Volledige PDF set Kom Lekdijk (26-10-2021).pdf
Tekst van het document
5.2.1.4 Nader afperken- en asbestonderzoek In verband met de uitkomsten van de hierboven beschreven onderzoeken en hierop volgend vooroverleg met de gemeente Vijfheerenlanden en de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU), is in 2021 opnieuw een bodemonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek was het afperken van eerder aangetoonde verontreinigingen en asbestonderzoek. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Asbest Bij het asbestonderzoek zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove bfractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen. In grond(meng)monster ASMM01 van de fijne fractie is analytisch in de fractie < 20 mm geen asbest aangetoond. In grond(meng)monster ASMM02 van de fijne fractie is analytisch in de fractie < 20 mm <0,4 mg/kg d.s. asbest aangetoond. Dit is onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Asbest vormt hiermee geen belemmering voor voorliggend plan. BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
27
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld Eerder aangetoonde verontreinigingen Op basis van voorgaande onderzoeken gevolgd door overleg met de ODRU is de verontreiniging afgeperkt door middel van uitvoering van onderhavig onderzoek. Na beoordeling door bevoegd gezag dient te worden bepaald of er gesaneerd moet worden en welke methode daarbij de beste is. Mogelijkheden hierbij zijn o.a. afgraven en afvoeren, of afdekken met een leeflaag. Aangezien er aan de wegzijde gebouwd gaat worden is er wellicht een mogelijkheid de tijdens bouwwerkzaamheden vrijkomende grond achterop het terrein te gebruiken als leeflaag. Hiervoor zal na aanlevering van de plannen toestemming van de RUD moeten worden verkregen. 5.2.1.5 Advies Omgevingsdienst regio Utrecht Op 10 juni 2021 heeft de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) haar advies uitgebracht in relatie tot het uitgevoerde bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.1.4 (bijlage 4). Het advies luidt als volgt: “Geconcludeerd kan worden dat het bodemonderzoek geschikt is als bewijsmiddel dat de bodem geschikt te maken is voor de voorgenomen functie. Door de aanwezigheid van een (vermoedelijk) geval van ernstige bodemverontreiniging zijn graaf- en bouwwerkzaamheden niet zonder meer toegestaan. Hiertoe moet formeel toestemming worden aangevraagd bij de RUD-Utrecht, zijnde het bevoegde gezag Wbb.
Dit kan bijvoorbeeld door het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Sanering). Of de huidige onderzoeksgegevens voldoende zijn ter onderbouwing van de ernst en spoedeisendheid van de verontreiniging, danwel een BUS-melding, is ter beoordeling aan de RUD-Utrecht.” 5.2.1.5 Conclusie De aangetoonde relevante bodemverontreinigingen bevinden zich weliswaar binnen het plangebied, maar niet ter plaatse van de nieuwe woning. Dit blijkt uit de locaties van de boringen binnen het nader bodemonderzoek. Een geval van (ernstige) bodemverontreiniging ter plaatse van de nieuwe woning kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten. Ter plaatse van de woning is hiermee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Binnen het plangebied als geheel is echter wel sprake van een (mogelijk) geval van ernstige bodemverontreiniging. Ten behoeve van de uitvoering van voorliggend plan dient dan ook formeel toestemming worden aangevraagd bij de RUD-Utrecht, zijnde het bevoegde gezag in relatie tot de Wet bodembescherming. Dit kan bijvoorbeeld door het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Sanering). In de planregels van dit bestemmingsplan is hiertoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Opgemerkt wordt nog dat voorliggend plan uitgaat van de toepassing van een leeflaag van minimaal 1,5 meter ter plaatse van de tuingronden achter de woning.
Verwacht wordt dat hiermee de ter plaatse aanwezige bodemverontreinigingen op dusdanige wijze worden afgedekt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat mogelijk is. In verband met de locaties van de aangetoonde verontreinigingen in relatie tot het ontwerpplan, en de voorwaardelijke verplichting in de planregels in relatie tot het advies van de ODRU, wordt dan ook geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het plan. Voor een beschrijving van de mogelijke gevolgen voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan wordt verwezen naar paragraaf 7.1 van deze plantoelichting. 5.2.2
Geluid
5.2.2.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
28
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.2.2.2 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Woningen worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen is. In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:
De hiervoor geldende zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (artikel 74.2).
5.2.2.3 Situatie plangebied Voorliggend bestemmingsplan maakt een nieuw geluidgevoelig object mogelijk als bedoeld in de Wgh, namelijk de nieuwe woning. Hiermee is toetsing aan de Wgh noodzakelijk. In de directe omgeving van het plangebied liggen meerdere wegen. Het plangebied bevindt zich op de grens van een overgang tussen een 30 km/uur en een 60 km/uur zone en hiermee binnen de wettelijke geluidszone van de Kortenhoevendijk (overgang naar 60 km/uur zone). Hiermee is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Ten behoeve van voorliggend plan heeft BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd om de geluidsbelasting ter plaatse van de woning vanwege de Kortenhoevendijk in beeld te brengen. Daarnaast bevindt het plangebied zich in de nabijheid van meerdere 30 km/uur wegen waaronder de Kom Lekdijk. Hoewel deze weg geen wettelijke geluidszone kent is deze in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ wel meegenomen in dit onderzoek. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten en conclusies. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze plantoelichting. 5.2.2.4 Onderzoeksresultaten De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Kortenhoevendijk bedraagt hoogstens 53 dB. De geluidsbelasting als gevolg van de Kom Lekdijk bedraagt hoogstens 43 dB.
Hiermee wordt voor de Kortenhoevendijk niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB voldaan. Er wordt wel aan de maximaal toegestane hogere waarde van 58 dB voldaan. Voor de Kom Lekdijk wordt wel aan de voorkeurswaarde voldaan. Aangezien de Wgh van toepassing is op de Kortenhoevendijk en voor deze weg niet aan de voorkeurswaarde wordt voldaan, dient voor deze weg een hogere waarde te worden verleend van maximaal 53 dB. Ten behoeve van de aanvraag hogere waarde moet conform het geluidsbeleid van de gemeente Vijfheerenlanden aan enkele aanvullende voorwaarden worden voldaan. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat bron- en overdachtsmaatregelen niet doelmatig zijn gebleken. De te realiseren nieuwe woning vormt voor de woning aan de Kom Lekdijk nummer 4 een doelmatige akoestische afscherming met betrekking tot geluidhinder afkomstig van de Kortenhoevendijk. Hiermee is ter plaatse van de
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
29
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld Kom Lekdijk 4 sprake van een beter akoestisch leefklimaat. Ter plaatse van de nieuwe woning kan door middel van bijvoorbeeld de toepassing van HR++ beglazing een goed akoestisch leefklimaat worden gewaarborgd. De noord- en westgevels zijn geluidsluw. Hiermee is er voldoende ruimte om voor iedere verdieping minimaal één verblijfsruimte aan de geluidsluwe gevel te realiseren. De buitenruimte wordt gerealiseerd aan de geluidluwe achter-/noordzijde. Met het verlenen van een hogere waarde van 53 dB wordt een hogere waarde verleent die ruimschoots beneden het maximum van 58 dB blijft voor situaties in binnenstedelijk gebied. Tot slot is in het uitgevoerde onderzoek de samenloop van alle verschillende relevante akoestische geluidbronnen onderzocht, waaronder 30 km/uur wegen. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het plan hiermee past binnen de aanvullende voorwaarden op basis van het gemeentelijke geluidsbeleid. Daarnaast dient bij de aanvraag hogere waarde een binnenniveau van 33 dB te worden gewaarborgd. Doordat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of wenselijk zijn, dient er sprake te zijn van voldoende gevelwering. In voorliggend geval dienen bij de uitwerking van de (bouw)plannen gevelmaatregelen van maximaal 25 dB te worden getroffen om een binnenniveau van 33 dB mogelijk te maken.
Standaard dubbele HR++ beglazing zorgt voor een geluidwering van circa 28 dB. Met het verlenen van de benodigde hogere waarden en het nemen van gevelmaatregelen met een gevelwering van maximaal 25 dB, is ter plaatse van de nieuwe woning sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. 5.2.2.5 Conclusie De Wet geluidhinder vormt, met de verlening van een hogere waarde, geen belemmering voor dit plan. De procedure voor verlening van de hogere waarde loopt gelijktijdig met de bestemmingsplanprocedure. 5.2.3
Luchtkwaliteit
5.2.3.1 Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
5.2.3.1.1
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
30
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld 5.2.3.1.2
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.2.3.1.3
Wet milieubeheer
Er zal moeten worden voldaan aan de luchtkwaliteitseisen zoals deze zijn neergelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Voor stikstofdioxide gelden de volgende grenswaarden: • •
200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en; 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.
De grenswaarden voor fijnstof (PM10) zijn: • •
40 µg/m³ (=microgram/m3) als jaargemiddelde concentratie 50 µg/m³ (=microgram/m3) als vierentwintiguurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 keer per kalenderjaar mag worden overschreden.
In 2008 is de Europese richtlijn (2008/50/EG) voor luchtkwaliteit geïntroduceerd. Een van de eisen uit deze richtlijn is de invoering van een grenswaarde voor de jaargemiddeldeconcentratie PM 2,5. Deze grenswaarde geldt naast de grenswaarde voor PM10. Op grond van voorschrift 4.4 van bijlage 2 van de Wet milieubeheer betreft de grenswaarde 25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. 5.2.3.2 Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie (wonen) niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. In afbeelding 5.2, 5.3 en 5,4 zijn uitsneden opgenomen van de luchtkwaliteitskaarten van de Omgevingsdienst Regio Utrecht ten aanzien van de huidige en verwachte situatie ter plaatse van het plangebied in relatie tot NO2, PM2,5 en PM10.
Afbeelding 5.2
Uitsnede luchtkwaliteitskaart NO2 (Bron: Omgevingsdienst Regio Utrecht)
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
31
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld
Afbeelding 5.3
Uitsnede luchtkwaliteitskaart PM10 (Bron: Omgevingsdienst Regio Utrecht)
Afbeelding 5.4
Uitsnede luchtkwaliteitskaart PM2,5 (Bron: Omgevingsdienst Regio Utrecht)
Zoals in afbeeldingen 5.2 tot en met 5.4 te zien is, wordt zowel voor de huidige situatie als de toekomstige situatie aan de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voldaan. De World Health Organisation (WHO) hanteert de volgende advieswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentraties: • • •
NO2: 40 microgram per m3; PM10: 20 microgram per m3; PM2,5: 10 microgram per m3.
Ten aanzien van NO2 en PM10 wordt reeds voldaan aan de advieswaarden van de WHO. Wat betreft PM2,5 wordt opgemerkt dat in de huidige situatie niet aan de advieswaarde van de WHO voldaan wordt, maar dat deze waarde in 2030 slechts licht overschreden wordt en er een dalende trend te zien is. Verwacht wordt dat deze dalende trend zich zal voortzetten. Al met al wordt veronderstelt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Gezien de zeer beperkte omvang van deze ontwikkeling (één woning) wordt daarnaast gesteld dat deze ontwikkeling geen noemenswaardige negatieve invloed heeft op bovenstaande verwachtingen ten aanzien van de luchtkwaliteit. 5.2.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. 5.2.4
Milieuzonering
5.2.4.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
32
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.2.4.2 Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied is gelegen aan de rand van de woonkern van Lexmond en tevens op korte afstand van het centrumgebied. De planlocatie is hiermee gelegen in een gebied waar sprake is van minimaal een matige vorm van functiemenging. Aansluitend aan of op korte afstand van woningen komen hier andere centrumfuncties voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In voorliggend geval wordt dan ook uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
33
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld 5.2.4.3 Beoordeling 5.2.4.3.1
Algemeen
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.2.4.3.2
Externe werking
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.2.4.3.3
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele milieubelastende functies aanwezig. Voor zover relevant betreft het in alle gevallen locaties met de bestemming ‘Centrum’. Ter plaatse zijn relatief lichte vormen van milieubelastende functies toegestaan ten behoeve van detailhandel, dienstverlening, kantoren, maatschappelijke voorzieningen en horeca tot maximaal milieucategorie 2. Het betreft in alle gevallen functies met een maximale milieucategorie 2, waarvoor in ‘gemengd gebied’ een maximale richtafstand van 10 meter geldt. De dichtstbijzijnde locatie waar een milieubelastende functie is toegestaan betreft de het perceel aan de Kortenhoevendijk 1A. Ter plaatse is een kleinschalige kringloop gevestigd. De afstand tussen het plangebied en het bestemmingsvlak ‘Centrum’ behorend bij deze milieubelastende functie bedraagt echter minimaal 13 meter. Hiermee wordt in relatie tot deze functie, en alle overige milieubelastende functies in de directe omgeving, aan de richtafstanden voldaan. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Omgekeerd is ook geen sprake van belemmering van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies/bedrijven aangezien andere milieugevoelige functies dichterbij zijn gelegen en hiermee maatgevend zijn voor de mogelijkheden van deze functies. 5.2.4.4 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.2.5
Geur
5.2.5.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
34
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: 1. 2.
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.2.5.2 Situatie plangebied In de directe omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gevestigd. Een nadere toetsing aan de Wgv is niet noodzakelijk. 5.2.5.3 Conclusie Het aspect geur in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor dit plan. 5.2.6
Externe veiligheid
5.2.6.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
35
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld 5.2.6.2 Situatie plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding 5.5 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (groene ster) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.5
Uitsnede Risicokaart (Bron:Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen en/of inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; zich niet in de nabijheid van een hoogspanningsmast bevindt.
De Lek Op minimaal 500 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich de rivier de Lek. Over de bijbehorende vaarroute ‘Corridor Amsterdam – Rijn’ vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Deze gevaarlijke stoffen maken onderdeel uit van verschillende soorten stofcategorieën. De meest relevante stofcategorie betreft in voorliggend geval de stofcategorie GF3 (brandbaar gas). Het bijbehorende invloedgebied strekt zich uit tot maximaal 90 meter1. Het plangebied ligt hiermee ruimschoots buiten het betreffende invloedgebied. Een nadere risicoverantwoording is niet noodzakelijk.
1
RIVM, Handleiding Risicoberekeningen Bevt, versie 1.2, 11 januari 2017, blz. 19.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
36
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld 5.2.6.3 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. 5.2.7
Besluit milieueffectrapportage
5.2.7.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1. 2.
3.
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
5.2.7.2 Situatie plangebied In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is in beginsel een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In voorliggend geval is sprake van de realisatie van een nieuwe vrijstaande woning op gronden die in de huidige situatie zijn bestemd als tuingronden bij een reeds bestaande woning. Hiermee is sprake van een herontwikkelingsproject op een inbreidingslocatie. Wat betreft bouwmogelijkheden is in voorliggend geval slechts sprake van een beperkte toename van de bouwmogelijkheden ten behoeve van één woning.
De nieuwe bebouwing wordt gebouwd rekening houdend
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
37
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld met de bebouwingsstructuren en de landschapskenmerken van de directe omgeving. De nieuwbouw voegt zich stedenbouwkundig en architectonisch gezien goed in de omgeving (zie ook paragraaf 3.1 en 3.2). De planlocatie bevindt zich aan de noordoostelijke rand van de woonkern van Lexmond. Dit gebied kenmerkt zich reeds door een invulling ten behoeve van stedelijke functies, waaronder ‘wonen’. Gezien de huidige functie ‘tuin’ ten behoeve van een bestaande woning, wordt gesteld dat ter plaatse al sprake is van gebruiksen bouwmogelijkheden ten behoeve van stedelijke functies. Op basis van het bovenstaande, waaronder de aard en relatief beperkte omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving en het bestaande planologische regime, wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Een nadere toetsing is hiermee niet noodzakelijk. 5.2.7.3 Conclusie Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.
5.3
Kabels en leidingen
In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig waarmee specifiek rekening gehouden dient te worden.
5.4
Water
5.4.1
Vigerend beleid
5.4.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.4.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.4.1.3 Provinciaal beleid De provincie stelt kaders en ontwikkelt beleid voor schoon, mooi, veilig en voldoende water in Utrecht. Dit is vastgelegd in het Bodem- Water- en Milieuplan. Voor water heeft de provincie Utrecht drie prioriteiten. Te weten ‘waterveiligheid en wateroverlast’, ‘schoon en voldoende oppervlaktewater’ en ‘een ondergrond met schoon en voldoende grondwater’.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
38
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld 5.4.1.4 Waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.4.2
Waterparagraaf
5.4.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.4.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Rivierenland is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. Hiertoe is de waterhuishoudkundige situatie in de nieuwe situatie in beeld gebracht. Het watertoetsresultaat is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd.
Hierna wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. 5.4.2.3 Waterhuishoudkundige situatie plangebied Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een kwelsloot. Deze blijft behouden met de voorgenomen ontwikkeling. In verband met de noodzakelijke watercompensatie wordt deze kwelsloot in beperkte mate verbreed. Hierover heeft reeds vooroverleg plaatsgevonden met het waterschap. Verhard oppervlak en watercompensatie Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een toename van het verhard oppervlak binnen het plangebied. Deze toename bedraagt circa 723 m². Op basis van het beleid van Waterschap Rivierenland dient het bijbehorende verlies aan waterbergende capaciteit te worden gecompenseerd. In het geval van ontwikkelingen in stedelijk gebied is in specifieke gevallen sprake van een eenmalige vrijstelling van 500 m². In dit kader heeft reeds vooroverleg plaatsgevonden met Waterschap Rivierenland. Deze eenmalige vrijstelling wordt in voorliggend geval toegepast. Hiermee blijft er een te compenseren toename van het verharde oppervlak over van (723-500) circa 223 m². Waterschap Rivierenland heeft aangegeven dat er in voorliggend geval een compensatie-eis van 436 m³ per hectare verhard oppervlak van toepassing is.
Uitgaande van de algemene peil stijging ter plaatse van het plangebied bedraagt het compensatieoppervlak 50,6 m².De compensatie-eis bedraagt hiermee (50,6/0,2) 10,12 m³.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
39
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld De benodigde voorziening(en) wordt in voorliggend geval naar verwachting, en mede in (voor)overleg met het waterschap, ingevuld door een beperkte verbreding van de direct ten noorden van het plangebied aanwezige kwelsloot. In de planregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter borging van de realisatie van voldoende watercompenserende voorzieningen. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het realiseren van de benodigde waterberging. Hemelwater Het hemelwater wordt in zowel de huidige als de toekomstige situatie geïnfiltreerd in de bodem en mogelijk in infiltratiekratten of afgevoerd richting de ten noorden gelegen kwelsloot. Gezien de beperkte bouwmogelijkheden (bouwvlak en tuin-/groenbestemming) blijft er voldoende oppervlak beschikbaar voor infiltratie/waterberging. Afvalwater Ter plaatse van de nieuwe woning zal sprake zijn van afvoer van vuilwater. De vuilwaterafvoer van de woning wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering. Materialen Bij de nieuwbouw zullen geen uitloogbare materialen worden toegepast. Kunststof en EPDM zijn daarin de oplossingen voor zink en lood. Grondwater Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend.
Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseert het waterschap om hier nader onderzoek naar te doen. Bij hoge rivierwaterstanden kunnen gebieden gelegen nabij de rivieren overlast ondervinden van kwel. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen. Er wordt bij het indienen van de omgevingsvergunning voor het bouwen rekening gehouden met drooglegging. Waterkwaliteit Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. Beschermingszones Het plangebied maakt, zoals eerder al bleek in paragraaf 1.4, onderdeel uit van verschillende waterhuishoudkundige beschermingszones.
Op grond van het geldende bestemmingsplan gelden ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat – Waterkering’ en ‘Waterstaat - Waterstaatkundige functie’. Daarnaast valt het plangebied binnen de gebiedsbestemming ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. Binnen deze beschermingszones gelden er beperkingen voor nieuwe ontwikkelingen die niet direct samenhangen met de waterhuishoudkundige doelstellingen. In beginsel mag hier dan ook geen woning worden gebouwd. Met een omgevingsvergunning kan hier echter van worden afgeweken indien onder andere wordt aangetoond dat de waterbelangen die gewaarborgd dienen te worden niet onevenredig wordt geschaad en vooraf advies wordt ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
40
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld Er mag alleen nieuw worden gebouwd in de beschermingszone als er boven het profiel van vrije ruimte van de waterkering gebouwd wordt. Er mogen ook geen holle ruimtes (kruipruimten of ringbalken) worden gemaakt. Als bouwwerken binnen de beschermingszone, en buiten het profiel van vrije ruimte worden gerealiseerd, moet dat boven het bestaande maaiveld plaatsvinden. Daarbij mag het maaiveld niet worden verlaagd. In voorliggend geval heeft er reeds vooroverleg met de waterbeheerder(s) plaatsgevonden. Het ontwerpplan is hierop aangepast. De bedoelde gebiedsbestemming en de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ zijn overgenomen in dit bestemmingsplan ter waarborging van deze beschermingszones. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie’ is in overleg met de gemeente Vijfheerenlanden en waterschap Rivierenland niet overgenomen in dit bestemmingsplan. Ter vervanging zijn in de algemene aanduidingsregels ‘Vrijwaringszone – dijk-1’ en ‘Vrijwaringszone – dijk-2’ opgenomen. Ten tijde van de bouwaanvraag wordt het bouwplan getoetst aan de bijbehorende voorwaarden voor ontwikkelingen binnen deze beschermingszones. Overige zaken Er zijn geen persleidingen van het waterschap in het plangebied aanwezig. 5.4.3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormt. Ten behoeve van het voornemen zijn te zijner tijd een of meerdere omgevingsvergunningen en/of watervergunningen noodzakelijk.
5.5
Groen, natuur en landschap
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.5.1
Gebiedsbescherming
5.5.1.1 Natura 2000-gebieden Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Gronden die tot Natura 2000-gebied behoren bevinden zich op respectievelijk 2,2 (Zoueweboezem) en 2,4 (Uiterwaarden) kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is van directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde.
Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habittatypen binnen het Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen heeft BJZ.nu een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
41
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld Hierna wordt de belangrijkste onderzoeksconclusie weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan.
Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 80 meter afstand ten noorden van het plangebied. In afbeelding 5.5 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN indicatief weergegeven.
Afbeelding 5.5
Ligging plangebied ten opzichte van NNN-gebied (bron: Provincie Utrecht)
Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot het NNN wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
42
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld 5.5.2
Soortenbescherming
5.5.2.1 Algemeen Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.5.2.2 Situatie plangebied In het kader van voorliggende ontwikkeling heeft Jansen & Jansen Groenadviesbureau een quickscan flora en fauna uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Hieronder worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek beknopt weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze plantoelichting. Op basis van het onderzoek kan overtreding van de Wet natuurbescherming redelijkerwijs worden uitgesloten in relatie tot de beoogde nieuwbouw. De oeverzone van de ten noorden gelegen kavelsloot kan gebruikt worden door enkele algemene amfibiesoorten (bruine kikker en gewone pad) waardoor werkzaamheden nabij de oeverzone op een amfibievriendelijke wijze dienen te worden uitgevoerd. 5.5.3
Conclusie
De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor uitvoering van het plan.
5.6
Cultuurhistorie
5.6.1
Algemeen
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan/bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.6.2
Situatie plangebied
Er bevinden zich, op basis van de Utrechtse Cultuurhistorische atlas, in de directe omgeving van het plangebied enkele rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Gezien de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling is geen sprake van aantasting van deze cultuurhistorische waarden. Binnen het plangebied zijn daarnaast geen monumentale bomen aanwezig. 5.6.3
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
43
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld
5.7
Archeologie
5.7.1
Algemeen
Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Als bij uitvoering van werkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan wordt vermoed dat het archeologische vondsten betreft, moeten deze op grond van art. 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, c.q. gemeente Vijfheerenlanden) worden gemeld. De gemeente Vijfheerenlanden beschikt nog niet over een eigen archeologische verwachtingskaart. De voormalige gemeente Leerdam Zederik beschikte wel over archeologische verwachtings- en beleidskaarten.
Totdat de gemeente Vijfheerenlanden archeologisch beleid en kaarten heeft opgesteld, geldt in voorliggend geval nog het beleid zoals dat door de voormalige gemeente Zederik is opgesteld. 5.7.2
Situatie plangebied
De archeologische verwachtingswaarden zijn door de voormalige gemeente Zederik doorvertaald in de vigerende bestemmingsplannen middels archeologische dubbelbestemmingen. Eerder bleek in paragraaf 1.4 al dat ter plaatse van het plangebied de archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ van toepassing zijn. De bedoelde dubbelbestemmingen hebben ten doel om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen en veilig te stellen. Om die reden gelden in beginsel beperkingen voor het bouwen van bouwwerken op deze gronden. Deze beperking houdt in dat in beginsel slecht mag worden gebouwd indien: •
•
de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport (quickscan) heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
Bovenstaande voorwaarden gelden echter niet indien er sprake is van de bouw van bouwwerken met een maximaal oppervlak van respectievelijk 30 m² (Waarde- Archeologie 1’ en 250 m² (Waarde – Archeologie 4). In voorliggend geval beslaat de nieuwe bebouwing een kleiner oppervlak dan 250 m². Het plangebied is daarnaast slecht voor een zeer beperkt deel voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Daar waar deze dubbelbestemming geldt wordt het oppervlak van 30 m² niet overschreden. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 5.7.3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. De geldende archeologische dubbelbestemmingen zijn wederom opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
44
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld
HOOFDSTUK 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt bij het maken van de keuzes voor het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels door aan te geven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opbouw van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
6.2.2
Inleidende regels
6.2.2.1 Begrippen In artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 6.2.2.2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan. 6.2.3
Bestemmingsregels
Het Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte etc.);
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
45
Bestemmingsplan “Kom Lekdijk ong., Lexmond” Vastgesteld • • • •
Nadere eisen: omschrijving van de nadere eisen die het bevoegd gezag kan stellen ten aanzien van bijbehorende bouwwerken; Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels; Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming en/of specifieke gebruiksregels.
In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor het plangebied voor deze bestemmingen is gekozen. 6.2.4 Algemene regels • Anti-dubbeltelregel (artikel 8): Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van (bijvoorbeeld) een maximaal bebouwingspercentage. • Algemene bouwregels (artikel 9): In dit artikel zijn algemene bouwregels opgenomen waaronder regels voor ondergronds bouwen; • Algemene gebruiksregels (artikel 10): In deze regels is het algemeen strijdig gebruik weergegeven. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van Bed&Breakfast bij de woning; • Algemene aanduidingsregels (artikel 11): In dit artikel zijn regels opgenomen in relatie tot de milieuzonegrondwaterbeschermingsgebied en de vrijwaringszones Dijk-1 en Dijk-2; • Algemene afwijkingsregels (artikel 12): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.