenzijdige) woningvoorraad in Vlaardingen en het geeft Vlaardingers meer kansen om een wooncarrière op te bouwen. Bovendien staat de ontwikkeling van het plangebied staat al jaren op de gemeentelijke agenda. 3.3.3 Visie openbare ruimte Vlaardingen Identiteit, gastvrij en bruikbaar, gezond en duurzaam. Dat zijn de waarden die belangrijk zijn voor de openbare ruimte in Vlaardingen. De openbare ruimte doet ertoe. Een prettige openbare ruimte verhoogt het woonplezier, trekt mensen aan en versterkt de economie. In de Visie openbare ruimte komen de volgende 4 waarden voor Vlaardingen aan bod: 1. Identiteit Een ruimte met een sterke identiteit voegt waarde toe aan de stad. 2. Gastvrij en bruikbaar Goede openbare ruimte is gastvrij, bruikbaar en veilig. 3. Gezond Met een aantrekkelijke openbare ruimte gaan mensen sneller naar buiten en bewegen. 4. Duurzaam Een goede openbare ruimte is duurzaam. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling worden 36 grondgebonden woningen opgericht maar daaromheen openbare ruimte. Deze openbare ruimte wordt zoveel mogelijk groen ingericht, met de parkeerplaatsen ingepast in een groene omgeving. De groene omgeving verhoogt het woonplezier.
Aan de westzijde, aan de Marathonweg, wordt de openbare ruimte duurzaam en landschappelijk ingericht met een aantal wadi’s, waar het hemelwater in wordt opgevangen. Aan de zijde van de Floreslaan worden de entrees van de woningen gerealiseerd met groene pleintjes en speelruimte die gastvrij, bruikbaar en veilig worden ingericht, om zoveel mogelijk verschillende gebruikers uit te nodigen.
Hoofdstuk 3
17
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in het Actieplan Mobiliteit, Vlaardingen veilig, bereikbaar en gezond. Dit actieplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 29 november 2018 en bekendgemaakt in het Gemeenteblad van 30 januari 2019. Het Actieplan Mobiliteit vormt het spoorboekje voor het uitvoeren van het verkeers- en vervoersbeleid tot 2030. In het Actieplan is een aantal kernopgaven geformuleerd. Deze kernopgaven vormen de basis voor de verdere uitwerking de komende jaren in diverse uitvoeringsprogramma’s. Het doel is om de verkeersstructuur zo in te richten, dat een duurzaam veilig wegennet ontstaat en een goede bereikbaarheid gegarandeerd is. De focus ligt daarbij op het verder uitbouwen van een prettige, leefbare en gezonde stad om te wonen, te verblijven te recreëren en te ondernemen. Doorwerking plangebied Verkeer Het realiseren van 36 grondgebonden woningen zorgt voor verkeersbewegingen. Op basis van de CROW kengetallen (publicatie 381) is de verkeersproductie van de huidige en toekomstige functies in beeld gebracht.2 De gemiddelde verkeersgeneratie per koopwoning in de ‘rest bebouwde kom’ in ‘sterk stedelijk gebied’ komt op 8,2 motorvoertuigen per etmaal. Hiermee komt voor 36 koopwoningen de gemiddelde verkeersgeneratie uit op 295,2 motorvoertuigen per etmaal.
In de oude situatie van het plangebied waren er ook functies mogelijk welke verkeersbewegingen genereren. Deze zullen met dit nieuwe bestemmingsplan verdwijnen en kunnen worden verrekend met de nieuwe situatie. In de oude situatie waren er binnen het plangebied een tuincentrum en volkstuintjes mogelijk. Deze zijn momenteel niet meer geheel aanwezig, maar planologisch nog steeds toegestaan. De verkeersgeneratie voor 10 volkstuinen in de ‘rest bebouwde kom’ in sterk stedelijk gebied’ komt op gemiddeld 1,2 motorvoertuigen per etmaal. Voor 15 volkstuinen komt de gemiddelde verkeersgeneratie uit op 1,8 motorvoertuigen per etmaal. Daarnaast was er in de oude situatie een tuincentrum mogelijk. De gemiddelde verkeersgeneratie per 100 m 2 in de ‘rest bebouwde kom’ in ‘sterk stedelijk gebied’ voor een tuincentrum komt op 14,8 motorvoertuigen per etmaal. Voor een tuincentrum met een bvo van circa 3.500 m2, komt de totale gemiddelde verkeersgeneratie voor het op 516,2 motorvoertuigen per etmaal. Voor het plangebied in de oude planologische situatie, met een tuincentrum en volkstuintjes was het aantal verkeersbewegingen gemiddeld 518 motorvoertuigen per etmaal. Het aantal motorvoertuigen per etmaal bij de ontwikkeling met 36 woningen, 295,2 motorvoertuigen per etmaal, is lager dan de oude situatie mogelijk maakt. Het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige toegestane 2
‘CROW publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren: Van parkeerkencijfers naar parkeernormen.
Hoofdstuk 4
18
planologische situatie neemt dus af. Hiermee kan verondersteld worden dat het omliggende wegennetwerk het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de woonbouwontwikkeling goed kan verwerken. Parkeren Bij nieuwe ontwikkelingen en functiewijzigingen dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Sinds 1984 worden in de gemeente Vlaardingen bij nieuwbouw en herontwikkelingsprojecten parkeereisen gesteld. Dit wil zeggen dat bij nieuwbouw van woningen en andere functies op eigen terrein voorzien moet worden in de parkeerbehoefte. De gemeente Vlaardingen heeft het gemeentelijk parkeerbeleid eenduidig verankerd in alle bestemmingsplannen middels het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019’, vastgesteld op 30 januari 2020. Het paraplubestemmingsplan parkeren voorziet in het opnemen van een algemene parkeerregel in alle geldende bestemmingsplannen. Deze parkeerregel is opgesteld als een open norm ‘voorzien in voldoende parkeergelegenheid’ waarbij wordt verwezen naar de als beleidsregel vastgestelde parkeernormen. De parkeereisen zijn opgenomen in de beleidsregel Parkeernormen Vlaardingen 2019.
Tabel 4.1 Parkeernormen gemeente Vlaardingen (bron: Beleidsregel Parkeernormen Vlaardingen 2019).
Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen is gebruik gemaakt van de beleidsregel Parkeernormen Vlaardingen 2019 (zie tabel 4.1). De Indische Buurt waar het plangebied in ligt is aangewezen als woonwijk. Er worden 36 koopwoningen opgericht van 125 m 2 / 150m2 hiervoor dienen 61,2 (36*1,7), afgerond 62 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. In de oude situatie van het plangebied waren er een tuincentrum en volkstuinen mogelijk die een parkeerbehoefte genereerde welke werd opgelost op openbare parkeerplaatsen rondom het plangebied. Wanneer de parkeerbehoefte van de oude situatie met het tuincentrum en de volkstuinen wordt vergeleken met de parkeerbehoefte van de nieuwe situatie met 36 woningen, is het maximaal aantal parkeerplaatsen méér in gebruik ten opzichte van oude situatie: 41 parkeerplaatsen (op zondagmiddag). In de bijlage van deze toelichting is de berekening en de vergelijking van de parkeerbehoefte van de oude en nieuwe situatie opgenomen. Het aantal extra benodigde parkeerplaatsen is 41. Na saldering
Hoofdstuk 4
19
dienen er voor onderhavige ontwikkeling 41 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Deze parkeerbehoefte wordt opgelost door binnen het plangebied 40 parkeerplaatsen te realiseren en daarnaast worden de huidige 20 langsparkeerplaatsen langs de Floreslaan aan de kant van het plangebied uitgebreid met een extra parkeerplaats. Zie de inrichtingsschets in figuur 2.2 voor de parkeeroplossing. Er worden parkeervoorzieningen gerealiseerd op openbaar gebied binnen het plangebied, 40 parkeerplaatsen. Een groot gedeelte van de parkeerbehoefte zal hiermee op eigen terrein worden opgevangen, maar er is ook voorzien om te parkeren langs de openbare weg. Derhalve is een onderzoek gedaan om inzicht te vergaren in de huidige parkeerdruk van de bestaande wijk. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen, in deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. In dit onderzoek is geen rekening gehouden met saldering. De parkeercapaciteit in het onderzoeksgebied bedraagt 95 parkeerplaatsen; De hoogste overcapaciteit in het onderzoeksgebied bedraagt 63 parkeerplaatsen. De laagste overcapaciteit in het onderzoeksgebied bedraagt 35 parkeerplaatsen. Dit is het maatgevende aantal restparkeerplaatsen. In de regel zijn dan alle bewoners thuis (100%) (werkdag-avond) Na aanleg van de woonwijk zullen er 36 nieuwe woningen worden toegevoegd in het plangebied.
De toegevoegde parkeerbehoefte, zoals hierboven is berekend op basis van de parkeernormen van de gemeente Vlaardingen, bedraagt afgerond 62 parkeerplaatsen. Hiervoor zullen 40 parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd; De overige 22 parkeerplaatsen kunnen opgevangen worden op de 35 beschikbare parkeerplaatsen in het onderzoeksgebied op maximaal 150 meter loopafstand; Met deze parkeerdrukmeting is aangetoond dat er op het drukste moment 35 restparkeerplaatsen aanwezig zijn om de 22 extra parkeerders op te vangen. In overleg met de gemeente is bepaald dat de (meeste noordwestelijke) haakse parkeerplaatsen dieper worden aangelegd (circa 5,5 meter lang). Dit omdat auto’s steeds langer worden.
4.2 Geluid Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.
Hoofdstuk 4
20
Tabel 4.2: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Doorwerking plangebied Akoestisch onderzoek omgevingslawaai Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Marathonweg, Billitonlaan, Floris de Vijfdelaan en Marnixlaan. Het plan is tevens gelegen aan de 30 km/uur weg Floreslaan. Derhalve is akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde nieuwbouw van 36 woningen aan de Floreslaan in Vlaardingen 3. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Voor de Floreslaan geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt.
Voor de gezoneerde wegen Billitonlaan, Floris de Vijfdelaan en Marnixlaan geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de Marathonweg geldt dat de geluidbelasting op alle voorgevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 14 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en er wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm en het verhogen van de reeds beoogde geluidschermen (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde is in de onderhavige situatie uitgezonderd van de onderzoeksplicht. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. De gemeente is voornemens om de Marathonweg te voorzien van stiller asfalt.
Bij het toepassen van een stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve niet voldoende doeltreffend, maar zorgt wel voor een verlaging van de geluidsbelasting. 3
Akoestisch onderzoek Omgevingslawaai, Tritium Advies, 2010/002/CK-01, versie 0, d.d. 9 november 2020
Hoofdstuk 4
21
Ten behoeve van de procedure hogere waarde dient conform artikel 110f Wgh de cumulatieve geluidbelasting te worden bepaald, indien sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron. Allereerst dient vastgesteld te worden of sprake is van een relevante blootstelling door verschillende geluidbronnen. Dit is alleen het geval indien de zogenaamde voorkeurswaarde van die te onderscheiden bronnen wordt overschreden. Conform de Wgh dienen voor de cumulatie de zoneplichtige wegen en spoorwegen en de geluidbelasting ten gevolge van industrie en/of luchtvaart meegenomen te worden. Conform opgave van de Omgevingsdienst DCMR bedraagt de geluidbelasting ten gevolge van het geluid gezoneerde industrieterrein Botlek-Pernis 50 dB(A). Voor de geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein Vulcaanhaven/Koningin Wilhelminahaven/Vettenoord (VKV) wordt in overleg met de omgevingsdienst worst-case uitgegaan van 55 dB(A). Derhalve dient voor onderhavige woningen een hogere waarde van 55 dB(A) te worden aangevraagd voor het industrieterrein VKV. Maatregelen voor het reduceren van de geluidbelastingen ten gevolge van het gezoneerde industrieterrein VKV aan zowel de geluidbronnen als in de overdracht zijn niet realistisch. Om een hogere waarde te kunnen verlenen dient te worden voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in het “Beleid hogere waarden Vlaardingen 2016” d.d.
10 november 2016 van de gemeente Vlaardingen. In de rekenresultaten is te zien dat de woningen van blok 1 beschikken over een geluidluwe noordgevel op de begane grond en de eerste verdieping. De woningen van blok 2 beschikken over een volledig geluidluwe oostgevel. Daarnaast dienen de meeste slaapkamers te zijn gelegen aan de geluidluwe zijde. In de plattegronden, zoals opgenomen in het akoestisch onderzoek is te zien dat bij alle woningen twee van de drie slaapkamers zijn gesitueerd aan de geluidluwe zijde. Tot slot dient iedere woning te beschikken over een geluidluwe buitenruimte. Uit de rekenresultaten blijkt dat dit voor iedere woning het geval is. Tevens wordt de grenswaarde voor een onaanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting van 70 dB niet overschreden. Door realisatie van de gemodelleerde geluidschermen, erfafscheidingen en de geluidwal wordt aan alle aanvullende maatregelen uit het gemeentelijk geluidbeleid voldaan en wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woningen een aanvullend onderzoek nodig ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Indien de gemeente een hogere waarden procedure verleend, dient deze voorafgaand of gelijktijdig aan de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan genomen te zijn en voorgaand of tegelijkertijd te worden gepubliceerd. Akoestisch onderzoek geluidswering gevels Vervolgens is een akoestisch onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd4 ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen. Doel van dit akoestisch onderzoek is te bepalen of de gevels van alle basiswoningen en opties voldoen aan de eisen zoals gesteld in het bouwbesluit met betrekking tot bescherming tegen geluid van buiten.
4
Akoestisch onderzoek geluidswering gevels, Tritium Advies, 2010/002/CK-02, versie D, d.d. 9 april 2021
Hoofdstuk 4
22
De gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van de woningen bedraagt conform bovengenoemde onderzoek maximaal 65 en 67 dB (exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh) ter plaatse van respectievelijk de linkergevel van blok 1 en de achtergevel van blok 2. In het ‘Akoestisch onderzoek geluidswering gevels’ (bijlage 3) is aangetoond dat de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, tenminste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting en 33 dB. In hoofdstuk 4 van het ‘Akoestisch onderzoek geluidswering gevels’ zijn de benodigde voorzieningen en de minimale geluidisolatie weergegeven. Alternatieve voorzieningen zijn mogelijk indien de geluidisolatiewaarden minimaal gelijk zijn aan de in dit rapport vermelde waarden. Uiteraard zullen de geluidniveaus, welke uiteindelijk na realisering in de diverse vertrekken ontstaan, afhankelijk zijn van de noodzakelijk goede uitvoering. Akoestisch onderzoek Geluidbelasting op omliggende bebouwing Aangezien onderhavig planvoornemen een open plek binnen de bebouwde kom invult, is vanwege reflecties en afscherming sprake van een wijziging in de akoestische situatie van de omliggende woningen aan de Floreslaan en de Graaf Arnulfstraat.
Om een verantwoord akoestisch woon- en leefklimaat op de omliggende woningen te kunnen waarborgen, is de veranderende akoestische situatie op deze woningen inzichtelijk gemaakt. Aanvullend op het bovengenoemde akoestische onderzoek omgevingslawaai is nog een akoestisch onderzoek geluidbelasting op omliggende bebouwing gedaan5. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De cumulatieve geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de in voornoemd onderzoek omgevingslawaai beschouwde wegen op woningen aan de Graaf Arnulfstraat (huisnummers 15 t/m 46), de Floreslaan (even huisnummers 2 t/m 40) en de hoekwoningen van de Surinamesingel en de Soendalaan zijn bepaald in drie verschillende situaties: 1. de situatie vóór realisatie van het planvoornemen met het huidige wegdek op de Marathonweg; 2. de situatie na realisatie van het planvoornemen met het huidige wegdek op de Marathonweg; 3. de situatie na realisatie van het planvoornemen met geluid reducerend wegdek op de Marathonweg. Uit de rekenresultaten blijkt dat geen enkele getoetste woning er na realisatie van het planvoornemen akoestisch gezien merkbaar c.q. waarneembaar op achteruit gaat, al dan niet na realisatie van geluid reducerend asfalt op de Marathonweg.
Aanvullend onderzoek ‘Herpositionering geluidschermen Floreskwartier Vlaardingen’ 6 Na het uitvoeren van bovengenoemde onderzoeken hebben er wijzigingen plaatsgevonden in de positionering van de geluidsschermen. Conform opgave van de opdrachtgever wordt het 4,0 meter hoge geluidscherm aan de zuidwestzijde van het plangebied, zoals reeds is beschouwd in voornoemde akoestische onderzoeken verplaatst in de richting van de woningen van blok 1. Daarnaast is de aansluiting van het geluidscherm met de gevel van blok 2 anders ten opzichte van de positie welke als uitgangspunt is genomen in de akoestische onderzoeken. In de navolgende figuur 4.1 zijn de situatie 5
6
Akoestisch onderzoek Geluidbelasting op omliggende bebouwing, Tritium Advies, 2010/002/CK-03, versie 0, d.d. 4 december 2020 Herpositionering geluidschermen Floreskwartier te Vlaardingen, Tritium Advies, 2010/002/CK-br01, d.d. 10 mei 2021
Hoofdstuk 4
23
vóór en na herpositionering gevisualiseerd. In beide afbeeldingen is de aansluiting van het geluidscherm met de gevel van blok 2 verschillend ten opzichte van de positie welke als uitgangspunt is genomen in de oorspronkelijke akoestische onderzoeken. Na herpositionering van de geluidschermen en handhaving van de in voornoemde onderzoeken opgenomen hoogten blijkt dat er geen aanpassingen benodigd zijn aan het eerder opgestelde
Figuur 4.1 Geluidscherm voormalige situatie (links) en geluidsscherm nieuwe situatie (rechts)
akoestisch onderzoek omgevingslawaai (documentkenmerk: 2010/002/CK-01), versie 0 d.d. 9 november 2020. De in dit onderzoek beschreven conclusies blijven ongewijzigd. Met betrekking tot het eerder opgestelde akoestisch onderzoek geluidwering gevels (documentkenmerk: 2010/002/CK-02), versie D d.d. 9 april 2021 dienen enkel wijzigingen te worden doorgevoerd aan de beschreven voorzieningen voor slaapkamer 2 van bouwnummer 11. Om in deze verblijfsruimte alsnog te voldoen aan de eisen voor de karakteristieke geluidwering van de gevels dient in de linker gevel van deze slaapkamer te worden uitgegaan van ten minste beglazing AGC Thermobel 10-12-6-12-6 o.g. en dubbele kierdichting rondom te openen delen. Voor alle overige verblijfsruimten en gevels zoals beschouwd in het akoestisch onderzoek geluidwering gevels blijven de conclusies en voorzieningen ongewijzigd. Na herpositionering van de geluidschermen en handhaving van de in voornoemde onderzoeken opgenomen hoogten blijkt dat zowel de cumulatieve geluidbelasting als de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Marathonweg op de kopgevel van de woningen van blok 1 licht afneemt. Daarnaast blijkt dat op de kopgevel van de woningen van blok 2 bij een toetshoogte van 1,5 en 7,5 meter de cumulatieve geluidbelasting en de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Marathonweg met enkele tienden van dB’s toeneemt.
Na deze toename blijven de conclusies uit het onderzoek omgevingslawaai echter ongewijzigd. De gewijzigde opstelling van de geluidschermen heeft geen significante gevolgen voor de geluidbelasting op de gevels van de toekomstige woningen.
4.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende
Hoofdstuk 4
24
mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. ‘Niet In Betekenende Mate’ De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Doorwerking plangebied Wanneer sprake is van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg wordt de toename in verslechtering van de luchtkwaliteit gezien als ‘niet in betekende mate’. Met onderhavig planvoornemen worden er 36 woningen toegevoegd.
Het project behoort hiermee tot de lijst met categorieën die is opgenomen in de Regeling NIBM. Onderhavig planvoornemen is NIBM. Om de invloed op de luchtkwaliteit te bepalen is de NIBM-berekening uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder weergegeven (tabel 4.3). Er is gerekend met een verkeersgeneratie van 296 ten gevolge van het realiseren van 36 koopwoningen. Geconcludeerd wordt dat onderhavige ontwikkeling niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk. Bovendien waren er in de oude situatie andere functies mogelijk die een hoger aantal verkeersbewegingen per etmaal tot gevolg had dan de voorgestane ontwikkeling met 36 woningen.
Tabel 4.3 NIBM-berekening (bron: NIBM-tool
Wel moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In onderstaande tabel (tabel 4.4) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert advieswaarden die lager liggen dan de wettelijke normen uit de NSL-monitoringstool, deze advieswaarden wor-
Hoofdstuk 4
25
den iets overschreden. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de wettelijke normen liggen en er sprake is op zijn best sprake van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect zorgt dan ook niet voor belemmeringen. Meetpunt
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
15954641
25.5
20.1
7.8
11.9
2020
15947901 15947924
24.4 24.8
19.7 19.8
7.4 7.5
11.8 11.9
2020 2020
15954627 15947898 15954706 Norm
28.1 27.1 22.4 40
20.5 20.3 19.5 40
8.1 7.9 7.2 35
12.1 12.0 11.7 25
2020 2020 2020
Tabel 4.4: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)
4.4 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 7. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
7
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
26
Doorwerking plangebied Aan de overkant van de Marathonweg is een sportveld gelegen. Voor een veldsportcomplex geldt een maximale richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk voor geluid. Gelet op de ligging van het plangebied langs de drukke Marathonweg is de omgeving van het plangebied aan te duiden als gemengd gebied. De richtafstand mag met een stap verlaagd worden. De richtafstand van een veldsportcomplex tot gemengd gebied is 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan, derhalve vormt het nabijgelegen veldsportcomplex geen belemmering qua geluid. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal maatschappelijke bestemmingen gelegen, waarbinnen maatschappelijke functies als religie, cultuur, onderwijs, fysieke en geestelijke volksgezondheid en dienstverlening mogelijk zijn. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Verder zijn er in de omgeving van het plangebied voornamelijk woningen gelegen en zijn er geen bedrijven of instellingen die een belemmering kunnen vormen voor onderhavige ontwikkeling en vice versa. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering.
4.5 Geur agrarisch Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een geuruitstraling. Het is dan ook niet noodzakelijk om een geuronderzoek uit te voeren. Het aspect geur agrarisch zorgt niet voor belemmeringen.